CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b Arendsplein_Toelichting

Raadsvergadering 23 november 2021, gemeente OosterhoutBij agendapunt: Bespreekstuk: ZN309813 Vaststelling bestemmingsplan Arendsplein (herontwikkeling bankenlocatie)25.730 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het bestemmingsplan (en zeker ook het toekomstig omgevingsplan, dat op grond van een nieuwe Omgevingswet in de plaats komt voor het bestemmingsplan) kan daarvoor dienst doen. Dit omdat in een bestemmingsplan een concreet toetsingskader kan worden opgenomen voor toekomstige grote, maar ook kleine ontwikkelingen. Het bestemmingsplan mag duurzaamheid regelen als dit een direct verband houdt met de bestemming die aan het plangebied wordt toegekend. De regels van het plan moeten rechtstreeks betrekking hebben op het ruimtebeslag van deze gronden zelf of effect hebben op het ruimtegebruik van nabijgelegen gronden. Net als bij andere onderwerpen in de ruimtelijke ordening kunnen deze regels uitgaan van de volgende vier thema's: 1. Toestaan van gebruik en bouwwerken. 2. Voorwaarden stellen door middel van voorwaardelijke bepalingen. 3. Uitsluiten van ongewenste ontwikkelingen. 4. Belonen van wenselijke initiatieven door middel van extra (planologische) ruimte. Het ruimtelijke ordeningsinstrumentarium kan, en soms moet het zelfs, de deur openen voor duurzame ontwikkelingen. Het belangrijkste afwegingskader voor duurzaamheid is, naast wet- en regelgeving, de in 2019 door de gemeenteraad vastgestelde beleidsnota ''Ambities voor de energietransitie Oosterhout 2030" en de daaruit afgeleide en vastgestelde "Routekaart energietransitie 2019-2022".

Toetsing Duurzaamheid vormt een belangrijke ambitie binnen de totstandkoming van het hernieuwde Arendsplein. Het is evident dat nieuwe stadsontwikkelingen bij moeten dragen aan een toekomstbestendige en klimaatbewuste invulling. Binnen het stedenbouwkundig plan is dit vastgelegd middels een aantal hoofdthema’s: a. Waterretentie: de bestrating zal bestaan uit een half-open verharding, met als uitgangspunt het hergebruik van de bestaande bestratingsstenen. Hierdoor kan hemelwater eenvoudiger opgenomen worden in de bodem. Ook de aanvullende groenzones dienen als buffer voor de opvang van hemelwater. Het plangebied kan hierdoor ook worden ontkoppeld van het bestaande HWA-riool. Waar mogelijk worden de daken tevens groen uitgevoerd. b. Hitte mitigatie: de toepassing van groen met bomen, grassen, struiken leidt tot aanvullende Rho adviseurs voor leefruimte

37

c. d.

e.

schaduwwerking in het plangebied. Biodiversiteit: een combinatie van verschillende typen begroeiing zorgt voor de toename van biodiversiteit. Gebouwuitwerking: er wordt gewerkt met compacte bouwvolumes, duurzame materiaalkeuzes en hoge isolatiewaarden. Ook komen er installatietechische duurzaamheidsconcepten in of op de gebouwen. Denk hierbij aan het gebruik van pv-panelen. Sociale duurzaamheid: door te voorzien in een woningaanbod voor uiteenlopende doelgroepen en een groene openbare, autovrije buitenruimte wordt sociale duurzaamheid gestimuleerd.

De regels en verbeelding van het bestemmingsplan ordenen deze principes door te werken met strakke bouwvlakken, duidelijke gebruiksregels en het gebruik van verschillende bestemmingen waaronder 'Groen'. 3.3.12 Welstandsnota Per 1 oktober 2015 geldt er in Oosterhout bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geen welstandstoets meer. Wel zal er achteraf, via een zogenaamde excessenregeling, kunnen worden opgetreden tegen bouwwerken die in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Er blijven welstandseisen gelden indien sprake is van een beschermd stads- en dorpsgezicht of indien sprake is van de aanwezigheid van rijks- of gemeentelijke monumenten. Toetsing De stedenbouwkundige visie Arendsplein bevat veel beschrijvingen aangaande de beeldkwaliteit van de toekomstige situatie. Zo zijn uitgangspunten ten aanzien van architectuur (type entree en gevelbekleding) en gebouwvolumes (zoals accenten en balkons) opgenomen. Deze worden vervat in een beeldkwaliteitsplan wat naast dit bestemmingsplan als toetsingskader gaat gelden voor de voorgenomen ontwikkelingen. De bouwplannen worden in nauw overleg met het gemeentelijke kwaliteitsteam uitgewerkt. De raad zal gelijktijdig met de behandeling van het voorliggende bestemmingsplan het kwaliteitsteam specifiek hiervoor aanstellen. Hiermee kan er voldoende worden gestuurd op de gewenste beeldkwaliteit.

Na oplevering van alle appartementengebouwen vervalt de welstandstoets.

Rho adviseurs voor leefruimte

38

Rho adviseurs voor leefruimte

39

Hoofdstuk 4

4.1

Planbeschrijving

Algemeen

Zoals eerder al is aangegeven, is de gemeente Oosterhout samen met twee ontwikkelende partijen voornemens de bestaande bankgebouwen (Rabobank en ABN AMRO) aan het Arendsplein en een deel van het winkelcentrum Arendshof II (hierna Altera-locatie) te slopen. Hiervoor in de plaats worden drie appartementengebouwen met maximaal 154 appartementen gebouwd. Deze appartementengebouwen worden respectievelijk 5, 6 en 7 bouwlagen hoog met bijbehorende opbouwen en setbacks. Ook wordt het openbaar gebied heringericht ten behoeve van de benodigde ontsluiting, het parkeren en het creëren van een groene autovrije verblijfsruimte waarin de bestaande monumentale bomen behouden blijven. Voor de ontwikkeling is in mei 2020 de stedenbouwkundige visie Arendsplein vastgesteld (zie bijlage 2). Daarbij zijn de volgende kernwaarden uitgangspunt geweest: a. Leefbaar. b. Verbonden. c. Vitaal. d. Toekomstbestendig. Het stedenbouwkundig concept is weergegeven in figuur 4.1. De nieuwe appartementengebouwen worden gebouwd op de locaties binnen het plangebied die nu ook al bebouwd zijn. De bouwmogelijkheden, die het voorliggende bestemmingsplan biedt op de Altera-locatie (positie van het gebouw en de maximale maatvoering), sluiten naadloos aan op de stedenbouwkundige visie Arendsplein. De bouwplannen voor de locaties van de Rabobank en ABN AMRO zijn inmiddels verder uitgewerkt en positief beoordeeld.

Deze bouwplannen zijn uitgangspunt voor het voorliggende bestemmingsplan.

Rho adviseurs voor leefruimte

40

Figuur 4.1 Stedenbouwkundig concept Arendsplein (Bron: Stedenbouwkundige visie Arendsplein) In de volgende paragraaf wordt kort ingegaan op de stedenbouwkundige visie Arendsplein. In paragraaf 4.3 worden de afwijkingen ten opzichte van het stedenbouwkundig concept toegelicht.

4.2

Stedenbouwkundige visie Arendsplein

Het terugbrengen van (een deel van) de historische structuur, het maken van een groen plein (zoveel mogelijk bestaande bomen handhaven) en het aansluiten op bestaande gebouwen (ten noorden van het plangebied) vormen de essentie van de stedenbouwkundige visie Arendsplein. In deze paragraaf wordt de stedenbouwkundige visie Arendsplein op hoofdlijnen beschreven. Voor een uitgebreide toelichting op het stedenbouwkundig concept wordt verwezen naar het vastgestelde visiedocument zoals opgenomen als bijlage 2. Verkeer en parkeren De huidige verkeerskundige opzet van het Arendsplein kenmerkt zich door gemotoriseerde verkeersstromen door het plangebied. In het nieuwe plan wordt de historische verbinding tussen de Gasstraat en de Kegelstraat hersteld in de vorm van de Verlengde Gasstraat. Naast de nieuwe, doorgetrokken tweerichtingsweg tussen de Gasstraat en de Rulstraat zal er alleen nog sprake zijn van bestemmingsverkeer om de parkeerplaatsen van de appartementengebouwen en de expeditiestraat te kunnen ontsluiten. Voor de bevoorrading van het winkelcentrum rijden vrachtwagens vanaf de Gasstraat, via de expeditiestraat richting het oosten. De ontsluiting van parkeerplaatsen onder het Rabobankgebouw en de bestaande garage op het winkelcentrum worden aan de rand van het plangebied ontsloten zodat er geen auto’s meer over het Arendsplein rijden.

De ontsluiting van het parkeerterrein grenzend aan de Willemstraat is vanaf de Gasstraat. Hier takt ook het private parkeerterrein van het Rabobankgebouw Rho adviseurs voor leefruimte

41

op aan. De parkeerplaatsen bij het ABN AMRO gebouw worden (in afwijking van de stedenbouwkundig visie) ontsloten vanaf de route Rulstraat - Arendsplein, met de toegang tot het perceel schuin tegenover de ingang tot de Q-park garage. Het concept van de verkeersbewegingen is opgenomen in figuur 4.2. Doordat auto’s van het plangebied worden geweerd, ontstaat een autovrij plein. Het openbaar gebied tussen de gebouwen krijgt dus meer verblijfskwaliteit en er ontstaat de mogelijkheid substantieel meer groen te maken.

Figuur 4.2 Verkeersstromen (Bron: Stedenbouwkundige visie Arendsplein) Het parkeren wordt deels opgelost op eigen terrein en deels in openbaar gebied/openbare parkeergarage. Zo krijgt het appartementengebouw ter plaatse van de Rabobank eigen parkeermogelijkheden op maaiveld ten westen van het gebouw en deels in het gebouw. Ook op de ABN AMRO locatie wordt op eigen perceel voorzien van eigen parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte van de bewoners in het gebouw op de Altera-locatie wordt ingevuld door in de bestaande Q-park garage parkeerplaatsen aan de toekomstige bewoners toe te wijzen. Door de herinrichting van de openbare ruimte en wegenstructuur verdwijnen er enkele parkeerplaatsen. In paragraaf 5.3 is aangegeven op welke wijze in de toekomstige situatie wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Groen De bestaande bomen geven de nieuwe openbare ruimte identiteit. In de nieuwe situatie staan de gebouwen zowel aan het plein als op het plein in een groen ingerichte ruimte. Door het gebied verder te intensiveren met nieuwe bomen en met overig groen, ontstaat een prettig leefklimaat voor bewoner en toevallige passant. De handhaving van bestaande bomen is dan ook de basis voor de groene uitwerking van het plan en de inrichting van de openbare ruimte. De platanen in het oosten van het plangebied kunnen niet worden behouden.

Daarvoor in de plaats worden de nieuwe groenzones ingevuld met een diversiteit aan (volwassen) boomsoorten, zowel enkel- als meerstammige. De bomen worden speels en ogenschijnlijk willekeurig gepositioneerd, zodat ze bijdragen aan de natuurlijke uitstraling van het plan. De groenzones zullen verder worden ingevuld met een rijke variatie aan onderbeplanting die een grote mate aan biodiversiteit verzorgen.

Rho adviseurs voor leefruimte

42

Figuur 4.3 Impressie groene inrichting openbare ruimte (Bron: Stedenbouwkundige visie Arendsplein) Bebouwing Veel gebouwen in de directe omgeving bestaan uit twee tot drie lagen met een kap, sommige gebouwen hebben vier lagen met een kap zoals de woongebouwen aan de noordzijde van het plangebied en de bebouwing aan de Prins Frederikstraat. Een kaart met daarop een indicatie van de bouwhoogtes van nieuwe bebouwing in en van bestaande bebouwing in de omgeving van het plangebied is weergegeven in figuur 4.4. Direct aan het nieuwe plein bestaan de drie nieuwe appartementengebouwen voornamelijk uit drie bouwlagen en liggen de hogere bouwlagen circa 2 meter terug. De locatie van het plangebied in het centrum van de stad biedt kansen om hogere bebouwing toe te staan. Op markante plekken worden accenten voorgesteld om de karakteristiek van het plan te versterken. Om daarbij de gevolgen voor de bewoners van de bestaande woningen in de directe omgeving te beperken, is op de Rabobank-locatie in de zuidwesthoek aan de Gasstraat gekozen voor een hoogteaccent van 6 bouwlagen. Op de Altera-locatie is het in stedenbouwkundig-ruimtelijk opzicht zelfs aanvaardbaar om 7 bouwlagen toe te staan. Door deze bouwhoogte pas op minimaal 8 meter uit de gevels aan het nieuwe plein toe te staan, wordt deze bouwhoogte niet als zodanig ervaren op het plein.

De appartementen op de hogere verdiepingen kijken uit over het historische centrum.

Rho adviseurs voor leefruimte

43

Figuur 4.4 Bouwhoogtes en -accenten (Bron: Stedenbouwkundige visie Arendsplein) Figuur 4.5 toont een 3D-model van het toekomstige plan met het hoogteaccent op de Rabobank-locatie op de voorgrond.

Rho adviseurs voor leefruimte

44

Figuur 4.5 3D-model Arendsplein (Bron: Stedenbouwkundige visie Arendsplein) De drie gebouwen grenzen aan vrijwel alle zijden aan het nieuwe autovrije plein en de omliggende straten. Door de woningen in de gebouwen van binnenuit te ontsluiten, zien deze gevels er uit als voorgevels en loopt de openbare ruimte overal door tot tegen de gevels. Alleen de gevels, die dicht op bestaande bebouwing worden geplaatst, krijgen een meer gesloten uitstraling, zoals de gevels van het gebouw op de locatie van de ABN AMRO ter hoogte van de zijgevels van de aangrenzende appartementengebouwen en de onderste bouwlagen van de zuidgevel op de Altera-locatie die grenzen aan de expeditiestraat. In het plan zullen geen grote privétuinen worden opgenomen, ook gelet op het voorkomen van erfafscheidingen. Dit komt de inrichting van het gebied als zijnde een volledig openbaar gebied ten goede. Aan het gebouw zijn onder voorwaarden balkons toegestaan en mogen direct daaronder buitenruimtes op de begane grond worden aangelegd.

4.3

Afwijkingen t.o.v. de stedenbouwkundige visie Arendsplein

Nogmaals wordt opgemerkt dat de bouwmogelijkheden op de Altera-locatie naadloos aansluiten op de stedenbouwkundige visie Arendsplein. De bouwplannen voor de locaties van de Rabobank en het ABN AMRO gebouw zijn inmiddels verder uitgewerkt en uitgangspunt voor het voorliggende bestemmingsplan. De wijzigingen op de locatie van de Rabobank zijn klein ten opzichte van de stedenbouwkundige visie Arendsplein. Op de locatie van het ABN AMRO gebouw is een aanpassing van de bouwmogelijkheden op het achterterrein doorgevoerd. Locatie Rabobank Via een amendement is in de stedenbouwkundige visie Arendsplein opgenomen dat de Verlengde

Rho adviseurs voor leefruimte

45

Gasstraat in de toekomst een tweerichtingsweg wordt zodat deze een goede ontsluiting vormt voor de binnenstad en leveranciers en bezoekers het gebied via twee zijden kunnen blijven bereiken. Bij de vaststelling van de visie zijn de gevolgen hiervan in beeld gebracht maar dit heeft niet geleid tot aanpassing van het stedenbouwkundig concept. In de tussenliggende periode is gebleken dat bij het aanleggen van een tweerichtingenweg het nieuwe appartementengebouw op de Rabobank-locatie te dicht op de weg komt te staan. Om deze reden hebben de gemeente en de ontwikkelende partij besloten dit gebouw 1 meter in oostelijke richting op te schuiven. Omdat het bouwvlak op de Rabobank-locatie is afgestemd op het bouwplan van het appartementengebouw (en daarmee 10 cm smaller is geworden), is de ruimte van 22 meter tot het gebouw op de Altera-locatie (zie profieldoorsnede E op pag. 20 van de stedenbouwkundige visie Arendsplein) met slechts 90 cm verkleind. Doordat het bouwvlak op de Rabobank-locatie is afgestemd op het bouwplan is ook de maat van noord naar zuid (zie profieldoorsnede B op pag. 18 van de stedenbouwkundige visie Arendsplein) gewijzigd. Hierdoor is de afstand van 17 meter tot de voorgevel van de appartementen aan de Kegelstraat 15-43 teruggebracht naar 16,7 meter en de afstand tot de gevel van het winkelcentrum aan de zuidzijde 20 cm kleiner geworden.

Deze aanpassingen zijn besproken met het kwaliteitsteam en akkoord bevonden, vanwege de beperkte invloed op bestaande woningen in de directe omgeving en de afmetingen van de nieuwe openbare ruimte. Het aantal bouwlagen dat met de op de verbeelding opgenomen maximum bouwhoogtes op de Rabobank-locatie is toegestaan, is in lijn met de stedenbouwkundige visie Arendsplein. Locatie ABN AMRO De bouwmogelijkheden op de locatie ABN AMRO zijn bij een nadere bestudering aangepast. Ter ondersteuning van de toelichting hierna zijn in figuur 4.6 zowel de bouwmogelijkheden uit de stedenbouwkundige visie Arendsplein (links) als de bouwmogelijkheden van het voorliggende bestemmingsplan (rechts) in beeld gebracht.

Figuur 4.6 Bouwmogelijkheden op locatie ABN AMRO Links: stedenbouwkundig concept, rechts: bouwmogelijkheden bestemmingsplan Door ook aan de achterzijde bebouwing (de maat van 13,5 m op de verbeelding correspondeert met 4 bouwlagen) toe te staan, wordt voorkomen dat er een achterkantsituatie ontstaat. De achtergevel van het nieuwe appartementengebouw komt in het verlengde van de achtergevel van de bestaande bebouwing aan de Kegelstraat te staan. De ontwikkelaar heeft verzocht de bouw van het appartementengebouw op de bestaande fundering

Rho adviseurs voor leefruimte

46

mogelijk te maken. Dit heeft ten opzichte van de stedenbouwkundige visie Arendsplein geleid tot een verruiming van het bouwvlak aan zowel de west- als oostzijde van circa 30 cm. Omdat het bouwvlak ook hier is afgestemd op het bouwplan van het appartementengebouw is de ruimte van 24 meter tot het gebouw op de Altera-locatie (zie profieldoorsnede A op pag. 18 van de stedenbouwkundige visie Arendsplein) met 50 cm verkleind. Ook deze aanpassingen zijn besproken met het kwaliteitsteam en akkoord bevonden, vanwege de beperkte invloed op de afmetingen van het nieuwe plein. Het aantal bouwlagen dat met de aangegeven maximum bouwhoogtes op de verbeelding op de locatie ABN AMRO is toegestaan aan de zijde van het Arendsplein, is grotendeels in lijn met de stedenbouwkundige visie Arendsplein. Voor een betere aansluiting op het bestaande appartementengebouw aan het Arendsplein wordt de nieuwbouw in 5 bouwlagen ook aan de oostkant toegestaan. Aan de westkant heeft de nadere uitwerking geleid tot 5 in plaats van 3 bouwlagen boven de entree tot het gebouw. Het kwaliteitsteam is positief over het aangepaste bouwplan. Hierbij wordt aandacht gevraagd voor de uitwerking van de westgevel die op de zichtlijn vanuit de Kegelstraat komt te liggen en daarmee een prominente plek inneemt in het plangebied.

4.4

Vertaling in het bestemmingplan

Voor de gronden binnen het plangebied van dit bestemmingsplan zijn drie bestemmingen opgenomen: 1.

2. 3.

De bestemming 'Verkeer' voor het openbare gebied dat toegankelijk is voor gemotoriseerd verkeer, te weten de Gasstraat, Verlengde Gasstraat, Kegelstraat, het private parkeerterrein ten westen van de Verlengde Gasstraat, de expeditiestraat en het Arendsplein tot aan de toegang tot de parkeergarage op het winkelcentrum. De bestemming 'Groen' voor het autovrije, in hoofdzaak groene plein. De bestemming 'Wonen' voor de drie nieuwe appartementengebouwen en de toegestane buitenruimtes op de begane grond.

Naast deze drie primaire bestemmingen zijn twee dubbelbestemmingen en een gebiedsaanduiding opgenomen. De dubbelbestemmingen zijn opgenomen ter bescherming van: eventuele archeologische waarden (zie paragraaf 5.4) en drie monumentale bomen (zie paragraaf 3.3.10). De gebiedsaanduiding dient ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening, vanwege de ligging van het plangebied binnen een grondwaterbeschermingsgebied. Binnen de bestemming 'Wonen' zijn bouwvlakken opgenomen die de bouw van drie appartementengebouwen mogelijk maakt. Binnen de bouwvlakken zijn het woningtype (gestapeld), het maximum aantal wooneenheden en maximum goot- en bouwhoogtes opgenomen, in de basis afgestemd op de vastgestelde stedenbouwkundige visie Arendsplein. Uitgangspunt voor de maximum bouwhoogtes is een verdiepingshoogte met een standaardmaat van 3 meter. Daar bovenop geldt dat binnen ieder gebouw 1,5 meter extra hoogte is gegeven ten behoeve van de uitwerking van een hogere plint, een afwijkende verdiepingshoogte en het oplossen van het dakranddetail. Voor een bredere openbare ruimte op de Altera-locatie aan de zijde van de nieuwe entree tot het winkelcentrum en voor de expeditiestraat, is bepaald dat over een breedte van 2 meter uit de grenzen van het bouwvlak pas bebouwing mag worden opgericht vanaf de derde bouwlaag.

Hiervoor is op de verbeelding de aanduiding 'onderdoorgang' opgenomen. Hoogtescheidingslijnen zijn afgestemd op de nader uitgewerkte bouwplannen voor de locaties van de Rabobank en het ABN AMRO, waardoor de afstand van hoger gelegen bouwlagen tot de buitengevels in een enkele situatie is verkleind met 10 tot 20 cm.

Rho adviseurs voor leefruimte

47

Balkons maken onderdeel uit van de architectuur van de gebouwen en steken maximaal 2 meter buiten de vastgestelde bouwgrenzen en maximaal 1 meter aan de Verlengde Gasstraat. Omdat niet onder alle balkons buitenruimtes op de begane grond aanwezig zijn, zijn balkons boven de bestemmingen 'Verkeer' en 'Groen' toegestaan. Daarom is voor balkons een regeling opgenomen in de algemene bouwregels in artikel 9 van de regels. Voor de afwijkende, beperkte diepte van balkons aan de Verlengde Gasstraat, is op de verbeelding een specifieke bouwaanduiding opgenomen.

Rho adviseurs voor leefruimte

48

Rho adviseurs voor leefruimte

49

Hoofdstuk 5

5.1

Randvoorwaarden

Inleiding

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.

5.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

5.2.1 Normstelling en beleid In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r.-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Daarnaast wordt het toetsingskader bepaald door de Wet natuurbescherming, de Wet milieubeheer en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

Rho adviseurs voor leefruimte

50

5.2.2 Toetsing en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 154 woningen op een locatie waar twee voormalige bankgebouwen en een deel van het winkelcentrum Arendshof II geamoveerd worden. Hoewel er qua grondprojectie de omvang afneemt, is er wel sprake van veranderingen ten opzichte van de huidige situatie. Zo wordt de verkeersontsluiting in het plan gewijzigd, verandert de parkeersituatie en neemt de hoogte van de gebouwen toe. Omdat op voorhand niet uitgesloten kan worden dat er met de realisatie geen sprake is van negatieve milieueffecten, moet dit worden onderzocht. Door de ligging in stedelijk gebied, de functiewijzingen en de ruimtelijke veranderingen ten opzichte van de huidige situatie is er sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Met de realisatie van maximaal 154 woningen blijft de beoogde ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde.

Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. Op basis van deze notitie heeft het bevoegd gezag op 1 juni 2021 besloten dat er geen milieueffectrapportage voor de voorgenomen planontwikkeling noodzakelijk is. De aanmeldnotitie is opgenomen als bijlage 1.

5.3

Verkeer en parkeren

5.3.1 Beleid Zoals in paragraaf 4.2 al is beschreven, wordt het Arendsplein autovrij en wordt de historische verbinding tussen de Gasstraat en de Kegelstraat hersteld in de vorm van de Verlengde Gasstraat. Deze aanpassingen in en rond het plangebied leiden tot een verandering in de verkeersstromen van en naar het plangebied. Ook de transformatie van kantoren en winkels naar woningen draagt hieraan nog bij. Er moet worden aangetoond dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling of onaanvaardbare gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid op de wegen en kruispunten in en nabij het plangebied. Voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling is het verschil tussen de bestaande en toekomstige situatie in beeld gebracht. De beoordeling van de verkeersveiligheid gaat volgens het principe van Duurzaam Veilig. Dit principe geeft aan dat de verkeersveiligheid van een weg geborgd is als intensiteit, gebruik en vormgeving van de weg met elkaar in evenwicht zijn. Ook leidt de transformatie tot een andere parkeerbehoefte. Er moet worden aangetoond dat kan worden voldaan aan het gemeentelijk parkeerbeleid dat is vastgelegd in de Nota Parkeernormen 2019.

5.3.2 Toetsing Om de effecten van de aangepaste invulling en verandering in verkeerstromen te beoordelen, is een mobiliteitstoets uitgevoerd. De rapportage daarvan is als bijlage 3 opgenomen. Ook wordt in de mobiliteitstoets ingegaan op de huidige en toekomstige parkeerbehoefte, de gevolgen voor bestaande parkeerplaatsen en de parkeeroplossing in de toekomstige situatie. Rho adviseurs voor leefruimte

51

Verkeersafwikkeling Uit de beoordeling komt naar voren dat voor kruispunt Kegelstraat - Van Liedekerkestraat geen problemen met de verkeersafwikkeling worden verwacht. Voor kruispunt Statendamweg - Strijenstraat en kruispunt Strijenstraat - Prins Frederikstraat geldt dat de verkeersafwikkeling in de toekomst wel tot problemen zal leiden, maar dat deze knelpunten niet worden veroorzaakt door planontwikkeling. De knelpunten ontstaan namelijk door de autonome groei van het verkeer de komende jaren. De toevoeging van het plan leidt alleen op het kruispunt Statendamweg - Strijenstraat tot een verdere verslechtering, maar deze is nihil ten opzichte van het totale verkeersaanbod op het kruispunt, waardoor de bijdrage van het plan verwaarloosbaar is. Voor het kruispunt Strijenstraat - Prins Frederikstraat geldt zelfs dat de invloed van het plan leidt tot een zeer kleine verbetering van de verkeersafwikkeling, omdat deze kruising minder verkeer te verwerken krijgt. Kruispunt Bredaseweg Van Liedekerkestraat tenslotte is qua vormgeving voldoende robuust om de geringe toename van verkeer ook in de toekomst te verwerken. Verkeersveiligheid Om de verkeersveiligheid te beoordelen, is gekeken naar de toekomstige verkeersintensiteit op de belangrijkste wegvakken en kruisingen in en in de omgeving van het plangebied.

Vanaf de centrumring zal het verkeer opgaan in het heersende verkeersbeeld en is de invloed van het plan op de totale verkeersstromen te verwaarlozen. De verkeersveiligheid op de centrumring is om deze reden niet beoordeeld. Er is wel gekeken naar de verkeersveiligheid op het kruispunt Van Liedekerkestraat Kegelstraat. In de mobiliteitstoets zijn verder de volgende wegvakken beoordeeld: Kegelstraat tussen Rulstraat en Van Liedekerkestraat; Gasstraat tussen Bredaseweg en Arendsplein; Verlengde Gasstraat; Arendsplein/Prins Frederikstraat tussen parkeergarage Q-park en Strijenstraat. Parkeren Om de effecten van de ontwikkeling voor parkeren in beeld te brengen, is de parkeerbehoefte van de bestaande en toekomstige situatie bepaald en toegedeeld aan de beschikbare parkeercapaciteit. Vanwege de herinrichting van de openbare ruimte en de gedeeltelijke sloop van het winkelcentrum en de daar bovenop gelegen parkeerplaatsen in de Q-park garage, zal de parkeercapaciteit in het gebied afnemen. Op de locaties van Rabobank en ABN wordt na de herontwikkeling op eigen terrein voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Slechts op enkele momenten zullen bewoners van de appartementen op de locaties van Rabobank en ABN voor het parkeren van hun eventuele tweede auto moeten uitwijken naar parkeerplaatsen in de openbare ruimte.

Voor de appartementen op de Altera-locatie zal de parkeervraag volledig worden opgevangen door een deel van de parkeerplaatsen in de Q-park garage hiervoor te reserveren. De parkeeropgave van de bewoners leidt dus niet tot parkeeroverlast in de omgeving. Voor het oplossen van de parkeervraag van bezoekers is gekeken naar de beschikbaarheid in de Q-park garage. Op het drukste moment in de week, de zaterdagmiddag, bedraagt de parkeerbezetting 89%. Hierin is rekening gehouden met het bezoekersparkeren en de compensatie van de afname van het aantal parkeerplaatsen in het openbare gebied. Dit houdt in dat in de Q-park garage voldoende restcapaciteit aanwezig is. In de mobiliteitstoets is dit nader onderbouwd. 5.3.3 Conclusie Uit de mobiliteitstoets blijkt dat: de beoogde herontwikkeling op het Arendsplein niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling Rho adviseurs voor leefruimte

52

of verkeersveiligheid op de wegen en kruispunten in en nabij het plangebied; wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen 2019.

5.4

Archeologie en cultuurhistorie

5.4.1 Normstelling en beleid Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, 2007). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming.

Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Sinds 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan.

De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Ook regelt de Erfgoedwet de bescherming van rijksmonumenten beschermde stadsgezichten. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de

Rho adviseurs voor leefruimte

53

initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Het gemeentelijk beleid is weergegeven in paragraaf 3.3.7 en 3.3.8. 5.4.2 Toetsing Archeologie Het plangebied kent op basis van het vigerende bestemmingsplan en de archeologische beleidskaart (figuur 5.1) een hoge archeologische verwachtingswaarde. Dit met uitzondering van het gedeelte waar nu het winkelcentrum staat.

Figuur 5.1 Archeologische beleidskaart met aanduiding plangebied (Bron: Gemeente Oosterhout) Voor dit gebied is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien er sprake is van vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw wordt vergroot met meer dan 100 m2 en/of waarbij geen gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering en/of er aanvullende graafwerkzaamheden zijn die dieper gaan dan 0,5 meter onder het maaiveld. Voor de nieuwe appartementengebouwen wordt mogelijk (deels) gebruik gemaakt van de bestaande funderingen. Ook voor de herinrichting van het openbaar gebied is het mogelijk dat niet dieper ontgraven wordt dan 0,5 meter. Omdat dit op voorhand niet duidelijk is, is in dit bestemmingsplan de huidige archeologische dubbelbestemming behouden. Bij de verschillende werkzaamheden/aanvragen omgevingsvergunning dient indien noodzakelijk een archeologisch rapport overlegd te worden. Cultuurhistorie De Erfgoedkaart van de gemeente Oosterhout (figuur 5.2) laat zien dat er in het plangebied geen monumenten en/of historische stedenbouw voorkomt. De beoogde ontwikkeling doet daarnaast geen Rho adviseurs voor leefruimte

54

afbreuk aan cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het aspect cultuurhistorie.

Figuur 5.2 Uitsnede Erfgoedkaart met aanduiding plangebied (Bron: Gemeente Oosterhout) 5.4.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie staan de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.5

Bodem

5.5.1 Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 5.5.2 Toetsing Door Antea Group zijn de afgelopen jaren binnen het plangebied in fasen verkennende en nadere bodemonderzoeken uitgevoerd. Doel van de bodemonderzoeken is het vaststellen van de milieutechnische bodemkwaliteit binnen het plangebied.

Op basis van de onderzoekresultaten wordt vastgesteld of het gewenste gebruik (wonen), vanuit milieutechnisch oogpunt gezien, mogelijk is en zo niet, welke vervolgacties noodzakelijk zijn.

Rho adviseurs voor leefruimte

55

In december 2019 is door Antea Group een managementsamenvatting opgesteld van de tot dat moment verrichte onderzoeken. Deze managementsamenvatting is opgenomen in bijlage 4. De rapportages van het daarin vermelde bodemonderzoeken zijn als bijlagen 5, 6 en 7 opgenomen. Uit de managementsamenvatting blijkt dat binnen het plangebied sprake is van vijf verontreinigingssituaties: Heterogene loodverontreiniging in de bovengrond verspreid over het gehele plangebied. Sterk verontreiniging met PAK in de ondergrond van het voormalige gasfabrieksterrein, ten westen van de voormalige Rabobank. Sterke verontreiniging met PAK ten zuiden van de voormalige Rabobank. Matige verontreiniging met PCB in de bovengrond in het uiterste zuiden van het plangebied. Een geval van ernstige grondwaterverontreiniging met VOCL ter plaatse van Arendsplein. In het eerste kwartaal van 2020 is fase 4 van het nader bodemonderzoek uitgevoerd. De briefrapportage daarvan is opgenomen als bijlage 8. 5.5.3 Conclusie Op basis van de resultaten van de diverse onderzoeken wordt geadviseerd een saneringsplan op te stellen waarin wordt omschreven hoe de bodem geschikt kan worden gemaakt voor de beoogde woningbouwontwikkeling. Bij grondwateronttrekking dient rekening te worden gehouden met de verspreiding van de sterke grondwaterverontreinigingen en een mogelijke noodzaak voor zuivering.

Wanneer in het ontwerp van appartementengebouwen gebruik wordt gemaakt van warmtepompsystemen met de bodem als bron voor WKO, dient rekening te worden gehouden met de bodemsituatie.

5.6

Conventionele explosieven

Eind oktober, begin november 1944 lag de omgeving van de gemeente Oosterhout in de frontlinie. Na de bevrijding van Breda, op 29 oktober 1944, trokken Duitse troepen zich terug achter de Mark-Dintellinie. Poolse geallieerde militairen staken in de nacht van 3 op 4 november het Markkanaal over bij Ter Aalst. De 1e Poolse pantserdivisie stak over via een baileybrug en joeg de Duitsers verder naar het noorden. Er werd in die dagen fel gevochten in de omgeving van het centrum van Oosterhout en er vielen relatief veel slachtoffers. Als gevolg van oorlogshandelingen in de Tweede Wereldoorlog kunnen conventionele explosieven (CE) zijn achtergebleven. Bij het spontaan aantreffen van CE ontstaat een verhoogd veiligheidsrisico doordat het explosief door direct contact of trillingen kan exploderen. Dergelijke ongecontroleerde explosies kunnen dodelijk letsel en zware schade aan materieel en omgeving tot gevolg hebben. Tevens kan een spontane vondst resulteren in meerkosten door stagnatie van de uitvoeringswerkzaamheden. De gemeente Oosterhout heeft daarom een vooronderzoek conventionele explosieven laten uitvoeren voor het centrum van Oosterhout. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 9 opgenomen. Op basis van de beoordeling van beschikbare bronnenmateriaal is geconcludeerd dat er onvoldoende indicaties zijn om te spreken van de mogelijke aanwezigheid van CE.

Het centrum en daarmee ook het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan is onverdacht van CE. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Rho adviseurs voor leefruimte

56

5.7

Ecologie

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. 5.7.1 Normstelling en beleid Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura-2000 gebieden. b. Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000.

Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project, de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. De provincie Noord-Brabant hanteert daarvoor het begrip Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en

Rho adviseurs voor leefruimte

57

c.

de bescherming van overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. Gedeputeerde Staten (GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen, zijn opgenomen in de Wnb en de genoemde richtlijnen. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater.

In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. 5.7.2 Toetsing Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Brabant, een stiltegebied of een verbindingszone (figuur 5.3). Het dichtstbijzijnde relevante Natura 2000-gebied is de Biesbosch en bevindt zich op circa 7,5 km van het plangebied.

Rho adviseurs voor leefruimte

58

Figuur 5.3 Natuurgebieden rondom het plangebied (Bron: provincie Noord-Brabant) Het plangebied ligt niet in beschermde natuurgebieden, van areaalverlies en versnippering is derhalve geen sprake. Gezien de afstand en de stedelijke ligging kunnen ook effecten als verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De ontwikkeling van het plangebied zou kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in de omgeving. Om deze reden zijn stikstofberekeningen voor zowel de gebruiks- als de aanlegfase uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator. . De resultaten zijn opgenomen in bijlage 10. Hieruit blijkt dat er in de aanleg- en gebruiksfase geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied in de aanleg- en gebruiksfase zijn hiermee uitgesloten. Recentelijk is in een uitspraak door de Afdeling bestuursrechtspraak opgemerkt dat het model voor verkeersbewegingen in AERIUS niet toereikend is op afstanden groter dan 5 km. Gezien de aanlegfase in deze kwestie 225 kg aan NOX/jaar emissie tot gevolg heeft met een model dat wel tot verder dan 5 km rekent en hieruit geen depositie blijkt, kunnen de verkeersbewegingen met een emissie van circa 10 kg NOX/jaar logischerwijs nooit depositie tot gevolg hebben verder dan 5 km van de bron.

Soortenbescherming Aan de hand van een quickscan flora en fauna is bepaald of de ontwikkeling mogelijk van invloed is op beschermde plant- en diersoorten. De resultaten van dit onderzoek zijn bijgevoegd in bijlage 11. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied bestaat naast bebouwing uit grotendeels verhard dan wel gecultiveerd terrein en een natuurlijke vegetatie is geheel afwezig. Het onderzoeksgebied is gezien het geringe oppervlak en beperkt aanwezige beschutting alleen geschikt voor enkele kleine niet-kritische grondgebonden zoogdieren zoals muizen en huisspitsmuis. Echter, voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming in het kader van de voorgenomen maatregelen.

Rho adviseurs voor leefruimte

59

Streng beschermde grondgebonden soorten zijn in het plangebied en haar directe omgeving niet te verwachten. De hoeveelheid bomen is te klein en biedt geen foerageermogelijkheden voor eekhoorns of kleine marterachtigen. De bebouwing is verder niet toegankelijk voor de steenmarter waardoor streng beschermde soorten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn uit te sluiten. Nader onderzoek naar deze soorten of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Vleermuizen Essentiële foerageergebieden of vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming als deze noodzakelijk zijn voor het functioneren van voortplantings- of rustplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is echter veel te klein om van wezenlijk belang te zijn als foerageergebied. Het maakt hoogstens een marginaal onderdeel uit van een veel groter geheel. Het gebied is ook te klein om als wezenlijk onderdeel van een vaste vliegroute te fungeren. Ook zijn er geen lijnvormige elementen van voldoende omvang aanwezig binnen of aansluitend op het plangebied. Essentiële vliegroutes zijn dan ook niet te verwachten. Binnen het onderzoeksgebied zijn enkele bomen aanwezig. Deze zijn te klein en/of te goed onderhouden en bevatten geen voor vleermuizen geschikte holtes en scheuren. Verblijfplaatsen in bomen zijn dan ook niet te verwachten.

Bovendien kunnen de aanwezige bomen waarschijnlijk in de plannen worden ingepast. In een aantal van de te slopen bebouwing zijn open stootvoegen en spleten zichtbaar aanwezig die vleermuizen toegang tot het pand kunnen verschaffen. In de (ruimere) omgeving van het plangebied zijn ook meerdere soorten vleermuizen waargenomen waaronder gebouwbewonende soorten als gewone dwergvleermuis en laatvlieger. De aanwezigheid van verblijfplaatsen kan om deze reden niet worden uitgesloten. Vogels Binnen het onderzoeksgebied zijn alleen in de beperkt aanwezige bomen (potentiële) broedlocaties aanwezig. De bebouwing lijkt voor dit doel geheel ongeschikt te zijn. Ook gebouw bewonende soorten met een jaarrond beschermd nest zoals huismus of gierzwaluw zijn niet te verwachten aangezien de moderne bebouwing niet voldoet aan de eisen die beide soorten stellen. Andere soorten met een jaarrond beschermde nest worden niet verwacht. Verwijderen van opgaand groen dient buiten de broedperiode plaats te vinden. Planten, reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelden Het plangebied en de directe omgeving zijn niet geschikt voor beschermde planten, reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelden.

Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater, het geringe oppervlak en het ontbreken van geschikt habitat in het plangebied en de directe omgeving ervan is de aanwezigheid van deze soorten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uit te sluiten. Derhalve is aanvullend onderzoek of een ontheffingsaanvraag niet nodig. Nader onderzoek Op basis van de resultaten van quickscan flora en fauna is nader onderzoek uitgevoerd naar de functie(s) van het plangebied voor vleermuizen. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 12. Hierna wordt kort ingegaan op de conclusies. Tijdens de veldinventarisaties is alleen de Gewone dwergvleermuis waargenomen. Gewone dwergvleermuizen werden bij alle inventarisaties in en in de directe omgeving van het plangebied waargenomen. Het betrof steeds enkele foeragerende en passerende individuen. Er zijn in het plangebied geen vleermuizen waargenomen die in of uit geschikte openingen in de bebouwing vlogen of zwermgedrag vertoonden. Foeragerende vleermuizen werden verspreid door het plangebied waargenomen, voornamelijk ter hoogte van de nu aanwezige groenstroken gelegen op het Arendsplein. Passerende vleermuizen werden verspreid door het plangebied in kleine aantallen waargenomen.

Rho adviseurs voor leefruimte

60

De aanwezigheid van vaste kraam-, zomer-, paar- en/of winterverblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten. Het plangebied wordt niet aangemerkt als (onderdeel van) essentieel foerageergebied of een essentiële vliegroute voor vleermuizen. Aangezien wel een paarverblijfplaats van de Gewone dwergvleermuis nabij het plangebied is vastgesteld, dient, in het kader van de zorgplicht/behoud functionaliteit, een aantal maatregelen in acht te worden genomen. Verder dienen maatregelen te worden getroffen zodat verstoring van verblijfplaatsen, door lichtbronnen wordt voorkomen. Gedurende één van de veldbezoeken is net buiten het plangebied een verblijfplaats van de Gierzwaluw. Ook hiervoor dient een aantal maatregelen te worden getroffen. In hoofdstuk 6 van de rapportage van het nader onderzoek wordt nader ingegaan op deze maatregelen. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk moeten worden vermeden.

5.7.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot significante negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Ook is de ontwikkeling niet direct van invloed op beschermde plant- en diersoorten. Het plangebied en de directe omgeving worden gebruikt als foerageergebied en vliegroute door de Gewone dwergvleermuis. Er is geen sprake van essentieel foerageergebied. Net buiten het plangebied is een paarverblijfplaats van de Gewone dwergvleermuis vastgesteld, waarvoor een aantal maatregelen in acht moeten worden genomen. Allereerst dient zoveel mogelijk buiten de kwetsbare periode te wordengewerkt (begin november tot 15 juli). Mocht er toch in de kwetsbare periode worden gewerkt, dienen de werkzaamheden te worden uitgevoerd tussen zonsopkomst en zonsondergang. Verder dienen maatregelen te worden getroffen zodat verstoring van verblijfplaatsen door lichtbronnen wordt voorkomen. In hoofdstuk 6 van het de rapportage van het aanvullend onderzoek zijn hiervoor aanbevelingen gedaan. Net buiten het plangebied is ook een paarverblijfplaats van de Gierzwaluw vastgesteld. Ook daar dient zoveel mogelijk buiten de kwetsbare periode te worden gewerkt (15 april tot 1 september). Mocht er toch in de kwetsbare periode worden gewerkt, dient de verblijfplaats toegankelijk te blijven voor de Gierzwaluw door geen (bouw)licht op de in- en uitvliegopeningen te laten schijnen.

Tot slot geldt de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: het materieel/de persoon die de ingreep uitvoert, dient zodanig gepositioneerd te zijn dat eventueel aanwezige dieren een vrije vluchtroute hebben naar een bereikbaar en veilig alternatief habitat; in verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd.

5.8

Water

5.8.1 Normstelling en beleid Waterbeheer en watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek

Rho adviseurs voor leefruimte

61

brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water Nationaal: Nationaal Waterplan Nationaal Bestuursakkoord Water Waterwet Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PWMP) van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor o.a. het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater.

Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwantiteits en kwaliteitsbeheer) in het plangebied. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het Waterbeheerplan 2016-2021. Het plan beschrijft de hoofdlijnen van het beheer van het water- en zuiveringssysteem voor de periode 2016-2021. Nieuwe accenten in het Waterbeheerplan zijn: de versterking van de primaire en regionale keringen, inzet op waterbewustwording van watergebruikers, helder zijn over de beperkingen en mogelijkheden die er vanuit het watersysteem zijn voor de gebruiksfuncties, een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie en dynamisch waterbeheer. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij de uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'Hydrologische uitgangspunten bij Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen, 2015'.

De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond besloten om de Keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. In de Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of; de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een Rho adviseurs voor leefruimte

62

voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: 'benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06' Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is weergegeven in paragraaf 3.3.9. 5.8.2 Toetsing Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in het centrum van Oosterhout. Op het plein staan drie gebouwen: de Rabobank, de ABN AMRO en een uitloper van het winkelcentrum Arendshof II. Het plangebied is momenteel grotendeels verhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied. Ten westen grenst een grondwaterbeschermingsgebied, hierin zullen geen bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Wel wordt de huidige parkeerplaats heringericht, maar dit zal niet van invloed zijn op de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Ten zuidoosten van het plangebied bestaat de grond uit enkeergronden; fijn zand.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=36ae3b56-bc30-4a21-914d-14b055757710