CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerpbestemmingsplan

Raadsvergadering 28 september 2021, gemeente OosterhoutBij agendapunt: Hamerstuk: ZN303733 Vaststelling bestemmingsplan “Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 25 (Groenendijk 2)”25.334 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

4.5.3 Omgevingsvergunning mantelzorg in afhankelijke woonruimte Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.5.1 en toestaan, dat een vrijstaand bijbehorend bouwwerk of een deel van de woning gebruikt wordt als afhankelijke woonruimte, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de afhankelijke woonruimte is gelegen binnen de bestemming ‘Wonen – Lint’; b. in geval van een bijbehorend bouwwerk is de afhankelijke woonruimte gelegen op een maximale afstand van 15 m van de woning; c. de totaal toegestane oppervlakte, welke als afhankelijke woonruimte mag worden ingezet, bedraagt maximaal 100 m2; d. de huisvesting moet ten dienste staan van het verlenen van mantelzorg aan een zorgbehoevende, waarvan de noodzaak hiertoe via een indicatiestelling is aangetoond; e. ten behoeve van de huisvesting van een zorgbehoevende mogen die voorzieningen worden aangebracht die zelfstandige bewoning mogelijk maken; f. de situering van de afhankelijke woonruimte is milieukundig (waaronder woon- en leefklimaat) aanvaardbaar; g. de situering van de afhankelijke woonruimte leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving (waaronder geur); h. de omgevingsvergunning wordt ingetrokken, indien de noodzaak uit een oogpunt van mantelzorg vervalt.

Daarbij dienen de voorzieningen, die zelfstandige bewoning mogelijk maakten, dusdanig verwijderd te worden, dat zelfstandige bewoning niet meer mogelijk is.

13/22

Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

Artikel 5 Leiding – Gas 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Leiding – Gas’ aangewezen gronden voor in de tabel 5.1a weergegeven leidingen zijn, behalve voor de andere daar geldende bestemmingen, mede bestemd voor het transport van de in tabel 5.1a genoemde gevaarlijke stoffen, met daarbij behorende diameter en maximale werkdruk, ter plaatse van de aanduiding ‘hartlijn leiding – gas’ met de bijbehorende belemmeringenstrook. Tabel 5.1a Leiding

Leiding – gas

Product

Aardgas (droog)

Buiten diameter (inch) 6

Minimale wanddikte (mm) 4,5

Materiaal soort Staal grade B

Maximale werkdruk (bar) 40

Minimale gronddekking (cm) 40

De afstand, waarop het plaatsgebonden risico 10-6/jaar bedraagt en het invloedsgebied, vanwege de betreffende buisleiding, mogen de in tabel 5.1b aangegeven afstand van het hart van de buisleiding en de gebiedsaanduiding veiligheidszone – leiding niet overschrijden. Tabel 5.1b Leiding Leiding – gas

Plaatsgebonden risico van 10-6/jaar (m) 0 meter, dan wel de afstand tot de veiligheidszone op de verbeelding

Invloedsgebied groepsrisico (m) 70

Belemmeringenstrook (m) 4,0

5.2 Bouwregels 5.2.1 Algemeen De in dit artikel opgenomen regels gaan voor op de overige regels in dit plan, voor zover er strijdigheid is tussen die regels. 5.2.2 Bouwwerken a. op of in de voor ‘Leiding – Gas’ aangewezen gronden mogen geen bouwwerken worden opgericht, met uitzondering van bouwwerken ten dienste van de buisleiding; b. de bouwhoogte van een bouwwerk bedraagt maximaal 4 meter; c. binnen het invloedgebied van de ‘Leiding – Gas’ mag een (beperkt) kwetsbaar object niet worden uitgebreid; d. binnen het invloedgebied van de ‘Leiding – Gas’ mag buiten het bouwvlak een beperkt kwetsbaar object niet worden gebruikt als een kwetsbaar object. 5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1 Omgevingsvergunning Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op of in deze gronden werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren, die van

14/22

Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

invloed kunnen zijn op de integriteit of werking van de ondergrondse leiding. Daaronder worden in ieder geval verstaan de volgende werken of werkzaamheden: a. het aanleggen, reconstrueren of verwijderen van wegen, paden en andere gesloten verhardingen; b. het aanbrengen of rooien van hoogopgaande of diepwortelende beplantingen en/of bomen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals ten behoeve van lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair en van reclamevoorzieningen; d. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, watergangen, vijvers en andere oppervlaktewateren; e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage, alsmede van andere grondbewerkingen, waardoor het maaiveldniveau wordt gewijzigd; f. het tijdelijk of permanent opslaan van goederen, waardoor grondzetting kan ontstaan. 5.3.2 Toelaatbaarheid a. de in 5.3.1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien de integriteit en de werking van de buisleiding zijn gewaarborgd. b. voordat een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.3.1 wordt verleend, wordt de betreffende leidingbeheerder in de gelegenheid gesteld daarover binnen vier weken schriftelijk advies te geven. 5.3.3 Uitzonderingen Het bepaalde in 5.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a.

die betrekking hebben op de buisleiding zelf; b. voor zover de werken of werkzaamheden graafwerkzaamheden betreffen, waarop de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten van toepassing is.

15/22

Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

Artikel 6 Waarde – Archeologie 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde – Archeologie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de (potentieel) aanwezige archeologische waarden. 6.2 Bouwregels Op of in deze gronden mogen ten behoeven van de andere daar voorkomende bestemmingen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van: a. gebouwen ter vervanging van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd en ook de situering gelijk blijft en waarbij bijbehorende grondwerkzaamheden niet dieper gaan dan 0,50 meter ten opzichte van het maaiveld; of b. de bouw of uitbreiding van bouwwerken tot een oppervlakte van maximaal 100 m². Deze bouwbeperking geldt niet voor gebieden die zijn vrijgegeven middels een door het bevoegd gezag afgegeven selectiebesluit. 6.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2, ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen, indien: a. op basis van een door het bevoegd gezag geaccordeerd uitgevoerd archeologisch onderzoek kan worden aangetoond dat ter plaatse waar gebouwd gaat worden geen archeologische waarden als zodanig aanwezig zijn; of b.

er passende maatregelen zijn genomen om de aanwezige archeologische waarden veilig te stellen, zoals het aanbrengen van een beschermingslaag, het opgraven van de archeologische artefacten, het documenteren van de archeologische waarden of anders met het bevoegd gezag overeengekomen maatregelen. 6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1 Omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, aanbrengen van heipalen, egaliseren en ontginnen van gronden; b. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals draineren en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen; c. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. het verlagen van het waterpeil. 6.4.2 Uitzonderingen Het verbod, zoals bedoeld in lid 6.4.1 is niet van toepassing indien: a.

het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen, waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte; b. het betreffen werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden met een diepte van minder dan 0,50 m of, bij een grotere diepte, met een oppervlakte kleiner dan 100 m2;

16/22

Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

c. op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; d. de werken en werkzaamheden: 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning; 3. de werken en werkzaamheden op inventariserend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht. 6.4.3 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk a. het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk, de aanwezige bouwwerken te slopen. Uitgezonderd van dit verbod zijn sloopwerkzaamheden van bouwwerken, waarbij de oppervlakte minder bedraagt dan 100 m2 en/of niet dieper wordt gewerkt dan 0,50 m onder maaiveld; b. aan de sloopvergunning kan in ieder geval de voorwaarde worden gesteld, dat de sloop wordt begeleid door een gekwalificeerde deskundige (zijnde een archeologisch bedrijf met een opgravingsvergunning). Hiervoor is een door het bevoegd gezag schriftelijk goedgekeurd Programma van Eisen vereist, dat is opgesteld conform de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie; c.

indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken vondsten van zeer hoge waarde worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag, dat in het belang van de archeologische monumentenzorg aanvullende voorschriften kan verbinden aan de omgevingsvergunning voor het slopen; d. de omgevingsvergunning kan niet worden verleend, indien blijkt dat de sloop een onevenredige aantasting van de archeologische waarden van de gronden tot gevolg heeft. 6.4.4 Toelaatbaarheid Een omgevingsvergunning als bedoeld in 6.4.1 en 6.4.3 wordt slechts verleend indien: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat geen archeologische waarden aanwezig zijn; of b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; of c. de volgende voorwaarden in acht genomen worden, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of 2. een verplichting tot het doen van opgravingen; of 3. een verplichting de uitvoering van werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg conform de vigerende KNA.

17/22

Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

Hoofdstuk 3 algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

18/22

Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

Artikel 8 Algemene aanduidingsregels 8.1 Veiligheidszone – buisleiding (aardgas 6’’) 8.1.1 Aanduiding veiligheidszone a. ter plaatse van de aanduiding ‘Veiligheidszone – buisleiding (aardgas 6’’)’ zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor de beperking van het externe veiligheidsrisico vanwege de aanwezigheid van de buisleiding (aardgas 6’’) waarmee gevaarlijke stoffen worden vervoerd. b. ter plaatse van de aanduiding ‘Veiligheidszone – buisleiding (aardgas 6’’)’ mogen, in aanvulling op het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen: 1. geen nieuwe functies worden opgericht, uitgebreid of gebruikt waar regelmatig minder zelfredzame personen kunnen verblijven; 2. geen (beperkt) kwetsbare objecten worden uitgebreid; 3. geen beperkt kwetsbaar object als kwetsbaar object worden gebruikt. 8.1.2 Afwijken Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 8.1.1, sub b, mits: a. dit is toegestaan op grond van de geldende bestemming; b. dit uit oogpunt van externe veiligheid aanvaardbaar is.

8.1.3 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om het bestemmingsplan te wijzigen en de ligging van de aanduiding ‘Veiligheidszone – buisleiding (aardgas 6’’)’ te verkleinen tot het dan geldende invloedgebied vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen (aardgas), of de aanduiding te verwijderen voor zover er geen invloedgebied vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen (aardgas) meer aanwezig is.

19/22

Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

Artikel 9 Overige regels 9.1 Verwijzing naar andere wettelijke regelingen Indien en voor zover in de planregels wordt verwezen naar wetten, verordeningen of enige andere algemeen verbindende regeling, dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan.

9.2 Parkeren a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen en een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels kan uitsluitend worden verleend indien wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen; indien niet in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen wordt voorzien, wordt de omgevingsvergunning geweigerd; b. Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen. Hiervoor gelden de volgende regels: 1. In het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw en in het geval van de functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid; 2. Indien het gebruik van een gebouw en/of gronden daar aanleiding toe geeft, dient te worden voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen; 3. Bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van het geldende door de gemeenteraad op 22 mei 2019 vastgestelde gemeentelijke parkeerbeleid, als neergelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2019’, bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid en/of voldoende ruimte voor laden en lossen. Indien dit parkeerbeleid gedurende de planperiode wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met deze wijziging; 4.

De parkeervoorzieningen als bedoeld onder 1 en de ruimte voor laad- en losvoorzieningen als bedoeld onder 2 dienen in stand te worden gehouden.

20/22

Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

Hoofdstuk 4 overgangs- en slotregels Artikel 10 Overgangsrecht 10.1 Overgangsrecht bouwen a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a. voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder a. met maximaal 10%. c. Het bepaalde onder a. en b. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

10.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld onder a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan één jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

21/22

Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

Artikel 11 Slotregel Deze regels worden aangehaald als Regels van het bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 25 ‘Groenendijk 2’ van gemeente Oosterhout.

22/22

Planregels bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Herziening 25 ‘Groenendijk 2’

STAAT VAN BEDRIJVEN

nummer

CATEGORIE

OMSCHRIJVING

SBI-2008

VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN Zuivelprodukten fabrieken: - consumptie-ijsfabrieken: p.o. <= 200 m² Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen: - v.c. < 7500 kg meel/week, bij gebruik van charge-ovens Verwerking cacaobonen en vervaardiging chocolade- en suikerwerk:

10, 11 1051 1052 1071 1071 10821

0 2 0 1 0

10821 10821 110102 1102 t/m 1104 14 141 16 162902 58 581 18129 1814 1814 1813 1814 182 20 2120 2120

3 - cacao- en chocoladefabrieken vervaardigen van chocoladewerken met p.o. <= 200 m² 6 - suikerwerkfabrieken zonder suiker branden: p.o. <= 200 m² 0 Vervaardiging van ethylalcohol door gisting: Vervaardiging van wijn, cider e.d. - VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT Vervaardiging van kleding en -toebehoren (excl. van leer) - HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGING ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK E.D. Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken - UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUKTIE VAN OPGENOMEN MEDIA Uitgeverijen (kantoren) Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen A Grafische afwerking B Binderijen Grafische reproduktie en zetten Overige grafische aktiviteiten Reproduktiebedrijven opgenomen media - VERVAARDIGING VAN CHEMISCHE PRODUKTEN 0 Farmaceutische produktenfabrieken: 2 - verbandmiddelenfabrieken

23 231 232, 234 232, 234 26, 28, 33 26, 28, 33 26, 27, 33 293 26, 32, 33 26, 32, 33 31 9524 321 322 32991 35 35 35 35 35 35 35 35 41, 42, 43 41, 42, 43 45, 47 451, 452, 454 45204 45205

VERVAARDIGING VAN GLAS, AARDEWERK, CEMENT-, KALK- EN GIPSPRODUKTEN Glasfabrieken: Aardewerkfabrieken: - vermogen elektrische ovens totaal < 40 kW VERVAARDIGING VAN KANTOORMACHINES EN COMPUTERS Kantoormachines- en computerfabrieken incl. reparatie VERVAARDIGING VAN OVER. ELEKTR. MACHINES, APPARATEN EN BENODIGDH. Elektrotechnische industrie n.e.g. - VERVAARDIGING VAN MEDISCHE EN OPTISCHE APPARATEN EN INSTRUMENTEN A Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d. incl. reparatie - VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G. 2 Meubelstoffeerderijen b.o. < 200 m2 Fabricage van munten, sieraden e.d. Muziekinstrumentenfabrieken Sociale werkvoorziening - PRODUKTIE EN DISTRIB. VAN STROOM, AARDGAS, STOOM EN WARM WATER C0 Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen: C1 - < 10 MVA D0 Gasdistributiebedrijven: D3 - gas: reduceer-, compressor-, meet- en regelinst. Cat. A D4 - gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), cat. B en C E0 Warmtevoorzieningsinstallaties, gasgestookt: E2 - blokverwarming - BOUWNIJVERHEID 3 - aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.< 1000 m² - HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN; BENZINESERVICESTATIONS Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven B Autobeklederijen Autowasserijen 0 0 1 A -

2 2

2 2 2 2 2 1 2 1 2 2 2 1

2

2 2 2 2 1 2 2 2

2 1 2 2 2 2 1 2

1

nummer

CATEGORIE

OMSCHRIJVING

SBI-2008

453 46 461 4622 4634 4635 4636 4637 4638, 4639 464, 46733 4673 4673 46735 46735 46752 47 952 55 562 49 493 50, 51 50, 51 52 52109 5221 5222 791 5229 53 531, 532 61 61 61 61 64, 65, 66 64, 65, 66 41, 68 41, 68 77 7711 772 62 62 58, 63 72 721 722 63, 69tm71, 73, 74, 77, 78, 80tm82 63, 69tm71, 73, 74, 77, 78, 80tm82 82992 84 84 86

Handel in auto- en motorfietsonderdelen en -accessoires GROOTHANDEL EN HANDELSBEMIDDELING Handelsbemiddeling (kantoren) Grth in bloemen en planten Grth in dranken Grth in tabaksprodukten Grth in suiker, chocolade en suikerwerk Grth in koffie, thee, cacao en specerijen Grth in overige voedings- en genotmiddelen Grth in overige consumentenartikelen 0 Grth in hout en bouwmaterialen: 2 - algemeen: b.o. <= 2000 m² 4 zand en grind: 6 - algemeen: b.o. <= 200 m² Grth in kunstmeststoffen - DETAILHANDEL EN REPARATIE T.B.V. PARTICULIEREN Reparatie t.b.v. particulieren (excl. auto's en motorfietsen) - LOGIES-, MAALTIJDEN- EN DRANKENVERSTREKKING Cateringbedrijven - VERVOER OVER LAND Taxibedrijven - VERVOER OVER WATER / DOOR DE LUCHT A Vervoersbedrijven (uitsluitend kantoren) - DIENSTVERLENING T.B.V. HET VERVOER B Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte) 1 Autoparkeerterreinen, parkeergarages Overige dienstverlening t.b.v.

vervoer (kantoren) Reisorganisaties Expediteurs, cargadoors (kantoren) - POST EN TELECOMMUNICATIE Post- en koeriersdiensten A Telecommunicatiebedrijven B0 zendinstallaties: B2 - FM en TV B3 - GSM en UMTS-steunzenders (indien bouwvergunningplichtig) - FINANCIELE INSTELLINGEN EN VERZEKERINGSWEZEN A Banken, verzekeringsbedrijven, beurzen - VERHUUR VAN EN HANDEL IN ONROEREND GOED A Verhuur van en handel in onroerend goed VERHUUR VAN TRANSPORTMIDDELEN, MACHINES, ANDERE ROERENDE - GOEDEREN Personenautoverhuurbedrijven Verhuurbedrijven voor roerende goederen n.e.g. - COMPUTERSERVICE- EN INFORMATIETECHNOLOGIE A Computerservice- en informatietechnologie-bureau's e.d. B Datacentra - SPEUR- EN ONTWIKKELINGSWERK Natuurwetenschappelijk speur- en ontwikkelingswerk Maatschappij- en geesteswetenschappelijk onderzoek

2

-

-

1 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 1 2 2 1 2 2 1 1 1 2 1 1 1 1 1

2 2 1 2 2 1

OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING

A Overige zakelijke dienstverlening: kantoren Veilingen voor huisraad, kunst e.d. - OPENBAAR BESTUUR, OVERHEIDSDIENSTEN, SOCIALE VERZEKERINGEN A Openbaar bestuur (kantoren e.d.) - GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSZORG

1 1 1

2

nummer

CATEGORIE

OMSCHRIJVING

SBI-2008

8621, 8622, 8623 8691, 8692 8891 37, 38, 39 3700 94 941, 942 9491 94991 59 591, 592, 601, 602 9101, 9102 91041 931 931 931 96 96013 96013 9602 9313, 9604 9609

2 B -

A -

0 2 F A B

B

Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven Consultatiebureaus Kinderopvang MILIEUDIENSTVERLENING rioolgemalen DIVERSE ORGANISATIES Bedrijfs- en werknemersorganisaties (kantoren) Kerkgebouwen e.d. Buurt- en clubhuizen CULTUUR, SPORT EN RECREATIE Studio's (film, TV, radio, geluid) Bibliotheken, musea, ateliers, e.d. Kinderboerderijen Schietinrichtingen: - binnenbanen: boogbanen Sportscholen, gymnastiekzalen OVERIGE DIENSTVERLENING Wasverzendinrichtingen Wasserettes, wassalons Kappersbedrijven en schoonheidsinstituten Fitnesscentra, badhuizen en sauna-baden Persoonlijke dienstverlening n.e.g.

1 1 2 2 1 2 2 2 1 2 1 2 2 1 1 2 1

3

Bijlage 1 Notitie Kwaliteitsverbetering Maart 2021

Op de locatie Groenendijk 2 in de lintbebouwing van Oosteind bevindt zich een agrarische bedrijfslocatie. De boerderijwoning is een gemeentelijk monument en is decennia geleden al bouwkundig aangepast voor dubbele bewoning. De eigenaar heeft het initiatief genomen de bedrijfsmatige agrarische activiteiten definitief te beëindigen. De dubbele bewoning van de boerderijwoning, waarvan al geruime tijd sprake is, wordt planologisch vastgelegd. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, is een partiële herziening van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied noodzakelijk. Deze notitie beschrijft de kwaliteitsverbetering die binnen het plangebied gerealiseerd wordt. Afbeelding 1 geeft de huidige situatie weer. Het plangebied is vrijwel volledig bebouwd en verhard. In de nieuwe situatie worden twee voormalige bedrijfsgebouwen (110 m2 en 50 m2) gesloopt en wordt een gedeelte van de erfverharding verwijderd. Dit is weergegeven op afbeelding 2. Het te handhaven bijgebouw wordt verkleind tot 265 m2 door de afhangen aan de oost- en zuidzijde te verwijderen, zodat voldaan wordt aan de gemeentelijke sloop-bonus regeling. Alleen de erfverharding die noodzakelijk is om de gesplitste woonboerderij en het bijgebouw te bereiken wordt gehandhaafd. Aan de wegzijde wordt het plangebied voorzien van haagbeplanting.

Langs de Provincialeweg is de haagbeplanting laag, zodat de monumentale woonboerderij in het zicht blijft. Langs de Groenendijk is de haagbeplanting hoger. Aan de noordzijde van het plangebied worden laanbomen geplaatst met daaronder struweel en enkele fruitbomen. Aan de oostzijde van het plangebied wordt een strook met struweel aangelegd. De beplanting in de nieuwe situatie is weergeven op afbeelding 3, met bijbehorende beplantingslijst.

Afbeelding 1: Bestaande situatie

Afbeelding 2: Te verwijderen bebouwing en erfverharding

2

2 3

1

4

3

4

1

4

3

1

Afbeelding 3: Beplanting nieuwe situatie

Nr. 1 2 3

Haagbeplanting Laanbomen Struweel

4 Fruitbomen Beplantingslijst

Soort Carpinus betulus Tilia Sambucus nigra Sorbus aucuparia Viburnum Opulus Malus domestica

Soort Haagbeuk Linde Vlier Lijsterbes Gelderse roos Appelboom

Aantal 300 3 150 100 100 5

Omvang 75 x 1.5 m 20 x 4 m 350 m2 25 m2

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Groenendijk 2 te Oosteind

Opdrachtgever :

Dhr. W.A.M. de Boer Groenendijk 2 4909 AD Oosteind

Kenmerk :

2452.01.191.r1

Datum :

13 maart 2019

Auteur :

B.M. Prinse

Gecontr. :

S.A.C. Schrauwen

INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING ........................................................................................................... 1 2

VOORONDERZOEK ............................................................................................. 2 2.1

Algemeen en bronvermelding ....................................................................... 2

2.2

Historische en actuele gegevens onderzoekslocatie ........................................ 2

2.3

Bodemonderzoeken/saneringen .................................................................... 4

2.4

Bodemopbouw en geohydrologie .................................................................. 4

2.5

Hypothese ................................................................................................... 5

3. VELDWERK ........................................................................................................ 6 3.1

Uitvoering van het veldwerk ......................................................................... 6

3.2

Resultaten van het veldwerk ......................................................................... 6

3.3

Afwijkende bodemkenmerken ....................................................................... 7

4. CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK ................................................................... 8 4.1

Uitvoering van het chemisch-analytisch onderzoek ......................................... 8

4.2

Toetsingscriteria .......................................................................................... 9

4.3

Interpretatie analyseresultaten ................................................................... 10

5. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...................................................................... 13 6. VERANTWOORDING ........................................................................................... 15 7. LITERATUURLIJST .............................................................................................. 16 BIJLAGEN 1a. Situatieschets met geplaatste boringen 1b. Kadastrale tekening met omgevingskaart 1c. Foto’s onderzoekslocatie 2. Boorprofielen 3. Analyseresultaten en toetsingstabellen grond en grondwater 4. Algemene gegevens proefgaten

1. INLEIDING In opdracht van de heer W.A.M. de Boer heeft Moerdijk Bodemsanering B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Groenendijk 2 te Oosteind. Het bodemonderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen transactie van de locatie. Het doel van dit verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de bodemkwaliteit (in relatie tot mogelijke verontreinigingen in de bodem). Hiertoe is de kwaliteit van zowel de grond als het grondwater beoordeeld op basis van een steekproef, waarbij een beperkt aantal boringen is verricht en een aantal grond(meng)monsters en grondwatermonsters chemisch-analytisch zijn onderzocht. Als uitgangspunt voor de onderzoeksstrategie is de werkwijze conform de NEN 5725 (vooronderzoek), de NEN 5740 (uitvoering verkennend onderzoek) en de NEN 5707 (uitvoering verkennend asbestonderzoek) gehanteerd. In de volgende hoofdstukken wordt ingegaan op de locatiegegevens, de verrichte veldwerkzaamheden, het chemisch-analytisch onderzoek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek. Tot slot worden de verzamelde gegevens over de grond- en grondwaterkwaliteit getoetst aan de huidige richtlijnen en worden aanbevelingen geformuleerd. Moerdijk Bodemsanering B.V. is in het bezit van het Procescertificaat veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek conform de BRL 2000.

Het veldwerk is derhalve verricht onder dit certificaat op basis van de richtlijnen in de protocollen 2001, 2002 en 2018. Moerdijk Bodemsanering B.V. verklaart dat het veldwerk onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd conform de eisen van de BRL 2000 en de daarbij behorende protocollen.

2452.01.191.r1

1

2

VOORONDERZOEK

2.1 Algemeen en bronvermelding Onderdeel van het verkennend bodemonderzoek is het verrichten van een vooronderzoek. Op basis van het vooronderzoek is bepaald of in het verleden mogelijk bodembedreigende activiteiten zijn ontplooid. Bij het verzamelen van de historische gegevens zijn verschillende bronnen geraadpleegd. In onderstaande tabel is vermeld welke bronnen hiervoor gebruikt zijn en welke informatie daar globaal te vinden is. In de hierna volgende paragrafen zijn de resultaten van het vooronderzoek toegelicht. Tabel 1. Geraadpleegde bronnen vooronderzoek Internet www.bodemloket.nl

www.dinoloket.nl

Indicatie aanwezigheid (ernstige) bodemverontreiniging of bodembedreigende activiteiten. De Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG) zijn onderdeel van het overheidsstelsel van basisregistraties. Op de kaart kunnen adresgegevens eenvoudig verkregen worden, alsmede het bouwjaar van de aanwezige gebouwen en het gebruiksdoel van het gebouw. Indicatie bodemopbouw en geohydrologie.

www.topotijdreis.nl

Indicatie historisch gebruik van de onderzoekslocatie (o.a. bebouwing).

www.archeologieinnederland.nl

Verwachtingskans archeologische monumentenkaart (AMK).

www.bagviewerkadaster.nl

Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant, Gemeente Oosterhout Milieuvergunning

Tankenbestand

Veel inrichtingen (bedrijven en instellingen) hebben een omgevingsvergunning nodig. Aan de verlening van een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Op de locatie of in de directe omgeving kunnen reeds bodemonderzoeken zijn uitgevoerd. Deze kunnen een indicatie geven van de kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Indicatie aanwezigheid (ondergrondse) brandstoftank(s).

Asbestkansenkaart

Verwachtingskans aantreffen asbest in de bodem.

Bodemonderzoeken

2.2 Historische en actuele gegevens onderzoekslocatie De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Oosterhout, sectie V, nummer 179 en heeft een oppervlakte van 1.925 m2. Een situatieschets van de locatie is opgenomen in bijlage 1a; een kadastrale kaart met omgevingskaart is opgenomen in bijlage 1b. In bijlage 1c zijn enkele foto’s opgenomen van de huidige situatie. In tabel 2 staan de historische, huidige en toekomstige gegevens over de locatie vermeld.

2452.01.191.r1

2

Tabel 2. Historisch, huidig en toekomstig bodemgebruik onderzoekslocatie Historisch Gebruik locatie Voormalige bodembedreigende activiteiten Ophoging en demping Voormalige bodembedreigende activiteiten in de nabijheid van de locatie Explosieven en archeologie

De woonboerderij op de locatie is begin 18e eeuw gerealiseerd. De overkapping en de stal zijn halverwege de 20e eeuw gerealiseerd. De locatie is tot 2013 in gebruik geweest als veehouderij. Voormalige ondergrondse dieseltank met een inhoud van circa 5.000 liter (vanaf: onbekend, eind: omstreeks 1985) en een bovengrondse dieseltank met een inhoud van circa 1.000 liter. Niet bekend Provincialeweg 192: brandstoffendetailhandel (vanaf: 1942, eind: 1967). Niet bekend

Huidig Locatie-inspectie Gebruik locatie

De terreinverkenning is, voorafgaand aan het veldwerk, op 20 februari 2019 uitgevoerd door de heer N. Havermans. Hierbij zijn geen bijzonderheden aangetroffen. De locatie betreft een voormalige veehouderij

Bebouwing

Woonboerderij met stal en overkapping

Terreinverharding

Beton, klinkers en onverhard

Bodembedreigende activiteiten Asbesthoudende bouw-, bodem- en/of verhardingsmaterialen Geval van ernstige bodemverontreiniging Gebruik directe omgeving

Bovengrondse dieseltank met een inhoud van circa 1.000 liter Asbesthoudende dakbedekking op de stal en overkapping Niet bekend Voornamelijk woondoeleinden

Toekomstig Gebruik locatie

Niet bekend

Bodembedreigende activiteiten

n.v.t.

2452.01.191.r1

3

Luchtfoto onderzoekslocatie

(bron: Google Earth)

2.3 Bodemonderzoeken/-saneringen Op de locatie en in de directe nabijheid ervan zijn geen (relevante) bodemonderzoeken en/of saneringen bekend. 2.4 Bodemopbouw en geohydrologie Voor het verkrijgen van inzicht in de regionale bodemopbouw en de geohydrologische gegevens van de omgeving is gebruik gemaakt van de Grondwaterkaart van Nederland. Ter plaatse kunnen de volgende geohydrologische eenheden worden onderscheiden: Tabel 3. Geohydrologische gegevens Globale diepte (m -mv) Geohydrologische eenheid

Samenstelling

0-2

Deklaag

Fijn zand

2 - 14

Eerste watervoerende pakket

Matig fijn tot matig grof zand

14 - 54

Eerste scheidende laag

Fijn leemhoudend zand

De horizontale stromingsrichting van het freatisch grondwater is globaal noordwestelijk gericht, maar zal mogelijk worden beïnvloed door lokale ontwateringsmiddelen (sloten, kabels en leidingen). De locatie is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. 2452.01.191.r1

4

2.5 Hypothese Als uitgangspunt voor de onderzoeksstrategie zullen de NEN 5740 en de NEN 5707 gehanteerd worden. Het bodemonderzoek heeft een zogenaamd retrospectief karakter, dit wil zeggen dat het onderzoek primair gericht is op reeds opgetreden (bodem)verontreiniging. De onderzoekslocatie betreft het in bijlage 1a aangegeven terrein met een totaaloppervlak van circa 1.925 m2. Op basis van de hierboven weergegeven informatie wordt de volgende hypothese met bijbehorende onderzoeksstrategie toegepast : Tabel 4. Onderzoeksstrategie Deellocatie(s) Strategie A) voormalige ondergrondse dieseltank, circa 5.000 liter B) bovengrondse dieseltank, circa 1.000 liter C) Gehele locatie, circa 1.925 m2 D) toplaag onder asbesthoudende dakbedekking (westzijde stal)

2452.01.191.r1

VEP-OO

Mogelijke parameter(s) in grond/puin Minerale olie

Mogelijke parameter(s) in grondwater Minerale olie en btexn

VEP

Minerale olie

Minerale olie en btexn

ONV-NL

-

-

VED-HE

Asbest

-

5

3.

VELDWERK

3.1 Uitvoering van het veldwerk Ter plaatse zijn de volgende werkzaamheden verricht: Tabel 5. Veldwerkzaamheden Deellocatie A) voormalige ondergrondse dieseltank, circa 5.000 liter B) bovengrondse dieseltank, circa 1.000 liter C) Gehele locatie, circa 1.925 m2

Veldwerk 2 x boring tot minimaal 2,0 m -mv, waarvan 1 boring wordt afgewerkt middels een peilbuis 2 x boring tot minimaal 1,0 m -mv 1 x boring tot in het grondwater, welke tevens wordt afgewerkt met een peilbuis 8 x boring tot 1,0 meter beneden maaiveld (m -mv) 2 x boring tot het freatisch grondwater (minimaal 1,0 m -mv/ maximaal 2,0 m -mv) 1 x boring tot in het grondwater, welke tevens wordt afgewerkt met een peilbuis* 2 x proefgat (0,3 x 0,3 m) tot minimaal 0,5 m -mv

D) toplaag onder asbesthoudende dakbedekking (westzijde stal) * Gecombineerd met deellocatie A.

3.2 Resultaten van het veldwerk Het veldwerk is uitgevoerd conform de protocollen 2001, 2002 en 2018. De veldwerkzaamheden zijn verricht op 20 februari 2019 door de erkende veldwerkers N. Havermans en R. Snijder. De peilbuizen zijn, na enkele malen te zijn afgepompt, op 28 februari 2019 bemonsterd door de erkende veldwerker N. Havermans. In bijlage 1a zijn de boorposities weergegeven. De bodem ter plaatse is globaal als volgt opgebouwd: Vanaf maaiveld is tot circa 3,1 m -mv (einde boordiepte) een zandpakket aangetroffen. Het vrijgekomen boormateriaal is zintuiglijk beoordeeld op geur, kleur en samenstelling en beschreven in boorprofielen (zie bijlage 2). In de volgende tabel zijn de veldgegevens van het grondwater opgenomen. Tabel 6. Veldgegevens grondwater Peilbuis Grondwaterstand (filterstelling in m -mv) (m -mv) 01 (1,8 - 2,8) 1,55 03 (2,1 - 3,1)

1,55

Zuurgraad (pH)

Elektrisch geleidingsvermogen (Ec in µS/cm)

Troebelheid (NTU)

6,9

190

9,2

6,9

210

8,7

De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en de troebelheid (ntu) van het grondwater zijn normaal te noemen voor dit type bodem.

2452.01.191.r1

6

3.3 Afwijkende bodemkenmerken Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk (geur, kleur en samenstelling) de volgende afwijkende bodemkenmerken waargenomen: Tabel 7. Afwijkende bodemkenmerken Boring/proefgat Traject (m -mv) 11 0,20 - 0,60 12

Zintuiglijke afwijking Kolengruis

0,60 - 0,80

Baksteen

0,00 - 0,60

Kolengruis, zwak baksteenhoudend

Voor het overige zijn tijdens de veldwerkzaamheden geen afwijkingen waargenomen. Asbest Op de locatie is geen volledige maaiveldinspectie verricht, aangezien te veel vegetatie aanwezig is onder de dakrand. Het tijdens het veldwerk vrijkomende materiaal is zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van asbest. Het te analyseren materiaal is per laag op de locatie gezeefd (met een maaswijdte van 20 mm). Indien na het zeven visueel asbestverdachte materialen achterblijven, worden deze verzameld (en onderzocht). Er zijn visueel in de bodem en op het maaiveld geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. In bijlage 4 zijn de algemene gegevens van de proefgaten opgenomen.

2452.01.191.r1

7

4. CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK 4.1 Uitvoering van het chemisch-analytisch onderzoek De volgende analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde milieulaboratorium Eurofins Analytico te Barneveld: Tabel 8. Analyses Code

Monster(s)

Analyse grond

Analyse grondwater

A) Voormalige ondergrondse dieseltank, circa 5.000 liter M01

01 (1,10 - 1,50) 02 (1,00 - 1,40) 01 (1,80 - 2,80)

GW01

Minerale olie

-

-

Minerale olie en btexn

Minerale olie

-

-

Minerale olie en btexn

NEN-gr

-

NEN-gr

-

NEN-gr

-

-

NEN-gw

B) Bovengrondse dieseltank, circa 1.000 liter M02

03 (0,08 - 0,50) 04 (0,08 - 0,50) 05 (0,25 - 0,50) 03 (2,10 - 3,10)

GW02

C) Gehele locatie, circa 1.925 m2 M03

06 (0,10 - 0,50) 07 (0,20 - 0,50) 08 (0,08 - 0,50) 10 (0,10 - 0,50) 13 (0,15 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 15 (0,00 - 0,50) 16 (0,10 - 0,50) 11 (0,80 - 1,30) 12 (0,60 - 1,00) 01 (1,80 - 2,80)

M04

M05 GW01*

D) Toplaag onder asbesthoudende dakbedekking (westzijde stal) AM01

100 (0,00 - 0,10) 101 (0,00 - 0,10) * Gecombineerd met deellocatie A.

Asbest

-

NEN-gr:

lutum en organische stof (in minimaal 2 representatieve mengmonsters), 9 zware metalen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 vrom), polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie;

NEN-gw:

9 zware metalen, aromaten (BTEXN), vluchtige chloorhoudende oplosmiddelen (VOCL), styreen en minerale olie.

2452.01.191.r1

8

4.2 Toetsingscriteria De analyseresultaten van de grond worden beoordeeld aan de hand van de achtergrondwaarden uit bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit en de interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. De analyseresultaten van het grondwater worden beoordeeld aan de hand van de streefen interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. De volgende toetsingswaarden worden onderscheiden voor grond: - AW: Achtergrondwaarde, het gehalte in onbelaste natuurgebieden en landbouwgronden; - T: tussenwaarde, het gemiddelde van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde, criterium voor nader onderzoek; - I: Interventiewaarde, het gehalte waarboven ernstige vermindering optreedt van de functionele eigenschappen van de bodem. Voor grondwater gelden de volgende toetsingswaarden: - S: Streefwaarde, ijkpunt voor een milieukwaliteit van het grondwater op lange termijn op basis van het verwaarloosbaar risiconiveau voor het ecosysteem; - T: Tussenwaarde, het gemiddelde van de Streefwaarde en Interventiewaarde, criterium voor nader onderzoek; - I: Interventiewaarde, het gehalte waarboven ernstige vermindering optreedt van de functionele eigenschappen van de bodem. Asbest De interventiewaarde voor asbest in grond, bodem en puingranulaat is vastgesteld op 100 mg/kg d.s.

gewogen (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De waarde van 100 mg/kg d.s. gewogen geldt tevens als eis voor de hergebruikswaarden voor asbest in grond, baggerspecie en bouwstoffen. De genoemde richtlijnen gelden voor zowel gebonden als niet gebonden asbest. In tegenstelling tot andere chemische stoffen is het volumecriterium (minimaal 25 m3 verontreinigd bodemvolume) voor asbest niet van toepassing. Voor asbest geldt dat zodra er grond aanwezig is met gehalten aan asbest boven de interventiewaarde (100 mg/kg d.s. (gewogen)), onafhankelijk van het volume, er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging.

2452.01.191.r1

9

Voor de berekening van de concentratie asbest in de bodem wordt in eerste instantie het gewicht van alle verzamelde asbesthoudende materialen per proefgat/-sleuf bepaald. Op basis van dit gewicht per sleuf met daarbij het percentage asbest in de representatieve (plaat)materialen, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen serpentijnasbest en amfiboolasbest, worden de concentraties serpentijn- en amfiboolasbest berekend voor het gehele proefgat/-sleuf. Vervolgens worden deze berekende concentraties asbest opgeteld bij de concentraties asbest in de representatieve mengmonsters, waarna de totale serpentijnasbestconcentratie wordt vermeerderd met 10 maal de totale amfiboolasbestconcentratie. Besluit bodemkwaliteit (BBK) Voor de toepassing van grond en bagger op landbodem geldt vanaf 1 juli 2008 het toetsingskader op basis van het Besluit bodemkwaliteit. In de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit zijn normen opgenomen waaraan de kwaliteit van toe te passen grond of bagger of de kwaliteit van de ontvangende bodem kan worden getoetst. De analyseresultaten zijn met behulp van het toetsingsinstrument BoToVa (T1, beoordeling kwaliteit grond en bagger bij toepassing op of in de bodem) indicatief getoetst aan de toetsingswaarden van de Regeling bodemkwaliteit. Het toetsingsresultaat is weergegeven in bijlage 3.

Binnen het generieke beleid van het besluit bodemkwaliteit worden bij grondverzet de volgende toetsingswaarden onderscheiden: -AW: Achtergrondwaarde, het gehalte in onbelaste natuurgebieden en landbouwgronden. -MWw: Maximale Waarde wonen, het maximale gehalte waarbij de bodemkwaliteit duurzaam geschikt is voor de bodemfunctieklasse wonen; -MWi: Maximale Waarde industrie, het maximale gehalte waarbij de bodemkwaliteit duurzaam geschikt is voor de bodemfunctieklasse industrie. 4.3 Interpretatie analyseresultaten De volgende tabellen geven een overzicht van de analyseresultaten van de grondmonsters en het grondwatermonster. De analyseresultaten van de grondlagen zijn tevens indicatief getoetst aan de regeling Bodemkwaliteit (Botova T1) ten behoeve van hergebruik. De resultaten hiervan zijn opgenomen in de onderstaande tabel. De analyseresultaten en toetsingswaarden zijn opgenomen in bijlage 3.

2452.01.191.r1

10

Tabel 9. Interpretatie van de analyseresultaten van de grondmonsters Code Monsters >AW (+index) >T (m -mv) M01 01 (1,10 - 1,50) Minerale olie (0,04) 02 (1,00 - 1,40)

>I (+index)

Indicatief BBK

-

Klasse industrie

M02

03 (0,08 - 0,50) 04 (0,08 - 0,50) 05 (0,25 - 0,50)

Minerale olie (0,13)

-

-

Niet Toepasbaar > industrie

M03

06 (0,10 - 0,50) 07 (0,20 - 0,50) 08 (0,08 - 0,50) 10 (0,10 - 0,50)

Minerale olie (0,08) Zink (0,01) PAK (0,43)

-

-

Niet Toepasbaar > industrie

M04

13 (0,15 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 15 (0,00 - 0,50) 16 (0,10 - 0,50)

Minerale olie (-) Lood (0,05) PAK (0,18)

-

-

Klasse industrie

M05

11 (0,80 - 1,30) 12 (0,60 - 1,00)

PAK (0,03)

-

-

Altijd toepasbaar

Tabel 10. Interpretatie van de analyseresultaten van het grondwatermonster Code Monster >S (+index) >T (m -mv) GW01 01 (1,80 - 2,80) GW02

03 (2,10 - 3,10)

-

-

>I (+index) -

Tabel 11. Analyseresultaten fijne fractie grondmonsters Code Monster Gehalte asbest < 20 mm (m -mv) (mg/kg d.s.) AM01* 100 (0,00 - 0,10) 0,4** 101 (0,00 - 0,10) * Voor onderhavig monster is formeel gezien te weinig monstermateriaal aangeleverd. Echter kan redelijkerwijs gesteld worden dat dit geen invloed heeft op het eindresultaat. ** enkele losse vezels aangetroffen. Uit het onderzoek dat TNO heeft uitgevoerd blijkt dat het aandeel aan respirabele vezels waarschijnlijk niet meer zal zijn dan 5 - 10 % van het totale asbesthalte (zie RIVM-rapport 711701034/2003). Aanvullende onderzoek/analyse naar respirabele vezels wordt niet noodzakelijk geacht.

Uit de analyseresultaten kan het volgende worden afgeleid : A) voormalige ondergrondse dieseltank, circa 5.000 liter : - In de ondergrond (M01) is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet overschreden. - In het grondwater (GW01) zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen.

2452.01.191.r1

11

B) bovengrondse dieseltank, circa 1.000 liter : - In de bovengrond (M02) is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet overschreden. - In het grondwater (GW02) zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen.

C) Gehele locatie, circa 1.925 m2 : - In de bovengrond ter plaatse van het noordelijke deel van de locatie (M03) zijn licht verhoogde gehalten aan minerale olie, zink en PAK aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet overschreden. - In de bovengrond ter plaatse van het zuidelijke deel van de locatie (M04) zijn licht verhoogde gehalten aan minerale olie, lood en PAK aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet overschreden. - In de ondergrond onder de kolengruislaag (M05) is een licht verhoogd gehalte aan PAK aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet overschreden. - In het grondwater (GW01) zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen.

D) toplaag onder asbesthoudende dakbedekking (westzijde stal) : - In de toplaag onder de asbesthoudende dakbedekking (AM01) is een licht verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen. De interventiewaarde van asbest (100 mg/kg d.s.) wordt niet benaderd.

2452.01.191.r1

12

5. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN In opdracht van de heer W.A.M. de Boer heeft Moerdijk Bodemsanering B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Groenendijk 2 te Oosteind. Het bodemonderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen transactie van de locatie. De locatie heeft een oppervlakte van 1.925 m2 en betreft een voormalige veehouderij. Op de locatie is een ondergrondse dieseltank aanwezig geweest met een inhoud van circa 5.000 liter, welke circa 35 jaar geleden verwijderd is. Aan de noordzijde van de stal is nog een bovengrondse dieseltank aanwezig met een inhoud van circa 1.000 liter. Op de stal en de overkapping is asbesthoudende dakbedekking aanwezig, onder de dakrand is geen dakgoot aanwezig. Aan de westzijde van de stal is onder de dakrand geen verharding aanwezig, derhalve is de toplaag onder de dakrand beschouwd als zijnde verdacht ten aanzien van asbest. De voormalige ondergrondse dieseltank en de bovengrondse dieseltank zijn beschouwd als zijnde verdacht ten aanzien van minerale olie in grond en minerale olie en btexn in grondwater. Het overige deel van de locatie is beschouwd als zijnde onverdacht. Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: - Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn geen bijzonderheden aangetroffen.

- Er zijn visueel op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdachte (plaat)materialen waargenomen. A) voormalige ondergrondse dieseltank, circa 5.000 liter : - In de ondergrond (M01) is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet overschreden. - In het grondwater (GW01) zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese ‘verdachte’ locatie dient formeel gezien te worden geaccepteerd. De nader onderzoekswaarde van minerale olie in de grond wordt niet overschreden. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht.

2452.01.191.r1

13

B) bovengrondse dieseltank, circa 1.000 liter : - In de bovengrond (M02) is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet overschreden. - In het grondwater (GW02) zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese ‘verdachte’ locatie dient formeel gezien te worden geaccepteerd. De nader onderzoekswaarde van minerale olie in de grond wordt niet overschreden. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. C) Gehele locatie, circa 1.925 m2 : - In de bovengrond ter plaatse van het noordelijke deel van de locatie (M03) zijn licht verhoogde gehalten aan minerale olie, zink en PAK aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet overschreden. - In de bovengrond ter plaatse van het zuidelijke deel van de locatie (M04) zijn licht verhoogde gehalten aan minerale olie, lood en PAK aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet overschreden. - In de ondergrond onder de kolengruislaag (M05) is een licht verhoogd gehalte aan PAK aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet overschreden. - In het grondwater (GW01) zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese ‘onverdachte’ locatie dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in de grond overschrijden de nader onderzoekswaarden niet.

Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. D) toplaag onder asbesthoudende dakbedekking (westzijde stal) : - In de toplaag onder de asbesthoudende dakbedekking (AM01) is een licht verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen. De interventiewaarde van asbest (100 mg/kg d.s.) wordt niet benaderd.

2452.01.191.r1

14

De tevoren gestelde hypothese heterogeen ‘verdachte’ locatie dient formeel gezien te worden geaccepteerd. De verhoging in de toplaag onder de asbesthoudende dakbedekking is echter gering en kan als niet significant beschouwd worden. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen transactie van de locatie.

6. VERANTWOORDING Het onderhavige onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Opgemerkt wordt echter, dat het onderhavige onderzoek gebaseerd is op het uitvoeren van een beperkt aantal boringen en het onderzoeken van een beperkt aantal monsters. Hierdoor blijft het mogelijk dat plaatselijke afwijkingen in de samenstelling van de grond en/of het grondwater aanwezig zijn, welke tijdens uitvoering van het onderzoek niet naar voren zijn gekomen. Moerdijk Bodemsanering B.V. is niet aansprakelijk voor hieruit voortvloeiende schade of gevolgen van welke aard dan ook.

2452.01.191.r1

15

7. LITERATUURLIJST 1. NEN 5725, Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek. 2. NEN 5740+A1, Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. 3. NEN5707+C1, Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond. 4. NEN 5897+C1– Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat. 5. Circulaire bodemsanering 2013. 6. Regeling bodemkwaliteit, bijlage B.

2452.01.191.r1

16

BIJLAGEN

BIJLAGE 1A SITUATIESCHETS MET BOORPUNTEN

BIJLAGE 1B KADASTRALE KAART EN OMGEVINGSKAART

Uittreksel Kadastrale Kaart

Uw referentie: 123

6

5

178

3

179 n Gr oe

1

j en d i k

815

2

203

975

186

1298

188A

188

188B

190

0m

Deze kaart is noordgericht Perceelnummer 25 Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens Bebouwing Overige topografie Voor een eensluidend uittreksel, Y, 19 februari 2019 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers

12345

190A

192

190B

5m

25 m

Schaal 1:500 Kadastrale gemeente Sectie Perceel

Oosterhout V 179

Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.

565

Omgevingskaart

Klantreferentie: 123

0m

125 m

625 m

Deze kaart is noordgericht. Hier bevindt zich Kadastraal object Oosterhout V 179 Groenendijk 2, 4909AD Oosteind CC-BY Kadaster.

Schaal 1: 12500

BIJLAGE 1C FOTO’S ONDERZOEKSLOCATIE

Bijlage 1c; Foto’s onderzoekslocatie

Foto 1

Foto 2

Foto 3

Foto 4

Foto 5

Foto 6

Foto 7

BIJLAGE 2 BOORPROFIELEN

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=29a3107e-076a-42e2-924f-65d31f4a0f2b