bijlage bij slabloonvragen - Warmtenet_Transitieplan_ipdf_SLJ_EMMA_23022021 X
Tekst van het document
30
Organisatie en rollen
Vier organisatorische pijlers:
De transitie vraagt een verandering van ons allemaal. Zodoende is er een grotere onderlinge afhankelijkheid, moeten complexere afwegingen gemaakt worden op systeemniveau, wordt er op meerdere niveaus tegelijk gewerkt aan het nieuwe systeem, moeten ook maatschappelijke waarden een plek krijgen in dit nieuwe systeem, moeten soms keuzes worden gemaakt in onzekerheid, is constant kennis delen en nieuwe kennis opdoen noodzakelijk om vooruit te kunnen, en is afbouw een soms pijnlijk onderdeel van de transitie.
1. (Boven)regionale publieke samenwerking en toekomstige governance
Daarvoor is een aan de RE(K)Sen gerelateerde organisatie nodig op bovenregionaal niveau met genoeg body om de systeemafwegingen te kunnen maken en deze bij de juiste beslisorganen voor besluitvorming terug te leggen. Tegelijk is meer uitvoeringsgerichte samenwerking nodig rond enkele kernonderwerpen. In het vervolg van de samenwerking daarom intensiveren en focus aanbrengen in vier organisatorische pijlers.
Het ontwikkelen van een regionaal collectief warmtesysteem is een belangrijke aanbeveling uit beide RE(K)Sen 1.0 en de MKBA. Er zijn meerdere redenen om de toekomstige governance van een regionaal warmtenet beter gezamenlijk te verkennen en dat voor Midden- en West-Brabant te combineren, met de verduurzaming van het bestaande regionale warmtenet als vertrekpunt Daarvoor is (boven)regionale publieke coördinatie en samenwerking nodig. In de komende jaren is daarbij een nauwe betrokkenheid van het ministerie van EZK gewenst. Er kan ook worden uitgewisseld en geleerd met vergelijkbare ontwikkelingen in andere regio’s in Nederland.
Onderwerpen die hierbij de aandacht verdienen: • De rol van de overheden (rijk en provincie) bij uitbreiding of veranderingen in de hoofdinfrastructuur voor warmtetransport, zoals doortrekken leidingen naar meerdere gemeenten of bijvoorbeeld een hoofdtransportleiding die restwarmte van Moerdijk op het (uit te breiden) regionale warmtesysteem aansluit) • Zeggenschap overheden bij eventuele deelname in infrastructuur-investeringen • Voorbereiding kavelbesluit(en) in relatie tot in- en uitbreiding van het regionale warmtenet • Toekomstige governance van regionale warmtesysteem en decentrale warmtenetten • Organiseren van maatschappelijke betrokkenheid bij de verduurzaming • Publieke rol bij het mogelijk maken van nieuwe bronaansluitingen; • Gemeentelijke rol bij het toewerken naar lagere temperaturen in het net
2. Publiek-private samenwerking regionaal warmtesysteem West- en Hart van Brabant; energiemarktpartijen breder en directer bij samenwerking betrekken t.b.v. onderzoeks- en investeringsprogramma Voor de warmtesysteem ontwikkeling, de daarvoor benodigde regionale warmte(transport)-infrastructuur en de duurzame bronnenmix, is het nodig om tot een concrete, realistische strategie en business cases te komen met private en publieke partijen die daaraan een directe bijdrage kunnen leveren. Naast Ennatuurlijk en Enexis betreft dat de volgende private partijen die nu al bij concrete verkenningen en initiatieven betrokken zijn: RWE, Hydreco/ENGIE, Attero, Shell. Voor de publieke inbreng zijn provincie en rijk van belang en enkele vertegenwoordigers van gemeenten. Er wordt zo samenhang gecreëerd en voortgebouwd op verkenningen die al plaatsvinden in verschillende samenstellingen (in RE(K)Sen, in de MKBA, in de RESdeal verkenning, in het Warmtenet MWB-programma, in de lobby H2-hub/aanlanding Wind op Zee). Deze samenwerking richt zich op een gezamenlijke analyse van de warmtesysteemontwikkeling, de concrete investerings- en onderzoeksagenda die daarvoor nodig is en daaraan te verbinden concrete initiatieven en projecten.
• Publieke sturing decentrale in- en uitbreiding van het warmtenet (warmtetransitie en vraagontwikkeling)
Index
Vorige Hoofdstuk
Volgende Hoofdstuk
Bijlagen
Vorige
Volgende
31
Aan deze publiek-private ontwikkeltafel kan, aan de hand van concrete projecten, ook worden samengewerkt aan het doordenken, ontwikkelen en realiseren van decentrale warmte/energiehubs, zoals: 1. Voor glastuinbouwgebied Plukmade (op basis van al bestaande warmtebronprojecten van HoST en Hydreco/ENGIE) 2. Nabij Tilburg – bijv. in combi met al gestarte (op elektriciteit gerichte) energiehub ontwikkeling 3. Nabij Breda (en Oosterhout) – Breda Noord (RWZI, zonthermie, windenergie A16, E-boiler, seizoensopslag)
3. Driehoekoverleg voortzetten
Op de agenda van dit overleg staat onder meer:
4. Stakeholderoverleg
Dit overleg tussen Gemeenten Breda en Tilburg, AWLT3 en Ennatuurlijk is belangrijk gebleken voor het gezamenlijk doordenken, verhelderen van wat de warmtetransitie in de gebouwde omgeving vraagt. Hier kan de basis voor een gebiedsgerichte aanpak worden gelegd.
A. Lobby met andere regio’s richting BZK (en EZK) gericht op noodzakelijke wet- en regelgeving voor een gebiedsgerichte aanpak met deelname van particuliere woningbezitters
In het afgelopen anderhalf jaar is de energietransitie veel concreter op de agenda van gemeenteraden, wijken en bewonersorganisaties gekomen. Zowel onder invloed van de gemeentelijke taken en verantwoordelijkheden, als onder invloed van discussies in de publieke opinie en in de samenleving.
Het is te overwegen om aan dit overleg in 2021 ook de gemeente Oosterhout en netbeheerder Enexis uit te nodigen. Oosterhout staat voor vergelijkbare opgaven en het bestaande gas- en electriciteitsnetwerk speelt in de concretisering van de warmtetransitie in de gebouwde omgeving ook een belangrijke rol
B. Verkennen en voorbereiden kavelbesluit(en) (2021 /22) – om te beginnen in enkele werksessies/ botsproef WCW met het ministerie van EZK/RVO C. Afstemmen/koppelen gemeentelijke omgevingsvisies, transitievisies warmte en bestaande/voor te bereiden projecten
Enkele bewonersorganisaties/lokale energiecoöperaties (Reeshof) hebben aan de wieg van de samenwerking verduurzamen Warmtenet MWB gestaan. De directe betrokkenheid van een bredere groep stakeholders in de gebouwde omgeving verdient een hoge prioriteit, zodat er een proces van gezamenlijk feitenonderzoek, leren van de praktijk en meervoudige onderlinge beïnvloeding in de lokale warmtetransitie op gang kan komen. Het initiatief voor zo’n stakeholderoverleg is ontstaan in het driehoeksoverleg. Communicatie en informatievoorziening over de verduurzaming en ontwikkeling van het regionale warmtenet zijn een belangrijk onderdeel van deze vierde pijler van de samenwerking. Deelnemers aan het stakeholderoverleg, denken aan: gemeenten, AWLT3, Ennatuurlijk, vertegenwoordigers van lokale energiecoöperaties, wijkorganisaties e.d.
32
Onderzoek en ruimtelijke invulling
Kader 4.
Op een aantal grote thema’s zal de komende tijd gericht onderzoek moeten plaatsvinden. Dit vraagt om een gerichte samenwerking tussen publieke en private partijen om energie en middelen te steken in het onderzoeken van deze thema’s:
Het Driehoekoverleg Warmtenet MWB is een samenwerking tussen woningcorporaties (Alwel, WonenBreburg, Laurentius, Tiwos, TBV Wonen en Thuisvester) , gemeenten Tilburg en Breda en warmtebedrijf Ennatuurlijk. Het Driehoeksoverleg heeft als doel om te komen tot een betaalbaar en duurzaam Warmtenet MWB. Het gaat dan onder meer om het vergroten van de transparantie en het maatschappelijk vertrouwen, het komen tot uniforme en betaalbare aansluittarieven en het stapsgewijs verduurzamen van het Warmtenet MWB.
Voor woningcorporaties biedt de subsidie ‘Stimuleringsregeling Aardgasvrije Huurwoningen’ (SAH) voor Startmotorprojecten een verlaging van de BAK, maar een dergelijke regeling is (nog) niet beschikbaar voor particulieren. Gezien de op dit moment onoverbrugbare hoge kosten voor particuliere aansluitingen zullen de woningcorporaties de komende periode afspraken blijven maken over de BAK met Ennatuurlijk op complexniveau (eventueel geclusterd per buurt). Gespikkeld bezit en gemengde VVE’s worden zoveel mogelijk meegenomen.
In de afgelopen periode is vanuit het Driehoeksoverleg onderzocht hoe tot lagere bijdrage aansluitkosten (BAK) gekomen kan worden. De insteek was dat met een gesocialiseerde uniforme BAK meer woningen binnen bereik zouden komen voor het warmtenet.
Het driehoeksoverleg gaat daarnaast bekijken wat de mogelijkheden zijn om de BAK omlaag te krijgen. Dit doet zij samen met andere Startmotor regio’s waar uitbreiding van bestaande netten hoog op de agenda staat. Ook zoeken zij hierbij het gesprek met het Rijk (BZK en EZK) om te bekijken hoe tot een oplossing voor woonlastenneutraliteit kan worden gekomen.
• Mogelijkheden voor een breed portfolio aan geothermiebronnen rondom Amernet • Mogelijkheden voor grootschalige seizoensopslag in de regio • Ruimte voor energieprojecten/warmtehubs in de regio • Inzicht in ideale mix (MKBA): Een integrale kwantitatieve studie met effect van basiskeuzes op alle aspecten door professioneel uitgewerkt. • Isolatie- en inregelagenda: hoe de komende 10 jaar versnelling krijgen in het isoleren en beter inregelen van woningen en gebouwen. Dat goed in verbinding brengen met wat al is. Woningen die al aangesloten moet planmatig aangepakt worden. Dat ook goed onderling afstemmen en hiervoor eventueel een aparte samenwerking opzetten.
Index
Vorige Hoofdstuk
Volgende Hoofdstuk
Bijlagen
Driehoeksoverleg
Naast een onafhankelijke validatie van het business model, is ook een doorrekening van meerdere scenario’s van de BAK gedaan. Uitkomst is dat het voor particuliere woningeigenaren momenteel niet mogelijk lijkt om woonlastenneutraal – een belangrijk uitgangspunt van het Klimaatakkoord - op een warmtenet over te stappen. Dit werpt een grote drempel op voor de verdere uitbreiding van het Amerwarmtenet.
Vorige
Volgende
33
Onderzoek en ruimtelijke invulling
Transitieplan en RES 1.0 en 2.0
Doelstellingen
Op een aantal grote thema’s zal de komende tijd gericht onderzoek moeten plaatsvinden. Dit vraagt om een gerichte samenwerking tussen publieke en private partijen om energie en middelen te steken in het onderzoeken van deze thema’s:
Het belang voor duidelijkheid over de (toekomstige) bijdrage van een groter regionaal warmtenetwerk door de warmtetransportverbinding vanuit Moerdijk wordt scherp. Het onderzoeksprogramma dat meer duidelijkheid moet geven over deze keuze zal geïntensiveerd en verbreed moeten plaatsvinden. Varianten waarbij er uitwisseling plaatsvindt met warmte-infrastructuur moeten worden afgewogen tegen varianten waarin uitwisseling plaatsvindt met andere infrastructuur zoals elektriciteit en waterstof.
Op projectniveau is er een afhankelijkheid van het warmtesysteem. Projecten zouden niet langer enkel op basis van een individuele businesscase moeten worden beoordeeld, maar ook op basis van de meerwaarde voor het systeem. Ook als het gaat om bijvoorbeeld stikstof of ruimtelijke inpassing moet dit vanuit een breder perspectief worden afgewogen. Hiervoor is een bredere afstemming nodig tussen betrokken partijen. Hetzelfde geldt voor afwegingen over gebruik van bijvoorbeeld de ondergrond waar de belangen van de drinkwatervoorziening moeten worden afgewogen tegen (het beperken van) de risico’s van seizoenswarmteopslag. Het is wenselijk dit in werkgroepen te organiseren waarbij belangen, kennis en uitvoeringskracht (o.a. financiering) bij elkaar worden gebracht.
1. Mogelijkheden voor een breed portfolio aan geothermiebronnen voor het Warmtenet Midden-en West-Brabant 2. Mogelijkheden voor grootschalige (ondergrondse) seizoensopslag van warmte in de regio 3. Ruimte voor energie/warmtehubs in de regio (t.b.v. balans in het warmtenet) 4. Inzicht in ideale mix (MKBA): Een integrale kwantitatieve studie met effect van basiskeuzes op alle aspecten door professioneel uitgewerkt. 5. Isolatie- en inregelagenda: hoe de komende 10 jaar versnelling krijgen in het isoleren en beter inregelen van woningen en gebouwen. Dat goed in verbinding brengen met wat al is. Woningen die al aangesloten moet planmatig aangepakt worden. Dat ook goed onderling afstemmen en hiervoor eventueel een aparte samenwerking opzetten.
De beslissingen die hieruit volgen hebben vervolgens weer impact op de manier waarop warmte effectief georganiseerd kan worden in de Amer regio, en zullen vervolgens weer input-gevend zijn aan dit iteratief transitieplan. Tegelijkertijd is duidelijk dat het van groot belang is om de belangen van verschillende partijen in de regio goed te kunnen wegen. Gebieden in de regio West-Brabant zullen altijd energieleverend zijn aan gebieden in de regio Hart van Brabant op het gebied van warmte, ook in het toekomstbeeld voor het nu bestaande regionale Warmtenet MWB (het Amernet) komt deze balans naar voren. Het is vanwege de sterke afhankelijkheden tussen beide regio’s op het warmtedossier sterk aan te bevelen voor het warmtedeel van beide RES’en een gezamenlijke aanpak/verkenning te organiseren om de verschillende belangen goed te kunnen wegen.
34
Colofon Foto 8: Aardwarmte, bron: Ennatuurlijk
Dit transitieplan is tot stand gekomen in acht werksessies in de periode juli 2020 – februari 2021, die door de programmaregie zijn gefaciliteerd. Daaraan is meegedaan door vertegenwoordigers van alle organisaties die in het programma Verduurzamen Warmtenet Midden- en West-Brabant sinds 2018 samenwerken. Dankzij de uitwisseling van hun kennis en vragen kon dit document worden opgesteld. Het is een levend document dat in de komende tijd regelmatig zal worden geactualiseerd, mede aan de hand van besprekingen en werksessies in bredere kring in en tussen de samenwerkende organisaties. Dank aan allen die een bijdrage hebben geleverd, en een oproep om dat kritisch te blijven doen.
Redactie: Meike Kool, Doora Millenaar, Job van den Berg (Royal HaskoningDHV), Marnix Vink (Ennatuurlijk) Ontwerp: Studio Lammert Jonkman Beeld: Ennatuurlijk agro-chemie.nl Job van den Berg
Index
Vorige Hoofdstuk
Volgende Hoofdstuk
Bijlagen
Vorige
Volgende
35
1.
Toelichting aanbevelingen RE(K)S’en
2.
Toelichting op het toekomstig 4e generatie warmtesysteem
3.
Uitwerking van idee van een decentrale energiehubs en een centrale energiehub
4.
Projectenmonitor en doelbereik 2020
5.
Nadere onderbouwing van vraagontwikkeling en aanbodontwikkeling
6.
Drie scenario’s uitgewerkt
7.
Toelichting proces van het transitieplan
Index
Vorige Hoofdstuk
Laatste Pagina
Foto 9: Tilburg, bron: Ennatuurlijk
Bijlagen
Vorige
Volgende
36
Bijlage 1. Toelichting aanbevelingen RE(K)S’en Regionale Energie Strategie West-Brabant In deze bijlage vindt u een samenvatting de hoofdstukken binnen zowel de RES als de REKS over de warmte. Er is gekeken naar de hoofdlijnen, de aanbevelingen, en de meest relevante uitspraken en implicaties voor het transitieplan. Voor meer informatie, raadpleeg de documenten ‘Regionale Energie Strategie West-Brabant 1.0’ en ‘Regionale Klimaat en Energie Strategie Hart van Brabant’. Strategie Strategie warmte is gebaseerd op vier pijlers die nauw samenhangen met de MKBA (SEO, 2020): • We zetten in op een forse 15% warmtebesparing. Besparen is vaak kosteneffectief, en ook nodig omdat er (nog) weinig betaalbare en duurzame warmtebronnen zijn. • We verkennen de uitbreiding van het regionale warmtenet naar stedelijke en/of andere gebieden met een hoge warmtedichtheid en -vraag. Een warmtenet is hier een oplossing met relatief beperkte maatschappelijke kosten. Een belangrijke voorwaarde is dat er zicht is op voldoende grote warmtebronnen voor de lange termijn. • We zetten in op individuele warmtesystemen in gebieden met een lage dichtheid van de warmtevraag en gebieden met onvoldoende ruimte in de grond voor leidingen van warmtenetten.
Vorige Hoofdstuk
• Het gebruik van groen gas heeft de laagste maatschappelijke kosten. Groen gas is echter beperkt beschikbaar (slechts 10 - 20% van de woningen zal er gebruik van kunnen maken, afhankelijk van de mate van energiebesparing, het gebruik van hybride ketels en zonthermie). Daarom moeten we groen gas slim toepassen. All-electric is een (duurder) alternatief. • Lokale bronnen en netten leiden tot relatief hogere maatschappelijke kosten (SEO, 2020). We gaan daarom eerst experimenten uitvoeren en kennisnemen van lokale en landelijke ervaringen, om beter zicht te krijgen op de juiste voorwaarden voor de inzet van deze bronnen. Warmtebronnen Grootschalige verwerking van buitenlandse biomassa, warmte uit restafval en aardgas zien we als transitieoplossingen. We benutten de hernieuwbare warmtebronnen (o.a. warmte uit water, bodem en lucht) in onze regio zo goed mogelijk. We beogen in 2030 1 miljoen ton regionale biomassa in te zetten voor grondstoffen, warmte of elektriciteit. We maken een regionale bronnenstrategie om vraag en aanbod optimaal op elkaar af te stemmen. Regionale bronnenstrategie We zetten primair in op het besparen van energie, op grote bronnen voor regionale warmtenetten, op warmte uit groen gas (in combinatie met zonthermie) op specifieke plekken, en secundair op lokale bronnen
en all-electric. Een eerste technische inschatting voor de verdere verduurzaming van onze bronnen in de tijd, gebaseerd op de kennis van nu, is als volgt: • Op korte termijn kunnen zonthermie en lucht- en bodemwarmte duurzame warmte leveren. Lucht- en bodemwarmte, als in all-electric oplossingen met een warmtepomp, zijn er technisch wel, maar vergen kostbare ingrepen aan gebouwen. • Over een jaar of vijf, vanaf 2025, zullen aquathermie, lokale biomassa en restwarmte naar verwachting breder worden toegepast. De hoogte van de ontwikkelkosten en de onzekere wettelijke regels voor warmtenetten zijn belangrijke aandachtspunten. Aquathermie moet voor bestaande bouw nog kosten-efficiënter worden, het aanbod van lokale biomassa groter. • Op lange termijn, vanaf ongeveer 2030, zijn geothermie, waterstof en synthetische gassen naar verwachting klaar voor grootschaliger gebruik. Voor geothermie hangt dat eerst nog af van de technische potentie van de ondergrond van West-Brabant. De mogelijkheden van het gebruik van waterstof voor de verwarming van de gebouwde omgeving zijn nog onzeker en hangen samen met de industriële behoefte. Lokale netten en bronnen Lokale netten en vooral bronnen zijn relatief kostbare warmte-oplossingen (MKBA, 2020). Het is daarom belangrijk om ons te richten op bronnen en plekken met
een gunstige kosten-baten verhouding en op kostenefficiënte koppelingen tussen lokale en regionale netten. Acties Voor de komende tijd gelden de volgende activiteiten en stappen: Ontwikkelen van een (plan en) besluit voor de uitbreiding van het regionaal warmtenet Starten met het voorbereiden van en uitvoeren van een haalbaarheidsstudie, als eerste stap naar een besluit, uiterlijk in 2023, over de beste manier om het regionale net uit te breiden. • Businesscase opstellen voor oostelijke (Moerdijk > Amer/Breda) en westelijke netuitbreiding(en) (rond Roosendaal en/of vanuit Moerdijk) • Dit in afstemming en/of samenwerking met REKS en met programma Verduurzaming Amernet, en met betrokkenheid van EZK en provincie. • Onderzoeken samen met EZK en Enpuls hoe de regionale warmte-infrastructuur kan worden gezien als ‘transportnet’. • Werk voorbereiden in een Plan van Aanpak, dat zicht geeft op: o Oplossingen voor ‘showstoppers’ o Globale time-line voor uitbreidingen en o onderbouwing van urgentie o Bijdragen van stakeholders en/of RVO.
37
Bijlage 1. Toelichting aanbevelingen RE(K)S’en Aanpassen van de governance op regionale warmtenet We gaan de samenwerking voor het regionaal warmtenet tussen de beide RES-regio’s, de relevante gemeenten en andere overheden, en het samenwerkings¬programma Verduurzaming Amerregio herzien. Dit mondt uit in een advies voor de aanpassing van de organisatie en governance van de samenwerking vanaf medio 2021, dat ook zicht moet geven op de rol en betrokkenheid van private stakeholders, en de strategische en operationele sturing van de RES Deal / projectgroep. De samenwerking rond het regionale warmtenet verloopt nu via verschillende (ambtelijke en bestuurlijke) platforms: via het samenwerkingsprogramma Verduurzaming Amer, via de beide RES’en, via een Stuurgroep Amerterrein,via de RES Deal Warmte,tussen gemeenten. De voorgenomen besluiten in de RES’en en de voorstellen voor de Regionale Structuur Warmte noodzaken tot betere en nauwere afstemming van de verschillende samenwerkingen, zowel om inhoudelijke als om praktische redenen (efficiënte plan- en besluitvorming). De stroomlijning en actualisatie van de governance vergt nauw overleg met de diverse betrokkenen. Een tijdelijke, bestuurlijke werkgroep (lean and mean) zal fungeren als opdrachtgever. Het streven is de aangepaste governance voor juli 2021 te implementeren.
Index
Regionale Energie en Klimaat Strategie (REKS) Hart van Brabant REKS: In het kader van de REKS Hart van Brabant is de Regionale Structuur Warmte (RSW) uitgewerkt. Hierin worden de warmtevraag, warmteaanbod en warmtebronnen gecombineerd.Binnen de RSW worden op basis van de het aanbod en de beschikbaarheid van bronnen twee denkrichtingen gegeven. Denkrichting 1: regionale + lokale oplossingen Er wordt 20% bespaard ten opzichtige van de huidige vraag; • Regionaal vervoerbaar ‘Amer’ aanbod (HT-Amer, MT-Restwarmte en HT-biomassa) wordt gekoppeld in een uitbreiding van een regionaal (Amer)- warmtenet waar nuttig en mogelijk; • HT-biomassa van alle gemeenten wordt gebruikt om het regionale net te voeden; • Lokaal vervoerbare bronnen (TEO, TEA, LT-restwarmte en LTA) worden lokaal ingezet en zoveel mogelijk benut; • Biogas wordt ingezet in gemeenten met een tekort aan bronnen
Uitwerking denkrichting 1 Er zijn vier gemeenten die in aanmerking komen voor aansluiting op het regionale Amernet: Tilburg, Dongen, Waalwijk en Heusden. Hiervan lijkt de koppeling van Tilburg en Dongen logisch, en de Waalwijk en Heusden is mogelijk maar niet nodig, en ligt ook minder voor de hand gezien de te overbruggen afstand. De overige zes gemeenten passen alleen lokaal inzetbare bronnen toe: TEO, TEA, LT-restwarmte en LTA. Tekorten bij gemeenten worden opgevangen door biogas. Denkrichting 2: alleen lokale oplossingen • Er wordt 20% bespaard ten opzichtige van de huidige vraag; • Biogas en HT-biomassa worden vervoerd met huidige infrastructuur, en ingezet in gemeenten met een tekort aan bronnen • Geen extra regionale warmte-infrastructuur aangelegd • Alle andere bronnen worden maximaal en lokaal ingezet. Hiervoor kan wel een lokaal warmtenet nodig zijn
Uitwerking denkrichting 2 Iedere gemeente zet in op het toepassen van alle beschikbare bronnen, behalve biogas en biomassa. De laatste twee worden gebruikt als uitwisselbaar aanbod, die gebruikt zullen worden om de tekorten bij gemeenten aan te vullen. Als de HT-Amer (de centrale) wegvalt, ontstaat er een tekort aan HT-warmte in Tilburg. Dan zal een fors deel van het uitwisselbaar aanbod nodig zin om de bestaande Amernet-aansluitingen te voeden. Ook is het overschot van warmte in deze denkrichting kleiner, dus als het collectief aanbod minder is, zullen all-electric oplossingen nodig zijn. Belangrijk onderdeel van de West-Brabantse Regionale Structuur Warmte is de inzet op uitbreiding van de regionale warmte-infrastructuur. Dit vergt nauwe samenwerking tussen bedrijven die warmte kunnen leveren (denk aan bedrijven als Shell en Attero op het haven- en industrieterrein bij Moerdijk), aan netbeheerders als Ennatuurlijk en Enexis voor het transport en de distributie van warmte, aan woningcorporaties Alwel en Thuisvester als mogelijke grote afnemers van warmte, en aan de lokale overheden vanwege de Transitievisies Warmte (TVW) en vergunningen.
Vorige
Volgende
38
Bijlage 1. Toelichting aanbevelingen RE(K)S’en Overwegingen • Regio moet als één gemeente handelen om optimale verdeling van bronnen te krijgen • Vooralsnog kan het beste worden uitgegaan van het handhaven van het volume aan warmte-aanbod uit de Amercentrale • Mix van denkrichtingen is denkbaar (Dongen heeft veel warmte over en Tilburg kan het gebruiken, maar Waalwijk en Heusden kunnen zichzelf voorzien en liggen relatief ver van het bestaande net • Voor de overige gemeenten wordt denkrichting 2 overwogen: met eigen aanbod de warmtevraag invullen, waarbij biogas en biomassa worden uitgewisseld om lokale tekorten op te lossen • Binnen de gemeenten zal dit wel lokale warmtenetten opleveren (voor TEO, TEA, LT-restwarmte en LTA), maar die worden niet regionaal gekoppeld.
Acties • In samenwerking met de RES West-Brabant werken aan een MKBA voor de verschillende regionale warmteoplossingen • Uitwerken TVW in samenhang met RSW en andere stedelijke vernieuwingsopgaven • Energiebesparing uitwerken in samenhang met regionale ambitie. Hoe lager de temperatuurniveau ’s, hoe makkelijker duurzame bronnen kunnen worden gekoppeld. • Verfijnen van ontwikkelen van de warmtevraag: energiebesparing en demografische ontwikkeling • Uitwerken van de rol van energieopslag (bijvoorbeeld batterijen en waterstof), en bepalen van het effect op infrastructuur (zowel bestaand als nieuw) en het ruimtebeslag van de nieuwe oplossingen. • Verkennen hoe we omgaan met afhankelijkheid van één bron, leveringszekerheid, -garantie, back-up, etc. • Verkennen van de plaats van geothermie in de RSW en TVW
Efficiënt netwerk en hubs In de periode 2020-2030 wordt gebouwd aan het versterken van het elektriciteitsnetwerk, door het clusteren van wind – en zonne-energie in hubs. Ze koppelen en combineren opslag, overslag en distributie van energie (zowel warmte als elektriciteit uit zon en wind). De hubs worden hieronder weergegeven: in het noorden in de gemeenten Waalwijk en Heusden, rond de infrastructurele ring Van Tilburg en in het zuiden: boven nieuw te ontwikkelen bos.
Vorige Hoofdstuk
39
Bijlage 2. Toelichting op het toekomstig 4e generatie warmtesysteem In deze bijlage vindt u nadere uitleg over het toekomstige 4e generatie warmtesysteem. Hier wordt ingegaan op de keuzes voor warmtehubs, de verhouding tussen lokaal en centraal, hernieuwbare bronnen, het verenigen van vraag en aanbod, en wat dit betekent voor de afnemers. Het toekomstige warmtesysteem in deze regio Het toekomstig collectief warmtesysteem in de regio’s West-Brabant en Hart van Brabant is veelal langs de lijnen van een vierde generatie warmtesysteem uit te tekenen. Met kenmerken als decentrale warmtehubs, diversiteit aan bronnen, lagere temperatuur, slimme sturing op vraag en aanbod en zuinig en efficiënt omgaan met warmte. Het is daarbij mogelijk dat het systeem dezelfde (gebieds)omvang kent als het huidige net, maar het is ook voorstelbaar dat het systeem onderdeel gaat zijn van een groter regionaal systeem dat tot ver buiten de huidige Amerregio reikt. Los van de omvang van het toekomstige warmtesysteem is ook duidelijk dat er ruimte moet worden gevonden in de regio om invulling te geven aan nieuwe bronnen en nieuwe warmte-infrastructuur die onderdeel gaan uitmaken van het toekomstig systeem.
Wat aandacht verdient is dat de afnemers van de warmte zich met name concentreren binnen de gebouwde omgeving, terwijl er naar alle waarschijnlijkheid weinig ruimte zal worden gevonden om hier met duurzame energieprojecten aan de slag te gaan. De ruimte voor nieuwe
Index
warmtebronnen zal in het buitengebied/aan de randen van de gebouwde omgeving gevonden moeten worden, en dat betekent dat er altijd een energiestroom zal zijn van het buitengebied naar de gebouwde omgeving. Er is in de regio al veel ruimtedruk van verschillende (concurrerende) gebruiksfuncties. Ook de energietransitie vraagt om ruimte. Dit vraagt om goede en tijdige afwegingen om te bepalen waar de ruimte het beste gevonden kan worden voor de toekomstige energievoorziening. Het is daarbij verstandig om te kijken of verschillende oplossingen zoveel mogelijk kunnen worden geclusterd in energie- of warmtehubs. Warmtehubs In het duurzame warmtesysteem zullen warmtebronnen zich concentreren in zogenoemde warmtehubs. Het clusteren van verschillende warmtebronnen kent een aantal belangrijke voordelen: • Optimale benutting van kapitaalintensieve warmte-infrastructuur om de warmtebronnen te verbinden met de gebouwde omgeving/afnemers • Balancering tussen verschillende bronnen en verschillende infrastructuren (elektriciteit en warmte) op eenzelfde locatie is eenvoudiger te organiseren • Minder complexe opgave/ minder ruimtebeslag voor de energietransitie door het clusteren van bronnen (en seizoensopslag)
Het toekomstige regionaal net zal bestaan uit een centrale warmtehub en een aantal decentrale warmtehubs nabij afnemers. De centrale warmtehub heeft een belangrijke rol in het warmtesysteem doordat op deze locatie op grotere schaal hernieuwbare warmtebronnen kunnen worden ontwikkeld. Hierbij kan gedacht worden aan de Amersite en het industriepark Moerdijk als centrale warmtehub van het systeem. Naast de schaalvoordelen die ontwikkelingen op deze locatie met zich meebrengt kenmerken deze locaties zich tevens als een hub waar reeds verschillende infrastructuren van energie (grootschalig) bijeenkomen. Dit creëert kansen om deze infrastructuren samen te brengen in een ‘smart energy system’. Tegelijkertijd is de ontwikkeling van een aantal decentrale warmtehubs van groot belang voor de regio. Het is niet voorstelbaar dat alle toekomstige warmtebronnen die nodig zijn in het toekomstig systeem kunnen worden ontwikkeld op een enkele locatie. Het is beter voor de balans in het systeem als deze vanuit verschillende locaties wordt gevoed, en doordat de afstand tussen bron en afnemer kleiner is kunnen deze bronnen met minder warmteverliezen bijdragen aan de warmtebehoefte. Ook draagt het bij aan de robuustheid en leveringszekerheid van het systeem door een deel van de warmte decentraal te organiseren.
Voorbeelden van een decentrale warmtehub en een centrale warmtehub zijn verder uitgewerkt in bijlage 3. Verhouding centraal/decentraal Momenteel wordt zo’n 90% van de warmtevoorziening georganiseerd vanuit de centrale locatie (Amersite). Over tijd zal er meer nadruk komen te liggen op decentrale energieproductie. De exacte verhouding tussen centrale en decentrale ontwikkelingen zal blijken uit de mogelijkheden die er zijn om de warmte op deze locaties effectief te organiseren en vanuit daar te transporteren. Het Warmtenet MWB zal ook op de lange termijn baat hebben bij een structuur waarin er vanuit een centrale locatie invulling gegeven wordt aan een relatief groot deel van de warmtebehoefte. Redenen hiervoor zijn onder meer de mogelijkheden om verschillende energie-infrastructuren bijeen te brengen op grote schaal, en de mogelijkheden om vanuit een centrale as effectief flexibiliteit te organiseren dat overal in het netwerk gebruikt kan worden. Tegelijkertijd vraagt een toekomstige warmte-infrastructuur om een spreiding over verschillende locaties. Ook hiervoor zijn belangrijke redenen aan te voeren. Niet alle warmtetechnieken kunnen overal gerealiseerd worden. Ten behoeve van balans in het energiesysteem is het goed om energiebronnen enigszins te spreiden. Energieproductie dicht bij de afnemers kent minder (transport)verliezen.
Vorige
Volgende
40
Bijlage 2. Toelichting op het toekomstig 4e generatie warmtesysteem Het is niet gezegd dat alle toekomstige warmtevraag ook centraal georganiseerd kan worden, en of het effectief is om zeer zware regionale warmte-infrastructuur aan te leggen om alles maar vanuit een centrale locatie te kunnen blijven voorzien. We gaan er op het moment vanuit dat de rol van centrale energiehubs ergens in de bandbreedte van 30 – 60 % van de totale warmtebehoefte zal voorzien in het eindbeeld. Hernieuwbare bronnen Hernieuwbare bronnen die onderdeel kunnen uitmaken van het toekomstig warmtesysteem en die het grootste deel van de warmtevoorziening kunnen gaan verzorgen zijn onder meer restwarmte, geothermie, zonthermie en aquathermie. Deze bronnen kenmerken zich als niet-regelbare bronnen, waarvan de beschikbaarheid niet te sturen is naar de behoefte. Regelbare hernieuwbare bronnen, die onderdeel uit kunnen maken van het systeem, zijn onder meer biomassa, biogas, bio-olie, en e-boilers. Deze bronnen zullen minder belangrijk zijn in de totale bronnenmix, maar zullen een bijdrage leveren in het toekomstig systeem waarin flexibiliteit van inzet van bronnen ook een belangrijk onderdeel is van de puzzel. Met name restwarmte uit de industrie en geothermie komen naar voren als belangrijkste potentiële bronnen
Vorige Hoofdstuk
voor de de regio Midden- en West-Brabant. Beide bronnen maken dan ook onderdeel uit van het toekomstbeeld van het Warmtenet MWB. Restwarmte is daarbij geclusterd rond een aantal industriegebieden zoals Moerdijk en Vossenberg. De potentie van geothermie kan over de regio sterk verschillen (afhankelijk van de geschiktheid van de ondergrond) maar is niet zeer plaatsgebonden. Vraag en aanbod De warmtebehoefte is niet evenredig verdeeld over de dag en over het jaar. Er is een concentratie van vraag naar warmte in de wintermaanden en op piekmomenten gedurende een dag. Het toekomstig warmtesysteem kent slimme sturing en communicatie met afnemers om door middel van vraagsturing meer balans aan te kunnen brengen tussen de warmtebehoefte en de bronnen die hier invulling aan geven (en die veelal continu draaien). Zonder dergelijke interventies zou het vraagprofiel er in het jaar uit kunnen zien als in de grafiek weergeven, waarbij er naast bronnen die basislast leveren (blauw) ook nog veel behoefte is aan regelbare bronnen die de middenlast (oranje) en pieklast (geel) kunnen voorzien. In het toekomstige warmtesysteem zullen deze regelbare bronnen een duidelijk kleinere rol hebben dan zoals dat in het huidige systeem het geval is. Slimme (vraag)sturing is een oplossing die daarin gaat bijdragen, maar dat zal maar een klein deel van de oplossing zijn.
Figuur 4. Vraagprofiel gedurende een jaar, opgedeeld in basislast (blauw), middenlast (oranje) en pieklast (geel)
41
Bijlage 2. Toelichting op het toekomstig 4e generatie warmtesysteem De grootste bijdrage aan het balanceren van vraag en aanbod is het mogelijk maken dat warmte met grote hoeveelheden kan worden opgeslagen. Dat zullen buffertanks kunnen zijn die voldoende kunnen opslaan om de fluctuaties gedurende de dag op te vangen, en vooral seizoensopslag in grote opslagsystemen zoals HTO (hoge temperatuur opslag in daarvoor geschikte lagen in de ondergrond) en pitstorage (seizoensopslag bovengronds) nodig om de grote fluctuatie in het jaar op te vangen. Er zullen op verschillende locaties bij het warmtesysteem opslagsystemen moeten worden ontwikkeld, voldoende om de inzet van regelbare (hernieuwbare) bronnen tot een minimum te beperken. Investeringen in deze systemen zorgen voor efficiënter gebruik van beschikbare duurzame warmtebronnen, de infrastructuur om deze warmte te transporteren, en kunnen investeringen vermijden in het beschikbaar krijgen en houden van regelbaar vermogen.
Goed omgaan met energie - sleutelpositie voor afnemers Het organiseren van hernieuwbare energie zal van alle betrokkenen inspanning en middelen kosten. Het is van groot belang dat in het toekomstig warmtesysteem zo goed mogelijk wordt omgegaan met de energie die wordt georganiseerd. Dit vraagt om aanpassingen over de gehele keten van warmtelevering die de efficiëntie van het systeem ten goede komen. De sleutel tot succes ligt daarvoor bij afnemers. Het begint er mee dat woningen, gebouwen en zakelijke afnemers op een spaarzame manier om kunnen gaan met de energie die zij ontvangen.
Dit kan ook betekenen dat voor delen van het systeem de rol van afnemers verandert. Zo kunnen bepaalde afnemers, zoals grootverbruikers, flexibiliteit bieden en kan dit de efficiëntie van het collectief systeem ten goede komen. Daarnaast is er mogelijk de rol van gebruikers die gezamenlijk een lokaal initiatief willen ontwikkelen voor duurzame warmteproductie of warmteopslag, waardoor gebruikers ook de rol van aanbieder van warmte op zich zullen kunnen nemen.
Afnemers die aangesloten zijn op het collectieve warmtesysteem zullen daarnaast om moeten kunnen gaan met de lage temperaturen die het systeem in de toekomst levert. Gebouwen en andere afnemers die zijn aangesloten op het systeem hebben in dit toekomstbeeld dus de nodige aanpassingen gedaan om zuiniger om te gaan met energie/warmte en met lage temperatuurlevering. Dit laat ook zien dat verbruikers van warmte een actievere rol uitmaken van het warmtesysteem dan nu het geval is. In de gehele keten van opwekken van warmte tot aan het feitelijk gebruik bij de afnemer zullen slimme verbeteringen moeten worden doorgevoerd om de efficiëntie van het systeem te vergroten.
Index
Vorige
Volgende
42
Bijlage 3. Uitwerking van idee van decentrale energiehubs en een centrale energiehub. In deze bijlage vindt u een uitwerking van de combinatie van een centrale energiehub met decentrale energiehubs. Daarbij wordt per energiebron een korte weergave gegeven van de potentiële warmte en de mogelijkheden om de bron te organiseren. Hiernaast een weergave van hoe de combinatie van een centrale energiehub (Amer site en/of Moerdijk) met decentrale energiehubs bij de grotere plaatsen eruit kan zien. Hier zijn ook alvast wat vermogens aan toegevoegd. Daarmee zouden we naar schatting op zo’n 480MW potentiele basislast en 760MW potentieel regelbaar vermogen komen. Een mogelijke invulling van decentrale energiehubs is hieronder kort uitgewerkt en vervolgens ook een mogelijke invulling van een centrale hub.
Figuur 5. (herhaling van figuur 2.) Voorbeeld van een doorontwikkeld Amerwarmtenet met een balans tussen decentrale warmtehubs en centrale (back up) warmtebronnen. De decentrale warmtehubs bestaan uit een combinatie van decentrale duurzame bronnen en seizoensbuffering)
Vorige Hoofdstuk
43
Bijlage 3. Uitwerking van idee van decentrale energiehubs en een centrale energiehub. Decentrale energiehubs nabij de woonkernen (uitgelicht) Het combineren van verschillende productietechnieken vanuit dezelfde locatie brengt grote voordelen met zich mee die zich moeten vertalen in een stabiele en betaalbare levering van duurzame energie voor de regio. De bronnen die hier gerealiseerd kunnen worden verschillen in hun karakteristieken en kunnen daardoor in combinatie een betere garantie bieden voor betaalbare levering van warmte, dan iedere techniek op zichzelf zou kunnen. Daarnaast zijn er veel kostbesparingen te realiseren doordat energie-infrastructuur (opslag en transport van warmte/elektriciteitstransport) optimaler wordt benut. De hub moet voorzien in een energie-infrastructuur die mogelijk maakt dat tegelijkertijd:
2050 zal voor het Warmtenet MWB gedacht moeten worden in de richting van 2 (grote) – 5 (kleine) hubs tot 5 (grote) – 15 (kleine) hubs. De totale potentie van hieronder genoemde hubs valt in de categorie grote decentrale energiehubs. Voorbeeld uitwerking Hub Breda Noord Samenvatting: 1. Zon thermische velden 3 – 10 MW 2. Restwarmte RWZI 2 – 6 MW 3. Geothermie 10 – 30 MW 4. E-boiler 5 MW 5. Warmtepompen voor opwaardering gevoed door windmolens en zon-pv 6. Grootschalige opslag hoge temperatuur warmte
• Energieprojecten minder impact hebben op de (bewoonde) omgeving • Energie infrastructuur zo dicht mogelijk bij afnemers (efficiënt mogelijk) georganiseerd kan worden Hieronder zullen twee voorbeelden van mogelijke energiehubs worden uitgewerkt waaraan gedacht kan worden. Bij de ontwikkeling van deze hubs moet gedacht worden aan een ordegrootte van ca. 15 – 50 MW vermogen per hub (eventueel aangevuld met regelbaar vermogen). Afhankelijk van de rol van deze decentrale hubs in de toekomstige energievoorziening richting
Index
Afbeelding x. Zoekgebied Breda Noord
Op en rond de locatie van RWZI Nieuwveer, ten noorden van Breda, is een unieke mogelijkheid om een energie hub te creëren waar productie van warmte en elektriciteit plaatsvindt, en waar mogelijkheden zijn om deze modaliteiten van energie samen te brengen. Zonthermie 3 – 10 MW Mogelijkheden voor een zonthermisch veld zijn in detail onderzocht. Daarin zijn verschillende varianten onderzocht tussen de 1MW en 20MW piekvermogen. Vanwege het ongunstige productieprofiel van zonthermie is bij deze varianten naar kleinschaliger velden gekeken die passen in de zomervraag van nabijgelegen wijken. Op lange termijn is deze oplossing echter van veel meer waarde als het gecombineerd kan worden met andere warmtetechnieken en opslagmogelijkheden. Over het gehele jaar staat een piekvermogen van 20MW, ongeveer gelijk aan 3,5MW gemiddeld jaarvermogen. Voor een veld van dergelijke omvang is 10ha. Toereikend. De locatie rondom de RWZI is in zicht om grootschalige zon pv velden te organiseren. Deze locatie biedt meer kansen om grootschalig zonthermisch velden te ontwikkelen. Op deze locatie zou kunnen worden toegewerkt naar een totaal vermogen van 60MW piek, 10MW gemiddeld jaarvermogen. Hiervoor is ca. 30ha. nodig. Dit zou daarnaast nog voldoende ruimte laten voor ontwikkeling van zon pv velden op locatie.
Restwarmte RWZI Nieuwveer 2 – 6 MW Op dit moment levert RWZI biogas uit productieprocessen die voldoende is voor ca. 1,5 MW warmteproductie door middel van warmtekrachtkoppelingen (wkk’s). Op dit moment is dit georganiseerd middels een gasleiding die van de RWZI naar een locatie in Breda voert, waar de wkk’s zijn opgesteld die leveren aan het warmtenet. In de situatie dat een warmteleiding wordt aangelegd naar de RWZI kan worden onderzocht hoe de inzet van biogas ten behoeve van de warmtelevering verder kan worden geoptimaliseerd. Dat begint bij exclusieve warmteproductie, waarmee het vermogen uit de huidige gasstromen al kan worden verdubbeld. Ook zouden mogelijkheden moeten worden onderzocht hoe de biogas mogelijk (tijdelijk) ter plaatse kan worden opgeslagen, zodat deze warmtebron een meer flexibele inzet kent. Dit zou de combinatie met andere bronnen op locatie sterker maken. Ook zijn er verschillende reststromen beschikbaar waarvan moet worden onderzocht hoe deze kunnen worden ontsloten ten behoeve van de warmtelevering. Geothermie 10 – 30 MW Van de ondergrond in de regio is nog te weinig bekend om duidelijke uitspraken te doen over de mogelijkheden. Op dit moment zijn vergaande plannen om geothermie boringen te doen in zowel Plukmade als in Terheijden.
Informatie van deze locaties zal zeer waardevol zijn voor de beoordeling van de mogelijkheden op de locatie rondom de RWZI.
Vorige
Volgende
44
Bijlage 3. Uitwerking van idee van decentrale energiehubs en een centrale energiehub. In het geval dat een succesvolle boring gedaan kan worden zal een eerste put rond de 10-15 MW kunnen produceren. Als de locatie dit toelaat is opschalen naar een tweede put dan een mooie stap om op efficiënte wijze meer vermogen uit deze locatie te kunnen onttrekken. We gaan dan ook uit van een (basis) potentie van 10-30 MW. E-boiler 5 MW Een E-boiler kan heel snel schakelen en is daarom op verschillende manieren interessant om op deze locatie te voorzien. Allereerst kan het in gevallen van nood een piek/back-up voorziening zijn die bijspringt als andere bronnen te weinig leveren. Daarnaast is het een mooi instrument om als balancering te gebruiken voor het (decentrale) elektriciteitsnet. Daarbij kan als er vanuit het landelijk net wordt onttrokken efficiënt gebruik worden gemaakt van de aansluiting waarop de windmolens en zon pv velden worden gerealiseerd. Daarnaast is het ook mogelijk om een overschot aan lokale productie van zon en wind efficiënt om te zetten in warmte. Warmtepompen Verscheidene warmtetechnieken zullen zorgen voor een aanvoertemperatuur die (nog) te laag is om in te voeden op het Warmtenet MWB. De warmte uit deze bronnen zal eerst moeten worden opgehoogd middels warmtepompen.
Doordat de combinatie op locatie te maken is met duurzame elektriciteitsproductie zijn deze warmtepompen que energieprestaties goed in te
Vorige Hoofdstuk
passen in het systeem. Doordat meerdere technieken gebruik kunnen maken van de warmtepompen (ondiepe geothermie, restwarmte van de RWZI, warmteopslag) kunnen deze warmtepompen ook effectief worden gebruikt. Seizoensopslag Om de verschillende bronnen optimaal te kunnen benutten zal op deze locatie ook onderzocht kunnen worden wat de mogelijkheden zijn van seizoensopslag. Mogelijk biedt deze locatie betere omstandigheden om een grote opslag te voorzien vanwege de locatie (verder vanaf woonwijken gelegen). Gedacht kan worden aan een HTO op deze locatie, waarmee ca. 20.000 GJ ondergronds kan worden opgeslagen. Centrale energiehub (uitgelicht) Naast decentrale warmtebronnen zal het warmtenet vanuit een centrale hub bediend worden, van waaruit een combinatie van duurzame warmtebronnen een belangrijke basis vormt voor warmtelevering. Op de centrale locatie(s), waaronder de Amersite en industriepark Moerdijk de meest voor de hand liggende locaties zijn, vinden momenteel al de nodige activiteiten plaats ten behoeve van de energievoorziening van de regio.
Dit betekent dat energie-infrastructuur zich in grote mate zich ook concentreert rond deze locaties, en ook toekomstige energie-infrastructuur zal zich langs deze lijnen gaan ontwikkelen. Op dit moment zijn zowel industriepark Moerdijk als de Amersite plaatsen waar zich knooppunten bevinden met betrekking tot elektriciteit-, gas- en warmte-infrastructuur. In de toekomst zullen ook waterstof- en CO2-infrastructuren zich kunnen ontwikkelen langs deze lijn. Restwarmte Dit maakt dat deze locaties naar de toekomst toe zeer interessant zullen zijn om grootschalige energieopwekking ten behoeve van het warmtenet te voorzien. In de eerste plaats heeft dat alles te maken met residu warmtestromen die vrijkomen bij de processen die zich op deze locatie voordoen. Dit betreft aan de ene kant reststromen die vrijkomen bij elektriciteitsproductie (Amercentrale en Attero), en aan de andere kant industriële restwarmte die vrijkomt bij productieprocessen zoals bij Shell. Als de aanlanding van Wind op Zee (IJmuiden Ver) zal plaatsvinden op locatie bij de Amersite, is daarnaast nog de mogelijkheid om restwarmte te betrekken uit enerzijds het proces van converteren van de elektriciteit, en anderzijds vanuit het proces van produceren van waterstof.
Er is een duidelijk verschil aan te merken tussen deze varianten van restwarmte. De restwarmte die vrijkomt bij elektriciteitsproductie is eenvoudig op en af te regelen, en is met een groot vermogen op hoge temperatuur beschikbaar. De beschikbaarheid van deze warmte is daarmee veel beter te regelen, en dit maakt dat deze bronnen uitermate geschikt zijn om (een deel van) de warmtelevering voor hun rekening te nemen. De restwarmte uit industriële processen is niet regelbaar, maar betreft basislast waarvan de beschikbaarheid samenhangt met de processen waar de restwarmte uit wordt betrokken. In het geval van restwarmte uit een waterstoffabriek, hangt dit bijvoorbeeld samen met de momenten waarop deze fabriek draait hetgeen weer samenhangt met de hoeveelheden elektriciteit die geleverd wordt door het windpark op zee. Aan de andere kant zijn deze restwarmtebronnen op basis van industriële processen van een meer duurzame aard dan restwarmte uit elektriciteitsproductie. Het regelbaar karakter van deze bronnen maakt dat deze op de langere termijn uitermate geschikt zijn om, in combinatie met andere bronnen, te voorzien in de midden- en pieklast, wanneer de warmte uit de meer duurzame basislastbronnen niet voldoende is om in de warmtevraag te voorzien.
45
Bijlage 3. Uitwerking van idee van decentrale energiehubs en een centrale energiehub. Combinatie verschillende energiestromen Op de centrale energiehub(s) komen nu verschillende energiestromen samen, en in de toekomst zullen deze verder worden uitgebreid. Het organiseren van centrale warmtevoorziening op een dergelijke locatie brengt vele voordelen met zich mee die de leveringszekerheid en betaalbaarheid van een duurzame warmtelevering ten goede komen.
concentreren. In de beperkte ruimte die er is in Nederland moet goed gekeken worden hoe om te gaan met de beschikbare ruimte. Aangezien op de centrale locaties ook naar de verre toekomst toe activiteiten zullen worden georganiseerd voor de energievoorziening van de regio, heeft het ruimtelijk gezien de voorkeur daarbij aan te sluiten zodat eventuele effecten op de omgeving geclusterd zijn.
Een wijze waarop zich dit manifesteert is het feit dat balancering van energie (het oplossen van onbalans tussen energievraag en -aanbod) te organiseren is op een manier waarbij de verschillende energiesystemen elkaar kunnen ondersteunen. De omzetting van elektriciteit naar warmte kan zowel helpen bij een elektriciteitsoverschot, als bij een warmtetekort. Het warmtesysteem kan functioneren als een buffer, en deze functie wordt groter naarmate er meer opslagmogelijkheden worden ontwikkeld in het systeem.
Efficiënt gebruik infrastructuur Energie-infrastructuur vraagt om enorme investeringen. Alle mogelijkheden om die infrastructuur effectiever te benutten zullen dan ook moeten worden aangegrepen, om ons energiesysteem betaalbaar te houden. Het effectief gebruik van warmte-infrastructuur kan vanuit een centrale hub georganiseerd worden, doordat verschillende bronnen (zowel basislastbronnen en regelbare bronnen) gebruik kunnen maken van dezelfde infrastructuur (leidingen/pompen) om de warmte te transporteren naar de afnemers.
Op de centrale locaties zullen in de toekomst ook (regio-overstijgende) infrastructuren ten behoeve van transport van CO2 en waterstof worden georganiseerd. De locaties worden daarmee belangrijke knooppunten in de energievoorziening van de regio, waarbij naast industriële partijen, ook tuinbouwgebieden en andere sectoren worden bediend.
Ook zullen er allerlei maatregelen getroffen moeten worden om de warmteproductie op een zo veilig mogelijke manier te laten plaatsvinden, met zo min mogelijk effect voor de omgeving. Door dit in te richten op een centrale locatie, waar veel van deze maatregelen voor een deel al worden genomen ten behoeve van andere activiteiten, kan hierin effectiever gebruik worden gemaakt van de getroffen maatregelen.
Daarnaast is voor verschillende warmtetechnieken een grote elektriciteitsbehoefte. In deze elektriciteitsbehoefte is efficiënter te voorzien vanuit deze centrale locaties, omdat op deze locaties al zeer zware elektriciteitsinfrastructuur aanwezig is, die in gecombineerd gebruik door activiteiten van warmteproductie en levering effectiever kan worden gebruikt.
Het heeft daarnaast dan ook ruimtelijk gezien sterk de voorkeur om allerlei vormen van energieproductie te
Index
Vorige
Volgende
46
Bijlage 4. Projectenmonitor en doelbereik 2020 Figuur 6. Vier sporen met projectinitiatieven
In deze bijlage vindt u de tabel met projectenmonitor die in 2018 is gestart. Aan de hand van de projectenmonitor kunnen de vorderingen en het doelbereik (doelen 2024) van het programma worden gevolgd. De doelstellingen van het lopende programma worden hierna eerst weergegeven. Vervolgens wordt het doelbereik samenvattend besproken, met verwijzing naar een aantal belangrijke onderdelen van de projectenmonitor.
Programmadoelen per programmaspoor: Het programma verduurzamen Warmtenet Midden- en West-Brabant is in 2018 opgezet langs vier programmasporen met concrete doelstellingen en projecten waaraan in verschillende samenstellingen is samengewerkt. 1. Verduurzamen centrale opwek (van kolen naar biomassa < 2025) 2. Ontwikkelen duurzame decentrale opwek (30 MWth in 2024 / 74 MW in 2038) 3. Efficiencyverbetering van het warmtenet • -1 ºC per jaar • Jaarlijkse rapportage CO2 uitstoot: 55% besparing in 2030 (t.o.v. 1990) • Groei aansluitingen: 2% per jaar in woningequivalenten • Energiebesparing: 2% per jaar 4. Ontwikkelen participatiemodellen voor burgers / afnemers • Eén participatietraject in 2024 • Vervolg vaststelling richting 2038 In de volgende figuur zijn de vier sporen samengevat en van de belangrijkste projectinitiatieven voorzien. (bron: werkplan 2018)
Vorige Hoofdstuk
47
Bijlage 4. Projectenmonitor en doelbereik 2020 Doelbereik na drie jaar Het doelbereik van het programma kan eind 2020 als volgt worden samengevat:
• Driehoekoverleg (inbreiding en verbeteren netefficiency in gebouwde omgeving) resulteert in:
• Doelstellingen 2024 zijn nog binnen bereik;
o Meer transparantie en vertrouwen (transparantie business case en aansluitkosten),
• Verduurzamen centrale bron (van kolen naar biomassa) op schema: 80% biomassa in 2020/21;
o Overeenstemming over aanpak 4 startmotorprojecten;
• EZK kiest voor aanlanding Wind op Zee niet voor Geertruidenberg maar voor Borssele voortzetten initiatief ontwikkelen H2-hub Geertruidenberg/ Moerdijk (2e aanlanding kansrijk, maar H2-hub kan in principe ook zonder aanlanding Wind op Zee);
o Gerichte lobby naar BZK/EZK met partners in andere regio’s, VNG en Aedes;
• Decentrale bron-initiatieven: BMC Plukmade, Restwarmte BSI Vossenberg (Eneco/Agristo - Tilburg), Geothermie Plukmade, Zonneweide Breda-Noord – realisatie 30MWth in 2024 is nog binnen bereik; • Bestuurlijk-juridische en financiële belemmeringen realisatie eerste decentrale duurzame bronnen (stikstofregelgeving, missing money) scherper in beeld en o.a. vertaald in lobby naar rijk
o Gezamenlijke communicatiestrategie en –aanpak; o Initiatief tot formeren stakeholdergroep t.b.v. gezamenlijke ‘fact-finding’ communicatie en ontwikkelen draagvlak – en in afstemming met gemeentelijke warmtevisieprocessen o Onderling aanvullende afstemming, informatie -uitwisseling en kennisontwikkeling met RE(K)Sen HvBr en W-Br.
Figuur 7. Geografisch overzicht resultaten Programma Verduurzamen Warmtenet Midden- en West-Brabant 2018-2020
• Ringleiding warmtenet Breda fase 1 in uitvoering
Index
Vorige
Volgende
48
Bijlage 4. Projectenmonitor en doelbereik 2020 Figuur 8a. Projectenmonitor
Vorige Hoofdstuk
49
Bijlage 4. Projectenmonitor en doelbereik 2020 Figuur 8b. Projectenmonitor
Index
Vorige
Volgende
50
Bijlage 5. Nadere onderbouwing van vraagontwikkeling en aanbodontwikkeling van het warmtesysteem in de tijd In deze bijlage vindt u een onderbouwing van de vraagen aanbodontwikkeling van het warmtesysteem in de tijd. Hierbij wordt een toelichting gegeven over de verwachte groei van de warmtevraag en uiteengezet op welke manier het aanbod zich kan ontwikkelen. Hoe kan de warmtevraag zich ontwikkelen? Op basis van analyses die in de afgelopen anderhalf jaar door Breda, Tilburg, AWLT3 en Ennatuurlijk voor de gebouwde omgeving zijn uitgevoerd, aangevuld met eerste inzichten uit de warmtevisietrajecten in de deelnemende gemeenten is de volgende inschatting gemaakt van de mogelijke ontwikkeling van de warmtevraag en van factoren die daarop van invloed (kunnen) zijn. Deze vraaglijn is gebaseerd op een inschatting van een combinatie van een sterke vraagdaling door energiebesparing en tegelijkertijd een aanzienlijke stijging in het aantal aansluitingen op het warmtenet. Daarnaast is het van belang te begrijpen dat hiermee de vraagontwikkeling in het huidige verzorgingsgebied van het warmtenet wordt bedoeld. Uitbreiding van het regionale warmtenet richting westen (Roosendaal) is hier bijvoorbeeld niet in meegenomen. De gemeenten die mee zijn genomen in deze inschatting zijn:
Voor het tempo en de mate van collectiviteit als systeemkeuze zijn de twee belangrijkste variabelen die de ontwikkeling en groei in het aantal aansluitingen zullen beïnvloeden:
Warmtevraag Amernet (GJ) 6.000.000 5.000.000 4.000.000 3.000.000 2.000.000 1.000.000 0
2020
2030
2040
Figuur 3: Verwachting warmtevraag ontwikkeling, zie onderbouwing in het werkdocument
2050
Energiebesparing: De verwachting is dat de behoefte naar energie zich zal ontwikkelen in de vorm van een omgekeerde hockeystick: aanvankelijk langzaam dalend en na 2035 een sterkere vraagdaling van 100% naar 80% tot max 50% (energiebehoefte t.o.v. huidig) is de inschatting, onder invloed van besparingen door renovatie en transformatie in steden (door stijgende energieprijzen, meer bewustwording, sturing op aardgasvrij) en veranderende vraag vanuit grote afnemers (glastuinbouw, industrie). De rol en invloed van gemeenten in deze ontwikkeling zal, ondanks warmtevisies en wijkuitvoeringsplannen in de eerste periode van 10 jaar nog klein zijn. Collectiviteit: Voor de mate van collectiviteit als systeemkeuze in de warmtetransitie in de gebouwde omgeving worden de eerste inzichten uit de studie van het driehoeksoverleg gevolgd. In dat kader is een eerste inschatting gemaakt van bestaande wijken waarvoor de transitie naar een collectieve warmtesysteem een aantrekkelijke en comfortabele optie is.
Breda, Tilburg, Geertruidenberg, Drimmelen, Oosterhout, Waalwijk, Dongen en Gilze en Rijen
Vorige Hoofdstuk
51
Bijlage 5. Nadere onderbouwing van vraagontwikkeling en aanbodontwikkeling van het warmtesysteem in de tijd De variabelen in aanmerking nemend is in figuur x een (expert judgement) inschatting van de vraagontwikkeling (uitgedrukt in het aantal aansluitingen) in het huidige Warmtenet MWB-gebied gemaakt. Daarbij wordt gekeken naar de regio rond Breda en Tilburg (Waalwijk, Oosterhout en kleinere gemeenten in deze regio). De verwachting over de vraagontwikkeling is inclusief ontwikkelingen van energiebesparing en de mate van collectiviteit zoals hierboven geschetst. Deze inschattingen zijn gedaan om een startpunt te hebben vanuit waar kan worden geredeneerd hoeveel warmte moet worden georganiseerd over tijd, zodat op basis daarvan ook kan worden gekeken welke vermogens er over tijd nodig zijn om aan deze behoefte te kunnen voldoen. Over tijd zullen veranderingen in inzichten over de behoefte en de mogelijkheden om deze behoefte vanuit het collectief systeem te kunnen invullen steeds verder verfijnd worden. Het is voor de effectiviteit van de warmtetransitie (reductie gasgebruik) en betaalbaarheid van de transitie van groot belang dat er een goed gecoördineerde samenwerking bestaat tussen warmteleverancier, gemeenten en woningcorporaties.
Hiervoor is met het ‘Driehoeksoverleg’ in het Warmtenet MWB-programma een stevige basis gelegd, die zowel bestuurlijk, beleidsstrategisch en inmiddels ook praktisch-uitvoerend gericht is.
Index
Het aansluiten van bestaande gebouwde omgeving dient zoveel mogelijk plaats te vinden in een gecoördineerde aanpak, waarin gestandaardiseerde voorwaarden essentieel zijn om het betaalbaar te houden. Deze behoefte aan coordinatie in de aanpak betreft de gehele transitieperiode (2020-2050), zodat de aanpassingen in de bestaande bouw gefaseerd kunnen plaatsvinden (afnemers bepalen in belangrijke mate het tempo), zodat gebouwen energiezuiniger worden en met lage temperatuur warmtevoorziening toe kunnen. Een wijkof gebiedsgerichte gezamenlijke aanpak heeft hier de sterke voorkeur, met het oog op de systeemaanpassingen (in gebouwen, openbare ruimte en warmtesysteem) die aan de orde zijn. Hoe kan het aanbod van duurzame warmte zich ontwikkelen? In hoofdstuk 3 is uiteengezet welke bronnen van belang zijn voor het toekomstige warmtesysteem en de rol die deze bronnen kunnen hebben voor de Amerregio. De transitie naar een systeem dat volledig op deze hernieuwbare warmtebronnen kan draaien is een proces dat niet in een paar jaar kan worden voltooid, maar zich gefaseerd in de loop van de komende decennia zal voltrekken. In deze transitieperiode zal er een graduele verschuiving plaatsvinden van de afhankelijkheid van minder duurzame bronnen, naar volledig hernieuwbare bronnen. De belangrijkste bronnen die in deze transitieperiode
de warmte kunnen leveren zijn op kortere termijn de aftapwarmte van de Amercentrale, aftapwarmte van Attero afvalcentrale, een grootschalige biomassacentrale en gasketels. Deze bronnen zijn in de tussentijd nog van groot belang omdat deze bronnen warmte op de benodigde temperatuur kunnen leveren op de momenten dat dit nodig is. Zonder deze bronnen kan warmtelevering in de tussenliggende transitieperiode niet gegarandeerd worden. Door de ontwikkeling van hernieuwbare warmtebronnen in decentrale warmtehubs zal in de loop van de tijd de rol van eerst genoemde ‘centrale’ bronnen gaan verschuiven en steeds meer de functie krijgen van piek- en middenlast levering in de winterperiode. Er zijn drie hoofdscenario’s uitgetekend die inzicht geven in hoe de transitie naar het toekomstige Warmtenet MWB-systeem er uit kan komen te zien. Daarbij is het helder geworden dat hier een systeemkeuze in te maken is, voor welk scenario we in deze regio willen gaan. De bronnenstrategie vraagt op korte termijn al om richtinggevende keuzes, voortzetten van samenwerking, onderzoek/kennisopbouw en ervaring opdoen: • Ontwikkelen en overeenkomen (Rijk, Provincie, bedrijfsleven) van strategie voor Amercomplex/Energiehub Geertruidenberg. • Dit in het kader van regionale warmtestrategie keuzes voor West- en Hart van Brabant