CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b Toelichting ontwerpbestemmingsplan

Raadsvergadering 22 februari 2022, gemeente OosterhoutBij agendapunt: Hamerstuk raadsvoorstel 325788 Vaststellen bestemmingsplan Buitengebied (incl. lint Oosteind), herziening 21 (Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.)19.730 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

bedoelde veehouderijen geregistreerde rechten betreffende de fosfaatproductie in een gezamenlijk omvang van tenminste 3.500 kg uit de markt zijn genomen door doorhaling van de bij de Dienst Regelingen geregistreerde rechten, waarbij per beëindigingslocatie een minimum van 700 kg aan rechten betreffende de productie va fosfaat aanwezig is; Per 1.000 m² aan stallen zullen 473 varkenseenheden zijn doorgehaald bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, overeenkomende met 3.500 kg. fosfaat. f.

de rechten, bedoeld onder e. moeten vanaf het moment van beëindiging van de bedrijfsvoering tot aan het moment van uit de markt nemen geregistreerd staan op naam van de veehouderij die is beëindigd; De benodigde varkensrechten staan thans nog op naam van initiatiefnemers.

g. de omgevingsvergunning milieu voor de onder a. bedoelde veehouderij op iedere beëindigingslocatie veehouderij is ingetrokken; Initiatiefnemers zullen de omgevingsvergunning milieu intrekken. h. een passende herbestemming is gelegd op de locatie als onder a. bedoeld die in ieder geval het houden van vee en het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen uitsluit; Het agrarisch bouwvlak aan Berkenstraat 12 zal in het geheel worden gesaneerd en omgezet naar de bestemming ‘Wonen’ en voor het overige naar de bestemming ‘Agrarisch’ zonder bouwvlak. Het agrarisch bouwvlak aan Berkenstraat 13 zal aanzienlijk worden verkleind, waarbij de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ zal worden verwijderd. Het bouwvlak zal enkel de te handhaven akkerbouwloods met

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

bijbehorende bedrijfswoning omvatten. Het houden van vee of het oprichten van nieuwe bebouwing wordt op de beide locaties na bestemmingsplanherziening uitgesloten. i.

in redelijkheid niet op andere wijze is voorzien in de beëindiging van de onder a. bedoelde veehouderij. Geen gebruik is gemaakt van enige andere sloopregeling. Niet voorzien is in de beëindiging van de veehouderij op een andere wijze.

3. In afwijking van het tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in een ruimte-voorruimtekavel als deze wordt ontwikkeld door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit door toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken. Ter plaatse van het plangebied wordt een tweetal intensieve veehouderijen gesloopt, waarmee in totaal circa 3.000 m² wordt gesloopt, de milieuvergunningen worden ingetrokken en de varkensrechten worden doorgehaald. De bouwtitel Ruimte voor Ruimte wordt gegenereerd uit de sanering van de veehouderijen ter plaatse. 4. Het derde lid vervalt indien uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat

er

in

totaal

3.500

ruimte

voor

ruimte

kavels

door

of

vanwege

de

Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte zijn ontwikkeld. Niet van toepassing. Voldaan kan worden aan de Ruimte voor Ruimteregeling zoals gesteld in artikel 3.80 van de Interim omgevingsverordening. De bewijsstukken Ruimte voor Ruimte zullen als bijlage bij onderhavige toelichting worden gevoegd. Initiatiefnemers zullen de bewijsstukken voor de bouwtitel aanleveren nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, maar vóór de vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad. Op het moment van vaststelling door de gemeenteraad is daarmee aangetoond dat aan alle punten is voldaan.

4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1

Structuurvisie Oosterhout

Op 22 oktober 2013 heeft de gemeenteraad van Oosterhout de Structuurvisie vastgesteld. In de structuurvisie worden de hoofdlijnen van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Oosterhout alsmede de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid, weergegeven. De structuurvisie vormt enerzijds een belangrijke inspiratie- en informatiebron en anderzijds geeft deze duidelijk richting aan de wijze waarop de gemeente zal omgaan met initiatieven op de verschillende beleidsterreinen. Gesteld wordt dat naast de ruimtelijke mogelijkheden voor woningbouw en bedrijven in en bij de kernen de inrichting van het landschap met de daaraan gerelateerde natuurwaarden en recreatieve ontwikkeling van groot belang. Een derde pijler vormt de verbetering van de infrastructuur. De kern van de structuurvisie is de continuering van het versterken van kwaliteit, de transformatie en structuurversterking, de kwaliteitsslag in het buitengebied, de toekomstige sprong over de A27 en een betere bereikbaarheid. Middels de sanering van de veehouderijen ter plaatse van het plangebied en daarmee de oprichting van één nieuwe Ruimte voor ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

Ruimte woning wordt bijgedragen aan de doelstellingen uit de gemeentelijke structuurvisie. Door de sanering zal sprake zijn van een kwaliteitsverbetering in de bebouwingconcentratie ‘Berkenhoeve’.

4.3.2

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind)’

4.3.2.1

Inleiding

Het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind)’ van de gemeente Oosterhout is op 8 juli 2014 vastgesteld. De beoogde sanering van de veehouderijen ter plaatse van het plangebied met behoud van de grondgebonden akkerbouwtak met bijbehorende bedrijfswoning en de oprichting van één Ruimte voor Ruimte woning en omzetting van voormalige agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning is binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk. Derhalve wordt middels onderhavig bestemmingsplan de beoogde herontwikkeling mogelijk gemaakt. In het vigerende bestemmingsplan wordt wel een aantal mogelijkheden benoemd voor herontwikkeling in het buitengebied. Deze mogelijkheden worden navolgend nader toegelicht.

4.3.2.2

Vervolgfuncties na sanering

De gemeente Oosterhout stelt dat, gelet op het karakter en de ruimtelijke uitstraling van het agrarisch gebied binnen de gemeente (een gebied waar wonen, werken en recreëren samen komen) de koers wordt gevolgd van een plattelandseconomie. De koers van de plattelandseconomie komt met name tot uiting in het verruimen van de mogelijkheden van agrarische neven- en vervolgfuncties. Daarmee draagt deze koers bij aan de gewenste inkomstenverbreding bij de agrarische sector en een transitie van een meer traditionele agrarische economie gericht op intensivering en schaalvergroting, naar een (bredere) plattelandseconomie. Als gevolg van diverse ontwikkelingen in de landbouwsector komen veel agrarische bedrijfsgebouwen vrij. Beëindiging van het agrarisch gebruik kan leiden tot verloedering van (cultuurhistorisch waardevolle) bebouwing en aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente Oosterhout stelt dat indien hergebruik samen gaat met sloop van (niet cultuurhistorisch waardevolle) bebouwing en een adequate landschappelijke inpassing, dit kan bijdragen aan ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Bovendien kan hergebruik een impuls leveren aan de versterking van de leefbaarheid op het platteland en kan dit kapitaalvernietiging voorkomen.

Ter plaatse van het plangebied worden twee intensieve veehouderijen gesaneerd, waarbij de bedrijfswoning Berkenstraat 12 wordt omgezet naar een reguliere burgerwoning. Aan de woning Berkenstraat 12 wordt door middel van de splitsing en het behoud en duurzaam onderhoud van het cultuurhistorisch waardevolle pand bijgedragen aan de cultuurhistorische waarden ter plaatse. Aan Berkenstraat 13 blijft de grondgebonden akkerbouwtak behouden, waarbij ook de bedrijfswoning als zodanig behouden blijft. Binnen het plangebied wordt tevens een Ruimte voor Ruimte woning opgericht en het geheel wordt landschappelijk ingepast. Sprake zal zijn van passende vervolgfuncties ter plaatse van de te saneren intensieve veehouderijlocaties. Door deelname aan de provinciale Ruimte voor Ruimte regeling, het behoud van de akkerbouwtak, het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en de beoogde landschappelijke inpassing, wordt leegstand en verloedering tegengegaan en wordt fors bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

4.3.2.3

Ruimte voor Ruimte

De gemeente Oosterhout gaat in het vigerende bestemmingsplan nader in op de provinciale Ruimte voor Ruimte regeling. Aangesloten wordt bij de provinciale beleidslijn. In aanvulling hierop wordt in het vigerende bestemmingsplan nader ingegaan op de gemeentelijke voorwaarde dat de sanering (en daarmee ook de saldering) grotendeels (voor minimaal 80%) plaats moet vinden binnen de gemeente Oosterhout. De inhoud van de Ruimte voor Ruimte woningen wordt gelijk gesteld met die van burgerwoningen (zijnde 750 m³). In aanvulling op de in het vigerende bestemmingsplan gestelde norm van 80%, wordt thans de voorwaarde gesteld dat de door te halen fosfaatrechten en te slopen stalruimte geheel afkomstig moeten zijn van een of meerdere bedrijven uit de gemeente Oosterhout. Ingeval een ontwikkeling echter gepaard gaat met extra kwaliteitswinst ter plaatse, wordt teruggevallen op de voorwaarde dat 80% gesloopt moet zijn binnen de gemeente Oosterhout. Met de beoogde herontwikkeling wordt 3.000 m² aan stallen gesloopt, allen in gebruik voor de intensieve veehouderij. In samenhang wordt slechts één Ruimte voor Ruimte woning opgericht. Alle dierrechten (fosfaatrechten) staan op naam van initiatiefnemers en zijn dan ook afkomstig uit de gemeente Oosterhout. 100% van de sanering vindt dan ook plaats binnen het eigen plangebied, waarmee voldaan wordt aan de gemeentelijke voorwaarde.

4.3.3

Reparatie herziening buitengebied 2016

Op 19 april 2016 is door de gemeenteraad van Oosterhout het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Reparatie-herziening buitengebied 2016’ vastgesteld. In de reparatieherziening is een aantal onderdelen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind)’ welke door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn vernietigd, hersteld. De overige punten uit het eerder vastgestelde bestemmingsplan blijven ongewijzigd.

4.3.4

Duurzaamheidsagenda Oosterhout

In 2010 is door de gemeenteraad het milieubeleidsplan 2010 -2016 vastgesteld. Dit beleidsplan vormt de basis voor het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Oosterhout. De ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid gaan echter snel en daarom is besloten een geactualiseerde duurzaamheidsagenda op te stellen. In de ‘Duurzaamheidsagenda 2016 – 2018’ zijn de kaders uit het coalitieakkoord, het milieubeleidsplan en de programmabegroting uitgewerkt. De gemeente Oosterhout wil een duurzame gemeente zijn en een actieve bijdrage leveren aan een schone, veilige en duurzame leefomgeving. Hiertoe wil de gemeente een actieve bijdrage leveren door duurzaamheid een integraal onderdeel van de eigen bedrijfsvoering te laten zijn en door duurzaamheid centraal te stellen bij plannen en projecten. Geadviseerd wordt om nieuwe woningen te bouwen met duurzame materialen en energiebesparende maatregelen door te voeren bij de bouw. Bij voorkeur wordt de nieuwe woning gerealiseerd als ‘Nul op de Meter’ woning.

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

5.

MILIEUASPECTEN

5.1 Bodem Voorafgaand aan het volgen van een ruimtelijke procedure dient te worden nagegaan of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbare risico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Ten behoeve van de Ruimte voor Ruimte kavel is bodemonderzoek uitgevoerd. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde bodemonderzoek d.d. 25 september 2018. Dit onderzoek is enkel relevant voor perceel C: “In de zintuiglijk schone bovengrond van de vaste bodem (BG4 en BG5) zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen gemeten boven de achtergrondwaarden. In de zintuiglijk schone ondergrond van de vaste bodem (OG1) zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen gemeten boven de achtergrondwaarden. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 03 zijn gehaltes aan kobalt, nikkel en barium gedetecteerd boven de streefwaarden. Het gehalte aan nikkel overschrijdt de interventiewaarde en vormt daarmee aanleiding voor nader onderzoek. Een lokale bron voor de verhoogde gehaltes aan zware metalen is op basis van dit onderzoek niet voorhanden. De verhogingen aan zware metalen zijn zeer waarschijnlijk toe te schrijven aan natuurlijk verhoogde achtergrondwaardes.

Nader onderzoek naar het gehalte aan nikkel wordt niet zinvol geacht. Conclusie en advies De resultaten van het onderzoek stemmen niet geheel overeen met de hypothese. De resultaten vormen formeel aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. Ter plaatse van percelen A en C is een gehalte aan nikkel in het grondwater aangetoond dat aanleiding vormt voor het uitvoeren van nader bodemonderzoek. Door het ontbreken van een lokale bron, is het echter aannemelijk dat sprake is van een regionaal verhoogd gehalte aan nikkel. Nader onderzoek wordt niet zinvol geacht. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt, ons inziens, geen belemmering voor de beoogde realisatie van drie woningen. Als gevolg van de hoge gehaltes aan nikkel in het grondwater van peilbuis 01A (perceel A) en 03 (perceel C) wordt geadviseerd om bij eventuele bronnering tijdens de graafwerkzaamheden voor de nieuwbouw van woningen, het opgepompt grondwater in overleg met bevoegd gezag af te voeren. Het gebruik van grondwater voor consumptie door mens of dier wordt afgeraden. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit.”

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

Het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek (Bodeminzicht, projectnummer B2110, d.d. 25 september 2018) is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd.

5.2 Wegverkeerslawaai 5.2.1

Inleiding

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. De Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een geluidszone ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen. Deze bescherming geldt in de volgende situaties:

-

via een ruimtelijk besluit de aanleg van een weg mogelijk maken; via een ruimtelijk besluit een geluidsgevoelige bestemming in de zone realiseren; de reconstructie/wijziging van een bestaande weg.

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in een geluidszone van bestaande wegen niet getoetst te worden (artikel 76 lid 3 Wgh). In onderhavige situatie betekent dat dat ten aanzien van de reeds bestaande bedrijfswoningen geen akoestisch onderzoek inzake de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer hoeft te worden uitgevoerd.

5.2.2

Onderzoek

De beoogde Ruimte voor Ruimte woning betreft een nieuw geluidgevoelig object. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek: “Voor de weg Berkenstraat geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen

de

voorkeursgrenswaarde

van

48

dB

overschrijdt.

De

maximale

ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt echter nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is tevens niet doeltreffend in onderhavige situatie. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde nog altijd wordt overschreden. Deze geluidreducerende maatregel is derhalve niet erg ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

doeltreffend. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet bovendien overwegende bezwaren van financiele aard. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde, is voor de woningen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Tevens blijkt uit de rekenresultaten dat de woningen beschikken over een geluidluwe achtergevel en geluidluwe buitenruimte. Aan deze geluidluwe gevel dient een verblijfsruimte te zijn gelegen.” Het uitgevoerde akoestisch onderzoek (Tritium Advies, documentnummer 1803/102/SH-01, d.d. 26 februari 2019) is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. Het onderzoek is enkel relevant voor de woning ten zuidwesten van Berkenstraat 12. Een ontheffing hogere grenswaarde in het kader van de Wet geluidhinder wordt aangevraagd. Het ontwerpbesluit zal gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd.

5.2.3

Gevolgen voor de omgeving

Ter plaatse van het plangebied is momenteel sprake van twee intensieve veehouderijen. Deze bedrijfsvoering brengt een groot aantal vervoersbewegingen van onder andere vrachtwagens met zich mee. De intensieve veehouderijen worden met de beoogde herontwikkeling gesaneerd, waarmee de daar bij behorende vervoersbewegingen dan ook komen te vervallen. De grondgebonden akkerbouwtak aan Berkenstraat 13 blijft met de beoogde herontwikkeling behouden, maar heeft dusdanig weinig vervoersbewegingen dat dit nauwelijks merkbaar is op de Berkenstraat. De realisatie van een Ruimte voor Ruimte woning en de toevoeging van één extra wooneenheid in het cultuurhistorisch waardevolle pand aan Berkenstraat 12 hebben enkel de minimale toevoeging van personenvervoer tot gevolg. De verkeerssituatie zal middels de sanering van de intensieve veehouderijen daarmee dan ook verbeteren.

5.3 Luchtkwaliteit De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt plaats volgens bepalingen in de Wet milieubeheer (Wm). De basis voor de luchtkwaliteitstoets staat in titel 2 van hoofdstuk 5 Wm. De luchtkwaliteitseisen zelf staan in artikel 5.16 Wm. Bij de luchtkwaliteitstoets hoort een aantal uitvoeringsregels. Deze uitvoeringsregels liggen vast in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen. Zo ook de ‘Regeling niet in betekende mate bijdragen’. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de ‘Regeling niet in betekende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto.

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

Met de beoogde herontwikkeling worden twee intensieve veehouderijbedrijven gesaneerd, waarbij op één locatie de grondgebonden akkerbouwtak behouden blijft. Als gevolg van de beoogde sanering neemt de uitstoot fijnstof ter plaatse af. In samenhang met de sanering zal één Ruimte voor Ruimte woning worden opgericht. Aangezien het plan slechts de bouw van één nieuwe woning mogelijk maakt in samenhang met de sanering van twee intensieve veehouderijen met daarbij behorende sanering van de hindercontouren, kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip NIBM valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht.

5.4 Externe veiligheid 5.4.1

Inleiding

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: -

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);

-

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);

-

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

5.4.2

Risiconormering

In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 5.4.2.1

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. 5.4.2.2

Groepsrisico

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het groepsrisico is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

5.4.2.3

Verantwoording groepsrisico

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

5.4.3

Beleidsvisie externe veiligheid 2017 gemeente Oosterhout

De Beleidsvisie externe veiligheid is een aanvullend toetsingskader voor de planologische besluiten en ruimtelijke ontwikkelingen. De beleidsvisie heeft tot doel om: -

de risico’s waaraan burgers in de gemeente Oosterhout kunnen worden blootgesteld door

-

de exploitanten van risicobronnen duidelijkheid te geven over risicoruimte;

-

burgers (en bedrijven) voldoende te informeren over de risico’s.

activiteiten met gevaarlijke stoffen, tot een aanvaardbaar minimum te beperken;

5.4.4

Overige wet- en regelgeving

In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (artikel 3.1 Wro) wordt getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.

5.4.5

Beoordeling van het plangebied

5.4.5.1

Risicokaart

Navolgende figuur betreft een uitsnede van de Risicokaart van de provincie Noord-Brabant, waarop de ligging van het plangebied in de omgeving van risico-objecten en transportleidingen is weergegeven.

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

Figuur 18: Uitsnede risicokaart ter plaatse van plangebied

5.4.5.2

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Ter plaatse van de planlocatie Berkenstraat 12 is thans een bovengrondse propaantank met een inhoud van 5 m³ gesitueerd. Deze dient ten behoeve van de eigen gasvoorziening. Ten aanzien van deze propaantank geldt een veiligheidsafstand op basis van het activiteitenbesluit van 10 meter. De tank is gelegen op meer dan 10 meter van de naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning binnen het plangebied en is gelegen op grotere afstand van de beoogde Ruimte voor Ruimte woning binnen het plangebied. De propaantank vormt dan ook voor de beoogde herontwikkeling geen probleem.

5.4.5.3

Vervoer gevaarlijke stoffen

Op een afstand van circa 1.285 meter ten zuiden van het plangebied is het Wilhelminakanaal gelegen. Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande weg in de omgeving van het plangebied waarover dergelijke transporten kunnen plaatsvinden is de Rijksweg A27. De A27 heeft een PRafstand van 0 meter, een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter en een invloedsgebied van 880 meter voor stofgroep LT2 (toxische vloeistoffen) en 355 meter voor stofgroep GF3 (zeer brandbare gassen zoals LPG). Het plangebied is niet gelegen in het invloedsgebied vanwege de Rijksweg A27 of het Wilhelminakanaal.

5.4.5.4

Besluit externe veiligheid buisleidingen

Onder de Berkenstraat zijn twee aardgasleidingen van de Gasunie gelegen: Z-521-01 en Z-521-08. Op navolgende figuur is de ligging van deze aardgasleidingen ten opzichte van het plangebied weergegeven. De weergegeven rode belijning is digitaal aangeleverd door Gasunie.

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

Figuur 19: Ligging aardgasleidingen ten opzichte van plangebied

Vanwege de ligging van de aardgasleidingen in de directe nabijheid van het plangebied, is door M&A Omgeving BV onderzocht of dit consequenties heeft voor de beoogde herontwikkeling. Navolgende conclusies komen voort uit het uitgevoerde onderzoek: “Uit de berekeningen van het plaatsgebonden- en groeps-risico blijkt dat de leidingen geen invloed hebben op het plan. De woningen worden gerealiseerd buiten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is verwaarloosbaar. Geconcludeerd wordt daarom dat het plan geen invloed heeft op het groepsrisico ter plaatse, zodat er verder geen verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is.” Het uitgevoerde onderzoek (Kwantitatieve Risicoanalyse Berkenstraat, Oosteind, M&A Omgeving BV) is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. 5.4.5.5

Hoogspanningslijnen

De meest dicht bij het plangebied gelegen hoogspanningslijn is gelegen op een afstand van ruim 1.500 meter en is daarmee gelegen op voldoende afstand van het plangebied.

5.5 Geur 5.5.1

Inleiding

Voor de beoordeling van geurhinder zijn de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit (Ab) het toetsingskader. Of het Ab van toepassing is, wordt bepaald in het Besluit omgevingsrecht (bijlage I, onderdeel C, cat. 8.3, onder h, i, j en k). De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een niet-concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 2 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

en een norm van 8 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Ten opzichte van veehouderijen waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, geldt in de bebouwde kom een vaste afstand van 100 meter tot een geurgevoelig object en in het buitengebied een vaste afstand van 50 meter. Veehouderijen die niet vergunningplichtig zijn, vallen onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze veehouderijen zijn ten aanzien van het aspect geur verplicht te voldoen aan de bepalingen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer ter voorkoming en beperking van de geurhinder ten gevolge van het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren worden gehouden. De Wet geurhinder en veehouderij wordt voornamelijk gebruikt om de geurbelasting veroorzaakt door veehouderijen te beoordelen bij de vergunningverlening. Indirect heeft de Wgv consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Een geurnorm beoogt namelijk mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichtzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van een veehouderij te vestigen. Met de beoogde herontwikkeling wordt de bedrijfswoning Berkenstraat 12 gesplitst en daarmee omgezet naar twee burgerwoningen.

Daarnaast wordt een Ruimte voor Ruimte woning opgericht ten zuidwesten van Berkenstraat 12. Derhalve worden twee nieuwe geurgevoelige objecten opgericht. Bij besluitvorming omtrent de oprichting van de beoogde woningen dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen:

-

Is ter plaatse een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

De naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning betreft feitelijk geen nieuw geurgevoelig object, hoewel wel de bescherming hiervan wijzigt in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij. Desondanks is de voor- en achtergrondbelasting berekend om te beoordelen of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.5.2

Veehouderijen in omgeving

In de omgeving van het plangebied is een aantal veehouderijen gelegen. Op navolgende figuur is de ligging van deze veehouderijen ten opzichte van het plangebied weergegeven. Op deze kaart zijn thans de twee veehouderijen binnen het plangebied nog weergegeven. Ten tijde van het schrijven van dit bestemmingsplan zijn deze veehouderijen ook nog overeind.

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

Griendsteeg 15-17 (beëindigd)

Heistraat 8a (paardenhouderij) Hogedijk 54 Heistraat 17

Laagstraat 30

Heikantsestraat 64

Hogedijk 82 (beëindigd)

Laagstraat 48

Figuur 20: Uitsnede veehouderijbedrijvenkaart met in de witte cirkels de twee herontwikkelingslocaties

Op de veehouderijen aan Heikantsestraat 64, Hogedijk 54 en Hogedijk 82 worden enkel dieren gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en derhalve een vaste afstand van 50 meter geldt. Met een afstand van respectievelijk 480 meter, 520 meter en 330 meter tot het plangebied, zijn deze veehouderijen gelegen op voldoende afstand. Op de overige veehouderijen zijn navolgende dieraantallen vergund:

Figuur 21: Vergunde dieraantallen Heistraat 8a (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

Figuur 22: Vergunde dieraantallen Heistraat 17 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Figuur 23: Vergunde dieraantallen Laagstraat 30 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Figuur 24: Vergunde dieraantallen Laagstraat 48 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

5.5.3

Woon- en leefklimaat

5.5.3.1

Inleiding

Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend worden derhalve de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied inzichtelijk gemaakt. 5.5.3.2

Voorgrondbelasting

Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

Op de veehouderijen Griendsteeg 15-17, Heistraat 8a, Heistraat 17, Laagstraat 30 en Laagstraat 48 worden (ook) dieren gehouden waarvoor wel bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Om te bezien welke veehouderij de dominante veehouderij betreft, is van deze veehouderijen een berekening gemaakt van de voorgrondbelasting. Ingevolge het gemeentelijke geurbeleid geldt ter plaatse een geurnorm van maximaal 3 oue/m³ in het kader van de voorgrondbelasting. In navolgende tabel is een samenvatting weergegeven van de berekeningen. De emissiepunten (XY-coördinaten) van de veehouderijen zijn afkomstig van Web BVB van de provincie Noord-Brabant. De voorgrondbelasting is berekend op de hoekpunten van het gehele plangebied, waarbij ook de (te herbestemmen) bedrijfswoningen zijn meegenomen zodat inzichtelijk is of ter

Heistraat 17

121 456

120 945

121 300

y-coördinaat

406 071

405 597

405 439

geuremissie

51.112

38.551

107

1,8

1,0

0,0

hoogste voorgrondbelasting

122 605 405 173 2.670 0,1

Laagstraat 48

Heistraat 8a

x-coördinaat

Laagstraat 30

15-17

Griendsteeg

plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

122 561 404 862 101 0,0

Tabel 1: Samenvatting voorgrondbelasting omliggende veehouderijen op Ruimte voor Ruimte kavel

Ruim voldaan wordt aan de voorgrondbelasting. Bij een voorgrondbelasting van 1,8 is in een nietconcentratiegebied sprake van een percentage geurgehinderden van 11-15%, waarmee sprake is van een ‘goed’ woon- en leefklimaat’. 5.5.3.3

Achtergrondbelasting

De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting ter plaatse zal met de beoogde sanering van de veehouderij aanzienlijk verbeteren. De achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied is berekend met V-Stacks Gebied. Ten behoeve van de berekening van de achtergrondbelasting dienen de veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer rondom de onderzoekslocatie beoordeeld te worden. Derhalve zijn alle veehouderijen uit de gemeente Oosterhout en Dongen meegenomen in de berekening. De invoergegevens van deze bedrijven voor het programma V-Stacks Gebied zijn afkomstig uit de database van het Bestand Veehouderijbedrijven van de provincie Noord-Brabant (uitvoer november 2020). De emissie van de eigen bedrijven, Berkenstraat 12 en Berkenstraat 13, zijn vooruitlopend op de intrekking van de betreffende vergunningen, op 0 gezet. Omdat de intensieve veehouderijbedrijven

Griendsteeg

15-17,

Heistraat

8a,

Bavelstraat

6,

Groenestraat

11,

Steenovensebaan 28 en Provincialeweg 67 zijn beëindigd of zijn omgeschakeld naar een andersoortig agrarisch bedrijf is de emissie van deze bedrijven reeds op 0 gezet. Ingevolge het gemeentelijke geurbeleid geldt ter plaatse een geurnorm van maximaal 6,5 oue/m³ in het kader van de achtergrondbelasting. De XY-coördinaten van de geurgevoelige locatie betreffen ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

hierbij de hoekpunten van het gehele plangebied om te bezien wat de achtergrondbelasting is ter plaatse van het gehele plangebied. De volgende uitgangspunten zijn hierbij genomen: Berekende ruwheid: 0,26 m Meteo station: Eindhoven Rekenuren: 25 % Rasterpunt linksonder x: 121 348 m Rasterpunt linksonder y: 404 887 m Gebied lengte: (x): 1000 m, Aantal gridpunten: 50 Gebied lengte: (y): 1000 m, Aantal gridpunten: 50 Navolgende tabel geeft het resultaat weer van de berekende achtergrondbelasting. Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurbelasting [OU/m3] 1001 121638 405488 0,598 1002 121740 405573 0,637 1003 121893 405495 0,65 1004 121946 405471 0,558 1005 122024 405409 0,58 1006 121946 405344 0,509 1007 121889 405350 0,485 1008 121762 405406 0,565 Tabel 2: Achtergrondbelasting ter plaatse van plangebied

Uit de berekening blijkt dat de achtergrondbelasting ter plaatse maximaal 0,637 oue/m³ bedraagt. Bepaald is dat bij dit percentage sprake is van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. Geconcludeerd kan worden dat na sanering van de veehouderijen ter plaatse, sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de beoogde herontwikkeling derhalve in het kader van de achtergrondbelasting geen bezwaar is. 5.5.3.4

Conclusie

De voorgrondbelasting op de beoogde Ruimte voor Ruimte kavel binnen het plangebied bedraagt maximaal 1,8 oue/m³. De achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied bedraagt maximaal 0,637

oue/m³.

Aangezien

de

voorgrondbelasting

tenminste

de

helft

bedraagt

van

de

achtergrondbelasting, is de voorgrondbelasting bepalend voor het woon- en leefklimaat. Op basis van de voorgrondbelasting is ter plaatse van de Ruimte voor Ruimte kavel sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat’. Herontwikkeling van het plangebied is in het kader van het woon- en leefklimaat derhalve geen bezwaar.

5.5.4

Belangen omliggende veehouderijen

5.5.4.1

Inleiding

Als gevolg van de beoogde herontwikkeling mogen veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en, indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (bijvoorbeeld een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen.

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

5.5.4.2

Vaste afstanden Wgv

Op basis van artikel 14, tweede lid Wgv geldt een vaste afstand van 50 meter tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij, in samenhang met een geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij. Het derde lid stelt dat het tweede lid van overeenkomstige toepassing is op een geurgevoelig object dat aanwezig is op de in het tweede lid bedoelde kavel. De wetgever doelt hierbij op de voormalige agrarische bedrijfswoning welke wordt omgezet naar burgerwoning. Derhalve dient tussen de naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning binnen het plangebied en veehouderijen welke vallen onder werking van de Wgv een vaste afstand aangehouden te worden van ten minste 50 meter. De meest dicht bij het plangebied gelegen veehouderij is gelegen op een afstand van meer dan 200 meter. Daarmee wordt dan ook ruim voldaan aan de verplichte afstand. De betreffende veehouderijen ondervinden op dergelijke afstand dan ook geen hinder van de beoogde herontwikkeling van het plangebied. 5.5.4.3

Vaste afstanden Activiteitenbesluit

Op basis van artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit geldt een vaste afstand van 50 meter tussen een dierenverblijf van een veehouderij waar dieren worden gehouden zonder geuremissiefactor en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. De meest dicht bij het plangebied gelegen veehouderij is gelegen op een afstand van meer dan 200 meter. Daarmee wordt dan ook ruim voldaan aan de verplichte afstand. De betreffende veehouderijen ondervinden op dergelijke afstand dan ook geen hinder van de beoogde herontwikkeling van het plangebied. 5.5.4.4

Conclusie

Als gevolg van de beoogde herontwikkeling worden veehouderijbedrijven in de omgeving niet onevenredig in hun belangen geschaad. De beoogde herontwikkeling van het plangebied belemmert de omliggende veehouderijen niet meer in hun ontwikkelingsmogelijkheden dan thans het geval is.

5.5.5

Conclusie

In het kader van de herontwikkeling van het plangebied dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen:

-

Is ter plaatse een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

Uit voorgaande subparagrafen blijkt dat ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd en veehouderijen in de omgeving niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Herontwikkeling van het plangebied is derhalve wat betreft het aspect geur geen bezwaar.

5.6 Bedrijven en milieuzonering Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst Bedrijven en Milieuzonering worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. Het kan in dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan. Het plangebied is dan ook gelegen binnen een gemengd gebied.

In paragraaf 5.5 zijn reeds de agrarische bedrijven in de omgeving van het plangebied nader toegelicht. In de omgeving van het plangebied is tevens een aantal niet-agrarische bedrijven gevestigd. Deze bedrijven worden navolgend nader besproken. Nutsvoorziening ten westen van plangebied Ten westen van het plangebied is een nutsvoorziening gelegen in de vorm van een elektriciteitshuisje. In de omgeving van deze nutsvoorziening wordt geen nieuw gevoelig object opgericht. Derhalve vormt deze locatie geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling. Berkenstraat 2 Aan Berkenstraat 2 is een cateringbedrijf gesitueerd, met bestemmingsplanmatig een bebouwingsoppervlakte van maximaal 1.700 m². Dit bedrijf valt binnen de milieucategorie 2, waarvoor in een gemengd gebied een afstand aangehouden dient te worden van ten minste 10 meter tot een gevoelige locatie. Het plangebied is met een afstand van circa 215 meter gelegen op ruim voldoende afstand. Berkenstraat 27 Aan Berkenstraat 27 is thans een hoveniersbedrijf gelegen, waarbij bestemmingsplanmatig maximaal 900 m² aan bedrijfsgebouwen wordt toegestaan. Een dergelijk hoveniersbedrijf valt volgens de VNGbrochure binnen de milieucategorie 3.1, waarvoor in een gemengd gebied een afstand aangehouden dient te worden van ten minste 30 meter tot een gevoelig object.

Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 90 meter en is daarmee gelegen op voldoende afstand. Heistraat 20 Aan Heistraat 20 is een loonwerkbedrijf gesitueerd, waar bestemmingsplanmatig 1.527 m² aan bedrijfsgebouwen wordt toegestaan. Dit bedrijf valt volgens de VNG-brochure binnen de milieucategorie 3.1, waarvoor in een gemengd gebied een afstand aangehouden dient te worden van ten minste 30 meter tot een gevoelig object. Met een afstand van ruim 300 meter is het plangebied gelegen op ruim voldoende afstand.

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

50

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

De beoogde herontwikkeling is in het kader van het aspect Bedrijven en Milieuzonering geen bezwaar.

5.7 Water 5.7.1

Inleiding

Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van de initiatieven binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijk optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Brabantse Delta. In deze paragraaf zijn de algemene uitgangspunten voor de waterparagraaf bij een ruimtelijke ontwikkeling toegelicht.

5.7.2

Keur

Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden, zonder watervergunning van het dagelijks bestuur, handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, de aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd. Het plangebied is op de kaart behorende bij de Keur van Waterschap Brabantse Delta niet aangeduid als beschermd gebied of attentiegebied. Het plangebied is wel gelegen in de nabijheid van legger waterlopen. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de leggerkaart, waar de ligging van deze waterlopen is weergegeven.

Figuur 25: Leggerkaart Waterschap Brabantse Delta

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

51

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

In de directe nabijheid, en tussen het plangebied en de Berkenstraat zijn B-waterlopen gelegen. Bwatergangen zijn voornamelijk sloten die van lokaal belang zijn voor een goede waterhuishouding. Het betreft bijvoorbeeld (kleine) kavelslootjes tussen twee perceelseigenaren en hebben een afvoer van meer dan 10 liter per seconde. De onderhoudsplicht van de sloten ligt hierbij bij de perceelseigenaren van de aanliggende percelen. Het waterschap heeft geen regels rondom werkzaamheden of activiteiten bij een B-waterloop. Het grootste deel van de betreffende waterlopen bij het plangebied aan Berkenstraat te Oosteind ondervinden geen hinder van de beoogde herontwikkeling.

5.7.3

Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie

De ondergrond bestaat in en rondom het plangebied uit zandgrond, meer bepaald leemarm fijn zand. Westelijk van de Berkenstraat zien we laarpodzolgronden (typerend voor oude ontginningen van vochtige heide) met een dunne donkere humeuze bovenlaag; oostelijk liggen bodems typerend voor oude akkers (hoge zwarte enkeerdgrond). Er zijn diverse diepe sloten aanwezig; ook binnen en aansluitend op het plangebied. De GHG varieert tussen 60 en 100 cm onder maaiveld (gemiddeld 80cm -MV), terwijl de GLG een ruime bandbreedte kent van 120 tot 200 cm onder maaiveld, met dieper grondwater ten oosten van de Berkenstraat.

5.7.4

Hydrologisch neutraal bouwen

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak

toeneemt.

Deze

(beleids)uitgangspunten

zijn

geformuleerd

in

de

‘Beleidsregel

Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de sanering van twee intensieve veehouderijen ter plaatse van het plangebied, waarbij de oppervlakte aan verharding aanzienlijk zal afnemen door sloop van varkensstallen en bijbehorende erfverharding. In samenhang daarmee zal een vrijstaande woning worden opgericht in het kader van de regeling Ruimte voor Ruimte. Voor deze woning wordt een nieuw verhard oppervlak van circa 450 m² verwacht, bestaande uit 150 m² hoofdgebouw, 100 m² bijgebouw en 200 m² erfverharding. Binnen het plangebied wordt circa 3.000 m² aan agrarische bedrijfsgebouwen gesaneerd. Per saldo neemt het verhard oppervlak af.

Op basis van artikel 15 van de ‘Algemene regels Keur Waterschap Brabantse Delta’ geldt voor een dergelijke ontwikkeling met een toename van verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m² een vrijstelling van het verbod, zoals bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam.

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

52

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt ook geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 2.000 m². Binnen het plangebied is sprake van een afname van het verhard oppervlak. Het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. In aanvulling op de waterschapsvoorwaarden geeft de gemeente Oosterhout er de voorkeur aan om hemelwater dat valt op daken en verhardingen, te laten infiltreren in de bodem. Waterberging dient altijd plaats te vinden boven de GHG. In navolgende figuur is een aantal voorbeelden weergegeven van manieren van infiltreren.

Figuur 26: Voorbeelden van infiltratiemogelijkheden

5.7.5

Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater

Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van nietuitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Het schoon hemelwater wordt afgekoppeld van een nieuw aan te leggen aansluiting op het riool en wordt overwegend geïnfiltreerd in de bodem. Het huishoudelijk afvalwater zal op de riolering worden geloosd. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. Ter plaatse van het plangebied worden twee intensieve veehouderijbedrijven gesaneerd, waarbij enkel de grondgebonden akkerbouwtak behouden blijft. Risico’s voor de kwaliteit van het grondwater zullen hiermee afnemen.

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

53

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

5.7.6

Huishoudelijk afvalwater

Het plangebied is gelegen aan de Berkenstraat, daar waar thans sprake is van drukriolering. De beoogde nieuwe woning en tevens de te splitsen boerderij zullen middels een eigen aansluiting worden aangesloten op deze drukriolering, middels een vrijvervalsystem. Regenwater mag niet worden aangesloten op de drukriolering.

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

54

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

6. NATUUR, ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 6.1 Natuur en ecologie 6.1.1

Inleiding

Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Door Tritium Advies is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. In navolgende subparagrafen worden de conclusies en aanbevelingen uit het uitgevoerde onderzoek nader toegelicht. Het uitgevoerde onderzoek (Tritium Advies, documentnummer 1901/004/AP-01, d.d. 7 maart 2019) is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd.

6.1.2

Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Op navolgende figuur is de ligging van het plangebied ten opzichte van de meest dicht bij het plangebied gelegen Natura 2000-gebied weergegeven. Het plangebied is hierbij weergegeven in de rode cirkel.

Figuur 27: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

55

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

Navolgende

conclusie

komt

voort

uit

het

uitgevoerde

onderzoek

voor

wat

betreft

de

gebiedsbescherming: “Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB. De provincie Noord-Brabant hanteert geen externe werking als het gaat om NNB. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is met circa 6,2 kilometer op relatief grote afstand gelegen. Gezien deze afstand en de aard van de ingreep valt een significant negatief effect niet te verwachten.”

6.1.3

Soortenbescherming

6.1.3.1

Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde onderzoek voor wat betreft de soortenbescherming: “Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde soorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten.

Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels Er zijn geen jaarrond beschermde vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

56

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van tuinen van de woningen aan de Berkenstraat en de aanwezige akkers en graslanden rondom het plangebied. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de sloop- en bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=0373f7a0-d667-48ca-899f-bd51d0f87e0f