CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

2.Geredigeerd_Rapport Over Morgen Toekomst Amernet

Raad - informatiebijeenkomst 30 mei 2023, gemeente OosterhoutBij agendapunt: Presentatie30.169 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

52

CONCLUSIES Op basis van de informatie in dit rapport kunnen verschillende conclusies worden getrokken. De belangrijkste conclusies staan hieronder weergegeven. Ze zijn gerangschikt naar probleemschets, beschikbaarheid van bronnen, transportleiding naar Moerdijk, toekomstperspectief en verantwoordelijkheden.

Probleemschets

Ennatuurlijk is eigenaar van het Amerwarmtenet en levert warmte aan haar klanten. RWE is eigenaar van de Amercentrale en voorziet ongeveer 90% van de warmtevraag van het Amernet. RWE heeft het contract voor de levering van warmte per 1 januari 2027 opgezegd, Er moet gezocht worden naar (een) alternatieve warmtebron(nen). Gezien de korte tijdspanne tussen nu en 2027 is de zoektocht urgent. De zoektocht naar alternatieve bronnen kent veel onzekerheden. Ten eerste is het kader niet stabiel (zie hoofdstuk 1). Ten tweede zijn er onzekerheden rondom de mogelijkheden om temperaturen in het Amernetwerk te verlagen, de invloed van isolatie op de warmtevraag en de levering van warmte aan de tuinders. Hiervoor zijn aannamen gedaan (zie hoofdstuk 2). Ten derde is er onzekerheden over de potentie van verschillende bronnen (zie hoofdstuk 3). Ondanks al deze onzekerheden vraagt de contractopzegging door RWE dat er met spoed gewerkt wordt aan een oplossing voor de situatie in 2027 en daarna.

Er moet ongeveer 110 tot 125 MW aan bronvermogen worden gevonden voor de basislast. De basislast is de hoeveelheid warmte, die met continue bronnen geleverd kan worden en dus gedurende het hele jaar beschikbaar is. In het stookseizoen is dit bronvermogen niet voldoende. In de winter moet er een totaalbronvermogen van 410 MW beschikbaar zijn. Dit houdt in dat 285 tot 300 MW aan vermogen door regelbare bronnen moet worden geleverd. Er zijn in 2027 voldoende regelbare bronnen aanwezig. Gecontroleerd moet worden of de huidige milieuvergunningen de inzet van deze bronnen in voldoende mate toestaat.

Beschikbaarheid van bronnen 2027,2030 en verder Gezien de omvang van het benodigde bronvermogen in 2027 en de urgentie van de problematiek, is in eerste instantie gefocust op grootschalige bronnen en op ‘proven technology’. De gedachten hierachter is dat in ieder geval één of enkele grootschalige bronnen nodig zijn om tijdig alle aansluitingen van het Amernet van warmte te kunnen voorzien. Daarnaast moet er op korte termijn zekerheid komen over de beschikbaarheid. Nog te ontwikkelen technologieën zijn daarom voor 2027 buiten beschouwing gelaten. 53

Voor de periode tussen 2027 en 2030 zijn er twee mogelijkheden om te voorzien in de basislast. Er kan warmte uit de Amercentrale worden geleverd, mits RWE daartoe bereid is en er een reële prijs kan worden overeengekomen tussen RWE en Ennatuurlijk. De ander opties is dat het back-upsysteem ingezet wordt als hoofdsysteem. Er moet echter een extra (gas)ketel bijgeplaatst worden met een vermogen van circa 40 MW. Dit getal is gebaseerd op het uitgangspunt dat de tuinders zelf in hun warmtevraag gaan voorzien, zodat het hele back-up systeem kan worden ingezet voor de rest van het Amernet. Als de tuinders niet worden losgekoppeld, kan dat consequenties hebben voor het bij te bouwen vermogen. Nagegaan moet worden of milieuvergunningen aangepast moeten worden en zo ja, of dat mogelijk is. De exploitatiekosten van de inzet van het back-up systeem als hoofdsysteem zijn dermate hoog, dat dit alleen een tijdelijke oplossing kan zijn. Ennatuurljjk heeft aangegeven dat meerjarige inzet van het back-up systeem als hoofdsysteem haar draagkracht te boven gaat. Om het Amernet van warmte te voorzien per 2030, zijn er momenteel twee concrete opties: warmtelevering uit de Amercentrale of rest- en afvangwarmte uit de afvalenergiecentrale van Attero in Moerdijk. Het beschikbare vermogen en de kosten van deze alternatieven hangen af van de vraag of er wel of geen CO, wordt afgevangen.

Zowel RWE als Attero hebben plannen om CO, af te gaan vangen. Als CO, wordt afgevangen in de Amercentrale, blijft er voldoende vermogen vanuit die bron beschikbaar. Wel zullen de gasketels meer ingezet moeten worden dan in de huidige situatie. Dit heeft negatieve financiële consequenties. Als Attero CO, gaat afvangen, is het vermogen vanuit de afvalenergiecentrale onvoldoende om in de hele basislast te kunnen voorzien. De gasketels van Ennatuurlijk moeten dan ook ingezet worden voor een deel van de basislast. Dit geldt totdat er voldoende vermogen beschikbaar komt uit andere bronnen.

Er zijn in Moerdijk ook twee bronopties, die nog te onzeker zijn om nu al als reëel alternatief aan te merken voor 2030. Dat zijn industriële restwarmte en geothermie. Voor industriële restwarmte lopen op dit moment geen initiatieven. Voor geothermie moet uit nader onderzoek en proefboren blijken hoe groot de potentie is en of het technisch en economisch haalbaar is of niet. Voor de periode na 2030 is er potentie voor meerdere, grote bronnen in Moerdijk. Potentiële warmtebronnen in Moerdijk zijn diepe geothermie (vanaf 2031 met een ingroeipad), industriële restwarmte (kan relatief snel, maar nog geen concrete initiatieven) en op langere termijn restwarmte uit een waterstoffabriek (na 2035). Op de locatie van de Amercentrale is er wellicht potentie voor restwarmte uit een waterstoffabriek (na 2035) en er is potentie voor geothermie in het gebied Tilburg - Waalwijk (na 2035).

54

Naast de bovenstaande, grootschalige bronnen op basis van ‘proven technology’ kunnen ook innovaties als gesloten geothermie, grootschalige warmteopslag en ijzerpoeder in de toekomst een rol gaan spelen. Dat geldt ook voor lage temperatuurbronnen en overige kleine bronnen. Lage temperatuurbronnen worden doorgaans lokaal ingevoed en hebben een vermogen van één tot enkele megawatt. Een uitzondering hierop kan wellicht Energy Hub Breda Noord zijn.

Transportleiding naar Moerdijk Voordat warmte uit de bronnen in Moerdijk kan worden ingezet voor het Amernet, moet er een transportleiding wordt gerealiseerd tussen Moerdijk en het Amernet. Er zijn twee hoofdtracés denkbaar. De transportleiding vanuit Moerdijk kan worden aangekoppeld op het pompstation in Breda of op het pompstation in Geertruidenberg. Naar verwachting van Ennatuurlijk kan de transportleiding in 2030 gerealiseerd zijn.

Door de contractopzegging door RWE ligt er tijdsdruk op het beschikbaar komen van bronnen voor de basislast. Als de ontwikkeling van de transportleiding naar Moerdijk stil komt te liggen, schuift de mogelijkheden om warmte uit Moerdijk te halen door in de tijd. Als het wenselijk is om de afhankelijkheid van RWE af te bouwen, ligt voor de hand om het planproces van de ontwikkeling van de transportleiding voortvarend voort te zetten. Hierbij speelt mee dat bronnen in Moerdijk hoogstwaarschijnlijk noodzakelijk zijn om eventuele groei-ambities voor het aantal aansluitingen op het Amernet te kunnen realiseren en om transitiebronnen uit te faseren (zie conclusies onder toekomstperspectief).

Toekomstperspectief

Inzetten op het doorontwikkelen van het Amernet is raadzaam. Hieronder vallen bijvoorbeeld temperatuurverlaging, invoeden van lokale (lage temperatuurbronnen) bronnen, inzetten op innovaties (nieuwe technologieën en het benutten van de warmte in de retourleidingen), etc. Deze dóórontwikkeling kan binnen andere scenario’s plaatsvinden, maar is geen totaaloplossing voor de leveringszekerheid in 2027 of 2030.

Als het aantal aansluitingen groeit en/of als transitiebrandstoffen en fossiele brandstoffen moeten worden uitgefaseerd richting 2050, moeten er na 2030 bronnen voor de pieklast worden ontwikkeld. Op basis van huidige beschikbare technologieën betekent dat dat er gasketels moeten worden bijgebouwd. 55

Deze gasketels kunnen op aardgas draaien. Als dat richting 2050 ongewenst is, moet er waterstofgas, groengas of een ander duurzaam gas beschikbaar komen voor het Amernet. Door opslagmogelijkheden te creëren, kan de inzet van gasketels worden teruggedrongen.

Als de transitiebrandstoffen niet worden uitgefaseerd is het bij een gemiddeld groeiscenario wellicht mogelijk om geen bronnen in Moerdijk in te zetten voor de basislast. Er moet dan echter wel volop ingezet worden op alle hypothetische bronnen in de regio, waarvan de beschikbaarheid en haalbaarheid nog zeer onzeker is. Bij een maximaal groeiscenario moeten per definitie bronnen in Moerdijk worden ingezet. In alle scenario’s (ook zonder groei), waarbij transitiebronnen wel worden uitgefaseerd, moeten bronnen in Moerdijk worden aangesloten op het Amernet. De transportleiding naar Moerdijk is in die scenario’s noodzakelijk. Uitfaseren van transitiebrandstoffen betekent dat er volop nieuwe bronnen ontwikkeld moeten worden. In een maximaal groeiscenario zijn alle denkbare bronnen nodig, waaronder die in Moerdijk. Een én-én-én beleid voor het ontwikkelen van bronnen ligt voor de hand.

Verantwoordelijkheden Er is in dit rapport een groot aantal dilemma’s geadresseerd. De dilemma’s hebben met name betrekking op de vraag welke partij waarvoor verantwoordelijk is of wordt. De meest urgente daarvan is de vraag wie in het licht van de onzekerheden rondom de nieuwe Wet Collectieve Warmtevoorziening de engineeringskosten en proceskosten moet dragen voor de pijpleiding naar Moerdijk. Ook is met het oog op deze nieuwe wet onduidelijk welke partij de dóórontwikkeling van het warmtenet op dit moment het beste kan trekken. Daarnaast spelen er bestuurlijke vraagstukken rondom de verdeling van warmte. Zowel op nationaal als op regionaal niveau moeten keuzes worden gemaakt rondom de vraag welke bron waarvoor kan worden ingezet.

56

8 AANBEVELINGEN RONDOM HET VERVOLGTRAJECT In dit hoofdstuk wordt een eerste aanzet gegeven voor een vervolg­ traject. Dit traject legt primair de focus op het garanderen van de warmtelevering vanaf 1 januari 2027 aan alle woningen en bedrijven, die op die datum zijn aangesloten op het Amernet. Er moet namelijk bovenal voor gezorgd worden dat zij van warmte worden voorzien. Het werk houdt echter niet op, zodra de continuïteit van de warmte­ levering geborgd is. De verduurzamingsdoelen voor het Amernet reiken verder. Met het oog op het klimaatakkoord 2050 moeten alle woningen en bedrijven in Nederland volledig duurzaam worden verwarmd. Verschillende partijen pleiten ervoor dat er tegen die tijd ook geen transitiebrandstoffen meer worden ingezet. Als dat ook de ambitie is voor het Amernet, dan is de verduurzaming een enorme opgave, die permante inzet en samenwerking van betrokken partijen vraagt. Verschillende gemeenten hebben de ambitie om meer woningen en bedrijven aan te sluiten op het Amernet. Dat betekent dat er nog meer duurzame bronnen moeten worden ontwikkeld en dat het netwerk moeten worden uitgebreid. Al met al moet er permanent worden ingezet op bronontwikkeling, isolatie, technologische innovatie en dóórontwikkeling van het netwerk. De opgaven zijn groot, terwijl er veel bestuurlijke dilemma’s zijn en eenduidige kaders nu nog ontbreken.

Wachten op meer helderheid is met het oog op de urgentie en de omvang van de warmtetransitie echter geen optie: niet met het oog op de warmtelevering in 2027, maar ook niet met het oog op de ambities voor 2050. Er moet parallel worden geschakeld. Er moet tegelijkertijd gewerkt worden aan ontwikkelen voor de korte termijn, de midden-lange termijn en lange termijn.

8.1 Verschaffen van inzicht De realiteit is, dat het geen keuze is of het Amernet blijft bestaan of niet. In de eerste plaats zijn individuele oplossingen naar huidige inzichten geen totaaloplossing voor de situatie in 2027 of 2030. Dat betekent dat er warmte geleverd moet worden via het Amernet. Daarnaast is er veel potentie voor diverse grote hoge-temperatuurbronnen in de regio. Het is met het oog op de totale omvang van de warmtetransitie volstrekt logisch dat daar gebruik van wordt gemaakt. Dat betekent echter niet dat het huidige Amernetwerk moet blijven zoals het is. Het is wel degelijk een optie dat de temperatuur (in delen van) het Amernet wordt verlaagd of dat onderdelen van het Amernet­ werk worden losgekoppeld. Zo heeft Ennatuurlijk plannen om de tuinders los te koppelen van het Amernet. Ook voor Breda Noord wordt aan een decentrale Energy HUB gedacht. 57

• Aanbeveling 1 Ennatuurlijk werkt aan deelplannen. De samen­ hang tussen de plannen is echter niet altijd helder. Zorg op korte termijn voor meer transparantie. Hierbij moet in ieder geval gedacht worden aan de onderstaande onderdelen: - Subaanbeveling1.1 Ennatuurlijk is bij huidige wet verant­ woordelijk voor de bronnenstrategie. Ennatuurlijk moet in deze fase, gezien de onzekerheid van alle bronnen, inzetten op alle denkbare bronnen. Het is echter raadzaam om voor 1 juli 2023 uit te werken wat de ideale bronnenmix is richting 2030. Wil Ennatuurlijk alle geothermiebronnen in Moerdijk inzetten of heeft restwarmte vanuit Attero om financiële redenen de voorkeur? Wordt restwarmte van Attero ook ingezet als regelbare bron? Is bij geothermie een warmtepompcentrale nodig of kan de temperatuur ook opgewerkt worden via de centrale van Attero? Etc., etc. - Subaanbeveling1.2 Schep binnen enkele weken helderheid over de plannen om tuinders af te koppelen en over de ontwikkeling van een geothermieput in Plukmade. Bespreek hierbij hoelang tuinders al op de hoogte zijn van de plannen, wanneer de vigerende contracten aflopen, welke installaties tuinders zelf hebben staan, wat er gebeurt als de geothermieput niet doorgaat of als de Amercentrale in de tussenperiode warmte blijft leveren, etc.

- Subaanbeveling1.3 Gemeenten hebben richting de opstellers van dit rapport aangegeven dat het niet duidelijk is waarom de temperaturen in het Amernet zijn zoals ze zijn en of Ennatuurlijk werkt aan temperatuurverlaging. Daarom is in dit rapport bijlage 2 opgenomen. Laat dit rapport het startpunt zijn voor een continue dialoog over de (on)mogelijkheden van temperatuurverlaging en de stappen die Ennatuurlijk daarop zet. - Subaanbeveling1.4 Ennatuurlijk werkt aan verschillende innovaties, zoals gesloten geothermie in Tilburg, en ijzerpoeder (zie hoofdstuk 5). Stel een innovatieagenda op, waarin staat waar Ennatuurlijk aan werkt. Voeg hieraan toe welke ideeën er leven bij de decentrale overheden. Deel halijaarlijks met elkaar welke nieuwe inzichten er zijn en wat relevant is voor het Amernet en wat niet. • Aanbeveling 2 Maak voor 1 september2023 als samenwerkende partijen afspraken over een op te stellen Masterplan Dóór­ ontwikkeling’ voor de langere termijn. Als dat met het oog op de bestuurlijke dilemma’s niet haalbaar is, maak dan afspraken over wat wel en wat niet gezamenlijk wordt opgepakt de komende jaren.

8.2 Besluitvorming over de periode 2027 - 2030

58

• Aanbeveling 3 Voor de periode 2027-2030 tekent zich af dat biomassa uit de Amercentrale naar verwachting goedkoper en duurzamer is dan inzet van het back-up systeem als hoofdsysteem. Ook hoeven er voor de inzet van de Amercentrale geen nieuwe vergunningen te worden afgegeven. Spreek als samenwerkende partijen richting elkaar uit dat warmte uit de Amercentrale voor de tussenperiode de voorkeur heeft.

Inzet van het back up-systeem als hoofdsysteem is de terugvaloptie voor het geval RWE en Ennatuurlijk samen niet tot overeenstemming kunnen komen over warmtelevering uit de Amercentrale. Deze terugvaloptie moet tijdig in gang worden gezet.

Aanbeveling 4 zorg met het oog op de warmtelevering in de tussenperiode vóór 1 juli 2023 voor meer helderheid over de haalbaarheid van de twee alternatieven voor de tussenperiode: - Subaanbeveling4.1 Geef RWE en Ennatuurlijk tot 1 juli de tijd om ovenstemming te bereiken over warmte uit de Amercentrale. - Subaanbeveling4.2 Ennatuurlijk heeft aangeven dat de terugvaloptie ervoor zorgt dat de warmtelevering gegarandeerd is in 2027 en daarna. Die garantie geldt echter voor zover de (milieu) vergunningen de levering van warmte toestaan. Onderzoek of met het back up-systeem aan de totale warmtevraag kan worden voldaan. Bepaal daarvoor hoeveel uur per jaar dat de bio-olieketels naar verwachting moeten worden ingezet. Ga daarbij na of dit past binnen de vigerende (milieu)vergunningen. Ook moet nagegaan worden of de inzet van de nieuw te bouwen gasketel past binnen de (milieu)vergunningen. Indien aanpassing van de (milieu)vergunningen nodig is, moet een inschatting worden gemaakt van de juridische haalbaarheid daarvan. • Aanbeveling 5 Indien Ennatuurlijk en RWE niet tot overeen­ stemming komen voor 1 juli 2023, moet vanaf het verstrijken van de deadline actief worden gestart met het mogelijk maken van het back up systeem als hoofdsysteem (vergunningen, bouw gasketel, financiering, etc.). Dit betekent dat onderstaande stappen moeten worden doorlopen.

- Subaanbeveling5.1 Breng - afhankelijk van de uitkomst van subaanbeveling 1.2 - in kaart wat de wensen van de tuinders zijn indien het back up systeem als hoofdsysteem wordt ingezet. Willen ze in die situatie warmte gebruiken van het Amernet? Zo ja, bepaal dan hoeveel extra vermogen er moet worden bijgebouwd en of dat juridisch haalbaar is met het oog op de benodigde milieuvergunningen. - Subaanbeveling 5.2 Start als Ennatuurlijk alle voorbereidingen op voor de realisatie van de nieuwe gasketel(s). - Subaanbeveling 5.3 Start het vergunningentraject voor de nieuwe gasketel(s) en grotere inzetbaarheid van de bio-olieketels op vanaf 1 januari 2024.

59

8.3 Periode 2030 en verder • Aanbeveling 6 Op basis van de conclusies in dit rapport, ligt het voor de hand om in te zetten op bronontwikkeling in Moerdijk en daarmee ook op een transportleiding tussen Moerdijk en het Amernet. Hierbij speelt mee dat er potentie is voor meerdere grootschalige bronnen in Moerdijk, dat er een einde komt aan de volledige afhankelijkheid van één marktpartij en dat de opties voor meer aansluitingen en uitfasering van de transitiebandstoffen beperkter zijn als er niet naar Moerdijk wordt gekeken. Spreek als samenwerkende partijen richting elkaar uit of ingezet moet worden op de transportleiding naar Moerdijk. • Aanbeveling 7 Los van de vraag of de bronontwikkeling op Moerdijk gewenst is, zijn er ook strategische overwegingen om de engineering van de transportleiding voortvarend op te pakken. Die zijn in hoofdstuk 4 opgenomen. De belangrijkste overweging is nog wel dat de tussenperiode in verband met de hoge kosten zo kort mogelijk moet zijn. Dit is vooral relevant indien het back up systeem als hoofdsysteem moet gaan functioneren. Een zo kort mogelijke tussenperiode houdt in dat er toegewerkt wordt naar definitieve besluitvorming in 2025 over de periode 2030 en verder. • Aanbeveling 8 Maak in 2025 een integrale afweging tussen alternatieven. Dat betekent dat er parallel geschakeld moet worden.

In 2025 moer er helderheid zijn over: - De bereidheid van RWE om warmte te leveren na 2030 uit de Amercentrale en zo ja, tegen welke kosten; - De bereidheid van Attero om warmte te leveren na 2030 uit de afvalenergiecentrale in Moerdijk en zo ja, tegen welke kosten; - De potentie van geothermie in Moerdijk. Dat betekent dat de proefboringen moeten zijn uitgevoerd; - De potentie van industriële restwarmte in Moerdijk. Dat betekent dat bedrijven gericht benaderd moeten worden; - Het tracé, de kosten, de financiering, de toekomstige eigenaar, etc. van de transportleiding. Dat betekent dat het planproces rondom de tansportleiding moet worden hervat; • Aanbeveling 9 Ennatuurlijk heeft de werkzaamheden rondom de transportleiding naar Moerdijk voorlopig stilgezet. Ennatuurlijk wil eerst een garantstelling van de publieke partijen dat de engineeringskosten verhaald kunnen worden op de toekomstige, publieke eigenaar van de transportleiding. Met het oog op de nieuwe Wet Collectieve Warmtelevering ligt het namelijk niet voor de hand dat Ennatuurlijk als private partij eigenaar wordt. Als de engineering niet voortvarend wordt opgepakt, loopt besluitvorming over de transportleiding vertraging op. Er moet op zeer korte termijn helderheid over de proceskosten voor de transportleiding.

60

Dit betekent dat: - Ennatuurlijk inzicht moet geven in de geraamde engineeringskosten voor de transportleiding; - De publieke partijen met elkaar in overleg moeten gaan. Het is raadzaam dat zij richting Ennatuurlijk aangegeven of zij bereidheid tot een garantstelling, of niet; - Indien de garantstelling voor alle proceskosten rondom de transportleiding er op korte termijn niet kan komen, kijk dan als samenwerkende partijen of in ieder geval de tracékeuze kan worden opgepakt en of voor de proceskosten van dat onderdeel afspraken gemaakt moeten worden. Door het proces van de tracékeuze voort te zetten, wordt er geen vertraging opgelopen in ruimtelijke ordeningsprocedures. De tracékeuze is daarnaast cruciale input voor de technische engineering en de kostraming van de transportleiding.

61

BIJLAGE 1 SUBSIDIEVOORWAARDEN SDE+ Theorie De hoeveelheid SDE-subsidie die een partij ontvangt varieert per jaar. Het bedrag wordt bepaald door drie factoren:

Indieningsbedrag Het indieningsbedrag ligt vast en bepaalt het maximum aan subsidie dat in een jaar uitgekeerd wordt.

Correctiebedrag Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) bepaalt jaarlijks het correctiebedrag. Voorafgaande aan elk jaar maakt het PBL een voorlopig correctiebedrag bekend op basis van de voorspelling van de elektriciteitsprijs voor dat jaar. Het definitieve correctiebedrag wordt na afloop van elk jaar vastgesteld o.a. op basis van de daadwerkelijke marktvergoeding (=marktprijs). Basisenergieprijs Dit bepaalt de ondergrens voor het correctiebedrag. Als het correctiebedrag gelijk is aan de basisenergieprijs, dan wordt dus het maximale bedrag aan SDE-subsidie uitgekeerd.

Het bedrag dat een partij ontvangt op basis van de subsidiebeschikking wordt bepaald door het verschil tussen het indieningsbedrag en het correctiebedrag. Dit is in onderstaande figuur aangegeven. De rode lijn is het correctiebedrag (dat o.a. bepaald wordt door de markt­ vergoeding). Als de marktvergoeding hoog is, is het correctiebedrag dat ook. Een partij ontvangt dan weinig tot geen subsidie. De te ontvangen subsidie is weergegeven met de verticale donkerblauwe lijnen. In het onderstaande voorbeeld wordt er in jaar 14 bijvoorbeeld geen subsidie ontvangen, omdat het correctiebedrag dan hoger is dan het indieningsbedrag uit de subsidiebeschikking. Als de markt­ waarde heel laag is, ontvangt de partij relatief veel subsidie in dat jaar. Daar zit echter een grens aan. Als het correctiebedrag lager is dan de basisenergieprijs, bedraagt het subsidiebedrag het verschil tussen het indieningsbedrag en de basisenergieprijs. In onderstaand voorbeeld gebeurt dat in jaar 2.

62

0,09 0,08 -I

o.oy 0,06 E

=

o.os Subsidie

0,04

Markt vergoeding

0,03

Indieningsbedrag Correctiebedrag

0,02

Basisenergieprijs/

0,01

Basisbroeikasgasbedrag

o 1

2

3

5

4

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

Looptijd project * Ditvoorbeeld is van toepassing op alle categorien behahe COz-afvang en -opslag (CCS) en COa-afvang en -gebruik (CCU)- VoorCCSen CCU dient de eenheid op de verticale as te worden vervangen door(€/ton CO2 -reductie) ** Dit voorbeeld is van toepassing op categorieën die een looptijd van 15 jaar hebben. Er ójn echter ook categorieën die een looptijd van 12 jaar hebben.

Figuur B1.1.

Voorbeeld werking SDE subsidie

3S

Situatie Amercentrale

RWE heeft drie SDE-subsidiebeschikkingen uit de voorjaarsronde 2016. De hieronder weergegeven informatie is afkomstig uit openbare bronnen van de RVO39.

Subsidie 1 betreft de bij- en meestook van houtpellets in de kolencentrale waar eerder ook al subsidie op is ontvangen. • Vermogen: ca 290 MW • Looptijd 8 jaar • Indiendingsbedrag: € 99 per MWh • Basisenergieprijs € 39 per MWh • Voorlopig correctiebedrag 2022 € 59 per MWh Subsidie 2 betreft het vermogensdeel bij- en meestook van houtpellets in de kolencentrale waar nog niet eerdere subsidie op is ontvangen. • Vermogen: ca 129 MW • Beschikte productie: ca 690.000 MWh per jaar • Looptijd 8 jaar • Indieningsbedrag: € 110 per MWh • Basisenergieprijs € 39 per MWh • Voorlopig correctiebedrag 2022 € 59 per MWh

38 Afbeelding over de werking van de SDE subsidie is afkomstig uit de brochure ‘Stimulering Duurzame Energieproductie en KHmaattransitie’ gepubliceerd door de RVO in juni2022 39 De subsidies zijn afkomstige van de database ‘Stand van zaken SDE(+)(+)-aanvragen’ via https://www.rvo.nl/onderwerpen/sde/stand-van-zaken

63

Subsidie 3 betreft het vermogensdeel bij- en meestook van houtpellets in de kolencentrale waar nog niet eerdere subsidie op is ontvangen. • Vermogen: ca 257 MW • Beschikte productie: ca 1.020.000 MWh per jaar • Looptijd 8 jaar • Indieningsbedrag: € 105 per MWh • Basisenergieprijs € 39 per MWh • Voorlopig correctiebedrag 2022 € 59 per MWh Elektriciteit wordt verhandeld op de APX/EPEX beurs. De prijs van elektriciteit fluctueert sterkt op een dag. PBL maakt daarom voor het bepalen van het correctiebedrag gebruik van de EPEX basislast40. Dit is een ongewogen gemiddelde prijs van elektriciteit over het jaar. Onderstaande grafiek geeft weer hoe de drie SDE+ subsidies van RWE bij elkaar opgeteld, afhangen van de EPEX basislast.

M

8

8

ë

i । § । ।

8

3

1 8

§

s

Maximale SDE+ subsidie [c/jaar]

Maximale SDE+ subsidie RWE

€39 €44 €49 €54 €59 €64 €69 €74 €79 €84 €89 €94 €99 € 104 € 109 € 114 € 119 EPEX basislast [€/MWh]

Figuur B1.2

Maximale SDE+ subsidie RWE

Op basis van de cijfers tot nu toe, is de verwachting dat de EPEXbasislast in 2022 boven € 100 per MWh uitkomt. De verwachting is dat de SDE+ bijdrage dis RWE in 2022 ontvangt daarom nihil zal zijn.

40 In het Engels wordt dit aangeduid met EPEX spot dayahead base. Dit betreft de ongewogen gemiddelde prijs van elektriciteit over hetjaar.

64

BIJLAGE 2 TEMPERATUREN INWARMTELEIDINGEN 1. Onderscheid per leiding

Bij een warmtenet moet onderscheid worden gemaakt tussen de temperatuur van het water dat naar de aangesloten panden toe­ stroomt (aanvoertemperatuur) en de temperatuur van het water, dat weer terugstroomt naar de warmteproductielocaties (retourtemperatuur). Het verschil in temperatuur tussen de aanvoer­ temperatuur en de retourtemperatuur wordt aangeduid met het begrip AT. Hoe hoger de AT hoe meer warmte er wordt afgegeven aan de aangesloten woningen en bedrijven. Voor een beschrijving van de temperatuur in leidingen moet gekeken worden naar het type leiding. Er zijn secundaire warmteleidingen, primaire warmteleidingen en warmteleidingen voor het hoofdwarmte­ distributienet. Dit is in onderstaand figuur weergegeven.

i.... r

I

Hoofdwarmtedistributienet

Primaire warmteleidingen

■ 1

(

: @!! G! (J

•=:

LE

(J

1 ■

(-

■:

■

G-:

-

C.:

! G3- :

: G.:

A=

M

; (- ■

: A±:

Secundaire warmteleidingen

Figuur B2.1

Visualisatie van hetAmernet

Tussen het hoofdwarmtedistributienet en de primaire leidingen staat een Warmte Overdracht Station (WOS). Tussen de primaire leidingen en de secundaire leidingen staan onderstations (OS). Bij een WOS en OS kan de temperatuur en druk geregeld worden. De temperatuur en druk in de secundaire leidingen kunnen daardoor lager zijn dan de temperatuur in het primaire net en de temperatuur en druk in de primaire leidingen kunnen daardoor lager zijn dan de temperatuur in het hoofdwarmtedistributienet

De temperaturen in het warmtenet hoeven gedurende het jaar niet constant te zijn. Tijdens het stookseizoen, wanneer de aangesloten woningen en bedrijven verwarmd moeten worden, is de temperatuur in de aanvoerleidingen doorgaans hoger dan buiten het stookseizoen als er alleen warm tapwater wordt geleverd. Tapwater is het water, dat in de panden uit de kraan en de douche stroomt.

65

2. Temperatuur secundaire warmteleidingen

Klanten met een aansluiting op het Amernet ontvangen warmte voor het verwarmen van hun panden en voor warm tapwater. De temperatuur mag bij een tappunt niet lager zijn dan 55°C in verband met risico’s voor de volksgezondheid41. Bij het Amernet worden vanuit ongeveer 200 lokale onderstations in de wijken woningen, kassen en bedrijven voorzien van warmte. Tussen het tappunt en het onderstation gaat warmte verloren naar de omgeving. Daarom moet de minimale aanvoertemperatuur in de secundaire leidingen ter hoogte van de onderstations 70°C zijn. Voor het bepalen van de gewenste temperatuur in de secundaire leidingen gaat in het stookseizoen meespelen dat de temperatuur in de woningen tot comfortabele hoogte moet kunnen worden opgestookt. Afhankelijk van de ouderdom en daarmee het isolatieniveau van de panden, wordt de temperatuur in het secundaire net daarom op de koudste dagen verhoogd naar 80 tot 90°C.

In de woningen wordt warmte afgegeven via de binneninstallatie (radiatoren, vloerverwarming etc.). Daardoor koelt het water gemiddeld met ongeveer 20°C af (AT=20°C). Vervolgens stroom het water via retourleidingen terug naar het onderstation en daarna via het primaire en het hoofdwarmtedistributienet terug naar de warmtebron. Op de koudste dagen is de retourtemperatuur in het hoofdwarmtedistributienet ongeveer 65°C. Dit is een ondergrens. De retourtemperatuur kan in de huidige situatie niet verder zaken. Een lagere retourtemperatuur zou namelijk inhouden dat het water de aangesloten panden zou verlaten met een lagere temperatuur. Dat betekent weer dat de temperatuur in de radiatoren lager zou zijn, waardoor de woningen en bedrijven niet voldoende warm gestookt kunnen worden.

3. Temperatuur hoofdwarmtedistributienet

Bij het Amernet moet de warmte over relatief grote afstand van de Amercentrale naar een WOS worden getransporteerd. Dit gebeurt via hoofdwarmtedistributienet. De warmte wordt ingekoppeld bij de Amercentrale met een temperatuur van ongeveer 120-125°C. De retourtemperatuur op de koudste dagen ligt, zoals in de vorige alinea beschreven op ongeveer 65°C. Dat betekent dat de AT in de huidige situatie ongeveer 60°C bedraagt (125 - 65°C). De temperatuur in het hoofdwarmtedistributienet kan niet zomaar worden verlaagd, omdat de AT dan lager wordt. Bij een verlaging van de aanvoertemperatuur in het hoofdwarmtedistributienet naar bijvoorbeeld 90°C neemt de AT en daarmee de hoeveelheid warmte, die geleverd kan worden, af met 60%. In een zomersituatie is een dergelijke capaciteitsverlaging te realiseren.

66

41 Zie: Drinkwaterwet

Er hoeft dan alleen warm tapwater geleverd te worden, waardoor er minder warmte door de leidingen getransporteerd hoeft te worden. In het stookseizoen moeten de panden echter ook worden verwarmd worden. Er zijn twee opties om de aanvoertemperatuur toch - in bepekte mate - te kunnen verlagen:

Het water in het warmtenet kan sneller worden rondgepompt. Hiervoor moeten meer pompen in het netwerk worden geplaatst. Het sneller rondpompen van water is echter maar beperkt mogelijk, omdat hierdoor meer weerstand in de leidingen ontstaat. Het verlagen van de aanvoertemperatuur wordt hierdoor sterk beperkt. De aangesloten woningen kunnen beter worden geïsoleerd en/of de radiatoren in de woningen kunnen worden vervangen. Hierdoor kan de retourtemperatuur worden verlaagd. Deze ingrepen kosten relatief veel geld en tijd per pand. Daarnaast moeten pandeigenaren hiertoe bereid zijn. Al met al is dit lastig te beïnvloeden.

Ennatuurlijk experimenteert met het verlagen van de aanvoer­ temperatuur in het Amernet. Zo is in september en oktober 2022 de aanvoertemperatuur in het hoofdwarmtedistributienet verlaagd tot 99°C. Toen het in oktober 2022 echter kouder werd en er meer vraag naar warmte kwam, kon Ennatuurlijk de aangesloten panden niet meer van voldoende warmte voorzien. De aanvoertemperatuur is toen weer verhoogd. De verwachting is dat door optimalisatie tot 2030 een aanvoertemperatuur van 110-120°C haalbaar is in het stookseizoen en 90°C buiten het stookseizoen.

4. Temperatuur Primaire net In het primaire net is de aanvoertemperatuur temperatuur doorgaans iets lager dan in het hoofdwarmtedistributienet. Indien er technische aanpassingen in het Amernet worden gedaan, kan de minimale aanvoertemperatuur in het primaire net gedurende het hele jaar wellicht op 90°C worden gebracht. De temperatuur ligt nu nog hoger. Deze aanvoertemperatuur kan om dezelfde redenen als bij het hoofd­ warmtedistributienet niet verder verlaagd worden.

5.1,2,e

BIJLAGE 3 ANALYSE VAN BRONNEN Er is een groot aantal bronnen beschreven in de bijlage. Voor de leesbaarheid is daarom een inhoudsopgave bij deze bijlage toegevoegd.

Regionale bronnen (Benodigde aanvoertemperatuur110-120°C)

1. LOCATIE AMERCENTRALE TE GEERTRUIDENBERG 1.1 Aftapwarmte uit de Amercentrale (biomassa)

1.2 Aftapwarmte uit de Amercentrale (steenkool) 2. INDUSTRIECLUSTER MOERDIJK

2.1 Rest- en aftapwarmte uit de afvalenergiecentrale van Attero 2.2 Industriële restwarmte (in combinatie met warmtepompcentrale) 2.3 Geothermie (in combinatie met warmtepompcentrale) 3. ZOWEL OP LOCATIE AMERCENTRALE ALS IN MOERDIJK

3.1 Restwarmte uit waterstofproductie (in combinatie met warmtepompcentrale)

3.2 Restwarmte uit kernenergie 3.3 Warmtebuffers en e-boilers 4. BACK UP SYSTEEM ALS HOOFDSYSTEEM (GASKETELS EN BIO-OLIEKETELS)

Lokale bronnen 5. PLUKMADE

(benodigde aanvoertemperatuur ongeveer 60-70°C)

5.1 Geothermie in Plukmade 5.2 Biomassawarmtecentrale

6. TILBURG (benodigde aanvoertemperatuur minimaal 90°C) 6.1 Geothermie (in combinatie met warmtepompcentrale)

68

1. LOCATIE AMERCENTRALE TE GEERTRUIDENBERG 1.1 Aftapwarmte bij biomassa in de Amercentrale

In de Amercentrale wordt water onder hoge druk in een stoomketel gepompt. Vervolgens wordt dit water verhit en ontstaat er stoom. Voor het verhitten worden houtpellets (en nu nog voor 20% steenkool) verbrand. De stoom wordt vervolgens primair gebruikt voor het opwekken van elektriciteit. De warmte uit de Amercentrale is aftapwarmte. Dat betekent dat de stoom uit het proces van elektriciteitsopwekking wordt geleid (‘afgetapt’). Met deze afgetapte stoom wordt het water van het Amernet verwarmd. Deze ‘aftapwarmte’ is daarmee dus geen restwarmte. De warmte is geen bij- of afvalproduct, maar gaat ten koste van elektriciteitsproductie. Tijdigheid

De Amercentrale is gebouwd als steenkoolcentrale, maar de steenkool is inmiddels voor 80% vervangen door houtpellets. Vanaf 2025 is het gebruik van steenkool bij wet verboden en kan de Amercentrale volledig op biomassa draaien.

Technisch gezien is de Amercentrale in 2027 beschikbaar. RWE is eigenaar van de centrale en bepaalt in welke mate er stoom kan worden afgetapt en onder welke (financiële) condities. Vermogen en regelbaarheid

Biomassa is een continue bron, die bij uitstek geschikt is om te voorzien in de basislast. De Amercentrale wordt in de huidige situatie echter ook ingezet worden voor een deel van de pieklast, omdat er (in beperkte mate) geschakeld kan worden tussen warmteproductie en elektriciteitsproductie. Als Ennatuurlijk in de huidige praktijk in het stookseizoen meer warmte nodig heeft, produceert RWE minder elektriciteit en meer warmte. De Amercentrale heeft momenteel een vermogen van maximaal 350 MW (warmte). Bij de vraag hoeveel vermogen de Amercentrale vanaf 2027 kan leveren ten behoeve van het Amernet spelen twee vraagstukken mee: Door de substitutie van kolen met houtpellets neemt het ketelrendement en dus netto elektrisch rendement iets af 4. Als daling van de elektriciteitsproductie voor RWE onacceptabel is, zal RWE minder stoom willen aftappen ten behoeve van de warmteproductie.

RWE heeft interesse in het afvangen van CO, bij de Amercentrale. Hierdoor neemt het vermogen van de centrale substantieel af. De afvang van CO, vraagt namelijk veel energie. RWE heeft aangegeven dat - indien CO, wordt afgevangen - er een maximaal vermogen voor de warmteproductie resteert van 180 MW. RWE wil over het 42 Zie het rapport ‘Alternatieven voorbiomassameestookin kolencentrales’ door OE Delft vanjuli 2016.

69

afvangen van CO, in 2025 een besluit nemen. RWE heeft gesteld dat de besluitvorming afhankelijk is van de komst van de Delta Corridor, waarover nog investeringsbeslissingen en ruimtelijke beslissingen genomen moeten worden (zie paragraaf 2.6.1). Daarmee is afvangen van CO, nog onzeker. RWE heeft aangegeven dat afvang van CO, op zijn vroegst vanaf 2030 plaatsvindt. Temperatuur van de bron

Net als in de huidige situatie is het technisch mogelijk om een temperatuur van 110-120 °C te leveren. Duurzaamheid

Biomassa is wettelijk toegestaan en is geen fossiele brandstof. Daarmee voldoet biomassa aan de klimaatdoelstellingen. Biomassa wordt doorgaans niet als een volledig duurzame energiebron beoordeeld. Dit komt doordat er bossen voor gekapt worden en transport over lagere afstand nodig is. Alleen als biomassacentrales lokale snoeiafval en lokaal afval uit de industrie gebruiken kan bio­ massa als volledig duurzaam worden aangemerkt. Bij grootschalige verbranding, zoals in de Amercentrale, is de inzet van lokale droge biomassa niet toereikend43. 1.2 Aftapwarmte bij steenkool in de Amercentrale

De Amercentrale draait momenteel deels op steenkool en deels op biomassa. Als steenkool per wet verboden is, zal de Amercentrale volledig op biomassa draaien. Technisch gezien is het echter ook mogelijk dat de Amercentrale weer volledig op steenkool gaat draaien. Er is dan echter wel een politiek inspanning nodig om het verbod op steenkool terug te draaien. Ook moet RWE bereid zijn de centrale op steenkool te laten draaien. Tijdigheid

Voor een (gedeeltelijke) biomassacentrale zijn gedeeltelijk andere technische installaties nodig dan voor een steenkoolcentrale. Een voorwaarde van het omschakelen van een biomassa op steenkool is dat de benodigde steenkolenmolens nog steeds beschikbaar zijn in de Amercentrale of dat de houtpellets molens worden omgebouwd naar kolenmolens. Daarnaast is het mogelijk dat er eventuele aan­ passingen gedaan moeten worden aan de branders. Bronvermogen en regelbaarheid

Steenkool is een continue bron, die bij uitstek geschikt is om te voorzien in de basislast. De Amercentrale kan echter ook ingezet worden voor een deel van de pieklast, omdat er (in beperkte mate) geschakeld kan worden tussen warmteproductie en elektriciteits­ productie.

43 Zie ‘Verkenning potentieel bio-energie RES-en Brabant’van 2019 van Royal Haskoning DHVin opdracht van de provincie Noord-Brabant.

70

Het huidige vermogen voor de warmteproductie is 350 MW. RWE heeft aangegeven dat -indien CO, wordt afgevangen er een maximaal vermogen voor de warmteproductie resteert van 180 MW (zie ook paragraaf 3.4.1). Temperatuur van de bron

Net als in de huidige situatie is het technisch mogelijk om een temperatuur van 110-120°C te leveren. Duurzaamheid

Het gebruik van steenkool als brandstof is bij wet verboden in 2025, omdat steenkool niet duurzaam is. Steenkool is een fossiele brandstof. Inzet van steenkool voldoet dus niet aan de klimaatdoelstellingen. 2. INDUSTRIECLUSTER MOERDIJK 2.1 Rest- en aftapwarmte uit de afvalenergiecentrale van Attero

De afvalenergiecentrale van Attero in Moerdijk is sinds 1997 operationeel en is in 2008 uitgebreid met een vierde verbrandingslijn. De installatie zet jaarlijks één miljoen ton huishoudelijk- en bedrijfsafval uit binnen- en buitenland om in energie. De afval­ energiecentrale in Moerdijk wordt ingezet voor de productie van elektriciteit. Tijdigheid

De afvalenergiecentrale van Attero kan warmte leveren in 2027. Bepalender voor de beschikbaarheid van deze bron is echter het feit dat de warmte ook getransporteerd moet worden naar het Amernet. Hiervoor moet een transportleiding worden aangelegd. Naar ver­ wachting kan deze transportleiding pas in 2030 gereed zijn. Alleen als alles meezit, kan dit met anderhalf jaar worden ingekort. Dit wordt verder onderbouwd in paragraaf 4.2. Al met al kan gesteld worden dat warmte uit de Afvalenergiecentrale van Attero een bron kan zijn voor het Amernet vanaf ca. 2030.

Verschillende partijen hebben de gedachte geuit dat de realisatie van de Delta Corridor en de transportleiding gecombineerd kunnen worden. Bij de Deltacorridor wordt gestreefd naar een eerdere ingebruikname datum (zie paragraaf 2.6.1). Koppeling van de twee projecten zou daarmee een versnelling van enige jaren inhouden voor de transportleiding. Aan een dergelijke koppeling kleven vooren nadelen. Door de projecten te combineren kan ‘werk met werk’ worden gemaakt. Aan de andere kant maakt dit beide projecten complexer, worden ze in de besluitvorming afhankelijk van elkaar en zal vertraging bij het ene project automatisch leiden tot vertraging bij het andere project. Daarnaast moet opgemerkt worden dat de planning van de Delta Corridor erg ambitieus is. Om die strakke planning te halen, zullen Rijk en initiatiefnemers complexiteiten, die niet strikt noodzakelijk zijn wellicht zo veel mogelijk willen voorkomen. 71

Bronvermogen en regelbaarheid

In 2022 heeft het bureau AAB de studie ‘Warmtetransitie Amer-Moerdijk opgesteld44. Hierin staat de aanname dat de afvalenergiecentrale van Attero een vermogen kan leveren van ongeveer 150 MW. Sinds het verschijnen van deze studie zijn Ennatuurlijk en Attero Moerdijk met elkaar in gesprek over eventuele warmtelevering en een daarvoor op te stellen intentieovereenkomst. Attero heeft in deze gesprekken aangegeven dat zij de wens heeft om in de toekomst CO, af te vangen en te transporteren via de Deltacorridor richting de Noordzee. Het afvangen van CO, kost energie en is zeer bepalend voor het beschikbare bronvermogen. De conceptovereenkomst gaat naar zegge van Ennatuurlijk uit van een beschikbaar bronvermogen voor de warmtelevering van 80 tot 100 MW. Door de afvang van CO, ligt het bronvermogen dus significant lager dan eerder aangenomen.

Het exacte vermogen dat Attero kan leveren is nog onderdeel van studie. Indicatief kan wel al gesteld worden dat ongeveer 20 MW daadwerkelijk vermogen is uit restwarmte. Het overgrote deel van de warmte die door Attero geleverd kan worden is dus ‘aftapwarmte’. Aftapwarmte is warmte die uit het proces van elektriciteitsproductie wordt ‘afgetapt’, voordat er elektriciteit wordt gemaakt. Aftapwarmte gaat daarmee ten koste van de elektriciteitsproductie. Afvalverbranding is een continu proces. Daarmee is warmte uit afval een continue energiebron, die ingezet kan worden om te voorzien in de basislast. Temperatuur van de bron

Het is technisch mogelijk om een temperatuur te leveren van 110-120 °C te leveren. Duurzaamheid

Het gebruik van warmte uit afvalverbranding wordt doorgaans niet als volledig duurzaam gezien, omdat afvalverbranding niet past bij de toekomstwens voor een volledig circulaire economie. Circulariteit betekent dat hoogwaardig afval niet verbrand wordt, maar hergebruikt wordt als grondstof voor nieuwe producten. Alhoewel het de ambitie is om in de toekomst geen afval meer te verbranden, kan het zo zijn dat voor een beperkt deel van het afval geen hergebruik of recycling mogelijkheden gevonden worden. In dat geval blijft afvalverbranding noodzakelijk en kan het benutten van restwarmte wel als volledig duurzaam worden aangemerkt.

Een deel van het afval van Attero wordt uit het buitenland geïmporteerd. Het transport van afval kost brandstoffen en heeft dus invloed om de duurzaamheid. Daar staat echter weer tegenover dat in sommige landen afval wordt gestort. Bij het gestort afval komt methaan vrij. Methaan is een veel sterker broeikasgas dan CO,.

44 Deze studie is opgesteld in opdracht van REKS, RES, Attero Moerdijk, Ennatuudik en Tuinders in Piukmade.

72

2.2 Industriële restwarmte in combinatie met warmtepompcentrale

Bij veel bedrijfsprocessen komt warmte vrij tijdens de productie. Deze warmte wordt vaak geloosd naar de lucht of via het water. Vooral de grote industrie beschikt vaak over grote hoeveelheden restwarmte. In plaats van deze warmte te lozen, kan deze warmte ook ingezet worden als bron voor een warmtenet. Het industriecluster Rotterdam - Moerdijk kent verschillende grote bedrijven met een aanbod aan restwarmte. Het industriecluster heeft een clusterplan opgesteld. Hierin zijn meerdere verduurzamingstappen beschreven45. Eén van de ontwikkelingen in het clusterplan is het ‘onderzoeken van de haalbaarheid van ontkoppeling van restwarmte in Moerdijk t.b.v. de gebouwde omgeving en/ofglastuinbouw in West-Brabant. 99

Tijdigheid

Op dit moment zijn er geen concrete industriële restwarmtebronnen op locatie Moerdijk in zicht, ondanks dat de potentie er is. Zo vinden er gesprekken plaatst met Shell, maar dit zal naar verwachting op korte termijn niet tot een concreet project leiden. Als bedrijven bereid zijn om warmte te leveren, is het technisch mogelijk om dat binnen enkele jaren te doen. Voorwaarde voor de levering van warmte aan het Amernet is echter dat er een transport­ leiding wordt aangelegd naar het Amernet toe. Die transportleiding kan in ca 2030 gereed zijn (zie paragraaf 4.2). Bronvermogen en regelbaarheid

Over het algemeen kan worden gesteld dat er bij industriële rest­ warmte sprake is van grote vermogens, maar dat de hoeveelheid vermogen sterk afhangt van het bedrijfsproces. Bij industriële restwarmte is de beschikbaarheid van het bronvermogen voor de langere termijn echter niet altijd gegarandeerd. Bedrijven zijn namelijk niet altijd bereid om langlopende contracten voor meer dan 15 jaar af te sluiten.

Of restwarmte uit industriële processen een geschikte bron is voor de basislast, wordt bepaald door het industriële productieproces. Als het productieproces een continu restwarmtestroom over heeft, dan kan deze in potentie ingezet worden voor de basislast. Indien dat niet het geval is, moet er een combinatie gemaakt worden met andere bronnen en/of opslag. Alleen dan kan er ook warmte geleverd worden op momenten dat de productie stilligt. Temperatuur van de bron

Restwarmte uit industriële processen heeft een temperatuur van minimaal 50°C, maar is zeer afhankelijk van het industriële proces. Gezien het uitgangspunt dat de aanvoertemperatuur vanuit Moerdijk ongeveer 110-120 °C moet zijn, is wellicht opwaardering van de temperatuur nodig met behulp van een warmtepompcentrale. 73

45 Clusterplan industriecluster Rotterdam-Moerdijk als onderdeel van de Klimaattafel Haven en Industrie Rotterdam - Moerdijk van april2020.

De inzet van warmtepompen komt bedrijfseconomisch alleen uit als de temperatuur slechts beperkt hoeft te worden verhoogd. Daarmee is restwarmte met een temperatuur van 50°C minder aantrekkelijk dan restwarmte met een temperatuur van bijvoorbeeld 100 °C. Duurzaamheid

Restwarmte die vrijkomt bij een productieproces wordt doorgaans gezien als duurzaam. Dat geldt ook productieprocessen waarvoor fossiele brandstoffen worden gebruikt of voor restwarmte uit de petrochemische industrie, zolang de warmte geen andere nuttige toepassing kent. Met het verduurzamen van de industrie zal de beschikbare hoeveelheid restwarmte op termijn afnemen. Dat heeft te maken met de energiebesparingsmaatregelen van bedrijven, andere productieprocessen of andere producten.

Voor de inzet van de warmtepompen is elektriciteit nodig. Vanuit duurzaamheidsoptiek is het van belang hoe deze elektriciteit wordt opgewekt. Daarbij speelt ook de hoeveelheid elektriciteit die nodig is een rol. Daarmee is restwarmte met een temperatuur van 50°C minder duurzaam dan restwarmte met een temperatuur van bijvoorbeeld 100 °C, omdat voor de eerste veel meer elektriciteit nodig is voor dezelfde hoeveelheid warmte van 110-120 °C, die moet worden geproduceerd.

«Sat

ƒ

O

2.3 Diepe geothermie (in combinatie metwarmtepompcentrale) 9,

Diepe geothermie, ook wel aardwarmte genoemd, is het gebruik van warmte uit de diepe ondergrond vanaf 500 meter en dieper voor het verwarmen van woningen, bedrijven en kassen. Diep in de ondergrond bevindt zich warm water in (poreuze) zand- en gesteentelagen. Diepe geothermie, wordt gewonnen uit heet water in deze lagen. In het kader van de zogenaamde SCAN-onderzoeken 46 is seismische reflectiedata verzameld. Deze data is door de Geologische Dienst Nederland vertaald naar technische en economische potentie voor geothermie (figuur B3.1). Met de donkergroene gebieden wordt aangegeven waar goede economische potentie is voor de ontwikkeling van geothermiebronnen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er rondom het Amernet kansen zijn voor geothermie.

46 In de zogenaamde SOAN-onderzoeken is de ondergrond van Nederland geïnventariseerd. Op basis hiervan kan de potentie voorgeothermie worden bepaald. De SCAN onderzoeken richten zich op een diepte tussen 500 meter en 4 km. Het ministerie van EZK financiert de SCAN onderzoeken. Er is subsidie ontvangen de Europese Unie: Interreg Europe. De uitvoering van SCAN is in handen van EBN en TNO. 47 De kaart met economische potentie voor geothermie is ontwikke/d door de Geologische Dienst Nederland (onderdeel van TNO). De Geologische Dienst Nederland heeft ThermoGIS ontwikkeld. Hier wordt geologische data van NLOG (initiatief van TNO en het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) vertaald naar een model van de ondergrond. ThermoGIS geeft het geothermische potentieel aan van geothermie op basis van een technisch-economische rekenmodule. De kaart zoals weergegeven in figuur B3.1 is gebaseerd op de data en inzichten die beschikbaar waren in November2022.

74

rU

h

ThermoGIS vlJ Econome poteritia overvew

reference 51 €/MWh

unknown indcabon moderate I qood

# •

TNO ëmsyatksn SS*

Figuur B3.1 Economische potentie van geothermie in

Nederland

47

De SCAN-onderzoeken zijn een eerste inventarisatie. Voordat een initiatiefnemer overgaat tot een definitief investeringsbesluit is nauwkeurig onderzoek nodig naar de bodemgesteldheid en bodem­ samenstelling. Ook worden er eerst proefboringen gedaan. Gezien de lange onderzoeksfase wordt er opsporingsvergunningen uitgegeven, die een partij voor 6 jaar het exclusieve recht geeft om een dergelijk onderzoek uit te voeren. Indien het onderzoek voldoende zekerheid geeft over de warmteopbrengsten, zal er een Winningsvergunning worden aangevraagd. Diepe geothermie is een relatief nieuwe techniek, die pas enkele jaren wordt toegepast. Tot nu toe zijn er ongeveer 27 diepe geothermiebronnen in Nederland in gebruik48. Naar huidige inzichten kan een bron minimaal 30 jaar lang ingezet worden voor de productie van warmte. Tijdigheid

Ennatuurlijk heeft in 2022 een opsporingsvergunning ‘BredaMoerdijk’ gekregen voor de winning van diepe geothermie in Moerdijk49. Er is een proefboring gepland het eerste kwartaal van 2025. Tot die tijd is de technische haalbaarheid onzeker. Naar zegge van Ennatuurlijk kan er, mits de proefboring succesvol is, rond 2030 daadwerkelijk geothermie worden gewonnen in Moerdijk. De productie kan daarna stapsgewijs worden opgevoerd. Technische gezien is het mogelijk om binnen één jaar alle doubletten operationeel te hebben. Om bedrijfseconomische redenen kan er voor een trager ingroeipad worden gekozen. Bronvermogen en regelbaarheid

Om warm water te kunnen winnen uit de diepe ondergrond, moeten twee putten worden geboord: een productieput en een injectieput. Vanuit de productiepunt wordt warm water omhoog gepompt. Met een warmtewisselaar wordt de warmte vervolgens uit het water gehaald. Die warmte kan ingezet worden voor een warmtenet. Het afgekoelde water gaat via de injectieput weer de bodem in. De combinatie van productieput en injectieput wordt een doublet genoemd. In Moerdijk zijn naar verwachting stapsgewijs 6 doubletten mogelijk en kan in potentie een totaalvermogen van 110 MW geleverd worden50. Het vermogen is inclusief de inzet van warmtepompcentrale, die nodig is om de temperatuur te verhogen. Diepe geothermie kan het gehele jaar door een continu warmte leveren en is daarmee geschikt als basislast.

48 Zie jaarverslag van NLOG ‘Jaarverslag2021 - Delfstoffen en aardwarmte in Nederland’ 49 De opsporingsvergunning voor de regio Breda-Moerdijk is gepubliceerd in de Staatscourant Nr. 30920 ‘Verlenen opsporingsvergunning aardwarmte Breda-Moerdijk 1, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat’. 60 Op basis van informatie van Ennatuurlijk 75

Temperatuur van de bron

Een vuistregel is dat er bij iedere kilometer diepte, ca 30°C aan warmte gewonnen wordt51. De diepte wordt bepaald door de temperatuur en de doorlatendheid van de grond op grote diepte. In Nederland wordt doorgaans bij aardwarmteprojecten gekeken naar een diepte tussen de 2 a 4 km, waarbij het water in theorie een temperatuur heeft van 70 - 120°C. In de praktijk is de temperatuur bij diepe geothermie tot nu toe doorgaans bij 70 tot 90°C Ennatuurlijk verwacht een temperatuur van in ieder geval 90°C te kunnen winnen op de locatie Moerdijk.

Gezien het uitgangspunt dat de aanvoertemperatuur vanaf Moerdijk ongeveer 110-120 °C moet zijn in het stookseizoen, is opwaardering van de temperatuur nodig met behulp van een warmtepompcentrale52. Buiten het stookseizoen kan mogelijk direct warmte worden geleverd aan het Amernet. Zowel voor het oppompen van de warmte uit de aarde als voor het opwaarderen van de warmte in de warmtepompcentrale is elektrici­ teit nodig. De hoeveelheid is relatief beperkt. De warmtepomp­ centrale kunnen, vanwege de beperkte temperatuursprong efficiënt functioneren. Duurzaamheid

Diepe geothermie is een van de duurzaamste warmtebronnen en voldoet aan de klimaatdoestellingen53. Bij de winning van aard­ warmte komt wel formatiegas mee omhoog, dat enige CO2-uitstoot veroorzaakt54. Dit gas kan elders nuttig worden gebruikt, indien het wordt geleverd aan het bestaande gasnet.

Voor de winning van geothermie en voor de inzet van de warmte­ pompen is elektriciteit nodig. Vanuit duurzaamheidsoptiek is het van belang hoe deze elektriciteit wordt opgewekt. 3. ZOWEL OP LOCATIE AMERCENTRALE ALS IN MOERDIJK

3.1 Restwarmte uit waterstofproductie (in combinatie met warmtepompcentrale)

In paragraaf 2.6.2 is uiteengezet dat er voor zowel de Amercentrale als het Industriecluster Moerdijk gekeken wordt naar aanlanding van wind op zee. Bij de aanlanding van wind op zee kan het interessant zijn om een deel van de elektriciteit niet direct het hoogspanningsnet op te sturen, maar in te zetten voor de productie van groene waterstof. Voor de productie van waterstof worden electrolysers ingezet.

76

51 Zie factsheet ‘Wat is geothermie?’ van Branchevereniging Geothermie Nederland 52 Een recente, priiie gedachte is dat de temperatuur ook verhoogd kan worden via de installatie van Attero. In dat geval hoeft er geen warmtepompcentrale te worden gebruikt. 53 Op basis van een rapport van TNO ‘Duurzaamheid van geothermie in warmtenetten’uit2020 54 Het bovenstaande rapport van TNO geeft aan dat formatiegas afhankelijk van het reservoir verantwoordelijk is voor2.2-7.4 kg OO^GJ warmte. De totale OO2 uitstoot van een geothermie bron is o.a. afhankelijk van het reservoir en technische eigenschappen van het Amernet.

Een installatie met electrolysers wordt ook wel aangeduid met de term ‘waterstoffabriek’. Bij de productie van waterstof in deze fabriek komt restwarmte vrij. Deze restwarmte kan in potentie worden gebruikt als warmtebron voor het Amernet. Voor de komst van een waterstoffabriek geldt een aantal voorwaarden: Er moet voldoende vraag zijn naar waterstof vanuit de industrie; De Deltacorridor moet gereed zijn voor het transport van de waterstof naar industriegebieden of er moet directe afzet mogelijk zijn nabij de waterstoffabriek, bijvoorbeeld in Moerdijk;

Er moet een initiatiefnemer komen voor het bouwen van een waterstoffabriek. Tot nu toe was er nog geen zicht op een initiatiefnemer voor de productie van waterstof nabij het Amernet. In november 2022 heeft RWE echter de tender ‘700 MW Hollandse Kust West VII’ gewonnen voor een windpark voor de kust van IJmuiden. In de gunning staan naast voorwaarden voor het opwekken van elektriciteit op zee ook beoordelingscriteria voor het omzetten van elektriciteit naar een andere energiedrager (warmte en waterstof). RWE heeft in haar inschrijving daarom onder andere 600 MW aan electrolysers opgenomen. Zoals het er nu naar uitziet is er geen verplichting om de electrolysers nabij de aanlanding van de wind uit dit windpark neer te zetten. RWE heeft in een persbericht in mei 2022 aangegeven te kijken naar investeringen in Brabant en Groningen55.

Er lijkt bestuurlijk draagvlak te zijn voor de komst van een waterstof­ fabriek in de nabijheid van het Amernet. Zo hebben partijen in een stakeholderbijeenkomst voor de VAWOZ 2030 aangegeven open te staan voor een energiehub in het Amergebied56. Dit komt ook terug bij de omgevingsbijeenkomsten met Brabantse regiopartijen voor de totstandkoming van de VAWOZ 2031-2040. Bij deze laatste bijeen­ komsten zijn Moerdijk en Geertruidenberg benoemd als mogelijke locaties voor de aanlanding van wind op zee en is expliciet ingegaan op de koppelkansen met electrolyse57. Daarnaast hebben Brabantse regiopartijen in 2022 bij het windproject: ‘Net op Zee IJmuiden Ver Alpha’ een regioadvies uitgebracht. Daarin staat ook aangegeven dat zij een voorkeur hebben voor een convertorstation58bij de Amercentrale of in Moerdijk 59.

77

55 Informatie uit het persbericht van RWE van 26 mei2022 ‘RWE neemt met unieke concepten deel aan offshore wind tender Hollandse Kust West’ 56 Op basis van Het ‘Verslag stakeholderbijeenkomst regio Zuidwest VAWOZ2030’ van Beerenschot over de stakeholderbijeenkomst van 21 april2021. 57 Op basis van het verslag regiosessie Zuid-Holland/Noord-Brabant - Voorverkenning VA WOZ 2031-2040. Aanwezig bij de regiosessie op 9 februari2022 waren: ministerie EZK, ministerie len W, Natuur en Milieufederatie Zuid-Holland, gemeente Den Haag, provincie Zuid-Holland, gemeente Goeree Overflakkee, gemeente Midden-Delfland, gemeente Rotterdam, GasUnie, Port of Rotterdam, provincie Noord-Brabant, gemeente Moerdijk, Port ofMoerdijk, gemeente Tilburg, DNV, VNO-NOWBrabant Zeeland, RVO, RWE, Brabantse OntwikkeHngs Maatschappij (BOM), gemeente Geertruidenberg, gemeente Drimmelen, TenneT, RWS Zee en Delta, ZETO. 58 Een convertorstation is een station om elektriciteit om te zetten in een andere energiedrager, zoals waterstof ofwarmte. 59 Witteveent-Bos (2021) Effectenanalyse Verkenning aanlanding windenergie op zee (VA WOZ).

Tijdigheid

In paragraaf 2.6.2 is uitgelegd dat de aanlanding van wind op zee per definitie niet voor 2031 gereed zal zijn en veel onzekerheden kent. Daarnaast moet opgemerkt worden dat een waterstoffabriek een lange bouwtijd kent en dat er nog geen concreet initiatief is. Al met al is het duidelijk dat een dergelijke fabriek er niet zal zijn in 2027 of 2030. Bronvermogen en regelbaarheid

Een ‘gemiddelde’ electrolyser levert ongeveer 20% van het vermogen als nuttige restwarmte60. Bij een electrolyser vermogen van 600 MW, zoals aangegeven door RWESis er een potentieel vermogen voor restwarmte van 120 MW. De temperatuur moet vervolgens worden verhoogd door een warmtepompcentrale. Hierdoor neemt het vermogen toe. De combinatie zorgt voor een vermogen van 150 MW. Het waait niet altijd even hard. Daarmee is de opwekking van water­ stof door middel van elektrolyser en windenergie geen continue proces. Er zijn drie opties, of een combinatie daarvan, mogelijk om dit te ondervangen:

Voor de waterstofproductie wordt, als het niet waait, elektriciteit van het hoofdspanningsnetwerk gebruikt. Dit kan economische waarschijnlijk niet altijd uit, omdat de prijzen van elektriciteit van het net sterk kunnen fluctueren. Een deel van de restwarmte wordt opgeslagen (zie ook e-boilers) op momenten dat er veel waterstof en dus ook restwarmte wordt geproduceerd. Deze warmte kan worden ingezet op momenten dat er gebrek aan restwarmte is. Er worden andere warmtebronnen ingezet, als bron voor de warmtepompcentrale, op momenten dat het niet waait. Voorwaarde hiervoor is wel dat deze bronnen, makkelijk op- en af te schakelen zijn of dat er flexibele contracten worden afgesloten met de producenten van (rest)warmte. Temperatuur van de bron

Een elektrolyseer zou in potentie restwarmte met een temperatuur van ongeveer 60 tot 70°C “moeten kunnen leveren. Gezien het uitgangspunt dat de aanvoertemperatuur vanuit Moerdijk ongeveer 110-120°C moet zijn, is opwaardering van de temperatuur nodig met behulp van een warmtepompcentrale. De warmtepompcentrale kan naar verwachting, rekening houdend met de temperatuursprong, voldoende efficiënt functioneren.

60 Informatie is gebaseerd op ‘Quick scan potentie voor restwarmte Pernis Effluent en Maasvlakte Electrolysers’. Dit rapport is op 18 maart2022 opgeleverd door Royal Haskoning DHV 61 Informatie uit het persbericht van R WE van 26 mei2022 R WE neemt met unieke concepten deel aan offshore wind tender Hollandse Kust West’ 62 Zie ‘Quick scan potentie voor restwarmte Pernis Effluent en Maasvlakte Electrolysers’ d.d. 18 maart 2022 door Royal Haskoning DHV

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=9ff94fe1-8ce2-4a75-b933-ec38848e73b8