5. OBP Toelichting Groenestraat 1-2 Dorst.pdf
Tekst van het document
de aanleg van de landschappelijke inpassing en het beheer hiervan over 10 jaar wordt naast de overige hierboven genoemde investeringen ingezet als investering t.b.v. kwaliteitsverbetering van het landschap.
29Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
HOOFDSTUK 4 MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING
4 1 Milieuhygiënische en planologische verantwoording 4.1
INLEIDING Bij het opstellen van een bestemmingsplan is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten van het plan. Aangetoond dient te worden dat de realisatie van het plan er niet toe leidt dat andere functies in de omgeving worden beperkt in hun mogelijkheden en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
4.2
M.E.R.-BEOORDELING Algemeen In de Wet milieubeheer is aangeven dat voor bepaalde ontwikkelingen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. In de wet is de procedure beschreven en zijn de inhoudelijke eisen opgenomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen ‘m.e.r.-plichtige activiteiten’, waarvoor een volledig milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en ‘m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten’, waarbij moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significant negatieve gevolgen voor het milieu. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het ruimtelijk plan of de omgevingsvergunning plan m.e.r.-plichtig, project m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. In het Besluit m.e.r. zijn voor deze activiteiten drempelwaarden opgenomen. Daarnaast zijn er ruimtelijke ontwikkelingen die onder de drempelwaarden blijven. Voor dit soort situaties moet een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' worden gemaakt. Deze toets is weliswaar 'vormvrij'; de wet stelt echter wel eisen aan de inhoud. In de praktijk betekent dat in de toelichting bij het ruimtelijk plan een paragraaf 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' wordt opgenomen.
Beoordeling en Conclusie Er is geen activiteit in onderdeel C van de bijlage bij Besluit milieueffectrapportage van toepassing waarvoor een directe plicht geldt tot het opstellen van een m.e.r. In onderdeel D van de bijlage Besluit milieueffectrapportage wordt een stedelijk ontwikkelingsproject genoemd als activiteit. Daar is echter geen sprake van omdat er slechts één woning wordt toegevoegd en daarnaast een groot aantal gebouwen worden gesloopt en het bouwvlak verkleind. Gelet op vaste jurisprudentie kan dat niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in dat besluit. Er is dan ook geen besluit vereist.
30Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
4.3
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 4.3.1 Beleidsnota Cultuurhistorie, Monnumenten en Archeologie De gemeente Oosterhout heeft in januari 2009 de ‘Beleidsnota Cultuurhistorie, Monumenten en Archeologie’ vastgesteld waarin het gemeentelijk beleid voor de periode 2008 – 2018 op het gebied van cultuurhistorie is vastgelegd. Het doel van de beleidsnota was het betrekken van cultuurhistorie bij planvorming, zodat archeologische vindplaatsen en cultuurhistorisch waardevolle structuren niet langer verloren gaan. De nota heeft een eerste aanzet gegeven om te komen tot een gemeentelijk archeologiebeleid. Om de aanwezige cultuurhistorische waarden (monumentale gebouwen, archeologische terreinen, cultuurhistorische landschapselementen en historische stedenbouwkundige structuren en infrastructuur) in beeld te brengen, is een gemeentelijke erfgoedkaart vervaardigd, die met name een signalerende functie heeft. Hierdoor wordt een integrale afweging mogelijk. Op basis van de erfgoedkaart, kunnen cultuurhistorisch en archeologisch waardevolle gebieden in bestemmingsplannen een passende regeling krijgen. Dit is in de nadien vastgestelde bestemmingsplannen ook gedaan. 4.3.2 Archeologie Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland.
Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. De Erfgoedwet bevat daarnaast regels voor omgang met archeologie in het algemeen. Zo is het verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met archeologische waarden.
Het gemeentelijk archeologiebeleid (erfgoedkaart) is door vertaald in het vigerende bestemmingsplan. Binnen het gedeelte van het plangebied waarop de nieuwe woonkavel wordt gesitueerd geldt buiten de contouren van de voormalige varkensstal de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ (middelhoge archeologische verwachtingszone volgens de gemeentelijke erfgoedkaart).
31Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
•
Figuur 4.1: Erfgoedkaart Oosterhout; archeologische beleidskaart – de gehele omgeving van Dorst is geel gekleurd, hetgeen betekent dat er een middelhoge archeologische verwachting is.
Binnen deze dubbelbestemming zijn bodemingrepen dieper dan 0,5 meter, en voor zover het planoppervlak groter is dan 100 m² niet toegestaan, tenzij nader onderzoek aantoont, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of indien deze wel aanwezig zijn, aangetoond wordt hoe daar mee rekening wordt gehouden. In het onderhavige geval voorziet het bestemmingsplan in een omgevingsvergunningplicht, die de mogelijke archeologische waarden beschermen. Archeologisch onderzoek In het kader van de doorlopen bestemmingsplanprocedure t.b.v. het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied om op de locatie Groenestraat 1 een ruimte-voor-ruimte woning te realiseren is destijds een archeologisch onderzoek ingesteld (BAAC b.v., D.F.A.E. Voeten MSc: Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) Plangebied Groenestraat 2 te Dorst, Gemeente Oosterhout, BAAC Rapport V-13.0010). Dit onderzoek maakt onderdeel uit van het vigerende bestemmingsplan ter plaatse. Uit dit onderzoek kwamen de onderstaande resultaten, waaruit is gebleken dat vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven noodzakelijk was. "Op basis van het bureauonderzoek bestond een middelhoge tot hoge verwachting op resten uit de periode paleolithicum - Romeinse tijd en een middelhoge tot hoge verwachting op resten uit de middeleeuwen - nieuwe tijd.
Uit het veldonderzoek is gebleken dat de aangetroffen bodemopbouw buiten de aanwezige stal (die tot 1,5 m onder peil is onderkelderd) archeologisch gezien als relatief intact moet worden gezien, hetgeen betekent dat eventueel aanwezige archeologische resten nog goed bewaard kunnen zijn gebleven. Er is een plaggendek aangetroffen dat een conserverende werking op het potentiële archeologisch niveau gehad heeft. BAAC adviseert de gronden die tot in de Chorizont verstoord gaan worden te onderzoeken met een proefsleuvenonderzoek.” T.b.v. de omgevingsvergunningaanvraag voor de bouw van de ruimte-voor-ruimte woning op de locatie Groenestraat 1 heeft proefsleuvenonderzoek plaatsgevonden waaruit naar voren is gekomen dat ter plaatse geen archeologische waarden zijn aangetroffen. Op basis daarvan is het gedeelte waar de ruimte-voor-ruimte woning wordt gerealiseerd vrijgegeven. In het verleden heeft binnen het plangebied een varkensstal gestaan. Bij de aanleg van de varkensstal rond 1987 zijn zowel de gronden ter plaatse van de varkensstal als de 32Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
daaromheen liggende gronden tot 1 meter diepte afgegraven t.b.v. de aanleg van infrastructuur, gas, water, elektra, telefoon, etc. Gezien de natte leemgrond ter plaatse heeft men ten behoeve van de aanleg van de stal en de voorzieningen deze gronden tot minimaal deze diepte afgegraven om dit te kunnen realiseren. Dit houdt in dat de gronden ter plaatse tot een minimale diepte van 1 meter zijn verstoord, waardoor het niet aannemelijk is dat hierbinnen nog archeologische waarden worden aangetroffen. Gezien het feit dat de gronden ter plaatse van de te realiseren kavels verstoord zijn tot een diepte van minimaal 1 meter onder maaiveld en uit het proefsleuvenonderzoek, in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor de bouw van een woning op de locatie Groenestraat 1, naar voren is gekomen dat ter plaatse geen archeologische waarden zijn aangetroffen is het niet aannemelijk dat ter plaatse van de te realiseren kavel archeologische waarden aangetroffen zullen worden. Ter plaatse van het zuidelijk gedeelte van het plangebied is nu bedrijfsbebouwing gesitueerd, die voor een groot gedeelte wordt verwijderd. Een gedeelte van deze bedrijfsbebouwing is voorzien van putten tot een maximale diepte 2,28 meter onder peil.
Het is zeer aannemelijk dat bij de aanleg van deze bebouwing in het verleden de gronden ter plaatse dusdanig zijn verstoord dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aangetroffen zullen worden. Het voorstel is daarom om het noordelijke gedeelte van het plangebied geheel vrij te geven van archeologisch onderzoek en ter plaatse van het zuidelijk gedeelte van het plangebied de gronden die momenteel bebouwd en verhard zijn. Op deze gronden komt de dubbelbestemming ‘Archeologie’ te vervallen. 4.3.3. Cultuurhistorie Op 1 januari 2012 is de wet Modernisering monumentenzorg (Momo) in werking getreden. Een belangrijke doelstelling van de Modernisering van de Monumentenzorg is het versterken van de koppeling tussen erfgoed en ruimte. In het kader van de Momo dient in de toelichting van elk bestemmingsplan beschreven te worden op welke wijze met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Voor wat betreft de cultuurhistorische waarden is het gebied ten zuiden van de Groenestraat op de erfgoedkaart aangeduid als cultuurhistorisch waardevol gebied (Dortse Akkers). In en nabij het plangebied zijn er blijkens de cultuurhistorische waardenkaart voor het overige geen relevante cultuurhistorische waarden aanwezig. De af te breken bedrijfsbebouwing heeft geen cultuurhistorische waarde.
De afbraak van de bedrijfsbebouwing en de oprichting van één woning heeft geen invloed op de in de omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden.
4.4
NATUUR Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en nationaal beschermde soorten.
33Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
De Wet natuurbescherming is, door de samenvoeging van de wetten, zowel gericht op de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bepaalt dat nieuwe of uitbreidingen van bestaande economische activiteiten moeten worden getoetst op hun effect op de Natura 2000gebieden. Op 6 november 2018 heeft Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant voor het in paragraaf 2.1 genoemde aantal dieren binnen het plangebied onder de PAS een vergunning verleend in het kader van de Wnb. Een vergunning in het kader van de Wnb die met het PAS-beoordelingskader is verleend en onherroepelijk is geworden kan, als gevolg van de uitspraak van 29 mei 2019, niet meer één-op-één worden ingepast in een bestemmingsplan. In onderhavige situatie houdt dit in dat deze vergunning niet als uitgangssituatie gebruikt kan worden voor dit plan. Bij het opstellen van een bestemmingsplan dat voorziet in de gewenste ruimtelijke ontwikkeling dient de situatie op grond van artikel 2.7 en 2.8 van de Wnb opnieuw beoordeeld te worden. Het plan betreft de sanering van een rundveehouderij, het behoud van de akkerbouwtak en de realisatie van één woning. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is gelegen op ruim 4 km van het plangebied en betreft ‘Ulvenhoutse Bos’.
•
Figuur 4.2: Beschermde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied (plangebied aangeduid met rode ster)
Het plan mag niet worden vastgesteld indien het significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. In dit geval is er geen geldige natuurvergunning van toepassing. Indien met de maximale mogelijkheden van het toekomstige plan, vergeleken met de feitelijke, legale, planologische situatie van het huidige plan, de stikstofdepositie op geen enkel Natura 2000-gebied hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar dan is er geen sprake van significante gevolgen en kan een passende beoordeling achterwege blijven. In dit geval is er feitelijk en legaal een rundveehouderij met stallen en voorzieningen aanwezig waarvoor een omgevingsvergunning (milieu) is verleend dan wel het Activiteitenbesluit van toepassing is. De rundveehouderij wordt beëindigd. Daarnaast is een akkerbouwtak aanwezig die wordt voortgezet. Het plan maakt de bouw van één woning met bijgebouw(en) mogelijk. De woning moet wettelijk gasloos worden uitgevoerd. In onderhavige situatie wordt een veehouderij die ammoniak emitteert beëindigd, waardoor de ammoniakemissie (NH3)7 afkomstig van deze veehouderij op Natura 2000-gebieden
7
Ammoniak (NH3) is een verbinding van stikstof (N2) en waterstof (H2).
34Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
komt te vervallen. Daarvoor in de plaats wordt binnen het plangebied maximaal één nieuwe woning gerealiseerd die geheel gasloos en haardloos wordt gebouwd8. Tijdens de gebruiksfase wordt stikstofdioxide (NOX)9 geëmitteerd op Natura 2000-gebieden. Het hoeveelheid stikstof(element) vanwege ammoniakemissie is ca. 2,5 keer groter dan die van stikstofoxiden. Op basis van expert judgement kan gesteld worden dat de sanering van de rundveehouderij een grotere reductie van stikstofdepositie op zal leveren dan de sloop van gebouwen, etc. Dit betekent dat netto alleen de activiteit van de nieuwe woning nog van belang is. Omdat de handreiking voor woningbouw en stikstof daarvoor niet direct kan worden toegepast, is een AERIUS-berekening uitgevoerd waarin de gebruiksfase is verwerkt10. Uit de berekening blijkt dat de bijdrage vanwege de realisatie van één nieuwe woning kleiner is dan 0,00 mol/ha/jaar. Dat betekent dat er geen sprake is van significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden.
In het kader van onderhavig bestemmingsplan is door bureau Exlan een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hiervoor is het plangebied bezocht op maandag 27 april 2020 tussen 8:30 en 9:30 uur om te onderzoeken of het plangebied een zodanige belangrijke status heeft dat een aanvullend veldonderzoek noodzakelijk is. Dit rapport is toegevoegd in bijlage 2. Uit dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed.
Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. De bedrijfsgebouwen dienen gesloopt te worden buiten het broedseizoen.
8 Op 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie (hierna: Wet VET) in werking getreden. Met de komst van de Wet VET vervalt de gasaansluitingsplicht voor nieuwbouwwoningen. 9 Stikstofdioxide (NOx) is een gas dat in Nederland voor het grootste gedeelte door het verkeer wordt geproduceerd. Stikstofdioxide is een anorganische verbinding van stikstof (N2) en zuurstof (O2).
35Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Uit bovengenoemde quickscan komt naar voren dat er geen overwegende belemmeringen bestaan voor het oprichten van twee woningen met bijgebouwen en de sloop van bestaande agrarische bebouwing binnen het plangebied. Dit houdt in dat de oprichting van één woning met bijgebouwen ook niet leidt tot belemmeringen.
4.5
WATERPARAGRAAF Vanaf 1 november 2013 geldt de verplichting om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Dit is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Middels de watertoets moet inzichtelijk gemaakt worden wat de effecten van het initiatief zijn op de waterhuishouding. De waterhuishoudkundige belangen dienen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen te worden. De ‘watertoets’ is hiervoor het toetsinstrument. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie.
36Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
Beleid provincie Noord-Brabant In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (verder: IOV) is het waterbeleid van de provincie Noord-Brabant opgenomen. De IOV vervangt zes provinciale verordeningen en heeft de status van o.a. Verordening water gebaseerd op diverse artikelen in de Waterwet. Omdat deze omgevingsvisie nog geen beleidsuitwerking bevat, hebben provinciale staten besloten de huidige strategische plannen, zoals het Provinciaal Milieu- en waterplan voorlopig te handhaven. Deze Interim omgevingsverordening omvat in ieder geval regels over de onderwerpen die de Wet milieubeheer verplicht stelt zoals regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden (grondwaterbeschermingsgebieden, artikel 1.2. Wm)
•
Figuur 4.3: Ligging plangebied binnen grondwaterbeschermingsgebied en boringsvrije zone op kaart 1 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Het plangebied is op basis van de IOV gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied en een boringsvrije zone. Omdat het grondwater een belangrijke bron is voor de openbare drinkwatervoorziening en met het oog op de continuïteit van de levering van drinkwater voert de provincie beschermingsbeleid, gericht op minimalisering van de risico’s op achteruitgang van de kwaliteit. Grondwaterschermingsgebieden en de borings- vrije zones liggen als een schil rond de waterwingebieden. Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. 37Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.
•
Figuur 4.4: Uitsnede Leggerkaart Brabantse Delta
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen. Water- en Rioleringsplan 2017-2021 gemeente Oosterhout In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Hierin zijn de verantwoordelijkheden vastgelegd ten behoeve van afval-, hemel- en grondwater. In grote lijnen betekent dit dat de gemeente een ontvangstplicht heeft van afvalwater (vervuild water) en een zorgplicht voor grond- en hemelwater. Daarnaast hebben de individuele perceeleigenaren een eigen
38Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
verantwoordelijkheid voor het inzamelen en afvoeren van afvalwater en het verwerken van regen- en grondwater op het eigen perceel. De gemeenteraad heeft een water- en rioleringsplan vastgesteld. Hierin staat hoe de gemeente omgaat met alle waterstromen binnen de gemeente en de zorgplichten vanuit de Waterwet. De belangrijke uitgangspunten in het water- en rioleringsplan voor het water in Oosterhout zijn: schoon water schoon houden, handhaving van de waterkwaliteit en waar noodzakelijk verbeteren, voldoen aan de normen voor volksgezondheid en veiligheid en ontwikkeling van natuur in en om het water waar mogelijk. Bovenstaande betekent dat de verschillende vormen van grondgebruik afgestemd moeten worden op de aanwezige watersystemen. Dit met een toekomstgerichte aanpak/doorkijk met name op het gebied van het klimaat. Intensievere regenbuien kunnen enorme wateroverlast veroorzaken en de in het gemeentelijk grondgebied aanwezige grondwaterwinning voor de drinkwaterproductie kunnen vervuild raken door lozingen van schadelijke stoffen. Ook hiervoor is aandacht binnen het water- en rioleringsplan. De landelijke voorkeursvolgorde infiltreren-bergen-afvoeren wordt daarom in de Gemeente Oosterhout ook aangehouden om schade bij regenwateroverlast en periodes van droogte te voorkomen of toch in ieder geval te beperken.
Waarbij rekening gehouden moet worden met de onderstaande regenbuien als norm: Bij 40 mm regen per uur geen water op straat vanuit ondergrondse voorzieningen (infiltratiekratten, waterbergende funderingen, enzovoort). Bij 70 mm regen per uur geen inundatie vanuit open voorziening (wadi, sloot, enzovoort) Bij nieuwbouw geldt dat alle afvoerend verhard oppervlak (inclusief oppervlak van een open voorziening) meetelt in de te verwerken hoeveelheid regenwater. Dit ongeacht de hoeveelheid bestaand verhard oppervlak. Afvalwaterverordening Om aan de beleidsdoelstellingen te voldoen zijn er uitgangspunten, normen en regels nodig. In de afvalwaterverordening staat welke regels en normen er gelden voor het lozen van afvalwater en het aansluiten op een vuilwaterriool. Alle percelen waarop afvalwater vrijkomt worden aangesloten op het openbaar riool. Per woning of bedrijfspand wordt er in principe één perceelaansluiting voor afvalwater aangelegd. In de Wet Milieubeheer staat dat de gemeente een inzamelplicht heeft van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsmatig afvalwater valt hier niet onder. De gemeente wil bedrijven echter wel faciliteren mits het voldoet aan enkele voorwaarden.
Bedrijfsmatig afvalwater mag worden afgevoerd naar het openbaar riool mits de samenstelling van het te lozen water overeenkomt met huishoudelijk afvalwater en de afvoercapaciteit van het gemeentelijk riool voldoende is. In het geval van nieuwbouw of bij toename van de afvoercapaciteit kan een bergingsvoorziening voorgeschreven worden. Ook is in de afvalwaterverordening de procedure voor het aanvragen van een aansluiting op het gemeentelijk riool vastgelegd. Hierbij zal ook een toets plaatsvinden op de vastgelegde normen en regels, alvorens door de gemeente (maar op kosten van aanvrager) wordt aangesloten op het gemeentelijk riool. Beschrijving huidige en nieuwe situatie Het plangebied is op basis van de kaart met ‘bodemkundige hoofdeenheden’ in de ‘Bodematlas’ van de provincie Noord-Brabant gelegen op eerdgronden, die zich kenmerken als voedselrijk en vochtig tot droog. Het perceel Groenestraat 2 is voorzien van
39Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
circa 3.100 m² verhard oppervlak (bebouwing) + 2.052 m erfverharding. Feitelijk wordt middels onderhavig plan 2.572 m² verhard oppervlak (bebouwing) + 1.100 m² erfverharding gesaneerd, wat gepaard gaat met de realisatie van één woning van maximaal 180 m² en 100 tot 150 m² bijgebouw en wat erfverharding. Daarmee vindt er een netto afname plaats van het verharde oppervlakte. Planologisch gezien zal er qua verhardings- en bebouwingspotentieel een afname plaats vinden. Een deel van het agrarisch bouwvlak zal worden vervangen door een bouwvlak voor woondoeleinden. Daarnaast komt een groot deel van het zuidelijk gelegen gedeelte van het bouwvlak te vervallen. Resumerend kan gesteld worden dat de oppervlakte verharding in vergelijking met het vorige bestemmingsplan door dit bestemmingsplan niet vergroot wordt. Dat betekent dat de toename gesteld kan worden op < 0 m (ruim onder de 500 m ), waardoor er geen retentievoorziening behoeft te worden aangelegd op basis van de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor onderhavig plan geldt tevens het beleid van de gemeente Oosterhout. Het hemelwater, afkomstig van de te realiseren woning met bijgebouw en erfverharding, wordt geïnfiltreerd in eigen bodem.
De woning worden aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel zodat het huishoudelijk afvalwater hierop geloosd kan worden. 2
2
2
De hemelwaterafvoer kan dus op relatief eenvoudige wijze worden afgekoppeld zodat het relatief schone hemelwater niet in het riool terecht komt. Daarbij moet ervoor gezorgd worden dat er geen vervuilende stoffen in het milieu terecht komen. Dat betekent dat voor de regenwaterafvoer van de nieuwbouw milieuvriendelijke stoffen gebruikt moeten worden en dat uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC niet mogen worden gebruikt. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Gezien de ligging in een grondwaterbeschermingsgebied moet bij het infiltreren van hemelwater een melding worden gedaan bij de provincie. Indien het regenwater wordt afgevoerd via een sloot, dan moet een watervergunning worden aangevraagd bij het waterschap. Ter plaatse geldt ook een boringsvrije zone. De geplande gebouwen kunnen op een traditionele fundering gerealiseerd worden en hoeven niet onderheid te worden. Het bestemmingsplan vormt geen bedreiging van de beschermende kleilaag. Conclusie en samenwerking met de waterbeheerder Geconcludeerd wordt dat het aspect water geen belemmering vormt voor onderhavig plan. Onderhavig bestemmingsplan is ter advisering aan het waterschap voorgelegd.
Het wateradvies voorontwerp bestemmingsplan van waterschap ‘Brabantse Delta’ is als bijlage in onderhavige toelichting opgenomen. Aangezien de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap naar wens zijn opgenomen in het voorontwerp bestemmingsplan heeft het waterschap een positief wateradvies afgegeven.
4.6
BODEM In een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden dat de in het plan toegelaten bestemming passend is in relatie tot de bodemkwaliteit. De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de volgens de bestemming toegestane functie(s). Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6. Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel wordt verwezen naar artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierin is
40Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
geregeld dat het gemeentebestuur bij haar besluitvorming de nodige kennis over de relevante feiten en af te wegen belangen vergaart. De gronden ter plaatse van het zuidelijk gedeelte van het plangebied, waarop de agrarische bestemming gehandhaafd blijft, wijzigen niet van bodemklassificatie omdat de agrarische inrichting niet wordt beëindigd. De rundveehouderij wordt beëindigd, wat gepaard gaat met sloop van een gedeelte van de bebouwing, maar de akkerbouwactiviteiten ter plaatse blijven gehandhaafd. Het is niet aannemelijk dat ter plaatse de bodem vervuild is door de gevestigde rundveehouderij. De te slopen ligboxenstal met melkstal is voorzien van vloeistofdichte mestkelders en vloeren om bodemverontreiniging te voorkomen. Alvorens deze stal gesloopt wordt zullen de mestkelders leeg worden gereden om eventuele bodemvervuiling tijdens de sloopwerkzaamheden te voorkomen. De werktuigenberging, waarbinnen nuchtere kalveren werden opgevangen in mobiele iglo’s, wordt gesloopt en is eveneens uitgevoerd met een vloeistofdichte vloer als ook de bestaande voerplaten/sleufsilo’s en vaste mestopslag. De te verwijderen kas heeft altijd op de vollegrond gestaan en heeft dienst gedaan voor het telen van groenten, waarbij nooit bestrijdingsmiddelen bij gebruikt zijn.
De betreffende berging is gebruikt voor de stalling van tuinmaterialen, maar hierbinnen heeft nooit opslag van bodembedreigende stoffen plaatsgevonden en er hebben nooit bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Ter plaatse van het gebouwtje waarbinnen de onderwaterberegeningspomp is gesitueerd en voorheen een dieseltank in lekbak is het ook niet aannemelijk dat bodemverontreiniging heeft plaatsgevonden aangezien de dieseltank altijd in een vloeistofdichte lekbak heeft gestaan. Uit de milieutekening is verder te herleiden dat bestrijdingsmiddelen t.b.v. het bedrijf worden opgeslagen in een opslagruimte binnen de te handhaven jongveestal. Daarnaast blijft de dieseltank die in de te machineberging staat gehandhaafd binnen dit gebouw. Daarnaast worden op de gronden waarop wordt gesloopt geen nieuwe gebouwen meer opgericht en er worden geen nieuwe verblijfsruimtes gerealiseerd. De gronden waar de nieuwe woning wordt gerealiseerd zijn in gebruik als agrarische productiegrond (weiland). Dit gegeven, in combinatie met de beschikbare historische informatie (het gemeentelijk bodeminformatiesysteem), zijn er geen aanwijzingen, dat er sprake is van een bodemverontreiniging en is aannemelijk dat het aspect bodem geen belemmeringen opwerpt voor de realisering van de onderhavige ontwikkeling. In juli/augustus 2014 is door Wematech een milieukundig bodemonderzoek ingesteld11.
Verwezen wordt naar bijlage 5 bij deze toelichting. De conclusies van het rapport luiden: "Doel van het onderzoek is het verkrijgen van een inzicht in de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor de voorgenomen bouwplannen ter plaatse. Het veldwerk is uitgevoerd in juli 2014. Tijdens de controle van het terrein zijn op het maaiveld ter plaatse van de moestuin twee stukjes asbestverdacht materiaal aangetroffen. Vermoedelijk zijn deze stukjes materiaal afkomstig van de daken van de nabij gesitueerde bebouwing. Tijdens het verrichten van de grondboringen zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Bij de uitgevoerde grondboringen zijn, op basis van zintuiglijke beoordeling, geen relevante bijzonderheden en/of afwijkingen aangetroffen.
11 Verkennend Bodemonderzoek “Groenestraat ong.”, Dorst, Roosendaal, 2014, bijgevoegd als bijlage 5 bij deze toelichting.
41Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
Wet bodembescherming Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond niet verontreinigd is. De ondergrond is licht verontreinigd met PCB. Het grondwater is licht verontreinigd met nikkel en xylenen. Besluit bodemkwaliteit Geconcludeerd kan worden dat zowel de bovengrond als de ondergrond voldoet aan de achtergrondwaarde. De eventueel tijdens de bouwactiviteiten vrijkomende bovengrond is geschikt voor hergebruik ter plaatse. Mogelijk kan de bovengrond voldoen aan de eisen voor achtergrondwaarden grond. Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te worden aan hetgeen wat beschreven staat in de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit (aanwezigheid bodemfunctiekaart en/of AP04 onderzoek). Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden. Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese "niet verdachte locatie" formeel gezien verworpen te worden. Gezien de geringe overschrijdingen en het van nature voorkomen van verhoogde achtergrondgehaltes in het grondwater is het echter gerechtvaardigd de gestelde hypothese te accepteren.
Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de gronden grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat binnen de huidige functieklasse geen directe gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie. Hierbij wordt wel opgemerkt dat de aangetroffen asbestverdachte materialen op het maaiveld formeel gezien wel aanleiding kunnen geven tot het uitvoeren van een asbestonderzoek in de grond. De verkregen resultaten geven voor het overige geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Geadviseerd wordt op het terrein een verkennend onderzoek asbest (en eventueel opvolgend een nader onderzoek asbest) uit te voeren om na te gaan of de verdenking op asbest al dan niet terecht is. Tevens kunnen de aangetroffen plaatjes in eerste instantie nog onderzocht worden op de asbesthoudendheid. De resultaten van het onderzoek vormen, met in acht name van bovenstaande, verder geen belemmering de voorgenomen bouwplannen ter plaatse te realiseren. Geadviseerd wordt de resultaten van het onderzoek bij de aanvraag om omgevingsvergunning te voegen." Conclusie Op basis van dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit met in acht name van het voorafgaande, geen belemmering vormt voor de realisering van onderhavig plan (bestemmingsplanfase).
Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning betreffende de te realiseren woning dient een bodemonderzoek te worden bijgevoegd. De gemeente heeft aangegeven dat bij dit onderzoek expliciet gekeken moet worden naar asbestverdachte materialen in de bodem. Gezien het bovenstaande en rekening houdende met de huidige milieusituatie ter plaatse van Groenestraat 2 is het niet aannemelijk dat de bodem ter plaatse verontreinigd is. Daardoor is het niet reëel om een bodemonderzoek te verlangen voor de beëindiging van een gedeelte van de agrarische bedrijfsvoering waarmee de bodemklassificatie ter plaatse van deze gronden niet wijzigt. Daarnaast zijn, wat dus niet aannemelijk is, bij een eventuele bodemverontreiniging ter plaatse de financiële gevolgen niet dusdanig groot dat de haalbaarheid van onderhavig plan in het geding komt. In onderhavige situatie is geen bodemonderzoek noodzakelijk om het bovenstaande te bevestigen. Daarnaast verandert de activiteit op de gronden niet waardoor het niet nodig is om de actuele kwaliteit van de
42Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
bodem vast te stellen. Immers de kwaliteit zal ter plaatse niet beïnvloed gaan worden door een nieuwe activiteit.
4.7
(ONDERGRONDSE) INFRASTRUCTUUR Kabels, leidingen en straalpaden dienen te worden beschermd tegen ingrepen die de werking ervan kunnen bedreigen. Aan de andere kant dient de omgeving te worden beschermd tegen het gevaar dat van bestaande en toekomstige leidingen, kabels en hoogspanningslijnen kan uitgaan. Uit inventarisatie is gebleken dat er zich binnen of in de directe omgeving van het plangebied geen grote kabels, leidingen of straalpaden bevinden. De ligging van huisaansluitingen en andere ondergeschikte leidingen dienen voor aanvang van de bouwwerkzaamheden vastgesteld te worden door een KLIC-melding in te dienen.
4.8
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Bij het toekennen van een nieuwe functie aan een gebied dient rekening gehouden te worden met milieuzonering. Het doel daarvan is enerzijds om de kwaliteit van het woonen leefmilieu te handhaven en te bevorderen en anderzijds om bedrijven voldoende ruimte te bieden voor de uitoefening van hun bedrijfsactiviteiten. In de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in 2009, is een bedrijvenlijst opgenomen die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. Per type bedrijf zijn in de lijst richtafstanden tot gevoelige bestemmingen weergegeven. Het gaat om richtafstanden met betrekking tot de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De opgenomen richtafstanden betreffen de indicatief aan te houden afstanden tussen een hinder veroorzakende en een milieugevoelige functie. Deze afstand dient gemeten te worden tussen de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en de uiterste situering van de gevel van een woning (milieugevoelig object). Onderzoek Het agrarisch bedrijf aan de Groenestraat 2 (gelegen binnen het plangebied) heeft nu nog een bestemming waarbinnen een veehouderijbedrijf en een akkerbouwbedrijf is toegestaan.
Planologisch gezien kan het bedrijf op basis van het geldende bestemmingsplan in de VNG-lijst worden ingedeeld in de categorie ‘Fokken en houden van rundvee’ en ‘Akkerbouw (bedrijfsgebouwen)’. In onderstaande tabel zijn de bijbehorende richtafstanden weergegeven. Omschrijving Fokken en houden van rundvee Akkerbouw (bedrijfsgebouwen) •
Afstanden in meters Geur Stof 100 30
Geluid 30
Gevaar 0
3.1
10
30
10
2
10
Categorie
Figuur 4.4: Tabel Richtafstandenlijst ‘Bedrijven en milieuzonering’
In de nieuwe situatie wordt ter plaatse van de locatie Groenestraat 2 te Dorst het agrarisch bouwvlak verkleind en komt het agrarische bouwvlak aan de overzijde van de straat te vervallen. In de regels van onderhavig bestemmingsplan wordt het houden van vee en het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen uitgesloten. Hiermee komen de bovengenoemde richtafstanden voor het fokken en houden van rundvee te vervallen. De akkerbouwtak blijft 43Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
bestaan binnen de te handhaven bedrijfsgebouwen, wat de reden is dat ter plaatse van het bouwvlak de enkelbestemming ‘Agrarisch’ blijft gelden. Op de gronden aan de andere zijde van de straat wordt één woonkavel gerealiseerd. Een woonfunctie betreft een milieugevoelige functie. Aangetoond dient te worden dat de woning geen belemmering vormt voor hinderlijke bedrijven in de omgeving maar ook het akkerbouwbedrijf binnen het plangebied niet belemmert in de bedrijfsvoering. De woning heeft geen nadelige invloed op andere milieugevoelige functies in de omgeving. In onderstaande tabel zijn de in de omgeving aanwezige niet-woonfuncties gelegen die potentieel milieuhinder kunnen veroorzaken opgenomen. Niet-woonfuncties in de omgeving van de te bouwen woningen Adres Functie Milieucat. Grootste Grootste (VNG) afstand afstand met 1 stap verlaging Groenestraat 2 akker2 30 10 bouw Groenestraat 3-5
galerie
1
10
0
Bavelstraat 11/11a
paardenpension
3.1
50
30
Bavelstraat 21
rundveehouderij
3.2
100
50
•
Figuur 4.5: Tabel Niet-woonfuncties in de omgeving van de te bouwen woningen
Gemengd gebied Het plangebied kan volgens de brochure Bedrijven en Milieuzonering beschouwd worden als een gemengd gebied (een gebied met bebouwing met overwegend agrarische functies en andere bedrijvigheid). De brochure geeft aan dat voor een gemengd gebied een kleinere afstand tussen bedrijf en woning aangehouden mag worden, dan in een gebied dat gekenmerkt wordt als rustige woonwijk. Er mag in dat geval een afstandsstap worden verkleind. Conclusie De nieuw te realiseren woning is niet gelegen binnen de richtafstanden van niet-agrarische bedrijven in de omgeving en de richtafstanden van de (semi-)agrarische bedrijven op de locatie Groenestraat 2 en Bavelstraat 11/11a. De woning kan echter niet voldoen aan de richtafstand van 50 meter voor geur tot de grens van de bestemming van de rundveehouderij op de locatie Bavelstraat 21. Gezien het feit dat wel aan de benodigde afstanden voldaan kan worden zoals opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij/ Activiteitenbesluit Wet milieubeheer, zie paragraaf 4.9, wordt geconcludeerd dat onderhavig plan de bedrijven in de omgeving niet belemmerd in de huidige en toekomstige bedrijfsvoering. Afstanden die middels wet- en regelgeving zijn vastgesteld zijn immers bepalend.
4.9
GEURHINDER Wettelijk kader Voor de beoordeling van geurhinder is, gelet op de ligging nabij veehouderijen, de geurhinder daarvan bepalend voor het plangebied. Daarvoor is de Wet geurhinder en veehouderij en/of het Activiteitenbesluit het wettelijk kader. Daarin zijn geurnormen 44Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
opgenomen voor diverse activiteiten waaraan een veehouderij moet voldoen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen dierverblijven en o.a. agrarische bedrijfsstoffen. Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) De Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv), in werking getreden op 1 januari 2007, schept het beoordelingskader voor geurhinder als gevolg van tot een veehouderij behorende dierenverblijven. Er wordt getoetst aan de geurbelasting vanwege vergunningplichtige veehouderijbedrijven dan wel een vaste afstand die daarvoor geldt, op de in de omgeving liggende geurgevoelige objecten. Activiteitenbesluit Voor niet-vergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbesluit milieubeheer het toetsingskader voor de geurhinder vanwege dierenverblijven. Voor de overige activiteiten gelden de voorschriften van de omgevingsvergunning danwel van het Activiteitenbesluit. Voor agrarische bedrijfsstoffen gelden de (geur)regels van hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige veehouderijen. Ruimtelijke ontwikkeling Het wettelijk kader heeft ook consequenties voor de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke plannen. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen geurhinder.
Daarom dient het bevoegd gezag dan ook niet toe te staan dat nieuwe plannen worden gerealiseerd op plaatsen waar de geurhinder onaanvaardbaar hoog is of door nieuwe ontwikkelingen te hoog wordt. Onderhavig plan voorziet in de nieuwbouw van één woning op een kavel die na 19 maart 2000 nog in gebruik was als veehouderij. Dit houdt in dat op basis van de Wgv dan wel het Ab enkel getoetst hoeft te worden aan de vaste afstand van 50 meter (gezien de ligging van de woning buiten de bebouwde kom) tussen de buitenzijde van het gevoelige object tot het emissiepunt van een bedrijf met afstandsdieren als tot een bedrijf met dieren met een geuremissiefactor. Op basis van het hiervoor genoemde artikel hoeft niet getoetst te worden aan de geurbelasting (voorgrondbelasting12) die een bedrijf met dieren met een geuremissiefactor heeft op de te realiseren woning (geurgevoelige object) omdat deze wordt gerealiseerd op een kavel die na 19 maart 2000 nog in gebruik was als veehouderij. Tevens geldt voor nieuwe situaties een minimum afstand van een geurgevoelig object tot een dierenverblijf van 25 m buiten de bebouwde kom. Voor overige activiteiten (o.a. agrarische bedrijfsstoffen) gelden (vaste) afstandnormen van 50, 25 of nul meter. Bij besluitvorming rondom een bestemmingsplan moet worden gekeken of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’.
De grondslag hiervoor ligt in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voor geurhinder houdt dit in dat de volgende aspecten nader onderzocht dienen te worden: - Wordt door het plan niemand onevenredig in zijn of haar belangen geschaad? (belang veehouderij); - Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en verblijfsklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).
12 De voorgrondbelasting is de geurbelasting van één individuele veehouderij op een geurgevoelig object. Het bepalen van de voorgrondbelasting is van belang om te bepalen of het plan niemand onevenredig belemmerd in zijn of haar bedrijfsvoering.
45Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
Wordt door het plan niemand onevenredig in zijn of haar belangen geschaad? Binnen 50 meter van de rand van het plangebied waarbinnen de nieuwe woonkavel wordt gerealiseerd zijn de bestemmingsvlakken van twee bedrijven gelegen waar dieren worden gehouden en planologisch gezien dieren gehouden kunnen worden. Dit betreft een paardenpension op de locatie Bavelstraat 11/11a, ten noorden van het noordelijk gedeelte van het plangebied, en een rundveehouderij op de locatie Bavelstraat 21, ten zuidwesten van de te realiseren woningen. De emissiepunten van de dierenverblijven op deze locaties zijn allemaal op meer dan 50 meter van het plangebied gelegen. Daarnaast dient bij onderhavig plan rekening gehouden te worden met de maximale planologische mogelijkheden van deze bedrijven (omgekeerde werking) zodat deze bedrijven door de ontwikkelingen binnen het plangebied ook in de toekomst niet extra in zijn of haar belangen geschaad worden. Het paardenpension op de locatie Bavelstraat 11/11a heeft planologisch de mogelijkheid om te bouwen tot op 1,5 meter van de bouwperceelsgrens (bestemmingsvlak). Om dit bedrijf niet onevenredig in zijn of haar belangen te schaden is het reëel om de enkelbestemming ‘wonen’ of eventueel het bouwvlak waarbinnen de woning gerealiseerd kan worden op minimaal 50 meter van het bestemmingsvlak van dit bedrijf te realiseren. Daaraan wordt voldaan.
Nu voor de overige activiteiten (o.a. agrarische bedrijfsstoffen) de grootste afstand ook 50 m bedraagt wordt daar ook aan voldaan. Het bedrijf wordt niet belemmerd vanwege geur. De rundveehouderij, met twee vergunde stallen, op de locatie Bavelstraat 21wordt ingesloten door 3 nabijgelegen bestaande woningen: Bavelstraat 12 en 19 en Groenestraat 2. Voor de geurproducerende activiteiten is voor de afstand tot een geurgevoelig object de ligging van het emissiepunt van belang. De maximale planologische uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderij worden beperkt door het geldende bestemmingsplan én door de bestaande woningen. Voor zover het bedrijfsperceel is gelegen binnen de (geldende) geurafstand tot die woningen zijn daarbinnen geen emissiepunten toegelaten. In figuur 1 in bijlage 9 zijn de geurafstanden (50 en 25 m), gerekend vanaf de bestaande (relevante) woningen, aangegeven. Gelet op deze omgekeerde werking wordt de veehouderij niet door de geprojecteerde woning (bouwvlak plangebied) belemmerd. Buiten het bouwvlak in het plangebied zijn geurgevoelige objecten niet rechtstreeks mogelijk. In figuur 2 in bijlage 9 is de kortste afstand tussen het bedrijfsperceel (kadastraal) en het plangebied (bouwvlak) respectievelijk de nieuwe woning ter plaatse van Groenestraat 1 aangegeven.
Uit figuur 1 en 2 kan worden afgeleid dat de woning Groenestraat 2 altijd dichterbij een punt op het bedrijfsperceel is gelegen dan de nieuwe geprojecteerde woning. Dat betekent dat vanwege geurhinder geen extra belemmering van de veehouderij is. De kortste afstand tussen het bouwvlak van het plangebied waarbinnen de nieuwe woning wordt gesitueerd en het bedrijfsperceel bedraagt ruim 41 m. Geconcludeerd wordt dat onderhavig plan geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van deze bedrijven met dieren. Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en verblijfsklimaat gegarandeerd? T.a.v. het woon- en leefklimaat is het geurbeleid van belang. Dat houdt in dat een nieuw geurgevoelig object niet mag zijn gelegen binnen de geurcontour van een veehouderij waarvoor een vaste afstand geldt dan wel van een veehouderij waarvoor geurnormen (in ou/m3) gelden. In dat geval niet binnen de geurcontour van 3 ou/m3 van de voorgrondbelasting of 6,5 ou/m3 van de achtergrondbelasting voor geur. In dit geval is tussen iedere veehouderij en het nieuwe geurgevoelige object een vaste afstand van 50 m van toepassing omdat er sprake is van een woning bij een voormalige veehouderij als bedoeld in art. 14 Wet geurhinder en veehouderij dan wel het Activiteitenbesluit.
46Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
Er geldt een vaste afstand van 50 m (buiten bebouwde kom). Daaraan wordt voldaan voor de dichtstbijgelegen veehouderijen aan de Bavelstraat 11 (paarden), Bavelstraat 21 (rundvee) en Akkerweg 9/Bavelstraat 24 (varkens). Er zijn ook geen andere veehouderijen op een kortere afstand gelegen. Daarmee wordt voldaan aan het geurbeleid en is gelet op de woning bij een voormalige veehouderij sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. Het woon- en leefklimaat is aanvaardbaar en door onderhavig plan wordt niemand onevenredig in zijn of haar belangen geschaad.
4.10
AKOESTIEK Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg) verkeerslawaai, een akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: • wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het berekenen van de cumulatieve geluidbelasting ook rekening gehouden te worden met wegen met een maximale snelheid van 30 km/h). In opdracht van initiatiefnemer is door Wematech Milieu Adviseurs B.V. de geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai bepaald in verband met het bouwplan aan de Groenestraat ong. te Dorst. In het kader van de Wet geluidhinder wordt het volgende geconcludeerd: ‘Ter plaatse van het plangebied zijn de geluidscontouren als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Groenestraat, de Bavelstraat en de Geerstraat inzichtelijk gemaakt. Tevens is een viertal referentiepunten ingevoerd op de grens van het bouwvlak. Hieruit blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ter plaatse van het bouwvlak niet overschreden wordt als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Groenestraat, Bavelstraat en Geerstraat.
Het treffen van geluidreducerende maatregelen en het aanvragen van hogere grenswaarden is derhalve niet aan de orde.’ In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatieve geluidbelasting (alle wegen samen) vanwege het wegverkeerslawaai berekend ter plaatse van het bouwvlak. Uit de rekenresultaten blijkt dat ter plaatse van het bouwvlak sprake is van een geluidbelasting van 48 – 55 dB, wat overeenkomt met een redelijk tot goed woon- en leefklimaat. Hierbij wordt opgemerkt dat zodra de woning gerealiseerd wordt ter plaatse van de achtergevel een beduidend lager geluidniveau zal optreden als gevolg van de afschermende werking van de woning. Gezien het bovenstaande kan gesteld worden dat akoestisch gezien sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woonbestemming.
47Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
Industrielawaai Er dient voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende objecten en hindergevoelige objecten zoals in dit geval woningen. Dit ter bescherming als ter vergroting van het woon- en leefklimaat. De afstanden uit de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering worden hierbij als richtinggevend beschouwd. Om niet alle nieuwe inrichtingen te moeten toetsen is in de vorm van de VNG uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ een pseudowetgeving gecreëerd (pseudowetgeving is geen wetgeving maar algemeen door de rechter aanvaarde methode). De eerste toets aan ‘geluid afkomstig vanuit de inrichting’ wordt aangesloten bij deze systematiek en is weergegeven in paragraaf ‘Bedrijven en milieuzonering’. Uit deze toets is gebleken dat aan de richtafstanden van de VNG uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ kan worden voldaan (zie paragraaf 4.8). Aanvullend zal men bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige objecten rekening dienen te houden met de maximale planologische mogelijkheden van omliggende bedrijven om deze niet te belemmeren in hun toekomstige bedrijfsvoering. In onderhavige situatie zijn in de directe nabijheid van het plangebied de volgende bedrijven gelegen waarvan wij het reëel vinden om hier verder op in te gaan: 1. Groenestraat 2 te Dorst. 2. Bavelstraat 21 Dorst; 3. Bavelstraat 11/11a te Dorst.
Voor de beoordeling van de geluidhinder van de genoemde bedrijven is de geldende omgevingsvergunning (milieu) al of niet in combinatie het Activiteitenbesluit van belang. De daarin van toepassing zijnde geluidnormen bepalen mede het woon- en leefklimaat vanwege geluid. Dat kader bevat waarden voor het beschermingsniveau tegen geluidhinder. Het gaat om het toegestane langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LArt,LT) en het maximale geluidsniveau (LAmax). De maximale waarde van het LArt,LT op de gevel van gevoelige gebouwen is gelegen op 50 dB(A) tussen 07-19 uur, 45 dB(A) tussen 19-23 uur en 40 dB(A) tussen 23-07 uur of soms op een wat lagere geluidnorm. Onderhavig plan strekt tot het behoud van de planologische mogelijkheden om ter plaatse van de Groenestraat 2 nog een akkerbouwbedrijf te exploiteren. De exploitatie van een veehouderij is na vaststelling van onderhavig plan niet meer mogelijk. De locatie Groenestraat 2 blijft, zoals in de huidige situatie ontsloten middels een uitrit op de Groenestraat en een uitrit op de Leverstraat. De uitrit op de Groenestraat is direct tegenover de te realiseren bouwkavels gelegen. Deze uitrit wordt in de huidige als in de toekomstige situatie enkel gebruikt ter ontsluiting van het personenverkeer dat het bedrijf bezoekt en niet t.b.v. het bedrijfsverkeer. Het bedrijfsverkeer ontsluit enkel via de Leverstraat.
Dit aangezien de indeling van het bedrijf het niet mogelijk maakt om qua manoeuvreerruimte de grote voertuigen en machines te ontsluiten via de Groenestraat. Daarnaast is een groot gedeelte van de akkerbouwgronden van het bedrijf direct rondom de bedrijfslocatie gelegen. Deze gronden worden direct ontsloten via de Leverstraat. Dit houdt in dat een groot gedeelte van de tijd de voertuigbewegingen t.b.v. de inrichting niet in de verkeersbewegingen van de omliggende wegen opgaan. Daarnaast heeft initiatiefnemer ook nog akkerbouwgronden elders liggen. De ontsluiting van het bedrijf geschiedt dan via de Leverstraat en dan rechts naar de Groenestraat. Het aantal vervoersbewegingen in een worst-case scenario dat op één dag plaatsvindt op de locatie is gelegen op 20 (10 bewegingen naar de inrichting toe en 10 bewegingen die de inrichting
48Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)
verlaten). Enkel in drukke periodes vindt dit aantal vervoersbewegingen hier plaats. Aangezien dat dit aantal vervoersbewegingen op het bedrijf sporadisch/incidenteel plaatsvindt kan gesteld worden dat dit verkeer opgaat in het geschetste verkeersbeeld van de Groenestraat. Daarnaast komt het verkeer t.b.v. het melkveebedrijf dat in de huidige situatie gebruik maakt van de Groenestraat te vervallen wat ook weer invloed heeft op het verkeersbeeld van de Groenestraat. Daarnaast is de inrichting niet dusdanig ingericht dat ter plaatse sprake is van veel geluidsemissie. Zo koppelt men de machines binnen een bedrijfsgebouw aan de tractor en verlaat men direct de inrichting. Daarnaast slaat men ter plaatse geen akkerbouwproducten op, waardoor geen geluidsemissie ontstaat door het laden en lossen van deze producten en tussentijds het stationaire draaien van motoren. Gezien het bovenstaande is het aannemelijk dat de geluidsproductie van het bedrijf de maximale toegestane waarden van het LArt,LT op de gevel van de nieuwe gevoelige woning niet overstijgt. De uitrit aan de Groenestraat is op circa 23 meter van de woonbestemming op de Groenestraat 4 gelegen, waardoor het aannemelijk is dat binnen een cirkel/contour van 23 meter vanaf de uitrit de LArt,LT op de gevel van de nieuwe gevoelige woning niet overstijgt.
Het bouwvlak van de nieuwe woning is gelegen op meer dan 23 meter waardoor gezien de feitelijke als inrichtingstechnische bedrijfssituatie ter plaatse gesteld kan worden dat het bedrijf op de Groenestraat 2 niet belemmerd wordt in de bedrijfsvoering qua geluid door de realisatie van de nieuwe woning. Het bedrijf zal in het kader van het milieuaspect immers eerder belemmerd worden door de woonbestemming op de Groenestraat 4. De realisatie van één woning leidt daardoor niet tot een extra belemmering van de toekomstige bedrijfsvoering van het akkerbouwbedrijf op Groenestraat 2. Ter plaatse van de Bavelstraat 21 te Dorst wordt een rundveebedrijf met zoogkoeien en jongvee geëxploiteerd. Milieutechnisch heeft het bedrijf beperkt de mogelijkheid om het bedrijf richting de te realiseren bouwkavels uit te breiden. Echter zoals uit het gestelde onder het kopje “Geurhinder” is gebleken is het plangebied (bouwvlak) altijd verder van het bedrijfsperceel gelegen dan de woning van Groenestraat 2. Het bedrijf moet voldoen aan een geluidbelasting van 40 dB(A) danwel 50 dB(A) (etmaalwaarde) op een woning. De geluidbelasting in het plangebied is door de grotere afstand 1 – 5 dB(A) lager. Het bedrijf is daarnaast ontsloten op de Bavelstraat. Gelet op de aard van de omgeving en nabij een kruispunt van wegen is de te verwachten geluidbelasting aanvaardbaar.