CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

5. OBP Toelichting Groenestraat 1-2 Dorst.pdf

Raadsvergadering 27 september 2022, gemeente OosterhoutBij agendapunt: raadsvoorstel 357883 vaststellen bestemmingsplan "Buitengebied 2013 (incl. lint Oosteind) herz. 24 (Groenestraat 1-2)"22.602 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Ter plaatse van Bavelstraat 11/11a wordt planologisch en feitelijk een paardenpension geëxploiteerd. Geluidsbronnen bij een paardenpension bestaan met name uit aan- en afvoerbewegingen van mensen die hun paard ter plaatse hebben gestald en uit het laden en lossen van materialen en producten zoals hooi/stro en voer. Dit bedrijf wordt ontsloten middels één uitrit op de Bavelstraat. Gezien het feit dat op kortere afstand van deze inrichting drie woningen zijn gelegen en de nieuwe woning verder van deze inrichting wordt gerealiseerd is het aannemelijk dat de geluidsbelasting afkomstig van deze inrichting op de nieuwe woning gelegen is beneden de toegestane geluidsbelasting aanvaardbaar. De inrichting wordt immers eerder al belemmerd door de woningen die op kortere afstand zijn gelegen. Conclusie Voor wat betreft het aspect geluid zijn er geen belemmeringen door onderhavig plan voor de omliggende bedrijven en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de geprojecteerde woonkavel.

49Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

4.11

LUCHTKWALITEIT De ‘Wet luchtkwaliteit’, in werking getreden op 15 november 2007 (Wlk2007), is op rijksniveau een implementatie van enkele Europese richtlijnen, waarin luchtkwaliteitsnormen zijn vastgelegd. Deze wet bevat grenswaarden, plandrempels en alarmdrempels voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen. Verder geeft de Wet luchtkwaliteit aan op welke termijn deze normen gelden en gehaald moeten worden en welke bestuursorganen verantwoordelijk zijn voor het halen van die normen. In artikel 4 van het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de bijlagen van de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De regeling 'Niet in betekenende mate' is in het leven geroepen om kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen niet onnodig te frustreren of vertragen. De regeling geeft een harde omschrijving van een aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij één ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto en bij twee ontsluitingswegen een aantal van 3.000 woningen netto. Het plan betreft de beëindiging van een veehouderij en de realisatie van maximaal één nieuwe woning.

Het plan kan daarmee als ‘Niet in betekenende mate’ worden aangemerkt. Een toetsing aan de grenswaarden kan daarmee achterwege blijven. Bovendien wordt de veehouderij op de locatie Groenestraat 2 beëindigd. In de nieuwe situatie wordt de veehouderij gesaneerd en wordt in het bestemmingsplan het houden van vee op de locatie uitgesloten, waardoor het oprichten van een veehouderij niet (meer) mogelijk is. Het plan leidt daarmee tot een verbetering van de luchtkwaliteit binnen het plangebied en de omgeving, doordat de fijnstofemissie, afkomstig van de veehouderij, wordt weggenomen. Naast het effect dat het plan heeft op de luchtkwaliteit dient ook gekeken te worden naar de luchtkwaliteit binnen het plangebied zelf. Het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt deels bepaald door de luchtkwaliteit. De bedrijfswoning wordt gehandhaafd t.b.v. het akkerbouwbedrijf. Daarnaast wordt één nieuwe woning gerealiseerd. In de nieuwe situatie is er sprak van één bestaand gevoelig object en één nieuw gevoelige object. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van het plangebied zijn dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden uit de GCN-kaarten van het RIVM.

50Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

•

Figuur 4.6: GCN-kaart RIVM fijnstof (bron:geodata.rivm.nl), plangebied globaal aangeduid met rode ster

•

Figuur 4.7: GCN-kaart RIVM stikstofdioxide (bron:geodata.rivm.nl), plangebied globaal aangeduid met rode ster

De achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied ligt < 18 μg/m3, de norm bedraagt 40 μg/m3. Gezien de achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied en het feit dat in de omgeving enkel veehouderijbedrijven zijn gelegen met dieren met een lage fijnstofemissie wordt geconcludeerd dat veehouderijbedrijven in de omgeving niet beperkt worden in de ontwikkelingsmogelijkheden door het onderhavige

51Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

plan. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied ligt tussen de 10 en 15 μg/m3, de norm bedraagt 40 μg/m3. Conclusie De conclusie is dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbare luchtkwaliteit en dat bedrijven in de omgeving op basis van luchtkwaliteit door onderhavige ontwikkeling niet belemmerd worden in hun (toekomstige) bedrijfsvoering. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.

4.12

EXTERNE VEILIGHEID Bij een herziening van een bestemmingsplan moet een toetsing op externe veiligheidsaspecten plaats vinden. Daarbij zijn van belang: het Besluit externe veiligheid, het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en het Besluit externe veiligheid transportroutes. Voor de toetsing aan Externe veiligheid zijn de volgende onderdelen te onderscheiden: - risicovolle activiteiten binnen de inrichting; - risicovolle activiteiten buiten de inrichting; - transportroutes (weg, water, spoor); - buisleidingen. Risicovolle activiteiten binnen de inrichting Het plan sluit risicovolle (bedrijfs)activiteiten ter plaatse van de bestemming wonen uit. De regeling ten aanzien van het resterende deel van het agrarisch bouwvlak bepaalt (ex artikel 3.4.1, lid h) dat de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan, die een 10-6 risicocontour hebben en die de aanduiding 'bouwvlak' overschrijdt, met uitzondering van bestaande situaties. Hiermee voldoet het plan aan de eisen t.a.v. risicovolle activiteiten binnen de inrichting. Risicovolle activiteiten buiten de inrichting In de omgeving zijn geen risicovolle activiteiten aanwezig in de zin van het Besluit externe veiligheid, die van invloed kunnen zijn op de realisering van de nieuwe woning.

De dichtstbijzijnde inrichting is een bovengrondse propaantank op een afstand van 530 m (risicokaart Noord-Brabant). Gezien deze afstand is deze niet relevant voor de risicobeoordeling. De afwezigheid van risicovolle activiteiten in omgeving, maakt dat er qua externe veiligheid geen beperkingen zijn voor de voorgenomen oprichting van een burgerwoning. Transportroutes (weg, water, spoor) Nabij het plangebied is een spoorweg en provinciale weg gelegen, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De spoorlijn Breda-Tilburg ligt op ruim 700 m ten noorden van het plangebied. De Rijksweg is gelegen op circa 200 m van het plangebied. Het plaatsgebonden risico van de spoorweg en de weg is dicht bij de (spoor)weg gelegen en raakt het plangebied niet. Voor zover het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico vanwege de (spoor)weg zal de realisatie van één woning daarop slechts een verwaarloosbare invloed hebben, gelet op het stedelijk karakter van het kerndorp. Geconcludeerd kan worden dat er na de planherziening sprake is van ongewijzigd aanvaardbaar veiligheidsniveau.

52Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

Buisleidingen In de omgeving zijn geen buisleidingen gelegen die van invloed zijn op het plangebied. De voormalige buisleiding voor aardgas langs het spoor (noordzijde) is buiten gebruik gesteld. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor realisatie van onderhavig plan.

4.13

VERKEER EN PARKEREN

Verkeer Het voorliggende bestemmingsplan betreft de sanering van een veehouderij, de voortzetting van de bestaande akkerbouwactiviteiten en de realisatie van één woonkavel. De verkeersaantrekkende werking van onderhavige ontwikkeling is marginaal: de toename van het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van de te realiseren woning bedraagt rond de 8 verkeersbewegingen per etmaal13. De verkeersintensiteiten t.b.v. de veehouderij14, welke met name bestaan uit zwaardere voertuigen, komen te vervallen. De verkeersintensiteiten t.b.v. de akkerbouwtak wijzigen niet. De realisatie van één woonkavel leidt daarentegen tot een beperkte toename van de lichtere verkeersintensiteiten (personenwagens). Het plan heeft per saldo geen negatieve consequenties voor de verkeerssituatie ter plaatse en er zal geen extra verkeersoverlast voor de omgeving ontstaan. De te realiseren woonkavel wordt apart, middels een te realiseren uitrit, ontsloten via de Groenestraat en het akkerbouwbedrijf blijft middels de bestaande privéuitrit ontsloten via deze straat. Dit betreft een plattelandsweg waarlangs meerdere woningen en agrarische bedrijven liggen. Het akkerbouwbedrijf blijft daarnaast middels één bestaande bedrijfsuitrit ontsloten op de Leverstraat. Dit betreft een doodlopende weg die weer ontsloten wordt op de Groenestraat.

Een goede verkeersafwikkeling via de bestaande infrastructuur is hierdoor gewaarborgd. Parkeren De gemeente Oosterhout heeft naar aanleiding van de op 29 november 2014 gewijzigde Woningwet, het paraplubestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Oosterhout 2018’ vastgesteld. In dit plan staat o.a. dat de gemeente bij een omgevingsvergunning toetst of op basis van het op 15 december 2009 door de gemeenteraad vastgestelde gemeentelijke parkeerbeleid, als neergelegd in de nota ‘Stilstaan in de toekomst; Parkeerbeleid op de middellange termijn (2020)’ of de eventuele wijzigingen daarop, wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en/of ruimte voor laden en lossen. Op 22 mei 2019 heeft de gemeenteraad besloten de parkeernormen te actualiseren. Deze normen zijn van toepassing bij nieuwbouw en verbouw van bestaande locaties. Hoofddoel van het opstellen en hanteren van parkeernormen is het voorkomen van een te hoge parkeerdruk in de openbare ruimte door nieuwe ontwikkelingen. Als uitgangspunt geldt dat nieuwe ontwikkelingen meer parkeerdruk zullen genereren. 13 C.R.O.W.: Toekomstbestendig parkeren, Ede, 2018: verkeersgeneratie koopwoning, vrijstaand, matig stedelijke omgeving, buitengebied: 7,8-8,6 mvt/etm. 14 Verkeersintensiteiten melkveehouderij bestaan uit vrachtwagenbewegingen t.b.v.

het ophalen van melk, het brengen van veevoer, aanvoeren grond- en hulpstoffen, afvoeren mest en kadavers, laden en lossen vee. Daarnaast bestaan deze uit bewegingen van personenauto’s en bestelauto’s t.b.v. van bezoekersverkeer en/of aanvoer van goederen (o.a. veearts, monteur, adviseur, etc.).

53Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

Voor koopwoningen met een koopsom welke is gelegen boven de € 300.000,=, waar de te realiseren woning aan gelijk is te stellen, geldt een parkeernorm voor auto’s in de zone overig van 2,1 in totaal (dit is inclusief het aandeel voor bezoek van 0,3) per woning. Daarnaast wordt een parkeernorm per woning gehanteerd voort het stallen van fietsen van 5 fietsen in totaal. Het parkeren bij de woning zal op eigen terrein geschieden. Hiervoor dienen minimaal 2 parkeerplaatsen bij de woning aangelegd te worden, waarbij een garage met enkele oprit telt als één parkeerplaats15. Het bestemmingsvlak (1.000 m² groot) biedt hiervoor voldoende ruimte. T.b.v. het agrarische bedrijf neemt de parkeerdruk af door het afstoten van de veehouderijtak. De parkeerdruk zal met name voortkomen vanuit de bedrijfswoning en niet zozeer gerelateerd zijn aan de bedrijfsbebouwing als de bruto vloer oppervlakte. In de nota wordt voor arbeidsextensieve/bezoeker extensieve bedrijven buiten het centrum in het overige gebied een parkeernorm gehanteerd van 1,2 parkeerplaatsen per 100 m² bruto vloer oppervlakte. Deze norm is niet representatief te noemen voor een agrarisch bedrijf omdat deze vaak grote bruto vloer oppervlakte beslaan voor stalling machines, werktuigen en materialen. Dit houdt niet in dat dit gepaard gaat met de gestelde parkeernorm.

In onderhavige situatie blijven twee bedrijfsgebouwen en een klein gebouwtje t.b.v. de onderwater waterpomp gehandhaafd met een totale omvang van 874 m² voor het stallen van machines/ werktuigen, klein bedrijfsmateriaal, bedrijfsauto en als bedrijfskantine, kantoor, douche t.b.v. het bedrijf en als werkplaats t.b.v. het onderhoud van de eigen akkerbouwmachines en werktuigen. Op basis van de gemeentelijke parkeernota houdt dit in dat ter plaatse enkel t.b.v. het bedrijf (oppervlakte bedrijfsgebouwen) een parkeerbehoefte zou bestaan van 10,4 parkeerplaatsen, waarvan 5% (0,52) aandeel bezoekers betreft. In werkelijkheid heeft initiatiefnemer geen personeel. Hiervoor zijn dan ook geen parkeerplaatsen benodigd. Enkele malen per jaar wordt een akkerbouwbedrijf bezocht door een adviseur. In deze situatie is het daarom reëel om maximaal ruimte voor 1 parkeerplaats toe te schrijven aan het akkerbouwbedrijf en 2,1 parkeerplaatsen t.b.v. de bedrijfswoning, wat neerkomt op in totaal 3 tot 4 parkeerplaatsen t.b.v. het akkerbouwbedrijf ter plaatse van Groenestraat 2. Op het terrein is bij de woning als voor het bedrijfsgebouw dat vastzit aan de woning voldoende ruimte voor het parkeren van 4 personenauto’s en eventueel het benodigde aantal fietsen, zie onderstaande figuur.

•

Figuur 4.8: Uitsnede foto’s ter plaatse van een gedeelte van de locatie Groenestraat 2 t.b.v. ruimte voor parkeren (bron:www.streetsmart.cyclomedia.com)

15 Oprit min. 5,0 meter diep (Bron: Berekening Parkeercapaciteit opritten en garages bij woningen in Bijlage 3 van de Nota Parkeernormen 2019 gemeente Oosterhout.

54Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

In artikel 7 van de regels van onderhavig bestemmingsplan zijn de regels m.b.t. parkeren overgenomen uit het paraplubestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Oosterhout 2018’ van de gemeente Oosterhout dat is vastgesteld op 3 juli 2018 en waarvoor sinds 22 mei 2019 de ‘Nota Parkeernormen 2019’ van de gemeente Oosterhout de basis vormt. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor realisatie van onderhavig plan.

4.14

VOLKSGEZONDHEID IN RELATIE TOT VEEHOUDERIJEN Bij het toekennen van een nieuwe functie aan een gebied dient rekening gehouden te worden met mogelijke effecten op de volksgezondheid. In aanvulling op de milieuaspecten, zoals geur, geluid en luchtkwaliteit, die in de voorgaande paragrafen reeds zijn beschreven, wordt hierna aandacht besteed aan de gezondheidsrisico’s rond veehouderijen. Van geur is bekend dat dit kan leiden tot (ernstige) hinder en andere gezondheidsklachten zoals misselijkheid en hoofdpijn. Fijnstof, endotoxinen en biologische agentia aan vee gerelateerd kunnen tot gezondheidseffecten als luchtwegklachten en dier-op-mens overdraagbare infectieziekten leiden. VGO-onderzoeken In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO-1) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO). In het tweede VGO-rapport (aanvullende studies), gepubliceerd op 16 juni 2017, is o.a. onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking.

Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een 29% verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. In het rapport wordt gesteld dat al wel duidelijk is dat Q-koorts geen verklaring voor het verhoogde risico biedt en dat geitenhouderijen voor zover bekend weinig fijnstof en endotoxinen uitstoten. Op 22 oktober 2018 is deelonderzoek VGO-3 bekend gemaakt. In dit deelonderzoek ‘Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegeven uit huisartsenpraktijen 2014-2016’ zijn analyses uit het eerdere VGO-project herhaald voor een recentere periode. Het doel van deze actualisatie is om na te gaan of de associatie tussen wonen in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen en het voorkomen van longontsteking nog steeds kan worden aangetoond voor de jaren 2014-2016. De resultaten van dit deelonderzoek wijzen, net als VGO-2, op een associatie tussen het wonen in de nabijheid van een geitenhouderij en een verhoogd risico op longontsteking.

De associatie tussen een verhoogd risico op longontsteking en het wonen in de buurt van een pluimveehouderij blijkt niet meer statistisch significant te zijn. Het gevolg is dat het nemen van effectieve bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is.

55Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

Vervolgonderzoeken De Minister van Medische Zorg en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben op 22 oktober 2018 een Kamerbrief over het deelonderzoek van VGO-3 naar de Tweede Kamer gestuurd. In deze brief geven de Ministers aan dat het deelonderzoek van VGO-3 het belang van inzicht in de oorzaak van de verhoogde ziektedruk rond geitenhouderijen benadrukt. Naar deze oorzaak wordt onderzoek uitgevoerd om uiteindelijk risicoreducerende maatregelen te kunnen nemen. Aan de vergunningverlening kunnen dan regels worden verbonden voor het toepassen van de bedrijfsgerichte maatregelen (best beschikbare technieken) en de sector geitenhouderij kan zich verantwoord ontwikkelen. Naar verwachting wordt het VGO3 onderzoek in 2021 afgerond. Ondanks dat in het deelonderzoek van VGO-3 de associatie tussen een verhoogd risico op longontsteking en het wonen in de buurt van een pluimveehouderij niet meer is aangetoond, houden de Ministers vast aan het generiek verminderen van de emissies van onder andere fijnstof. Hierover is de afgelopen jaren met de pluimveesector gesproken.

Politieke situatie rondom geitenhouderijen Kamerbrief De (voormalig) Staatssecretaris van Economische Zaken heeft in zijn Kamerbrief met kenmerk DGAN-DAD/17078454 van 16 juni 2017 aangegeven dat het wenselijk is dat bij besluitvorming over geitenhouderijen rekening wordt gehouden met het aanvullend VGOonderzoek. Dit heeft in Noord-Brabant geresulteerd in een bouwstop voor de geitenhouderij. In de kamerbrief is aangegeven dat meer inzicht nodig is, aan de hand van aanvullende onderzoeken, alvorens risicoreducerende maatregelen te kunnen treffen. Er wordt nu nog steeds onderzoek gedaan naar de oorzaak van de ziektedruk rond geitenhouderijen. GGD-advies Op basis van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten om planologisch geen nieuwe gevoelige objecten mogelijk te maken binnen een afstand van 2 km rondom een geitenhouderij. De GGD in Brabant vindt daarnaast dat gemeenten bij het verlenen van vergunningen aan veehouders de aangetoonde effecten op de gezondheid van omwonenden in aanmerking moeten nemen. Binnen 2 km vanaf het plangebied is voor zover bekend geen geitenhouderij gelegen. Daarnaast staat het moratorium nieuwvestiging van een geitenhouderij niet toe. Toetsing Uit de VGO-onderzoeken komt naar voren dat mensen die in de buurt van veel veehouderijen wonen een verminderende longfunctie kunnen hebben.

Deze vermindering wordt met name gevonden bij de groep met 15 of meer veehouderijbedrijven binnen een afstand van 1 km. Dit verband hangt niet duidelijk samen met het type veehouderij. Binnen een straal van 1 km rondom het plangebied zijn volgens Web BVB en op basis van het vigerende bestemmingsplan 13 veehouderijbedrijven gelegen. Dit aantal is lager dan de richtlijn voor veedichtheid aangeeft (15 veehouderijen in een straal van 1 km). Hiermee is het niet aannemelijk dat er een verhoogd risico is voor een verminderende longfunctie bij omwonenden.

56Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

Van deze 13 bedrijven zijn 3 bedrijven planologisch aangemerkt als zijnde een intensieve veehouderij, waarvan bekend is dat op al deze bedrijven varkens worden gehouden. Op de overige10 bedrijven wordt in overwegende mate rundvee, schapen of paarden gehouden, waardoor deze bedrijven niet worden gekenmerkt als zijnde een intensieve veehouderij. Verondersteld wordt dat gezondheidsrisico’s afkomstig van intensieve veehouderijbedrijven, vanwege verhoogde endotoxine en fijnstof concentraties, groter zijn dan bij grondgebonden melkveehouderijbedrijven. In onderstaande figuur en tabel zijn de veehouderijbedrijven binnen een straal van 1 kilometer t.o.v. het plangebied weergegeven.

13.

12. 11. 10. 9.

.

2.

1.

8. 7.

3.

6. 4.

5.

•

Figuur 4.9: Ligging veehouderijbedrijven t.o.v. plangebied, plangebied globaal omcirkeld

volg nr. 1. 2.

Adres

Soort veehouderij

Afstand

Bavelstraat 21 Dorst Groenestraat 11 Dorst

Ca. 20 meter Ca. 250 meter

3.

Groenestraat 18 Dorst

4.

Molenschotseweg 4 Dorst

Zoogkoeien, jongvee Melkkoeien, jongvee, vleesvarkens Melkkoeien, jongvee, vleesvarkens Biggen, kraamzeugen, guste/dragende zeugen, vleesvarkens.

Ca. 290 meter Ca. 500 meter

57Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

5.

Leijweg 4 Dorst

6. 7. 8. 9. 10.

Bavelstraat 30 Dorst Bavelstraat 24 Dorst Akkerweg 9 Dorst Bavelstraat 11/11a Dorst Bavelstraat 6 Dorst

11. 12. 13.

Rijksweg 106 Dorst Baarschotsestraat 28 Dorst Baarschotsestraat 15 Dorst

•

Zoogkoeien, schapen, paarden Melkkoeien, jongvee Biggen, vleesvarkens Vleesvarkens Paardenpension Melkkoeien, biggen, kraamzeugen, guste/dragende zeugen, dekberen Melkkoeien, jongvee Melkkoeien, jongvee Melkkoeien, paarden

Ca. 690 meter Ca. 530 meter Ca. 360 meter Ca. 490 meter Ca. 50 meter Ca. 210 meter

Ca. 330 meter Ca. 540 meter Ca. 1 km

Figuur 4.10: Afstand plangebied t.o.v. veehouderijen in de omgeving

Endotoxinen en micro-organismen De GGD is van mening dat endotoxine een betere parameter is dan fijnstof. Fijnstof dat afkomstig is uit stallen bevat zowel endotoxinen en micro-organismen. Van endotoxinen is bekend dat bij een te hoge concentratie deze deeltjes schadelijk zijn voor de gezondheid. Door de Gezondheidsraad is een grenswaarde voorgesteld van 30 EU/m . In haar advies "Gezondheidsrisico's rond veehouderijen" (2012; publicatienr. 2012/27) concludeert de Gezondheidsraad dat concentraties van endotoxinen en microorganismen, over het algemeen zullen afnemen met toenemende afstand tot een bedrijf en eveneens afhangen van de mate van emissie vanuit een bedrijf. 3

Wageningen UR Livestock Research (WLR) en het /RAS instituut van de Universiteit Utrecht hebben in 2014 een literatuurstudie uitgevoerd waarin geschat werd dat de regels voor fijnstof en geur mogelijk niet voldoende beschermen tegen te hoge endotoxineconcentraties. Op basis van een recent uitgevoerd Nederlands onderzoek werden verhoogde endotoxineniveaus gemeten tot boven de advieswaarde bij stallen van varkens tot ca. 200 meter16 en bij stallen van pluimvee tot ca. 500 meter. Geconcludeerd wordt dat zoals al eerder verondersteld werd, de huidige toetsingskaders voor fijnstof en geur bij pluimveebedrijven (vleeskuikens en leghennen) niet voldoende beschermend zijn tegen het overschrijden van de gestelde endotoxinegrenswaarde (30 EU/m ). Een uitwerking van een toetsingskader voor endotoxine is noodzakelijk om het gewenste beschermingsniveau te bieden. Voor vleesvarkensbedrijven geldt dat op basis van het onderzoek gesteld kan worden dat het toetsingskader voor geur voldoende beschermend werkt. Dit laat onverlet dat de omgevingsconcentratie op korte afstand van dit type bedrijven wel overschreden kan worden. 3

Daarnaast hebben de berekeningen betrekking op geïsoleerd liggende stallen, wanneer er sprake is van meerdere bronnen kan dit anders uitpakken. Ook voor gebieden waar sprake is van cumulatie, doordat meerdere bronnen in een relatief klein gebied liggen, kunnen mogelijk ook andere diercategorieën dan pluimvee een overschrijding van de endotoxinegrenswaarde geven.

16

Emissies van endotoxinenen uit de veehouderij, Ogink, N.W.M. en Erbrink, J.J., 2016

58Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

Middels de handreiking Endotoxine17 wordt de afstand berekend waarbinnen naar verwachting de gezondheidskundige advieswaarde van endotoxine (30 EU/m ) wordt overschreden. 3

Afhankelijk van de diercategorie en de uitstoot van fijnstof is bepaald wat de richtafstand voor endotoxine dient te zijn. Alleen voor varkens en pluimvee zijn richtafstanden voor endotoxine opgenomen. Afstanden emissiepunt groter dan 500 meter is in het kader van endotoxine niet relevant, uit onderzoek van RIVM is gebleken dat op deze afstand geen verhoogt risico is met betrekking tot endotoxines. Zoals de hierboven opgenomen tabel naar voren komt zijn er op minder dan 500 meter van het plangebied (waar de nieuwe woning wordt gerealiseerd) op basis van Web-BVB vijf bedrijven gelegen die varkens houden18. Binnen 500 meter zijn geen pluimveehouderijen gelegen. De totale fijnstofemissie (PM10) die de bedrijven met varkens op basis van WebBVB hebben is ingevoerd in het Endotoxine toetsingskader 1.0. Conform de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan de afstand waarop de adviesnorm van 30 EU/m³ wordt overschreden bepaald worden met de uitstoot van fijnstof. Uit de berekening kwam naar voren dat voor de locatie Groenestraat 11 de norm niet werd overschreden, voor de locatie Groenestraat 18 op 28 meter afstand, de locatie Bavelstraat 6 op 17 meter afstand, Bavelstraat 24 op 87 meter afstand en de locatie Molenschotseweg 4 op 47 meter afstand. Het plangebied is niet gelegen binnen deze overschrijdingsafstanden.

Hiermee kan geconcludeerd worden dat dit plan niet leidt tot overschrijding van de richtafstand voor endotoxine. Conclusie Met dit plan wordt slechts één nieuwe woning beoogd. De woning wordt gerealiseerd binnen een bestaand bebouwingscluster, wat wordt gekenmerkt door een menging van functies. Er liggen diverse woonbestemmingen in de omgeving van het plangebied, maar ook diverse veehouderijen. Bij elke toekomstige uitbreiding van een veehouderij in de omgeving van het plangebied vindt altijd een afweging plaats op het gebied van de volksgezondheid. Op dit moment bevinden zich reeds al diverse bestaande burgerwoningen nabij het plangebied, welke nu ook al bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. In samenhang met deze ontwikkeling wordt de agrarische veehouderij bestemming wegbestemd. Hierdoor zal de milieusituatie ter plaatse voor de omgeving per saldo verbeteren. Daarnaast is binnen 500 meter van het plangebied geen pluimveehouderij gelegen, is het plangebied niet binnen de benodigde berekende afstand tot een varkenshouderij gelegen en binnen 2 km is geen geitenhouderij gelegen. In deze situatie kan daarom geconcludeerd worden dat het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderij geen belemmerende factor vormt voor de realisatie van onderhavig plan.

4.15

SPUITZONES In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand precies (minimaal) aangehouden moet worden, is niet wettelijk vastgesteld. 17 Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0 Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid 25 november 2016 18 Groenestraat 11 en 18, Bavelstraat 6 en 24 en Molenschotseweg 4.

59Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

Welke afstand aanvaardbaar is, hangt op grond van de rechtspraak af van de onderbouwing die hieraan ten grondslag ligt. De nieuwe woonkavel grenst aan de noordzijde aan agrarische gronden. Deze gronden vormen onderdeel van het paardenpension op de locatie Bavelstraat 11/11a en zijn in gebruik als grasland voor de paarden. De te hanteren richtafstand hangt voor een groot deel af van de frequentie en de wijze van spuiten en de toxiciteit van het middel dat gebruikt wordt bij het bespuiten van de gewassen. Grasland wordt hoogstens enkele keren per jaar gespoten. De drift is relatief beperkt, aangezien laag aan de grond en neerwaarts wordt gespoten. In dit plan is een afstand van de woonbestemming tot de percelen met grasland acceptabel van 0 meter, aangezien: • Rekening gehouden mag worden met het feit dat niet gedurende het gehele jaar wordt gespoten (bij gras slechts enkele keren per jaar); • Geen sprake is van fruitteelt; daar worden doorgaans middelen gebruikt die het meest schadelijk voor de volksgezondheid worden geacht; • Rondom het woonperceel wordt beplanting gerealiseerd, die zorgt voor driftreductie; • De woning niet achter op het perceel wordt gesitueerd.

Het kabinet heeft daarnaast de volgende maatregelen genomen om de blootstelling van omwonenden aan gewasbeschermingsmiddelen te verminderen: • toelatingsprocedure: alle gewasbeschermingsmiddelen worden vóór goedkeuring van de werkzame stof en vóór toelating in een lidstaat beoordeeld op risico’s voor mens, dier en milieu. Anders dan voorheen kent de toelatingsprocedure nu een aparte beoordeling van de risico’s voor omwonenden; • verduurzaming van de landbouw: door onder meer het toepassen van geïntegreerde gewasbescherming (meer biologische gewasbescherming) kan gebruik van (chemische) gewasbeschermingsmiddelen verminderen; • driftarme spuittechnieken: hiermee wordt verwaaiing van gewasbeschermingsmiddelen beperkt. Met het oog op bescherming van het oppervlaktewater is in het Activiteitenbesluit milieubeheer een verplichte driftreductie opgenomen. Deze verplichte driftreductie is per 1 januari 2018 aangescherpt van 50% naar minimaal 75%. Anders dan voorheen, gaat deze verplichte driftreductie gelden voor het gehele perceel, ongeacht of het perceel grenst aan oppervlaktewater. Conclusie Vanuit het aspect gezondheid zijn bestemmingsplan.

4.16

er

geen

belemmeringen

voor

onderhavig

DUURZAAMHEID Het begrip ‘duurzaam bouwen’ is door het ministerie van VROM in 1995 geïntroduceerd om de kwaliteit van het bouwen te verhogen en de duurzaamheid van de te gebruiken materialen, alsmede de te onderscheiden processen te waarborgen. Een belangrijk wettelijk instrument hiervoor is het Bouwbesluit waarin ondermeer de EPN (Energie Prestatie Norm), die voor de realisering van duurzame ontwikkeling belangrijk is, 60Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

is opgenomen. Wanneer de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt aangevraagd voor de bouw van het voorliggend initiatief, moet deze voldoen aan het Bouwbesluit, waarmee het aspect duurzaam bouwen is gewaarborgd.

61Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

HOOFDSTUK 5 JURIDISCHE PLANOPZET

5 1 Juridische planopzet 5.1

STANDAARDISERING EN DIGITALISERING Het bestemmingsplan sluit wat betreft de juridische regelgeving aan bij de regeling van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 10 (Ruimte voor Ruimte Groenestraat 2)’ van de gemeente Oosterhout en de ‘Parapluherziening Parkeren Oosterhout 2018’ van de gemeente Oosterhout. Het bestemmingsplan is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro), zoals deze per 1 juli 2008 gelden. Het plan is vergezeld van een verbeelding. Uitgangspunt is door het stellen van heldere toelichting en een duidelijk leesbare verbeelding, een zo goed mogelijke handhaafbaarheid te realiseren. De toetsingscriteria in de regels vormen een toetsingsgrond voor omgevingsvergunningen, afwijkingen, nadere eisen en wijzigingen.

5.2

ALGEMENE OPZET De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een regeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding (plankaart) heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

5.3

OPBOUW VAN DE REGELS De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de regels met betrekking tot de ter plaatse geldende bestemmingen, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht vanaf 1 januari 2010. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Voor wat betreft de regels is aangesloten bij de regels uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), Herziening 10 (Ruimte voor Ruimte Groenestraat 2)’ van de gemeente Oosterhout en de ‘Parapluherziening Parkeren Oosterhout 2018’ van de gemeente Oosterhout.

62Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

HOOFDSTUK 6 UITVOERBAARHEID

6 1 Uitvoerbaarheid 6.1

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het wijzigingsplan van start gaan. Omgevingsdialoog De gemeente Oosterhout maakt gebruik van de ‘Richtlijn omgevingsdialoog bij aanvragen omgevingsvergunningen en principeverzoeken’ van de gemeente Oosterhout . Hierin is bepaald dat een omgevingsdialoog plaats dient te vinden bij ontwikkelingsinitiatieven en wordt verzocht om in een vroeg stadium van de planontwikkeling de dialoog met de omgeving aan te gaan, in deze situatie was dit de fase van het principeverzoek. Het doel is om de omgeving te betrekken bij het verdere ontwerp. In het kader van het principeverzoek heeft initiatiefnemer middels het ‘formulier dialoog principeverzoek herontwikkeling locatie Groenestraat 1-2 te Dorst’ (bijlage 8) rond 20 november 2019 de omgeving in kennis gesteld van de plannen op de locatie Groenestraat 1-2 te Dorst.

Men heeft de omgeving tot 1 december 2019 de tijd gegeven om vragen te stellen en/of eventueel opmerkingen te maken op de gewenste plannen. Initiatiefnemer heeft van 7 personen een reactie mogen ontvangen waarin zij aangeven kennis te hebben genomen van de voorgenomen plannen. Verder zijn er van deze personen geen vragen en of opmerkingen gekomen. Van de personen van 2 locaties heeft men geen enkele reactie mogen ontvangen. Wij zijn er daarmee vanuit gegaan dat deze personen geen opmerkingen danwel bezwaren hebben op dit plan. Wij hebben nadrukkelijk verzocht om vóór 1 december 2019 te reageren en dat wij er anders vanuit gaan dat men geen opmerkingen danwel bezwaren heeft op onderhavig plan. Op donderdag 6 februari 2020 hebben de bewoners van de locatie Bavelstraat 21 tet Dorst bij de gemeente kenbaar gemaakt niet in kennis te zijn gesteld van onderhavig plan. Zij hebben bij de gemeente kenbaar gemaakt dat zij zich zorgen maken om de bestaande rechten die zij hebben en met name of de nieuwe woningen niet te dicht bij hun bedrijf komen. Uit onderhavige toelichting blijkt dat met dit plan rekening is gehouden met de omliggende bedrijven en hun ontwikkelingsmogelijkheden zodat deze niet in hun belangen worden geschaad.

63Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

•

Figuur 6.1: Ligging omgeving, adressen globaal aangeduid met rode ster betrokken bij de omgevingsdialoog

Wettelijk (voor)overleg Het besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Eventuele ingekomen overlegreacties worden beoordeeld en verwerkt. -

-

Provincie Noord-Brabant heeft in de vooroverlegreactie aangegeven dat het provinciale beleid nog op onvoldoende wijze in het bestemmingsplan is vertaald. Men gaf aan dat de ontwikkeling gepaard dient te gaan met een fysieke tegenprestatie die vergelijkbaar is met ruimte-voor-ruimte. Dat betekent een investering van ca. 125.000 euro per nieuwe woning. I.p.v. dat de waardevermeerdering en de waardevermindering was meegenomen voor 100% mocht dit slechts voor 20% en was er geen sprake van een evenredige tegenprestatie zoals bij een ruimte-voor-ruimtekavel wordt gevraagd. Naar aanleiding van deze reactie en in overleg met de provincie en de gemeente is besloten om het plan aan te passen van twee nieuw te realiseren woonkavels, naar één nieuwe woonkavel; Waterschap Brabantse Delta heeft een positief advies afgegeven voor de beoogde ontwikkeling. In bijlage 3 van onderhavige toelichting is de betreffende vooroverlegreactie van het waterschap opgenomen.

64Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

Voorontwerp Onderhavig plan heeft van donderdag 30 april 2020 tot en met woensdag 27 mei 2020 in voorontwerp ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is één schriftelijke inspraakreactie binnengekomen bij Burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout. De inspraakreactie heeft niet geleidt tot een aanpassing van het voorontwerpbestemmingsplan. Ontwerp Het ontwerp bestemmingsplan wordt voor een ieder ter inzage gelegd. In deze periode kunnen belanghebbenden hun zienswijzen kenbaar maken en indienen bij de gemeente Oosterhout.

6.2

FINANCIËLE UITVOERBAARHEID Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De uitvoering van de ontwikkeling is in handen van een particuliere partij. Deze partij draait op voor alle aan het onderhavige plan verbonden (plan)kosten. In het onderhavige plan is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid van het Bro (namelijk de bouw van een woning). De gemeente is derhalve verplicht het kosterverhaal te regelen. De ontwikkelingskosten worden geheel door initiatiefnemer gedragen. Er wordt geen exploitatieplan opgesteld. De gemeente Oosterhout heeft met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten, waarin de verantwoordelijkheid voor de kosten is vastgelegd. Hierin is vastgelegd dat de kosten voortvloeiend uit planschade, planrealisatie en exploitatie volledig voor rekening komen van initiatiefnemer. Voor de gemeente Oosterhout betreft dit een kostenneutrale ontwikkeling. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het opstellen van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

65Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

BIJLAGEN

Bijlagen BIJLAGE 1: Principebesluit gemeente Oosterhout; BIJLAGE 2: Quickscan flora en fauna (Exlan, 28 april 2020); BIJLAGE 3: Vooroverlegreactie Waterschap Brabantse Delta; BIJLAGE 4: Bodemonderzoek (Wematech juli/ augustus 2014); BIJLAGE 5: AERIUS stikstof berekening beoogde situatie; BIJLAGE 6: Wematech Milieu Adviseurs B.V., Akoestisch onderzoek gevelbelasting wegverkeer Groenestraat ong. Dorst, Projectnr:AWV-60200244, Kenmerk rapport:FG60200244.Ro01.1, 19 juni 2020); BIJLAGE 7: Formulier dialoog principeverzoek herontwikkeling locatie Groenestraat 1-2 te Dorst BIJLAGE 8: Vooroverlegreactie provincie Noord-Brabant. BIJLAGE 9: Geurafstanden woningen tot veehouderij Bavelstraat 21.

66Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

67Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 24 (Groenestraat 1-2)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=38633efb-3c15-44ab-ad15-40d78617dd7f