CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b Toelichting ontwerpbestemmingsplan

Raadsvergadering 22 februari 2022, gemeente OosterhoutBij agendapunt: Hamerstuk raadsvoorstel 325788 Vaststellen bestemmingsplan Buitengebied (incl. lint Oosteind), herziening 21 (Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.)19.730 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen. Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.

De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

57

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). Eindconclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: •

de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen;

•

om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd;

•

nader onderzoek naar soorten is niet noodzakelijk;

•

een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) is niet noodzakelijk;

•

voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft.

Advies Checklist natuurvriendelijke maatregelen Bij het ontwerp van het nieuw te bouwen panden wordt geadviseerd gebruik te maken van

de

checklist

natuurvriendelijke

maatregelen

aan

gebouwen

van

de

Vogelbescherming. Diverse natuurbeschermingsinstanties en bedrijven geven hier meer informatie over. Erfbeplanting Indien er een erfbeplanting is gepland of wordt vernieuwd, adviseren wij deze met inheemse en streekeigen soorten bomen en struiken te realiseren. Informeer hiervoor bij uw provincie of gemeente.”

6.1.3.2

Programma Aanpak Stikstof (PAS)

Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) regelt sinds 2015 de ruimte voor economische ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden. Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gewezen in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

58

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

(het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Met AERIUS Calculator 2020 wordt de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden die het gevolg is van een ontwikkeling berekend. Bij herbestemming van het plangebied zal sprake zijn van de uitstoot van stikstof door verkeersbewegingen van personenvervoer ten behoeve van de nieuwe woningen. In samenhang hiermee wordt echter wel een tweetal intensieve veehouderijen gesaneerd, waarbij de vergunningen voor het houden van dieren worden ingetrokken. Met AERIUS Calculator 2020 is de consequentie hiervan op Natura 2000-gebieden in beeld gebracht. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat enkel sprake is van een afname van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. De beoogde herontwikkeling heeft dan ook enkel een positief effect op de Natura 2000gebieden. De uitgevoerde AERIUS berekening is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd.

6.2 Archeologie 6.2.1

Verdrag van Valletta

In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard.

6.2.2

Beleid gemeente Oosterhout

Op 25 januari 2012 heeft de gemeenteraad de Erfgoedkaart Oosterhout, inclusief de Archeologische Beleidskaart, vastgesteld. Deze kaart geeft de archeologische verwachtingen en archeologische en cultuurhistorische waarden in Oosterhout weer waardoor deze als volwaardig belang in ruimtelijke planvorming mee kunnen worden gewogen. Tevens worden op deze kaart, zoals eveneens verankerd in de Erfgoedverordening Oosterhout 2015, de voorschriften vastgesteld voor de omgang met archeologische bodemschatten in de ruimtelijke inrichting en in bouwprojecten. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de gemeentelijke archeologiebeleidskaart. Het plangebied is hierbij zwart omcirkeld.

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

59

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

Figuur 28: Uitsnede gemeentelijke archeologische verwachtingskaart

Ter plaatse van het grootste deel van het plangebied is sprake van een lage archeologische verwachtingswaarde. Ter plaatse worden dan ook geen archeologische waarden verwacht. Een archeologisch onderzoek is ter plaatse uitsluitend noodzakelijk bij ontgrondingen en/of MER-plichtige projecten en/of projecten met een planoppervlak van 5 hectare of meer. Het meest noordwestelijke deel van het plangebied kent een middelhoge verwachtingswaarde. Uitgangspunt is dat bij bodemingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 50 centimeter beneden maaiveld, een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd, waaruit zal moeten blijken dat geen archeologische waarden verloren gaan. Ter plaatse van deze locatie blijft de vigerende dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ gehandhaafd, waarmee eventueel aanwezige waarden ook in de toekomst beschermd blijven.

6.3 Cultuurhistorie De bestaande bedrijfswoning aan Berkenstraat 12 betreft een cultuurhistorisch waardevolle woning. Deze woning is door de monumentencommissie van de gemeente Oosterhout aangewezen als cultuurhistorisch waardevol pand en ook als zodanig opgenomen op de lijst ‘Gemeentelijke monumenten Oosterhout 2017’. Door het aanwijzen van het pand als gemeentelijk monument zijn de bepalingen van de Erfgoedverordening 2015 van toepassing, wat onder andere inhoudt dat er geen wijzigingen zonder een omgevingsvergunning kunnen worden uitgevoerd. Met de beoogde herontwikkeling wordt de woning gesplitst in twee wooneenheden. Door de splitsing en daarmee de permanente bewoning van het hele pand wordt bijgedragen aan het duurzame behoud en onderhoud van de cultuurhistorische waarden. In de omgeving van het plangebied zijn geen andere cultuurhistorisch waardevolle gebouwen of complexen aanwezig. De Berkenstraat betreft een lijn van redelijk hoge waarde. Met de beoogde herontwikkeling worden geen wijzigingen aangebracht aan de weg, waarmee dan ook geen afbreuk wordt gedaan aan deze historische geografische lijn. ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

60

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

Met de beoogde herontwikkeling gaan derhalve ook geen cultuurhistorische waarden verloren.

6.4 Mer-beoordeling 6.4.1

Inleiding

De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In dit besluit is de nieuwe procedure voor vormvrije-mer beoordelingen opgenomen.

In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling.

6.4.2

Toets aan drempelwaarden

Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m². De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied overschrijdt deze drempelwaarden niet.

6.4.3

Vormvrije m.e.r. beoordeling

Op basis van de criteria die genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling wordt voor de beoogde ontwikkeling een vormvrije m.e.r.- beoordeling uitgevoerd. Uit deze toelichting blijkt

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

61

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

dat de beoogde ontwikkeling zeer kleinschalig van aard is en geen aantasting van milieu en omgeving met zich meebrengt.

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

62

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

7. JURIDISCHE VORMGEVING 7.1 Inleiding Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

7.2 Toelichting op de analoge verbeelding De

verbeelding

heeft

een

belangrijke

rol

bij

het

bepalen

van

de

gebruiks-

en

bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken, functie-aanduidingen en bouwvlakken opgenomen. De analoge verbeelding bestaat uit een planverbeelding, getekend op een digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.500. De bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Wonen’ zijn aangegeven, evenals de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’.

7.3 Algemene toelichting op de regels De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: -

Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen);

-

De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen);

-

Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels);

-

Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).

Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: -

Bestemmingsomschrijving;

-

Bouwregels;

-

Nadere eisen;

-

Specifieke gebruiksregels;

-

Afwijking van de gebruiksregels;

-

Omgevingsvergunning

voor

het

uitvoeren

van

werken,

geen

bouwwerken

zijnde,

of

werkzaamheden. De specifieke afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en de toegankelijkheid van het bestemmingsplan bevorderd.

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

63

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

8. UITVOERBAARHEID 8.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Oosterhout zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemers. Dit is met de initiatiefnemers kortgesloten middels een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn onder andere de verplichtingen van initiatiefnemers met betrekking tot het planschadeverhaal opgenomen. Initiatiefnemers zijn zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemers komen. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken, de kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschade die door uitvoering van het bestemmingsplan optreedt.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. De maatschappelijke uitvoerbaarheid is tevens getoetst in een omgevingsdialoog.

8.2.1

Omgevingsdialoog

Ten behoeve van de omgevingsdialoog hebben initiatiefnemers in maart 2017 de plannen besproken met alle omwonenden. In december 2018 – maart 2019 is een hernieuwde dialoog gevoerd. Een verslag van de gevoerde dialoog tot die tijd is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. Later is onderhavig bestemmingsplan nog aangepast naar aanleiding van vooroverleg met de provincie. Gekozen is voor de inpassing van slechts één Ruimte voor Ruimte kavel in plaats van drie. De dialoog is formeel niet opnieuw gevoerd, hoewel informele gesprekken in de omgeving voortduren. De genoemde wijziging heeft enkel een positieve wending gegeven ten opzichte van de directe buren.

8.2.2

Vooroverleg

Artikel 1.3.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Waterschap Brabantse Delta, de provincie Noord-Brabant en Gasunie zijn in het kader van het vooroverleg betrokken bij onderhavig ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

64

Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 21 Berkenstraat 12, 13, 15 en ong.’ - Toelichting

bestemmingsplan. Naar aanleiding van overleg met de provincie is gekozen voor de inpassing van slechts één Ruimte voor Ruimte kavel in plaats van de eerder voorgestelde drie kavels. Onderhavig bestemmingsplan is daarop dan ook aangepast.

8.2.3

Zienswijzen

Het bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van eventuele zienswijzen op het bestemmingsplan kan een heroverweging plaatsvinden op de betreffende onderdelen en kan besloten worden onderhavig bestemmingsplan op een aantal punten te wijzigen.

8.2.4

Procedure

De bestemmingsplanprocedure conform de Wro wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wro zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt:

-

het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage; gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad;

-

binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast;

-

de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; o

Gedeputeerde Staten hebben een zienswijzen ingediend en deze zienswijzen is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan;

o

De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten - wijzigingen aangebracht.

Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan

pas

bekend

worden

gemaakt

nadat

zes

weken

zijn

verstreken.

Het

bestemmingsplan wordt dan voor zes weken gepubliceerd ten behoeve van beroep. Wanneer er geen beroep wordt ingesteld, dan treedt het bestemmingsplan in werking en wordt het bestemmingsplan onherroepelijk. Wanneer een beroep aanhangig is gemaakt treedt het bestemmingsplan in werking maar wordt (vooralsnog) niet onherroepelijk. Bij het instellen van een voorlopige voorziening dan wordt het bestemmingsplan geschorst en treedt niet in werking.

ONTWERP

Crijns Rentmeesters bv

65

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=0373f7a0-d667-48ca-899f-bd51d0f87e0f