Ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
Afbeelding 6.2 Erfgoedkaart, Archeologische beleidskaart
6.4 Natuur 6.4.1 Gebiedsbescherming De bescherming van Natura-2000 gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Afbeelding 6.3 geeft weer dat het plangebied niet is gelegen in of op korte afstand van een Natura-2000 gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gezien de aard van het initiatief, waarbij een bestaand fysiek gebouw (woning) planologisch wordt omgezet in twee woningen, zijn er vanwege stikstofdepositie of anderszins geen negatieve gevolgen te verwachten voor
27/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
Natura-2000 gebieden of het NNN. Bovendien is het plangebied gelegen op relatief grote afstand van Natura-2000 gebieden en het NNN.
Afbeelding 6.3 Ligging Natura-2000 gebieden en NNN
6.4.2 Soortenbescherming Het plangebied aan de Groenendijk 2 heeft in de nieuwe situatie de hoofdfunctie wonen, bestaande uit twee woningen met bijgebouwen. Er wordt ten behoeve van het initiatief geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting verwijderd. De te verwijderen voormalige bedrijfsgebouwen zijn een open kapschuur van 110 m2, een garage/berging van 50 m2 en de afhangen van de voormalige veestal. De aard en omvang van de te verwijderen bebouwing leent zich niet als verblijf- of nestplaats van beschermde soorten. Het plangebied heeft momenteel een bedrijfsmatige agrarische bestemming en is in gebruik als erf en met bijgebouwen bij de monumentale woonboerderij. Vanwege het bestaande gebruik van het plangebied is de aanwezigheid van beschermde soorten niet waarschijnlijk. Het initiatief heeft naar verwachting geen negatieve gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten. Het definitief beëindigen van de bedrijfsmatige agrarische activiteiten biedt ruimte voor het aanbrengen van erfbeplanting en het versterken van het straatbeeld door het revitaliseren en aanplanten van hagen langs de Provincialeweg en Groenendijk. Dit kan een positieve invloed hebben op de flora en fauna ter plaatse. De notitie kwaliteitsverbetering is opgenomen als bijlage 1.
Op basis van bovenstaande analyse kan geconcludeerd worden dat het initiatief geen nadelige gevolgen heeft voor het aspect natuur en landschap en dat nader onderzoek op dit moment niet nodig wordt geacht.
28/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
6.5 Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn regels opgenomen voor de geluidbelasting van geluidgevoelige bestemmingen (zoals bijvoorbeeld woningen) door het weg- en spoorwegverkeer. Bij akoestisch onderzoek moet daarbij worden uitgegaan van het maatgevende toekomstige jaar. In het algemeen is dit 10 jaar na realisatie of na het akoestisch onderzoek. Omdat de tweede wooneenheid in de monumentale woonboerderij via het bestemmingsplan wordt gerealiseerd, hoeft op grond van de Wgh de geluidbelasting op de bestaande woning niet getoetst te worden aan de grenswaarden. In het kader van het woon- en leefklimaat is toetsing wel van belang. De nieuwe woning ligt binnen de geluidzone van de Provincialeweg en de Groenendijk. Daarom is het vanuit de Wgh verplicht een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege deze wegen uit te voeren. De initiatiefnemer heeft aan gespecialiseerd bureau SAIN Milieuadvies opdracht gegeven een onderzoek uit te voeren naar wegverkeerslawaai. Het doel van het akoestisch onderzoek is om te onderzoeken of de nieuwe woning wat wegverkeerslawaai betreft mogelijk is binnen de eisen van de Wgh. De geluidbelasting op de nieuwe woning ten gevolge van omliggende wegen is berekend voor het jaar 2031. De conclusies van het onderzoek zijn als volgt: 1. De geluidbelasting vanwege de Provincialeweg overschrijdt de voorkeursgrenswaarde.
Wel wordt voldaan aan de maximale grenswaarde van 63 dB; 2. De geluidbelasting vanwege de Groenendijk voldoet aan de voorkeursgrenswaarde; 3. Maatregelen ter reductie van de geluidbelasting zijn onvoldoende doeltreffend, niet mogelijk of zullen bezwaren ontmoeten van financiële dan wel vervoerskundige en/of stedenbouwkundige aard. Het college van B&W wordt verzocht een besluit te nemen tot het vaststellen van een hogere grenswaarde vanwege de Provincialeweg; 4. Wat betreft de Groenendijk zijn geen verdere procedures nodig in het kader van de Wet geluidhinder. De volledige rapportage met de resultaten van het onderzoek is als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen. Daarnaast is toetsing van het woon- en leefklimaat van belang. De resultaten van het uitgevoerde onderzoek kunnen worden ingedeeld in groepen met een bepaald karakter. Tabel 6.1 geeft deze indeling volgens de Methode Miedema weer.
Geluidbelasting (Lden dB) < 50 50-55 55-60 60-65 65-70 > 70
Karakter Goed Redelijk Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht
Tabel 6.1 Karakterisering woon- en leefklimaat van een gebied
De maximale geluidbelasting bedraagt 63 dB (inclusief wettelijke aftrekcorrectie) op de gevel aan de wegzijde. Er is dan sprake van een tamelijk slecht woon- en leefklimaat. Aan de achterzijde is de geluidbelasting lager dan 50 dB en is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het woon- en leefklimaat wordt op basis van deze analyse aanvaardbaar geacht.
29/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
Gelet op de leeftijd van de monumentale boerderijwoning en het type gebouw, is aannemelijk dat niet wordt voldaan aan een binnenwaarde van 33 dB. Voor de bestaande woning wordt niet getoetst aan de Wet geluidhinder en het is niet noodzakelijk ten behoeve van de bestaande woning een hogere waarde Wet geluidhinder vast te stellen. Toetsing van de geluidwering is niet aan de orde. Uit de resultaten van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de nieuwe woning 63 dB bedraagt. Het is gelet op het bouwjaar en de staat van de woning aannemelijk dat het geluidbinnenniveau 63 – 20 = 43 dB of hoger zal zijn. Op grond van artikel 112 van de Wgh moet het college van B&W bevorderen dat kan worden voldaan aan het geluidbinnenniveau van 33 dB. De initiatiefnemer zal onderzoeken welke stappen worden genomen om door geluidwering door het treffen van gevelmaatregelen te voldoen aan het geluidbinnenniveau van 33 dB. Gemeente Oosterhout kan de initiatiefnemer een aanbod doen voor het uitvoeren van een bouwakoestisch onderzoek, te treffen maatregelen en bijbehorende kosten. De eigenaar van de nieuwe woning kan dat afwijzen of geheel of gedeeltelijk aanvaarden. De gemeente kan de verplichting ook contractueel overdragen met de resultaatsverplichting dat uiteindelijk aan de binnenwaarde van 33 dB in een geluidgevoelige ruimte zal worden voldaan.
De (gedeeltelijke) uitvoering of weigering wordt in het Kadaster ingeschreven. De uitvoering kan na de wijziging van het bestemmingsplan plaatsvinden.
6.6 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering beoogt een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven en anderzijds milieugevoelige functies aan te brengen. De kwaliteit van het woon- en leefklimaat wordt daardoor gehandhaafd en bevorderd. In het algemeen wordt door het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. Bedrijven zijn in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering 2009’ ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstand tot milieugevoelige functies. Voor het plangebied aan de Groenendijk 2 leidt het initiatief tot het toevoegen van een milieugevoelige functie. De monumentale boerderij wordt gesplitst in twee woningen. De bedrijfsmatige activiteiten worden definitief beëindigd. Het plangebied en directe omgeving aan het lint van Oosteind kwalificeert als ‘gemengd gebied’ waar een grote diversiteit aan functies aanwezig is. Indien noodzakelijk, kan bij toetsing aan de normen uit de VNG brochure de indicatieve afstand met een stap verlaagd worden. In de omgeving van het plangebied bevindt zich een aantal niet-agrarische bedrijven. Tabel 6.2 geeft deze niet-agrarische bedrijven weer, met de werkelijke en indicatieve afstand. Hierbij is gemeten van de rand van het bouwvlak in de nieuwe situatie. Adres
Omschrijving bedrijfsactiviteiten
Provincialeweg 193 Provincialeweg 194
Groothandel in cosmetica Garagebedrijf: autoverkoop, reparatieen herstelwerkzaamheden Bakkerij Opslag verhuurbedrijf in materiaal voor horeca en evenementen
Provincialeweg 203 Provincialeweg 211
Afstand 157 32
Indicatieve afstand 30 30
16 95
10 30
Tabel 6.2 Analyse indicatieve afstand
30/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
Uit de analyse blijkt dat voor de niet-agrarische bedrijven die zich in de omgeving van het plangebied bevinden, wordt voldaan aan de indicatieve afstanden. Het verlagen van de indicatieve afstand vanwege de ligging in ‘gemengd gebied’ is niet noodzakelijk. Voor de aanwezige niet-agrarische bedrijven geldt dat zich op kortere afstand milieugevoelige functies (woningen) bevinden. Het initiatief belemmert de aanwezige bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden. De reeds aanwezige woningen, die op kortere afstand zijn gelegen, zijn maatgevend. In de omgeving bevinden zich ook enkele agrarische bedrijven Voor de agrarische bedrijven wordt getoetst aan het aspect geur. Dit is beschreven in paragraaf 6.7 6.7 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit stallen en de opslag van mest. De Wgv maakt onderscheid in geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom en of betrokken bedrijven wel of geen dieren houden waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Indien geen dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en derhalve geen geurbelasting kan worden bepaald, gelden vaste afstanden. Ook hier is er onderscheid tussen binnen en buiten de bebouwde kom.
Daarnaast gelden vaste afstanden voor voormalige agrarische bedrijfswoningen. In lijn met de bepalingen uit de Wgv zijn de genoemde normen voor geurbelasting en vaste afstanden overeenkomstig opgenomen in het Activiteitenbesluit. De te splitsen boerderij betreft in planologisch opzicht één voormalige agrarische bedrijfswoning die wordt omgezet in een burgerwoning en één nieuwe woning. De voormalige bedrijfswoning wordt beschouwd als een bedrijfswoning bij een voormalige veehouderij. Hiervoor geldt binnen de bebouwde kom een vaste afstand van 50 meter. Deze vaste afstand is ook van toepassing na de omzetting naar burgerwoning. De nieuwe woning wordt getoetst aan de geurbelasting vanwege een intensieve veehouderij en een vaste afstand in overige gevallen. Voor het woon- en leefklimaat moet worden getoetst aan het gemeentelijk geurbeleid. Vanwege intensieve veehouderijen mag de voorgrondbelasting niet meer dan 3,0 Ou/m3 bedragen en mag de achtergrondbelasting maximaal 6,5 Ou/m3 zijn. In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich één intensieve veehouderij, aan de Provincialeweg 184. Het betreft een pluimveehouderij. Afbeelding 6.5 geeft de geurcontour van de intensieve veehouderij weer. Uit deze afbeelding blijkt dat het plangebied is gelegen buiten de geurcontour van 2 Ou/m3.
Het aspect geur vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief, omdat aan de geurnorm kan worden voldaan. Vanwege de situering van de intensieve veehouderij aan de Provincialeweg 184 is het niet mogelijk de emissiebronnen dichter bij het plangebied te brengen.
31/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
Afbeelding 6.4 Geurbelasting Provincialeweg 184
De overige agrarische bedrijven in de omgeving zijn niet-intensieve agrarische bedrijven. Voor deze bedrijven geldt op basis van de gemeentelijke Verordening binnen de bebouwde kom een indicatieve afstand van 100 meter. Het plangebied is gelegen op een afstand groter dan 100 meter, zodat voldaan wordt aan de indicatieve afstand tot agrarische bedrijven. Op de locatie Groenendijk 2 was voorheen een rundveehouderij gevestigd. Het definitief beëindigen van de bedrijfsmatige agrarische activiteiten leidt tot een verbetering van het woon- en leefklimaat voor de directe omgeving. De overlast van de agrarische activiteiten in de vorm van geur, stof en geluid behoort definitief tot het verleden. 6.8 Externe veiligheid De wet- en regelgeving voor externe veiligheid ziet op de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijk kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen, Besluit externe veiligheid transportroutes en Besluit externe veiligheid buisleidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas of buisleiding. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een
32/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De locatie Groenendijk 2 met een woonfunctie betreft zowel in de huidige als nieuwe situatie een kwetsbaar object. Door het splitsen van de monumentale boerderij, wordt een kwetsbaar object toegevoegd. Een bestaande woning hoeft, ook bij functiewijziging, niet te worden getoetst. De af te splitsen woning moet wel worden getoetst. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Om te bepalen of de te splitsen boerderijwoning ligt binnen de plaatsgebonden risicocontour PR 10-6/jaar is de risicokaart van Nederland geraadpleegd. Afbeelding 6.5 geeft een uitsnede weer van deze kaart. Uit de risicokaart blijkt dat direct ten westen van het plangebied een buisleiding aanwezig is. De buisleiding betreft een 6’’ aardgasleiding waarvoor een invloedgebied geldt van 70 meter en een 100% letaliteitsgrens van 50 meter.
Afbeelding 6.5 Uitsnede risicokaart Nederland
Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit en over een lengte van maximaal 1 km (bron in het midden). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij wordt in ieder geval gekeken naar de evacuatie van personen en de voorbereiding op het bestrijden van een ramp als gevolg van de leiding. Deze aspecten wijzigen niet door het planologisch verankeren van de splitsing van de woonboerderij.
33/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
Bij de risicoafweging betrekt gemeente Oosterhout de gemeentelijke Beleidsvisie externe veiligheid 2017. De beleidsvisie vormt een aanvullend toetsingskader voor planologische besluiten en ruimtelijke ontwikkelingen. De beleidsvisie heeft tot doel de risico’s waaraan burgers kunnen worden blootgesteld door risicovolle activiteiten tot een minimum te beperken, de exploitanten van risicobronnen duidelijkheid te geven over risicoruimte en burgers en bedrijven voldoende te informeren over de risico’s. In de gemeentelijke Beleidsvisie externe veiligheid is opgenomen dat binnen het invloedgebied van een buisleiding voor aardgas in principe geen nieuw kwetsbaar object mag worden toegelaten. De gemeente heeft beleidsvrijheid om onderbouwd van dit uitgangspunt af te wijken. De te splitsen bestaande boerderijwoning wordt gehandhaafd en conform de huidige situatie gebruikt voor dubbele bewoning. De kortste afstand van de bestaande boerderijwoning tot de gasleiding bedraagt circa 4 meter. De afstand van de af te splitsen woning tot de gasleiding bedraagt circa 12 meter. De gevaren van het wonen binnen het invloedgebied en met name binnen de 100% letaliteitszone van 50 meter worden onderkend, maar nemen door het uitvoeren van het initiatief niet toe. Gemeente Oosterhout bevestigt dat de boerderijwoning reeds lang geleden bouwkundig is gesplitst.
De afstand van de woonfunctie tot de buisleiding wordt niet verkleind. De feitelijke situatie verandert door de voorgenomen ontwikkeling niet. Dit betekent dat de gemeente in haar afweging heeft meegenomen dat het risico ten opzichte van de bestaande situatie niet of nauwelijks toeneemt. Het planologisch vastleggen van de bestaande situatie, weegt zwaarder dan een zeer beperkte toename van het risico. Op de verbeelding van het bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’ zal ter plaatse van de buisleiding de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ worden opgenomen. Het betreft een strook langs de westelijke grens van het plangebied. De belemmeringenstrook is vier meter breed, gemeten vanuit het hart van de leiding. De bestaande en af te splitsen woning zijn beide gelegen buiten deze belemmeringenstrook. De planregels maken het vestigen van nieuwe (beperkt) kwetsbare functies niet mogelijk. De afstand van de te splitsen monumentale boerderij tot overige buisleidingen in de omgeving, zoals weergegeven op afbeelding 6.5, bedraagt meer dan 200 meter. Dat betekent dat het plangebied ruim buiten het invloedgebied van overige leidingen gelegen is. De gemeente zal op basis van het voorontwerpbestemmingsplan advies vragen aan de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant (VRMWB).
Het advies van de VRMWB, dan wel het standaard advies 2021, wordt in de toelichting verwerkt. Gemeente Oosterhout maakt een eindverantwoording van de veiligheidssituatie. 6.9 Kabels en leidingen Voor het plangebied aan de Groenendijk 2 is geen sprake van aanwezigheid van ruimtelijk relevante kabels of leidingen, anders dan beschreven in paragraaf 6.8. Indien graafwerkzaamheden worden uitgevoerd binnen het plangebied, zal een KLIC melding worden gedaan, zodat de ligging van kabels en leidingen in beeld is en schade kan worden voorkomen. 6.10 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving inzake luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Voor verschillende stoffen zijn luchtkwaliteitsnormen vastgesteld. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer. Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide,
34/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van de andere stoffen komt nauwelijks voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten verslechteren de luchtkwaliteit niet in betekenende mate (NIBM). Deze projecten vergen geen nadere toetsing op luchtkwaliteit. Ze zijn zo klein dat ze geen wezenlijk invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bijdraagt aan luchtverontreiniging, ook niet in gebieden met te veel luchtverontreiniging (overschrijdingsgebieden). De ministeriële regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM project is. Dat is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het voorliggende initiatief leidt tot het planologisch toevoegen van één woning, in combinatie met het definitief beëindigen van de bedrijfsmatige agrarische activiteiten. Dat betekent een verwaarloosbare toename van verkeer en daarmee een verwaarloosbare verslechtering van de luchtkwaliteit.
Voor dergelijke kleinschalige initiatieven geldt een wettelijke uitzondering (NIBM) voor nader onderzoek. Gezien de aard en kleinschaligheid van het project, draagt het NIBM bij aan de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing van het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. 6.11 Toetsing besluit milieueffectrapportage De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een m.e.r. moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een m.e.r. te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde, moet een m.e.r. worden uitgevoerd. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit m.e.r. geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een m.e.r. nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde blijft uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r., kan een project nadelige gevolgen hebben voor het milieu.
Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r. beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In dit besluit is de nieuwe procedure voor vormvrije m.e.r. beoordelingen opgenomen. In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r., aanmeldingsnotitie of vormvrije m.e.r. beoordeling noodzakelijk is. In deze m.e.r. beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat compenserende maatregelen mogen worden meegenomen in de vormvrije m.e.r. beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient mee te wegen in de beslissing. Dit biedt de kans om in een vroegtijdig stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling. Op grond van de bijlage van het Besluit m.e.r. dient een m.e.r. te worden opgesteld bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 ha of meer, een aaneengesloten gebied van 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een
35/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
bedrijfsvloeroppervlakte van meer dan 200.000 m2. Het initiatief overschrijdt deze drempelwaarden niet. Het toevoegen van een woning kan in beginsel vallen onder D11.2. Er is planologisch gezien sprake van wijziging of uitbreiding. De feitelijke situatie wijzigt niet, omdat de monumentale boerderij al decennialang gebruikt wordt voor dubbele bewoning. Gelet op de jurisprudentie kan worden gesteld dat een project van dergelijke omvang (planologisch toevoegen van één woning) niet wordt beschouwd als een categorie D11.2. Dit betekent dat het opstellen van een vormvrije m.e.r. beoordeling niet noodzakelijk is. 6.12 Gezondheid In de huidige wetgeving is nog geen geschikt beoordelingskader opgenomen om de gezondheidsrisico’s mee te wegen bij ruimtelijke beslissingen en in procedures op grond van de Wet milieubeheer. Het initiatief leidt tot het definitief beëindigen van het agrarisch bedrijf aan de Groenendijk 2 en daarmee tot een afname van de emissie van geur en fijnstof. Er worden in de nieuwe situatie niet bedrijfsmatig dieren gehouden en de afstand van woningen tot veehouderijen wordt niet verkleind. Het is derhalve niet te verwachten dat het initiatief leidt tot gezondheidsrisico’s.
6.13 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter omgaan met Risico’s, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningsleidingen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. Dit houdt in dat bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningsleidingen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetisch veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Het plangebied is niet gelegen binnen een zone van 80 meter van een bovengrondse hoogspanningsleiding. De dichtstbijzijnde hoogspanningsleiding is gelegen op een afstand van circa 250 meter van het plangebied. Daarmee voldoet het initiatief aan de norm van NMP4. 6.14 Verkeer en parkeren In de nieuwe situatie worden de bedrijfsmatige agrarische activiteiten beëindigd en is sprake van twee woningen in de monumentale boerderijwoning. Het initiatief zal vanwege de aard en kleinschaligheid niet leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen.
De beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen vanwege het toevoegen van een nieuwe woning, wordt gecompenseerd door de afname van het aantal verkeersbewegingen vanwege het beëindigen van de bedrijfsmatige agrarische activiteiten. Gemeente Oosterhout sluit voor het berekenen van de parkeerbehoefte aan bij de normen van het CROW. Op het verharde erf en in het bijgebouw is bij beide woningen voldoende ruimte aanwezig voor het parkeren van twee personenauto’s. Daarmee is voor eigen gebruik voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Voor bezoekers is aanvullend voldoende ruimte aanwezig op eigen terrein. De openbare weg zal niet gebruikt worden voor parkeren of manoeuvreren.
36/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
7.
Uitvoerbaarheid
7.1 Economische uitvoerbaarheid De initiatiefnemers zijn er mee bekend dat de kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de planologische procedure voor hun rekening komen. Dit betreft onder meer de kosten voor benodigde onderzoeken, de kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan en de legeskosten die voldaan moeten worden. De voorgenomen ontwikkeling betreft een particulier initiatief en bevindt zich op particulier terrein. De investeringen die samenhangen met de ontwikkeling worden door de initiatiefnemers gefinancierd. Ook de kosten die samenhangen met onderhoud en beheer worden door de initiatiefnemers gedragen. 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de uitwerking van het initiatief zijn de belangen van omwonenden van Groenendijk 2 meegewogen. De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaande bebouwing en leidt tot een verbetering van de woon- en leefomgeving. Het definitief beëindigen van de bedrijfsmatige agrarische activiteiten betekent dat voor de directe omgeving niet langer sprake is van hinder door geur, stof en geluid. Om direct omwonenden in een vroegtijdig stadium te informeren, hebben de initiatiefnemers hen persoonlijk geïnformeerd over het voornemen de bedrijfsmatige agrarische activiteiten definitief te beëindigen en de monumentale woonboerderij te splitsen in twee wooneenheden.
De omwonenden hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de voorgenomen ontwikkeling. De rapportage met de resultaten van de omgevingsdialoog is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. De maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd door een goede communicatie met omwonenden en de wettelijke procedure om te komen tot een vastgesteld bestemmingsplan. Het op de juiste wijze in het bestemmingsplan verwerken van eventuele zienswijzen, komt de maatschappelijke uitvoerbaarheid ten goede. Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Gemeente Oosterhout heeft in dit kader het voorontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan de overleginstanties, waaronder provincie Noord-Brabant, waterschap Brabantse Delta en leidingbeheerder Gasunie. De provincie heeft aangegeven dat het plan in overeenstemming is met de provinciale belangen. Het waterschap is positief over het optimaal benutten van de mogelijkheden voor infiltratie van hemelwater.
Aangezien de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap naar wens zijn opgenomen in het bestemmingsplan, geeft het waterschap een positief advies. Op basis van overleg met Gasunie, heeft een aanpassing plaatsgevonden in artikel 5.2.2 lid c en lid d. Het woord ‘Leiding’ is vervangen door ‘Leiding – Gas’. Voor het overige kan Gasunie instemmen met het bestemmingsplan. Wel wordt aandacht gevraagd voor het aanbrengen van beplanting binnen de belemmeringen strook, dan wel buiten de belemmeringenstrook, indien de wortels van beplanting reiken tot de gasleiding. Voor het aanbrengen van beplanting is mogelijk een omgevingsvergunning vereist.
37/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
7.3 Handhaving Voor een effectieve handhaving is het van belang dat de juridische regeling in het bestemmingsplan inzichtelijk en realistisch is. Dit houdt in: helder van opzet en niet onnodig beperkend, inflexibel of ingewikkeld. Bovendien moeten de bepalingen goed interpreteerbaar en controleerbaar zijn. De planregels behoren niet meer te regelen dan noodzakelijk is. De bestemmingsregeling in het bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’ is weinig complex, mede door het beperkte aantal functies in het plangebied. De gebruiksmogelijkheden zijn duidelijk omschreven in de bestemmingsomschrijving van de verschillende bestemmingen. De bouwmogelijkheden zijn concreet in de regels van het bestemmingsplan weergegeven.
38/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
Bijlagen 1. Notitie kwaliteitsverbetering. Maart 2021. Van Helvoort RTR, Rosmalen. 2. Verkennend bodem- en asbestonderzoek Groenendijk 2 te Oosteind. 13 maart 2019. Moerdijk Bodemsanering B.V., Noordhoek. 3. Akoestisch onderzoek Groenendijk 2 Oosteind. Projectnummer 2020-3081. 22 februari 2021. SAIN Milieuadvies, Vaassen. 4. Water- en rioleringsplan 2017-2021. Bijlage 5 Uitgangspunten ontwerp riolering. Augustus 2016. Gemeente Oosterhout, Oosterhout. 5. Omgevingsdialoog Groenendijk 2 te Oosteind. Juni 2020. Van Helvoort RTR, Rosmalen.
39/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
Maliskampsestraat 63a, 5248 NR ROSMALEN 06 - 2345 2355 Paul@VanHelvoortRTR.nl
Bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind)
Herziening 25 ‘Groenendijk 2’ Kenmerk: R0366.P20-043
PLANREGELS Planstatus: Ontwerp Plan identificatie: NL.IMRO.0826.BSPhz25BG2013-ON01 Auteur: Van Helvoort RTR Datum: juni 2021
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van Meten
2 8
HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 Tuin Artikel 4 Wonen – Lint Artikel 5 Leiding – Gas Artikel 6 Waarde – Archeologie
9 10 14 16
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS Artikel 7 Antidubbeltelregel Artikel 8 Algemene aanduidingsregels Artikel 9 Overige regels
18 19 20
HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGEL Artikel 10 Overgangsrecht Artikel 11 Slotregel
21 22
Bijlage 1
Staat van bedrijfsactiviteiten
Alle werkzaamheden geschieden volgens de Regeling voor Rentmeesters. Deze kunt u vinden op www.rentmeesterNVR.nl. Er wordt geen aansprakelijkheid aanvaard behoudens voor zover de beroepsaansprakelijkheidsverzekering in voorkomend geval aanspraak op uitkering geeft.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan het bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 25 ‘Groenendijk 2’ met identificatienummer NL.IMRO.0826.BSPhz25BG2013 van de gemeente Oosterhout. 1.2 bestemmingsplan de geometrische bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aan huis verbonden bedrijf een bedrijf of het bedrijfsmatig uitoefenen van activiteiten, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen kan worden uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.4 aan huis verbonden beroep de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op zakelijk, administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hieraan gelijk te stellen gebied, dat in een woning of een daarbij behorend bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, met dien verstande dat er geen kapsalons zijn toegestaan en geen detailhandel (waaronder een showroom of afhaalpunt c.q. logistieke functie (internethandel) of vergelijkbare functies) is toegestaan.
Wel is toegestaan detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit uit de uitoefening van het betrokken aan huis verbonden beroep of het hebben van een kantoorfunctie als onderdeel van een internethandel. 1.5 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.6 achtergevelrooilijn de van de weg, waarop het belangrijkste gebouw op een bouwperceel is georiënteerd, afgekeerde grens van een bouwvlak. 1.7 afhankelijke woonruimte een deel van de (bedrijfs)woning of een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een (bedrijfs)woning, dat qua ligging een ruimtelijke en planologische eenheid vormt met die woning en waarin een gedeelte van de huishouding, zoals gehuisvest in die woning, uit een oogpunt van mantelzorg is ondergebracht. 1.8 archeologische waarden waarden van een terrein in verband met de zich mogelijk daarin bevindende oudheidkundige zaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en/of hun cultuurhistorische waarde. 1.9 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
2/22
Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
1.10 bebouwingspercentage een in de regels opgenomen of aangeduid percentage, dat de grootte van het deel van een terrein (bouwvlak, bestemmingsvlak, bouwperceel, etc.) aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd. 1.11 bed & breakfast een voorziening, die als doel heeft het verstrekken van logies en ontbijt aan steeds wisselend publiek, dat voor een korte periode, namelijk één tot enkele nachten, ter plaatse met een recreatieve doelstelling verblijft; onder bed & breakfast wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke, seizoensgebonden of permanente werkzaamheden en/of arbeid. 1.12 bedrijfsactiviteiten handelingen en werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de uitoefening van een bedrijf. 1.13 beperkt kwetsbaar object een object als gedefinieerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.14 bestaand a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; b. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 1.15 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.16 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.17 bevoegd gezag bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. 1.18 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. 1.19 bouwen plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk. 1.20 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.21 bouwlaag doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd. 1.22 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
3/22
Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
1.23 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.24 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.25 bouwwerk, geen gebouw zijnde een bouwwerk, dat geen gebouw is. 1.26 cultuurhistorische waarde de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied, zoals dat ondermeer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur. 1.27 dakopbouw een opbouw op een deel van een hellend dak, waarmee de goot- en/of bouwhoogte van het gebouw wordt verhoogd. 1.28 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop en/of afhaalpunt c.q. distributiepunt, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; internethandel zonder de uitstalling ten verkoop en/of afhaalpunt c.q. distributiepunt is hieronder niet begrepen.
1.29 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.30 geluidgevoelig object een geluidgevoelig object als aangewezen bij en krachtens de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. 1.31 geluidgevoelige ruimte ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon- of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van tenminste 11 m2. 1.32 groepsrisico de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedgebied van een risicovolle inrichting, buisleiding voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en een ongewoon voorval binnen die inrichting of ter plaatse van de buisleiding of transportroute waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. 1.33 hobbymatig een omvang die niet als bedrijfsmatig wordt aangemerkt en/of waarbij geen vergoeding wordt gevraagd voor de verleende diensten of geleverde productengebruik.
4/22
Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
1.34 hogere waarden ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een weg, spoorweg of industrieterrein, die op grond van de Wet geluidhinder of het Besluit geluidhinder van toepassing is. 1.35 hoofdgebouw gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.36 horeca het bedrijfsmatig verschaffen c.q. verstrekken van logies, dranken, maaltijden en kleine eetwaren, zoals een hotel, restaurant, café, cafetaria of een combinatie van twee of meer van deze bedrijven, waaronder eveneens wordt begrepen het exploiteren van zaalaccommodatie, doch met uitzondering van een seksinrichting. 1.37 invloedgebied gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. 1.38 kamerverhuur het bedrijfsmatig verhuren of het aanbieden van kamers voor bewoning. 1.39 kantoorvoorziening een verblijfsruimte die door haar aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard zonder baliefunctie. 1.40 kwetsbaar object een object als gedefinieerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
1.41 landschappelijke inpassing het inpassen van een gebouw of een gebruik in het landschap, waarbij afstemming plaatsvindt op de context van het landschap door middel van de architectuur van het gebouw en de aanplant van gebiedseigen beplanting. 1.42 legaal in overeenstemming met de Woningwet dan wel de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.43 mantelzorg het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychisch en/of sociaal vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband. 1.44 minder zelfredzame personen bijzonder kwetsbare personen, zoals zieken, ouderen, gehandicapten en minderjarigen, als bedoeld in het kader van de evacuatie van personen vanwege externe veiligheid. 1.45 nevenactiviteiten het door de eigenaar / exploitant van het ter plaatse gevestigde bedrijf ontplooien van activiteiten bij de hoofdfunctie van de bestemming die niet rechtstreeks de uitoefening van de bedrijfsvoering betreffen, die ingevolge de geldende bestemming zijn toegestaan, maar wel daaraan (qua omvang en ruimtelijke uitstraling) ondergeschikt zijn. 1.46 niet-zelfstandige woonruimte een woonruimte welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een persoon of huishouden kan worden bewoond, zonder dat deze daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen - zoals sanitair, kookgelegenheid, wasgelegenheid - buiten die woonruimte.
5/22
Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
1.47 omgevingsvergunning vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). 1.48 peil a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg of de toekomstige weg ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein; d. indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil / of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil. 1.49 plaatsgebonden risico risico op een plaats buiten een risicovolle inrichting of in de nabijheid van een buisleiding voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of een transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting of ter plaatse van de buisleiding of transportroute, waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. 1.50 risicovolle inrichting een inrichting waarbij ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q.
risicoafstand moet worden aangehouden bij het in een bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten. 1.51 seksinrichting een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof hij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, parenclub en (raam) prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.52 slopen geheel of gedeeltelijk afbreken. 1.53 stedenbouwkundig beeld het beeld dat wordt bepaald door de situering, de bouwmassa’s, de dakvormen en de dakrichtingen van de bebouwing. 1.54 vloeroppervlak(te) de totale oppervlakte, gemeten op vloerniveau, die voor een functie wordt gebruikt. 1.55 voorgevel de naar de weg of naar het openbaar gebied gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft van meer dan één naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel, de gevel die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op de uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.
6/22
Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
1.56 voorgevelrooilijn de denkbeeldige lijn, evenwijdig aan de as van de weg waaraan gebouwd wordt, op een afstand van de weg die: a. gelijk is aan de in de regels voorgeschreven afstand van gebouwen uit de as van de weg op het betreffende bouwperceel; b. gelijk is aan de afstand van bestaande gebouwen tot de as van de weg op het betreffende bouwperceel, indien die afstand kleiner is dan de in de regels voorgeschreven afstand. 1.57 voorkeursgrenswaarde de standaard grenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig object of terrein bepaald krachtens de Wet geluidhinder. 1.58 waterhuishoudkundige doeleinden doeleinden die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang e.d., voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer, waterinfiltratie en waterberging, bijbehorende voorzieningen zoals bermen, paden, beschoeiingen. 1.59 watergang een voor de oppervlaktewaterkwantiteit van overwegend belang zijnde sloot. 1.60 woning / wooneenheid een complex van intern met elkaar in verbinding staande ruimten, in een (gedeelte van een) gebouw, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één huishouden.
7/22
Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 afstand tot de zijdelingse perceelsgrens De kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk; 2.2 bebouwd(e) oppervlak(te) van een bouwperceel De oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen; 2.3 de dakhelling Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.4 de goothoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.5 de inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.6 de bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.7 de oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.8 ondergeschikte bouwonderdelen Bij toepassing van het in dit artikel bepaalde worden
ondergeschikte bouwonderdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, luchtkokers, wolfseinden, dakkapellen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken, ook indien gelegen buiten het aangegeven bestemmingsvlak, buiten beschouwing gelaten.
8/22
Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Tuin 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen en groenvoorzieningen bij woningen; b. inritten; c. parkeren. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van het bepaalde onder 3.2.2; b. indien in afwijking van het bepaalde onder a. ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het plan al gebouwen aanwezig zijn, dan mogen deze gebouwen in de huidige omvang en situering worden gehandhaafd. 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m; b. de bouwhoogte van overige tuinmeubilair, zoals vlaggenmasten, pergola’s etc. mag niet meer bedragen dan 4 m. 3.3 Specifieke gebruiksregels 3.3.1 Strijdig gebruik Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, wordt in ieder geval begrepen: a. het gebruik ten behoeve van het parkeren van motorvoertuigen op de gronden gelegen vóór de voorgevel van het deel van de woning, dat gezien de bouwhoogte, als belangrijkste onderdeel van de woning kan worden aangemerkt.
3.4 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 3.3 voor het parkeren van motorvoertuigen voor de voorgevel van een woning, met dien verstande dat: a. het stedenbouwkundig beeld niet wordt geschaad; b. geen onevenredige schade wordt toegebracht aan het woonmilieu en aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; c. het aantal parkeerplaatsen op de openbare weg niet wordt verminderd.
9/22
Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
Artikel 4 Wonen – Lint 4.1 Bestemmingsomschrijving 4.1.1 Algemeen De voor ‘Wonen – Lint’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woningen; b. aan huis verbonden beroep en/of bedrijf; c. tuinen en erven; d. groenvoorzieningen; e. voorzieningen voor verkeer en verblijf; f. water en waterhuishoudkundige doeleinden; g. de instandhouding en bescherming van panden met een monumentenstatus; één en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en erven en overeenkomstig de in 4.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming. 4.1.2 Nadere detaillering van de bestemming Voor aan huis verbonden beroep en/of bedrijf gelden de volgende bepalingen: a. er moet sprake zijn van een bouwvlak, waarop minimaal één woning is toegestaan; b. de activiteit bedraagt niet meer dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing, tot een maximum van 50 m2; c. het betreft een activiteit behorend tot milieucategorie 1 of 2, als opgenomen in bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten of een qua milieuhinder en ruimtelijke uitstraling vergelijkbare activiteit; d. buitenopslag ten dienste van de nevenactiviteit is niet toegestaan; e. horeca en detailhandel (waaronder showroom en/of afhaalpunt c.q. logistieke functie, al dan niet ten behoeve van internethandel) zijn niet toegestaan; f. de activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door een bewoner van de woning; g.
er dient op eigen terrein, binnen het bestemmingsvlak, te worden voorzien in de parkeerbehoefte; h. de activiteit is stedenbouwkundig, landschappelijk, verkeerskundig (waaronder afwikkeling verkeer) en milieukundig (waaronder geur) aanvaardbaar; i. de activiteit leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving (waaronder geur). 4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen Voor het bouwen in het algemeen gelden de volgende bepalingen: a. binnen het bouwvlak zijn ‘tweeaaneengebouwde’ woningen toegestaan, met dien verstande dat binnen het bouwvlak maximaal 2 woningen zijn toegestaan; b. het bebouwingspercentage van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bebouwingspercentage (%)’ is aangegeven. Indien geen aanduiding ‘maximum bebouwingspercentage (%)’ is opgenomen, mag het bouwvlak volledig worden bebouwd. 4.2.2 Gebouwen binnen het bouwvlak Voor het bouwen van gebouwen binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. ter plaatse van de aanduiding ‘twee-aaneen’ mogen halfvrijstaande en/of geschakelde woningen worden gebouwd; b. de voorgevel van een woning moet worden gesitueerd in de voorgevelrooilijn; c. de goothoogte bedraagt niet meer dan 4,5 m; d. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 9 m; e. in afwijking van het bepaalde onder a. tot en met d.
geldt dat voor de gronden binnen 3 m van beide zijdelingse perceelsgrenzen de bepalingen onder 4.2.3 (gebouwen
10/22
Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
buiten het bouwvlak) van toepassing zijn. 4.2.3 Gebouwen buiten het bouwvlak Voor het bouwen van gebouwen buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen dienen op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevelrooilijn te worden gebouwd; b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m en de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m; c. de gezamenlijke oppervlakte voor gebouwen buiten het bouwvlak mag, met inachtneming van het gestelde onder d. niet meer bedragen dan 265 m2, met dien verstande dat maximaal 265 m2 als vrijstaand(e) gebouw(en) buiten het bouwvlak mag/mogen worden gebouwd; d. de gronden gelegen achter de achtergevelrooilijn en het verlengde daarvan, mogen voor maximaal 50% worden bebouwd; e. indien in afwijking van het bepaalde onder a. ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het plan een kleinere afstand aanwezig was, mag die afstand worden gehandhaafd. 4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de lijn, waarin de naar de weg gekeerde gevel van de woning staat, niet meer mag bedragen dan 1 m; c.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m. 4.3 Nadere eisen a. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing op het bouwvlak; b. De onder a. genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van panden met een monumentenstatus. 4.4 Afwijken van de bouwregels a. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 4.2.2 onder c. voor het bouwen van een dakopbouw, met dien verstande dat: 1. dit past binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld; 2. een dakopbouw uitsluitend is toegestaan op een gebouw binnen het bouwvlak; 3. een dakopbouw uitsluitend is toegestaan op een kapconstructie; 4. de maximaal toegestane bouwhoogte niet wordt overschreden; 5. de breedte van de dakopbouw maximaal tweederde van de breedte van het dakvlak bedraagt. b. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 4.2.3 onder a. voor het bouwen van gebouwen op een afstand van minder dan 2 m achter de voorgevelrooilijn, met dien verstande dat: 1. dit past binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld; 2. dit geen toename van de parkeerbehoefte in het openbaar gebied veroorzaakt. c.
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het
11/22
Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
bepaalde in 4.2.3 onder b. voor een grotere bouwhoogte van gebouwen, ten behoeve van het oprichten van een kapconstructie, met dien verstande dat: 1. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3,5 m; 2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 6 m; 3. dit past binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld; 4. de mogelijkheden van belendende bouwpercelen niet onevenredig worden aangetast en er geen onevenredige hinder van wordt ondervonden. 4.5 Specifieke gebruiksregels 4.5.1 Strijdig gebruik Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen: a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik, met dien verstande dat buitenopslag voor de voorgevel en het verlengde daarvan niet is toegestaan; b. detailhandel; c. horeca; d. buitenopslag ten behoeve van nevenactiviteiten; e. het uitoefenen van een bed & breakfast; f. huisvesting van (seizoens)arbeiders en kamerverhuur; g. de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan, die een 10 -6 risicocontour hebben die de aanduiding ‘bouwvlak’ overschrijdt, met uitzondering van bestaande situaties.
4.5.2 Voorwaardelijke bepaling oppervlakte bijgebouwen De gronden en bouwwerken mogen niet ten behoeve van ‘Wonen’ en de daarbij behorende functies in gebruik zijn, indien het totaal aan bijgebouwen niet binnen een termijn van 1 jaar na het onherroepelijk worden van dit plan, is terug gebracht naar een oppervlakte van 265 m2. 4.6 Afwijken van de gebruiksregels 4.6.1 Omgevingsvergunning bed & breakfast Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.5.1 onder e. teneinde bed & breakfast toe te staan, mits aan de volgende bepalingen wordt voldaan: a. er moet sprake zijn van een bouwvlak, waarop minimaal één woning is toegestaan; b. de activiteit bedraagt niet meer dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing, tot een maximum van 100 m2; c. het maximaal aantal bedden is niet meer dan 10; d. een bed & breakfast is alleen toegestaan in de vorm van niet-zelfstandige woonruimte(n); e. de activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door een bewoner van de woning; f. er dient op eigen terrein, binnen het bestemmingsvlak, te worden voorzien in de parkeerbehoefte; g. de activiteit is stedenbouwkundig, landschappelijk, verkeerskundig en milieukundig (waaronder woon- en leefklimaat) aanvaardbaar; h.
de activiteit leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving (waaronder geur). 4.5.2 Omgevingsvergunning huisvesting (seizoens)arbeiders en kamerverhuur
12/22
Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.5.1 onder f. ten behoeve van huisvesting van (seizoens)arbeiders en/of kamerverhuur, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. huisvesting vindt uitsluitend plaats in de woning; b. er is sprake van huisvesting in een niet-zelfstandige woonruimte; c. per bewoner van het object is minimaal 24 m2 gebruiksoppervlakte, zoals gedefinieerd in de Bouwverordening en het Bouwbesluit, aan gezamenlijke woonruimten en eigen woonruimten aanwezig; d. in het object wordt aan maximaal 6 personen woonruimte geboden; e. er dient op eigen terrein, binnen het bestemmingsvlak, te worden voorzien in de parkeerbehoefte; f. de activiteit is stedenbouwkundig, landschappelijk, verkeerskundig en milieukundig (waaronder woon- en leefklimaat) aanvaardbaar; g. de activiteit leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving (waaronder geur); h. er dient een minimale afstand van een object waarin niet-zelfstandige woonruimte is toegestaan, tot andere (bedrijfs)woningen, waarin dat eveneens is toegestaan, van minimaal 250 m te worden aangehouden. Van deze minimale afstandseis kan worden afgeweken, wanneer kan worden aangetoond dat de draagkracht van het gebied daarmee niet onevenredig wordt aangetast.