bijlage 2 OBP 'Bedrijventerreinen Oosterhout 2022'
Tekst van het document
Daarnaast vindt het parkeren, evenals laden en lossen van vrachtwagens, ook op de openbare weg plaats. Bij revitalisering van het bedrijventerrein Vijf Eiken zijn verharde bermen aangelegd (aan één zijde van de straten) waar zowel parkeren als laden/lossen kan plaatsvinden. Bij de revitalisering is ook ter plaatse van de voormalige spoorverbinding in de Karolusstraat een vrachtwagenparkeerplaats aangelegd. Dit vrachtwagenparkeerterrein biedt plaats voor ca. 30 vrachtwagens. Deze parkeerplaats heeft niet alleen een functie voor het bedrijventerrein Vijf Eiken, maar voor geheel Oosterhout. Om het langdurig plaatsen van losse trailers tegen te gaan wordt een beperkte parkeerduur ingesteld op de vrachtwagenparkeerplaats. Fiets-/langzaam verkeer Door de ligging naast de A27 is het bedrijventerrein Everdenberg en Everdenberg Oost minder goed bereikbaar vanuit de stad Oosterhout. Op dit moment is het vrij liggende fietspad aan het Wilhelminakanaal Noord, dat Oosterhout met Dongen verbind, de enige fietsontsluiting van beide bedrijventerrein. Dit vrij liggende fietspad zal mogelijk in de toekomst een snelfietspad worden. Op de bedrijventerreinen zelf zijn geen vrij liggende fietspaden aanwezig. Het bedrijventerrein Vijf Eiken is voor het fietsverkeer langs het Wilheminakanaal en de Vijf Eikenweg ontsloten.
Het Wilhelminakanaal Zuid is hierbij voorzien van fietssuggestiestroken en de Vijf Eikenweg is voorzien van een vrij liggend fietspad aan beide zijden van de weg. Daarnaast loopt er een fietsroute naar Dongen over de Plantagelaan. Op het bedrijventerrein zelf zijn geen vrij liggende fietspaden aanwezig. Openbaar vervoer De bereikbaarheid van alle drie de bedrijventerreinen met het openbaar vervoer is slecht. Er is geen bus of andere ov-verbinding naar het bedrijventerrein. De dichtstbijzijnde halte voor het bedrijventerrein Everdenberg ligt op ca 1,5 km afstand van het bedrijventerrein en voor Everdenberg Oost zelfs op 2 km afstand. De dichtstbijzijnde halte voor het bedrijventerrein Vijf-Eiken ligt op ca 800 m. Verkavelingstructuur De grootte van de kavels op het bedrijventerrein Everdenberg loopt sterk uiteen. Over het algemeen kan gesteld worden dat de grotere kavels langs de A27 liggen en dat richting het oosten de grootte van de kavels afneemt. Het deel waar de bedrijfsverzamelgebouwen en kleinschalige bedrijfsloodsen zijn gelegen, zijn een uitzondering op deze structuur. De kavels zijn afhankelijk van de ligging georiënteerd op het Wilhelminakanaal Noord of de Everdenberg. Op het centrale deel van Everdenberg, binnen de ontsluitingslus, hebben de bedrijfskavels een oppervlak tussen de 0,5 en 2 ha.
Deze kavels zijn allemaal georiënteerd op de ‘lus’ van de Everdenberg en worden ook langs deze weg ontsloten. Langs de noordelijke en oostelijke rand van het bedrijventerrein liggen kleinere kavels, met een oppervlakte tot 0,5 ha. Ook deze kavels zijn op de Everdenberg georiënteerd en worden langs deze weg ontsloten. Ook de grootte van de kavels op het bedrijventerrein Vijf Eiken is sterk wisselend en loopt uiteen van ca. 0,08 ha. tot maximaal 20 ha. De grotere bedrijven liggen voornamelijk aan de randen van het bedrijventerrein langs het Wilhelminakanaal en A27. Deze bedrijven zijn nauwelijks zichtbaar en 20
hebben weinig invloed op de beleving van het terrein Daarnaast liggen enkel grote bedrijven aan de Vijf Eikenweg waardoor deze bedrijven wel een duidelijke invloed op het ruimtelijke beeld hebben. De kleinere en middelgrote bedrijven liggen centraal in het terrein langs de Mechelaarstraat, Gouden Rijderstraat, Denariusstraat, de Souvereinstraat en het zuidelijke deel van de Vijf Eikenweg. Bebouwingsstructuur De bebouwing op Everdenberg bestaat over het algemeen uit rechthoekige bedrijfsgebouwen met veelal een platte afdekking. De voormalige Jaminfabriek is deels voorzien van kenmerkende (afgeronde) zaagtanddaken. De hoogte van de gebouwen loopt uiteen van 6 à 7 meter op de kleinere percelen aan de rand van het bedrijventerrein tot ca.12 meter op de grotere percelen in het westelijk deel van het plangebied. Op een aantal percelen staan bouwwerken (zoals silo's) die iets hoger zijn dan de bedrijfsgebouwen. De kantoorgedeelten zijn veelal aan de voorzijde van de bedrijfshallen gebouwd en zijn in oppervlakte ondergeschikt aan de bedrijfsgedeelten. De bedrijfspercelen op Everdenberg zijn over het algemeen dichtbebouwd. Uitzondering zijn de percelen op het westelijk deel van het bedrijventerrein, waar op eigen terrein veel ruimte is voor een groene inrichting.
Rond de bebouwing vindt in een aantal gevallen buitenopslag plaats, over het algemeen aan de achterzijde van de bedrijfsgebouwen. Opvallend is de opslag/opbouw van mobiele kranen bij het kranenbedrijf in de noordwesthoek van Everdenberg. Gezien de grote hoogte van deze kranen zijn ze, in tegenstelling tot de meeste bedrijfsgebouwen op het terrein, goed zichtbaar vanuit de omgeving. Het bedrijventerrein Everdenberg Oost is nog in ontwikkeling en de kavels zijn nog niet uitgegeven. De huidige gronden zijn daarom nog als agrarisch c.q. grasland in gebruik. Ook de bebouwing op de Vijf Eiken bestaat over het algemeen uit rechthoekige damwandloodsen. Deze kunnen zowel voorzien zijn van een plat dak als van kappen. De hoogte van de bebouwing op de kleine kavels bedraagt maximaal ca. 8 meter. Op de grotere kavels loopt de bebouwingshoogte uiteen van 8 tot 12 meter met enkele hogere delen (bijvoorbeeld silo’s) van 15 tot ca. 20 meter. Vooral bij de grotere bedrijven aan de oostzijde van het plangebied komen deze hogere bouwhoogten voor. Hierbij is het opvallend dat vooral de recent gebouwde loodsen een grotere hoogte kennen dan de oudere loodsen. Op diverse terreinen zijn ook hogere bouwwerken als silo’s en kranen aanwezig. Deze hebben hoogten tot ca. 30 meter. Kantoordelen zijn veelal vóór de loodsen gebouwd aan de zijde van de openbare weg en hebben een hoogte van 1 tot 3 bouwlagen.
Zij zijn in oppervlakte en in het ruimtelijke beeld ondergeschikt aan de bedrijfsloodsen. Aan de randen van het plangebied gelden lagere hoogten van maximaal 15 meter. De bebouwingsgrens ligt gemiddeld op 5 meter van de grens met het openbaar gebied. Hierdoor is er in principe voldoende ruimte aan de voorzijde voor verkeersbewegingen, parkeren en een representatieve inrichting. 2.3.4
Functionele structuur
Bedrijven Op het bedrijventerrein Everdenberg is een mix van bedrijven aanwezig, variërend van milieucategorie 2 tot milieucategorie 4. De lichtere bedrijven zijn over het algemeen gevestigd op de kleinere kavels aan de oostelijke en noordelijke rand van het bedrijventerrein of maken gebruik van een bedrijfsruimte in één van de bedrijfsverzamelgebouwen. Op het centrale deel van Everdenberg en langs de westelijke rand vinden zwaardere bedrijfsactiviteiten plaats. Opvallend is het relatief grote aandeel aan bedrijven in de voedings- en genotmiddelenindustrie. In het oostelijk deel van het bedrijventerrein is een grote verscheidenheid aan bedrijven gevestigd. Op het bedrijventerrein Vijf Eiken zijn veelal bedrijven in de zwaardere milieucategorie 3, 4 en 5 aanwezig, hoewel ook bedrijven uit milieucategorie 1 en 2 voorkomen. Wonen Op het bedrijventerrein Everdenberg bevindt zich één vrijstaande woning, aan de Bremstraat 26. De woning wordt ontsloten vanaf de (onverharde) Bremstraat en wordt begrensd door het bedrijfsperceel van het kranenbedrijf in de noordwestelijke hoek van het plangebied. Op het bedrijventerrein zijn geen andere (bedrijfs)woningen aanwezig. Verspreid op het bedrijventerrein Vijf Eiken zijn een aantal bedrijfswoningen aanwezig. Opvallend zijn de twee woongebieden die op het bedrijventerrein gelegen zijn.
Het betreft zestien woningen aan de Schellingstraat, een aantal woonblokken met 25 woningen 21
aan Het Perk en zes halfvrijstaande woningen langs het Wilhelminakanaal. De aanwezigheid van deze laatste 31 woningen is historisch gegroeid. De woningen aan Wilhelminakanaal Zuid en Het Perk zijn gerealiseerd op basis van verleende bouwvergunningen uit ‘56 en ‘61, en zijn, in tegenstelling tot de woningen aan de Schellingstraat, niet opgenomen binnen de bestemming ‘Wonen’ maar binnen de bestemming ‘Bedrijf’ met als aanduiding ‘wonen’. Er is bij deze woningen nimmer sprake geweest van bedrijfswoningen maar van woningen ten behoeve van personeel en hebben altijd binnen de bestemming ‘bedrijf’ gelegen. In de loop der tijd zijn deze echter in particuliere handen gekomen. Deze veranderde eigendomssituatie is echter geen reden om de bestemming te veranderen. Overige functies Op het bedrijventerrein Everdenberg komen naast de bovengenoemde functies geen andere functies voor. Op het bedrijventerrein Vijf Eiken komen wel andere functies voor. Het betreft de volgende functies: • Tankstation zonder LPG verkoop (Vijf Eikenweg 46); • Tankstation, alleen voor diesel voor trucks (Soevereinstraat 4); • Hondencentrum, pension, trainingen, kennel, trimsalon (Denariusstraat 15); • Uitvaartcentrum (Florijnstraat 60).
Technische infrastructuur In (de directe omgeving van) het plangebied is sprake van enkele belangrijke technische infrastructurele voorzieningen, waarmee bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden. Dit betreft o.a. diverse olie- en gasleidingen en een hoogspanningsverbinding. In paragraaf 4.5.2 Externe veiligheid wordt verder ingegaan op de ligging en bescherming van deze technische infrastructurele voorzieningen binnen het plangebied.
22
HOOFDSTUK 3 Beleid Aangezien geen grootschalige inhoudelijke wijzigingen worden doorgevoerd, is een hernieuwde weergave en toetsing aan recent vastgesteld beleid in principe niet noodzakelijk. Desondanks wordt onderstaand kort ingegaan op het recente Rijks- en provinciaal beleid.
3.1 Bovengemeentelijk beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de lange termijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op het moment dat die wet in werking treedt. Tot die tijd geldt de NOVI als structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met het Rijk, provincies, gemeenten, maatschappelijke organisaties, bedrijven en inwoners van ons land. Er zijn 21 nationale belangen beschreven die het lokale en regionale belang overschrijden. Enkele voorbeelden hiervan zijn: • Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. • Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.
• Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. • Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. • Zorgdragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. • Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. • Verbeteren en beschermen van biodiversiteit. • Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Toetsing bestemmingsplan Aangezien geen grootschalige inhoudelijke wijzigingen worden doorgevoerd, is toetsing aan recent vastgesteld beleid niet noodzakelijk. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De wetgever heeft in de Wro de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd, om nationale en provinciale belangen te beschermen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) komen de volgende veertien nationale belangen terug: 1. Rijksvaarwegen; 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; 3. Kustfundament; 4. Grote rivieren; 5. Waddenzee en waddengebied; 6. Defensie; 7. Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; 8. Elektriciteitsvoorziening; 9. Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; 10. Ecologische hoofdstructuur (EHS); 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 12.
IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; 23
14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Het Barro blijft van kracht totdat de Omgevingswet in werking treedt, daarna wordt het Barro vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het verlengde van het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) van kracht. Deze regeling bevat o.a. een uitwerking van het ruimtelijke regime rond radars voor militaire luchtvaart en een aanwijzing van reserveringsstroken ten behoeve van uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet. Toetsing bestemmingsplan Het plangebied raakt vier van de veertien nationale belangen, het betreffen; Rijksvaarwegen (Wilhelminakanaal), Hoofdwegen en spoorwegen (A27/A59), defensie en buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Rijksvaarwegen De belangrijkste vaarwegen van Nederland vormen samen het hoofdvaarwegennet (HVWN), dat in beheer is bij het Rijk. Zoals is weergegeven in de NOVI, staat op alle rijksvaarwegen een vlotte en veilige doorvaart van de beroepsvaart centraal. Bij het borgen van een vlotte en veilige doorvaart van de beroepsvaart is het van belang dat de beroepsvaart niet wordt gehinderd door ontwikkelingen langs de rijksvaarwegen. Om dit te voorkomen dienen gemeenten te waarborgen dat nieuwe bestemmingen in de vrijwaringszone langs rijksvaarwegen niet conflicteren met de vlotte en veilige doorvaart van de scheepvaart.
In artikel 2.1.2 (bepaling vrijwaringszone) van het Barro is bepaald dat langs de begrenzingslijn aan weerszijde van de rijksvaarweg een vrijwaringszone dient te worden aangehouden. De breedte van deze vrijwaringszone is afhankelijk van CEMT-Klasse waarvoor de Rijksvaarweg geschikt is. Het Wilhelminakanaal is geschikt voor schepen van CEMT-Klasse IV. Er dient daarom rekening te worden gehouden met een vrijwaringszone van 25 meter aan weerszijde van het kanaal. Binnen deze zone dient rekening gehouden te worden met de veiligheid van de scheepvaart op de vaarweg. Deze zone is als ‘vrijwaringszone – vaarweg’ opgenomen op de verbeelding. Hoofdwegen en Spoorwegen Rijkswaterstaat is beheerder van de rijkswegen en is vanuit die functie ook vergunningverlener voor activiteiten op en in de nabijheid van rijkswegen. De basis daarvoor is de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr). Er wordt onderscheid gemaakt naar vrijwaringszones en beheerzones. De vrijwaringszones zijn bedoeld om voor de korte en lange termijn de bestaande infrastructuur te beschermen en het gebruik te waarborgen. Gemeenten wordt gevraagd om in hun plannen geen bouwen gebruiksmogelijkheden op te nemen die vanuit de Wbr niet mogelijk zijn. Deze vrijwaringszone heeft langs de A27 en A59 een breedte van 50 meter en wordt gemeten vanuit de buitenste kantstreep van de rijbaan.
De beheerzone ligt op een kleinere afstand dan de vrijwaringszone en is derhalve niet opgenomen. In titel 2.7 van het Barro is bepaald dat langs hoofdwegen of delen daarvan een reserveringsgebied kan worden aangewezen ten behoeve van mogelijke toekomstige wegverbredingen en ten behoeve van nieuw aan te leggen hoofdwegen en landelijke spoorwegen. De mogelijke toekomstige wegverbredingen alsmede nieuwe verbindingen blijken uit de SVIR. De specifieke reserveringsgebieden zijn aangewezen in het Rarro. De hoofdwegen of delen daarvan waarvan een reserveringsgebied geldt ten behoeve van de uitbreiding van hoofdwegen zijn weergegeven op de overzichtskaart in bijlage 16 van het Rarro. Uit de legenda van de overzichtskaart is af te leiden hoeveel rijkstroken per project worden aangelegd. De maximale breedte van de reserveringsgebieden blijkt uit artikel 2.7.2. tweede lid van het Barro. De gebieden waarvoor een reserveringsgebied geldt ten behoeve van de aanleg van nieuwe infrastructuur zijn opgesomd in bijlage 17 en weergegeven op detailkaarten van bijlage 17 van het Rarro. Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan heeft weliswaar betrekking op de Rijksweg A27 en A59, maar de wegdelen die binnen het plangebied liggen zijn niet opgenomen op de detailkaarten van bijlage 16 of bijlage 17 van het Rarro.
In het voorliggende bestemmingsplan wordt daarom geen rekening gehouden met een eventuele verbreding van de rijkswegen. Binnen de gemeente Oosterhout zijn geen spoorwegen van nationaalbelang gelegen. 24
Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen. In titel 2.9 van het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling tracés voor een buisleidingenstrook worden aangewezen. De aanwijzing van de voorkeurstracés in de Rarro vormt samen met de bepalingen in titel 2.9 van het Barro de juridische doorvertaling van de Structuurvisie Buisleidingen naar onder andere gemeenten. Deze zogeheten voorkeurstracés dienen voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit zijn buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over lange afstand die behoren tot een landelijk hoofdnetwerk van leidingen dat in de Structuurvisie Buisleidingen is aangemerkt als zijnde van nationaal belang. De buisleidingen van nationaal belang zijn bestemd voor het vervoer van aardgas en andere stoffen, die op grond van de Regeling externe veiligheid buisleidingen (hierna: Revb) zijn aangewezen als gevaarlijke stoffen waarop het Besluit externe veiligheid buisleidingen (hierna: Bevb) van toepassing is. Ter plaatse van een voorkeurstracé mogen gemeenten bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten toestaan die het leggen van een buisleiding in een buisleidingenstrook kunnen belemmeren.
Hiermee wordt zeker gesteld dat ook in de toekomst ruimte beschikbaar blijft om doorgaande buisleidingverbindingen die van nationaal belang zijn te realiseren. De ligging van de voorkeurstracés is reeds vastgelegd in de Structuurvisie Buisleidingen 2012–2035 op de zogeheten visiekaart (zie figuur 7.1 in de Structuurvisie Buisleidingen) die in meer detail is weergegeven als kaart 13, voorkeurstracés buisleidingen van de Rarro.
De breedte van een voorkeurstracé bedraagt in de regel 70 meter. Door de reeds aanwezige bebouwing en infrastructuur varieert de breedte van het voorkeurstracé binnen het plangebied tussen de 40 en 70 meter. Het smalste deel van het tracé is gelegen op het bedrijventerrein Weststad. Samen met de voorkeurstracés voor de buisleidingenstroken is ook een zoekgebied vastgesteld van 250 meter aan weerszijden van een tracé. Op grond van titel 2.9 van het Barro kunnen gemeenten binnen dit zoekgebied een voorkeurstracé nader uitwerken en zo de ligging van het tracé voor de buisleidingenstrook optimaliseren. Binnen de gemeente Oosterhout zijn geen plannen om nieuwe buisleidingen aan te leggen, om deze reden is de ligging van de bestaande leidingen overgenomen en is er geen zoekgebied opgenomen. Defensie Artikel 2.6.2 van het Barro geeft in combinatie met de Rarro aan welke objecten, in bezit of gebruik van Defensie, noodzakelijk zijn voor een goed functioneren van de krijgsmacht. Het plangebied is voor een klein gedeelte (zuidoostelijk) gelegen in het obstakelbeheergebied van het militaire luchtvaartterrein Gilze-Rijen. Een obstakelbeheergebied bij een (militair) luchtvaartterrein kenmerkt zich door - gezien vanuit het vliegveld - een aantal vlakken waarvan de hoogte oploopt met het toenemen van de afstand tot het luchtvaartterrein.
In het gebied gelden beperkingen ten aanzien van de hoogte van objecten. Het obstakelbeheergebied is een samenstelling van de funnel van het 'Inner Horizontal and Conical 25
Surface', die beide zijn gekoppeld aan de ligging van de start- en landingsbaan(banen) ter waarborging van veilige vliegprocedures voor startende en landende vliegtuigen, alsmede vlakken die verband houden met het goed functioneren van het Instrument Landing Systeem en eventuele andere aanwezige navigatiemiddelen. Concreet betekent dit dat binnen het obstakelbeheergebied een hoogte voor objecten van maximaal 162,5 meter (gemeten vanaf N.A.P.) mag gelden. De maximale toegestane bouwhoogte in het plangebied is lager dan de toegestane hoogte is in het kader van het obstakelbeheergebied. De belangen van Defensie m.b.t. veiligheid voor startende en landende vliegtuigen worden met dit bestemmingsplan niet geschaad. De Nederlandse staat heeft acht essentiële militaire radarstations in gebruik waarmee een radarbeeld van het Nederlands luchtruim wordt opgebouwd voor de beveiliging van het nationale luchtruim en voor de veilige afhandeling van het militaire en het burgerluchtverkeer. Radarsystemen dienen ‘vrij zicht’ te hebben om goed te kunnen functioneren. Bij de vaststelling van bestemmingsplannen moet zeker zijn gesteld dat de radars een goed beeld van het luchtruim behouden en dat dat beeld niet in onaanvaardbare mate wordt verstoord door hoge objecten. Het gehele plangebied valt binnen het ‘Radarverstoringsgebied windturbines 90 meter t.o.v.
NAP’ en het ‘Radarverstoringsgebied maximale hoogte 113 meter t.o.v. NAP’. De maximale toegestane hoogte in het plangebied is, met uitzondering van de aanwezige windturbines op Weststad, lager dan de maximale toegestane hoogte van 113 meter voor objecten en 90 meter voor de tippen van de wieken van Windturbines. De aanwezige windturbines hebben een ashoogte van 100 meter en een rotordiameter van 90 meter. De tiphoogte van de betreffende windturbines bedraagt 145 meter. Omdat het een bestaande en vergunde situatie betreft, waarvoor toentertijd goedkeuring is verleend door defensie worden er geen belangen geschaad. Toetsing bestemmingsplan • Het plangebied raakt vier van de veertien nationale belangen, het betreffen; Rijksvaarwegen (Wilhelminakanaal), Hoofdwegen en spoorwegen (A27/A59), defensie en buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen. • Het Wilhelminakanaal is aangemerkt als Rijksvaarweg, conform het rijksbeleid is in het bestemmingsplan een vrijwaringszone van 25 meter aan weerzijde van het kanaal opgenomen. Deze zone is als ‘vrijwaringszone – vaarweg’ opgenomen op de verbeelding. • De A27 en A59 zijn Rijkswegen, conform het rijksbeleid is in het bestemmingsplan rekening gehouden met een beheerzone/vrijwaringszone van 50 meter. Deze zone is als vrijwaringszone – rijksweg’ opgenomen.
• Binnen het plangebied is een buisleidingenstrook en een voorkeurstracé voor buisleidingen opgenomen. In het voorliggende bestemmingsplan is de ligging van de bestaande buisleidingen en het voorkeurstracé vastgelegd. • Het plangebied is voor een klein gedeelte (zuidoostelijk) gelegen in het obstakelbeheergebied van het militaire luchtvaartterrein Gilze-Rijen. De maximale toegestane bouwhoogte in het plangebied is lager dan de toegestane hoogte is in het kader van het obstakelbeheergebied. Er is daarom geen afzonderlijke regeling in het bestemmingsplan opgenomen. • Het gehele plangebied valt binnen het ‘Radarverstoringsgebied windturbines 90 meter t.o.v. NAP’ en het ‘Radarverstoringsgebied maximale hoogte 113 meter t.o.v. NAP’. De maximale toegestane hoogte in het plangebied is, met uitzondering van de aanwezige windturbines op Weststad, lager dan de maximale toegestane hoogte van 113 meter voor objecten en 90 meter voor de tippen van de wieken van Windturbines. Er is daarom geen afzonderlijke regeling in het bestemmingsplan opgenomen. De aanwezige windturbines hebben een ashoogte van 100 meter en een rotordiameter van 90 meter (tiphoogte is 145 meter). Hiervoor is toestemming verleent door defensie en deze maximale hoogte van de windturbines zijn vastgelegd in het bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan is conform het geldende rijksbeleid.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Het doel van de 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' (de 'Ladder') is het bewerkstelligen van een zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en
26
transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de NOVI binnen een breder kader van een goed systeem van ruimtelijke ordening. Indien bij een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, dient daarvoor op grond van de Ladder een verantwoording te worden gegeven. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt heeft zodoende: • Een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling; • En, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Toetsing bestemmingsplan Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk. Het is een consoliderend plan, gebaseerd op bestaande rechten. Een toets aan de ladder is dan ook niet aan de orde.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord-Brabant 'De kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving' vastgesteld. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wil daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: • • • •
Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie.
Deze vier hoofdopgaven staan ten dienste van de basisopgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken. Toetsing bestemmingsplan Aangezien geen grootschalige inhoudelijke wijzigingen worden doorgevoerd, is toetsing aan de Omgevingsvisie Noord-Brabant niet noodzakelijk. 3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov) vastgesteld. Welke op 11 maart 2022 is geactualiseerd. De Iov is een planologische verordening waarin eisen gesteld worden aan de door de gemeente op te stellen ruimtelijke plannen en vormt een direct toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen. In de Iov zijn regels opgenomen waarvan de provincie het belangrijk vindt dat die door iedere gemeente worden toegepast bij ruimtelijke besluiten.
De onderwerpen die in de Iov staan, vinden hun basis in de in december 2018 vastgestelde Brabantse omgevingsvisie. De omgevingsvisie formuleert een vijftal hoofdopgaven en ambities voor 2050 gericht op het bereiken van een gezond en veilig Brabant met een goede omgevingskwaliteit. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies, die zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Iov. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waar een plangebied in is gelegen. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet de gemeenteraad de regels uit de Iov toepassen.
27
De Interim Omgevingsverordening blijft van kracht totdat de Omgevingswet in gaat, daarna wordt deze vervangen door de Omgevingsverordening. Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied. In deze gebieden is voor bedrijventerreinen artikel 3.5, lid 3 van toepassing. Hierin wordt bepaald dat een bestemmingsplan regelt: a. een bij de aard van het bedrijventerrein en de toe te laten functies passende kavelomvang; b. het beperken van ontwikkelingen die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, waaronder: 1. bedrijfswoningen; 2. bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden tenzij deze bedrijven conceptversterkend werken en geclusterd worden; 3. voorzieningen die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden tenzij deze concept-versterkend werken en geclusterd worden. Toetsing bestemmingsplan Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het is een consoliderend plan, gebaseerd op bestaande rechten. Deze bestaande rechten voorzien onder andere in een passende kavelvorm en het tegengaan van ontwikkelingen die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken. Bestaande rechten die een effectief gebruik van het bedrijventerrein kunnen beperken (zoals een bedrijfswoning) zijn behouden.
Nu de verordening spreekt over “ontwikkelingen”, niet bestaande rechten, en het bestemmingsplan voorziet in regels die toevoeging van burgerwoningen onmogelijk maken, voldoet het bestemmingsplan aan de Iov. Logischerwijs zullen nieuwe ontwikkelingen (lees; afwijking van de bestaande rechten, zoals opgenomen in dit bestemmingsplan) worden getoetst aan de Interim omgevingsverordening en de daarbij gemaakte regionale afspraken voor Detailhandel (2017), kantoren (2017) en bedrijventerreinen (2021) en mogelijke toekomstige actualisaties daarvan of aanvullingen daarop.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Oosterhout De gemeente heeft 23 november 2021 de Omgevingsvisie Oosterhout vastgesteld. In deze visie zijn in samenspraak met inwoners de belangrijkste opgaven voor Oosterhout benoemd. Opgaven waar de gemeente Oosterhout samen met de dorpen, wijken en buurten verder invulling aan gaat geven. In deze visie worden de opgaven geconcretiseerd en uitgewerkt, zowel naar thema’s als naar de verschillende wijken en gebieden binnen de gemeente. Hierdoor ontstaat een overzicht en een samenhangend beeld over welke opgaven er liggen om te komen tot het in de Oosterhoutse ‘’Toekomstvisie 2030’’ geschetste toekomstperspectief. Naast de Toekomstvisie liggen ook het gemeentelijk beleid, opgaven voortvloeiend uit (nieuwe) wet- en regelgeving en nieuwe maatschappelijke opgaven (zoals de energietransitie) aan de basis van deze Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie nodigt uit, inspireert en geeft de kaders om ontwikkelingen op een Oosterhoutse wijze plaats te laten vinden. De Omgevingsvisie wordt gebruikt om te ‘toetsen’ of ontwikkelingen die op de gemeente afkomen, bijdragen aan de Oosterhoutse ambities.
Voor de gemeente Oosterhout zijn de volgende koepelthema’s van belang: • Leefbaar, gezond en aantrekkelijk wonen; • Economische vitaliteit; • Identiteit en ruimtelijke kwaliteit; • Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig; • Bereikbaarheid, mobiliteit en toegankelijkheid.
28
Bij het voorliggende bestemmingsplan is rekening gehouden met de Omgevingsvisie Oosterhout. Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de deelgebieden ‘Bedrijventerreinen Weststad I, II en III’, ‘Bedrijventerreinen Everdenberg (oost), Vijf eiken & Heihoef’ en ‘Dommelbergen (incl. bedrijventerrein Statendam-Noord)’. De visie beschrijft voor de diverse gebieden een aantal opgaven. Voor alle grote bedrijventerreinen (paarse gebieden in bovenstaande kaarten) zijn de volgende opgaven geformuleerd: • Juiste bedrijf op de juiste plek; • Verbreden van samenwerking tussen bedrijven; • Aandacht voor kwaliteitsbehoud; • Aandacht voor hittestress; • Aandacht multimodale bereikbaarheid (weg, water en spoor); • Vergroening, groen en water als meekoppelkans; • Energieneutraal en klimaatbestendig; • Bereikbaarheid OV verbeteren; • Fietsgebruik bevorderen. Voor het Bedrijventerrein Weststad I, II en III geldt aanvullend: • Aandacht voor buitendijkse ligging; • Aandacht voor parkeren. Toetsing bestemmingsplan Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het is een consoliderend plan, gebaseerd op bestaande rechten. Deze rechten die zijn overgenomen in dit bestemmingsplan vormen geen belemmeringen voor het behalen van de genoemde doelstellingen. Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie Oosterhout.
3.4 Nieuwe ontwikkelingen Zoals blijkt uit deze toelichting op het bestemmingsplan, is dit een consoliderend plan, gebaseerd op bestaande rechten. Het plan betreft een herziening van een aantal verouderde bestemmingsplannen, waarbij het juridisch-planologisch regime is geactualiseerd. De bestaande (legale) situatie is positief bestemd. Desalniettemin kan ervoor gekozen worden om bepaalde nieuwe ontwikkelingen mee te nemen in het bestemmingsplan. Dit gebeurt alleen, indien een ontwikkeling voldoende concreet is en indien hiervoor alle noodzakelijke onderzoeken zijn verricht en akkoord bevonden en een ruimtelijke onderbouwing is opgesteld en goedgekeurd. Veelal betreft het redelijk kleinschalige en niet verstrekkende ontwikkelingen. Voor wat betreft het plangebied waarvoor dit bestemmingsplan is opgesteld, zijn geen nieuwe ontwikkelingen meegenomen. 29
HOOFDSTUK 4 Omgevingsaspecten 4.1 Leefomgeving 4.1.1 Economie Detailhandelsvisie De gemeenteraad heeft op 27 juni 2017 de detailhandelsvisie Oosterhout vastgesteld. De detailhandelsvisie geeft duidelijkheid over het toekomstperspectief en de positionering van de verschillende winkelgebieden in de gemeente en dient tevens als toetsingskader om nieuwe detailhandelsinitiatieven te kunnen beoordelen. Met de visie worden de volgende ambities nagestreefd: • Het bieden van een goede verzorging voor de lokale consument; • Het aantrekken van bezoekers van buiten de gemeente; • Het scheppen van een goed klimaat voor bestaande en ‘nieuwe winkeliers. De detailhandel in Oosterhout heeft voornamelijk een lokale verzorgingsfunctie en kent in beperkte mate een (sub) regionale verzorgende functie. De detailhandelsstructuur van Oosterhout wordt gezien als een sterke en voor de toekomst kansrijke structuur en kent een sterk hiërarchische opbouw. Binnen de detailhandelsstructuur wordt onderscheid gemaakt naar de volgende winkelgebieden: • Het hoofdwinkelgebied, de binnenstad; • Wijkwinkelcentrum; • Supermarktcentra en solitaire supermarkten; • PDV-locatie. In de visie worden de winkelgebieden op hoofdlijnen beschreven en worden uitgangspunten voor een toekomstperspectief per winkelgebied geschetst.
Toetsing bestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan heeft geen betrekking op de gebieden zoals genoemd in de detailhandelsvisie. Binnen het plangebied komen echter wel enkele zelfstandige detailhandelsvestigingen voor, het betreft een tuincentrum, een scooterhandel en enkele locaties waar automaterialen verkocht worden. Deze mogelijkheden zijn legaal verkregen, en een onherroepelijk recht. Daar waar sprake zou zijn van enige strijdigheid met de detailhandelsvisie, is deze niet dusdanig dat dit onherroepelijk recht moet worden wegbestemd (afgenomen). Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die strijdig zijn met de detailhandelsvisie. 4.1.2 Verkeer 4.1.2.1 Mobiliteitsvisie ‘Oosterhout Vooruit’ Het verkeers- en vervoerbeleid van de gemeente Oosterhout ligt vast in de mobiliteitsvisie “Oosterhout Vooruit”. Deze is op 21 mei 2019 vastgesteld door de gemeenteraad. De mobiliteitsvisie geeft een beschrijving van de huidige situatie en schetst een toekomstbeeld 2030. Daarbij worden de ambities voortvloeiend uit de toekomstvisie en het bestuursakkoord belicht alsmede lokale en regionale ontwikkelingen en autonome trends die van invloed (kunnen) zijn op de mobiliteit in Oosterhout. Op basis daarvan wordt in het toekomstbeeld geschetst welke “uitdagingen” er op het gebied van verkeer en vervoer in en rond Oosterhout liggen in 2030.
Het beleid in de mobiliteitsvisie is verwoord in de vorm van doelstellingen op het gebied van bereikbaarheid, leefbaarheid, verkeersveiligheid én duurzaamheid en gezondheid. Deze vier thema’s vormen gezamenlijk de pijlers van de visie. Tevens is besloten om, in lijn met de nieuwe Omgevingswet, een gebiedsgewijze benadering toe te passen, die er op neer komt dat niet alleen op het niveau van de hele gemeente wordt gekeken, maar dat binnen de gemeente ook een aantal typen gebieden wordt onderscheiden met hun eigen profiel, doelstellingen en opgaves. Immers voor een bedrijventerrein zijn andere zaken van belang dan voor de schoolomgeving.
30
Bestemmingsplannen dienen getoetst te worden aan de vier pijlers (Bereikbaarheid, Duurzaamheid, Leefbaarheid en Verkeersveiligheid voor alle modaliteiten (auto, fiets, voetganger, OV). Deze vier pijlers dienen te worden gewaarborgd of te worden verbeterd. Toetsing bestemmingsplan Binnen het plangebied komen zogenaamde “verkeersgebieden” en “verblijfsgebieden” voor. Deze verkeers- en verblijfsgebieden hebben de bestemming ‘Verkeer’ gekregen. Verder liggen er in het plangebied fietsroutes die deel uit maken van zowel primaire, secundaire en recreatieve routes. Deze fietsroutes hebben de bestemming ‘Verkeer’ of ‘Groen’ toegewezen gekregen. Binnen de bestemming ‘Groen’ zijn fietspaden toegestaan. Ten aanzien van het vrachtvervoer heeft het goederenspoor Weststad de bestemming ‘Verkeer-Railverkeer’ toegewezen gekregen. Ten aanzien van het stimuleren van vrachtvervoer per schip zijn de laad- en loskades positief bestemd. Daarnaast zijn nieuwe laad- en loskades op locaties waar de bestemming ‘Bedrijf’ direct grenst aan de bestemming ‘Water’ bij recht toegestaan. Binnen het plangebied komen de themagebieden: woongebieden, scholen, recreatie- en sportvoorzieningen en winkelcentra voor.
De genoemde doelstellingen en opgaven (zowel regionaal/gemeentebreed als thematisch) zijn grotendeels generiek, enkele hebben betrekking op specifieke locaties maar zijn onvoldoende concreet om in de voorliggende regeling in te passen. Veel generieke doelstellingen zijn binnen het voorliggende plan realiseerbaar, maar daar waar de concrete uitwerking zal leiden tot de aanleg van nieuwe infrastructuur of een ingrijpende reconstructie van de bestaande infrastructuur, kan niet worden uitgesloten dat ter zijnde tijd een afzonderlijke ruimtelijke procedure doorlopen zal moeten worden. Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met de mobiliteitsvisie. Bij grootschalige ruimtelijke ingrepen, zoals de aanleg van nieuwe infrastructuur of ingrijpende reconstructie van de bestaande infrastructuur, zal mogelijk een afzonderlijke ruimtelijke procedure doorlopen moeten worden. 4.1.3.2 Nota Parkeernormen Het gemeentelijke parkeerbeleid voor zowel auto’s als fietsen, is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2019’. Deze nota is door de gemeenteraad op 22 mei 2019 vastgesteld. In het beginsel is het uitgangspunt voor de gemeente dat de parkeerbehoefte op eigen terrein of binnen de grenzen van het plangebied gerealiseerd wordt. Toetsing bestemmingsplan 31
Het plangebied van het voorliggende bestemmingplan is gelegen in ‘zone B’ (het gebied buiten het centrum tangent). In zone B dient er blijvend (nu en in de toekomst) voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn om aan de vraag van bewoners te voldoen. De parkeernorm voor Zone B is gebaseerd op het voorziene autobezit en -gebruik van de toekomstige bewoners. In de praktijk betekent dit bij zone B het gemiddelde van de bandbreedte van de parkeerkencijfers van het CROW is aangehouden. In het voorliggende bestemmingsplan is een afzonderlijke regeling opgenomen die een directe relatie legt met het gemeentelijke parkeerbeleid. Deze regeling verplicht het bevoegd gezag om bij het toetsen van omgevingsvergunningen voor het bouwen en het afwijken van de gebruiksregels te onderzoeken of aanvraag omgevingsvergunning voldoet aan het gemeentelijk parkeerbeleid zoals vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2019’.
4.1.3 Duurzaamheid Duurzaamheid is een breed begrip. In een duurzamere wereld wordt gekeken of mens (people), milieu (planet) en economie (profit) met elkaar in evenwicht kunnen zijn, zodat we de aarde niet uitputten. Om te zorgen voor deze balans heeft Nederland zich geconformeerd aan het klimaatakkoord, wat heeft geresulteerd in de Klimaatwet. Dit zorgt voor nieuwe uitdagingen op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling voor een duurzame en gezondere leefomgeving, ook in Oosterhout. Naast het feit dat de gemeente hierin een belangrijke voorbeeldrol en eigen verantwoordelijkheid heeft, willen we het nemen van duurzamere keuzes vooral stimuleren en faciliteren. Daarbij moet er meer ruimte zijn voor eigen initiatieven en eigen verantwoordelijkheid van burgers, bedrijven en belangengroeperingen. Het belangrijkste afwegingskader voor duurzaamheid is, naast wet- en regelgeving, de in 2019 door de gemeenteraad vastgestelde documenten ‘’Ambities voor de energietransitie Oosterhout 2030” en de “Routekaart energietransitie 2019-2022”, alsmede de in 2021 vastgestelde ‘’Transitievisie Warmte – Aardgasvrij Oosterhout’’. Duurzaamheid bestaat voor de gemeente Oosterhout uit drie speerpunten: energietransitie (inclusief warmtetransitie), circulariteit en klimaatadaptatie. 4.1.3.1 Energietransitie De huidige samenleving zorgt voor uitputting van de bestaande energiebronnen (fossiel).
Met de energietransitie werken we aan een samenleving waarin sprake is van duurzaam opgewekte, hernieuwbare energie. Deze transitie is essentieel om de nationale doelstellingen op het gebied van CO2-reductie te behalen. De Klimaatwet zegt ons dat we 49% CO 2 moeten reduceren in 2030 ten opzichte van onze uitstoot in 1990. Ook Oosterhout moet voldoen aan de landelijke doelstellingen. Naast het gebruik van duurzame energie, draagt het verminderen van energieverbruik (isoleren) ook bij aan het reduceren van CO2 uitstoot. De gemeente beoordeelt (ver-)bouwplannen op hun bijdrage aan de lokale, regionale of nationale duurzaamheidsdoelstellingen. Deze doelstellingen zijn verwoord in het ambitie document Energietransitie Oosterhout 2030 en de RES West-Brabant. Het absolute minimum staat beschreven in het Bouwbesluit, waarin naast eisen ten aanzien van de EPC en geluidisolatie, ook eisen ten aanzien van gasloos nieuwbouwwoningen bouwen zijn opgenomen. Sinds januari 2021 is de BENG-eis ingevoerd (Bijna Energie Neutraal Gebouw). De gemeente Oosterhout heeft de ambitie om op het gebied van duurzaamheid een extra inspanning boven op het bouwbesluit te stimuleren. De energietransitie van de gemeente Oosterhout is uitgewerkt in de Transitievisie Warmte.
Transitievisie Warmte – Aardgasvrij Oosterhout Op 22 december 2021 heeft de gemeenteraad de Transitievisie Warmte van Oosterhout (TVW) vastgesteld. In deze TVW maakt de gemeente inzichtelijk wanneer zij welke wijken of buurten van het aardgas afkoppelt en de overstap maakt naar duurzame energiebronnen. In 2050 moeten alle woningen in Oosterhout aardgasvrij zijn. Het tussendoel is: 20% van de bestaande woningvoorraad in 2030 aardgasvrij of aardgasvrij-ready. Daarvoor moeten in Oosterhout ongeveer 5.000 woningen worden aangepakt. De nieuwbouw, die vanaf 2020 al gasloos wordt gerealiseerd, telt hierbij niet mee. Nieuwe (woning)bouw plannen dienen wel aan te sluiten bij de uitgangspunten van de TVW. De transitievisie warmte wordt uiteindelijk uitgewerkt in plannen per wijk of buurt, waarin het proces en de alternatieve energiebronnen worden beschreven. Op dit moment heeft de transitievisie nog geen invloed op onderhavig bestemmingsplan. Zodra de planner per wijk of buurt zijn uitgewerkt, worden de 32
kaders duidelijk waaraan ruimtelijke ontwikkelingen dienen te voldoen. Meer informatie over de transitievisie warmte van de gemeente Oosterhout is te vinden op https://www.oosterhout.nl/inwoners/duurzaamheid/duurzame-warmte. 4.1.3.2 Circulariteit We streven als gemeente naar het bundelen van onze lokale kennis, technologie en innovaties om zo een meer circulaire lokale economie te krijgen. Een circulaire economie draagt bij aan het hergebruik van materialen, producten en diensten in plaats van de vernietiging daarvan. Het gebruik van biobased producten, gemaakt van hernieuwbare grondstoffen, draagt bij aan circulariteit en een duurzame samenleving, en wordt daarom gestimuleerd door de gemeente Oosterhout. 4.1.3.3 Klimaatadaptatie Een veranderd klimaat heeft gevolgen voor de samenleving. Wateroverlast, droogte, hitte en bodemdaling komen in meer of mindere mate regelmatig voor en dat neemt de komende jaren verder toe. Vanuit de landelijke overheid is bepaald dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig moet zijn ingericht. In de ‘Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2016’ (NAS), het Uitvoeringsprogramma NAS en in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) wordt klimaatadaptatie verder uitgelegd. Ook wij streven naar een klimaatbestendig Oosterhout in 2050.
Dit betekent dat onze woningen en de ruimtelijke inrichting aangepast moeten worden zodat ze bestand zijn tegen o.a. hitte, droogte en wateroverlast. Bovendien moet dit ervoor zorgen dat de kwaliteit van de leefomgeving wordt vergroot. De gemeente stelt momenteel beleid op waarin de gevolgen van klimaatverandering inzichtelijk worden gemaakt op ons grondgebied. Dit beleid dient ook als ruimtelijke onderbouwing voor het stellen van toekomstige planregels in het bestemmingsplan. Hierbij ziet de gemeente Oosterhout het programma van eisen uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen en het Manifest Bouwen voor Natuur, beide van de provincie Zuid-Holland, als richtinggevend. Totdat het beleid is vastgesteld verwacht de gemeente Oosterhout dat bij nieuwe ontwikkelingen de uitkomsten van de stresstesten worden meegenomen bij de planvorming. Hierbij mag de nieuwe ontwikkeling de situatie in het plangebied en omliggend gebied voor de thema’s hitte, droogte en wateroverlast niet verergeren t.o.v. de bestaande situatie, en draagt het liefst bij aan het verminderen daarvan. De initiatiefnemer moet in het bestemmingsplan aangeven welke maatregelen genomen worden om het project klimaatbestendig te maken. In paragraaf 4.3.2 (gemeentelijk rioleringsplan) zal meer specifiek worden ingegaan op het thema Water (infiltratie, berging, afvoer, etc.).
Toetsing bestemmingsplan: Het bestemmingsplan is consoliderend van aard, de regels gebaseerd op bestaande, onherroepelijke, planologische rechten. Het duurzaamheidsbeleid (w.o. die ten aanzien van de energietransitie, circulariteit en klimaatadaptatie) voorziet er niet in de doelstellingen te behalen middels het inperken van bestaande planologische rechten (dwingend karakter). De regels in dit bestemmingsplan werpen voor het behalen van de genoemde doelstellingen geen belemmeringen op.
4.2 Groen 4.2.1 Natuurnetwerk Brabant (NNB) Het Natuurnetwerk Brabant is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Het is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden en landbouwgebieden, zoals bijvoorbeeld de Vrachelse Heide en de Boswachterij Dorst in de gemeente Oosterhout, die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Hierdoor kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen tussen verschillende natuurgebieden. Zo wordt de biodiversiteit (het totaal aan verschillende planten en dieren) bevorderd. Maar het Natuurnetwerk is er niet alleen voor planten en dieren, maar ook voor mensen. Mensen genieten, recreëren en ontspannen in de natuur en natuur helpt tegen de gevolgen van klimaatverandering. Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden 33
met goede condities voor de biodiversiteit. Om het NNB als netwerk te laten functioneren, werkt de provincie samen met andere partijen aan het aanleggen van ecologische verbindingszones en het oplossen van faunaknelpunten in de infrastructuur. Dit wordt onder andere bereikt door: • Het concreet aanwijzen van de gebieden die tot het NNB behoren en het vastleggen van de natuurdoelen (bepalen); • Voor zover nodig functiewijziging van landbouwgrond en ander niet-natuurgebruik naar natuurgebied door aankoop of particulier natuurbeheer (deelname). Bij het opstellen van een bestemmingsplan zijn gemeenten verplicht aansluiting te zoeken bij de wezenlijke ecologische kenmerken en waarden die in het natuurbeheerplan zijn beschreven. Deze waarden en kenmerken zijn per gebied vastgelegd in een beheertypenkaart en in een ambitiekaart. Zolang er geen sprake is van een significante aantasting, is er vanwege het NNB geen grond om de activiteit tegen te houden. Als er aantasting van waarden optreedt, geldt dat de negatieve effecten als gevolg van de verstoring, waar mogelijk, worden voorkomen en beperkt. Als dat niet mogelijk is, moet de aantasting worden gecompenseerd. Hiervan kan ook sprake zijn, indien er ontwikkelingen van buiten de NNB, effect hebben op de NNB (zogenaamde “externe werking”). Voor het compenseren zijn er regels gesteld in de provinciale interim-Verordening ruimte.
De gemeente vindt het van belang compensatie te laten landen binnen de gemeente grenzen zodat de kwaliteit van de leefomgeving netto niet verslechterd. Toetsing bestemmingsplan Het bestemmingsplan omvat geen NNB gebieden en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, ook is er geen sprake is van een zogenaamde externe werking op nabijgelegen NNB. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan het NNB-beleid. 4.2.2 Gemeentelijk groen beleid In Oosterhout is in de woonbuurten per woning gemiddeld 115m2 openbaar groen aanwezig. Op basis van dit gemiddelde kan worden gesteld dat Oosterhout een groene gemeente is. Omdat Oosterhout een groene gemeente wil blijven, streeft de gemeente Oosterhout naar een gemiddelde norm van 115m² openbaar groen per woning in de woonbuurten en kernen en 1,04 boom per woning. In het politiek akkoord is het groene karakter van Oosterhout ook benoemd als kernwaarde van de stad. Het is een kenmerk waarmee Oosterhout zich onderscheidt van andere gemeenten. Doel van groenbeleid in algemene zin is daarom de instandhouding en verbetering van deze groene kwaliteit. De bijbehorende uitvoeringssporen zijn bescherming en ontwikkeling. Bescherming van het aanwezige groen in de stad gaat vooraf aan compensatie. Compensatie is immers het herstellen van of goedmaken voor iets dat verloren is gegaan. De ontwikkeling van groen gebeurt door koppelkansen.
Onder andere bij herinrichting van het openbaar gebied (bijvoorbeeld bij aanpassingen aan de riolering) en bij (her)ontwikkeling van locaties. Toetsing bestemmingsplan: Het bestemmingsplan is consoliderend van aard, gebaseerd op bestaande, onherroepelijke planologische rechten. Het groenbeleid voorziet er niet in de doelstellingen te behalen middels het inperken van bestaande planologische rechten (dwingend karakter). De regels in dit bestemmingsplan werpen voor het behalen van de genoemde doelstellingen geen belemmeringen op. Bestaande groenstructuren hebben een passende bestemming gekregen gericht op de instandhouding van deze groenstructuren. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, waarmee het aspect groenontwikkeling via koppelkansen niet relevant is. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan het groenbeleid.
4.2.2.1 Bescherming (monumentale) bomen De gemeente Oosterhout regelt het behoud van bomen via het bestemmingsplan en de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Ingevolge de APV geldt een velvergunningsplicht voor bomen met een monumentale status en bomen op gemeentegrond. Daarnaast zijn in het bestemmingsplan regels opgenomen die toezien op het behoud van monumentale bomen. Daar waar de APV zich richt op de
34
boom zelf. Richt het bestemmingsplan zich meer op de omgeving van de boom, die van invloed kunnen zijn op de conditie en levensduur van de boom. Toetsing bestemmingsplan In het plangebied komen enkele monumentale bomen voor. Deze bomen hebben in het bestemmingsplan een (conform het handboek bestemmingsplannen Oosterhout) passende bestemmingsregeling gekregen gericht op behoud van deze bomen door regels te stellen aan de omgeving van de boom.
4.3 Water 4.3.1 Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken, beheer van vaarwegen en nautisch beheer. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. De doelstellingen en ambities van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het bestuur geeft in dit programma de koers aan voor de komende zes jaar. In het Waterbeheerprogramma staan de volgende kerntaken van het waterschap centraal: (1) Zorgen voor voldoende en schoon water voor natuur en landbouw; (2) bescherming tegen overstromingen en (3) het zuiveren van afvalwater. In Waterbeheerprogramma is aangegeven dat het waterschap aan een beter watersysteem werkt, voor mensen en voor flora en fauna. Het watersysteem moet robuuster worden: veiliger, minder kwetsbaar voor regenval en droogte, schoner, natuurlijker en beter toegankelijk voor recreanten. Deze thema’s pakt het waterschap in samenhang aan, omdat een integrale aanpak meerwaarde oplevert voor het resultaat.
Het waterschap heeft waar nodig toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en een eigen verordening; de Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij de uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren.
De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. De drempelwaarde die het waterschap hanteert voor het nemen van compenserende maatregelen bij een toename aan verhard oppervlak is per 1 april 2021 gewijzigd van 2000 m2 naar 500 m2. De gedachtegang hierachter is het steeds grotere belang om water vast te moeten houden, vanwege de toename aan (langdurig) droge perioden. Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Door middel van de verplichte watertoets ziet het waterschap toe op de uitvoering van hun beleid. Hiermee wordt gewaarborgd dat bij nieuwe ontwikkelingen het waterbeheer wordt meegenomen.
35
4.3.2 Water- en rioleringsplan In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Hierin zijn de verantwoordelijkheden vastgelegd ten behoeve van afval-, hemel- en grondwater. In grote lijnen betekent dit dat de gemeente een ontvangstplicht heeft van afvalwater (vervuild water) en een zorgplicht voor grond- en hemelwater. Daarnaast hebben de individuele perceeleigenaren een eigen verantwoordelijkheid voor het inzamelen en afvoeren van afvalwater en het verwerken van regen- en grondwater op het eigen perceel. De gemeenteraad heeft een water- en rioleringsplan vastgesteld. Hierin staat hoe de gemeente omgaat met alle waterstromen binnen de gemeente en de zorgplichten vanuit de Waterwet. De belangrijke uitgangspunten in het water- en rioleringsplan voor het water in Oosterhout zijn: schoon water schoon houden, handhaving van de waterkwaliteit en waar noodzakelijk verbeteren, voldoen aan de normen voor volksgezondheid en veiligheid en ontwikkeling van natuur in en om het water waar mogelijk. Bovenstaande betekent dat de verschillende vormen van grondgebruik afgestemd moeten worden op de aanwezige watersystemen. Dit met een toekomstgerichte aanpak/doorkijk met name op het gebied van het klimaat.
Intensievere regenbuien kunnen enorme wateroverlast veroorzaken en de in het gemeentelijk grondgebied aanwezige grondwaterwinning voor de drinkwaterproductie kunnen vervuild raken door lozingen van schadelijke stoffen. Ook hiervoor is aandacht binnen het water- en rioleringsplan. De landelijke voorkeursvolgorde infiltreren-bergen-afvoeren wordt daarom in de Gemeente Oosterhout ook aangehouden om schade bij regenwateroverlast en periodes van droogte te voorkomen of toch in ieder geval te beperken. Waarbij rekening gehouden moet worden met de onderstaande regenbuien als norm: • •
Bij 40 mm regen per uur geen water op straat vanuit ondergrondse voorzieningen (infiltratiekratten, waterbergende funderingen, enzovoort) Bij 70 mm regen per uur geen inundatie vanuit open voorziening (wadi, sloot, enzovoort)
Bij nieuwbouw geldt dat alle afvoerend verhard oppervlak (inclusief oppervlak van een open voorziening) meetelt in de te verwerken hoeveelheid regenwater. Dit ongeacht de hoeveelheid bestaand verhard oppervlak. 4.3.2.1 Afvalwaterverordening Om aan de beleidsdoelstellingen te voldoen zijn er uitgangspunten, normen en regels nodig. In de afvalwaterverordening staat welke regels en normen er gelden voor het lozen van afvalwater en het aansluiten op een vuilwaterriool. Alle percelen waarop afvalwater vrijkomt worden aangesloten op het openbaar riool. Per woning of bedrijfspand wordt er in principe één perceelaansluiting voor afvalwater aangelegd. In de Wet Milieubeheer staat dat de gemeente een inzamelplicht heeft van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsmatig afvalwater valt hier niet onder. De gemeente wil bedrijven echter wel faciliteren mits het voldoet aan enkele voorwaarden. Bedrijfsmatig afvalwater mag worden afgevoerd naar het openbaar riool mits de samenstelling van het te lozen water overeenkomt met huishoudelijk afvalwater en de afvoercapaciteit van het gemeentelijk riool voldoende is. In het geval van nieuwbouw of bij toename van de afvoercapaciteit kan een bergingsvoorziening voorgeschreven worden. Ook is in de afvalwaterverordening de procedure voor het aanvragen van een aansluiting op het gemeentelijk riool vastgelegd.
Hierbij zal ook een toets plaatsvinden op de vastgelegde normen en regels, alvorens door de gemeente (maar op kosten van aanvrager) wordt aangesloten op het gemeentelijk riool. Toetsing bestemmingsplan Het bestemmingsplan is consoliderend van aard, gebaseerd op bestaande, onherroepelijke planologische rechten. Het waterbeleid voorziet er niet in de doelstellingen te behalen middels het inperken van bestaande planologische rechten (dwingend karakter). Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Daarmee zijn de aspecten van het waterbeleid die daarop betrekking hebben, niet van toepassing. Daarnaast werpen de regels in dit bestemmingsplan voor het behalen van de genoemde doelstellingen geen belemmeringen op. Wel zijn er regels gesteld die het