bijlage 2 OBP 'Bedrijventerreinen Oosterhout 2022'
Tekst van het document
36
functioneren van het gehele watersysteem moet borgen. Bestaand oppervlaktewateren zoals het Wilhelminakanaal, zandwinputten, vijverpartijen, en A-watergangen hebben in het bestemmingsplan hiertoe de bestemming ‘Water’ toegewezen gekregen. De aanwezige primaire waterkeringen een dubbelbestemming “Waterstaat – Waterkering”. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan het beleid. Hetgeen ook blijkt uit de reactie van het waterschap die zij in het kader van het wettelijk verplicht vooroverleg hebben afgegeven.
4.4 Cultuur 4.4.1 Erfgoedwet De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Het voornaamste doel is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Ieder nieuw bestemmingplan moet een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.4.1.1 Archeologie Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd in de Erfgoedwet.
Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming.
37
4.4.2 Provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.
4.4.3 Gemeentelijke beleidsnota Cultuurhistorie, Monumenten en Archeologie In de beleidsnota Cultuurhistorie, Monumenten en Archeologie 2008-2018, welke op 20 januari 2009 is vastgesteld, is het gemeentelijk beleid op het gebied van cultuurhistorie vastgelegd. Hoewel de termijn verlopen is, werkt de gemeente Oosterhout nog steeds in lijn met deze nota en de nota blijft het toetsingskader. Het doel van de beleidsnota is het betrekken van cultuurhistorie bij planvorming, zodat archeologische vindplaatsen en cultuurhistorisch waardevolle structuren niet langer verloren gaan. Centraal in de beleidsnota staat, in lijn met de Nota Belvedere, de opvatting dat bescherming van 38
cultuurhistorisch erfgoed en dynamiek in de ruimtelijke inrichting prima samen kunnen gaan (‘behoud door ontwikkeling’). De nota geeft daarnaast een eerste aanzet om te komen tot een gemeentelijk archeologiebeleid. In de nota is vastgelegd hoe de monumenten, archeologie en cultuurhistorische waarden kunnen worden beschermd, ontwikkeld en zichtbaar gemaakt. Cultuurhistorie dient als volwaardig belang te worden meegenomen bij ruimtelijke inrichtingsplannen. Cultuurhistorische waarden hoeven hierbij niet altijd doorslaggevend te zijn, maar de kansen die cultuurhistorie biedt, moeten reeds in een vroeg stadium worden meegewogen in de planvorming. 4.4.3.1 Erfgoedkaart Om de aanwezige cultuurhistorische waarden (monumentale gebouwen, archeologische terreinen, cultuurhistorische landschapselementen en historische stedenbouwkundige structuren en infrastructuur) in beeld te brengen, is een gemeentelijke erfgoedkaart vervaardigd, die met name een signalerende functie heeft. Hierdoor wordt een integrale afweging mogelijk. Op basis van de erfgoedkaart, kunnen cultuurhistorisch en archeologisch waardevolle gebieden in bestemmingsplannen een passende regeling krijgen. Op basis van de Erfgoedkaart is een vigerend gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld (Erfgoedverordening met archeologische beleidskaart).
Dat het gebied rond Weststad 3 een lange bewoningsgeschiedenis kent, bleek tijdens een reeks archeologische onderzoeken die van 1999 tot en met 2001 door de gemeente werden uitgevoerd om de aanleg van het bedrijventerrein mogelijk te maken. Daarbij werden onder andere een huisplattegrond uit de late Bronstijd (ca. 800 v. Chr.) en twee huisplattegronden uit de volle middeleeuwen (1000-1200 na Chr.) aangetroffen. Ter plaatse werd tevens een aantal interessante vondsten gedaan, waaronder een mes, een zeer goed bewaarde vuurstenen bijl en een bronzen speerpunt. De aangetroffen nederzettingsresten vormen een onderdeel van een landelijke laatmiddeleeuwse nederzetting. Deze was gelegen op een kleine dekzandrug die vanaf de Houtse akkers naar Geertruidenberg liep. Het gebouw uit de bronstijd heeft onderdeel uitgemaakt van een groter boerenerf waar tenminste één familie heeft gewoond. De verhoging waarop Steelhoven lag werd dus al vroeg benut als woonplaats. Gedurende de late middeleeuwen werd het landschap echter natter en voldeed de dekzandrug niet langer als woonplaats. Om niet al te natte voeten te krijgen tijdens de tocht naar Geertruidenberg en terug, legde men toen de eerste "Steelhovense Dijk" aan. Later zou het aanzien van deze dijk nog veranderen, onder andere door de aanleg van een schans als onderdeel van de vesting Geertruidenberg in de Tachtigjarige oorlog en daarna.
Veel middeleeuwse en oudere bewoningssporen werden destijds al vergraven. Hieronder ook de nederzetting Steelhoven die nu schuil gaat onder de resten van de vestingwerken en de latere kastuinbouw. Alleen de naam van het benzinestation doet nog herinneren aan dit dorp. Archeologische waarden en verwachtingen Ten behoeve van het vaststellen van de archeologische (verwachting) waarde van het plangebied is de Erfgoedkaart, kaartlaag Archeologische beleidskaart van de gemeente Oosterhout geraadpleegd. Binnen het plangebied zijn liggen zones van zowel lage als middelhoge verwachtingswaarde.
39
Bedrijventerreinen Weststad-Statendam
Bedrijventerreinen Everdenberg en Vijf Eiken
Voor gebieden met lage verwachtingswaarde zijn bodemingrepen in principe toegestaan. Archeologisch onderzoek is uitsluitend noodzakelijk bij ontgrondingen en/of MER-plichtige projecten en/of projecten met een planoppervlak van 5 hectare of meer. Wel geldt voor deze gebieden de meldingsplicht bij het aantreffen van Archeologische vondsten overeenkomstig artikel 5.10 uit de Erfgoedwet 2016. Voor gebieden met middelhoge verwachtingswaarde zijn bodemingrepen in principe niet toegestaan. Indien een ingreep dieper gaat dan 0,5 meter en een planoppervlakte heeft van 100 m2 of meer, is een aanlegvergunning verplicht. Het college stelt de bepalingen in de aanlegvergunning vast en het ‘de verstoorder betaalt’ is onverminderd van toepassing. Onderdeel van de te volgen procedure is een door de initiatiefnemer te overleggen goedgekeurd rapport ten aanzien van het aspect archeologie en een negatief selectie advies van het B&W. In het noorden van het plangebied, net ten zuiden van de A59, ter plaatse van het Innovatiepark, is een gemeentelijk archeologisch monument (monumentnr. 2002-03) gelegen. Dit terrein werd aangewezen na de onderzoeken van 1999 – 2001. Het terrein van het archeologisch monument bevat een laatmiddeleeuws dijkfragment dat verwijst naar de inpoldering van het gebied. Tijdens de Sint Elisabethsvloed in het begin van de 15de eeuw is het gehele gebied ondergelopen.
In de 17de en 18de eeuw kon door ontwatering en bedijking het gebied weer in gebruik worden genomen. Voor dit gemeentelijk monument gelden de bepalingen uit de gemeentelijke Erfgoedverordening. Historische-geografische elementen en structuren Binnen het plangebied komen geen elementen voor die aangewezen zijn als waardevol landschap, nederzetting of gebied met een waardevolle gebruiksfunctie. Door de ontwikkeling van de bedrijventerreinen zijn deze structuren niet meer zichtbaar. Infrastructuur is echter het meest vaste landschapselement; veel bestaande wegen hebben een oude oorsprong. In de loop van tijd zijn deze wegen wel veranderd in uiterlijk, veel wegen zijn verhard en in een aantal gevallen verbreed. Hoewel het uiterlijk van de wegen gewijzigd is, vertelt de ligging ervan nog veel over de ontwikkeling van het landschap. Enkele voorbeelden van historische wegen met een redelijk hoge historisch-geografische waarde zijn de Stelvense weg en de Vijf Eikenweg. Historische groenstructuren en zichtlijnen Binnen het plangebied komen geen historische groenstructuren en zichtlijnen voor. Historische stedenbouw Binnen het plangebied komen geen historische stedenbouwkundige elementen voor.
40
Gebouwde rijksmonumenten Binnen het plangebied komen geen gebouwde rijksmonumenten voor. Gebouwde gemeentelijke monumenten Binnen het plangebied bevindt zich één gebouwd gemeentelijk monument (nr 2000-026). Het betreft een Vlaamsche schuur die in oorsprong is gebouwd in de 18de eeuw. Dit gemeentelijke monument ligt aan de het Innovatiepark 1. Toetsing bestemmingplan In het voorliggende plan zijn de aanwezige archeologische en overige cultuurhistorische waarden geïnventariseerd. Vervolgens is beoordeeld in hoeverre de aanwezige archeologische en overige cultuurhistorische waarde een verankering in het bestemmingsplan nodig hebben. De terreinen met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde hebben de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ toegewezen gekregen. Waarbij de opgehoogde terreinen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ hebben gekregen. Terreinen met een lage archeologische verwachtingswaarde hebben conform het erfgoedbeleid geen specifieke regeling toegewezen gekregen. De ligging van het gemeentelijk archeologisch monument is door middel van de functie aanduiding ‘archeologie’ (Arc) op de verbeelding aangegeven. Deze aanduiding heeft enkel een signaleringsfunctie, de monumentale waarde worden beschermd door middel van de gemeentelijke erfgoedverordening.
De ligging van het gemeentelijk gebouwde monument is door middel van de specifieke bouwaanduiding – gemeentelijke monument (sba-gm) op de verbeelding aangeven. Ook deze aanduiding heeft enkel een signaleringsfunctie, de monumentale waarde worden door middel van gemeentelijke erfgoedverordening beschermd. De ligging van de overige historische-geografische elementen en structuren zoals wegen zijn door middel van het toekennen van bestemmingen ‘Groen’ en ‘Verkeer’ ruimtelijke verankerd, binnen deze bestemmingen zijn geen gebouwen en overkappingen toegestaan. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan het beleid voor cultuurhistorie, erfgoed en archeologische waarden.
4.5 Milieu 4.5.1 Luchtkwaliteit Mensen moeten worden beschermd tegen de verontreiniging van de lucht in hun leefomgeving. De basis daarvoor is gegeven in de Wet milieubeheer. Daarin zijn voor een aantal stoffen emissie-eisen (grenswaarden of richtwaarden) gesteld waaraan een plan moet voldoen die één of meer nieuwe activiteiten mogelijk maakt. De belangrijkste stoffen zijn stikstofoxiden (NOx-verbindingen) en fijn stof. Van de laatste zijn de categorie deeltjes met een doorsnede groter dan 10 micrometer (µm; PM10) en groter dan 2,5 micrometer van belang (PM2,5). De bronnen van de verontreiniging zijn het verkeer (uitlaatgassen, stof van remmen en banden), de industrie (verkeer en processen en het wonen (verbranding fossiele brandstoffen en hout). In de Wet is bepaald dat een onderzoek naar de luchtkwaliteit is vereist indien door een plan wijzigingen worden doorgevoerd die verandering brengen in de luchtkwaliteit nabij gevoelige objecten (b.v. woningen). Toetsing bestemmingsplan Met dit plan worden geen nieuwe activiteiten toegestaan. Er is dan geen luchtkwaliteitsonderzoek vereist.
41
4.5.2 Naturbescheming (Stikstof) Natura 2000 Gelet op de Wet natuurbescherming mag een plan alleen worden vastgesteld indien er geen significante gevolgen zijn voor een Natura 2000-gebied. In de buurt van Oosterhout liggen o.a. Natura 2000-gebieden de Biesbosch, Langstraat Waalwijk en Ulvenhoutse bos. Deze gebieden dienen beschermd te worden tegen onder andere stikstofdepositie. Stikstofemissie wordt veroorzaakt door verkeer, mobiele werktuigen, het houden van vee, mest, etc. Als gevolg daarvan kan stikstofdepositie plaatsvinden op grote afstand van de bron. Uit onderzoek in het kader van het Bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) is gebleken dat de Natura 2000-gebieden in de omgeving overbelast zijn voor stikstofdepositie. Dat betekent dat het plan geen toename daarvan mag veroorzaken ten opzichte van de feitelijke, legale (huidige) planologische situatie. Dat geldt voor het gehele grondgebied van Oosterhout. Toetsing bestemmingsplan Het bestemmingsplan is consoliderend van aard, gebaseerd op bestaande, onherroepelijke planologische rechten. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het bestemmingsplan heeft dan ook geen gevolgen voor een Natura 2000 gebied.
4.5.2 Externe Veiligheid De maximale planologische mogelijkheden in het plangebied voor de grote bedrijventerreinen moeten voldoen aan de aspecten van externe veiligheid. Tevens moet er sprake zijn van een aanvaardbaar veiligheidsniveau. Het wettelijk kader wordt gegeven door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Besluit externe veiligheid inrichtingen; en Regeling externe veiligheid inrichtingen), het Besluit externe veiligheid transportroutes (en Regeling basisnet) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (en Regeling externe veiligheid buisleidingen). Daarnaast is het Beleid externe veiligheid 2017 van Oosterhout van toepassing. Externe veiligheid is van belang indien relevante effecten vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen, de risicobron, mogelijk zijn bij te beschermen objecten of terreinen. De laatste worden als (geprojecteerd) (beperkt) kwetsbare objecten aangeduid. Voor de risicobeoordeling zijn de volgende begrippen vooral van belang: a. het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar: risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is; b.
plasbrandaandachtsgebied: gebied waar bij het realiseren van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten rekening dient te worden gehouden met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen; c. groepsrisico: cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is; d. invloedsgebied: gebied waarin volgens bij regeling van Onze Minister gestelde regels personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico; e. minder zelfredzame personen: bijzonder kwetsbare personen, zoals zieken, ouderen, gehandicapten en minderjarigen, als bedoeld in het kader van de evacuatie van personen vanwege externe veiligheid. f. buisleidingstrook: strook die dient voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang; g. magneetveldzone: het gebied waarbinnen de magneetveldsterkt groter is dan 0,4 microTesla. h. belemmeringenstrook: de strook rondom een (ondergrondse of bovengrondse) risicobron die bescherm moet worden tegen activiteiten om aantasting daarvan te voorkomen.
42
Het wettelijk kader heeft tot doel om de bepaalde objecten of terreinen te beschermen tegen bepaalde risico’s, zodanig dat er een aanvaardbare veiligheidssituatie kan heersen. In het door de raad vastgestelde beleid is waar nodig een nadere uitwerking gegeven. De kern van het beleid is dat risicobronnen en te beschermen objecten zoveel mogelijk worden gescheiden. Daarom zijn risicobronnen op bedrijventerreinen toegestaan maar in andere gebieden niet, tenzij er sprake is van een bestaande situatie. In hoofdstuk 3 van de Beleidsvisie zijn de beleidspunten opgesomd. Toetsing bestemminsplan De toetsing aan het wettelijk kader en beleid is nader toegelicht in de “Notitie externe veiligheid, Bestemmingsplan Bedrijventerreinen 2022”, welke bij als bijlage 1 bij dit bestemmingsplan is gevoegd. Daarnaast wordt hieronder verantwoord hoe de verschillende aspecten ten aanzien van Externe Veiligheid zijn meegenomen in het bestemmingsplan. -
Risicobronnen In de huidige situatie zijn op alle bedrijventerreinen risicovolle activiteiten (milieu-inrichtingen) toegelaten voor zover passend binnen de nadere bestemming, met uitzondering van activiteiten waarbij radioactiviteit een rol speelt en de opslag van professioneel vuurwerk. Dat zijn vooral de inrichtingen waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen van toepassing is. Het gaat dan om milieu-inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden gebruikt of opgeslagen boven een wettelijke drempelwaarde, de opslag van vuurwerk en bedrijven met een risico op legionella (koelinstallaties). Deze zijn geregistreerd op de risicokaart (www.risicokaart.nl), met uitzondering van legionellalocaties. Voor de toetsing zijn de milieudossiers (vergunde situatie) het uitgangspunt. Het betreft activiteiten voor het transport, de opslag of handling van chemische stoffen (gas, vloeibaar of vast). De transportroutes van Rijksweg A27 en A59 grenzen aan één of meer bedrijventerreinen. Delen van het Wilhelminakanaal liggen binnen het plangebied. Daarover worden gevaarlijke stoffen vervoerd in tankwagens of tankschepen. Alleen aangewezen vervoer van gevaarlijke stoffen is voor externe veiligheid van belang. Het betreft het vervoer van gassen, vloeibare stoffen of vaste stoffen. Het transport van benzine of diesel valt daar bijvoorbeeld niet onder.
De goederenlijnen op Weststad zijn niet aangewezen in de Regeling basisnet zodat daar geen relevante risico’s van externe veiligheid aan zijn verbonden. In het plangebied of daar direct aangrenzend worden gevaarlijke stoffen vervoerd door zogenaamde buisleidingen. Ook hiervoor geldt een ondergrens voor leidingen die voor externe veiligheid van belang zijn en die wordt bepaald door het type stof, de druk en de diameter van de buisleiding. Buurtleidingen voor aardgas vallen daarom daar niet onder. Het betreft transport van vloeibare koolwaterstoffen en aardgas. Alle leidingen staan onder hoge druk. Iedere leiding is speciaal bedoeld voor een bepaalde stof of categorie stoffen. Tussen Weststad II en Weststad III zijn alleen buisleidingen voor vloeibare koolwaterstoffen gelegen. Die zijn tevens grotendeels gelegen binnen de door het Rijk aangewezen buisleidingstrook die als reserveringsgebied voor buisleidingen van nationaal belang is bedoeld. Een afwijkende categorie zijn hoogspanningslijnen. Daar wordt niet gewerkt met gevaarlijke stoffen maar is wel een extern gevaar vanwege het genereren van een magneetveld die boven bepaalde waarden schadelijk kan zijn voor de volksgezondheid voor bepaalde categoriën personen. Binnen het plangebied is op Weststad III een klein deel van een tracé van 2 x 150 kV hoogspanningslijn (GeertruidenbergBreda) gelegen.
-
Te beschermen objecten Op de bedrijventerreinen zijn kwetsbare objecten niet gewenst, en binnen het plaatsgebonden risico van een risicobron niet toegestaan, omdat er risicobronnen zijn toegestaan. Dat zijn behalve woningen bijvoorbeeld onderwijsgebouwen, zorggebouwen, kinderopvang, kantoren met een bvo van meer dan 1500 m2 en gebouwen waar grote aantallen personen aanwezig kunnen zijn. Omdat de regelgeving pas sinds enkele (tiental) jaren (2004 inrichtingen) en buisleidingen (2011) en transportroutes (2015) van kracht is, komen in het plangebied nog kwetsbare objecten voor. Voor zover een kwetsbaar object binnen een plaatsgebonden risico is gelegen, is er sprake van urgente sanering. Er is sprake van een latente sanering indien planologisch de mogelijkheid bestaat om een kwetsbaar object te realiseren die dan binnen een plaatsgebonden risicocontour komt te liggen of kan komen te liggen. De meeste huidige bestemmingsplannen voor de bedrijventerreinen sluiten dat nu niet uit. Dat zal worden gerepareerd. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt voor het plaatsgebonden risico dezelfde norm maar dan als richtwaarde. Alleen met een gewichtige reden kan daarvan worden afgeweken. Dat is het geval voor bestaande industriegebouwen. In 43
veel gevallen bestonden die al toen de wetgeving van toepassing werd. Dat is in het beleid vastgelegd. Nieuwe situaties worden per geval beoordeeld. Voor de hoogspanningslijnen (bovengronds en ondergronds) is een advies van de toenmalige minister van I&W van belang. Daarin wordt geadviseerd om functies waar regelmatig kinderen tot 16 jaar kunnen verblijven te beschermen tegen een magneetveld van een hoogspanningslijn indien die meer kan bedragen dan 0,4 microTesla (µT). -
Ontwikkelingen (nieuwe voor externe veiligheid relevante risicovolle activiteiten) In het plangebied zelf worden geen nieuwe voor externe veiligheid relevante risicovolle activiteiten toegelaten. Dat wordt geborgd in de regels en de verbeelding.
-
Kwetsbare objecten Binnen het plangebied worden kwetsbare objecten uitgesloten. Daardoor zijn o.a. kantoren met een bvo van 1500 m2 of meer als één functie kantoor niet toegestaan. Bestaande situaties zijn toegestaan indien die niet zijn gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour van 10 -6. Er wordt een afwijkingsmogelijkheid opgenomen onder de voorwaarde dat het aanvaardbaar is vanwege de externe veiligheid. Binnen het plangebied worden voor Bedrijventerrein Everdenberg functies kantoren binnen 45 m van een buisleiding van aardgas uitgesloten vanwege het gebrek aan handelingsperspectief bij een calamiteit zoals bepaald in het vastgestelde beleid. Voor Everdenberg-Oost was dat al deels geregeld.
-
Plaatsgebonden risico en belemmeringenstrook Alle buisleidingen moeten op de verbeelding worden aangegeven. Dat is gebeurd als een hartlijn en een dubbelbestemming voor de belemmeringenstrook. Die laatste is sterk afhankelijk van het type buisleiding. Van de buisleidingen moeten ook de plaatsgebonden risicocontouren van 10 -6 op de Verbeelding worden opgenomen. Die zijn afhankelijk van het type buisleiding. Die zijn als veiligheidszones aangegeven. Binnen de belemmeringenstrook zijn geen bouwwerken toegestaan, anders dan voor de buisleiding. Binnen de plaatsgebonden risicocontour zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten toegestaan.
-
Buisleidingstrook Het Rijk heeft indertijd een Structuurvisie buisleidingen van nationaal belang opgesteld. Op basis daarvan zijn via de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening in Nederland zogenaamde buisleidingstroken aangewezen die op de verbeelding moet worden aangegeven. De buisleidingstrook reserveert ruimte in een strook van maximaal 70 m voor bestaande of toekomstige buisleidingen. Bij de oversteek (ondergronds) van het Wilhelminakanaal mag de strook iets breder zijn. Binnen de strook zijn bouwwerken toegestaan of andere activiteiten of voorzieningen voor zover deze het (toekomstig) gebruik van de (boven- en ondergrond voor een) buisleidingstrook kunnen belemmeren.
-
Plasbrandaandachtsgebied Voor de Rijksweg A27 is een plasbrandaandachtsgebied aangewezen van 30 m ter bescherming van (beperkt) kwetsbare objecten tegen te hoge stralingswarmte bij een calamiteit op de autoweg. In beginsel moet worden voorkomen dat dergelijke nieuwe objecten daar worden gerealiseerd. Daarvoor is een veiligheidszone opgenomen. Er is een afwijkingsmogelijkheid om maatwerk te leveren indien dat vanwege externe veiligheid aanvaardbaar is. Voor de Rijksweg A59 en de overige risicobronnen in het plangebied is wettelijk geen plasbrandaandachtsgebied aangewezen.
-
Minder zelfredzame personen In geval van een calamiteit moeten mensen zelfstandig of met begeleiding snel kunnen vluchten. De categorie minder zelfredzame personen is gemiddeld daartoe onvoldoende in staat. De veiligheidsregio heeft daarvoor in het verleden aandacht gevraagd. In de Beleidsvisie is bepaald dat binnen de invloedsgebieden van de rijkswegen, de buisleidingen voor aardgas en bij lpgtankstations geborgd moet zijn dat dergelijke nieuwe functies voor minder zelfredzame personen niet worden toegelaten. Er zijn veiligheidszones langs de Rijksweg A27, Rijksweg A59 en de buisleidingen voor aardgas opgenomen. Bij het gasontvangststation aan de Dukaatstraat zijn die zones mede gebaseerd op de buisleiding binnen de milieu-inrichting. Die zones zijn gebaseerd op het invloedsgebied vanwege stofgroep GF3 (o.a. lpg) respectievelijk het invloedsgebied behorende 44
bij het type buisleiding voor aardgas. Voor maatwerk is er wel een afwijkingsmogelijkheid als dat vanwege externe veiligheid aanvaardbaar is. Buiten het plangebied zijn aan de Rijksweg A59 één of meer lpg-tankstations gelegen waarvan het invloedsgebied het plangebied raakt. Met de andere regels worden nieuwe functies waar minder zelfredzame personen zich zouden kunnen ophouden in voldoende mate voorkomen. Rond de milieu-inrichtingen met risicovolle activiteiten worden dergelijke zones niet opgenomen. Bij de beoordeling van wijziging van de milieu-inrichting kan daar rekening mee worden gehouden. -
Invloedsgebieden en groepsrisico Alle risicobronnen kennen invloedsgebieden. De omvang daarvan is sterk afhankelijk van de risicobron. De grootste zijn die van de Bevi-bedrijven aan de Zeilmakerijweg. Dat zijn de gebieden waarin als gevolg van een calamiteit in beginsel doden of gewonden kunnen vallen als gevolg van een scenario: explosie (of BLEVE), straling (bij brand) of giftige wolk. Binnen dergelijke gebieden kan het groepsrisico worden bepaald. Met het plan komt daar geen verandering in. Er zijn ook geen overbelaste situaties vanwege groepsrisico. Daarom is nader onderzoek niet nodig.
-
Evacuatie en bereikbaarheid Het is van belang dat in het geval zich een calamiteit voordoet bij één van de risicobronnen de evacuatie van personen tijdig en goed kan verlopen en de voorbereiding op de rampenbestrijding voldoende is. In dat geval is een scenario met een explosie, straling of giftige wolk het meest realistisch. Op Weststad is de bereikbaarheid recentelijk sterk verbetert door een extra noodontsluiting tussen Weststad II en Weststad III. Voor het overige zijn de gebieden in voldoende mate bereikbaar. De evacuatiemogelijkheden zijn voldoende, mede door het voorkomen van nieuwe functies van minder zelfredzame personen nabij risicobronnen. Tevens is de risicocommunicatie rondom risicobronnen van belang. Bij realisatie van gebouwen, ontsluitingen en wegen zullen beide aspecten de aandacht krijgen. Het Bestuur van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft voor externe veiligheid een Standaard-advies 2022 opgesteld. Dat betreft het aspect van de vluchtmogelijkheden van personen bij een calamiteit en de voorbereiding op een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Daarin is een algemene analyse gegeven en zijn aanbevelingen opgenomen over o.a.: de afstand tussen risicobronnen en te beschermen objecten, de bescherming in gebouwen, de evacuatiemogelijkheden, de bereikbaarheid en de risicocommunicatie.
Gelet op het vooral conserverende karakter van het plan wordt dat advies voldoende geacht.
Conclusie Gelet op het voorgaande en de verbeterde regelgeving kan worden gesteld dat de veiligheidssituatie voor externe veiligheid aanvaardbaar is.
4.5.3 Geluid Inleiding Met het plan worden de grote bedrijventerreinen van Oosterhout in één bestemmingsplan opgenomen. Daarmee worden de regels waar mogelijk geharmoniseerd zonder dat het relevante gevolgen zal hebben voor de bedrijven of de leefomgeving. Met het plan mag er geen sprake zijn van belemmering van bestaande activiteiten, moet het voldoen aan de Wet geluidhinder en moet er sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wettelijk kader Geluidhinder bij o.a. woningen is al een lang bestaand knelpunt vanwege industrie en wegen. Daarom worden gevoelige objecten wettelijk beschermd tegen de geluidproductie van de activiteiten op een industrieterrein en van het verkeer. Het wettelijk kader daarvoor is de Wet geluidhinder en indirect het Activiteitenbesluit en geldende omgevingsvergunning (milieu). In de Wet geluidhinder wordt onderscheidt gemaakt in industrielawaai, verkeerslawaai en spoorweglawaai. Tevens kan luchtvaartlawaai bij de cumulatie van geluid een rol spelen. Onder industrielawaai wordt verstaan de geluidbelasting vanwege een industrieterrein op geluidgevoelige objecten. Waarbij een industrieterrein een verzameling is van geluidzoneringsplichtige bedrijven. De geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige objecten of terreinen vanwege die 45
bedrijven (gezamenlijk) wordt vervolgens wettelijk begrensd door de standaard grenswaarde van 50 dB(A) (etmaalwaarde) op de uiterste grens van de geluidzone die rond (en buiten) het bijbehorende industrieterrein moet zijn gelegen. Op de gronden in de geluidzone zijn nieuwe geluidgevoelige objecten niet toegestaan. Geluidgevoelige objecten die zijn gelegen op de gronden van een industrieterrein worden niet beschermd. Onder voorwaarden kan een geluidgevoelig object worden toegestaan in de geluidzone indien geen of onvoldoende doelmatige maatregelen mogelijk zijn dan wel dat daartegen één of meer wettelijke bezwaren zijn in te brengen. In dat geval kan een hogere waarde worden vastgesteld mits die voldoet aan de wettelijke grenswaarden. Vanuit een oogpunt van beleid wordt dan een hogere waarde dan 55 dB(A) vanwege industrielawaai niet toegestaan. Onder verkeerslawaai en spoorweglawaai wordt verstaan het lawaai vanwege een geluidzoneerde weg, of spoorweg op een geluidgevoelig object gelegen binnen de geluidzone daarvan. Industrielawaai Volgens de thans geldende bestemmingsplannen zijn op de Bedrijventerreinen Weststad-Statendam, Weststad III en Vijf Eiken “industrieterreinen” als bedoeld in de Wet geluidhinder gelegen. Op deze industrieterreinen zijn (ingevolge de bijbehorende planologische regeling) “geluidsgezoneerde” bedrijven toegestaan.
In dit bestemmingsplan zijn de regeling en begrenzing van deze terreinen overgenomen en bestemd als: - Overige zone – industrieterrein Vijf Eiken; - Overige zone – industrieterrein Weststad-Statendam; - Overige zone – industrieterrein Weststad II. Daar waar nodig zijn in dit bestemmingsplan geluidzoneringsplichtige bedrijven – waarvan de activiteiten nu vallen onder het overgangsrecht – opgenomen binnen dit gebied. Dit heeft geleidt tot enkele grenscorrecties. Omdat dit bestaande rechten betreft, heeft dit geen gevolgen voor de geluidsbelasting op omliggende geluidsgevoelige objecten. De voorgenomen uitbreiding van het Bedrijventerrein Vijf Eiken aan de oostzijde (Sidestream Innovation Valley) is niet meegenomen in dit bestemmingsplan. Die ontwikkeling, inclusief de daarbij behorende regeling voor geluidsgezoneerde bedrijven, wordt in een ander bestemmingsplan geregeld . Grote delen van de geluidzones zijn gelegen buiten het plangebied en opgenomen in andere bestemmingsplannen o.a. in Bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl.
Lint Oosteind), Bestemmingsplan Dommelbergen 2021, Bestemmingsplan Strijen 2017, Bestemmingsplan Zwaaikom 2017, Bestemmingsplan Vrachelen-Krooneiland of een Parapluherziening 1 geluidzone WeststadStatendam (westzijde), Bestemmingsplan Leijsenakkers 2020, Bestemmingsplan Slotjes, Bestemmingsplan Oosterhout-Zuid 2017, Bestemmingsplan Everdenberg en Everdenberg-Oost of in die van buurgemeenten. Overig bedrijfslawaai Op de gronden anders dan die van het industrieterrein zijn geen geluidzoneringsplichtige bedrijven toegestaan waardoor er geen sprake is van een industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder. Het gaat om de gebieden Heihoef, Everdenberg en Everdenberg-Oost. Het geluid van activiteiten op die gronden wordt niet aan de Wet geluidhinder getoetst. Wel moeten de bedrijven voldoen aan het Activiteitenbesluit of een omgevingsvergunning (milieu) waarin geluidnormen zijn opgenomen en die bij het accepteren van een melding dan wel het verlenen van een omgevingsvergunning (milieu) zijn getoetst. Verkeerslawaai, spoorweglawaai, luchtvaartlawaai Met het plan worden geen wijzigingen aan of op wegen of spoorwegen voorzien. Het is ook niet gelegen in een geluidzone voor luchtvaartlawaai. Dit plan heeft daarom geen gevolgen voor het aspect verkeerslawaai en spoorweglawaai. Die onderdelen hoeven niet te worden getoetst.
Woon- en leefklimaat Het woon- en leefklimaat in het plangebied wordt wat betreft geluid vooral bepaald door industrielawaai en wegverkeerslawaai. Dat is sterk locatie afhankelijk. Er zijn geen veranderingen vanwege 46
verkeerslawaai of spoorweglawaai voorzien. Voor zover er enkele kleine wijzigingen worden doorgevoerd voor industrielawaai hebben die daarvoor geen relevante gevolgen. Toetsing bestemmingsplan Met het bestemmingsplan worden enkele correcties doorgevoerd voor het aspect industrielawaai. Deze correcties hebben geen gevolgen voor het woon- en leefklimaat en geen belemmering opleveren voor bedrijven. Immers blijven de bestaande rechten van bedrijven gelijk (en daarmee ook de geluidsbelasting op omliggende geluidsgevoelige objecten). Ondanks het consoliderende karakter worden er met het plan enkele correcties doorgevoerd voor het aspect industrielawaai. Deze correcties (zie bijlage 2a en bijlage 2b) hebben geen gevolgen voor het woon- en leefklimaat en leveren geen belemmering op voor bedrijven. Tevens is er een Besluit hogere waarden Wet geluidhinder benodigd voor enkele woningen aan de Vaartweg (zie bijlage 3). Deze woningen zijn gelegen binnen de geluidzone van het industrieterrein Weststad-Statendam. Het besluit is genomen om de huidige, legaal ontstane situatie op een juridisch juiste wijze vast te leggen. Het besluit heeft dan ook geen gevolgen voor het ontwikkelingsperspectief van de omliggende bedrijven of het woon- en het leefklimaat van de woningen.
4.5.5 Bodem In het plangebied van dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, het betreft dan ook een consoliderend bestemmingsplan. Nu geen sprake is van een functieverandering van percelen of van een herinrichting van terreinen, is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek (historisch bodemonderzoek) niet nodig. In het kader van de procedure tot verlening van omgevingsvergunningen dienen voor concrete situaties bodemrapporten te worden bijgevoegd bij de aanvragen.
47
HOOFDSTUK 5 Uitvoerbaarheid
5.1 Juridische uitvoerbaarheid 5.1.1 Het juridische plan Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden en gebouwen binnen het bestaand stedelijk gebied. Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is aangesloten bij het gemeentelijke ‘Handboek (digitale) bestemmingsplannen’. Voor onderhavig bestemmingsplan is de versie van december 2021 gehanteerd. Het handboek bevat een set regels die voor alle nieuwe bestemmingsplannen binnen de gemeente Oosterhout wordt gehanteerd, waardoor sprake is van uniforme regelingen in de diverse plannen. In het Handboek is gestreefd naar standaardisering van bestemmingen en regels zoals aangegeven in de Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer globaal tot gedetailleerd. Het onderhavige bestemmingsplan is een mengvorm, waarbij er een balans is gezocht tussen enerzijds flexibilteit (globaal plan) en anderzijds het borgen van een goed woon- en leefklimaat en rechtszekerheid voor de burger (gedetailleerd plan).
In de volgende paragraaf wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen het onderhavige bestemmingsplan. 5.1.2 Bestemmingen 5.1.2.1 Opzet regels De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: - Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende regels); - De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels); - Algemene regels (Hoofdstuk 3 Algemene regels); - Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels). Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: - Bestemmingsomschrijving; - Bouwregels; - Nadere eisen; - Afwijken van de bouwregels; - Specifieke gebruiksregels; - Afwijken van de gebruiksregels; - Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; - Wijzigingsbevoegdheid. De specifieke nadere eisenregelingen, afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden en mogelijk een omgevingsvergunningstelsel voor werken en werkzaamheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en onnodig verwijzen naar andere artikelen voorkomen. Deze werkwijze bevordert de toegankelijkheid van het bestemmingsplan.
5.1.2.2 Flexibiliteitsregels Aan het bestemmingsplan kan flexibiliteit worden toegevoegd door regels op te nemen over de bevoegdheid tot het verlenen van een (binnenplanse) omgevingsvergunning ter afwijking van het 48
bestemmingsplan, het stellen van nadere eisen of een wijzigingsbevoegdheid. Voor het opnemen van flexibiliteitsregels geldt als uitgangspunt dat flexibiliteitregels alleen worden gebruikt als van een wezenlijke belangenafweging sprake kan zijn. Ontwikkelingen die niet in de regels mogelijk zijn gemaakt, zijn uitsluitend mogelijk via een buitenplanse procedure. 5.1.2.3 Bepalen goothoogte Er is wel eens sprake van misverstanden over de wijze waarop de goothoogte of bouw- c.q. nokhoogte van een gebouw moet worden geïnterpreteerd. De goothoogte wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, lichtkoepels, dakkapellen, lucht- en liftkokers, zonnepanelen, andere technische ruimten en/of technische constructies, hekwerken en antennes. Voor de meest voorkomende gevallen is hieronder aangegeven hoe de goothoogte wordt bepaald:
Dakvormen met bijhorende maatgevende goothoogte
Toelaatbare uitbreidingen in het dakvlak
49
5.1.2.4 Toelichting bestemmingen Hieronder worden de meest voorkomende bestemmingen kort toegelicht. Bedrijf De tot ‘Bedrijf’ bestemde gronden zijn bedoeld voor bedrijven die zijn genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 1 en 2, en verwante bestemmingen, zoals opgenomen in de planregels. Op de verbeelding zijn bouwvlakken aangegeven, waarbinnen de gebouwen moeten worden gerealiseerd. De maximale goot- en bouwhoogte zijn in de regels opgenomen. Indien een bedrijfswoning is toegestaan, is dat expliciet aangegeven op de verbeelding. Bij een bedrijfswoning behorende bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' worden gebouwd. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bedrijf-1 en Bedrijf-2 De gronden met één van deze bestemmingen hebben in de basis een gelijke regeling als gronden met de bestemming Bedrijf, maar gezien de ligging op het in ontwikkeling zijnde bedrijventerein Everdenberg-Oost een afwijkende regeling. Deze afwijking voorziet onder andere in een bebouwingspercentage van het bouwperceel.
Ook is de afwijking gelegen in de voorwaardelijke bepalingen die borgen dat de landschappelijke inpassing wordt uitgevoerd en in stand wordt gehouden, er voldoende waterberging wordt gecreerd en er aansluiting plaats vind op de N629, voordat de gronden en opstallen in gebruik worden genomen. Bedrijf – Gasontvangststation De tot ‘Bedrijf – Gasontvangststation’ bestemde gronden zijn bedoeld voor de aanleg en instandhouding van een gasontvangststation, ondergrondse en bovengrondse leidingen en toebehoren en de bij deze bestemming behorende voorzieningen. Op de verbeelding zijn bouwvlakken aangegeven, waarbinnen de gebouwen moeten worden gerealiseerd. Deze bouwvlakken mogen volledig worden bebouwd. De maximale goot- en bouwhoogte voor gebouwen zijn in de regels opgenomen. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bedrijf – Nutsvoorziening De tot ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’ bestemde gronden zijn bedoeld voor voorzieningen van openbaar nut, terreinen voor openbaar nut, en verwante bestemmingen, zoals opgenomen in de planregels. Op de verbeelding zijn bouwvlakken aangegeven, waarbinnen de gebouwen moeten worden gerealiseerd. De maximale goot- en bouwhoogte voor gebouwen zijn in de regels opgenomen. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Gemengd - Leisurecentrum De tot “Gemengd” bestemde gronden zijn bedoeld voor culturele en ontspannende voorzieningen in de vorm van een bioscoop, een sportschool c.q. fitnesscentrum en een praktijkruimte ten behoeve van fysiotherapie. Daarnaast is detailhandel in de vorm van één supermarkt mogelijk. Tenslotte is horeca, als ondergeschikt en niet zelfstandig onderdeel van binnen deze bestemming toegestane functies en is één reclamemast mogelijk. Daarnaast zijn de gronden bedoeld voor verkeer en verblijf, inclusief een parkeergarage, tuinen en erven, groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. De diverse bebouwing moet worden opgericht binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak en de supermarkt voorts binnen het perceelsdeel met de opgenomen functieaanduiding detailhandel en de reclamemast binnen het perceelsdeel met de specifieke bouwaanduiding reclamemast. Deze laatste mast mag maximaal 35 meter hoog zijn, waarbij ook regels zijn gesteld over de maximale omvang van de reclamemast. Er zijn specifieke gebruiksregels opgenomen. Hierin is geregeld, dat de bioscoop een omvang van maximaal 1.650 m2 met maximaal 600 zitplaatsen, de sportschool c.q. fitnesscentrum een omvang van maximaal 1.400 m2 en de praktijkruimte ten behoeve van fysiotherapie in totaliteit maximaal 10 behandelkamers mag hebben.
De supermarkt mag uitsluitend op de begane grond aanwezig zijn en mag een omvang van maximaal 3.000 m2 b.v.o. hebben. De oppervlakte van (inpandige) laad- en losruimten en toegangsportalen worden hierbij niet meegerekend. Ook zijn hierbij regels opgenomen om te verzekeren, dat de parkeervoorziening op eigen terrein wordt aangelegd en in stand gehouden. 50
Tenslotte is nog een afwijkingsmogelijkheid van de gebruiksregels opgenomen, om andere vormen van culturele en ontspannende voorzieningen (niet zijnde een discotheek, een casino, automatenhallen, geluidsporten, evenementen, een (muziek)theater en zelfstandige kantoren) toe te staan. Wel zal moeten zijn aangetoond, dat ook na realisering van die nieuwe functies er voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen op eigen terrein aanwezig is. Groen De tot ‘Groen’ bestemde gronden zijn bedoeld voor groenvoorzieningen en verwante bestemmingen, zoals opgenomen in de planregels. Ter plaatse van de aanduiding ‘waterberging’ zijn de gronden mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van een waterberging. Via een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels kan het bevoegd gezag de aanleg van voorzieningen voor verkeer en verblijf (parkeerplaatsen) toestaan. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Kantoor De tot ‘Kantoor’ bestemde gronden zijn bedoeld voor kantoren en verwante bestemmingen, zoals opgenomen in de planregels. Op de verbeelding zijn bouwvlakken aangegeven, waarbinnen de gebouwen moeten worden gerealiseerd. De maximale goot- en bouwhoogte zijn op de verbeelding aangegeven. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van gebouwen bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Maatschappelijk De tot ‘Maatschappelijk’ bestemde gronden zijn bedoeld voor maatschappelijke voorzieningen en verwante bestemmingen, zoals opgenomen in de planregels. Op de verbeelding zijn bouwvlakken aangegeven, waarbinnen de gebouwen moeten worden gerealiseerd. De maximale goot- en bouwhoogte zijn op de verbeelding aangegeven. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Natuur De tot ‘Natuur’ bestemde gronden zijn bedoeld voor instandhouding, herstel en/of ontwikkeling van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden met een zo sterk mogelijk ecologische en ruimtelijk-structurele samenhang. Verder is houtproductie toegestaan (mits ondergeschikt aan het behoud van landschappelijke en natuurwaarden), en zijn de gronden bedoeld voor extensief recreatief medegebruik, agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer, en verwante bestemmingen, zoals opgenomen in de planregels. Voor diverse in het betreffende artikel genoemde werkzaamheden kan een omgevingsvergunning worden verleend, indien er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de aanwezige waarden. Sport De tot ‘Sport’ bestemde gronden zijn bedoeld voor sportvoorzieningen en verwante bestemmingen, zoals opgenomen in de planregels. Op de verbeelding zijn bouwvlakken aangegeven, waarbinnen de gebouwen moeten worden gerealiseerd.
De maximale goot- en bouwhoogte zijn op de verbeelding aangegeven. Indien een bedrijfswoning is toegestaan, is dat expliciet aangegeven op de verbeelding. Bijgebouwen bij een bedrijfswoning mogen zowel binnen als buiten bouwvlak worden gerealiseerd. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Tuin De tot ‘Tuin’ bestemde gronden zijn bedoeld voor tuinen en groenvoorzieningen, en verwante bestemmingen, zoals opgenomen in de planregels. Op of in deze gronden mogen uitsluitend uitbreidingen aan een woning op de aangrenzende bestemming ‘Wonen’ worden gebouwd. In de regels is aangegeven hoe groot deze uitbreidingen mogen zijn. Bestaande gebouwen in deze bestemming mogen worden gehandhaafd. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Parkeren is niet toegestaan voor de voorgevel van de woning. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van dit verbod.
51
Verkeer De tot ‘Verkeer’ bestemde gronden zijn bedoeld voor voorzieningen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen, garageboxen ter plaatse van de aanduiding ‘garagebox’, en verwante bestemmingen, zoals opgenomen in de planregels. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van garageboxen ter plaatse van de aanduiding ‘garagebox’. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Verkeer – Railverkeer De tot ‘Verkeer – Railverkeer’ bestemde gronden zijn bedoeld voor spoorwegvoorzieningen en verwante bestemmingen, zoals opgenomen in de planregels. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Water De tot ‘Water’ bestemde gronden zijn bedoeld voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder voorzieningen voor waterberging, -aanvoer en -afvoer, oevervoorzieningen, steigers, aanlegplaatsen en gelijksoortige voorzieningen, en verwante bestemmingen, zoals opgenomen in de planregels. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Wonen De tot ‘Wonen’ bestemde gronden zijn bedoeld voor wonen en verwante bestemmingen, zoals opgenomen in de planregels. Ter plaatse van de betreffende aanduiding zijn de gronden ook bestemd voor bescherming en instandhouding van een rijks- of gemeentelijk monument.
Per bouwperceel mogen niet meer woningen worden gebouwd dan ter plaatse van de aanduiding 'aantal wooneenheden' is aangegeven. Indien geen aanduiding is opgenomen, is ter plaatse slechts één woning toegestaan. Op de verbeelding zijn bouwvlakken opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen gebouwen die binnen het bouwvlak worden gebouwd, en gebouwen die buiten het bouwvlak worden gebouwd. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van een aantal bouw- en gebruiksregels. Er zijn gebruiksregels opgenomen voor het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep of bedrijf. Waarde – Archeologie De voor ‘Waarde - Archeologie‘ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd tot meer dan 0,50 cm onder maaiveld en dit over een oppervlakte is van meer dan 100 m², dan moet hiervoor een vergunning voor zijn afgegeven. Deze wordt afgegeven indien uit een door de bevoegde overheid goedgekeurd rapport blijkt dat het archeologisch bodemarchief niet wordt verstoord. Al dan niet na het treffen van maatregelen.
Waarde – Archeologie 1 De voor ‘Waarde – Archeologie 1‘ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd tot meer dan 2,50 cm onder maaiveld en dit over een oppervlakte is van meer dan 100 m², dan moet hiervoor een vergunning voor zijn afgegeven. Deze wordt afgegeven indien uit een door de bevoegde overheid goedgekeurd rapport blijkt dat het archeologisch bodemarchief niet wordt verstoord. Al dan niet na het treffen van maatregelen. Waarde – Monumentale bomen De voor ‘Waarde - Monumentale bomen‘ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor monumentale bomen. Ter bescherming van de monumentale bomen is voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning vereist. Waterstaat – Waterkering De voor ‘Waterstaat - Waterkering‘ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor hoofdwaterkering en daarbij behorende 52
voorzieningen voor de kering van het water, aanleg, instandhouding en/of bescherming van de hoofdwaterkering, waterhuishouding en voorzieningen ten behoeve van het scheepvaartverkeer en verhardingen ten behoeve van de waterkering. Er mag alleen worden gebouwd na verkregen toestemming van het Waterschap.
5.2 Handhaafbaarheid Handhaving vormt een belangrijk onderdeel van een beleidscyclus. Regels worden gesteld met als doel het beschermen van een bepaald belang. Zonder toezicht op naleving van deze regels bestaat het risico dat dit doel onvoldoende bereikt wordt. Tevens komt de gemeente ongeloofwaardig over als gestelde regels niet worden gehandhaafd. 5.2.1 Handhaafbaarheid, draagvlak en naleefgedrag Een eerste voorwaarde voor handhaving is een duidelijk en handhaafbaar beleid en regelgeving. Om die reden worden nieuwe versies van digitale handboeken en die onderdelen van bestemmingsplannen die afwijken van het digitale handboek, door de afdeling die belast is met vergunningverlening en handhaving, gecontroleerd op uitvoerbaarheid. Ook voor dit bestemmingsplan heeft deze toets plaats gevonden. Naast handhaafbare regels dient er ook het nodige draagvlak voor het nieuwe beleid en de daaruit voortvloeiende regels te zijn. Immers zal een plan met weinig draagvlak op weinig naleefgedrag kunnen rekenen. Het creëren van draagvlak is onder andere bewerkstelligd door in de verschillende fasen van het planproces burgers, belangenorganisaties en andere belanghebbenden te betrekken, al dan niet via wettelijk bepaalde inspraakmomenten.
5.2.2 Preventieve en repressieve handhaving Naast repressie (handhavend optreden op het moment dat er sprake is van een overtreding) heeft preventie een belangrijke functie in de gemeentelijke handhavingsstrategie (de gemeente hanteert de landelijke handhavingsstrategie). Bij preventief handhaven spelen vooral dialoog, voorlichting en advisering een belangrijke rol. Zo voorziet het handhavingsbeleid van de gemeente Oosterhout in meer aandacht voor voorlichting en communicatie, onder andere door het uitgeven van voorlichtingsbrochures. Qua repressie voorziet het gemeentelijk handhavingsbeleid en het daarop gebaseerde integrale uitvoeringsprogramma in het continu opsporen van overtredingen van het bestemmingsplan. Ook worden er gezamenlijk met andere overheden (brandweer, politie, belastingdienst) multidisciplinaire handhavingsacties georganiseerd. Binnen dergelijke acties is er ook aandacht voor overtredingen van het bestemmingsplan. Indien een overtreding wordt geconstateerd, zal als eerste stap in het handhavingstraject telkens worden bezien of het illegale gebruik of bouwwerk op grond van het bestemmingsplan of afwijking daarvan, alsnog gelegaliseerd kan worden. Is dat niet het geval dan wordt het handhavingstraject doorgezet.
Al deze aspecten zijn vastgelegd in het beleidsplan Fysieke Leefomgeving en de daarin opgenomen handhavingsstrategie en dienen als leidraad voor de alledaagse handhavingspraktijk binnen de gemeente Oosterhout. 5.2.3 IJkmoment, overgangsrecht en monitoring beleid De totstandkoming van dit bestemmingsplan is een ijkmoment voor de handhaving. Indien bebouwing of gebruik afwijkt van het bestemmingsplan, zal hier tegen handhavend worden opgetreden. Voor zowel bouwen als gebruik is het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan de peildatum. Tegen bebouwing en gebruik dat onder het overgangsrecht valt, kan niet handhavend worden opgetreden.
5.3 Economische uitvoerbaarheid Dit bestemmingsplan is een beheerplan, waarin de bestaande situatie is vastgelegd. Het plan betreft een herziening van een aantal verouderde bestemmingsplannen, waarbij het juridisch-planologisch regime is geactualiseerd. De bestaande (legale) situatie is positief bestemd. Het bestemmingsplan bevat geen directe nieuwe bouwmogelijkheden. Het opstellen van een exploitatieplan ten behoeve van het nu voorliggende bestemmingsplan, dan wel het op dit moment sluiten van anterieure overeenkomsten met ontwikkelende partijen, is dan ook niet aan de orde. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend bestemmingsplan financieel uitvoerbaar is.
53
5.4 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het is belangrijk dat bewoners worden betrokken bij bestemmingsplanprocedures. Bestemmingsplannen zien toe op een goede ruimtelijke ordening en bevorderen zo een goede woonen leefomgeving voor de inwoners van Oosterhout. Er zijn verschillende manieren waarop de gemeente inwoners en andere belanghebbende de gelegenheid geeft mee te denken met een bestemmingsplan. 5.4.1 Omgevingsdialoog Een omgevingsdialoog is een overleg tussen een initiatiefnemer met omwonenden en andere belanghebbenden. Door een omgevingsdialoog te houden, krijgt de initiatiefnemer inzicht in de wensen, belangen en bezwaren van de omgeving. De initiatiefnemer kan deze betrekken in het verdere ontwerp van het initiatief. Dit leidt tot een beter gedragen initiatief door de omgeving. Voor initiatieven die passen binnen het bestemmingsplan wordt door de gemeente een omgevingsdialoog geadviseerd maar niet verplicht. Voor initiatieven die niet passen binnen het bestemmingsplan stelt de gemeente het verplicht om een omgevingsdialoog te voeren. Voor het voeren van een dialoog heeft Oosterhout richtlijnen vastgesteld, welke zijn vermeld op de website van de gemeente Oosterhout: https://www.oosterhout.nl/inwoners/wonen-leven/bouwen-enverbouwen/omgevingsdialoog Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de actualisatie van bestemmingsplannen “En niet op een initiatief.
De omgevingsdialoog is dan ook niet van toepassing op dit bestemmingsplan. 5.4.2 Inspraak Artikel 2.2, lid a van de Inspraakverordening Oosterhout 2021 bepaalt dat inspraak wordt gegeven op de voorbereiding of herziening van ruimtelijke plannen. Tenzij er sprake is van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen. Dit bestemmingsplan voorziet in een actueel planologisch regime, gebaseerd op bestaande rechten, de meeste recente inzichten in juridisch-planologische regelingen en gemaakte beleidskeuzen. En niet in nieuwe ontwikkelingen (rechten) of nieuwe beleidsvoornemens. Hiermee hoeft conform de gemeentelijke inspraakverordening het voorontwerp van het bestemmingsplan niet voor inspraak ter inzage te worden gelegd. En kan direct worden overgegaan tot de wettelijke vaststellingsprocedure (ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan). Ondanks dit gegeven is omwille van de zorgvuldigheid toch de procedure van de inspraakverordening gevolgd. In het kader van deze inspraakverordening heeft het voorontwerp van dit bestemmingsplan van donderdag 23 juni 2022 tot en met woensdag 20 juli 2022 ter inzage gelegen. Publicatie hiervan heeft plaatsgevonden op 22 juni 2022 in het huis-aan-huis weekblad “Oosterhout” en op de gemeentelijke website.
Gedurende de termijn van ter inzagelegging bestond de gelegenheid om schriftelijk en mondeling op het plan te reageren door de indiening van een inspraakreactie. Van deze gelegenheid gebruik gemaakt door 5 instanties c.q. personen, waarvan 1 inspraakreactie ruim de termijn van ter inzage legging. Desondanks is deze (tesamen met de tijdig ingediende inspraakreactie) behandeld door het college. 5.4.3 Wettelijk vooroverleg In het kader van het vooroverleg, zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), moet een voorontwerp van een bestemmingsplan worden toegezonden aan de volgende overleginstanties: de provincie Noord Brabant, het Waterschap Brabantse Delta, de VROM-inspectie (regio Zuid), de Gasunie en de Regionale Brandweer. Dit vooroverleg is parallel aan voornoemde inspraak op het voorontwerpbestemmingsplan gevoerd. Dit heeft geleid tot 5 vooroverlegreacties die zijn verwerkt in het bestemmingsplan of onderbouwd zijn weerlegd. 5.4.4 Vaststellingsprocedure <PM wordt in een volgende fase ingevuld> De vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan is vastgelegd in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Alvorens een bestemmingsplan vastgesteld wordt, dient het ontwerpbestemmingsplan voor
54
een periode van 6 weken ter inzage te worden gelegd. Onderhavig bestemmingsplan heeft met ingang van <PM>, gedurende 6 weken voor een ieder ter inzage gelegen. Dit heeft geleidt tot: - PM; - …
55
Bijlage bij de toelichting - Bijlage 1 Notitie Externe Veiligheid
2
Bijlage bij de toelichting - Bijlage 2a AKO Weststad-Statendam
24
Bijlage bij de toelichting - Bijlage 2b AKO Vijf Eiken
47
Notitie externe veiligheid (bestemmingsplan Bedrijventerreinen Oosterhout 2022)
Gemeente Oosterhout R.K. Janssen 30.08.2022, v1.0
Inhoud 1
Inleiding ........................................................................................................................................................... 2
2
Situatie ............................................................................................................................................................ 2
3
Wettelijk kader ................................................................................................................................................ 5
4
3.1
Algemeen ............................................................................................................................................... 5
3.2
Risicobronnen en ontvangers ................................................................................................................ 5
3.3
Risicobegrippen ..................................................................................................................................... 6