CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2 OBP Dommelbergen 2021

Raadsvergadering 21 december 2021, gemeente OosterhoutBij agendapunt: Hamerstuk Raadsvoorstel ZN319035 Vaststelling bestemmingsplan 'Dommelbergen 202131.278 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige en 34

zorgvuldige toedeling van functies, die zijn opgenomen in artikel 3.5 en artikel 3.6 van de Iov. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waar een plangebied in is gelegen. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet de gemeenteraad de regels uit de Iov toepassen. De Interim Omgevingsverordening blijft van kracht totdat de Omgevingswet in gaat, daarna wordt deze vervangen door de Omgevingsverordening. Toetsing bestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan betreft een consoliderend bestemmingsplan en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het plangebied is hoofzakelijk gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied en voldoet daarmee aan de regels ten aanzien van evenwichtige en zorgvuldige toedeling van functies. Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan omgevingsverordening Noord-Brabant

is

in

overeenstemming

met

de

interim

3.1.3 Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap werkt aan een beter watersysteem, voor mensen en voor flora en fauna. Het watersysteem moet robuuster worden: veiliger, minder kwetsbaar voor regenval en droogte, schoner, natuurlijker en beter toegankelijk voor recreanten. Deze thema’s pakt het waterschap in samenhang aan, omdat een integrale aanpak meerwaarde oplevert voor het resultaat. De belangrijkste uitgangspunten en randvoorwaarden die het waterschap hanteert bij planontwikkeling en in bestaand stedelijk gebied zijn: - het afkoppelen van regenwater van bestaande gemengde rioleringsstelsels; - de vuilwater- en hemelwaterafvoer worden tot aan de perceelsgrens gescheiden aangeboden; - bij een verhard oppervlak van 2000 m² of groter wordt voor het lozen van hemelwater een retentie geëist door het waterschap; - bij de bouw worden geen milieuvervuilende of uitlogende materialen of stoffen gebruikt. Door middel van de verplichte watertoets ziet het waterschap toe op de uitvoering van hun beleid. Hiermee wordt gewaarborgd dat bij nieuwe ontwikkelingen het waterbeheer wordt meegenomen. De watertoets krijgt vorm via het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (zie paragraaf 6.2).

35

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Oosterhout De gemeente is bezig met het opstellen van de Omgevingsvisie Oosterhout, als vervanging van de huidige structuurvisie (zie paragraaf 3.3.2). In deze visie worden de ambities uit de Toekomstvisie 2030 geconcretiseerd en uitgewerkt, zowel naar thema’s als naar de verschillende wijken en gebieden binnen de gemeente. Hierdoor ontstaat een overzicht en een meer samenhangend beeld over welke opgaven er liggen om te komen tot het in de toekomstvisie geschetste toekomstperspectief. Naast de Toekomstvisie ligt ook het gemeentelijk beleid en de opgaven voortvloeiend uit (nieuwe) wet- en regelgeving aan de basis van deze Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie nodigt uit, inspireert en geeft de kaders om ontwikkelingen op een Oosterhoutse wijze plaats te laten vinden. De Omgevingsvisie wordt gebruikt om te ‘toetsen’ of ontwikkelingen die op de gemeente afkomen, bijdragen aan de Oosterhoutse ambities. De Omgevingsvisie heeft als ontwerp ter inzage gelegen en zal uiterlijk 2021 worden vastgesteld.

3.3.2 Structuurvisie Door de gemeenteraad van Oosterhout is op 22 oktober 2013 een structuurvisie voor het gehele grondgebied van de gemeente Oosterhout vastgesteld. Op basis van deze structuurvisie wordt invulling gegeven aan het behoud en de verdere versterking van de positie van Oosterhout. De structuurvisie vormt enerzijds een belangrijke inspiratie- en informatiebron, zodat eenieder op adequate wijze kennis kan nemen van de diverse projecten en de samenhang daartussen. Anderzijds geeft de structuurvisie duidelijk richting aan de wijze waarop het gemeentebestuur omgaat met initiatieven op de verschillende beleidsterreinen. De structuurvisie bevat geen verplichtingen naar derden. Bij de beoordeling van initiatieven van derden wordt deze visie als toetsingskader gehanteerd. De kern van de structuurvisie kan als volgt worden samengevat: • Continuering van het versterken van kwaliteit; • Transformatie en structuurversterking; • Versterken (netwerken van) voorzieningen; • Kwaliteitsslag buitengebied; • Betere bereikbaarheid. In de structuurvisie worden de verschillende ontwikkelingen per thema, (wonen, werken, voorzieningen, recreatie, verkeer etc.) omschreven.

36

Structuurvisie Oosterhout

37

Toetsing bestemmingsplan Op de structuurvisiekaart is het plangebied hoofdzakelijk aangewezen als bestaand woongebied. Het noordoostelijk deel van het plangebied is aangewezen als ‘sportcomplex‘, het zuidwestelijk deel van het plangebied is aangewezen als bestaand en in ontwikkeling zijnde groenstructuur. De groenstructuur langs de Hoofseweg is aangewezen als ‘groene ruggengraad’. Nabij het winkelcentrum Arkendonk zijn de functies ‘winkelcentrum’, ‘kerk’ en ‘activiteitencentrum’ aangegeven. In het voorliggende bestemmingsplan is het bestaande planologische regime overgenomen en is rekening gehouden met het beleid zoals opgenomen in de Structuurvisie Oosterhout. Het bestemmingsplan maakt de op de structuurvisiekaart opgenomen functies mogelijk. Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met de Structuurvisie Oosterhout.

3.3.3 Welstand Per 1 oktober 2015 geldt er in Oosterhout bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geen welstandstoets meer. Wel zal er achteraf, via een zogenaamde excessenregeling, kunnen worden opgetreden tegen bouwwerken die in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Daarnaast zal in de nieuwbouwwijk De Contreie (gelegen buiten dit bestemmingsplan) de welstandstoets wel van toepassing blijven. Er blijven ook welstandseisen gelden indien sprake is van een beschermd stads- en dorpsgezicht (wat voor dit plan niet van toepassing is) of indien sprake is van de aanwezigheid van rijks- of gemeentelijke monumenten. Dit laatste is voor dit plan alleen van toepassing voor de Slotbosse Toren, welke door het rijk is aangewezen als een monument.

38

4. Omgevingsaspecten 4.1 Leefomgeving 4.1.1 Wonen Woonvisie 2016-3021 De Woonvisie 2016 – 2021 is op 24 mei 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Binnen het wonen en aangrenzende beleidsvelden hebben zich sinds 2011 vele veranderingen voorgedaan die hun weerslag hebben op het wonen. De invoering van de gewijzigde Woningwet op 1 juli 2015 is bepalend voor de corporatiesector en hiermee het te voeren woonbeleid. Corporaties dienen volgens de wet terug te keren naar hun kerntaak, namelijk het bouwen, verhuren en beheren van sociale huurwoningen. Daarnaast heeft de transitie in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) door de scheiding van wonen en zorg directe gevolgen voor het wonen. De richting van de Woonvisie is onderbouwd op basis van demografische ontwikkelingen en (lokale) onderzoeken. De regionale ontwikkelingen en de rol die Oosterhout daarin heeft en neemt, zijn daarbij tevens van invloed op het Oosterhoutse woonbeleid. De volgende hoofdthema's zijn door de gemeenteraad en de externe partners van belang geacht voor het woonbeleid in Oosterhout: 1. Betaalbaarheid: Het is de wens om mensen met een laag of middeninkomen een goed perspectief op de woningmarkt bieden. Belangrijk hierbij is dat de woningvoorraad aansluit op wensen en mogelijkheden van de bewoners, zowel nu als in de toekomst. 2. Het sociaal domein: Vanaf 2015 is de langdurige zorg ingrijpend hervormd.

Doel is om mensen zo lang mogelijk zelfstandig thuis te laten wonen. De personen die door de nieuwe wetgeving niet meer in aanmerking komen voor intramurale zorg zullen zelfstandig binnen de reguliere woningvoorraad huisvesting moeten vinden en zich daar in hun zorgbehoefte moeten voorzien. De scheiding van wonen en zorg heeft directe gevolgen voor de bestaande woningvoorraad maar ook voor nieuw te bouwen woningen. Deze woningen moeten door aanpassingen kwalitatief geschikt te maken zijn voor het (langer) zelfstandig bewonen. 3. Duurzaamheid: Oosterhout wil een duurzame woongemeente zijn onder andere door te investeren in duurzame nieuwbouw en het verduurzamen van de bestaande woningvoorraad. Meer concreet betekent dit goed geïsoleerde woningen met een gezond binnenklimaat, toekomstbestendige woningen, een laag energieverbruik. Huishoudens zijn een belangrijk deel van hun besteedbaar inkomen kwijt aan energielasten. Verduurzaming is noodzakelijk om de woonlasten beheersbaar te houden en de duurzaamheidsambities van Oosterhout te halen. 4. Bijzondere doelgroepen: In de afgelopen jaren is de woningvraag vanuit bijzondere doelgroepen toegenomen. Doelgroepen als statushouders, arbeidsmigranten en herstarters verdienen gezien hun specifieke situatie en mogelijkheden extra aandacht bij het huisvestingsvraagstuk. 5.

Leefbaarheid / Leefomgeving: De kwaliteit van het wonen in Oosterhout is voor een deel afhankelijk van de woonomgeving. De leefbaarheid van de leefomgeving is van groot belang voor de kwaliteit van het wonen voor nu en in de toekomst. De voorzieningen op het gebied van detailhandel, horeca, sport en recreatie dragen bij aan de leefbaarheid en hiermee de aantrekkelijkheid van de gemeente. 6. Flexibiliteit woningbouw: Mede op basis van de hoofdthema's is in beeld te brengen welke kwantitatieve en kwalitatieve woningvraag er in Oosterhout bestaat. Uitgangspunt is dat er gebouwd wordt naar de vraag en er wordt ingespeeld op de behoeften vanuit de woningmarkt. Bouwen naar behoefte vraagt om flexibiliteit, daarom is het van belang de kwantitatieve en kwalitatieve vraag in beeld te hebben. Toetsing bestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de actualisatie van het bestemmingsplan Dommelbergen. Aangezien er geen sprake is van (grote) ontwikkelingen die hierin worden meegenomen, heeft het gestelde in de woonvisie hierop geen betrekking.

39

4.1.2 Economie Detailhandelsvisie Oosterhout De gemeenteraad heeft op 27 juni 2017 de detailhandelsvisie Oosterhout vastgesteld. De detailhandelsvisie geeft duidelijkheid over het toekomstperspectief en de positionering van de verschillende winkelgebieden in de gemeente en dient tevens als toetsingskader om nieuwe detailhandelsinitiatieven te kunnen beoordelen. Met de visie worden de volgende ambities nagestreefd: • Het bieden van een goede verzorging voor de lokale consument. • Het aantrekken van bezoekers van buiten de gemeente. • Het scheppen van een goed klimaat voor bestaande en ‘nieuwe winkeliers. De detailhandel in Oosterhout heeft voornamelijk een lokale verzorgingsfunctie en kent in beperkte mate een (sub) regionale verzorgende functie. De detailhandelsstructuur van Oosterhout wordt gezien als een sterke en voor de toekomst kansrijke structuur en kent een sterk hiërarchische opbouw. Binnen de detailhandelsstructuur wordt onderscheid gemaakt naar de volgende winkelgebieden: • Het hoofdwinkelgebied, de binnenstad • Wijkwinkelcentrum • Supermarktcentra en solitaire supermarkten • PDV-locatie In de visie worden de winkelgebieden op hoofdlijnen beschreven en worden uitgangspunten voor een toekomstperspectief geschetst. Toetsing bestemmingsplan Binnen het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan zijn de volgende winkelgebieden gelegen.

· Wijkwinkelcentrum: Arkendonk Het wijkcentrum Arkendonk heeft een belangrijke verzorgingsfunctie voor het noordelijke deel van Oosterhout, waarbij de nadruk ligt op het dagelijkse aanbod in combinatie met enkele wijkvoorzieningen. Het beleid is gericht op het behouden en versterken van deze positie. Enige opschaling van de bestaande supermarkt naar moderne omvang is gewenst. Daarnaast is wenselijk om invulling te geven aan het complementaire supermarktaanbod door vestiging van een discountsupermarkt. Het is wenselijk te investeren in de presentatie en uitstraling van het wijkcentrum, omliggende bebouwing en openbare ruimte · Solitaire bouwmarkt: Gamma Verspreid over Oosterhout zijn diverse solitaire bouwmarkten en tuincentra gelegen. Deze vervullen hun eigen (doelgerichte) rol in de detailhandel structuur. Het toekomstperspectief van deze winkels is goed. Eventuele verplaatsingen van dergelijke winkels worden geaccommodeerd op de Meerstoel. Bij verplaatsing is het van belang de achter te laten detailhandelsbestemming te laten vervallen. Het wijkwinkelcentrum Arkendonk heeft de bestemming ‘Centrum’ toegewezen gekregen. Deze bestemming kent een ruime bestemmingsregeling en biedt hierdoor ruimte voor behouden en versterken van de detailhandelsstructuur. Eventuele opschaling van de bestaande supermarkt is binnen de bestaande bouwgrenzen mogelijk.

Ook het vestigen van een nieuwe (discount) supermarkt is binnen de bestaande bouwgrenzen niet uitgesloten. De solitaire bouwmarktlocatie heeft de bestemming functieaanduiding bouwmarkt toegekend gekregen.

detailhandel

met

specifieke

Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met de detailhandelsvisie Oosterhout.

40

4.1.3 Verkeer Mobiliteitsvisie ‘Oosterhout Vooruit’ Het verkeers- en vervoerbeleid van de gemeente Oosterhout ligt vast in de mobiliteitsvisie “Oosterhout Vooruit”. Deze is op 21 mei 2019 vastgesteld door de gemeenteraad. De mobiliteitsvisie geeft een beschrijving van de huidige situatie en schetst een toekomstbeeld 2030. Daarbij worden de ambities voortvloeiend uit de toekomstvisie en het bestuursakkoord belicht alsmede lokale en regionale ontwikkelingen en autonome trends die van invloed (kunnen) zijn op de mobiliteit in Oosterhout. Op basis daarvan wordt in het toekomstbeeld geschetst welke “uitdagingen” er op het gebied van verkeer en vervoer in en rond Oosterhout liggen in 2030. Het beleid in de mobiliteitsvisie is verwoord in de vorm van doelstellingen op het gebied van bereikbaarheid, leefbaarheid, verkeersveiligheid én duurzaamheid en gezondheid. Deze vier thema’s vormen gezamenlijk de pijlers van de visie. Tevens is besloten om, in lijn met de nieuwe Omgevingswet, een gebiedsgewijze benadering toe te passen, die er op neer komt dat niet alleen op het niveau van de hele gemeente, inclusief de kerkdorpen, wordt gekeken, maar dat binnen de gemeente ook een aantal typen gebieden wordt onderscheiden met hun eigen profiel, doelstellingen en opgaves. Immers voor een bedrijventerrein zijn andere zaken van belang dan voor de schoolomgeving.

Dit resulteert in een beeld met een groot aantal opgaven. Gezien de hoeveelheid opgaven zullen keuzes moeten worden gemaakt. In hoofdstuk 7 van de mobiliteitsvisie is aangegeven welke opgaven prioriteit hebben en waar de focus van het verkeers- en vervoerbeleid voor de periode tot en met 2030 komt te liggen. De vertaling van het beleid en de bijbehorende opgaven naar concrete maatregelen vindt plaats in een (nog op te stellen) uitvoeringsagenda. Toetsing bestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op het bestaande gebied van de wijk Dommelbergen. Binnen het plangebied komen zowel verkeersgebieden als verblijfsgebieden voor. Deze verkeers- en verblijfsgebieden hebben de bestemming ‘Verkeer’ toegekend gekregen. Verder liggen er in het plangebied fietsroutes die deel uitmaken van zowel primaire, secundaire en recreatieve routes. Deze fietsroutes hebben de bestemming ‘Verkeer’ of ‘Groen’ toegewezen gekregen. Binnen de bestemming ‘Groen’ zijn fietspaden toegestaan. Binnen het plangebied komen verder de themagebieden, woongebieden, scholen, recreatieen sportvoorzieningen en winkelcentra voor. De genoemde doelstellingen en opgaven (zowel regionaal/gemeentebreed als thematisch) zijn grotendeels generiek, slechts enkele hebben betrekking op specifieke locaties, maar deze zijn onvoldoende concreet om in de voorliggende regeling in te passen.

Veel generieke doelstellingen en opgaven passen binnen de regels van het voorliggende plan, maar daar waar de concrete uitwerking zal leiden tot de aanleg van

41

nieuwe infrastructuur of een ingrijpende reconstructie van de bestaande infrastructuur, zal mogelijk een afzonderlijke ruimtelijke procedure gestart moeten worden. Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan is op hoofdlijnen in overeenstemming met het mobiliteitsplan. Bij grootschalige ruimtelijke ingrepen zoals de aanleg van nieuwe infrastructuur of ingrijpende reconstructie van de bestaande infrastructuur zal mogelijk een afzonderlijke ruimtelijke procedure gestart moeten worden. Nota Parkeernormen 2019 Het gemeentelijke parkeerbeleid is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2019’. Deze nota is door de gemeenteraad op 22 mei 2019 vastgesteld. De nota heeft als doel om de wil de vraag naar parkeergelegenheid goed te kunnen blijven faciliteren, maar wel op een zodanig wijze dat de bereikbaarheid en leefbaarheid van de stad kan worden gewaarborgd en de kwaliteit van de openbare ruimte behouden blijft. Tegelijkertijd wil de gemeente kunnen experimenteren met nieuwe mobiliteitsconcepten(zoals deelauto’s e.d.). Naast parkeernormen voor auto’s, zijn in het beleid ook parkeernormen voor de fiets opgenomen. De parkeernormen zijn enerzijds gerelateerd aan de locatie (het gebied) waar een functie is gelegen en anderzijds gerelateerd aan de soort functie.

Binnen de gemeente Oosterhout zijn twee gebieden genoemd: • Zone A: Het gebied binnen het centrumtangent (centrumgebied); • Zone B: Het gebied buiten het centrumtangent. De gebiedsindeling is vooral toegespitst op de mate waarin ruimte beschikbaar is voor het faciliteren van de auto in relatie tot de aanspraak die op die ruimte wordt gemaakt voor andere (beleids)doeleinden. De functietypen zijn bedoeld om meer specifiek onderscheid te kunnen maken tussen het autobezit en -gebruik van de aard, de omvang en de gebruikersgroepen per functie (bijvoorbeeld wonen, een kantoor, winkel e.d.). Uitgangspunt voor de gemeente is dat de parkeerbehoefte op eigen terrein of binnen de grenzen van het plangebied gerealiseerd wordt. Toetsing bestemmingsplan Het plangebied van het voorliggende bestemmingplan is gelegen in ‘zone B’ (het gebied buiten het centrum tangent). In zone B dient er blijvend (nu en in de toekomst) voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn om aan de vraag van bewoners te voldoen. De parkeernorm voor Zone B is gebaseerd op het voorziene autobezit en -gebruik van de toekomstige bewoners. In de praktijk betekent dit bij zone B het gemiddelde van de bandbreedte van de parkeerkencijfers van het CROW is aangehouden. In het voorliggende bestemmingsplan is een afzonderlijke regeling opgenomen die een directe relatie legt met het gemeentelijke parkeerbeleid.

Deze regeling verplicht het bevoegd gezag om bij het toetsen van omgevingsvergunningen voor het bouwen en het afwijken van de gebruiksregels te onderzoeken of aanvraag omgevingsvergunning voldoet aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Wanneer de aanvraag omgevingsvergunning strijdig is met het gemeentelijke parkeerbeleid, dan dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd. Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met de ‘Nota Parkeernormen 2019’. 4.1.4 Duurzaamheid Duurzaamheid is een breed begrip. In een duurzamere wereld wordt gekeken of mens (people), milieu (planet) en economie (profit) met elkaar in evenwicht kunnen zijn, zodat we de aarde niet uitputten. Om te zorgen voor een balans tussen deze drie thema’s heeft Nederland zich geconformeerd aan het klimaatakkoord, wat heeft geresulteerd in de klimaatwet. Dit zorgt voor nieuwe uitdagingen op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling voor een duurzame en gezondere leefomgeving, ook in Oosterhout. Naast het feit dat de gemeente hierin een belangrijke voorbeeldrol en eigen verantwoordelijkheid heeft, willen we het nemen van duurzamere keuzes vooral stimuleren en faciliteren. Daarbij moet er meer ruimte zijn voor eigen initiatieven en eigen verantwoordelijkheid van burgers, bedrijven en belangengroeperingen.

42

Het belangrijkste afwegingskader voor duurzaamheid is, naast wet- en regelgeving, de in 2019 door de gemeenteraad vastgestelde documenten ‘’Ambities voor de energietransitie Oosterhout 2030” en de “Routekaart energietransitie 2019-2022”. Duurzaamheid bestaat voor de gemeente Oosterhout uit drie speerpunten: energietransitie, circulariteit en klimaatadaptatie. Energietransitie De huidige samenleving zorgt voor uitputting van de huidige energiebronnen (fossiel). Met de energietransitie werken we aan een samenleving waar sprake is van duurzaam opgewekte hernieuwbare energie. Deze transitie is essentieel om de nationale doelstellingen op het gebied van CO2-reductie te behalen. De Klimaatwet zegt ons dat we 49% CO2 moeten reduceren in 2030 ten opzichte van onze uitstoot in 1990. Ook Oosterhout moet voldoen aan de landelijke doelstellingen. Naast het gebruik van duurzame energie, draagt het verminderen van energieverbruik (isoleren) ook bij aan het reduceren van CO2 uitstoot. De gemeente beoordeelt (ver-)bouwplannen op hun bijdrage aan de lokale, regionale of nationale duurzaamheidsdoelstellingen. Deze doelstellingen zijn verwoord in het ambitie document Energietransitie Oosterhout 2030 en de RES West-Brabant. Het absolute minimum staat beschreven in het Bouwbesluit, waarin eisen ten aanzien van de EPC en geluidisolatie zijn opgenomen.

Sinds januari 2021 is de BENG-eis ingevoerd (Bijna Energie Neutraal Gebouw). De gemeente Oosterhout heeft de ambitie om op het gebied van duurzaamheid een extra inspanning boven op het bouwbesluit te stimuleren. De energietransitie van de gemeente Oosterhout wordt uitgewerkt in de Transitievisie Warmte, welke uiterlijk eind 2021 beschikbaar is. Circulariteit We streven als gemeente naar het bundelen van onze lokale kennis, technologie en innovaties om zo een meer circulaire lokale economie te krijgen. Een circulaire economie draagt bij aan het hergebruik van materialen, producten en diensten in plaats van de vernietiging daarvan. Het gebruik van biobased producten, gemaakt van hernieuwbare grondstoffen, draagt bij aan circulariteit en een duurzame samenleving, en wordt daarom gestimuleerd door de gemeente Oosterhout. Klimaatadaptatie Een veranderd klimaat heeft gevolgen voor de samenleving. Wateroverlast, droogte, hitte en bodemdaling komen in meer of mindere mate regelmatig voor en dat neemt de komende jaren verder toe. Vanuit de landelijke overheid is bepaald dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig moet zijn ingericht. In de ‘Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2016’ (NAS), het Uitvoeringsprogramma NAS en in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) wordt klimaatadaptatie verder uitgelegd. Ook wij streven naar een klimaatbestendig Oosterhout in 2050.

Dit betekent dat onze woningen en de ruimtelijke inrichting aangepast moeten worden zodat ze bestand zijn tegen o.a. hitte, droogte en wateroverlast. Bovendien moet dit ervoor zorgen dat de kwaliteit van de leefomgeving wordt vergroot. De gemeente stelt momenteel beleid op waarin de gevolgen van klimaatverandering inzichtelijk worden gemaakt op ons grondgebied. Dit beleid dient ook als ruimtelijke onderbouwing voor het stellen van toekomstige planregels in het bestemmingsplan. Hierbij ziet de gemeente Oosterhout het programma van eisen uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen en het Manifest Bouwen voor Natuur, beide van de provincie Zuid-Holland, als richtinggevend. Voor nu verwacht de gemeente Oosterhout dat bij nieuwe ontwikkelingen de uitkomsten van de stresstesten worden meegenomen bij de ontwikkeling van plannen. De nieuwe ontwikkeling mag de situatie in het plangebied en omliggende gebied voor de thema’s hitte, droogte en wateroverlast niet verergeren t.o.v. de bestaande situatie, en draagt het liefst bij aan het verminderen daarvan. De initiatiefnemer moet in het bestemmingsplan aangeven welke maatregelen genomen worden om het project klimaatbestendig te maken. Specifiek voor het thema Water (berging, afvoer, etc.) gelden de bestaande normen. Zie het gemeentelijk rioleringsplan in paragraaf 4.3.2. Toetsing bestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan 43

heeft

betrekking

op

de

actualisatie

van

het

bestemmingsplan Dommelbergen. Aangezien er geen sprake is van (grote) ontwikkelingen die hierin worden meegenomen, heeft het gestelde in het document ’Ambities voor de energietransitie Oosterhout 2030” en de bijbehorende “Routekaart energietransitie 2019-2022 hierop geen betrekking.

4.2 Groen 4.2.1 Natuurnetwerk Brabant (NNB) Het Natuurnetwerk Brabant is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Het is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden en landbouwgebieden, zoals bijvoorbeeld de Vrachelse Heide en de Boswachterij Dorst in de gemeente Oosterhout, die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Hierdoor kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen tussen verschillende natuurgebieden. Zo wordt de biodiversiteit (het totaal aan verschillende planten en dieren) bevorderd. Maar het Natuurnetwerk is er niet alleen voor planten en dieren, maar ook voor mensen. Mensen genieten, recreëren en ontspannen in de natuur en natuur helpt tegen de gevolgen van klimaatverandering. Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Om het NNB als netwerk te laten functioneren, werkt de provincie samen met andere partijen aan het aanleggen van ecologische verbindingszones en het oplossen van faunaknelpunten in de infrastructuur. Dit wordt onder andere bereikt door: • Het concreet aanwijzen van de gebieden die tot het NNB behoren en het vastleggen van de natuurdoelen (bepalen); • Voor zover nodig functiewijziging van landbouwgrond en ander niet-natuurgebruik naar natuurgebied door aankoop of particulier natuurbeheer (deelname).

Bij het opstellen van een bestemmingsplan zijn gemeenten verplicht aansluiting te zoeken bij de wezenlijke ecologische kenmerken en waarden die in het natuurbeheerplan zijn beschreven. Deze waarden en kenmerken zijn per gebied vastgelegd in een beheertypenkaart en in een ambitiekaart. Zolang er geen sprake is van een significante aantasting, is er vanwege het NNB geen grond om de activiteit tegen te houden. Als er aantasting van waarden optreedt, geldt dat de negatieve effecten als gevolg van de verstoring, waar mogelijk, worden voorkomen en beperkt. Als dat niet mogelijk is, moet de aantasting worden gecompenseerd. Hiervan kan ook sprake zijn, indien er ontwikkelingen van buiten de NNB, effect hebben op de NNB (zogenaamde “externe werking”). Voor het compenseren zijn er regels gesteld in de provinciale interim-Verordening ruimte. De gemeente vindt het van belang compensatie te laten landen binnen de gemeente grenzen zodat de kwaliteit van de leefomgeving netto niet verslechterd.

4.2.2 Gemeentelijk groen beleid In Oosterhout is in de woonbuurten per woning gemiddeld 115m2 openbaar groen aanwezig. Op basis van dit gemiddelde kan worden gesteld dat Oosterhout een groene gemeente is. Omdat Oosterhout een groene gemeente wil blijven, streeft de gemeente Oosterhout naar een gemiddelde norm van 115m² openbaar groen per woning in de woonbuurten en kernen en 1,04 boom per woning. In het politiek akkoord is het groene karakter van Oosterhout ook benoemd als kernwaarde van de stad. Het is een kenmerk waarmee Oosterhout zich onderscheidt van andere gemeenten. Doel van groenbeleid in algemene zin is daarom de instandhouding en verbetering van deze groene kwaliteit. De bijbehorende uitvoeringssporen zijn bescherming en ontwikkeling. Bescherming van het aanwezige groen in de stad gaat vooraf aan compensatie. Compensatie is immers het herstellen van of goedmaken voor iets dat verloren is gegaan. APV Bescherming vindt plaats door aanwijzing van monumentale bomen die via de Algemene Plaatselijke Verordering (APV) en het bestemmingsplan zijn beschermd. Het kappen van niet monumentale bomen op gemeentegrond is op basis van de APV eveneens vergunning-plichtig. 44

De ontwikkeling van groen gebeurt door koppelkansen. Onder andere bij herinrichting van het openbaar gebied (bijvoorbeeld bij aanpassingen aan de riolering) en bij (her)ontwikkeling van locaties. Met betrekking tot het particuliere groen heeft de gemeente beperkte beschermings- en sturingsmogelijkheden. In bestemmingsplannen is bepaald welke activiteiten in tuinen zijn toegestaan (ontwikkeling). Met de actualisatie van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) geldt voor bomen op particuliere grond geen velvergunningsplicht. De monumentale bomen vormen een bijzondere categorie; deze genieten in zowel de bestemmingsplannen als in de APV een bescherming. In het openbaar gebied heeft de gemeente maximale mogelijkheden tot instandhouding en ontwikkeling. Ook in de openbare ruimte gelden de ontwikkelings- en beschermingsinstrumenten als bestemmingsplannen, de APV en de monumentale-bomen-lijst. Daarnaast worden door de gemeente bewuste keuzes gemaakt op basis van beleidsuitgangspunten ten aanzien instandhouding en ontwikkeling van de overige voorzieningen. In de openbare ruimte heeft de gemeente, gegeven de bescherming die het privé-groen geniet, voldoende mogelijkheden tot instandhouding en uitbouw van het groene karakter van Oosterhout.

4.3 Water 4.3.1 Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken, beheer van vaarwegen en nautisch beheer. Het watersysteembeheer waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het Waterbeheerplan 20162021. Het Waterbeheerplan beschrijft de hoofdlijnen van het beheer van het water- en zuiveringssysteem voor de periode 2016-2021. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn veiligheid, droge voeten, voldoende water, gezonde natuur, schoon water, genieten van water en het waterschap als calamiteitenorganisatie.

Het waterschap heeft in een toetsingskader RO “De ruimte blauw geordend” aangegeven wat de ruimtelijke consequenties zijn van het waterbeleid. Nieuwe accenten in het Waterbeheerplan zijn: • • • • •

de versterking van de primaire en regionale keringen; inzet op waterbewustwording van watergebruikers; helder zijn over de beperkingen en mogelijkheden die er vanuit het watersysteem zijn voor de gebruiksfuncties; een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie; en dynamisch waterbeheer.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij de uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’.

45

De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. In de Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak, via een afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.

Dit verbod is van toepassing tenzij: • het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; • de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: 'benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06' De drempelwaarde die het waterschap hanteert voor het nemen van compenserende maatregelen bij een toename aan verhard oppervlak is per 1 april 2021 gewijzigd van 2.000 m² naar 500 m². De gedachtegang hierachter is het steeds grotere belang om water vast te moeten houden, vanwege de toename aan (langdurig) droge perioden. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. Door middel van de verplichte watertoets ziet het waterschap toe op de uitvoering van hun beleid.

Hiermee wordt gewaarborgd dat bij nieuwe ontwikkelingen het waterbeheer wordt meegenomen. Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. 4.3.2 Water- en rioleringsplan 2017-2021 In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Hierin zijn de verantwoordelijkheden vastgelegd ten behoeve van afval-, hemel- en grondwater. In grote lijnen betekent dit dat de gemeente een ontvangstplicht heeft van afvalwater (vervuild water) en een zorgplicht voor grond- en hemelwater. Daarnaast hebben de individuele perceeleigenaren een eigen verantwoordelijkheid voor het inzamelen en afvoeren van afvalwater en het verwerken van regen- en grondwater op het eigen perceel. De gemeenteraad heeft een water- en rioleringsplan vastgesteld (Water- en rioleringsplan 2017-2021). Hierin staat hoe de gemeente omgaat met alle waterstromen binnen de gemeente en de zorgplichten vanuit de Waterwet.

De belangrijke uitgangspunten in het water- en rioleringsplan voor het water in Oosterhout zijn: schoon water schoon houden, handhaving van de waterkwaliteit en waar noodzakelijk verbeteren, voldoen aan de normen voor volksgezondheid en veiligheid en ontwikkeling van natuur in en om het water waar mogelijk. Bovenstaande betekent dat de verschillende vormen van grondgebruik afgestemd moeten worden op de aanwezige watersystemen. Dit met een toekomstgerichte aanpak/doorkijk met name op het gebied van het klimaat. Intensievere regenbuien kunnen enorme wateroverlast veroorzaken en de in het gemeentelijk grondgebied aanwezige grondwaterwinning voor de

46

drinkwaterproductie kunnen vervuild raken door lozingen van schadelijke stoffen. Ook hiervoor is aandacht binnen het water- en rioleringsplan. De landelijke voorkeursvolgorde infiltreren-bergen-afvoeren wordt daarom in de Gemeente Oosterhout ook aangehouden om schade bij regenwateroverlast en periodes van droogte te voorkomen of toch in ieder geval te beperken. Waarbij rekening gehouden moet worden met de onderstaande regenbuien als norm: • Bij 40 mm regen per uur geen water op straat vanuit ondergrondse voorzieningen (infiltratiekratten, waterbergende funderingen, enzovoort); • Bij 70 mm regen per uur geen inundatie vanuit open voorziening (wadi, sloot, enzovoort); • Bij nieuwbouw geldt dat alle afvoerend verhard oppervlak (inclusief oppervlak van een open voorziening) meetelt in de te verwerken hoeveelheid regenwater. Dit ongeacht de hoeveelheid bestaand verhard oppervlak. Toetsing bestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de actualisatie van het bestemmingsplan Dommelbergen. Aangezien er geen sprake is van (grote) ontwikkelingen die hierin worden meegenomen, heeft het gestelde in het Waterbeheerplan 2016-2021 en het Water- en rioleringsplan 2017-2021 hierop geen betrekking.

4.4 Cultuur 4.4.1 Erfgoedwet De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Het voornaamste doel is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Ieder nieuw bestemmingplan moet een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Archeologie Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd in de Erfgoedwet.

Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. 4.4.2 Provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Binnen het voorliggend plangebied zijn (geen) cultuurhistorische objecten of cultuurhistorische structuren aanwezig. Het enige monumentale bouwwerk (archeologisch monument) in Dommelbergen is de Slotbosse Toren, die is aangemerkt als Rijksmonument. Zie de hiernavolgende kaart.

47

Provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW).

4.4.3 Gemeentelijke beleidsnota Cultuurhistorie, Monumenten en Archeologie In de beleidsnota Cultuurhistorie, Monumenten en Archeologie, die op 20 januari 2009 is vastgesteld, is het gemeentelijk beleid voor de periode 2008 – 2018 op het gebied van cultuurhistorie vastgelegd. Het doel van de beleidsnota is het betrekken van cultuurhistorie bij planvorming, zodat archeologische vindplaatsen en cultuurhistorisch waardevolle structuren niet langer verloren gaan. Centraal in de beleidsnota staat, in lijn met de Nota Belvedere, de opvatting dat bescherming van cultuurhistorisch erfgoed en dynamiek in de ruimtelijke inrichting prima samen kunnen gaan (‘behoud door ontwikkeling’). De nota geeft daarnaast een eerste aanzet om te komen tot een gemeentelijk archeologiebeleid. In de nota is vastgelegd hoe de monumenten, archeologie en cultuurhistorische waarden kunnen worden beschermd, ontwikkeld en zichtbaar gemaakt. Cultuurhistorie dient als volwaardig belang te worden meegenomen bij ruimtelijke inrichtingsplannen. Cultuurhistorische waarden hoeven hierbij niet altijd doorslaggevend te zijn, maar de kansen die cultuurhistorie biedt, moeten reeds in een vroeg stadium worden meegewogen in de planvorming.

Erfgoedkaart Om de aanwezige cultuurhistorische waarden (monumentale gebouwen, archeologische terreinen, cultuurhistorische landschapselementen en historische stedenbouwkundige structuren en infrastructuur) in beeld te brengen, is een gemeentelijke erfgoedkaart vervaardigd, die met name een signalerende functie heeft. Hierdoor wordt een integrale afweging mogelijk. Op basis van de erfgoedkaart, kunnen cultuurhistorisch en archeologisch waardevolle gebieden in bestemmingsplannen een passende regeling krijgen. Op basis van de Erfgoedkaart is tevens een vigerend gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld (Erfgoedverordening met archeologische beleidskaart). In paragraaf 2.2.2 Stedenbouwkundig-ruimtelijke analyse en waardering, onder het kopje Cultuurhistorische en archeologische waarden is nader ingegaan op dit aspect.

4.5 Milieu 4.5.1. Geluid Het Bestemmingsplan Dommelbergen wordt integraal herzien. Het plan moet daarom worden getoetst aan de wet- en regelgeving wat betreft geluidhinder. Het plan wordt voorzien van een evenementenregeling om lichte evenementen rondom winkelcentrum Arkendonk planologisch mogelijk te maken. Het betekent dat moet worden voldaan aan de Wet geluidhinder en er moet sprake zijn van goede ruimtelijke ordening. Voor de milieuaspecten is dat vooral het woon- en leefklimaat. Daarin wordt kwalitatief een beoordeling van alle relevante geluidbronnen gegeven. Voor de toetsing is een geluidrapport opgesteld dat is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting.

48

Wet geluidhinder In de Wet geluidhinder wordt de geluidhinder vanwege verkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai bij te beschermen geluidgevoelige objecten, zoals woningen, geregeld. Dit plan heeft geen gevolgen voor het aspect verkeerslawaai en spoorweglawaai en die onderdelen hoeven niet te worden getoetst. Onder industrielawaai wordt verstaan de geluidbelasting vanwege bedrijven op een industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder op de gevel van een geluidgevoelig object. Er is sprake van een industrieterrein indien geluidzoneringsplichtige bedrijven niet zijn uitgesloten. Rond een industrieterrein moet een geluidzone zijn gelegen. De geluidbelasting op de uiterste grens van de zone mag maximaal 50 dB(A) (etmaalwaarde) bedragen. Die waarde kan niet worden gewijzigd. Dat geldt ook voor geluidgevoelige objecten, maar daarvoor kan een hogere waarde worden verleend. Het plangebied is gelegen naast het industrieterrein Weststad-Statendam en nabij industrieterrein Weststad III. Rond het industrieterrein Weststad-Statendam is de bijbehorende geluidzone gedeeltelijk gelegen over het plangebied. Binnen de zone zijn nog een groot aantal woningen gelegen waarvan ca. 194 een hogere waarde hebben van 55 dB(A). Op één na zijn die indertijd vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant.

In het plangebied worden geen geluidzoneringsplichtige bedrijven als bedoeld in de Wgh toegelaten zodat er geen gronden als industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder moeten worden aangemerkt. Er worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten geprojecteerd binnen de zone van een geluidgezoneerde weg of industrieterrein en ook geen planologische wijzigingen van de infrastructuur voorzien zodat toetsing daarvan niet nodig is. Met het plan wordt de geluidzone in meer westelijke richting vastgesteld om de woningen beter te beschermen. Daarbij worden de bedrijven op het industrieterrein niet extra belemmerd. Door de krimp van de zone komen meer woningen buiten de toekomstige zone te liggen (ca. 24). Meer is nu nog niet mogelijk zonder bestaande bedrijven te belemmeren. Voor een paar geluidgevoelige objecten is het noodzakelijk om een hogere waarde vast te stellen omdat die objecten planologisch van functie zijn veranderd of moeten worden gecorrigeerd (max. 52 dB(A)). Voor een terrein met standplaatsen aan de Rietbeemd moeten ook hogere waarden worden vastgesteld (max. 54 dB(A)) omdat een dergelijke terrein door een wijziging van de wetgeving nu wordt beschermd. Het treffen van (financiële) doelmatige maatregelen is niet mogelijk. Evenementen In en buiten het winkelcentrum Arkendonk worden regelmatig lichte evenementen gehouden.

Daarvoor wordt, evenals in andere plannen is gebeurd, een evenementenregeling opgenomen die dat toestaat. Daaraan zijn voorwaarden verbonden om overlast zoveel mogelijk te voorkomen. In het geluidrapport is dat verder onderbouwd. Woon- en leefklimaat Het woon- en leefklimaat in het plangebied wordt wat betreft geluid vooral bepaald door wegverkeerslawaai. Nabij drukke wegen kunnen, afhankelijk van de afstand toe een woning, geluidbelastingen heersen van 60-63 dB bij de 1e-lijns bebouwing. Omdat er in het plan geen wijzigingen aan de infrastructuur of nieuwe objecten zijn voorzien wijzigt dat niet. Nabij het industrieterrein Weststad-Statendam is de Statendamweg gelegen. Daardoor is die weg bij de woningen meer bepalend dan het industrielawaai. Mede omdat het plan feitelijk geen verslechtering en deels verbetering tot gevolg heeft blijft het woon- en leefklimaat aanvaardbaar. Toetsing bestemmingsplan Uit het onderzoek blijkt dat het plan voldoet aan de Wet geluidhinder, er geen bedrijven worden belemmerd, er veel meer woningen buiten de zone komen te liggen maar nog niet alle. Voor een groot aantal woningen vervalt de hogere waarde, voor slechts enkele moet een nieuwe hogere waarde worden vastgesteld. Er zijn geen doelmatige maatregelen te treffen, dan wel daartegen bestaan bezwaren van stedenbouwkundige of financiële aard. Het woon- en leefklimaat is met het plan aanvaardbaar.

49

4.5.2 Luchtkwaliteit Mensen moeten worden beschermd tegen de verontreiniging van de lucht. De basis daarvoor is gegeven in de Wet milieubeheer. Daarin is bepaald dat een onderzoek naar de luchtkwaliteit is vereist indien door een plan wijzigingen worden doorgevoerd die verandering brengen in de luchtkwaliteit nabij gevoelige objecten (b.v. woningen). De bronnen zijn het verkeer, de industrie en het wonen (stoken). In het algemeen kan worden gesteld dat de achtergrondbelasting voldoet aan de wettelijke eisen (monitoringstool). De hoogste belastingen komen voor bij wegen en soms lokaal bij de industrie. Maar ook stookinstallatie (wonen) leveren een bijdrage. Toetsing bestemmingsplan Met het plan worden er geen wijzigingen doorgevoerd ten aanzien van de bronnen. Daarom is er geen nader onderzoek noodzakelijk. Gelet op het feit dat aan de geldende achtergrondbelastingen wordt voldaan is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.5.3 Stikstof Op grond van de Wet natuurbescherming zijn door het Rijk zogenaamde Natura 2000-gebieden aangewezen. Dat zijn gebieden met habitats (leefgebied) en/of vogels die van Europees belang worden geacht en daarom moeten worden beschermd. De dichtstbijzijnde gebieden zijn de Biesbosch, Langstraat (Waalwijk), Loonse en Drunense duinen en het Ulvenhoutsebos. Hoewel er veel factoren van invloed kunnen zijn is gelet op de afstand van het grondgebied van Oosterhout tot die gebieden alleen stikstof (lees: stikstofhoudende stoffen) een relevante factor kan zijn. Toetsing bestemmingsplan Met het plan worden er geen relevante wijzigingen voor activiteiten doorgevoerd. Verder heeft het plan hoofdzakelijk betrekking op wonen. Gesteld kan worden dat het plan niet of nauwelijks planologisch onbenutte ruimte kent. Daarom zal de stikstofemissie (uitstoot) en stikstofdepositie (neerslag)niet wijzigen en zal het plan geen significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Gelet daarop is een nader onderzoek naar de gevolgen voor de Natura 2000-gebieden niet noodzakelijk.

4.5.4 Externe veiligheid De maximale planologische mogelijkheden in het plangebied van de herziening van het bestemmingsplan moeten voldoen aan de aspecten van externe veiligheid. Tevens moet er sprake zijn van een aanvaardbaar veiligheidsniveau. Het wettelijk kader wordt gegeven door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes en Besluit externe veiligheid buisleidingen. Daarnaast is het Beleid externe veiligheid 2017 van Oosterhout van toepassing. Het Bestuur Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft voor situatie van externe veiligheid een standaard-advies opgesteld (2021). Dat betreft het aspect van de vluchtmogelijkheden van personen en de voorbereiding op een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Daarin is een algemene analyse gegeven en zijn aanbevelingen opgenomen. De adviezen zijn hieronder samengevat. • De afstand van mensen tot een risicobron moet zo groot mogelijk zijn. Met het plan zijn de afstanden een gegeven en komen daarin geen veranderingen. Wel wordt in de regels een te hoge personendichtheid zoveel mogelijk voorkomen en worden nieuwe functies voor minder zelfredzame personen in het invloedsgebied vanwege (explosieve) stoffen sterk beperkt. • Een gebouw moet bescherming bieden. Dit plan brengt geen verandering in de bebouwing. Het plan wordt vooral gekenmerkt door woongebouwen. Daarnaast zijn 50

•

•

•

scholen en sportterreinen in het invloedsgebied aanwezig. Bij sportterreinen zijn gebouwen vaak ontoereikend voor het aantal bezoekers en zijn die aangewezen op de omgeving. Gebouwen en terreinen moeten snel en veilig geëvacueerd kunnen worden. Binnen het plan zijn bestaande gebouwen aanwezig. Alleen bij verbouwingen of wijzigingen kan met deze aspecten rekening worden gehouden. De bereikbaarheid van hulpdiensten moet goed zijn. Het betreft hier veelal bestaande situaties. Daar waar de toegang kan worden verbeterd zal dat bij onderhoud of andere wijzigingen worden gerealiseerd. De risicocommunicatie moet op orde zijn bij de mensen in de invloedsgebieden. In het geval van een calamiteit verzorgt de Veiligheidsregio de communicatie. De preventieve communicatie en de bekendheid met de (soms onzichtbare) risicobronnen moet via speciale acties of projecten in het kader van externe veiligheid vorm worden gegeven. Daarbij kan ook informatie via het internet worden betrokken.

Gelet op het voorgaande en de verbeterde regelgeving kan worden gesteld dat de veiligheidssituatie aanvaardbaar is. Externe veiligheid is van belang indien relevante effecten vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen, de risicobron, mogelijk zijn op te beschermen objecten of terreinen. De laatste worden als (geprojecteerd) (beperkt) kwetsbare objecten aangeduid. Voor de risicobeoordeling zijn vier begrippen vooral van belang: het plaatsgebonden risico, plasbrandaandachtsgebied, het groepsrisico en het invloedsgebied. Deze zijn, evenals het wettelijk kader, beschreven in de “Notitie externe veiligheid, Bestemmingsplan Dommelbergen 2021”, d.d. 6 november 2019, welke als bijlage 1 aan dit bestemmingsplan is bijgevoegd (verder: de notitie). In het plangebied zelf worden geen nieuwe voor externe veiligheid relevante risicovolle activiteiten toegelaten. Dat wordt geborgd in de Regels en de Verbeelding. Binnen het plangebied zijn echter wel bestaande risicobronnen aanwezig, namelijk drie buisleidingen en de Rijksweg A27. Daarnaast zijn er risicobronnen buiten het plangebied gelegen die van invloed zijn op het plangebied (o.a. buisleidingen, Rijksweg A27 en inrichtingen). Buisleidingen Uit de Notitie blijkt dat binnen het plangebied ter hoogte van sportpark De Elskens drie buisleidingen zijn gelegen waardoor gevaarlijke stoffen onder hoge druk worden vervoerd.

Deze bestaande buisleidingen liggen buiten het voorkeurstracé zoals genoemd in paragraaf 3.1.1. Aan deze buisleidingen zijn plaatsgebonden risico’s verbonden. De buisleidingen met de bijbehorende belemmeringenstrook (per leiding) van 5 m en het plaatsgebonden risico zijn op de Verbeelding aangeduid. Dezelfde leidingen zijn voor het overige, ten noorden van het plangebied, net buiten het plangebied gelegen. Ten noordoosten van het plangebied is nog een buisleiding voor het vervoer van gevaarlijke stoffen onder hoge druk gelegen. Daarvan is de belemmeringenstrook (4 m) en het plaatsgebonden risico (0 m) buiten het plangebied gelegen. Wel is het invloedsgebied (240 m) daarvan gedeeltelijk over het plangebied gelegen. Wegen Aan de oostzijde van het plangebied is de Rijksweg A27 gelegen. Een gedeelte daarvan is in het plangebied gelegen. Daarover worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De Rijksweg heeft ter plaatse van het plangebied een plaatsgebonden risico van 0 m. Tevens geldt voor de Rijksweg A27 een plasbrandaandachtsgebied van 30 m. Inrichtingen Tenslotte zijn ten westen van het plangebied Besluit externe veiligheid inrichtingen-inrichtingen gelegen. Daaraan zijn ook afstanden voor plaatsgebonden risico verbonden. In alle gevallen (risicobronnen) wordt aan de veiligheidsafstand voor het plaatsgebonden risico voldaan.

De effecten vanwege een calamiteit met (zeer) (licht) ontvlambaar gas kunnen zeer ingrijpend zijn. Daarom wordt op grond van het gemeentelijk beleid een veiligheidszone – transportroute en – buisleiding opgenomen gelijk aan 355 m vanwege het invloedsgebied vanwege Rijksweg A27 voor stofgroep GF3(o.a. lpg) respectievelijk 240 m vanwege de 18” buisleiding (gevaarlijke 51

stoffen) buiten het plangebied. Binnen de veiligheidszone zijn nieuwe functies waar regelmatig minder zelfredzame personen (o.a. kinderen of zorgbehoeftigen, etc) kunnen verblijven niet toegestaan. De reden daarvan is dat het evacueren van deze groep van personen beperkt is. Bestaande functies zijn wel toegestaan. Het invloedsgebied vanwege vervoer van toxische stoffen (giftig, stofgroep LT2) reikt tot ca. 880 m vanaf de Rijksweg A27. In het gebied zijn o.a. twee scholen gelegen. Daarvoor worden geen verdere beperkingen gesteld gelet op de bestaande situatie. Verwacht wordt dat in geval van een calamiteit middels tijdige risicocommunicatie naar de burgers de effecten tot een minimum kunnen worden beperkt. Omdat met het plan geen nieuwe risicobronnen worden toegelaten en ook het aantal personen niet toeneemt treedt er geen wijziging vanwege het groepsrisico op. Daar komt bij dat het groepsrisico, vanwege de personendichtheid die is gesteld in het gebied, aangeduid als ‘veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen A27’, is beperkt en voor het overige ruim onder de orientatiewaarde is gelegen. Wel is van belang dat in het geval zich een calamiteit voordoet bij één van de risicobronnen de evacuatie van personen tijdig en goed kan verlopen en de voorbereiding op de rampenbestrijding voldoende is.

In dat geval is een scenario met een explosie, brand of toxische wolk het meest realistisch. Uit de notitie blijkt dat het gebied voldoende ontsloten is om mensen te kunnen evacueren. Daarbij is goede risicocommunicatie van groot belang. De rampenbestrijding zal in het algemeen in de directe omgeving van de risicobron plaatsvinden. Het plan heeft daarop geen negatieve effecten. De aspecten van rampenbestrijding en evacuatie van personen zijn voor het overige ter beoordeling aan het Bestuur van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant voorgelegd (standaardadvies 2021 is als bijlage opgenomen).

52

5. JURIDISCHE UITVOERBAARHEID

5.1 Het juridische plan Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden en gebouwen binnen het bestaand stedelijk gebied. Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is aangesloten bij het gemeentelijke ‘Handboek (digitale) bestemmingsplannen’. Voor onderhavig bestemmingsplan is de versie van januari 2018 gehanteerd. Het handboek bevat een set regels die voor alle nieuwe bestemmingsplannen binnen de gemeente Oosterhout wordt gehanteerd, waardoor sprake is van uniforme regelingen in de diverse plannen. In het Handboek is gestreefd naar standaardisering van bestemmingen en regels zoals aangegeven in de Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer globaal tot gedetailleerd. Het onderhavige bestemmingsplan beschrijft meer dan alleen de hoofdlijnen van het beleid, doch treedt niet al te zeer in details. Uitgangspunt van het bestemmingsplan is het bieden van een flexibele, juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid van de burger wordt geschaad.

De planopzet is gericht op beheer en instandhouding van de bestaande situatie. Behoud van de bestaande functies is het primaire doel van het bestemmingsplan. Eén en ander komt tot uitdrukking in de regels en blijkt ook uit de verbeelding. In de volgende paragraaf wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen het onderhavige bestemmingsplan. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Hierdoor is het omgevingsrecht drastisch gewijzigd. Veel toestemmingen en vergunningen die voorheen apart geregeld waren, zijn nu opgenomen in de Wabo. In de regels is de terminologie aangepast aan de Wabo. De ontheffing heet nu ‘omgevingsvergunning voor het afwijken’. De bouwvergunning heet ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’. De sloop- en aanlegvergunning zijn gewijzigd in ‘omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk’ respectievelijk ‘omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden’. De terminologie van voorliggend bestemmingsplan is hierop afgestemd.

5.2 Bestemmingen Opzet regels De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: - Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende regels); - De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels); - Algemene regels (Hoofdstuk 3 Algemene regels); - Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels). Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: - Bestemmingsomschrijving; - Bouwregels; - Nadere eisen; - Afwijken van de bouwregels; - Specifieke gebruiksregels; - Afwijken van de gebruiksregels; - Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; - Wijzigingsbevoegdheid. 53

De specifieke nadere eisenregelingen, afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden en mogelijk een omgevingsvergunningstelsel voor werken en werkzaamheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en onnodig verwijzen naar andere artikelen voorkomen. Deze werkwijze bevordert de toegankelijkheid van het bestemmingsplan. Flexibiliteitsregels Aan het bestemmingsplan kan flexibiliteit worden toegevoegd door regels op te nemen over de bevoegdheid tot het verlenen van een (binnenplanse) omgevingsvergunning ter afwijking van het bestemmingsplan, het stellen van nadere eisen of een wijzigingsbevoegdheid. Voor het opnemen van flexibiliteitsregels geldt als uitgangspunt dat flexibiliteitregels alleen worden gebruikt als van een wezenlijke belangenafweging sprake kan zijn. Ontwikkelingen die niet in de regels mogelijk zijn gemaakt, zijn uitsluitend mogelijk via een buitenplanse procedure. Bepalen goothoogte Er is wel eens sprake van misverstanden over de wijze waarop de goothoogte of bouw- c.q. nokhoogte van een gebouw moet worden geïnterpreteerd. De goothoogte wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q.

de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, lichtkoepels, dakkapellen, lucht- en liftkokers, zonnepanelen, andere technische ruimten en/of technische constructies, hekwerken en antennes. Voor de meest voorkomende gevallen is hieronder aangegeven hoe de goothoogte wordt bepaald: Dakvormen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=4b9ade03-6d02-41c4-9c94-5f55f56df19c