CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerpbestemmingsplan

Raadsvergadering 28 september 2021, gemeente OosterhoutBij agendapunt: Hamerstuk: ZN303733 Vaststelling bestemmingsplan “Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 25 (Groenendijk 2)”25.334 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Legenda Plangebied

5

6

Enkelbestemmingen 178

T

Tuin

W-L

Wonen - Lint

3

Dubbelbestemmingen 1

T n Groe

280

179

W-L

L-G

Leiding - Gas

WR-A

Waarde - Archeologie

Gebiedsaanduidingen

L-G

endi

1513

veiligheidszone - buisleiding (aardgas 6)

WR-A

jk

1514Bouwvlakken bouwvlak

815

Bouwaanduidingen [tae]

2

203

[tae]

twee-aaneen

207

975

Provinc

ialeweg

186

Bestemmingsplan:

1298 18

8A188

188B

191090A 1 90B

192

1299

565

Groenendijk 2 Oosteind Gemeente Oosterhout

976

194A Status: ontwerp

Datum:

MGS

02-06-2021

Formaat:

Schaal:

A3

1:500

Tekeningnummer: NL.IMRO.0826.BSPhz25BG2013-ON01

GIS/CAD Ondersteuning en software

Opdrachtgever: Van Helvoort RTR

561

Get.:

Noordpijl

Dalenstraat 4B, 5466 PM Eerde Tel: 0413-303279 E-mail: info@bragis.nl Web: www.bragis.nl

Maliskampsestraat 63a, 5248 NR ROSMALEN 06 - 2345 2355 Paul@VanHelvoortRTR.nl

Bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind)

Herziening 25 ‘Groenendijk 2’ Kenmerk: R0366.P20-044

Toelichting

Planstatus: Plan identificatie: Auteur: Datum:

Ontwerp NL.IMRO.0826.BSPhz25BG2013-ON01 Van Helvoort RTR juni 2021

Opdrachtgevers:

Familie den Boer Groenendijk 2 4909 AD Oosteind

Alle werkzaamheden geschieden volgens de Regeling voor Rentmeesters. Deze kunt u vinden op www.rentmeesterNVR.nl. Er wordt geen aansprakelijkheid aanvaard behoudens voor zover de beroepsaansprakelijkheidsverzekering in voorkomend geval aanspraak op uitkering geeft.

INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer 2. Bestaande situatie 2.1 Ontstaansgeschiedenis 2.2 Ruimtelijke structuur 2.3 Verkeer en parkeren 2.4 Groen- en waterstructuur 2.5 Functionele structuur 3. Toekomstige situatie 3.1 Algemeen 3.2 Ruimtelijke structuur 3.3 Verkeer en parkeren 3.4 Groen- en waterstructuur 3.5 Functionele structuur 4. Toelichting op de planregels 4.1 Algemeen 4.2 Regels 5. Beleidskader 5.1 Wettelijk kader 5.2 Rijksbeleid 5.3 Provinciaal beleid 5.4 Gemeentelijk beleid 5.5 Conclusie 6. Verantwoording 6.1 Bodem 6.2 Water 6.3 Cultuurhistorie en archeologie 6.4 Natuur 6.5 Wegverkeerslawaai 6.6 Bedrijven en milieuzonering 6.7 Geur 6.8 Externe veiligheid 6.9 Kabels en leidingen 6.10 Luchtkwaliteit 6.11 Toetsing besluit milieueffectrapportage 6.12 Gezondheid 6.13 Straling 6.14 Verkeer en parkeren 7. Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.3 Handhaving Bijlagen

3 3 3 4 4 5 5 5 6 6 6 7 7 7 8 8 8 10 10 10 12 12 13 15 18 23 24 24 24 25 27 29 30 31 32 34 34 35 36 36 36 37 37 37 38 39

2/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

1.

Inleiding

1.1 Aanleiding en doel Op de locatie Groenendijk 2 in de lintbebouwing van Oosteind bevindt zich een agrarische bedrijfslocatie. De boerderijwoning is een gemeentelijk monument en is decennia geleden al bouwkundig aangepast voor dubbele bewoning. De eigenaar heeft het initiatief genomen de bedrijfsmatige agrarische activiteiten definitief te beëindigen. De dubbele bewoning van de boerderijwoning, waarvan al geruime tijd sprake is, wordt planologisch vastgelegd. De gemeente Oosterhout heeft in de brief van 20 december 2019 aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan het initiatief. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, is een partiële herziening van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied noodzakelijk. Daartoe is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld. 1.2 Ligging en begrenzing plangebied De locatie Groenendijk 2 is gelegen in de lintbebouwing van Oosteind, gemeente Oosterhout. Afbeelding 1.1 geeft de ligging van het plangebied weer.

Afbeelding 1.1 Luchtfoto Groenendijk 2 en omgeving

De begrenzing van het plangebied valt samen met de kadastrale grenzen van het perceel gemeente Oosterhout, sectie V nummer 179, met een oppervlakte van 1.925 m2. Afbeelding 1.2 geeft de begrenzing van het plangebied weer.

3/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

Afbeelding 1.2 Begrenzing plangebied

1.3 Vigerende bestemmingsplan Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind)` (vastgesteld 8 juli 2014), het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Reparatie-herziening 2016 (vastgesteld 19 april 2016) en de Parapluherziening Parkeren Oosterhout 2018 (vastgesteld 3 juli 2018). 1.4 Leeswijzer Na deze inleiding volgt in hoofdstuk twee de beschrijving van de bestaande situatie. In hoofdstuk drie is een uitgebreide toelichting opgenomen van de beoogde toekomstige situatie. Hoofdstuk vier geeft een beschrijving van de planregels weer, gevolgd door het beleidskader in hoofdstuk vijf. In hoofdstuk zes wordt aan de hand van de relevante (milieu)aspecten een verantwoording gegeven voor het initiatief. Deze toelichting wordt afgesloten met hoofdstuk zeven, over handhaving en uitvoerbaarheid.

4/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

2.

Bestaande situatie

2.1 Ontstaansgeschiedenis Het plangebied is gelegen in het lint Oosteind, gemeente Oosterhout. De eerste vermelding van Oosteind, dateert van 1308. Oosteind is ontstaan op de grens van land en water, met in het noorden een moerasgebied en in het zuiden de hogere zandgronden met heidevelden en stuifduinen. Boeren vestigden zich hier, vanwege de beschikbaarheid van kwelwater. Op de droge zandgrond kon men wonen en het veengebied in het noorden leverde turf en bood weidegronden en hooiland. Zo ontstond op de grens van zand en klei een lint van boerderijen. Het moeras werd in 1708 ingepolderd, waarbij de gecombineerde Willemspolder werd gevormd. De vroegere benamingen van Oosteind zijn Holendonc of Ulendonc. De naam Oosteind komt van het oostelijke uiteinde (van Oosterhout).

Afbeelding 2.1 Luchtfoto bestaande situatie

2.2 Ruimtelijke structuur Het plangebied is gelegen in de lintbebouwing binnen de bebouwde kom van Oosteind. De van oost naar west lopende Provinciale weg vormt de ruggengraat van Oosteind, die naar

5/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

het noorden en zuiden diverse aftakkingen kent. De Groenendijk is er daar een van. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een sterk verdichte bebouwing. Binnen het plangebied bevindt zich de boerderijwoning die is aangewezen als gemeentelijk monument. Bij de boerderijwoning is een bijgebouw van circa 50 m2 opgericht. Op het agrarisch erf bevinden zich twee bedrijfsgebouwen. Het betreft een veestal van circa 365 m2 en een werktuigenberging van circa 110 m2. Het erf is vrijwel volledig verhard. 2.3 Verkeer en parkeren Het plangebied wordt ontsloten op de Groenendijk door twee verharde opritten. De Groenendijk sluit via de Provincialeweg aan op de N629 (Oosterhout – Dongen) en Rijksweg A27. De locatie is voorzien van voldoende erfverharding. Parkeren en manoeuvreren vindt plaats op eigen terrein. 2.4 Groen- en waterstructuur De omgeving van het plangebied bestaat uit sterk verdichte lintbebouwing met haagbeplanting langs het lint en enkele solitaire bomen. Het groen binnen het plangebied bestaat uit hagen en heesters in de tuin bij de bedrijfswoning en op het agrarisch erf. In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich geen oppervlaktewater. 2.5 Functionele structuur In de omgeving van het plangebied bevinden zich woningen met tuin, enkele niet agrarische bedrijven en een agrarisch bedrijf. De achter het lint gelegen percelen zijn landbouwkundig in gebruik.

Afbeelding 2.2 geeft de functionele structuur weer in de vorm van een uitsnede van de plankaart van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied.

Afbeelding 2.2 Functionele structuur bestaande situatie

6/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

3.

Toekomstige situatie

3.1 Algemeen De eigenaar van Groenendijk 2 te Oosteind heeft het initiatief genomen de bedrijfsmatige agrarische activiteiten definitief te beëindigen en de bestaande boerderijwoning planologisch te splitsen in twee wooneenheden. De dubbele bewoning van de boerderijwoning, waarvan al geruime tijd sprake is, wordt daarmee planologisch vastgelegd. De boerderijwoning is een gemeentelijk monument. Een voormalig bedrijfsgebouw en bijgebouw worden gesloopt, het te handhaven bedrijfsgebouw wordt verkleind en de erfverharding wordt deels verwijderd. Het bouwvlak wordt verkleind. Dit hoofdstuk beschrijft de ruimtelijke en functionele opzet van de toekomstige situatie. 3.2 Ruimtelijke structuur Het plangebied bevindt zich in de bebouwde kom van Oosteind en de omgeving kenmerkt zich door een sterk verdichte lintbebouwing. Aangezien de ontwikkeling plaatsvindt in combinatie met het slopen van bebouwing en het verwijderen van erfverharding en het bouwvlak wordt verkleind, heeft het initiatief geen negatieve gevolgen voor de ruimtelijke structuur. Binnen het plangebied bevinden zich in de nieuwe situatie de gesplitste monumentale boerderijwoning met een bijgebouw. Afbeelding 3.1 geeft de nieuwe situatie weer. Het bijgebouw wordt in de nieuwe situatie gebruikt als opslagruimte bij de twee woningen. Het is op de afbeelding met rood aangeduid en heeft een totale oppervlakte van 265 m2.

De in twee wooneenheden te splitsen monumentale boerderij is met blauw weergegeven. Afbeelding 3.1 Nieuwe situatie

Het te handhaven bijgebouw wordt verkleind tot 265 m2 door de afhangen aan de oosten zuidzijde te verwijderen. Hierbij worden geen bouwkundige problemen voorzien. De oppervlakte bijgebouwen van 265 m2 in de nieuwe situatie is gebaseerd op de gemeentelijke sloop-bonus regeling. Momenteel is naast de boerderijwoning 525 m2 bebouwing aanwezig. Per woning mag 100 m2 bijgebouw aanwezig zijn. Bij sloop van de overtollige oppervlakte van 500 – 200 = 325 m2, mag 20% daarvan aan de oppervlakte bijgebouwen worden toegevoegd, zijnde 65 m2. In totaal mag derhalve in de nieuwe situatie 100 + 100 + 65 = 265 m2 bijgebouwen aanwezig zijn.

7/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

3.3 Verkeer en parkeren In de nieuwe situatie worden de bedrijfsmatige agrarische activiteiten beëindigd en is sprake van twee woningen. Het initiatief zal vanwege de aard en kleinschaligheid niet leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. De beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen vanwege het toevoegen van een nieuwe woning, wordt gecompenseerd door de afname van het aantal verkeersbewegingen vanwege het definitief beëindigen van de bedrijfsmatige activiteiten. In de nieuwe situatie worden de twee woningen in de gesplitste monumentale woonboerderij via twee verharde opritten ontsloten op de Groenendijk, zoals weergegeven op afbeelding 3.2. De locatie biedt op eigen erf en in het bijgebouw voldoende ruimte om te voorzien in minimaal twee verharde parkeerplaatsen per woning. Daarmee wordt voldaan aan de CROW parkeernorm voor vrijstaande woningen. 3.4 Groen- en waterstructuur Het definitief beëindigen van de bedrijfsmatige agrarische activiteiten biedt ruimte voor het aanbrengen van erfbeplanting rondom de bijgebouwen en het versterken van het straatbeeld door het revitaliseren en aanplanten van hagen langs de Provincialeweg en Groenendijk. De haagbeplanting aan de Provincialeweg blijft laag, zodat de monumentale woonboerderij goed zichtbaar is. De erfverharding wordt deels verwijderd en ingeplant met laanbomen en struweel.

Ook in de nieuwe situatie is geen oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied. Afbeelding 3.2 geeft de te verwijderen erfverharding en bebouwing en beplanting in de nieuwe situatie weer. De kwaliteitsverbetering is verder uitgewerkt in bijlage 1.

Afbeelding 3.2 Nieuwe situatie

3.5 Functionele structuur In de toekomstige situatie zijn twee woningen gevestigd in de gesplitste monumentale woonboerderij aan de Groenendijk 2. Deze functie is passend binnen het functiepatroon in het lint van Oosteind. Het splitsen van de woonboerderij vormt een economische drager voor het behoud van de monumentale waarden van de bebouwing.

8/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

De huidige omvang van het agrarisch bouwvlak bedraagt 1.415 m2 en het bouwvlak ‘Wonen – Lint’ wordt in de nieuwe situatie verkleind tot 245 m2. Langs de Groenendijk en Provincialeweg wordt de bestemming Tuin opgenomen. Afbeelding 3.3 geeft de functionele structuur van het plangebied in de toekomstige situatie weer.

Afbeelding 3.3 Functionele structuur toekomstige situatie

9/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

4.

Toelichting op de planregels

4.1 Algemeen Het bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’ heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het plangebied. Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen en bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. Per 1 juli 2008 zijn de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening in werking getreden. Hierin is geregeld dat vanaf 1 januari 2010 alle nieuwe ruimtelijke plannen digitaal en volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) dienen te zijn opgebouwd. Hierdoor zijn de bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar, digitaal uitwisselbaar en raadpleegbaar. Het bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’ is opgebouwd en vorm gegeven conform SVBP2012. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het voorliggende bestemmingsplan is sprake van een gedetailleerde regeling.

4.2 Regels De planregels voor het bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’ zijn geënt op het vigerende bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Reparatie-herziening 2016, met aanpassingen op diverse onderdelen zodat een specifieke regeling ontstaat voor het plangebied. De planregels bestaan uit vier hoofdstukken: de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgang- en slotregels. Inleidende regels In artikel 1 ‘begrippen’ wordt een aantal in het plan gebruikte begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van de begrippen beperkt en daarmee de duidelijkheid en rechtszekerheid van het plan vergroot. In artikel 2 ‘wijze van meten’ wordt aangegeven op welke wijze de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald. Bestemmingsregels In de bestemmingsomschrijving wordt de materiële inhoud van de bestemming aangegeven. Het bevat een beschrijving van de toegestane functies waarbij eventueel op de plankaart voorkomende combinaties met aanduidingen en dubbelbestemmingen worden aangegeven. In de nadere detaillering wordt dit verder uitgewerkt. In de bouwregels wordt vermeld welke bebouwing ‘als recht’ mag worden opgericht, ten dienste van de bestemming.

Flexibiliteit kan in het plan worden ingebouwd door de mogelijkheid van de bouw- en gebruiksregels af te wijken. In het bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’ is sprake van de bestemmingen ‘Tuin’ en ‘Wonen – Lint’ en de dubbelbestemmingen ‘Leiding – Gas’ en ‘Waarde – Archeologie’. Tuin (artikel 3): De langs de weg gelegen randen van het plangebied met een oppervlakte van 445 m2 hebben de bestemming ‘Tuin’. Deze gronden zijn bestemd voor tuinen en groenvoorzieningen bij woningen, inritten en parkeren. Op deze gronden mogen geen

10/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

gebouwen worden opgericht, met uitzondering van een beperkte uitbreiding van de woning. Wonen – Lint (artikel 4): Het overige deel van het plangebied met een oppervlakte van 1.480 m2 heeft de bestemming ‘Wonen – Lint’. Binnen het bouwvlak van 245 m2 mogen twee woningen aanwezig zijn van het type twee-aaneen. Onder voorwaarden mag een aan huis verbonden beroep of bedrijf worden uitgeoefend. De bouwregels geven de bepalingen voor gebouwen binnen en buiten het bouwvlak en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Er kan onder voorwaarden een omgevingsvergunning verleend worden voor bed & breakfast, kamerverhuur en mantelzorg. Leiding – Gas (artikel 5): een smalle strook in het westelijk deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’. De gronden zijn mede bestemd voor het transport van aardgas. Ter bescherming van de leiding zijn bouwregels opgenomen en is een omgevingsvergunning noodzakelijk voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden. Waarde – Archeologie (artikel 6): het volledige plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. De gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van de (potentieel) aanwezige archeologische waarden. Hiertoe zijn bouwregels opgenomen en is een omgevingsvergunning noodzakelijk voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden.

Algemene regels Met de ‘anti-dubbeltelregel’ wordt geregeld dat grond die reeds eerder bij een bouwplan is meegenomen niet nog eens mag worden meegenomen. In de ‘algemene aanduidingsregels’ zijn de regels opgenomen voor de aanduiding ‘Veiligheidszone – buisleiding (aardgas 6’’)’, die is opgenomen voor het hele plangebied. De ‘overige regels’ bepalen dat wettelijke regelingen gelden zoals deze luiden op het moment van het vaststellen van het plan en regelen de parkeernorm. Overgangs- en slotregels Het artikel ‘overgangsregels’ geeft het overgangsrecht weer voor bouwen en gebruik in strijd met het plan. De ‘slotregel’ geeft de officiële naam van de planregels aan.

11/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

5.

Beleidskader

5.1 Wettelijk kader 5.1.1 Wet ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. De hoofdlijnen van de Wro zijn: - Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden met zich brengt; - Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit; - Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing; - Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; - De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen; - Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; - Er is een drempel voor planschade van 2%; - De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; - Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt. 5.1.2 Grondexploitatiewet Tegelijk met de Wro is de Grondexploitatiewet (Grex-wet) in werking getreden en als paragraaf 6.4 in de Wro opgenomen.

De Grex-wet is noodzakelijk omdat eerdere wettelijke instrumenten voor kostenverhaal, te weten de exploitatieverordening en de baatbelasting, niet toereikend bleken. Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (d.m.v. een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en via het publiekrechtelijke spoor. Eén van de belangrijkste wijzigingen is het verplichtende karakter van kostenverhaal. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Als een gemeente er echter niet in is geslaagd met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, dan moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1. Er is sprake van een besluit op grond van de Wro (vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit) of op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo); 2.

Het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of belangrijke verbouwplannen met functiewijziging, zoals aangewezen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het voorliggende initiatief voorziet in een functiewijziging. Gemeente Oosterhout heeft een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemers. 5.1.3 Wet op de archeologische monumentenzorg In de wet op de archeologische monumentenzorg, in werking sinds 1 september 2007, is het doel van het in 1992 gesloten verdrag van Valletta (Malta) verwerkt: bescherming van

12/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

het archeologisch erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Met de wet wordt het Verdrag van Valletta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. De gevolgen van het initiatief voor het aspect archeologie, worden getoetst in paragraaf 6.3. 5.1.4 Wet natuurbescherming De Flora- en faunawet, Boswet en Natuurbeschermingswet 1998 zijn opgegaan in de Wet natuurbescherming, die op 1 januari 2017 in werking is getreden. De bescherming van Natura-2000 gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura-2000 gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura-2000 gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde Staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning.

Verder moet rekening gehouden worden met het beleid ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het ‘nee, tenzij-principe’. De bescherming van dier- en plantensoorten is eveneens in de Wet natuurbescherming geregeld. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten. Het is verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplanting- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Beschermde plantensoorten mogen niet worden vernield. Onder voorwaarden is ontheffing van de verbodsbepalingen mogelijk. Het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing zijn Gedeputeerde Staten. Als eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, dan haakt de ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming daarbij aan. In ruimtelijke plannen mogen geen mogelijkheden worden geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarvan op voorhand redelijkerwijs kan worden ingezien dat geen ontheffing zal worden verleend. De gevolgen van het initiatief voor het aspect ecologie, worden getoetst in paragraaf 6.4.

5.2 Rijksbeleid 5.2.1 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de lange termijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op het moment dat die wet in werking treedt. Tot die tijd geldt de NOVI als structuurvisie onder de Wro. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en 3. Afwentelen wordt voorkomen.

13/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

In de NOVI zijn op hoofdlijnen de volgende keuzes gemaakt: 1. Een klimaatbestendige inrichting van Nederland, door functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) in te passen; 2. De verandering van de energievoorziening. De inpassing van duurzame energie vindt plaats met oog voor de omgevingskwaliteit; 3. De overgang naar een circulaire economie, met behoud van concurrentiekracht en een aantrekkelijk vestigingsklimaat; 4. De ontwikkeling van een goed bereikbaar netwerk van steden: het Stedelijk Netwerk Nederland; 5. Het concentreren van logistieke functies, zodat de openheid en de kwaliteit van het landschap behouden blijft; 6. Het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied, in goed evenwicht met natuur en landschap. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. De NOVI wordt uitgewerkt in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling, die gebiedsgericht worden ingezet. 5.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen.

Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden. Het kabinet heeft in de SVIR vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen nadere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen deze dertien nationale belangen als titels terug. De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van lokale besluitvorming. De directe doorwerking komt enkel bij het Natuurnetwerk Nederland en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen en andere ruimtelijke besluiten dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. 5.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd. Artikel 3.16 regelt de ladder voor duurzame verstedelijking. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van ruimte in stedelijke gebieden. Het toevoegen van één woning op de locatie Groenendijk 2 is geen stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6 Bro. Om die reden is het niet noodzakelijk het initiatief te toetsen aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Dat wordt bevestigd door jurisprudentie, waarbij het bouwen van drie woningen niet gezien wordt als stedelijke ontwikkeling (ABRS201402621/1/R2) en de Handreiking Ladder duurzame verstedelijking.

14/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

5.3 Provinciaal beleid 5.3.1 Brabantse Omgevingsvisie Het bestaande stelsel van milieu- en ruimtelijke regels wordt door de invoering van de Omgevingswet naar verwachting in 2022 volledig herzien. Provincie Noord-Brabant wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Daarom is in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant: visie op de Brabantse leefomgeving’ vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot 2030 en 2050. Dat gaat om ambities op gebied van energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren provincie Noord-Brabant wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De provincie Noord-Brabant streeft naar een grotere meerwaarde voor een gebied, door verschillende doelen met elkaar te verweven en slimme combinaties te maken. Het is van belang vanuit meerdere richtingen naar een ontwikkeling te kijken. Een ‘diepe’ manier van kijken, beschouwt niet alleen de bovenlaag, maar ook de onderlagen en factor tijd. Een ‘ronde’ manier van kijken, kijkt niet sectoraal maar gebiedsgericht. Een ‘brede’ manier van kijken, gebeurt niet vanuit één, maar vanuit diverse standpunten.

De provincie onderschrijft de opvatting van de Omgevingswet: de gemeente is de eerst verantwoordelijke voor het ontwikkelen en beschermen van de fysieke leefomgeving. De rol van provincie Noord-Brabant ligt in het richting geven, beweging stimuleren en ontwikkelingen mogelijk maken. De kernwaarden voor de provincie zijn: meerwaarde creatie, technische en sociale innovatie, kwaliteit boven kwantiteit, steeds beter en proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel. De Omgevingswet heeft als doel een balans te vinden tussen beschermen (veilig, gezond met waarborg voor omgevingskwaliteit inclusief natuur) en benutten (optimaal gebruik en ontwikkelen van de leefomgeving om maatschappelijke behoeften te vervullen). De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. De vier hoofdopgaven van de Omgevingsvisie zijn: energietransitie, klimaatproof Brabant, slimme netwerkstad en concurrerende duurzame economie. 5.3.2 Brabantse Omgevingsverordening Naast de Omgevingsvisie moet de provincie Noord-Brabant vanuit de Omgevingswet ook één omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. De regels die nodig zijn om de ambities uit de Omgevingsvisie te realiseren, worden opgenomen in de Brabantse Omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening staan regels voor burgers en bedrijven en bestuursorganen van de overheid.

Ter voorbereiding op de Omgevingswet is een Interim omgevingsverordening opgesteld, die op 25 oktober 2019 door Provinciale Staten is vastgesteld. De Interim omgevingsverordening voegt de bestaande regels over de fysieke leefomgeving zo veel mogelijk samen in één verordening en is beleidsneutraal. De Brabantse Omgevingsverordening vervangt onder andere de provinciale Verordening ruimte. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet, wordt de definitieve Omgevingsverordening in 2021 vastgesteld. Afbeelding 5.1 geeft de plankaart weer die behoort bij de Brabantse Omgevingsverordening.

15/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

Afbeelding 5.1 Kaart Brabantse Omgevingsverordening Uit de plankaart blijkt dat de rechtstreeks werkende regels voor milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen voor het plangebied van toepassing zijn. Daarnaast zijn de instructieregels voor gemeenten – landelijke kern en stedelijk gebied en de instructieregels voor waterschappen – watersystemen, -veiligheid en –berging van kracht. De rechtstreeks werkende regel voor landbouw ‘Verbod uitbreiding veehouderij’ is van toepassing. Er is geen aanduiding opgenomen voor ‘Attentiezone waterhuishouding’ en ‘bescherming Natura 2000’. Paragraaf 3.1.2 van de Instructieregels aan gemeenten, bevat de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: 1. Zorgvuldig ruimtegebruik; 16/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

2. De waarden in een gebied, met toepassing van de lagenbenadering; 3. Meerwaardecreatie; 4. Kwaliteitsverbetering van het landschap. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel. Het plangebied aan de Groenendijk 2 betreft een agrarisch bedrijf met een monumentale bedrijfswoning met bijgebouw en twee bedrijfsgebouwen. In de nieuwe situatie wordt wonen de hoofdfunctie. De bedrijfsmatige agrarische activiteiten worden beëindigd en de monumentale boerderijwoning wordt gesplitst in twee wooneenheden. Het initiatief voldoet aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het bouwvlak wordt verkleind en de ontwikkeling vindt plaats binnen bestaande bebouwing. De lagenbenadering omvat de effecten op: 1. De ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; 2. De netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; 3. De bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.

Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Het realiseren van een extra woning door het splitsen van de boerderijwoning, creëert een economische drager voor het behoud van de monumentale waarden van de bebouwing. Het beëindigen van de agrarische bedrijvigheid in de kern Oosteind heeft een positief effect op de kwaliteit van de woonomgeving. In hoofdstuk zes van deze toelichting wordt uitgebreid omschreven welke effecten het initiatief heeft op de overige planologisch relevante aspecten. De uitgevoerde analyse leidt niet tot belemmeringen voor het initiatief. Artikel 3.9 geeft de regels voor kwaliteitsverbetering van het landschap. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: 1. de op grond van de verordening verplichte landschappelijke inpassing; 2.

het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; 3. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; 4. het wegnemen van verharding; 5. het slopen van bebouwing; 6. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; 7. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Het initiatief leidt tot kwaliteitsverbetering, onder andere door het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, het wegnemen van verharding en het slopen van bebouwing. Twee bestaande voormalige bedrijfsgebouwen met een omvang van 160 m2 worden gesloopt, het te handhaven bijgebouw wordt verkleind tot 265 m2 en alleen de

17/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

erfverharding die noodzakelijk is voor het bereiken van de monumentale boerderijwoning en het resterende bijgebouw wordt gehandhaafd. Vanwege de ligging van het plangebied binnen Stedelijk gebied, is het niet noodzakelijk te toetsen aan de regels voor kwaliteitsverbetering van het landschap. Artikel 3.42 geeft de instructieregels voor duurzame stedelijke ontwikkeling. Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken en het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. De onderhavige ontwikkeling is echter niet als een stedelijke ontwikkeling te kwalificeren. Artikel 3.68 geeft de regels voor wonen in landelijk gebied en artikel 3.69 de afwijkende regels voor (burger)woningen. De vestiging van of splitsing in meerdere woonfuncties van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is mogelijk, als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. Vanwege de ligging van het plangebied in Stedelijk Gebied, is nadere toetsing aan deze regels niet noodzakelijk. 5.4 Gemeentelijk beleid 5.4.1 Structuurvisie 2025 De gemeenteraad heeft op 22 oktober 2013 de Structuurvisie Oosterhout vastgesteld.

De belangrijkste doelstellingen die uit structuurvisie voortvloeien zijn: - continuering van het versterken van de kwaliteit; - transformatie en structuurversterking; - kwaliteitsslag buitengebied; - toekomstige sprong over de A27; - betere bereikbaarheid. Afbeelding 5.2 geeft weer dat het plangebied is gelegen in bestaand woongebied in het lint van de kern Oosteind. Het omzetten van de huidige agrarische functie naar een woonfunctie is een passende ontwikkeling voor bestaand woongebied.

18/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

plangebied Afbeelding 5.2 Structuurvisie Oosterhout

19/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

5.4.2 Beleidsnota Cultuurhistorie, Monumenten en Archeologie In de beleidsnota Cultuurhistorie, Monumenten en Archeologie (2009), is het gemeentelijk beleid op het gebied van cultuurhistorie vastgelegd. Het doel van de beleidsnota is het betrekken van cultuurhistorie bij planvorming, op basis van de opvatting dat bescherming van cultuurhistorisch erfgoed en dynamiek in de ruimtelijke inrichting prima samen kunnen gaan: ‘behoud door ontwikkeling’. In de nota is vastgelegd hoe de monumenten, archeologie en cultuurhistorische waarden kunnen worden beschermd, ontwikkeld en zichtbaar gemaakt. Cultuurhistorie dient als volwaardig belang te worden meegenomen bij ruimtelijke inrichtingsplannen. Om de aanwezige cultuurhistorische waarden (zoals monumentale gebouwen, archeologische terreinen, cultuurhistorische landschapselementen en historische stedenbouwkundige structuren en infrastructuur) in beeld te brengen, is een gemeentelijke erfgoedkaart vervaardigd. Deze heeft vooral een signalerende functie en maakt een integrale afweging mogelijk. Op basis van de erfgoedkaart, kunnen cultuurhistorisch en archeologisch waardevolle gebieden in bestemmingsplannen een passende regeling krijgen. In paragraaf 6.3 van deze toelichting worden de aspecten cultuurhistorie en archeologie nader toegelicht.

5.4.3 Vigerende bestemmingsplan Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind)` (vastgesteld 8 juli 2014), het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Reparatie-herziening 2016 (vastgesteld 19 april 2016) en de Parapluherziening Parkeren Oosterhout 2018 (vastgesteld 3 juli 2018). In het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied de bestemming ‘Agrarisch’ met deels de aanduiding ‘bouwvlak’ toegekend. Daarnaast is de dubbelbestemming Waarde – Archeologie van toepassing, evenals voor een klein gedeelte van het plangebied de dubbelbestemmingen Leiding – Gas. Afbeelding 5.3 geeft dat weer.

Afbeelding 5.3 Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind)

20/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

Het vigerende bestemmingsplan biedt geen rechtstreekse mogelijkheden voor het splitsen van de monumentale boerderijwoning in twee wooneenheden. Daartoe wordt de voorliggende partiële herziening in procedure gebracht. In het bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Reparatie-herziening 2016 zijn in artikel 3.7.6 de voorwaarden opgenomen met betrekking tot de oppervlakte bijbehorende bouwwerken, bij wijziging van de agrarische bestemming naar de bestemming Wonen. De bebouwde oppervlakte aan niet voor bewoning bestemde bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan 100 m2 per woning. Het meerdere aan bebouwing wordt gesloopt, met uitzondering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. In afwijking hiervan kan een grotere oppervlakte aan niet voor bewoning bestemde bijbehorende bouwwerken worden toegestaan, indien overtollige bebouwing wordt gesloopt. Er is in die situatie maximaal 20% van het te slopen bebouwde oppervlakte extra toegestaan, tot een totale bebouwde oppervlakte van in totaal maximaal 200 m2 per woning. In de nieuwe situatie bevinden zich binnen het plangebied twee woningen. Per woning is 100 m2 bijgebouw toegestaan. Van de te slopen 325 m2 overtollige bebouwing mag 20% aan de oppervlakte bijgebouwen worden toegevoegd, zijnde 65 m2. In de nieuwe situatie is derhalve een oppervlakte van 265 m2 aan bijgebouwen toegestaan.

Het initiatief gaat uit van het verkleinen van de voormalige veestal tot een oppervlakte van 265 m2. In de planregels wordt de maximale oppervlakte bijgebouwen van 265 m2 vastgelegd. Deze maximale oppervlakte kan in de nieuwe situatie of op een toekomstig moment ook op een andere manier worden ingevuld. De Parapluherziening Parkeren Oosterhout 2018 regelt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen en een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels uitsluitend verleend kan worden, indien wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen. In hoofdstuk 6 wordt hier nader op ingegaan. 5.4.4 Welstandsnota Met ingang van 1 oktober 2015 zijn in bijna heel Oosterhout de welstandsregels en de welstandstoetsing afgeschaft. Dit betekent dat aanvragen voor een omgevingsvergunning in de welstandsvrije gebieden niet langer getoetst worden aan welstandscriteria. In verband met de veranderingen is een nieuwe Welstandsnota opgesteld, die op 20 september 2016 door de gemeenteraad is vastgesteld. In de beschermde stads- en dorpsgezichten, bij rijks- en gemeentelijke monumenten en in de nieuwbouwwijk Contreie blijven de welstandsregels van kracht. Het lint Oosteind is geen beschermd dorpsgezicht en het initiatief voorziet niet in bouwwerkzaamheden aan de gesplitste monumentale boerderijwoning.

De te slopen voormalige bedrijfsgebouwen hebben geen cultuurhistorische waarde. Toetsing van het initiatief aan de welstandscriteria is niet noodzakelijk. 5.4.5 Water- en rioleringsplan 2017-2021 De zorgplicht voor stedelijk afvalwater is een gemeentelijke taak die is vastgelegd in de Wet milieubeheer. In deze wet is verder vastgelegd dat gemeenten verplicht zijn een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) op te stellen, waarin zij hun beleid voor de rioleringszorg vaststellen. In de Waterwet (2009) is de gemeentelijke zorgplicht voor de riolering verbreed naar een zorgplicht die ook het hemelwater en het grondwater omvat. Het Water- en Rioleringsplan (WRP) 2017-2021 is een integraal beleidsdocument voor zowel het afvalwater als het hemelwater, het grondwater en het oppervlaktewater. De belangrijkste uitgangspunten in het WRP voor het water in Oosterhout zijn:

21/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

-

schoon water schoon houden; handhaving en waar noodzakelijk verbetering van de waterkwaliteit; voldoen aan de normen voor volksgezondheid en milieu; ontwikkeling van natuur in en om het water.

Dit betekent dat de verschillende vormen van grondgebruik afgestemd moeten worden op de aanwezige watersystemen. De aanpak moet toekomstgericht zijn, met name op het gebied van klimaat, bijvoorbeeld om wateroverlast bij intensieve regenbuien te voorkomen. Het initiatief leidt niet tot een toename van het aanbod van afvalwater of wijzigingen in de aansluiting op het gemeentelijk rioolstelsel. De monumentale boerderij wordt al decennialang gebruikt voor dubbele bewoning. Door de sloop van twee voormalige bedrijfsgebouwen en het verwijderen van erfverharding, neemt de verharde oppervlakte af en nemen de mogelijkheden voor infiltratie van schoon hemelwater toe. 5.4.6 Parkeerbeleid Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de nota ‘Stilstaan in de toekomst, Parkeerbeleid op de middellange termijn (2020)’. Deze nota is in december 2009 door de gemeenteraad vastgesteld en in 2013 heeft een tussentijdse evaluatie plaatsgevonden. Met het parkeerbeleid worden doelen nagestreefd op het gebied van leefbaarheid, het economische functioneren van de binnenstad en bereikbaarheid. In de nota zijn parkeernormen opgenomen waaraan bij ontwikkeling van nieuwe functies moet worden voldaan. Uitgangspunt hierbij is dat het parkeren zoveel mogelijk op eigen terrein, bij voorkeur inpandig, wordt opgelost.

Voor middeldure woningen buiten de centrumtangent wordt door gemeente Oosterhout een parkeernorm van 1,9 parkeerplaatsen per woning gehanteerd. Voor 2 woningen dienen derhalve 2 * 1,9 = 3,8 parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Op eigen terrein is bij beide woningen ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig. De openbare weg zal niet voor parkeren worden gebruikt. Het plan voldoet aan de gemeentelijke parkeernorm. 5.4.7 Beleidsvisie externe veiligheid Externe veiligheid is gericht op de bescherming van burgers tegen de gevolgen van ongevallen door het gebruik en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen en het transport ervan over een spoorweg, het water, een weg en door buisleidingen. De Beleidsvisie externe veiligheid is in 2017 door de gemeenteraad vastgesteld en vormt een aanvullend toetsingskader voor de planologische besluiten van de raad en milieubesluiten van het college. In de wet- en regelgeving wordt enige beleidsvrijheid gegeven om met de veiligheidsrisico’s om te gaan. In de Beleidsvisie externe veiligheid worden gemaakte keuzes en hun onderlinge samenhang aangegeven en de consequenties van de keuzes worden duidelijk gemaakt. Om individuele burgers te beschermen moeten risicobronnen bij voorkeur worden voorkomen. Als dat niet kan, moeten de risico’s worden beperkt en beheerst door maatregelen aan de bron te nemen.

Wanneer risicobronnen in een gebied aanwezig zijn, moeten die zo zijn gelegen dat burgers voldoende worden beschermd tegen de effecten van een calamiteit: ruimtelijke scheiding. Wettelijke afstanden zijn vastgesteld, waardoor er een minimale ruimtelijke scheiding ontstaat. De Beleidsvisie externe veiligheid brengt een verdergaande ruimtelijke scheiding tussen risicovolle activiteiten aan. Om ruimtelijke scheiding tussen Bevi-inrichtingen en te beschermen objecten te stimuleren is het grondgebied van gemeente Oosterhout ingedeeld in twee gebieden. Voor

22/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

de buisleidingen en transportroutes voor gevaarlijke stoffen is een dergelijke gebiedsindeling niet bruikbaar. Dat betekent dat daarvoor per risicogebied bij de betreffende risicobron het beleid is ingevuld. De buisleidingen worden onderscheiden in die voor transport van bijvoorbeeld olie en die voor aardgas. De buisleidingen zijn vrij van knelpunten opgeleverd door de leidingexploitant. Vanwege het gevaar op een explosie of fakkelbrand is het ongewenst om nieuwe kwetsbare objecten toe te staan binnen het invloedgebied voor aardgas. In goed afgewogen, uitzonderlijke gevallen kan daar van worden afgeweken. Dit geldt bijvoorbeeld voor het planologisch vastleggen van de splitsing van de monumentale boerderij in twee wooneenheden, vanwege het feit dat deze situatie reeds decennia bestaat.

5.4.8 Toekomstvisie 2030 Met de Toekomstvisie Oosterhout 2030, die op 23 oktober 2018 door de gemeenteraad is vastgesteld, beschikt de gemeente over een gemeenschappelijk gedragen beeld van de ontwikkelingen op de middellange termijn. De Toekomstvisie is opgesteld in een interactief proces, waaraan collegeleden, gemeentelijke medewerkers, inwoners, raadsleden, externe experts en stakeholders hebben deelgenomen. De Toekomstvisie is een verbeelding van hoe Oosterhout er idealiter in 2030 uitziet en dient op hoofdlijnen drie doelen: het is een leidraad voor de ontwikkeling van gemeente Oosterhout, biedt een afwegings- en toetsingskader bij het behandelen van verzoeken van derden en draagt bij aan het beeld dat externe partijen van gemeente Oosterhout hebben. De kwaliteit van de leefomgeving vormt een belangrijk aspect om Oosterhout aantrekkelijk te maken. Er wordt ingezet op het verder verbeteren, variëren en transformeren van de woon-, leef- en werkmilieus in Oosterhout. De Toekomstvisie zet in op een groene en ruime leefomgeving, in de nabijheid van voorzieningen, en versterking van de belevingskwaliteit in het buitengebied. Het behoud van monumentale bebouwing speelt daarbij een prominente rol. Binnen het bestaand stedelijk gebied worden 2700 nieuwe woningen gerealiseerd, deels door transformatie van leegkomende gebouwen.

Het definitief beëindigen van de agrarische bedrijfsvoering in bestaand stedelijk gebied en het creëren van een economische drager door het splitsen van de monumentale boerderij, sluit goed aan bij de Toekomstvisie Oosterhout 2030. 5.5 Conclusie Het initiatief past binnen de kaders van rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Mede om die reden heeft het college van burgemeester en wethouders een positief principe besluit genomen over de wijziging van de bestemming en het splitsen van de monumentale boerderijwoning in twee wooneenheden. Deze principebereidheid is schriftelijk bevestigd in de brief van 20 december 2019.

23/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

6.

Verantwoording

6.1 Bodem Op basis van artikel 3.16 van het Bro en artikel 3.2 Awb, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Voor het plangebied aan de Groenendijk 2, is in de nieuwe situatie sprake van twee woningen. Ook in de huidige situatie is reeds sprake van dubbele bewoning van de monumentale boerderijwoning. Er wordt derhalve geen nieuwe functie toegevoegd. In het kader van de voorgenomen eigendomsoverdracht van het plangebied is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd door Moerdijk Bodemsanering B.V. De conclusie luidt dat de nader onderzoekwaarde of interventiewaarde niet wordt overschreden en dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. De volledige rapportage met de resultaten van het onderzoek is opgenomen in bijlage 2. In het Activiteitenbesluit zijn voorwaarden opgenomen waar de bestaande bedrijfsmatige agrarische activiteiten aan moeten voldoen om de bodem te beschermen. Bij de melding in het kader van het Activiteitenbesluit is rekening gehouden met het aspect preventieve bodembeschermende maatregelen en het behoud van een duurzame bodemkwaliteit. Hierdoor is het risico dat ten gevolge van de agrarische bedrijfsactiviteiten bodemverontreiniging is ontstaan verwaarloosbaar klein. In de nieuwe situatie is op de locatie Groenendijk 2 geen sprake meer van bedrijfsmatige activiteiten.

6.2 Water De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Sinds juli 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit op de Ruimtelijke Ordening. De drie Brabantse waterschappen Brabantse Delta, Aa en Maas en De Dommel hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn opgenomen in de ‘Beleidsregel hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op het niveau van deelstroomgebied nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer.

Het waterschap verdeelt plannen met een toename van verhard oppervlak in de categorieën kleiner dan 2.000 m2, 2.000 tot 10.000 m2 en meer dan 10.000 m2. De voorgenomen ontwikkeling vindt volledig binnen bestaande bebouwing plaats. Er is door de sloop van twee gebouwen en het verwijderen van erfverharding sprake van een verkleining van de verharde oppervlakte binnen het plangebied aan de Groenendijk 2. Het is derhalve niet noodzakelijk compenserende maatregelen te treffen. Op basis van de ‘Algemene regels Keur 2015’ geldt voor een dergelijke ontwikkeling vrijstelling van het verbod voor het afvoeren van hemelwater via een toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam. Zowel in de bestaande als in de nieuwe situatie zal het schone hemelwater dat valt op de bebouwing en verhardingen, deels infiltreren op de omliggende gronden en deels worden afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel. Het verwijderen van bebouwing en erfverharding

24/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

vergroot de mogelijkheden voor infiltratie binnen het plangebied. Het ter plaatse infiltreren van schoon hemelwater heeft de voorkeur en kan worden bevorderd door bij het opnieuw aanbrengen van verhardingen, de verharding af te laten lopen richting het groen op eigen terrein. Er wordt op die manier zo weinig mogelijk schoon hemelwater afgevoerd naar het gemeentelijk rioolstelsel, conform de voorkeursvolgorde vasthouden – bergen – afvoeren. Bij de verbouwing en het onderhoud van de bebouwing wordt gebruik gemaakt van nietuitlogende materialen. Dit is conform het advies van de richtlijn Duurzaam Bouwen. In het Lozingenbesluit Bodembescherming staat dat niet verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, ook als dat in contact is geweest met oppervlakten als daken. Er is geen gebruik gemaakt van onbehandelde uitlogende materialen zoals koper, zink en lood, teerhoudende dakbedekking (PAK's) en van met verontreinigde stoffen verduurzaamd hout. Doordat het hemelwater niet vervuild is, is het geen probleem het hemelwater te laten infiltreren. Het huishoudelijk afvalwater wordt conform de huidige situatie afgevoerd naar het gemeentelijk rioolstelsel. Deze afvoer vindt bij voorkeur plaats onder vrij verval.

Aangezien de dubbele bewoning reeds aanwezig is en de huidige situatie voor het afvoeren van afvalwater voldoet, is het niet noodzakelijk wijzigingen door te voeren. Indien in de toekomst wijzigingen noodzakelijk zijn, worden daarbij de voorwaarden en ontwerpeisen van het gemeentelijk rioleringsplan aangehouden, zoals opgenomen in bijlage 4 bij deze toelichting. Gemeente Oosterhout heeft het bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’ voorgelegd aan waterschap Brabantse Delta voor het uitvoeren van de watertoets. Het waterschap heeft een positief advies afgegeven. 6.3 Cultuurhistorie en archeologie 6.3.1 Cultuurhistorie In de nota Belvedère staat de instandhouding, versterking en verdere ontwikkeling van de cultuurhistorische identiteit bij ruimtelijke aanpassingen centraal. Hiertoe wordt een ontwikkelingsgerichte benadering gehanteerd, die bestaande kwaliteiten als vertrekpunt neemt en deze combineert met een beschrijving van de recente cultuurgeschiedenis, dynamiek en ontwikkelingspotenties van een gebied. Het plangebied is niet gelegen in of nabij een gebied dat is aangewezen in de nota Belvedère. Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening.

Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat ‘een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden’ in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Om te bepalen of binnen het plangebied sprake is van cultuurhistorische elementen waarmee rekening gehouden dient te worden, zijn de relevante kaartlagen van de gemeentelijke Erfgoedkaart geraadpleegd. Aan de infrastructuur van het lint Oosteind is een redelijk hoge waarde toegekend. Afbeelding 6.1 met een uitsnede van de Waardenkaart historische geografie geeft dit weer. Het straatbeeld aan de Groenendijk en Provincialeweg wordt door de voorgenomen ontwikkeling niet aangetast.

25/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

De bestaande boerderijwoning is aangewezen als gemeentelijke monument en gemeente Oosterhout streeft naar het behoud van de hoge cultuurhistorische waarde van de bebouwing. Door het splitsen van de boerderijwoning wordt een economische drager gecreëerd die een bijdrage levert aan het in stand houden van de monumentale waarden van de bebouwing.

Afbeelding 6.1 Erfgoedkaart, Waardenkaart historische geografie

6.3.2 Archeologie De bescherming van het archeologisch erfgoed is opgenomen in het in 1992 gesloten Verdrag van Malta. Het verdrag heeft als hoofddoel archeologische resten in Europa te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed. In Nederland heeft het rijk het verdrag in 2007 verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Voor gemeenten betekent deze wet dat archeologie verankerd moet worden in bestemmingsplannen. Gemeente Oosterhout heeft hieraan invulling gegeven door gemeentelijk archeologiebeleid op te stellen. De in 2012 vastgestelde Erfgoedkaart maakt hiervan onderdeel uit. Op de archeologische beleidskaart is voor het gehele grondgebied van de gemeente de archeologische (verwachtings)waarde weergegeven. Op basis van de onderverdeling in een lage, middelhoge en hoge archeologische verwachtingswaarde, is het beleid geformuleerd ten aanzien van ondergrenzen voor het doen van archeologisch onderzoek. Afbeelding 6.2 geeft een uitsnede weer van de Archeologische beleidskaart. Hierop is weergegeven dat aan het plangebied een middelhoge archeologische verwachtingswaarde is toegekend. In het vigerende bestemmingsplan Buitengebied is aan het plangebied de dubbelbestemming Waarde – Archeologie toegekend.

Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de (potentieel) aanwezige archeologische waarden. Dit houdt onder ander in dat bij

26/39 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

bodemverstorende werkzaamheden, met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm onder het maaiveld, een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Voor het plangebied aan de Groenendijk 2 zijn geen bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm onder het maaiveld noodzakelijk. De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaande bebouwing en de sloop van bebouwing en het verwijderen van erfverharding leidt niet tot verstoringen dieper dan 50 cm onder het maaiveld. Het definitief beëindigen van de bedrijfsmatige agrarische activiteiten heeft geen gevolgen voor het aspect archeologie. In het bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) herziening 25 ‘Groenendijk 2’ wordt voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen ter bescherming van de potentieel aanwezige archeologische waarden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=29a3107e-076a-42e2-924f-65d31f4a0f2b