CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b Arendsplein_Toelichting

Raadsvergadering 23 november 2021, gemeente OosterhoutBij agendapunt: Bespreekstuk: ZN309813 Vaststelling bestemmingsplan Arendsplein (herontwikkeling bankenlocatie)25.730 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Met betrekking tot grondwater is ten zuidoosten van het plangebied sprake van grondwatertrap VII. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) schommelt op 80 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt op 120 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld ligt op circa 4,5 meter +NAP. Waterkwantiteit en waterkeringen Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en bevindt zich hiermee ook niet in een beschermingszone. In figuur 1 is een uitsnede te zien van het plangebied in relatie tot de informatie beschikbaar via de Watertoets Viewer van het waterschap Brabantse Delta.

Rho adviseurs voor leefruimte

63

Figuur 5.4 Uitsnede Watertoets Viewer met plangebied rood omkaderd (Bron: Waterschap Brabantse Delta) Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering De bestaande gebouwen zijn aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie worden 3 appartementengebouwen gerealiseerd. Deze gebouwen worden mogelijk gemaakt op plaatsen die ook in de huidige situatie bebouwd zijn. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem. De bodemopbouw verandert niet. Ook de grondwaterstand zal niet veranderen. De hoeveelheid verharding neemt weliswaar af maar niet in een mate die (door infiltratie) leidt tot een hogere grondwaterstand. Waterkwantiteit en compensatie Het plangebied heeft een omvang van circa 13.395 m². Hiervan is momenteel zo'n 12.795 m² verhard.

Ervan uitgaande dat de bouwvlakken volledig worden bebouwd, de verkeersbestemming voor het overgrote deel wordt verhard en ook 60% van de oppervlakte van de groenbestemmingen wordt voorzien van oppervlakteverharding, neemt het verharde oppervlak af tot circa 11.780 m². Hiermee neemt de hoeveelheid aan verharding af met 1.015 m² en is compensatie niet noodzakelijk. Er bevindt zich een regenwaterriolering in het plangebied,. Een deel van het hemelwater wordt ter plaatse geïnfiltreerd, waardoor er minder regenwater via dit riool hoeft te worden afgevoerd. Waterveiligheid Rho adviseurs voor leefruimte

64

Omdat het plangebied niet binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering ligt, heeft de ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Watersysteemkwaliteit en ecologie Bij het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (lood, zink en zacht PVC) kunnen deze stoffen zich ophopen in het water(bodem)systeem. Hierdoor kan het gebruik hiervan een zeer nadelige invloed hebben op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem worden milieuvriendelijke bouwmaterialen gebruikt, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie (RWZI) terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke vuilwaterriolering. Zoals hiervoor al is aangegeven, wordt het hemelwater deels ter plaatse geïnfiltreerd en deels afgevoerd via het reeds aanwezige regenwaterriool. 5.8.3 Conclusie Watercompensatie is niet noodzakelijk vanuit het beleid van het waterschap en gemeentelijk beleid.

De ontwikkeling heeft positieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse, omdat door het vervangen van verharding door groen het grondwater met meer regenwater wordt aangevuld dan in de huidige situatie. Tevens wordt door de toename van infiltratiemogelijkheden het huidige rioolstelsel minder belast.

5.9

Bedrijven en milieuhinder

5.9.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling een belangenafweging te kunnen maken tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen, wordt in dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De omgeving van het Arendsplein kan gelet op de ligging in het centrum van Oosterhout worden getypeerd als 'gemengd gebied'. Dat betekent dat bij de toetsing aan de richtafstanden de richtafstand met één stap kan worden teruggezet.

In de omgeving van het plangebied zijn een parkeergarage en een winkelcentrum aanwezig. Voor een parkeergarage geldt een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Voor een winkelcentrum is geen richtafstand beschikbaar. Voor de beoordeling van de milieuhinder wordt aangesloten bij de richtafstand voor een supermarkt/warenhuis. De richtafstand in gemengd gebied bedraagt hiervoor 0 meter in gemengd gebied. Dat betekent dat de functies wonen en supermarkt/warenhuis in beginsel

Rho adviseurs voor leefruimte

65

direct naast elkaar inpasbaar zijn. De afstand tussen de woongebouwen en de parkeergarage zal minimaal 12 meter bedragen. De afstand tot het gebouw van het winkelcentrum bedraagt circa 8 meter. Bij alle woningen wordt daarmee voldaan aan de richtafstanden. Uit ervaring bij andere bestemmingsplannen is echter bekend dat de richtafstanden voor handelingen in de open lucht, zoals laden en lossen of verkeersbewegingen, niet altijd toereikend zijn voor het aspect geluid. Om deze reden is de geluidbelasting van het laden en lossen op de openbare weg en het gebruik van de parkeergarage alsnog onderzocht. Het akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 13. 5.9.2 Toetsing Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het geluid van rijdende personenauto's in de avondperiode kan leiden tot een overschrijding van de richtwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 45 dB(A) met 1 dB(A). De richtwaarde voor het maximaal geluidniveau in de nachtperiode van 60 dB(A) wordt overschreden door het sluiten van autoportieren. De hoogst berekende waarde bedraagt 64 dB(A). Uit het rapport blijkt echter ook dat de berekende waarden niet zorgen voor een overschrijding van de maximale waarden in de verblijfsruimten van de woningen.

Omdat maatregelen om de geluidbelasting te reduceren niet goed mogelijk zijn, en er sprake zal zijn van een aanvaardbaar binnenniveau, is de overschrijding van de richtwaarden in dit geval acceptabel. De grenswaarden van het Activiteitenbesluit zijn gelijk aan de toegepaste richtwaarden, wat betekent dat de introductie van de woningen in potentie een belemmering vormt voor de exploitant van de parkeergarage. De berekende waarden worden daarom vastgelegd in maatwerkvoorschriften, waarmee toestemming wordt gegeven voor de beperkte overschrijding van de grenswaarden. Het laden en lossen op de openbare weg is slechts toegestaan op een aangewezen locatie op de bevoorradingsweg. Uit het akoestisch rapport blijkt dat het laden en lossen niet zorgt voor overschrijding van de richtwaarden voor geluid. Het is hierbij wel van belang dat de bevoorradingsweg wordt voorzien van een verhardingstype waarmee de geluidsoverlast wordt beperkt. 5.9.3 Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de ontwikkeling leidt niet tot onaanvaardbare gevolgen voor bedrijven in de directe omgeving. Hiervoor geldt een aantal voorwaarden: Er worden geen bedrijven belemmerd indien voor Q-Park een maatwerkvoorschrift Activiteitenbesluit is vastgesteld (uiterlijk voor in gebruik name van de dichtstbijgelegen appartementen).

Er is een wegmaatregel vereist om de geluidbelasting vanwege rolcontainers (laden/lossen) binnen aanvaardbare waarden te brengen. De maatregel bestaat uit stille klinkers of een daarmee akoestisch vergelijkbaar wegdek op het Arendsplein vanaf de Gasstraat tot ten minste 6 meter voorbij de hoek van de parkeergarage Q-Park. De maatregel moet zijn uitgevoerd één jaar na de ingebruikname van het eerste appartement in het gebouw op de Altera-locatie. Het college zal er zorg voor dragen dat uiterlijk één jaar na de ingebruikname van het eerste appartement in het gebouw op de Altera-locatie middels een verkeersbesluit de laad- en loszone verplaatsen tot ten minste 6 meter voorbij de hoek van de parkeergarage Q-Park.

Rho adviseurs voor leefruimte

66

5.10

Geluid

5.10.1 Normstelling en beleid Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) is akoestisch onderzoek noodzakelijk wanneer nieuwe woningen in de geluidzone van een bestaande weg of spoorweg worden gerealiseerd. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is akoestisch onderzoek uitgevoerd, vanwege de ligging in de zone van de Van Liedekerkestraat. Het akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 13. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur in de omgeving van het plan ook betrokken bij het onderzoek. 5.10.2 Toetsing De Van Liedekerkestraat leidt niet tot overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het is niet noodzakelijk een besluit hogere grenswaarden te verlenen. De wegen Arendsplein en Kegelstraat kennen een maximumsnelheid van 30 km/uur en vallen daardoor niet onder het regime van de Wgh. De geluidbelasting van deze wegen zal bij enkele woningen hoger zijn dan de richtwaarde van 48 dB. Uit het rapport blijkt dat het niet mogelijk is doelmatige maatregelen te treffen, of dat deze maatregelen stuiten op bezwaren van stedenbouwkundige aard. De geluidkwaliteit is aan de hand van de methode Miedema beoordeeld als zeer goed tot goed bij de meeste woningen. Bij enkele woningen is de geluidkwaliteit redelijk tot matig. Dit is voor woningen in een centrumgebied een aanvaardbare kwaliteit.

De overige wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur zorgen niet voor overschrijding van de richtwaarde van 48 dB. 5.10.3 Conclusie Bij de woningen zal sprake zijn van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Het is niet nodig een besluit hogere grenswaarden vast te stellen.

5.11

Luchtkwaliteit

5.11.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 5.1 weergegeven. Tabel 5.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van Grenswaarde stikstofdioxide (NO2 ) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ fijn stof (PM10 ) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ fijn stof (PM2,5 ) jaargemiddelde concentratie 25 µg /m³

Rho adviseurs voor leefruimte

67

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³). Een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

5.11.2 Toetsing De ontwikkeling van maximaal 154 woningen valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Om na te gaan of sprake is van een goed woon- en leefklimaat, is gekeken naar de luchtkwaliteit ter hoogte van het projectgebied. Via de NSL-monitoringstool kan de huidige luchtkwaliteit ter plaatse worden nagegaan. In deze monitoring is de luchtkwaliteit langs drukkere wegen inzichtelijk gemaakt. Het dichtstbijgelegen meetpunt ligt op de Van Liedekerkestraat. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof op dit meetpunt ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 20,2 µg/m³ voor NO2 , 19,5 µg/m³ voor PM10 en 11,7 µg/m³ voor PM2,5 . Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 7,2 dagen. 5.11.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.12

Kabels en leidingen

5.12.1 Normstelling en beleid Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: a. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; b. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; c. defensiebrandstoffen; d. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Rho adviseurs voor leefruimte

68

5.12.2 Onderzoek en conclusie Binnen en in de omgeving van het plangebied zijn geen planologisch relevante buisleidingen aanwezig. Tevens zijn er geen relevante hoogspanningsverbindingen of straalpaden. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.13

Externe veiligheid

5.13.1 Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicorelevante inrichtingen Relevant is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar.

Bij de vaststelling van een ruimtelijke onderbouwing of bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Beleidsvisie externe veiligheid Gemeente Oosterhout De Beleidsvisie externe veiligheid is een aanvullend toetsingskader voor de planologische besluiten van de raad en milieubesluiten van het college. In de wet- en regelgeving wordt enige beleidsvrijheid gegeven om met de veiligheidsrisico's om te gaan. In de Beleidsvisie externe veiligheid worden gemaakte keuzes en hun onderlinge samenhang aangegeven en de consequenties van de keuzes worden duidelijk gemaakt. Om individuele burgers tegen deze risico's te beschermen moeten risicobronnen als eerste worden voorkomen. Als dat niet kan, moeten de risico's worden beperkt en beheerst door maatregelen aan de bron te nemen. Wanneer risicobronnen in een gebied aanwezig zijn, moeten die zo zijn gelegen dat burgers voldoende worden beschermd tegen de effecten van een calamiteit. Dit wordt de ruimtelijke scheiding genoemd.

Er zijn twee gebieden, gebied A en gebied B, opgesteld waarin regels zijn opgesteld voor nieuwe risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten. Ook worden beperkingen gesteld voor ontwikkelingen in het invloedsgebied van transport van gevaarlijke stoffen over de weg, over het water, door buisleidingen en andere risicobronnen. 5.13.2

Toetsing

Rho adviseurs voor leefruimte

69

Figuur 5.5 Uitsnede risicokaart met plangebied gemarkeerd (d.m.v. een rood ruitje) Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor, het water of door buisleidingen (figuur 5.5). Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied van een risicovolle inrichting welke aan de Zeilmakerijweg 1 is gelegen. Het betreft een inrichting waar activiteiten plaatsvinden met vloeibare chemicaliën, waaronder brandbare en zeer licht ontvlambare vloeistoffen. Dit leidt tot brandbare en toxische effectafstanden. Hier bevindt het plangebied zich niet in. Ook is de ontwikkeling buiten de PR-contouren van de risicovolle inrichting gelegen. Het invloedsgebied betreft 3.625 meter. Met een afstand van circa 2 kilometer valt het plangebied hierin. Op de risicokaart is een QRA te vinden die is uitgevoerd voor de risicovolle inrichting, hieruit blijkt dat het groepsrisico zich onder de oriëntatiewaarde bevindt. Met de beoogde ontwikkeling zullen maximaal 154 appartementen gerealiseerd worden op de locatie waar momenteel bankgebouwen en een deel van het winkelcentrum Arendshof II zijn gelegen. Een eventuele toename van het personenaantal zal door de momenteel aanwezige personen geen significante effect hebben op het groepsrisico.

Daarnaast zal ook door de afstand en het grote invloedsgebied, waardoor een groot deel van Oosterhout hierin valt, de beoogde ontwikkeling geen significante invloed hebben op het groepsrisico. Desalniettemin is vanwege de ligging in het invloedsgebied een beknopte verantwoording noodzakelijk. Toetsing aan de Beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Oosterhout Met de ontwikkeling wordt geen Bevi-inrichting mogelijk gemaakt. Ook bevindt het plangebied zich niet in het invloedsgebied van transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het water of door een buisleiding. Hiermee wordt er voldaan aan de Beleidsvisie. 5.13.3 Beknopte verantwoording Aan de Brandweer Midden- en West-Brabant is advies gevraagd wat betreft de ontwikkeling. Zij zijn tot de conclusie gekomen dat er kan worden volstaan met het standaardadvies (zie bijlage 14) omdat het plangebied buiten een afstand van 200 meter is gelegen van de risicovolle inrichting. Dit is in onderstaande verantwoording verwerkt. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de Rho adviseurs voor leefruimte

70

bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De volgende bluswatervoorziening is noodzakelijk: een bluswatervoorziening A-water, beschikbaar binnen 3 minuten, met een capaciteit van 60 m3 per uur en gelegen op een afstand van maximaal 40 meter en ook een bluswatervoorziening B-water, beschikbaar binnen 15 minuten, met een capaciteit van 120 m3 per uur gedurende minimaal 4 uur en gelegen op een afstand van maximaal 200 meter, gemeten over de openbare weg. Uit de meest actuele gegevens van de afdeling Operationele Voorbereiding van de Brandweer Midden- en West-Brabant blijkt dat er in het plangebied voldoende brandkranen aanwezig zijn welke aangemerkt kunnen worden als A- en of B-watervoorziening. Er wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot bluswatervoorziening. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via: Gasstraat naar Arendsplein; Kegelstraat/Rulstraat naar Arendsplein. Vanuit kruispunt met Rulstraat is een doorgaanwege richting Arendsplein, tevens een doodlopende weg langs bestaande appartementen.

Het doodlopende stuk betreft hier een afstand van circa 60 meter; Prins Frederikstraat/Rulstraat naar Arendsplein. Dit betreft een doodlopende weg over een afstand van circa 90 meter. Voor het doodlopende gedeelte vanaf de Kegelstraat dient, bij aanwezigheid van een keermogelijkheid, de wegbreedte minimaal 4,5 meter te bedragen. Indien geen keermogelijkheid aanwezig is, dient de wegbreedte minimaal 5 meter te bedragen. Een doodlopende route met een lengte van meer dan 80 meter is niet toegestaan. Hiermee voldoet de aansluiting vanaf de Prins Frederikstraat (langs bestaande toegang parkeergarage winkelcentrum Arendshof II) niet aan de minimale eisen ten aanzien van bereikbaarheid. Er wordt geadviseerd de bereikbaarheid van het plangebied voor met name de aangegeven doodlopende weg aan te passen. Oplossingsgericht heeft de brandweer een voorkeur voor een route over het Arendsplein zodat hier geen doodlopende weg aanwezig is. In overleg met de Brandweer zal het openbaar gebied zodanig heringericht worden dat de hulpdiensten te allen tijde hun werk kunnen doen. Opkomsttijd Globaal is de opkomsttijd te definiëren als de tijd tussen het moment dat een incident wordt gemeld bij de meldkamer en het moment dat de brandweer ter plaatse is. De opkomsttijd is geregeld in het Besluit Veiligheidsregio's en het vastgesteld beleidsdocument Dekkingsplan Brandweer Midden- en West-Brabant.

In dit besluit en beleidsdocument is voor alle gebouwtypen bepaald wat de maximale opkomsttijd is. De gebruiksfunctie van de te bouwen bouwwerken is een woonfunctie. Voor een nieuw te bouwen woonfunctie geldt een opkomsttijd van de brandweer van maximaal 12 minuten. Op basis van een theoretische berekening is bepaald dat de brandweer vanuit de brandweerkazerne in Oosterhout binnen 12 minuten ter plaatse kan zijn. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde opkomsttijd. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen maximaal 154 woningen gerealiseerd worden. Eventueel aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de Rho adviseurs voor leefruimte

71

mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. 5.13.4 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Door de afstand en grote invloedsgebied zal de beoogde ontwikkeling niet leiden tot een significant effect op het groepsrisico. In de beknopte verantwoording is op de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied ingegaan. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.14

Windhinder

5.14.1 Normstelling en beleid De beoordeling van het windklimaat met betrekking tot windhinder en windgevaar, is in Nederland vastgelegd in de norm NEN 8100. Om te bepalen of windhinder en/of windgevaar te verwachten is, kan in eerste instantie gebruik worden gemaakt van het beslismodel in de NEN 8100. Hierin wordt onder meer beschreven in welke situaties windklimaatonderzoek nodig is. Windhinder Windhinder is iets wat in geen geval geheel te voorkomen is: als het stormt, is de wind hinderlijk, wat voor maatregelen er ook getroffen worden. Het is daarom ook de kans op windhinder, die maatgevend gehouden wordt voor de beoordeling van het windklimaat. Voor windhinder wordt een drempelwaarde aangehouden van 5 m/s uurgemiddelde windsnelheid op loop- of verblijfsniveau. Bij deze windsnelheid gaan mechanische effecten bij de ervaring van het windklimaat een rol spelen zoals bijvoorbeeld het omslaan van paraplu's, in de ogen waaien van stof en in meer extreme vorm het dichtwaaien van een autoportier en dergelijke. Aan de hand van onderstaande tabel, afkomstig uit de NEN 8100, wordt een beoordeling gegeven van de te verwachten mate van windhinder. Tabel 5.2

Afhankelijk van de activiteitenklasse wordt de waardering van het lokale windklimaat gekwalificeerd met 'goed', 'matig' of 'slecht'. Bij een goed windklimaat ondervindt het merendeel van het publiek onder normale omstandigheden geen overmatige windhinder. In een slecht windklimaat heeft het merendeel van het publiek regelmatig last van windhinder. Er wordt naar gestreefd, om binnen de verschillende activiteitenklassen, een goed, eventueel nog matig windklimaat te realiseren. Opgemerkt wordt dat de natuurlijke gebruiksmomenten van terrassen en buitenruimten doorgaans niet vaak samenvallen met ongunstige windomstandigheden. Zo zal een relatief groot deel van Rho adviseurs voor leefruimte

72

voorkomende windhinder optreden in de winter. In de norm wordt daar geen rekening mee gehouden. Op terrassen en buitenruimten wordt om deze reden meestal uitgegaan van het criterium voor slenteren in plaats van langdurig zitten. Windgevaar Van windgevaar is sprake wanneer een zodanig hoge windsnelheid optreedt dat personen in ernstige mate problemen ondervinden bij het lopen. Voor windgevaar wordt 15 m/s uurgemiddelde windsnelheid als drempelwaarde gehanteerd. Op basis van onderstaande tabel, afkomstig uit de NEN 8100, wordt bepaald of sprake is van windgevaar. Tabel 5.3

5.14.2 Toetsing Ten behoeve van de bepaling van het windklimaat binnen het plangebied is door onderzoeksbureau Peutz een indicatief onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 15). Aanleiding daarvoor is dat de geplande bebouwing die voor meer dan 50% boven de gemiddelde hoogte van de omgevingsbebouwing uitsteekt, waardoor voor de bovenste bouwlagen sprake is van een onbeschutte ligging. De geplande bebouwing valt hiermee in de categorie onbeschut gelegen gebouwen tot 30 meter hoogte. Het doel van het onderzoek was het vaststellen en beoordelen van het te verwachten windklimaat in de directe omgeving van de geplande bebouwing, alsmede van het windklimaat op de balkons, galerijen en de buitenruimte van de geplande bebouwing. Er wordt geadviseerd bij de nadere uitwerking van de bouwplannen en de inrichting van het openbaar gebied rekening te houden met de resultaten van het onderzoek. Ten tijde van het onderzoek (december 2020) was het aangepaste bouwvolume voor de ABN AMRO-locatie bekend. Voor de andere twee locaties is in het onderzoek uitgegaan van de bouwvolumes die ingevolge de stedenbouwkundige visie Arendsplein zijn toegestaan. Daaraan zijn de beoogde locaties van dakterrassen en balkons toegevoegd. De beperkte verschuiving van de bouwvolumes op de Rabobank- en Altera-locatie (zie paragraaf 4.3) zijn niet significant van invloed op het windklimaat.

Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: In de geplande bebouwingssituatie is rondom de geplande nieuwbouw overal sprake is van een goed windklimaat voor het criterium doorlopen. Er is geen sprake van een overschrijding van het gevaarcriterium. Rond de gebouwentrees van zowel de geplande bebouwing als van de bestaande omgevingsbebouwing is sprake van een overwegend goed windklimaat voor het slentercriterium. Ter plaatse van de nieuwe entree van het bestaande winkelcentrum is plaatselijk een matig windklimaat te verwachten. Hier wordt geadviseerd deze entrees te verdiepen in de gevel, of aan de noord- of zuidzijde van een portaal te plaatsen. Het windklimaat op de balkons aan de noord- en oostzijde van de geplande nieuwbouw is goed voor slenteren. Op de balkons aan de zuid- en westzijde is echter met name op de hogere niveaus sprake van een matig tot slecht windklimaat. Het windklimaat zou hier lokaal kunnen worden verbeterd door het aanbrengen van windschermen en/of borstweringen langs de balkons.

Rho adviseurs voor leefruimte

73

Voor de daktuinen is direct langs de gevels sprake van een goed windklimaat, echter op grotere afstand is het windklimaat matig tot slecht. Zeer plaatselijk is op het dak tevens sprake van een beperkt risico op windgevaar. Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan worden vastgesteld welke gebieden windtechnisch voor deze functies het meest gunstig zijn. Voor overige gebieden kan het windklimaat desgewenst worden verbeterd door het plaatsen van windschermen. 5.14.3 Conclusie Op basis van het indicatieve windklimaatonderzoek kan worden gesteld dat in het plangebied met de beoogde invulling sprake is van een aangenaam windklimaat. Ter hoogte van de hoofdentrees tot de gebouwen op de Rabobank- en ABM AMRO-locatie is geen sprake van windhinder. Dakterrassen zullen bij stevige wind niet worden gebruikt. Er wordt geadviseerd bij de nadere uitwerking van de bouwplannen en de inrichting van het openbaar gebied rekening te houden met de resultaten van het onderzoek. Met name ter hoogte van de nieuwe entree tot het winkelcentrum en de entree tot het appartementengebouw op de Altera-locatie dient hier aandacht aan te worden besteed en indien nodig maatregelen te worden genomen.

5.15

Bezonning

5.15.1 Normstelling en beleid Er zijn in Nederland geen vaste normen voor bezonning die door wet- en regelgeving worden aangestuurd. Om conclusies aan de bezonningsstudie te verbinden, wordt meestal aan de TNO-normen gerefereerd. Om inzicht te krijgen in de toename van schaduw op de omgeving door de beoogde nieuwbouw wordt met bezonningsdiagrammen de bestaande planologische situatie vergeleken met de toekomstige planologische situatie. Hiervoor zijn er de volgende dagen van de 4 seizoenen maatgevend: 21 december: de dag dat de zon het laagst staat; 21 juni: de dag dat de zon het hoogst staat; 21 maart: de dag dat de zon op 'half' staat, namelijk precies tussen de stand van 22 december en 21 juni in (zomertijd); 21 september: de dag dat de zon op 'half' staat, namelijk precies tussen de stand van 21 juni en 22 december in (wintertijd). Voor de toetsing van de schaduwwerking worden doorgaans twee normen gebruikt, een lichte en een strenge norm. Bij de lichte norm moet een gebouw in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober minimaal twee uren per etmaal zonlicht kunnen krijgen. De twee uren hoeven niet aansluitend te zijn. Er wordt op een hoogte van 75 centimeter boven de vloer van de verdieping van de woonkamer gemeten ter plaatse van het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam.

Bij de strenge norm wordt in de periode tussen 21 januari tot en met 22 november gekeken. Daarbij worden drie uren per dag als minimum gehanteerd. Deze uren dienen aansluitend te zijn. Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers nooit direct zonlicht. De lichte norm is algemeen gangbaar in Nederland. 5.15.2 Toetsing Voor de beoogde ontwikkeling is een bezonningsstudie uitgevoerd. Ten tijde van de studie was het aangepaste bouwvolume voor de ABN-locatie op hoofdlijnen bekend. Voor de andere twee locaties is in het onderzoek uitgegaan van de bouwvolumes die ingevolge de stedenbouwkundige visie Arendsplein zijn toegestaan. De nieuwe situatie is vergeleken met de bestaande planologische situatie. De beperkte verschuiving van de bouwvolumes op de Rabobank- en Altera-locatie (zie paragraaf 4.3) zijn niet significant van invloed op de schaduwwerking op bestaande woningen. De bezonningsdiagrammen zijn opgenomen in bijlage 16. Omdat de bouwmogelijkheden op de locatie ABN AMRO nadien nader zijn uitgewerkt, is opnieuw een bezonningsonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 17).

Rho adviseurs voor leefruimte

74

Omdat ten noorden van het plangebied een onbebouwd binnenterrein aanwezig is, is er geen sprake van een beperking van zonlicht in de tuinen van de woningen aan de Rulstraat. Uit de bezonningsdiagrammen in bijlage 16 blijkt verder dat de toekomstige bebouwing op de Altera-locatie niet van invloed is op de schaduw op bestaande woningen in de maatgevende periodes uit de TNO-norm. Vanwege de hogere bouwhoogte leiden de andere twee appartementengebouwen tot iets meer schaduw op woningen in de directe omgeving. Ten westen van de Rabobank-locatie betreft het de appartementen Kegelstraat 50-58, die in het voor- en najaar in de vroege ochtend in de schaduw komen te staan. In de tussenliggende periode en later op de dag krijgen deze woningen vanwege de hogere zonnestand voldoende zonlicht om te voldoen aan de TNO-norm. Bovenien krijgen deze appartementen op dit tijdstip in de huidige situatie ook geen direct zonlicht omdat de zijgevel die naar het plangebied is gericht geen gevelopeningen bevat. Ook met de bouw van een appartementengebouw op de Rabobank-locatie wordt voldaan aan de licht TNO-norm. Ten noorden en noordoosten van het plangebied betreft het de woningen Kegelstraat 45-81 en Arendsplein 4-100. Omdat het appartementen betreft, gaat het om direct zonlicht op de voorgevel en aanwezige (op de verdiepingen inpandige) buitenruimtes.

De genoemde woningen aan de Kegelstraat komen in het voor- en najaar op een deel van de dag in de schaduw te staan, maar voldoen aan de TNO-norm, omdat ook deze woningen vanwege de hogere zonnestand in de tussenliggende periode en later op de dag voldoende zonlicht. Met name in het voorjaar is er sprake van extra schaduwwerking op de bestaande woningen aan het Arendsplein, ten noordoosten van het plangebied. Aangezien de zijgevel geen gevelopeningen bevat, is de beoogde nieuwbouw op de locatie van de ABN AMRO slechts beperkt van invloed op de zonlichttoetreding aan de straatzijde. Met het onderzoek is aangetoond dat ook na de herontwikkeling van de locatie van ABN AMRO wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. Voor een gedetailleerdere weergave van de effecten op de schaduwwerking wordt verwezen naar de genoemde bijlagen. 5.15.3 Conclusie Uit de bezonningsstudies volgt dat er, ondanks de extra schaduwwerking alsnog kan worden voldaan aan de lichte TNO-norm. De beperkte toename van schaduw wordt gelet op de locatie van de ontwikkeling in het centrum van Oosterhout aanvaardbaar geacht.

Rho adviseurs voor leefruimte

75

Hoofdstuk 6

6.1

Juridische uitvoerbaarheid

Het juridische plan

Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden en gebouwen binnen het bestaand stedelijk gebied. Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is aangesloten bij het gemeentelijke 'Handboek (digitale) bestemmingsplannen'. Voor onderhavig bestemmingsplan is de versie uit 2020 gehanteerd. Het handboek bevat een set regels die voor alle nieuwe bestemmingsplannen binnen de gemeente Oosterhout wordt gehanteerd, waardoor sprake is van uniforme regelingen in de diverse plannen. In het Handboek is gestreefd naar standaardisering van bestemmingen en regels zoals aangegeven in de Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer globaal tot gedetailleerd. Het onderhavige bestemmingsplan beschrijft meer dan alleen de hoofdlijnen van het beleid, doch treedt niet al te zeer in details. Uitgangspunt van het bestemmingsplan is het bieden van een juridische regeling met enige flexibiliteit, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid van de burger wordt geschaad.

De basis voor de regeling zijn de uitgangspunten zoals opgenomen in de stedenbouwkundige visie Arendsplein. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Hierdoor is het omgevingsrecht drastisch gewijzigd. Veel toestemmingen en vergunningen die voorheen apart geregeld waren, zijn nu opgenomen in de Wabo. In de regels is de terminologie aangepast aan de Wabo. De ontheffing heet nu 'omgevingsvergunning voor het afwijken'. De bouwvergunning heet 'omgevingsvergunning voor het bouwen'. De sloop- en aanlegvergunning zijn gewijzigd in 'omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk' respectievelijk 'omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden'. De terminologie van voorliggend bestemmingsplan is hierop afgestemd.

6.2

Bestemmingen

De regels zijn gestructureerd in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels waarin de begrippen en de wijze van meten worden uitgelegd. In hoofdstuk 2 wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. De algemene regels zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 bevat ten slotte de overgang- en slotregel. In de volgende paragrafen worden de bestemmingsregels nader beschreven.

Rho adviseurs voor leefruimte

76

6.2.1 Opzet regels De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende regels). De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels). Algemene regels (Hoofdstuk 3 Algemene regels). Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels). Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd. Niet alle bestemmingen bevatten alle leden: Bestemmingsomschrijving. Bouwregels. Afwijken van de bouwregels. Specifieke gebruiksregels. Afwijken van de gebruiksregels. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Wijzigingsbevoegdheid. De specifieke afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden en mogelijk een omgevingsvergunningstelsel voor werken en werkzaamheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en onnodig verwijzen naar andere artikelen voorkomen. Deze werkwijze bevordert de toegankelijkheid van het bestemmingsplan.

6.2.2 Flexibiliteitsregels Aan het bestemmingsplan kan flexibiliteit worden toegevoegd door regels op te nemen over de bevoegdheid tot het verlenen van een (binnenplanse) omgevingsvergunning ter afwijking van het bestemmingsplan, het stellen van nadere eisen of een wijzigingsbevoegdheid. Voor het opnemen van flexibiliteitsregels geldt als uitgangspunt dat flexibiliteitregels alleen worden gebruikt als van een wezenlijke belangenafweging sprake kan zijn. Ontwikkelingen die niet in de regels mogelijk zijn gemaakt, zijn uitsluitend mogelijk via een buitenplanse procedure. 6.2.3 Bepalen goothoogte Er is wel eens sprake van misverstanden over de wijze waarop de goothoogte of bouw- c.q. nokhoogte van een gebouw moet worden geïnterpreteerd. De goothoogte wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, lichtkoepels, dakkapellen, lucht- en liftkokers, zonnepanelen, andere technische ruimten en/of technische constructies, hekwerken en antennes. Voor de meest voorkomende gevallen is hieronder aangegeven hoe de goothoogte wordt bepaald:

Rho adviseurs voor leefruimte

77

Figuur 6.1 Dakvormen met bijbehorende maatgevende goothoogte. In voorliggend plan zijn de goothoogte en bouwhoogte per bouwdeel gelijkgesteld. Dit met het uitgangspunt dat platte daken gerealiseerd worden. 6.2.4 Toelichting bestemmingen Hieronder worden de meest voorkomende bestemmingen kort toegelicht. Groen De tot 'Groen' bestemde gronden zijn o.a. bedoeld voor groenvoorzieningen, bermen en beplantingen, voorzieningen voor langzaam verkeer, inritten, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, geluidwerende voorzieningen, straatmeubilair en kunstobjecten. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Er zijn nadere regels opgenomen voor balkons aan de gebouwen binnen de aangrenzende woonbestemmingen en het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Verkeer De tot 'Verkeer' bestemde gronden zijn o.a. bedoeld voor voorzieningen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen, groen-, nuts- en speelvoorzieningen, kunstwerken en -objecten, geluidwerende voorzieningen, straatmeubilair, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Er zijn nadere regels opgenomen voor balkons aan de gebouwen binnen de aangrenzende woonbestemmingen en het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Wonen De tot 'Wonen' bestemde gronden zijn o.a.

bedoeld voor wonen, groen- en nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf. Per bestemmingsvlak mogen niet meer woningen worden gebouwd dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven. Op de verbeelding zijn bouwvlakken opgenomen, waarbinnen moet

Rho adviseurs voor leefruimte

78

worden gebouwd. De maximum goot- en bouwhoogte zijn vastgelegd, afgestemd op de gewenste setbacks zoals voortkomend uit de visie. Voor de gewenste breedte van de openbare ruimte ten oosten en zuiden van het gebouw dat wordt opgericht op de Altera-locatie is (eveneens in lijn met de visie) is de aanduiding 'onderdoorgang' opgenomen. In de regels is aangegeven dat het bouwvlak over een breedte van 2 meter over de eerste twee bouwlagen vrij moet blijven van bebouwing. Er zijn nadere regels opgenomen voor balkons aan de gebouwen binnen de aangrenzende woonbestemmingen (in hoofdstuk 3 van de regels) en het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Er gelden enkele verbodsbepalingen als het gaat om gebruik. Wel is het toegestaan een dakterras aan te brengen, behalve op het dak van de bovenste bouwlaag. Het gebruik van de ruimte die ontstaat door de toepassing van setbacks is gelijkgesteld met een dakterras. Bij het bouwen van balkons en dakterrassen is het burenrecht uit het Burgelijk wetboek van toepassing. Deze bouwonderdelen zijn, net als vensters of andere muuropeningen, niet geoorloofd binnen twee meter van de erfgrens, als deze uitkijken op het erf van de buren tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven.

Waarde - Archeologie De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd tot meer dan 0,50 cm onder maaiveld en dit over een oppervlakte is van meer dan 100 m², dan moet hiervoor een vergunning voor zijn afgegeven. Deze wordt afgegeven indien uit een door de bevoegde overheid goedgekeurd rapport blijkt dat het archeologisch bodemarchief niet wordt verstoord, al dan niet na het treffen van maatregelen. Waarde - Monumentale bomen De voor 'Waarde - Monumentale bomen' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor monumentale bomen. In afwijking van het bepaalde bij andere bestemmingen mogen geen bouwwerken worden opgericht binnen deze bestemming. Ter bescherming van de monumentale bomen is voor het uitvoeren van de genoemde werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning vereist.

Rho adviseurs voor leefruimte

79

Hoofdstuk 7

Handhaafbaarheid

Handhaving vormt een belangrijk onderdeel van een beleidscyclus. Regels worden gesteld met als doel het beschermen van een bepaald belang. Zonder toezicht op naleving van deze regels bestaat het risico dat dit doel onvoldoende bereikt wordt. Tevens komt de gemeente ongeloofwaardig over als gestelde regels niet worden gehandhaafd. Handhaafbaarheid, draagvlak en naleefgedrag Een eerste voorwaarde voor handhaving is een duidelijk en handhaafbaar beleid en regelgeving. Om die reden worden nieuwe versies van digitale handboeken en die onderdelen van bestemmingsplannen die afwijken van het digitale handboek, door de afdeling die belast is met vergunningverlening en handhaving, gecontroleerd op uitvoerbaarheid. Ook voor dit bestemmingsplan heeft deze toets plaats gevonden. Naast handhaafbare regels dient er ook het nodige draagvlak voor het nieuwe beleid en de daaruit voortvloeiende regels te zijn. Immers zal een plan met weinig draagvlak op weinig naleefgedrag kunnen rekenen. Het creëren van draagvlak is onder andere bewerkstelligd door in de verschillende fasen van het planproces burgers, belangenorganisaties en andere belanghebbenden te betrekken, al dan niet via wettelijk bepaalde inspraakmomenten.

Preventieve en repressieve handhaving Naast repressie (handhavend optreden op het moment dat er sprake is van een overtreding) heeft preventie een belangrijke functie in de gemeentelijke handhavingsstrategie (de gemeente hanteert de landelijke handhavingsstrategie). Bij preventief handhaven spelen vooral dialoog, voorlichting en advisering een belangrijke rol. Zo voorziet het handhavingsbeleid van de gemeente Oosterhout in meer aandacht voor voorlichting en communicatie, onder andere door het uitgeven van voorlichtingsbrochures. Qua repressie voorziet het gemeentelijk handhavingsbeleid en het daarop gebaseerde integrale uitvoeringsprogramma in het continu opsporen van overtredingen van het bestemmingsplan. Ook worden er gezamenlijk met andere overheden (brandweer, politie, belastingdienst) multidisciplinaire handhavingsacties georganiseerd. Binnen dergelijke acties is er ook aandacht voor overtredingen van het bestemmingsplan. Indien een overtreding wordt geconstateerd, zal als eerste stap in het handhavingstraject telkens worden bezien of het illegale gebruik of bouwwerk op grond van het bestemmingsplan of afwijking daarvan, alsnog gelegaliseerd kan worden. Is dat niet het geval dan wordt het handhavingstraject doorgezet.

Al deze aspecten zijn vastgelegd in het beleidsplan Fysieke Leefomgeving en de daarin opgenomen handhavingsstrategie en dienen als leidraad voor de alledaagse handhavingspraktijk binnen de gemeente Oosterhout. IJkmoment, overgangsrecht en monitoring beleid De totstandkoming van dit bestemmingsplan is een ijkmoment voor de handhaving. Indien bebouwing of gebruik afwijkt van het bestemmingsplan, zal hier tegen handhavend worden opgetreden. Voor zowel bouwen als gebruik is het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan de peildatum. Tegen

Rho adviseurs voor leefruimte

80

bebouwing en gebruik dat onder het overgangsrecht valt, kan niet handhavend worden opgetreden.

Rho adviseurs voor leefruimte

81

Hoofdstuk 8

8.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Dit bestemmingsplan bevat directe nieuwe bouwmogelijkheden. Het opstellen van een exploitatieplan ten behoeve van het nu voorliggende bestemmingsplan is niet noodzakelijk, gelet op de afgesloten anterieure overeenkomsten met de ontwikkelende partijen. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is.

8.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie: inspraak en informatie In het kader van het opstellen van de stedenbouwkundige visie Arendsplein in 2017 heeft inspraak plaatsgevonden. In het kader van de actualisatie van de stedenbouwkundige visie Arendsplein heeft op 23 januari 2020 opnieuw een informatieavond plaatsgevonden waarop omwonenden en belangstellenden hun reactie konden geven en vragen konden stellen. De opmerkingen zijn gebundeld in een document (zie bijlage 18) en zijn door de gemeenteraad meegewogen bij vaststellen van de visie in het voorjaar van 2020. De aangepaste plannen voor Arendsplein 70 (locatie ABN AMRO) zijn in september 2020 aan omwonenden gepresenteerd. De vragen, die zijn gesteld, zijn met beantwoording opgenomen in bijlage 19. Op 12 november 2020 heeft een eerste informatieve bijeenkomst met de klankbordgroep plaatsgevonden. De notulen hiervan zijn als bijlage 20 opgenomen. Tijdens een tweede bijeenkomst met de klankbordgroep op 11 februari 2021 is een presentatie gegeven over de stand van zaken met betrekking tot het bestemmingsplan, de bouwplannen en de nieuwe verkeer- en parkeersituatie. De notulen hiervan zijn samen met de presentatie opgenomen als bijlage 21. Tijdens de bijeenkomsten heeft de gemeente veel vragen direct kunnen beantwoorden. Punten van zorg worden meegenomen bij de verdere uitwerking van de plannen en worden nogmaals besproken met de klankbordgroep.

Vooroverleg In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het concept-ontwerp van het bestemmingsplan toegezonden aan de overleginstanties. De provincie heeft laten weten dat het plan in overeenstemming is met de provinciale belangen, zoals die zijn verwoord in de Brabantse Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Waterschap Brabantse Delta heeft een positief wateradvies gegeven omdat de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap naar wens zijn opgenomen in het concept-ontwerpbestemmingsplan. De brandweer heeft namens de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een advies uitgebracht. Voor externe veiligheid is aangegeven dat kan worden volstaan met een verwijzing naar het

Rho adviseurs voor leefruimte

82

standaardadvies. Paragraaf 5.13 is hierop aangepast en het standaardadvies is als bijlage 14 opgenomen. De bereikbaarheid van het plangebied is beoordeeld aan de hand van afdeling 6.8 van het Bouwbesluit 2012 en de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening. Daarbij is geconstateerd dat de route naar het appartementengebouw op de locatie van de ABN AMRO en de toegang tot de parkeergarage van Arendshof II een doodlopende route is die de maximaal toegestane lengte van 80 meter bereikt of wellicht met een aantal meters overschrijdt. In overleg met brandweer zal het openbaar gebied zodanig worden heringericht dat de veiligheid is gegarandeerd en hulpdiensten te allen tijde tijdig het plangebied kunnen bereiken. Wat betreft bluswatervoorzieningen is aangegeven dat wordt voldaan aan de daarvoor geldende eisen. Ook wordt voldaan aan de opkomsttijd van de brandweer van maximaal 12 minuten. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan 'Arendsplein' heeft in het kader van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) met ingang van 10 juni 2021 gedurende een termijn van 6 weken voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn bestond de gelegenheid schriftelijke of mondelinge zienswijzen over het ontwerp bij de gemeenteraad kenbaar te maken. Binnen deze termijn zijn acht zienswijzen ontvangen.

De ingediende zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de 'Reactienota zienswijzen', die is opgenomen als bijlage 22. In deze nota is aangegeven wat het standpunt van de gemeente is. Naar aanleiding van de zienswijzen is het ontwerpbestemmingsplan op de onderstaande punten aangepast: Toelichting De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is als bijlage opgenomen. De paragrafen 5.9.3 en 5.10.2 zijn tekstueel aangepast. Regels In artikel 4 is de voorwaardelijke verplichting in lid 4.3 gewijzigd. Verbeelding De aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - voorwaardelijke verplichting' is beperkt tot het gedeelte van de expeditiestraat waar gebruik wordt gemaakt van rolcontainers voor het laden en lossen. Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

Rho adviseurs voor leefruimte

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=36ae3b56-bc30-4a21-914d-14b055757710