bijlage bij slabloonvragen - Warmtenet_Transitieplan_ipdf_SLJ_EMMA_23022021 X
Tekst van het document
Transitieplan Warmtenet Midden- en West-Brabant Verkenning van de mogelijkheden voor collectieve warmte in de regio in 2050
Bijlagen
Index 1. Samenvatting
3
1. Toelichting aanbevelingen RE(K)S’en
37
2. Aanleiding: Toekomstperspectief op warmte in de brede regio nodig
9
2. Toelichting op het toekomstig 4e generatie warmtesysteem
40
3. Huidige situatie: Bestaand net met sterke afhankelijkheid van één bron
12
3. Uitwerking van idee van decentrale energiehubs en centrale energriehubs
43
4. Toekomstbeeld: Duurzame warmte in brede regio in 2050
17
4. Projectenmonitor en doelbereik 2020
47
5. Transitiepaden: Welke stappen zijn nodig?
21
5. Nadere onderbouwing van vraagontwikkeling en aanbodontwikkeling
51
6. Vervolg: Wat gaan we doen?
29
6. Drie scenario’s uitgewerkt
55
Colofon
35
7. Toelichting proces van het transitieplan
60
Bijlagen
36
Volgende Hoofdstuk
Vorige
Volgende
2
Toekomstperspectief op warmte in de brede regio nodig
Foto 2 : Amercentrale, bron: agro-chemie.nl
1. Samenvatting Transitieplan en regionale samenwerking Hart van Brabant/West Brabant Toekomstbeeld: Duurzame warmte in brede regio in 2050 Transitiepaden: Mogelijke routes naar 2050 Belangrijkste conclusies Wat gaan we nu doen? Prioriteiten 2021-2023 Vier organisatie pijlers
Index
Volgende Hoofdstuk
Bijlagen
3
Toekomstperspectief op warmte in de
Transitieplan en regionale samenwerking
Toekomstbeeld:
brede regio nodig
Hart van Brabant/West Brabant
Duurzame warmte in brede regio in 2050
Veel huizen en bedrijven in Midden- en West-Brabant worden nu nog verwarmd door een regionaal warmtenet, gevoed met warmte van de Amercentrale. Die fossiele warmte moet in 2050 zijn ingeruild voor hernieuwbare warmtebronnen. Er moet dus worden gewerkt aan verdere verduurzaming van de warmte. De Amercentrale draait al deels op biomassa, echter wordt de duurzaamheid daarvan betwist. Zo is het duurzamer om biomassa voor hoogwaardiger toepassingen te gebruiken. Andere oplossingen zijn nodig, maar verandering kost tijd. En intussen mag niemand in de kou zitten.
Het transitieplan neemt de conclusies en aanbevelingen van de beide RE(K)Sen en de daarvoor uitgevoerde MKBA als vertrekpunt. Voor beide regio’s is het ontwikkelen en verduurzamen van een regionaal warmtesysteem een belangrijke bouwsteen in de langere termijn warmtetransitie in de gebouwde omgeving en voor energie/warmte-intensieve industriële bedrijvenclusters. Dit transitieplan zet een volgende stap in het concretiseren van de regionale warmtetransitie.
Het Amerwarmtenet wordt in de komende 30 jaar ontwikkeld tot een 4e generatie warmtesysteem voor de brede regio (Hart van Brabant en West Brabant), dat wordt gekenmerkt door lagere temperaturen, een open (voor meerdere hernieuwbare bronnen) netstructuur, efficiënt warmtegebruik, slimme energiesystemen en seizoensopslag.
Er is daarom een transitieperiode nodig die in 2018 is gestart met een breed samenwerkingsprogramma (partijen uit de gehele warmteketen) en meerdere initiatieven. Daarin worden nieuwe bronnen ontwikkeld, en wordt het bestaande warmtesysteem stap voor stap omgebouwd en gemoderniseerd. Het toekomstbeeld wordt intussen ook beïnvloed door de Warmtewet 2.0, de RE(K)Sen Hart van Brabant en West Brabant en gemeentelijke warmtevisies. Dat maakt bijsturen in de transitieperiode nodig. Daarvoor moeten we weten welke keuzes wanneer moeten worden gemaakt, en wat daarvoor nodig is.
Dit transitieplan, opgesteld door de betrokken overheden en (markt)partijen, geeft antwoord op de vraag hoe een duurzaam warmtesysteem eruit kan zien, wat ervoor nodig is om dit betaalbaar te organiseren en hoe we in de tussentijd de warmtelevering blijven garanderen. Het plan is geen besluitvormingsdocument, maar een verkenning van de mogelijkheden op basis van de kennis van nu. Het is een levend document dat aan de hand van verbeterde kennis en ervaring regelmatig zal worden geactualiseerd. Uit het plan kunnen prioriteiten en beslispunten worden afgeleid.
Transitieplan: levend document dat meer inzicht geeft in de mogelijkheden
Daarvoor zijn naast grote regionale warmtebronnen, meerdere decentrale energie/warmtehubs nodig, die voor een betere balans in het warmtesysteem zorgen. Die moeten zorgvuldig ruimtelijk worden gepland en ingepast in de nabijheid van lokale afnemers/gebouwde omgeving. Centrale warmtehubs zoals de Amersite of alternatieve grote locaties blijven een belangrijke rol spelen omdat daar op grotere schaal hernieuwbare warmtebronnen kunnen worden ontwikkeld en gecombineerd.
De bronnenmix waarmee het warmtesysteem wordt gevoed bestaat uit niet-regelbare en regelbare hernieuwbare bronnen. Belangrijke nietregelbare hernieuwbare bronnen zullen zijn: restwarmte, geothermie, zonthermie en aquathermie. Een kleiner aandeel in het warmtesysteem is er voor regelbare hernieuwbare bronnen, zoals biomassa, biogas, bio-olie en e-boilers. Daarbij speelt seizoensopslag van warmte ook een cruciale rol. Afnemers hebben een actieve sleutelrol in het creëren van voorwaarden voor een 4e generatie warmtesysteem. Afnemers (woningen, gebouwen, bedrijven) moeten op een spaarzame, efficiënte manier om kunnen gaan met energie/warmte. Gebouwen en andere afnemers die zijn aangesloten op het collectieve warmtesysteem hebben in dit toekomstbeeld dus zelf de nodige aanpassingen gedaan als bijdrage aan de transitie.
Vorige
Volgende
4
Transitiepaden: Mogelijke routes naar 2050 Er zijn verschillende routes naar 2050. Warmtelevering moet daarbij gegarandeerd zijn voor iedereen op het warmtenet. Ook moet erkend worden dat we niet in alles tegelijk kunnen investeren. We zien drie mogelijke routes, die als hoekpunten van het speelveld kunnen worden gebruikt. Dat wil zeggen dat er ook combinaties tussen elementen denkbaar zijn: De Amercentrale blijft beschikbaar op middellange termijn (transitieperiode) en draait verder op biomassa. Intussen wordt geïnvesteerd in decentrale bronnen. Warmtelevering is gegarandeerd en er zijn middelen voor duurzame, decentrale bronnen. Het kan echter zijn dat het draagvlak voor biomassa zó sterk afneemt dat de Amercentrale als transitiebron sneller ter discussie komt te staan. Er komt een warmteleiding naar Moerdijk. Restwarmte van industrie en afvalcentrale wordt ingezet, terwijl decentrale bronnen worden ontwikkeld. Er is snel leveringszekerheid, die minder afhankelijk is van de Amercentrale. Ook de industrie verduurzaamt echter, waardoor onzeker is of er straks voldoende restwarmte is. Deze oplossing remt mogelijk andere investeringen. Geen centrale bron, maar meteen volledige inzet op decentrale, duurzame bronnen, met veel gasketels als back-up. De regio is snel niet meer afhankelijk van één bron, maar er is minder leveringszekerheid.
Het is vanwege de back-up ook een duurdere optie.
Visual 1 Toekomst perspectief
Er is een afwegingskader nodig om deze routes goed te kunnen wegen. De transitie en verduurzaming kan ook worden opgebouwd uit een combinatie van deze routes.
Index
Volgende Hoofdstuk
Bijlagen
5
Een collectief warmtenet is een maatschappelijk-economisch aantrekkelijke optie voor deze regio (blijkt uit de Maatschappelijke Kosten-Baten Analyse). Daarvoor moet het bestaande warmtenet in de komende 30 jaar ontwikkeld worden tot een 4e/5e generatie warmtesysteem. Dit is niet langer een Amerwarmtenet maar een regionaal warmtenet voor de regio’s Hart van Brabant en West-Brabant waar (ook) andere bronnen op zijn aangesloten. Dit betekent dat er een transitieperiode komt waarin nieuwe bronnen worden ontwikkeld en onderdelen van het oude systeem worden afgebouwd. Ook veranderen de rollen van betrokken partijen en komen er nieuwe partijen bij.
Visual 5a en 5b Marsroute 2025
Belangrijkste conclusies
Voor de warmtetransitie met bijbehorende systeemontwikkeling en duurzame bronnenmix zijn een aantal routes mogelijk. Hiervoor is het nodig om tot een concrete, realistische strategie en business cases te komen met private én publieke partijen die daaraan een directe bijdrage kunnen leveren. De omgeving moet actief worden betrokken bij de totstandkoming van het duurzame regionale collectieve warmtesysteem. Samenwerking is een voorwaarde voor verandering. Bewoners, ondernemers en (toekomstige) afnemers hebben een belangrijke rol en worden vanuit de gebiedsgerichte aanpak betrokken bij de keuzes op lokaal niveau.
Voor de transitie van zo’n regionaal warmtenet is regionale coördinatie noodzakelijk. Het gaat daarbij in de eerste plaats om afstemming tussen vraag en aanbod in het warmtesysteem op korte én lange termijn. Daarbij moet de warmtelevering gegarandeerd blijven en investeringen in bronnen, isolatie en infrastructuur gewogen worden op de waarde in het warmtesysteem van 2050 en verder.
Vorige
Volgende
6
Wat gaan we nu doen? We hoeven niet vandaag al te kiezen, maar we moeten wel weten wat de opties zijn en hoe we straks gaan kiezen. Er is tijd nodig voor onderzoek en (maatschappelijk) debat. Er zijn vanuit het transitieplan daarom vier doelen, een aantal korte termijn prioriteiten en vier organisatie pijlers geformuleerd. In de transitie agenda worden deze meer in detail uitgewerkt.
Vier doelen: 1. Verduurzamen (stap voor stap) van dit regionale warmtenet naar een volledig duurzaam collectief warmtesysteem van de 4e generatie. 2. Een betaalbaar warmtesysteem dat bereikbaar is voor een grote diversiteit aan afnemers in de regio. 3. De omgeving actief betrekken bij de totstandkoming van het duurzame regionale collectieve warmtesysteem. Samenwerking wordt is voorwaarde voor verandering. 4. Een transitiepad volgen dat voldoet aan de verwachtingen/eisen, zonder dat dit gepaard gaat met kostbare tijdelijke oplossingen.
Visual 2 Impact voor inwoners
Index
Volgende Hoofdstuk
Bijlagen
7
Prioriteiten 2021-2023 De korte termijn doelstellingen 2024 (verduurzamen centrale bron, ontwikkelen 30MWth decentrale opwek, efficiencyverbetering, participatie) worden aangevuld met de volgende prioriteiten (die het lange termijn perspectief (2050) met de korte termijn (< 2025/2030) verbinden). 1. Er is een lange termijn systeemkeuze over/ voor een regionaal warmtenetwerk Middenen West-Brabant nodig in 2022. Dit kan worden gebaseerd op de (boven)regionale warmtestrategie die in de RE(K)Sen is verkend en onderbouwd (MKBA). In de bestaande Warmtenet Middenen West-Brabant (MWB) samenwerking wordt de urgentie gevoeld om deze systeemkeuze(n) op korte termijn nader te onderbouwen en van business cases te voorzien. RES-deal verkenning WBr o.a. een van de bouwstenen; 2. Daarvoor is het nodig de samenwerking te verbreden naar een publieke samenwerking Midden- en West-Brabant en door deelname van private partijen die in de regio hieraan een bijdrage kunnen leveren (publiek-private samenwerking). Hierbij is actieve deelname EZK gewenst;
Vier organisatie pijlers 3. In deze verbrede samenwerking een onderzoeks- en investeringsprogramma formuleren voor het stapsgewijs ontwikkelen van de infrastructuur en een mix van hernieuwbare bronnen (2021-2022);
1. (Boven) regionale publieke samenwerking en toekomstige governance, voor regionale coördinatie, en waar systeemkeuzes en governance worden voorbereid die van invloed zijn op het warmtesysteem in de hele regio
4. Actieve lobby richting BZK en EZK voor wet- en regelgeving/financiële instrumenten die ook particuliere woningeigenaren in staat stelt aan gebiedsgerichte warmtetransitie initiatieven mee te doen (2021), dit in nauwe samenwerking met andere regio’s (MRA, Zuid-Holland, Drechtsteden);
2. Publiek-private samenwerking regionaal warmtesysteem Midden- en West-Brabant; energiemarktpartijen breder en directer bij samenwerking betrekken t.b.v. onderzoeks- en investeringsprogramma
5. Warmtekavelbesluit(en) voorbereiden door gemeenten in 2021/22 – hiervoor kennis en inzicht van de andere partijen in de samenwerking gebruiken. In Q1 van 2021 starten van verkenning in enkele werksessies/botsproef met Ministerie EZK/RVO (en BZK); 6. Formeren en activeren van een stakeholderoverleg voor de warmtetransitie in de gebouwde omgeving, waar gezamenlijk feiten onderzoek en een lerende aanpak op basis van praktijkervaring centraal staat (starten in Q1 2021)
We hopen zo gezamenlijk een juiste route te kiezen richting een duurzaam warmtesysteem in 2050 en daarvoor concrete stappen te zetten. En we gaan die route regelmatig actualiseren aan de hand van nieuwe inzichten die we onderweg opdoen.
3. Driehoekoverleg voortzetten – woningcorporaties, gemeenten en warmtebedrijf werken aan onderlinge transparantie en afstemming, en aan voorwaarden voor een gebiedsgerichte aanpak en leren in de praktijk 4. Stakeholderoverleg – voor de directe betrokkenheid van een brede groep bij gezamenlijk feitenonderzoek, leren van de praktijk en lokaal invloed op de warmtetransitie
Vorige
Volgende
8
Foto 2: Tilburg, bron: Ennatuurlijk
2. Aanleiding Toekomstperspectief op warmte in de brede regio nodig
Aanleiding: Toekomstperspectief op warmte in brede regio nodig Bredere samenwerking sinds 2018 RE(K)Sen West Brabant en Hart van Brabant: collectief systeem aantrekkelijk Lange termijn perspectief nodig
Index
Vorige Hoofdstuk
Volgende Hoofdstuk
Bijlagen
Vorige
Volgende
9
2. Aanleiding: toekomstperspectief op
Bredere samenwerking sinds 2018
warmte in de brede regio nodig Veel huizen en bedrijven in de Amerregio worden nu nog verwarmd door een regionaal warmtenet, gevoed door de oorspronkelijk kolengestookte Amercentrale. Die fossiele warmtebron moet in 2024 zijn vervangen door biomassa en in 2050 zijn ingeruild voor hernieuwbare warmtebronnen. Er moet dus worden gewerkt aan duurzame warmte. De Amercentrale draait al deels op biomassa, maar de duurzaamheid van deze tranisitiebrandstof wordt betwist. Er is een gezamenlijk toekomstbeeld nodig waar alle betrokkenen naartoe kunnen werken. Het toekomstbeeld wordt intussen ook beïnvloed door de Warmtewet 2.0, warmtevisies en de RES’en. Dat maakt bijsturen in de transitieperiode nodig. Daarvoor moeten we weten welke keuzes wanneer kunnen worden gemaakt en wat daarvoor nodig is. Daarvoor hebben alle direct betrokken overheden en (markt) partijen het initiatief genomen om samen een transitieplan te maken. Het moet antwoord geven op de vraag hoe een duurzaam warmtesysteem eruit kan zien, wat ervoor nodig is en hoe we in de tussentijd de warmtelevering blijven garanderen.
Het initiatief van het transitieplan is een volgende stap in de al bestaande samenwerking die begin 2018 is gestart met als doel de Verduurzaming van het Warmtenet Midden- en West-Brabant [zie bijlage 8]. Ondertussen is er veel gebeurd. De energietransitie is op gang gekomen via enkele cruciale besluiten, terwijl de stikstofuitspraak van de Raad van State remmend werkt op broninitiatieven. Op regionaal niveau worden voor West-Brabant en Hart van Brabant sinds 2019 Regionale Energie Strategieën ontwikkeld, en lokaal zijn gemeenten begonnen aan het voorbereiden van warmtevisies en wijkuitvoeringsplannen.
aardgasvrije wijken en startmotoraanvragen), en (4) verkennen van participatiemogelijkheden in verduurzamingsinitiatieven. Daarmee is er zicht op het behalen van de doelen voor 2024.
Het programma Verduurzaming Warmtenet Midden- en West-Brabant heeft in drie jaar (2018-2020) concrete initiatieven laten zien voor vier programmadoelen: (1) verduurzamen van de centrale bron door RWE (omschakelen van kolen naar biomassa voor 2025), (2) voor realisatie van de eerste decentrale bronnen (30 MWth met biomassa, geothermie, zonthermie, restwarmte), (3) voor uitbreiding van het warmtenet (ring Breda), voor energiebesparing en efficiëntieverbetering in de gebouwde omgeving (gradueel verlagen van de nettemperatuur met tenminste 1 graad per jaar) en het voorbereiden van financiële kaders daarvoor (proeftuin
De gezamenlijke verkenning van Ennatuurlijk, Breda, Tilburg en de samenwerkende woningcorporaties in het ‘driehoeksoverleg’ legt een brede kennisbasis onder de te ontwikkelen gemeentelijke warmtevisies en vergroot de onderlinge transparantie en het vertrouwen. Meer gezamenlijke verkenning van de energietransitie in het glastuinbouwgebied Plukmade (Ennatuurlijk, Energiewerkgroep tuinders, Gemeente Drimmelen) vergroot het inzicht in wat er nodig is, en daarmee de kans op juiste timing van private initiatieven en investeringen.
Het verhaal van drie jaar Verduurzaming Warmtenet Midden- en West-Brabant is ook dat de brede samenwerking door de gehele keten een belangrijke voorwaarde blijkt te zijn voor het starten van initiatieven, het creëren van de bijbehorende voorwaarden en het ontdekken van de te overwinnen belemmeringen.
Al zijn de gestelde doelen voor 2024 nog steeds bereikbaar, blijft het programma dat in 2018 met veel enthousiasme en goede wil is opgezet op onderdelen achter bij de verwachtingen en bij de gestelde doelen. De programmapartners zien hiervoor een zestal redenen. • Onzekerheden en ontbrekende voorwaarden in zich nog ontwikkelend nationaal beleid • Gebrek aan haalbare business cases, met name voor duurzame decentrale bronprojecten • Biomassabronnen in de knel door stikstof, afbouwen subsidie en door publieke opinie • Risico dat warmtewet 2.0 onvoldoende voorwaarden creëert • Warmtenet wordt nog onvoldoende gezien als lange termijn systeemkeuze • Meer sturing nodig: (warmte)besparing subsidiëren, verspilling belasten
10
RE(K)Sen West Brabant en Hart van Brabant:
Lange termijn perspectief nodig
collectief systeem aantrekkelijk In 2019 is een begin gemaakt met de regionale energie strategieën, ook in de regio’s Hart van Brabant en West-Brabant. Het Amerwarmtenet is verdeeld over het westelijk deel van Hart van Brabant (vnl. Tilburg en het oostelijk deel van West-Brabant (Breda, Oosterhout, Drimmelen en Geertruidenberg). Beide RE(K)Sen besteden in deze fase aan de warmtestrategie. Tussen het Warmtenet Midden- en West-Brabant (MWB) programma en het opstellen van de RE(K)Sen heeft in 2019 en 2020 regelmatige afstemming plaatsgevonden en zijn gegevens uitgewisseld. De beschikbaarheid van warmtebronnen is in beide regionale strategieën verkend en voor de verschillende gemeenten is een eerste profiel van warmte strategieën gemaakt. In 2020 is er voor beide regio’s een maatschappelijke kosten-baten analyse (MKBA) gemaakt voor de warmtetransitie. Daaruit blijkt na groen gas een regionaal warmtenet de beste optie, beter dan lokale warmtenetten. Voor groen gas is echter maar zeer de vraag of er genoeg aanbod is voor deze regio. Inzichten uit deze MKBA evenals uit de verkenning RES-deal (restwarmte Moerdijk beschikbaar maken via regionale infrastructuur) zijn bij het doordenken van het transitieplan voor de verduurzaming van het Warmtenet MWB gebruikt. Zie bijlage 1 voor aanbevelingen uit de RE(K)S’en.
Het is duidelijk geworden dat er een lange-termijn perspectief nodig is op warmte en energie in de brede regio. Dit is nodig om strategische keuzes in de ontwikkeling van het warmtesysteem duidelijker te krijgen en ook welke bijdragen van de samenwerkende partijen nodig zijn om een te kiezen richting stap voor stap mogelijk te maken. De keuzes in de ontwikkeling en verduurzaming van het warmtesysteem moeten ook in verband worden gebracht met de gemeentelijke warmtevisies en vice versa. De lange-termijn visie is bovendien nodig om burgers/bewoners/afnemers te voorzien van een perspectief op hoe de leveringszekerheid en betaalbaarheid van warmte zich zal ontwikkelen.
Om gezamenlijk beter richting te kunnen kiezen wordt dit transitieplan opgesteld door de samenwerkende partijen. Het moet antwoord geven op de vraag hoe een duurzaam warmtesysteem eruit kan zien, wat ervoor nodig is en hoe we in de tussentijd de warmtelevering blijven garanderen. Het transitieplan biedt geen detailoplossingen op wijkniveau. Het is ook geen besluit over de toekomst van het huidige warmtenet en de Amercentrale. Het gaat verder niet over de brede, landelijke vraag wie wat betaalt. Voor het slagen van de warmtetransitie is echter wel duidelijkheid nodig over welke stappen in de tijd en wat dit betekent voor kosten en risico’s.
We kijken in dit plan wel naar: • Toekomstbeelden: Wat gaan we waarschijnlijk doen, wat is onzeker en wat is duurzaam? • Vraagontwikkeling: Hoeveel warmte is er straks nodig? • Regionale bronnen: Welke potentiële bronnen zijn er, met welke voor- en nadelen? Hoe kunnen ze bijdragen? Passen ze in het toekomstbeeld? • Doelen en tijdspad: Welke routes naar een duurzaam warmtesysteem zijn er, met welke voor- en nadelen? Welke (tussen) doelen horen erbij? • Toekomstige organisatie en rollen: Zetten bestaande partijen de vervolgstappen of doet een nieuwe organisatie dat? Welke afspraken zijn er al? • Draagvlak: Hoe is de acceptatie van verschillende paden en oplossingen? Hoe verbeteren we de beeldvorming van het warmtenet en krijgen we mensen warm voor deze oplossing?
Index
Vorige Hoofdstuk
Volgende Hoofdstuk
Bijlagen
Vorige
Volgende
11
Foto 3: Biomassa, bron: Ennatuurlijk
3. Huidige situatie Bestaand net met sterke afhankelijkheid van één bron
Huidige situatie: bestaand net met sterke afhankelijkheid van één bron Kader 1. Biomassa als transitiebrandstof Kenmerken huidig warmtenet Kader 2. Nieuwe Wet Collectieve Warmtevoorziening Het vertrekpunt voor bewoners
Index
Vorige Hoofdstuk
Volgende Hoofdstuk
Bijlagen
Vorige
Volgende
12
3. Huidige situatie: bestaand net met sterke
Kader 1.
Biomassa als transitiebrandstof
afhankelijkheid van één bron Het Amerwarmte net bestaat al ruim 40 jaar. Het voorziet woon-
Een speciale aandacht gaat uit naar het draagvlak in de omgeving voor de transitiebrandstof die nodig is om in de transitieperiode te kunnen voldoen aan de warmtebehoefte, terwijl met volle energie wordt ingezet op de ontwikkeling van alternatieve bronnen. Het is onmiskenbaar duidelijk dat voor een periode van zeker 15 jaar een dergelijke bron essentieel is om de warmtelevering te kunnen blijven garanderen.
wijken en bedrijven in Tilburg, Breda, Oosterhout, Dongen en Geertruidenberg en het glastuinbouwgebied Plukmade in de gemeente Drimmelen van warmte die afgetapt wordt van de elektriciteitscentrale Amer 9 in Geertruidenberg . In 2018 is een unieke samenwerking gestart waarin alle direct bij het Warmtenet MWB betrokken partijen (van bron tot gebruiker) samenwerken aan initiatieven om dit warmtenet te verduurzamen.
De verduurzaming is er op langere termijn op gericht om de
Er zijn drie afzonderlijke mogelijkheden om in deze regio voldoende regelbaar vermogen te organiseren en in alle drie de gevallen gaat het om een grote centrale die (deels) draait op biomassa. De Amercentrale produceert elektriciteit en warmte uit biomassa. De Attero centrale produceert elektriciteit en warmte uit afval (deels biogeen). En een nieuw te bouwen warmtecentrale zou op biomassa exclusief warmte produceren.
afhankelijkheid van eerst kolen en nu voornamelijk biomassa als brandstof te verkleinen en de rol van hernieuwbare (decentrale) warmtebronnen te vergroten. Ook richt de samenwerking op het vergroten van de efficiency in het net (zoals het verkleinen van de warmtevraag afnemers door isolatie van woningen/gebouwen). Dit is een stapsgewijs proces dat vele jaren in beslag zal nemen. Voor het verduurzamen van het Warmtenet MWB is de nieuwe Wet Collectieve Warmtevoorziening die in voorbereiding is
In de manier waarop deze bronnen worden gewaardeerd (volgens nationale normen evenals op maatschappelijk niveau) zijn wat verschillen te identificeren. Echter zijn deze verschillen ook weer niet dusdanig groot dat er een duidelijke voorkeur voor een van deze bronnen te identificeren is boven de andere bronnen. Draagvlak is nodig voor biomassa (onafhankelijk van de manier waarop biomassa een onderdeel uitmaakt van de transitie van het Warmtenet MWB). De rol van biomassa is er een die tijdelijk van aard is en over tijd (richting 2040) steeds verder afneemt.
Kortom: Vanaf 2024 mag er geen steenkool meer gebruikt worden in de Amercentrale. Daarom zoeken we naar hernieuwbare alternatieven; Biomassa is zo’n alternatief, zolang restwarmte van bedrijven en hernieuwbare vormen van warmte nog geen optie zijn. Overigens wordt er nu actief gekeken naar initiatieven voor andere duurzame warmtebronnen zoals geothermie en zonthermie, omdat we niet afhankelijk willen zijn van biomassa; Biomassa is qua CO2 uitstoot een betere optie dan steenkool (kort- vs. lang-cyclisch CO2); De biomassa die RWE gebruikt voldoet aan de strenge duurzaamheidseisen en dit wordt door onafhankelijke instanties gecontroleerd.
van belang omdat die richting geeft en kaders aanreikt aan de verduurzaming van deze vorm van warmtevoorziening. Het huidige Warmtenet MWB voldoet aan de voorwaarden voor (het reduceren van) CO2-uitstoot die de wet stelt1.
Dit is conform Warmtetiket 2019. Warmewet 2.0 eist max 40 kg CO2/GJ in 2022 en in 2030 maximaal 25 kg CO2/GJ. 1
13
Kenmerken huidig warmtenet
Het bestaande Amerwarmtenet is ruim 40 jaar geleden ontstaan. Nu heeft het de volgende kenmerken: 3,7 PJ opwek, 2,7 PJ afzet/warmteverbruik 20 kilometer transportinfrastructuur Ca. 46.000 woningaansluitingen, 375 bedrijfsaansluitingen Bronnen: Amer 9 centrale Geertruidenberg en RWZI Breda Noord De warmtevoorziening is gebaseerd op restwarmte van de Amercentrale, die onder druk van regelgeving en met subsidie omschakelt van kolen naar biomassa als brandstof. Eind 2020 wordt 50-80% biomassa gebruikt. De omschakeling naar 100% biomassa moet uiterlijk in 2024 gerealiseerd zijn. Back-up warmtevoorziening: 120 MW bio-olie ketels (gesubsidieerd tot 2028) en 200 MW gasketelstot 2028) en 200 MW gasketels Lopende, maar ook stagnerende initiatieven voor decentrale nieuwe duurzame warmtebronnen: biomassaketel Plukmade en geothermie Plukmade (beide primair t.b.v. glastuinbouw), restwarmte biomassa installatie Agristo Tilburg, zonthermie Breda Noord. Toepassing van cascadering in Breda (de Kroeten) en Tilburg (Witbrant), verder zal er worden geëxperimenteerd met cascadering in stedelijk gebied Startmotorprojecten voor aansluiten een aantal wijken (in Tilburg en Breda) in voorbereiding Visual 3 Biomassa als transitiebrandstof
Index
Vorige Hoofdstuk
Temperaturen zijn een aantal graden naar beneden gebracht, tot een niveau dat voor garantie van warmtelevering in het huidige systeem nog aanvaardbaar is. Temperatuursturing vindt plaats a.d.h.v. de buitenluchttemperatuur en het type seizoen
Volgende Hoofdstuk
Bijlagen
Vorige
Volgende
14
Kenmerken huidig warmtenet
Figuur 1 Huidige situatie Amer warmtenet
Het nieuwe nationale beleid is er op gericht om op termijn de afhankelijkheid voor warmtevoorziening van biomassa als duurzame warmtebron af te bouwen. Ook de regionale publieke opinie en standpunten van democratisch gekozen bestuursorganen (provinciale staten en gemeenteraden) willen de afhankelijkheid van biomassa zo snel mogelijk verkleinen. Voor de ontwikkeling van het Warmtenet MWB is de afhankelijkheid van biomassa op termijn niet houdbaar, en daarom wordt het als transitiebrandstof beschouwd. Dit transitieplan verdiept daarom de verschillende opties voor een bronnenstrategie om de afhankelijkheid van biomassa te verminderen, op basis van toegenomen kennis en recente analyses (vanuit de RE(K)S-en en decentrale duurzame bronneninitiatieven). Vanuit de nieuwe warmtewet komen ook nieuwe regels en kaders die we mee moeten nemen in de volgende stappen. Hierover wordt steeds meer bekend (zie kader).
Het regionale Warmtenet Midden- en West-Brabant voorziet bedrijven en woonwijken van warmte
15
Kader 2. Nieuwe Wet Collectieve Warmtevoorziening2 Regie - De gemeenten krijgen de regierol en zijn gedurende het gehele proces betrokken. De gemeente wijst in de eerste plaats een warmtekavel aan en wijst daarna een warmtebedrijf aan die de exclusieve bevoegdheid tot warmtelevering ontvangt. Vervolgens wordt het uitgewerkte kavelplan vastgelegd in het gemeentelijke omgevingsplan en bindend voor burgers en bedrijven in de gemeente. Rolverdeling - Er is een integrale verantwoordelijkheid van het warmtebedrijf voor de warmtelevering geïntroduceerd, zodat er geen twijfel kan bestaan over wie verantwoordelijk is voor elk afzonderlijk onderdeel van de warmteketen. Voor grote warmtetransportnetten zoals het Amer warmtenet geldt dat, vanwege de grootte en de noodzaak van regionale coördinatie, een transportnetwerkbeheerder door de overheid kan worden aangewezen. Voor kleinere netten zijn minder strenge regels. Prijs - Stapsgewijs wordt overgegaan naar een prijs die gebaseerd is op de
Index
Vorige Hoofdstuk
daadwerkelijke kosten van de warmtelevering en niet langer op de gasprijs. De ACM zal de maximale tariefprijs onderzoeken. Vanwege de verschillende kosten van verschillende technieken voor warmtelevering is het waarschijnlijk dat per warmtenet een ander tarief kan gelden. Leveringszekerheid – Omdat de verwachting is dat in de toekomst steeds meer gebouwen zullen worden aangesloten op een warmtenet, wordt het proces van warmtelevering – evenals de levering van bijvoorbeeld gas, water en elektriciteit – aangemerkt als vitaal proces. Hierbij hoort dat niet alleen aandacht is voor noodvoorziening in geval van uitval, maar dat ook eisen worden gesteld aan warmtebedrijven die betrekking hebben op preventie van uitval. Verduurzaming – Om de CO2-uitstoot van warmtebedrijven te verminderen, zijn duidelijke normen opgenomen in de Wet collectieve warmtevoorziening. Per jaar (tot en met 2030) daalt de maximaal toegestane CO2-uitstoot. Indien niet
Volgende Hoofdstuk
Bijlagen
Het vertrekpunt voor bewoners wordt voldaan aan deze normen hebben burgemeester en wethouders als uiterste sanctie het intrekken van de aanwijzing van het warmtebedrijf, wat betekent dat zij geen warmte meer mogen leveren. In 2030 moeten verduurzamingsmaatregelen ervoor zorgen dat een warmtenet gemiddeld 70% minder CO2 bijdraagt dan de gasketel-referentie. Warmtenet Midden- en West-Brabant Het huidige warmtenet voldoet aan de voorwaarden voor CO2-uitstoot die worden geschetst in de warmtewet, mede door het feit dat de Amercentrale over gaat op biomassa als brandstof. Deze eisen maken duidelijk dat er in de transitieperiode voldoende duurzaam vermogen nodig is en dat er tijdig inspanningen nodig zijn om die te realiseren. Gezien de grootte van het Warmtenet MWB en de hoeveelheid vermogen die nodig is om alle afnemers te kunnen voorzien van warmte is er maar een beperkt aantal bronnen die deze duurzame warmte in de transitieperiode kunnen leveren.
In de transitie is het vertrekpunt voor bewoners misschien wel het belangrijkste uitgangspunt voor de wijze waarop en het tempo waarmee de verandering wordt voorbereid en aangepakt. Daarom is in de samenwerking in 2020 de aandacht gericht op het gezamenlijk opzetten van communicatie met om te beginnen vertegenwoordigers van bewonersorganisaties . In veel gevallen gaan inwoners voor hun gevoel van een zékere naar een ónzekere situatie. Van ‘bekend gas’ naar een ‘onbekend alternatief’. Belangrijk voor inwoners: • Kosten • Keuzevrijheid of niet • Overlast in en om het huis • Indirecte consequenties als vervangen van fornuis • Duurzaamheid van de gekozen oplossing • Onzekerheid over energietransitie • Transparant en overzichtelijk proces • Vertrouwen
In het driehoeksoverleg tussen Gemeenten Tilburg en Breda, AWLT3 en Ennatuurlijk is in het najaar van 2020 een begin gemaakt met een meer gezamenlijke communicatiestrategie. 2
Vorige
Volgende
16
Foto 4: Flat Moerwijkzicht in Breda, voorbeeld van transitie van gas- naar warmtenet als onderdeel van renovatie; vergroten van comfort en uitstraling staat voor bewoners centraal, bron: Job van den Berg
4. Toekomstbeeld Duurzame warmte in de brede regio in 2050
Toekomstbeeld: Duurzame warmte in de brede regio in 2050 Kenmerken van een warmtesysteem van de toekomst Decentrale en centrale hubs met bronnen Slimme sturing
Index
Vorige Hoofdstuk
Volgende Hoofdstuk
Bijlagen
Vorige
Volgende
17
4. Toekomstbeeld:
Kenmerken van een warmtesysteem van de toekomst
Duurzame warmte in de brede regio in 2050 Veel is onzeker en 2050 is nog ver, maar niets doen is geen optie. Daarom gaan we uit van een waarschijnlijk toekomstbeeld en leggen we onzekerheden ter discussie op tafel.
Het warmtesysteem van de toekomst kenmerkt zich als het 4e generatie warmtesysteem. Dit wijkt op een aantal belangrijke punten af van de huidige generatie warmtesystemen zoals het Amerwarmtenet:
Het Amerwarmtenet wordt in de komende 30 jaar ontwikkeld tot een 4e generatie warmtesysteem, dat wordt gekenmerkt door lage temperaturen, een open (voor meerdere bronnen) netstructuur, efficiënt warmtegebruik, slimme energiesystemen en seizoensopslag. Dit is te bereiken met meerdere decentrale energie/warmtehubs, die voor een betere balans in het warmtesysteem zorgen, en centrale warmtehubs zoals de Amersite omdat daar op grotere schaal hernieuwbare warmtebronnen kunnen worden ontwikkeld en gecombineerd. De bronnenmix waarmee het warmtesysteem wordt gevoed bestaat uit niet-regelbare (restwarmte, geothermie, zonthermie en aquathermie) en in mindere mate regelbare hernieuwbare bronnen (biomassa, biogas, bio-olie en e-boilers). Daarbij speelt seizoensopslag van warmte ook een cruciale rol. Afnemers hebben een sleutelrol in het creëren van voorwaarden voor een 4e generatie warmtesysteem door op een spaarzame, efficiënte manier om kunnen gaan met energie/warmte. Gebouwen en andere afnemers die zijn aangesloten op het collectieve warmtesysteem hebben in dit toekomstbeeld dus zelf de nodige aanpassingen gedaan als bijdrage aan de transitie.
Lage temperaturen – Het systeem kan functioneren op lagere temperaturen (maximale aanvoer van 70 graden). Dit brengt grote voordelen met zich mee. Veel hernieuwbare warmtebronnen zijn lage temperatuur bronnen, en een lage temperatuur warmtesysteem kan om gaan met deze bronnen. Lagere temperaturen (aanvoer en retour) betekenen tevens efficiëntieverbetering van zowel de warmtebronnen als van het distributiesysteem. Open netstructuur en efficiënt gebruik warmte – Het systeem kan verschillende bronnen, die vanuit verschillende locaties op basis van diverse voorwaarden invloeden met elkaar verenigen en efficiënt benutten, door deze bronnen in verbinding te brengen met afnemers die op het juiste moment en op de juiste temperatuur worden beleverd. Hier is ook een grote rol voor het cascaderen van hoogwaardige energie, waardoor de opgewekte energie zo effectief mogelijk wordt gebruikt.
Smart energy system en opslag – Slimme sturing van het systeem en balans van vraag en aanbod worden in het toekomstige systeem van steeds groter belang om hernieuwbare bronnen goed te benutten, en om aansluiting te vinden tussen de behoeften van de afnemers en de leveringsvoorwaarden van hernieuwbare bronnen. Het inpassen van het systeem met andere energie-infrastructuren, zoals elektriciteit-, waterstof- en gasnetwerken om te komen tot een ‘smart energy system’ is daarbij van belang, om de mogelijkheden te kunnen benutten van uitwisseling/balans tussen deze systemen. Daarnaast speelt (seizoens)opslag van warmte een grote rol in dit toekomstig systeem om de mismatch tussen hernieuwbaar warmteaanbod (altijd aan) en warmtevraag (voornamelijk in de winter) op te lossen.
Koeling en zeer lage temperaturen kunnen op decentrale schaal ook een rol spelen. We hebben het dan over een 5e generatie warmtesysteem. Decentrale systemen kunnen worden aangesloten op het regionale systeem, zo kan een groter warmtesysteem van de 4e generatie verbonden worden met decentrale ontwikkelingen. Een systeem dat is ontwikkeld om decentrale bronnen van lage temperatuur en koude lokaal in te zetten kan op deze manier optimaler functioneren doordat er van het grotere systeem warmte kan worden geleverd op de momenten dat dit nodig is. Koude is altijd een decentrale oplossing, en is als zodanig ook geen onderdeel binnen een regionaal (warmte)systeem. Daarom is een regionaal systeem een 4e generatie warmtesysteem.
18
Decentrale en centrale hubs met bronnen
Het toekomstige warmtenet zal bestaan uit een centrale warmtehub en een aantal decentrale warmtehubs nabij afnemers. De centrale warmtehub heeft een belangrijke rol in het warmtesysteem doordat op deze locatie op grotere schaal hernieuwbare warmtebronnen kunnen worden ontwikkeld. Hierbij kan gedacht worden aan de Amersite en/of het industriepark Moerdijk als centrale warmtehub van het systeem. Naast de schaalvoordelen die ontwikkelingen op deze locatie met zich meebrengt kenmerken deze locaties zich tevens als een hub waar reeds verschillende infrastructuren van energie (grootschalig) bijeen komen. Dit creëert kansen om deze infrastructuren samen te brengen in een ‘smart energy system’. Tegelijkertijd is de ontwikkeling van een aantal decentrale warmtehubs van groot belang voor de regio.Het is niet voorstelbaar dat alle toekomstige warmtebronnen die nodig zijn in het toekomstig systeem kunnen worden ontwikkeld op een enkele locatie. Het is beter voor de balans in het systeem als deze vanuit verschillende locaties wordt gevoed, en doordat de afstand tussen bron en afnemer kleiner is kunnen deze bronnen met minder warmteverliezen bijdragen aan de warmtebehoefte. Ook draagt het bij aan de robuustheid en leveringszekerheid van het systeem door een deel van de warmte decentraal te organiseren. Bovendien kan hierdoor de participatie en het Index
Vorige Hoofdstuk
Volgende Hoofdstuk
draagvlak onder bewoners vergroot worden. Voorbeelden van een decentrale warmtehub en een centrale warmtehub zijn verder uitgewerkt in bijlage 3. In de kaart hieronder zijn mogelijke warmtehubs van de toekomst ingetekend als voorbeeld hoe dat eruit kan zien. We gaan er op het moment vanuit dat de rol van centrale energiehubs ergens in de bandbreedte van 30 – 60 % van de totale warmtebehoefte zal voorzien in het eindbeeld. Er zal een combinatie zijn van regelbare en niet regelbare hernieuwbare bronnen in het toekomstig warmtesysteem. Het grootste deel van de warmtevoorziening komt uit niet-regelbare bronnen zoals restwarmte, geothermie, zonthermie en aquathermie. Een kleiner maar flexibeler aandeel komt van regelbare hernieuwbare bronnen, zoals biomassa, biogas, bio-olie, en e-boilers. Met name de potentie van restwarmte uit de industrie en van geothermie komen naar voren als belangrijkste potentiële bronnen voor de Amerregio en beide bronnen maken dan ook onderdeel uit van het toekomstbeeld van het Warmtenet MWB. Restwarmte is daarbij geclusterd rond een aantal industriegebieden zoals Moerdijk en Vossenberg. De potentie van geothermie kan over de regio sterk verschillen maar is niet zo locatie gebonden. Hier is wel meer onderzoek voor nodig. Bijlagen
Figuur 2. Voorbeeld van een doorontwikkeld Amerwarmtenet met een balans tussen decentrale warmtehubs en centrale (back up) warmtebronnen. De decentrale warmtehubs bestaan uit een combinatie van decentrale duurzame bronnen en seizoensbuffering.
Vorige
Volgende
19
Slimme sturing
De warmtebehoefte is niet evenredig verdeeld over de dag en over het jaar. Er is een concentratie van vraag naar warmte in zowel de wintermaanden als op piekmomenten gedurende een dag. Het toekomstig warmtesysteem kent slimme sturing en communicatie met afnemers om door middel van vraagsturing meer balans aan te kunnen brengen tussen de warmtebehoefte en de bronnen die hier invulling aan geven (en die veelal continu draaien). De grootste bijdrage aan het balanceren van vraag en aanbod is opslag van warmte. Dit kan in buffertanks die voldoende kunnen opslaan om de fluctuaties gedurende de dag op te vangen. Ook is er seizoensopslag in grote opslagsystemen zoals HTO (hoge temperatuur opslag in daarvoor geschikte lagen in de ondergrond) en pitstorage (seizoensopslag bovengronds) nodig om de grote fluctuatie in het jaar op te vangen. Er zullen op verschillende locaties bij het warmtesysteem opslagsystemen moeten worden ontwikkeld; voldoende om de inzet van regelbare (hernieuwbare) bronnen tot een minimum te beperken. Investeringen in deze systemen zorgen voor efficiënter gebruik van beschikbare duurzame warmtebronnen, de infrastructuur om deze warmte te transporteren, en kunnen investeringen vermijden in het beschikbaar krijgen en houden van regelbaar vermogen.
Ook is het van groot belang dat in de toekomst zo goed mogelijk wordt omgegaan met de beschikbare energie. Dit vraagt om aanpassingen over de gehele keten van warmtelevering en de sleutel tot succes ligt daarvoor bij afnemers in hoe zij omgaan met energie in hun woningen en gebouwen. Afnemers zullen daarnaast om moeten kunnen gaan met de lage temperaturen die het systeem in de toekomst levert. Dit kan ook betekenen dat voor delen van het systeem de rol van afnemers verandert. Zo kunnen bepaalde afnemers, zoals grootverbruikers, flexibiliteit bieden en kan dit de efficiëntie van het collectief systeem ten goede komen. Daarnaast is er mogelijk de rol van gebruikers die gezamenlijk een lokaal initiatief willen ontwikkelen voor duurzame warmteproductie of warmteopslag, waardoor gebruikers tevens de rol van aanbieder van warmte vervullen. Foto 5: Afleverset van stadsverwarming, bron: Ennatuurlijk
20
Foto 6: Biomassa, bron: Ennatuurlijk
5. Transitiepaden Welke stappen zijn nodig?
Transitiepaden: Welke stappen zijn nodig? Ontwikkeling warmtesysteem in de tijd Drie Hoofdscenario’s Route 2050 Kader 3. Verduurzamen en ontwikkelen van collectief regionaal warmte-systeem
Index
Vorige Hoofdstuk
Volgende Hoofdstuk
Bijlagen
Vorige
Volgende
21
5. Transitiepaden: Welke stappen zijn nodig? De eerste jaren zullen we concrete stappen zetten om de afhankelijkheid van een centrale bron reduceren met behoud van garantie op warmtelevering. Daarvoor zijn (tijdelijk) alternatieve bronnen op hoge temperatuur nodig. Later wordt dan ingezet op lagere energiewaarden van bronnen, als ook maatregelen worden genomen aan de kant van de infrastructuur en afnemers om naar Lage Temperatuur (LT) te kunnen. Tegelijkertijd wordt in de eerste jaren geïnvesteerd in randvoorwaarden voor deze transitie (institutioneel, draagvlak, kennis, capaciteit, communicatie, etc.). Er is dus inzet nodig op infrastructuur, bronontwikkeling en vraagontwikkeling (zie de schematische samenvatting).
In 3 scenario’s geven we kort mogelijke transitiepaden weer met een bepaalde ontwikkeling van centrale en decentrale bronnen en met garantie warmtelevering. Dit geeft een doorkijk naar 2030, 2040 en 2050 en deze scenario’s werken verschillend door in het transitietempo en risico’s.
Visual 4. Belangrijkste Keuzes
22
Ontwikkeling warmtesysteem in de tijd
De verwachting is dat de vraag richting 2050 verdubbeld door toename van het aantal aansluitingen ondanks energiebespaarende maatregelen en efficienter warmtegebruik door afnemers (woningen en bedrijven), die van belang zijn om de collectieve warmtevoorziening met lagere temperaturen te kunnen verzorgen. Figuur 3: Verwachting warmtevraag ontwikkeling. Zie bijlage voor verdere informatie en onderbouwing Voor het tempo en de mate van collectiviteit als systeemkeuze zijn de twee belangrijkste variabelen die de ontwikkeling en groei in het aantal aansluitingen zullen beïnvloeden energiebesparing en collectiviteit. De verwachting is dat de energiebesparing aanvankelijk langzaam en na 2035 sterker zal ontwikkelen tot max 50% besparing in 2050 ten opzichte van 2020. Voor de uitbreiding van het net (collectiviteit) is uitgegaan van toename in de regio rond Breda en Tilburg (Waalwijk, Oosterhout en kleinere gemeenten in deze regio). Zie bijlage 5 voor nadere toelichting. Ook voor de bronontwikkeling zijn er naar verwachting tussenstappen en is er een transitieperiode waarin een graduele verschuiving plaatsvindt van de afhankelijkheid van minder duurzame bronnen naar volledig hernieuwbare bronnen. De belangrijkste bronnen die in deze transitieperiode op kortere termijn warmte kunnen leveren zijn: de aftapwarmte van de Amercentrale, aftapwarmte van Attero afvalcentrale, een
Index
Vorige Hoofdstuk
Volgende Hoofdstuk
grootschalige biomassacentrale en gasketels. Deze bronnen zijn in de tussentijd nog van groot belang omdat ze warmte op de benodigde temperatuur kunnen leveren op de momenten dat dit nodig is. Zonder deze bronnen kan warmtelevering in de tussenliggende transitieperiode niet gegarandeerd worden. Door de ontwikkeling van hernieuwbare warmtebronnen in decentrale warmtehubs zal in de loop van de tijd de rol van eerst genoemde ‘centrale’ bronnen gaan verschuiven en steeds meer de functie krijgen van piek- en middenlast levering in de winterperiode. Hiervoor is een bronnenstrategie nodig die bijvoorbeeld halfjaarlijks wordt aangescherpt om te kunnen blijven bijsturen. Dit heeft ook consequenties voor de infrastructuur. De huidige infrastructuur zal moeten worden aangepast en uitgebreid om de levering van warmte in de toekomst vorm te kunnen geven. Ook zullen de (aanvoer)temperaturen aanzienlijk gaan dalen. De daling van de transportvermogens die samenhangt met (sterkere) daling van de aanvoertemperatuur kan deels worden opgevangen door te investeren in extra transportpompen. In deze transitie is het daarmee van groot belang om het samenspel van al deze factoren goed te zien, en is het nodig te begrijpen wat de invloed is van deze ontwikkelingen op de mogelijkheden van de infrastructuur om producenten en afnemers over een bepaalde afstand met elkaar te verbinden.
Dit zal bijvoorbeeld een belangrijke rol
Bijlagen
spelen in de bepaling van het maximum vermogen dat vanuit een centrale bron kan worden georganiseerd, en dus ook wat er minimaal decentraal aan warmtebronnen moet worden georganiseerd. Daarnaast zal het toevoegen van (seizoens)buffercapaciteit in de buurt van afnemers ervoor zorgen dat de maximale gevraagde piekcapaciteit veel lager komt te liggen. Deze ontwikkeling zal eraan bijdragen dat het huidige warmtesysteem in staat is om veel meer warmte te beleveren dan in de huidige situatie. Er zal in de Amerregio een samenwerking moeten ontstaan tussen partijen die gecoördineerd gaan werken aan een isolatie- en inregelagenda.
Er zal in de periode tot 2030 ingezet worden op de ontwikkeling van een of twee grootschalige opslagsystemen, om deze nieuwe techniek voor het Amersysteem in de praktijk te kunnen brengen3 . Na 2030 zal een versnelling van de ontwikkeling volgen, als er al de nodige ervaringen zijn opgedaan, en kunnen deze opslagsystemen een steeds grotere bijdrage gaan leveren in het terugdringen van de behoefte aan regelbaar vermogen. Richting 2040 wordt hiermee (grootschalig) regelbaar vermogen van minder belang en kan met weinig problemen afscheid worden genomen van de regelbare transitiebron.
Warmtevraag Amernet (GJ) 6.000.000 5.000.000 4.000.000 3.000.000 2.000.000 1.000.000 0
2020
2030
2040
2050
Figuur 3: Verwachting warmtevraag ontwikkeling. Zie bijlage voor verdere informatie en onderbouwing
Vorige
Volgende
23
Drie Hoofdscenario’s
Scenario geothermie, decentrale bronnenmix en Amer.
Scenario Moerdijk, accent op industriële restwarmte en regionale uitwisseling.
Scenario ‘Back-up’ + geothermie en decentrale bronnenmix.
Er zijn drie hoofdscenario’s uitgetekend die inzicht geven in hoe de transitie naar het toekomstige systeem van het Warmtenet MWB er uit kan komen te zien en impliceert een systeemkeuze in de komende twee jaar. Deze scenario’s hebben als gemeenschappelijk uitgangspunt: een regionaal collectief warmtenet zoals het nu al is, wellicht onderdeel van een nog grotere regionale infrastructuur, waarbij de warmtelevering op termijn wordt gegarandeerd. Deze scenario’s gaan niet alleen om bronkeuzes maar juist ook over infrastructuur. De systeemkeuze van een grote backbone-infrastructuur moet toekomstbestendig zijn, en dus samenhangen met een duidelijk toekomstbeeld met potentieel van meerdere bronnen. Deze scenario’s zouden verder uitgewerkt moeten worden om te komen tot een keuze op basis van welke centrale bronontwikkeling het beste past bij de regio, welk scenario het meest kosteneffectief is of de grootste decentrale bronontwikkeling stimuleert. Wel worden afwegingen die te maken zijn duidelijk op basis van deze eerste aanzet. Zie bijlage 6 voor nadere toelichting.
De Amercentrale blijft beschikbaar op middellange termijn (transitieperiode) en investeert verder in biomassa. Intussen wordt geïnvesteerd in decentrale bronnen. Warmtelevering is gegarandeerd en er zijn middelen voor duurzame, decentrale bronnen in warmtehubs. Vooral de ontwikkeling van geothermie op grote schaal zal een grote rol spelen in dit scenario en daar is meer onderzoek voor nodig. In 2030 is dan naar verwachting meer dan 50% van de warmte die wordt benut in het systeem uit alternatieve (hernieuwbare) warmtebronnen afkomstig. Richting 2040 nemen we afscheid van de Amercentrale als transitiebron maar wordt de Amersite een ‘smart energy hub’ om zo effectief gebruik te maken van de beschikbare ruimte en infrastructuur. Het kan echter zijn dat het draagvlak voor biomassa zó sterk afneemt dat de Amercentrale als transitiebron sneller ter discussie komt te staan.
Er komt een warmteleiding naar Moerdijk, een grote investering. Restwarmte van industrie en de afvalcentrale wordt ingezet, terwijl decentrale bronnen worden ontwikkeld. Er is snel leveringszekerheid, die minder afhankelijk is van de Amercentrale. Op de middellange termijn maken de restwarmtebronnen uit Moerdijk een belangrijk deel uit van de warmtelevering. Dit betekent dat er op de middellange termijn minder ruimte is voor de grootschalige ontwikkeling van andere alternatieve bronnen zoals geothermie. Deze ontwikkelingen zullen nog steeds gaan plaatsvinden, echter komen deze verder in de tijd. Er is echter een onzekerheid over warmtelevering omdat ook de industrie verduurzaamt Deze oplossing remt mogelijk andere investeringen.
Geen centrale bron, maar meteen volledige inzet op decentrale, duurzame bronnen, met veel gasketels en misschien ook een nieuwe biomassacentrale als back-up. Tegen 2030 leveren nieuwe alternatieve bronnen (buiten de biomassacentrale) dan meer dan 50% van de warmte. De regio is snel niet meer afhankelijk van één bron, maar er is minder leveringszekerheid. Het is dan ook voorstelbaar dat dit scenario uiteindelijk betekent dat het huidige systeem wordt opgedeeld in meerdere kleine systemen die op lokale\ schaal warmte aanbod en vraag bijeen brengen. Het is vanwege de back-up ook een dure optie.
3
In 2020 is in het kader van het nationale programma WINDOW een eerste verkenning naar hoge temperatuur opslag (HTO) in de ondergrond nabij Tilburg en Breda uitgevoerd.
Dit resulteerde in een advies om in 2021 een integrale fact-finding naar de mogelijkheden, voorwaarden en beperkingen van HTO in de ondergrond Brabant breed uit te voeren.
24
Route 2050
Zowel op systeemniveau als institutioneel, maatschappelijk en op bron- en vraagontwikkeling moet de komende jaren veel gebeuren. Deze ontwikkelingen hebben ook invloed op elkaar. Er moet gewerkt worden aan het nieuwe systeem met: 1. Ontwikkeling vraag (zuinig en efficiënt) 2. Ontwikkeling hernieuwbare bronnen/bronnenmix in meerdere decentrale warmtehubs en in de centrale warmtehub 3. Ontwikkeling warmte-infrastructuur (in- en uitbreiding, seizoensopslag, cascaderen) Ook moet er coördinatie komen voor tijdens transitieproces met 4. Randvoorwaarden zoals een coördinerende organisatie, andere risico- en investeringsmodellen, ondersteunende wet- en regelgeving, capaciteit, onderzoek, etc. 5. Garantie warmtelevering tijdens transitie 6. Inzet huidige bronnen beperken door voorrang te geven aan nieuw te ontwikkelen bronnen. Op termijn kunnen nieuwe bronnen de huidige bronnen geheel vervangen. Visual 5a. Marsroute 2050
Index
Vorige Hoofdstuk
Volgende Hoofdstuk
Bijlagen
Vorige
Volgende
25
Route 2050
Op systeemniveau gaat het om inzet op ontwikkeling van de decentrale en centrale hub. Dit betekent ook dat er systeemkeuzes moeten worden gemaakt, zoals voor scenario A, B of C. Belangrijke ijkpunten zijn: 2022
Keuze Moerdijk
2030
Een deel van de bestaande wijken is over op lagere temperatuur en cascadering kan worden toegepast
2035
Sterke verbindingen met andere energie-infrastructuur komt tot stand (elektriciteit, waterstof)
2040
Grote delen van het systeem kunnen op lage temperatuur worden bedreven
2050
Alle wijken zijn over op een lage temperatuur, het systeem is totaal over op lage temperatuur
Daarvoor is een organisatiestructuur nodig voor regionale warmteregie op institutioneel niveau. Dit gaat ook om afstemming tussen de twee RES regio’s en de decentrale warmteplannen.
Visual 5b. Marsroute 2050
26
Route 2050
De transitie kan niet zonder maatschappelijke betrokkenheid. Dit kan er anders uitzien in de verschillende perioden van de transitie. In het begin gaat het om gezamenlijke fact-finding om een gedeeld beeld te krijgen van wat mogelijk en wenselijk is voor de regio. In de uitvoering kunnen lokale bewoners/ initiatiefnemers/ ondernemers een belangrijke rol hebben en zal er ook actief ingezet moeten worden op communicatie met omwonenden en betrokkenen. Voor maatschappelijk draagvlak moet actief het gesprek met wijken en buurten en met ondernemers worden aangegaan. Voor draagvlak is het ook belangrijk dat in 2030 de warmteprijs op basis van kostprijsbenadering tot stand komt en aardgas als referentie wegvalt. Zo zal er steeds worden gezocht naar de juiste vorm en invulling van de maatschappelijke betrokkenheid.
Index
Vorige Hoofdstuk
Volgende Hoofdstuk
Op bronontwikkeling wordt ingezet op de ontwikkeling van nieuwe, duurzame centrale en decentrale bronnen. De verhouding centraal/decentraal zal in de tijd verschuiven naar meer warmteaanbod vanuit decentrale bronnen. Het tempo en eindbeeld daarin zijn nog onzeker. Tegelijk zal biomassa langzaam worden afgebouwd mits er voldoende alternatieve warmte beschikbaar is.
Bijlagen
Belangrijke ijkpunten zijn: 2023:
Eerste decentrale bron online
2022:
Eerste decentrale hub (Breda) uitgedacht
2022:
Energiestrategie centrale hub voor komende 10 jaar gereed
2027:
Eerste decentrale hub levert warmte, tweede en derde decentrale hubs uitgedacht
2027:
Eerste nieuwe bronnen leveren energie vanuit centrale hub
2030:
Tweede decentrale hub levert energie
2030:
Ca. 80-10 MW vermogen aan nieuwe basislastbronnen (50% decentraal, 50% centraal), daarnaast nog een paar regelbare duurzame bronnen (bijv. E-boilers) ontwikkeld
2030 - 2035
Waterstofproductie op centrale locatie
2032:
Derde decentrale hub levert energie
2035-2040:
Afscheid centrale regelbare bron
Tot slot zal op de vraagontwikkeling cascadering een steeds belangrijker onderwerp worden. Dit heeft ook direct effect op het systeemniveau omdat het gaat om aankoppeling van bronnen op de juiste temperatuur en van afnemers die naar een steeds lagere temperatuur toe kunnen. Hiervoor is ook inzet op isolatie nodig en dat vraagt draagvlak en financieringsconstructies. Uitbreiding van het collectieve net is in feite ook een systeemkeuze waar draagvlak een rol speelt. Het tempo van aansluiting wordt daarom bepaald door financieringsmogelijkheden (aantrekkelijk aanbod), vertrouwen in de betrokken partijen, vertrouwen in de toekomstbestendigheid van de keuze (duurzame bronnen, warmte garantie, etc.) en mogelijk ook transparantie/ inspraak.
Vorige
Volgende
27
Kader 3. Verduurzamen en ontwikkelen van collectief regionaal warmte-systeem
In de warmtevisies van de gemeenten in het Warmtenet MWB-gebied wordt gekeken naar de verschillende (keuze)mogelijkheden voor de warmtetransitie. Het in- en uitbreiden van het bestaande regionale warmtenetwerk in het stedelijk gebied is een van die mogelijkheden. Maar er zijn ook andere: all-electric oplossingen m.b.v. warmtepompen bijvoorbeeld, of een lokaal lagere temperatuur warmtenetwerk op basis van bijvoorbeeld aquathermie. In de afwegingen en keuzes is de afstemming met (isolatie)maatregelen die het warmtegebruik efficiënter maken belangrijk. Dit is een complex proces, waarin de steun en keuzevrijheid van burgers een belangrijk uitgangspunt is. Maar ook afstemming met andere gebiedsgerichte inrichting- en beheermaatregelen speelt. In wat het ‘Driehoekoverleg’ is genoemd zijn hiervoor de eerste gebiedsgerichte en businesscase verkenningen uitgevoerd in Breda en Tilburg. Het te verduurzamen regionale warmtenetwerk kan lokaal op verscheidene manieren van waarde zijn en worden ingezet: a) basisvoorziening in de wijk, b) back up voor lokaal lage temperatuur warmtenet, c) effectief gebruik lokale bronnen door (terug)levering aan regionaal systeem vanuit lokale initiatieven en prosumenten
De rol van het regionaal warmtesysteem voor een specifieke wijk kan over tijd verschuiven. Daarbij is het belangrijk te begrijpen dat het warmtesysteem kan worden beschouwd als een organisme, die zich over tijd aan kan passen aan de veranderende behoeften. Bij het ontwerp van het (toekomstig) systeem wordt er mee rekening gehouden dat het gebruik van de warmte-infrastructuur over tijd zal veranderen.
Vanuit het perspectief van burgers, van bewoners in een wijk is het van belang om al op korte termijn aandacht te besteden aan belangrijke andere dan de warmtesysteem-technische vragen, zoals:
Van de gemeente wordt verwacht dat die een duidelijk standpunt heeft, dat die transparant is over wat wel en niet bekend is en zorg draagt voor een zorgvuldig besluitvormingsproces waarin vooraf duidelijk is welke invloed burgers daarin op welke momenten kunnen hebben.
• Kosten, de toekomstige betaalbaarheid • Keuzevrijheid of niet
Keuzes die gemaakt worden rondom warmte-infrastructuur zijn daarmee niet een definitieve keuze voor een bepaalde afhankelijkheid van bron(keuze) of relatie tussen producent(en) en afnemers. De open netstructuur kan er toe bijdragen dat per wijk wordt bekeken welke oplossing(en) het meest passende zijn. Het is ook denkbaar dat daarin ontwikkelingsstappen worden gemaakt en dat de eerste keuze een tussenstap is. Een wijk kan bijvoorbeeld eerst worden voorzien met lokale oplossingen, om later in de tijd alsnog aan te sluiten op het bredere warmtenet als dit over tijd de optimale oplossing blijkt. Andersom is het mogelijk dat wijken die volledig vanuit het regionaal net worden beleverd op den duur ook lokaal een oplossing voor lage temperatuur warmte en koude ontwikkelen, waardoor de relatie tot het bredere systeem verandert.
• Overlast in en om het huis bij verandering van systeem • Indirecte consequenties als vervangen van fornuis (van gas naar inductie) • Duurzaamheid van de gekozen oplossing • Onzekerheid over de energietransitie • Transparant en overzichtelijk proces • Vertrouwen
28
Foto 7: Kastuinder, bron: Ennatuurlijk
6. Vervolg Wat gaan we doen?
Doelstellingen Organisatie en rollen Onderzoek en ruimtelijke invulling Kader 4. Driehoeksoverleg
Index
Vorige Hoofdstuk
Volgende Hoofdstuk
Bijlagen
Vorige
Volgende
29
6. Vervolg: Wat gaan we doen?
Doelstellingen
We hoeven niet vandaag al te kiezen, maar moeten wel weten
De transitie van het Warmtenet MWB heeft op verschillende niveaus doelstellingen. Op het hoogste niveau zijn dit:
wat de opties zijn en hoe we straks gaan kiezen. Nu is er nog tijd voor onderzoek en maatschappelijk debat. Daarom zijn er vier doelstellingen en vier organisatiepijlers die een eerste richting geven aan de belangrijke vragen keuzes in de warmtetransitie in de brede regio.
• Verduurzamen (stap voor stap) van dit regionale warmtenet naar een volledig duurzaam collectief warmtesysteem van de 4e generatie. • Een betaalbaar warmtesysteem dat bereikbaar is voor een grote diversiteit aan afnemers in de regio. • De omgeving actief betrekken bij de totstandkoming van het duurzame regionale collectieve warmtesysteem. Samenwerking wordt is voorwaarde voor verandering. • Een transitiepad volgen dat voldoet aan de verwachtingen/eisen, zonder dat dit gepaard gaat met kostbare tijdelijke oplossingen.
Om deze doelen dichterbij te brengen is op korte termijn nodig: • Lange termijn systeemkeuze regionaal warmtenetwerk in 2022 (bovenregionale warmtestrategie RE(K)Sen) • Bredere deelname van private partijen in het (in het kader van de bestaande samenwerking) verkennen en formuleren van een onderzoeks- en investeringsprogramma voor het stapsgewijs ontwikkeling van de infrastructuur en een mix van hernieuwbare bronnen (2021-2022) • (Lobby richting rijk voor) wet- en regelgeving die ook particuliere woningeigenaren (2021) • Kavelbesluit voorbereiden door gemeenten in 2021/22 – hiervoor kennis en inzicht van de andere partijen in de samenwerking gebruiken. • Formeren en activeren van een stakeholderoverleg voor de warmtetransitie in de gebouwde omgeving, waar gezamenlijk feiten onderzoek en een lerende aanpak op basis van praktijkervaring centraal staat (start in Q1 2021)