bijlage bij slabloonvragen - Warmtenet_Transitieplan_ipdf_SLJ_EMMA_23022021 X
Tekst van het document
• Onderzoeks- en ontwikkelprogramma Geothermie en ondergrondse seizoensopslag – zowel (geo)technisch als hoe dat in overeenstemming te brengen met grond- en drinkwaterbeschermingsbeleid • Actieprogramma beschikbaar maken restwarmte (ook in combinatie met seizoensopslag) In dit rapport is een eerste marsroute uitgezet van de bronontwikkeling. Dit zal waarschijnlijk met halfjaarlijkse updates steeds aanscherping en bijsturing krijgen. Daarbij zal toegewerkt worden naar een breed portfolio van energieprojecten die invulling kunnen geven aan de bronnenstrategie, gezien de slagingskans van individuele projecten niet 100% is. De bronnenstrategie stuurt op hoofdpunten waar in de tijd we willen inzetten op ontwikkeling van bronnen en op de belangrijkste keuzes m.b.t. de infrastructurele aanpassingen om zaken bijeen te brengen. Systeemkeuze bovenregionaal verankeren Uit de scenario’s wordt het beeld duidelijk dat er in het opzetten van de bronnenstrategie ook een duidelijke bovenliggende systeemkeuze te maken is, die in een breder licht moet worden afgewogen dan puur kijkend naar de opgave voor verduurzaming van het Warmtenet MWB. De RES’en voor West-Brabant en Hart van Brabant zijn hiervoor het geëigende kader. Deze systeemkeuze – is een verbinding met Moerdijk en verdere uitbreiding van het regionaal warmtesys-
Vorige
Volgende
52
Bijlage 5. Nadere onderbouwing van vraagontwikkeling en aanbodontwikkeling van het warmtesysteem in de tijd teem een logische weg? – zal de komende jaren gemaakt moeten worden op basis van inzichten in de mogelijkheden die de geschetste scenario’s bieden om warmtelevering in het Warmtenet MWB te garanderen, naast andere bovenliggende keuzes omtrent de regionale energietransitie (elektriciteit, industrie, waterstof, etc.) en hoe dit bijeen te brengen. Partijen werken in de komende tijd aan een gedetailleer de uitwerking van de mogelijkheden van de verschillende scenario’s, zodat uiterlijk in 2022 een definitieve keuze gemaakt kan worden voor een bronnenstrategie en bijbehorende kaders en ontwikkelpaden in de tijd kunnen worden gezet. Daarbij komt de vraag ook naar voren of een combinatie van bovengenoemde scenario’s (A+B) een vruchtbaar alternatief kan vormen boven de twee (uiterste) scenario’s. Dit zal in het kader van de bovenregionale systeemkeuze ook meer helder worden. Echter kan op dit moment wel de conclusie worden getrokken dat een inzet op beide scenario’s er uiteindelijk zal toe leiden dat er een veelvoud aan vermogen beschikbaar komt van warmteproductie, ten opzichte van wat op middellange termijn benodigd is in de regio. Dit zou dus al snel kunnen leiden tot onnodige (des)investeringen.
Op de lange termijn (2040), wanneer regelbare transitiebronnen niet meer nodig zijn en basislastbronnen zoals geothermie en restwarmte zeer effectief kunnen worden ingezet in de levering van het gehele jaarprofiel (onder meer door opslag) is het juist wel weer
Vorige Hoofdstuk
denkbaar dat inzet op bronnen uit Moerdijk en inzet op bronontwikkeling dichtbij de afnemers elkaar juist zeer goed kunnen aanvullen. Echter zegt deze lange termijn combinatie niet dat de combinatie van scenario’s op de middellange termijn (transitieperiode) het juiste pad is om op een betaalbare manier de transitie te organiseren. Mogelijkheden (huidige) infrastructuur De verschillende scenario’s laten een verschillende doorkijk zien van de manier waarop de huidige infrastructuur kan worden gebruikt, zal moeten worden aangepast en uitgebreid om de levering van warmte in de toekomst vorm te kunnen geven. Op basis van de huidige temperatuurregimes is de huidige (hoofd) infrastructuur in staat om ca. 160 MW warmte vanuit Geertruidenberg naar Tilburg te transporteren. Richting Breda (en Made) is dit ca. 215 MW. In de toekomst zullen (aanvoer)temperaturen aanzienlijk gaan dalen. Om effectief gebruik te kunnen blijven maken van de infrastructuur is het daarmee van groot belang dat gebruikers de warmte die zij ontvangen goed omzetten in effectief gebruik, waardoor een lage retourtemperatuur kan worden behaald. Het verschil tussen aanvoer- en retourtemperaturen bepaalt uiteindelijk hoeveel warmte over de leidingen getransporteerd kan worden. De daling van de transportvermogens die samenhangt met (sterkere) daling van de aanvoertemperatuur kan deels worden opge-
vangen door te investeren in extra transportpompen. In deze transitie is het daarmee van groot belang om het samenspel van al deze factoren goed te zien en te begrijpen wat de invloed is van deze ontwikkelingen op de mogelijkheden van de infrastructuur om producenten en afnemers over een bepaalde afstand met elkaar te verbinden. Dit zal bijvoorbeeld een belangrijke rol spelen in de bepaling van het maximum vermogen dat vanuit een centrale bron kan worden georganiseerd, en dus ook wat er minimaal lokaal aan warmtebronnen moet worden georganiseerd. Daarnaast zal het toevoegen van (seizoens)buffercapaciteit in de buurt van afnemers ervoor zorgen dat de maximale gevraagde piekcapaciteit veel lager komt te liggen. Deze ontwikkeling zal eraan bijdragen dat het huidige warmtesysteem in staat is om veel meer warmte te beleveren dan in de huidige situatie. De infrastructuur is aangelegd op basis van de maximale piekbehoefte. Als het verschil tussen maximale piekbehoefte en gemiddeld gebruik afneemt wordt effectiever gebruik gemaakt van de bestaande infrastructuur. Beperkingen van de huidige infrastructuur zullen dan ook altijd in relatie tot toekomstige ontwikkelingen moeten worden bezien.
Als alle warmte vanuit de centrale opweklocatie (Amersite en Moerdijk) moeten worden voorzien, zonder dat er ontwikkeling plaatsvindt van decentrale bronnen en opslag zal het systeem bij steeds groeiende warmtebehoefte in de gebouwde omgeving tegen gren-
zen aan gaan lopen. Juist omdat voorzien is dat deze bronnen ontwikkeld worden en er ingezet wordt op opslagsystemen zijn er geen redenen om te bedenken dat deze beperkingen een belemmering gaan vormen. Ontwikkeling opslagsystemen Naast de ontwikkeling van een portfolio van alternatieve bronnen zal een belangrijke bijdrage van de transitie van het Warmtenet MWB gaan komen uit het ontwikkelen van een portfolio van opslagsystemen verspreid over het regionale warmtesysteem. Voor de seizoensopslag van warmte zullen er over de transitieperiode mogelijk tientallen bronnen (opslagvoorzieningen) ontwikkeld moeten worden, om naar de toekomst de volledige warmtebehoefte te kunnen voorzien met niet-regelbare hernieuwbare warmtebronnen. Er zal in de periode tot 2030 ingezet worden op de ontwikkeling van een of twee grootschalige opslagsystemen, om deze nieuwe techniek voor het Amersysteem in de praktijk te kunnen brengen . Na 2030 zal een versnelling van de ontwikkeling volgen, als er al de nodige ervaringen zijn opgedaan, en kunnen deze opslagsystemen een steeds grotere bijdrage gaan leveren in het terugdringen van de behoefte aan regelbaar vermogen. Richting 2040 wordt hiermee (grootschalig) regelbaar vermogen van minder belang en kan met weinig problemen afscheid worden genomen van de regelbare transitiebron.
53
Bijlage 5. Nadere onderbouwing van vraagontwikkeling en aanbodontwikkeling van het warmtesysteem in de tijd Aanpassing systeem naar lage temperatuur Er zal in de Amerregio een samenwerking moeten ontstaan tussen partijen die gecoördineerd gaan werken aan een isolatie- en inregelagenda. In de periode tot 2030 zal in een paar wijken die reeds zijn aangesloten op het warmtenet gestart worden met een gecoördineerde renovatie/aanpassing van gebouwen zodat deze op lagere temperatuur kunnen worden beleverd. Tevens kan in deze periode in samenwerking met selecte grootverbruikers, waaronder de glastuinbouw, worden gewerkt aan aanpassingen waardoor het systeem op deze selecte plaatsen teruggebracht kan worden in temperatuur. Er zal hierin verkend moeten worden hoe risico’s/ investeringen van deze aanpassingen worden verdeeld.
Index
Draagvlak en inspraak tijdens transitie De transitie kan niet zonder maatschappelijke betrokkenheid. Dit kan indirect via volksvertegenwoordigers zoals gemeenteraadsleden of bestuurders van waterschappen. Maar ook direct via verschillende vormen van participatie of via organisaties zoals lokale energiecoöperaties. Participatie kan de acceptatie van de transitie en de maatregelen vergroten, kennis en denkkracht van inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties benutten in de planvorming.
Het transitieproces kan van bovenaf aangestuurd worden maar ook van onderop of allebei tegelijk. Dit vraagt wel goede coördinatie omdat in deze regio de warmte gegarandeerd moet blijven voor bestaande afnemers. Als we kijken naar deze regio, zijn er veel mogelijkheden voor het ontwikkelen van decentrale bronnen waar bewoners en lokale ondernemers de initiatiefnemers en/of mede-eigenaren kunnen zijn. Dat is een mogelijkheid voor de transitie van onderop. Hoe zich dit verder ontwikkeld is nog niet bekend.
Vragen die inwoners hebben zijn bijvoorbeeld:
Ook is het de vraag of de nieuwe warmtewet in ontwikkeling hier voldoende ruimte voor biedt. Communicatie is tijdens de transitie sowieso heel belangrijk zodat inwoners en ondernemers antwoord krijgen op hun vragen.
Nog niet op alle vragen zijn de antwoorden al te geven. Dat is niet erg als maar duidelijk is wat we wel en niet weten en hoe we tot antwoorden gaan komen.
• Wat wordt er verwacht? • Wie heeft welke rol? Hoe en wanneer heb ik invloed? • Hoe loopt het besluitvormingsproces? • Welke opties heb ik? • Wat kost het mij? • Wat doet de gemeente? Wat moet ik zelf doen? • Wat gebeurt er als ik niets doe? • Hoe wordt dit in de buurt aangepakt?
Vorige
Volgende
54
Bijlage 6. Drie scenario’s uitgewerkt In deze bijlage vindt u een uitwerking van de drie hoofdscenario’s die in de tekst zijn vernoemd. Bij elk scenario wordt een mogelijke bronnenmix over de tijd weergegeven.
Drie Hoofdscenario’s Scenario’s hebben als gemeenschappelijk uitgangspunt: een regionaal Warmtenet MWB zoals het nu al is, wellicht onderdeel van een nog grotere regionale infrastructuur, waarbij de warmtelevering op termijn wordt gegarandeerd. Deze scenario’s zouden verder uitgewerkt moeten worden om te komen tot een keuze op basis van welke centrale bronontwikkeling het beste past bij de regio, welk scenario het meest kosteneffectief is of de grootste decentrale bronontwikkeling stimuleert. Wel worden afwegingen die te maken zijn, duidelijk op basis van deze eerste aanzet.
Scenario Geothermie, decentrale bronnenmix en Amer De meeste aandacht gaat de komende jaren naar de ontwikkeling van meerdere geothermiebronnen, naast ontwikkelingen van e-boilers, zonnewarmte, lokale restwarmte en een biomassa-installatie. Een aantal van deze bronnen zullen worden ontwikkeld op de centrale hub op de Amersite, terwijl er ook diverse bronnen zullen worden gecreëerd in decentrale warmtehubs, zoals bijvoorbeeld in Plukmade, in Breda-Noord en aan de rand van Tilburg. Verdere uitbreiding van het bestaande Warmtenet MWB gaat zo veel mogelijk gepaard met het creëren van decentrale warmtehubs. Hierdoor verschuift over tijd ook de rol/bijdrage vanuit de decentrale hubs en worden deze hubs uiteindelijk de belangrijkste bronnen voor het Warmtenet MWB. A.
In dit scenario vervult de Amersite de rol van centrale warmtehub waar de Amercentrale de rol heeft van een regelbare transitiebron. Op deze locatie zal over de transitieperiode een breed aantal bronnen tot ontwikkeling worden gebracht, waardoor de bronnenmix vanuit de Amersite diversifieert. In 2030 is naar verwachting meer dan 50% van de warmte die wordt benut in het systeem uit alternatieve (hernieuwbare) warmtebronnen afkomstig. Richting 2040 nemen we afscheid van de Amercentrale als transitiebron, waardoor er vanaf een bepaald moment voor een beperkte tijd extra inzet van gasketels nodig zal zijn om het wegvallen van dit regelbaar vermogen op te vangen. Op dat moment be-
Vorige Hoofdstuk
schikt de Amersite over een breed scala aan duurzame regelbare en niet-regelbare bronnen waarmee de rol van centrale warmtehub ingevuld kan worden. De locatie leent zich sterk voor deze rol, omdat op deze locatie verschillende hoofd-energie infrastructuren samen komen, waardoor een breed scala aan bronnen effectief kunnen worden georganiseerd en er ook uitwisseling kan plaatsvinden met andere energie infrastructuren waardoor de Amersite een ‘smart energy hub’ wordt. In decentrale energiehubs worden verschillende bronnen op een slimme manier gecombineerd zodat zo effectief gebruik gemaakt wordt van de beschikbare ruimte (in de omgeving, in het systeem en in beleid). Verschillende locaties zullen worden aangewezen waar de mogelijkheden van decentrale bronontwikkeling in detail worden onderzocht. Daarbij kan worden gekeken naar bestaande ontwikkelingen van energie infrastructuur (zoals nabij RWZI Nieuwveer), of kan worden gekeken naar bestaande potentiële warmtebronnen (zoals restwarmte uit Vossenberg). De ontwikkelingen op de centrale warmtehub (Amersite) en decentrale energiehubs moeten zorgen voor een (basislast) vermogen van ca. 80 MW in 2030 (genoeg voor ca. 50% van de warmtebehoefte). Dit zal ertoe leiden dat regelbare bronnen, waaronder de Amercentrale, enkel nog nodig zijn voor warmtelevering in de koudste 6 maanden van het jaar.
De Amercentrale zal dan ook een groot deel van het jaar uit bedrijf worden genomen, en daarmee significant minder produceren
55
Bijlage 6. Drie scenario’s uitgewerkt over het geheel jaar genomen. Hiernaast zullen enkele duurzame regelbare bronnen worden ontwikkeld, zodat dat flexibiliteit in het systeem ook voor een deel kan worden geborgd vanuit alternatieve bronnen. In de periode tot 2040 zal het basislast-vermogen meer dan verdubbelen, zodat naast de extra warmtevraag uit uitbreidingen van het warmtesysteem ook de feed-out van de Amercentrale goed wordt opgevangen. Om dit grote vermogen aan basislast bronnen goed in te zetten, is het nodig dat in de tussenliggende periode tot 2040 voldoende mogelijkheden zijn ontwikkeld om warmte langdurig op te slaan. In dit scenario creëert de aanwezigheid van de Amercentrale als regelbaar duurzaam vermogen de ruimte om op een gedegen manier te werken aan de ontwikkeling van alternatieve hernieuwbare (decentrale) warmtebronnen, terwijl er zekerheid is van warmtelevering in de tussenliggende periode tot voldoende bronnen zijn ontwikkeld. Dit scenario is afhankelijk van de mogelijkheden om geothermie op grote schaal toe te passen in de regio. Er is de komende tijd een intensieve studie nodig naar de kansrijkdom van deze techniek op een aantal specifieke locaties in de buurt van het warmtenet (naast het eerste project in Plukmade, onder meer ook de Amersite en locaties nabij Tilburg en Breda).
Index
De belangrijkste risico’s van dit scenario zijn: de (maatschappelijke) acceptatie van de biomassa-gestookte Amercentrale als transitiebron, en dat het realiseren van geothermie meer tijd vergt en (aan de voorkant) kostbaar is. Onderstaand plaatje geeft een doorkijk van de mogelijke bronnenmix in dit scenario over tijd.
B.
Scenario Moerdijk, accent op industriële restwarmte en regionale uitwisseling Er zal geïnvesteerd worden in een grote regionale warmteleiding tussen het Warmtenet MWB en het industriepark Moerdijk, waarvan de initiële investering wordt geschat tussen de 80 en 100 miljoen euro. Hierdoor komt restwarmte van grote industriële bedrijven beschikbaar en is een verbinding te maken met de aftapwarmte van de Attero afvalcentrale. Als deze warmteleiding is gerealiseerd, in ca. vijf jaar tijd, zal de aftapwarmte uit de Attero centrale de rol kunnen innemen van de Amercentrale en gaan dienen als transitiebron. Er is relatief meer inzet van gasketels in de transitieperiode, daar het beschikbaar vermogen van de Attero centrale minder is dan die van de Amercentrale, die na in gebruik name van de leiding naar Moerdijk geen onderdeel meer uit maakt van de bronnenmix. Op de middellange termijn maken de restwarmtebronnen uit Moerdijk een belangrijk deel uit van de warmtelevering. Er zijn significante investeringen gemoeid met de ontwikkeling van een warmteleiding naar Moerdijk, die alleen gerechtvaardigd kunnen worden als er voldoende gebruik gemaakt wordt van de bronnen in Moerdijk (restwarmte en aftapwarmte). Dit betekent dat er op de middellange termijn minder ruimte is voor de grootschalige ontwikkeling van andere alternatieve bronnen zoals geothermie.
Deze ontwikkelingen zullen nog steeds gaan plaatsvinden, echter komen deze verder in de tijd. Dat komt omdat er over een lange
periode effectief gebruik gemaakt wordt van warmte uit Moerdijk om de investeringen in de leiding te kunnen rechtvaardigen, waardoor er veel minder ruimte overblijft voor alternatieve bronnen. Dit betekent echter niet dat er helemaal geen ruimte is om te starten met de ontwikkeling van een eerste decentrale energiehub. Die ontwikkelingen zullen nog steeds vorm krijgen de komende jaren. Voor het verbeteren van de balancering en de efficiency in het warmtenet is het investeren in seizoensopslag in de directe nabijheid van (concentraties van) afnemers van belang. Er zijn verschillende triggers die kunnen leiden tot effectuering van dit scenario. Ten eerste, zal de ontwikkeling van deze pijplijn versneld worden op het moment dat blijkt dat de ontwikkelingen die in scenario A zijn geschetst van decentrale bronontwikkeling (met nadruk op geothermie) onvoldoende zullen zijn om in de periode tot 2040 een gefaseerde omschakeling van de huidige bronnen naar deze nieuwe bronnen mogelijk te maken. Ten tweede, zal er op een bovenregionale schaal gekeken worden naar de toekomstige energie-infrastructuren (naast warmte, onder andere elektriciteit, waterstof en CO2) die bijdragen aan de energietransitie van de regio en daarbuiten.
Een afweging voor een leiding tussen Moerdijk en de Amerregio zal ook vooral moeten worden bezien in dit breder kader, waarbij de energietransitie van de industrie, vervoer, agrarische sector en gebouwde omgeving
Vorige
Volgende
56
Bijlage 6. Drie scenario’s uitgewerkt op totaalniveau worden beschouwd. Een gedegen studie naar de maatschappelijke kosten en baten van deze leiding zal moeten volgen, waarbij ook op detailniveau de risico’s en implicaties voor de warmtelevering in de regio scherp moeten worden. De systeemkeuze van een grote backbone-infrastructuur moet toekomstbestendig zijn, en dus samenhangen met een duidelijk toekomstbeeld met potentieel van meerdere bronnen.
op de (lange termijn) beschikbaarheid van restwarmte. Als deze beschikbaarheid over tijd sterk vermindert (door de energietransitie van deze industrieën en bijbehorende efficiëntie slagen die gemaakt worden), zal al snel dit pasverworven alternatieve vermogen ook weer vervangen moeten worden door nieuwe bronnen. Als dit alternatieve vermogen dichter bij de afnemers georganiseerd kan worden (in decentrale warmtehubs), kan dat betekenen dat de leiding tussen Moerdijk en de Amerregio al snel van minder betekenis is, hetgeen ook betekent dat er zal worden afgeschreven op de investeringen in de leiding. Voor dit scenario wordt er de komende tijd ingezet op een verkenning naar kansen en risico’s van het aanleggen van deze transportleiding . Ook is er meer inzicht nodig in de toekomstbestendigheid van restwarmte.
De rol van centrale warmtehub zal in dit scenario waarschijnlijk worden ingevuld door Moerdijk. Restwarmte uit de industrie in Moerdijk zal in de transitieperiode een sleutelrol spelen, maar blijft ook in de periode daarna een belangrijke rol hebben tenzij de beschikbaarheid van restwarmtebronnen verandert. Dit is tevens een belangrijk risico voor dit scenario, daar niet duidelijk is hoe de energietransitie in Moerdijk invloed gaat hebben
Vorige Hoofdstuk
Scenario ‘Back-up’ + geothermie en decentrale bronnenmix In het geval dat beide andere scenario’s geen mogelijkheden bieden om op de middellange termijn regelbare warmte te organiseren die warmtelevering kan garanderen, kan er worden ingezet op de ontwikkeling van een biomassacentrale die de rol van de Amercentrale als transitiebron zal vervangen. Tegelijkertijd zal invulling worden gegeven aan de ontwikkeling van alternatieve hernieuwbare bronnen rondom het Warmtenet MWB op dezelfde manier als in het Amer scenario (dus warmtehubs, zowel op Amersite als in decentrale warmtehubs). Tegen 2030 leveren nieuwe alternatieve bronnen (buiten de biomassacentrale) dan meer dan 50% van de warmte. C.
Het is dan ook voorstelbaar dat dit scenario uiteindelijk betekent dat het huidige systeem wordt opgedeeld in meerdere kleine systemen die op lokale schaal warmte aanbod en vraag bijeen brengen. In de MKBA die door de RES-en is gedaan komt naar voren dat dit een beduidend kostbaarder alternatief vormt dan een regionaal warmtenet.
Dit is op meerdere vlakken een minder gewenst scenario in vergelijking met de andere scenario’s, te meer omdat hier wordt ingezet op een geheel nieuwe biomassacentrale in plaats van dat gebruik kan worden gemaakt van bestaande installaties voor de transitieperiode. Ook is in dit scenario meer gebruik nodig van gasketels dan in de andere twee scenario’s. Het ontbreken van mogelijkheden om scenario A en B te effectueren schets ook meteen een beeld dat een regionale warmte-infrastructuur wellicht niet de beste mogelijkheden geeft voor de regio om invulling te geven aan de warmtetransitie.
57
Bijlage 6. Drie scenario’s uitgewerkt Systeemkeuze bovenregionaal verankeren Uit bovenstaande scenario’s wordt het beeld duidelijk dat er in het opzetten van de bronnenstrategie ook een duidelijke bovenliggende systeemkeuze te maken is, die in een breder licht moet worden afgewogen dan puur kijkend naar de opgave voor verduurzaming van het Warmtenet MWB. De regionale energiestrategieën voor West-Brabant en Hart van Brabant zijn hiervoor het geëigende kader. Deze systeemkeuze – is een verbinding met Moerdijk en verdere uitbreiding van het regionaal warmtesysteem een logische weg? – zal de komende jaren gemaakt moeten worden op basis van inzichten in de mogelijkheden die de geschetste scenario’s bieden om warmtelevering in het Warmtenet MWB te garanderen, naast andere bovenliggende keuzes omtrent de regionale energietransitie (elektriciteit, industrie, waterstof, etc.) en hoe dit bijeen te brengen. Partijen werken in de komende tijd aan een gedetailleerde uitwerking van de mogelijkheden van de verschillende scenario’s, zodat uiterlijk in 2022 een definitieve keuze gemaakt kan worden voor een bronnenstrategie en bijbehorende kaders en ontwikkelpaden in de tijd kunnen worden gezet. Daarbij komt de vraag ook naar voren of een combinatie van bovengenoemde scenario’s (A+B) een vruchtbaar alternatief kan vormen boven de twee (uiterste) scenario’s.
Index
Dit zal in het kader van de bovenregionale systeemkeuze ook meer helder worden. Echter kan op dit moment wel de conclusie worden getrokken dat een inzet op beide scenario’s er uiteindelijk zal toe leiden dat er een veelvoud aan vermogen beschikbaar komt van warmteproductie, ten opzichte van wat op middellange termijn benodigd is in de regio. Dit zou dus al snel kunnen leiden tot onnodige (des)investeringen.
Scenario
Voor
Tegen
A
• Volledige inzet/focus op altenatieve
• Maatschappelijke druk Amercentrale en
bronnen en lokale ontwikkelingen
risico op het ontbreken van beschikbaarheid
in warmtehubs
tot transitie is afgerond
• Effectief gebruik van bestaande assets • Amer site ontwikkelen tot toekomstbestendige energiehub van de toekomst
Op de lange termijn (2040), wanneer regelbare transitiebronnen niet meer nodig zijn en basislastbronnen zoals geothermie en restwarmte zeer effectief kunnen worden ingezet in de levering van het gehele jaarprofiel (onder meer door opslag) is het juist wel weer denkbaar dat inzet op bronnen uit Moerdijk en inzet op bronontwikkeling dichtbij de afnemers elkaar juist zeer goed kunnen aanvullen. Echter zegt deze lange termijn combinatie niet dat de combinatie van scenario’s op de middellange termijn (transitieperiode) het juiste pad is om op een betaalbare manier de transitie te organiseren.
• Sterk afhankelijk van potentie decentrale bronontwikkeling (o.a. geothermie) • Minder draagvlak voor deze route
• Relatief betaalbaar
B
• Strategisch belang van (boven) regionale verbinding in brede transitie
• Transitie in Moerdijk en gevolgen voor beschikbare duurzame warmte op lange termijn onduidelijk
• Benutting restwarmte die nu onbenut blijft
• Decentrale bronontwikkeling wordt op langere baan
• Grotere diversiteit aan bronnen op schaal
geschoven (warmte uit Moerdijk heeft ruimte nodig)
• mogelijk • Meer balancering energiebehoeften
• Investeringen in grootschalige warmteinfrastructuur benodigd, die nodige risico’s kennen
interregionaal mogelijk
C
• Transitiebron op maat gemaakt voor
• Strategisch gezien enkel een noodscena-
transitieopgave en zonder elektrici-
rio, wanneer A en B niet haalbaar blijken
teitsproductie (kleinere schaal)
• Zeer kostbare nieuwe transitiebron (die over tijd weinig effectief wordt gebruikt) • Regionaal warmtesysteem is niet de oplossing voor de regio • Kostbaar alternatief
Vorige
Volgende
58
Bijlage 6. Drie scenario’s uitgewerkt Voorwaarden voor ontwikkeling De in te zetten koers op ontwikkeling van de transitie kent veel afhankelijkheden. Nationaal en regionaal beleid zal cruciaal zijn in het succes van deze ontwikkelingen om de transitie naar een duurzaam en betaalbaar systeem te kunnen doormaken. Er zijn nog veel obstakels die een effectieve transitie in de weg zitten, onder meer op het gebied van:
• Betaalbaarheid: Huidige SDE-methodiek geeft warmtetransitie te weinig mogelijkheden voor betaalbare alternatieve warmte. Er zal gekeken moeten worden hoe financiering van alternatieve warmte prioriteit krijgt in de landelijke agenda.
• Coördinatie: Verschillende bronnen kunnen kannibaliserend op elkaar inwerken. Een goede afstemming tussen de inzet(mogelijkheden) van diverse bronnen is nodig om ervoor te zorgen dat projecten geen afbreukrisico lopen
• Duidelijkheid: Rol van aftapwarmte en biomassa in de transitieperiode is van groot belang in alle scenario’s, beleid zal hierop moeten aansluiten
• Lokaal versus regionaal belang: decentrale bronnen hebben lokaal een bijdrage aan het systeem maar staan in het grotere systeem in verbinding met andere gebieden. Keuzes over bronnen en locaties moeten in een groter geheel worden genomen, en dit vraagt goede afstemming/vertrouwen tussen diverse lokale stakeholders
• Risico’s en voorinvesteringen: Er is aan de voorkant veel investering nodig in een onderzoeksagenda (mogelijkheden geothermie, restwarmte, grootschalige infrastructuur, opslagsystemen) • Ruimte: Er zal actief gezocht moeten worden naar ruimte in de omgeving, en in beleid, om bronontwikkeling in (decentrale) energiehubs mogelijk te maken. Omdat afwegingen in een breder kader gemaakt moeten worden zullen publieke en private partijen gezamenlijk op zoek moeten waar deze ruimte geboden kan worden. Dit vraagt om een ontwikkelagenda die past bij de ambities van de regio, overeenkomt met de ruimte die vanuit maatschappelijke overwegingen kunnen worden geboden en waar vervolgens passend beleid op wordt ontwikkeld.
Vorige Hoofdstuk
Het is belangrijk dat men op de hoogte is van deze obstakels, zodat er zo snel mogelijk gekeken kan worden naar de bijpassende oplossingen en er zodoende op tijd systeemkeuzes gemaakt kunnen worden.
• Concurrentie in de ruimte: Er zal een duidelijk afwegingskader moeten worden ontwikkeld die het belang van de transitie van het warmtesysteem in verhouding kan brengen met concurrerende belangen in de ruimte.
59
Bijlage 7. Toelichting proces van het transitieplan. In deze bijlage vindt u een toelichting van het proces van het transitieplan. Het programma verduurzamen Amerwarmtenet is in 2016/17 ontwikkeld en met de uitvoering is in 2018 gestart. Vervolgens is er in de omgeving van het programma veel veranderd. Er is een nationaal klimaatakkoord overeengekomen, er zijn regionale energiestrategie -processen gestart (waarmee voor de regio’s Hart van Brabant en West-Brabant vanuit het programma nauw is samengewerkt en uitgewisseld), gemeenten zijn gestart met het maken van warmtevisies voor de gebouwde omgeving, en tenslotte is er in de eerste jaren van programma uitvoering veel ervaring opgedaan over mogelijkheden en belemmeringen. Daarom is in de zomer van 2020 met de samenwerkende partijen een traject gestart om een transitieplan te ontwikkelen, dat verder vooruit kijkt dan de analyse uit 2017, dat breder regionaal kijkt (mede op basis van de RE(K)Sen 1.0), dat voor een betere afstemming kan zorgen met de ontwikkeling van de gemeentelijke warmtevisies, dat met de kennis en ervaring van nu kijkt naar realistische scenario’s voor de ontwikkeling van warmtevraag en -aanbod in de komende dertig jaar, en zo de basis legt voor een geactualiseerd programma en voor de juiste prioriteiten voor het vervolg van de samenwerking.
Door dit in een reeks van maandelijkse werksessies te doen is ook de kennisuitwisseling en -opbouw sterk gestimuleerd.
Index
Het transitieplan wil ook de basis leggen voor een duidelijk, communiceerbaar verhaal over de ontwikkeling en verduurzaming van een regionaal warmtesysteem dat een belangrijke bijdrage kan leveren aan de warmtetransitie in Midden- en West-Brabant, in de stadsdelen en wijken waarvoor dat de meest geschikte en betaalbare optie kan zijn.
Datum
Onderwerp
Discussiepunten tijdens de sessie
09-07-2020
Inhoud en planning
Wat moet het transitieplan opleveren?
transitieplan
Waar richt het plan zich op? Wat is het transitieplan niet?
27-08-2020
Warmtevraag
Hoe ziet de warmtevraagontwikkeling eruit in de komende jaren? Waar is dit afhankelijk van? Welke aannames moeten hiervoor gemaakt worden?
Proces Het transitieplan is een samenwerking tussen verschillende partijen die allen gemoeid zijn met de verduurzaming van de warmtevoorziening in de regio’s Midden- en West-Brabant. Het proces heeft plaatsgevonden van juli 2020 tot februari 2021, ingevuld met maandelijkse werksessies waarin elke keer een nieuw en uitbreidend onderdeel van het transitieplan besproken werd. In deze sessies was er ruimte voor discussie met betrekking tot organisatie, inhoud en actualiteiten. Op basis van elke sessie is er een verslag gemaakt en rondgestuurd waarop leden van deze samenwerking konden reageren en suggesties hebben kunnen doen.
22-09-2020
Bronontwikkeling
Wat is het bronpotentieel voor warmte in de regio? Wat zijn de randvoorwaarden om tot een goede ontwikkeling van het bronpotentieel te komen? Wat zijn mogelijke bronstrategieën duurzame warmte zo efficiënt mogelijk aan te bieden?
15-10-2020
Systeemontwikkeling
Welke systeemkeuzes zijn de komende jaren te maken?
(vraag- en aanbod)
Van welke aspecten is een systeemkeuze afhankelijk (regelbaar vs niet-regelbaar vermogen, temperatuur, balans piek- en basislast)
5-11-2020
Doelen en tijdspad
Wat zijn de doelen van dit transitieplan en hoe zetten we deze doelen in de tijd? Wat zijn mogelijke routes die aanbod, vraag en systeemkeuzes verbinden?
03-12-2020
Rollen, organisatie en
Wat is er in 2050 nodig qua sturing, organisatie en rollen op bronont-
ruimtelijke inpassing
wikkeling, vraagontwikkeling, het net, en de creatie van randvoorwaarden? Hoe werkt dit zich uit in de tijd?
17-12-2020
Concept Transitieplan
Wat verdient nog meer aandacht in het concept transitieplan Tot welke concrete aanvulling leidt dit in het transitieplan?
Vorige
Volgende
60
Transitieplan Warmtenet Midden- en West-Brabant
Index 1. Samenvatting
Bijlage 1.
2. Aanleiding
Bijlage 2.
3. Huidige Situatie
Bijlage 3.
4. Toekomstbeeld
Bijlage 4.
5. Transitiepaden
Bijlage 5.
6. Vervolg
Bijlage 6.
Colofon
Bijlage 7.
Verkenning van de mogelijkheden voor collectieve warmte in de regio in 2050 Vorige
61