2.Geredigeerd_Rapport Over Morgen Toekomst Amernet
Tekst van het document
(benodigde aanvoertemperatuur ongeveer 60-70°C) • Geothermie Ennatuurlijk werkt op dit moment aan één geothermiedoublet met een vermogen van circa 15 MW. Ennatuurlijk stelt dat deze bron in 2025 operationeel kan zijn. De haalbaarheid is echter nog niet zeker. Er moet nog een proefboring worden uitgevoerd. Er is potentie voor meer geothermie (zie par. 5.1 van bijlage 3). • Biomassawarmtecentrale De tuinders in Plukmade hebben het initiatief genomen voor de bouw van de biomassawarmtecentrale. Dit project ligt momenteel stil, omdat er in verband met de stikstofproblematiek geen vergunning kan worden afgegeven (zie par. 5.2 van bijlage 3). GEOTHERMIE IN HET GEBIED TILBURG - WAALWIJK
(benodigde aanvoertemperatuur minimaal 90°C) Er is potentie voor geothermie in het gebied tussen Tilburg en Waalwijk. Het verder verkennen van deze potentie verkeert nog in een zeer pril stadium. Er kan dus niets gezegd worden over potentiële vermogens. Ennatuurlijk heeft momenteel een opsporingsvergunning in voorbereiding. Warmte uit geothermie bij het gebied Tilburg Waalwijk is niet realistisch voor 2035 (zie par. 6 van bijlage 3).
In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op innovatieve technieken. Een daarvan is gesloten geothermie. Voor het gebied Tilburg Waarlijk loopt hiervoor een initiatief met een bronvermogen van 10 MW. Vanwege deze beperkte omvang en het innovatieve en onzekere karakter van deze technologie wordt op deze technologische ontwikkeling in hoofdstuk 3 niet verder op ingegaan.
3.4 Overzichtstabel met bronnen
In bijlage 3 zijn de bronnen beschreven en zijn ze getoetst aan de toetsingscriteria. In de onderstaande tabel is een beknopt overzicht van de informatie in de bijlage. Het teken > betekent ‘meer dan’ of ‘later dan’.
28
INCL. VOOR BRONTYPE
ENERGIEBRON
JAARTAL
ONZEKERHEID
TEMP. BRON
VERMOGEN
WARMTEPOMP
BASISLAST? CENTRALE
GEERTRUIDENBERG
Amercentrale
Amercentrale
Aftapwarmte
2027
biomassa
Aftapwarmte
2027
Steenkool
Afhankelijk
350 MW (180 MW
van RWE
met afvang CO,)
In strijd met wet
350 MW (180 MW
afh. van RWE
met afvang CO,)
Afh. van Attero en
80 MW met
transportleiding
afvang CO.2
Onzeker
Onbekend
Ja
>12O°O
Nee
Ja
>12O°O
Nee
Ja
>12O°O
Nee
MOERDIJK
Afvalenergie
Rest- en aftap
Centrale
warmte afval
Industriële
processen
Geothermie
Restwarmte
2030
Geen lopende initiatieven
Aardwarmte
2030
Technische
18 MW en
haalbaarheid
doorgroei
onzeker
naar 110 MW
Onzeker
150 MW
Afh. van
Afh. van
Afh. van
productieproces
productieproces
productieproces
Ja
±9O°O
Ja
60-70°0
Ja
Ja
Onbekend
Onbekend
Nee
temperatuur
GEERTRUIDENBERG OF MOERDIJK
Elektrolyser/ wate rstoffabrie k
Ja,
Nog geen zicht Restwarmte
op, per definitie >
i.c.m. andere
bronnen
2035 Nog geen zicht
Kerncentrale
Restwarmte
op, per definitie
Onwaarschijnlijk
Onbekend
Onzeker
(afh. v. benodigde
>2040 E-boilersen warmtebuffers
Tot 225 MW
> 2030, op bij Elektriciteit
Amerwellicht
Opslag-
buffercapaciteit)
eerder
Nee
min. 110-120°C
BACK UP SYSTEEM ALS HOOFDSYSTEEM Huidig
Aardgas
back-up systeem
en bio-olie
2027
Inzet bio-olie
400 MW
is ingeperkt in
Extra vermogen
milieuvergunning
(40 MW) nodig.
Afh. van contracten
potentie voor
met tuinders
tweede doublet
Alleen tijdelijk
>12O°O
Nee
Ja
70-90°0
Nee
15 MW
Ja
>12O°O
Nee
Onbekend
Ja
70-90°0
Onbekend
i.v.m. hoge kosten
PLUKMADE
Geothermie
Aardwarmte
Biomasswarmte
Houtachtige
centrale
biomassa
2025
>2025
Ligt stil i.v.m. stikstof
15 MW met
TILBURG - WAALWIJK
Geothermie
Aardwarmte
>2035
Overzichtstabel alternatieven
3.5 Beschrijving per tijdvak
Er is ongeveer 30 MW bronvermogen nodig om in de basislast bij Plukmade te voorzien. Voor de rest van de warmtevraag moeten de tuinders zelf bronnen beschikbaar hebben (zie paragraaf 2.4.2). Er is een totaal vermogen nodig voor de rest van het Amernet van 410 MW. Hiervan is minimaal 110 tot 125 MW nodig voor de basislast. Er moet dus voor de rest van het Amernet 285 tot 300 MW aan vermogen voor de pieklast beschikbaar zijn. In deze paragraaf is geanalyseerd welke bronnen beschikbaar kunnen komen in 2027, in 2030 en daarna.
29
3.5.1 Algemeen
Er zijn voldoende regelbare bronnen aanwezig. Wel moet worden nagegaan of de gasketels en bio-olieketels voldoende ingezet mogen worden op basis van de vigerende milieuvergunning. Er zijn momenteel concrete plannen voor één geothermiedoublet in Plukmade (2025). Die is niet genoeg voor de huidige basislast in Plukmade.
Kleine bronnen en lage temperatuurbronnen (waaronder Energy Hub Breda Noord) zijn in dit hoofdstuk buiten beschouwing gelaten, omdat ze per bron relatief weinig kunnen bijdragen aan de problematiek ten gevolge van de contractopzegging door RWE. Bij elkaar opgeteld en lokaal kunnen ze wel degelijk relevant zijn. Ze zijn daarom wel in hoofdstuk 5 beschreven. 3.5.2 Bronnen voor de tussenperiode (2027 - 2030)
Voor de periode tussen 2027 en 2030 zijn er twee mogelijkheden om te voorzien in de basislast: Warmte uit de Amercentrale Vanuit de Amercentrale kan warmte worden geleverd, indien RWE daartoe bereid is. Er moeten twee kanttekening bij dit scenario worden geplaatst:
Het is onduidelijk wanneer RWE uitsluitsel zal geven over het al dan niet beschikbaar stellen van warmte uit de Amercentrale vanaf 2027 in de tussenperiode. De prijs voor warmte wordt in dit scenario waarschijnlijk hoger dan de prijs voor warmte in de huidige praktijk. De prijsverhoging is nog niet bekend. Daarmee is ook niet duidelijk in hoeverre de prijsverhoging kan worden opgevangen.
Back-upsysteem wordt hoofdsysteem: Het back-up systeem van Ennatuurlijk kan als hoofdsysteem ingezet worden. Hierbij moeten drie kanttekeningen worden geplaatst: Het back-up systeem is aanwezig. Er moet echter een extra (gas) ketel bijgeplaatst worden met een vermogen van circa 40 MW. Een voorwaarde voor dit getal is dat de tuinders zelf in hun warmtevraag gaan voorzien, zodat het hele back-up systeem kan worden ingezet voor de rest van het Amernet. Er kan nu niet goed worden aangegeven wat het qua bij te bouwen bronvermogen betekent als de tuinders niet worden losgekoppeld van het Amernet. Daarvoor is eerst meer inzicht nodig in onder andere de reeds aanwezige gasgestookte installaties bij de tuinders én de vigerende contracten met de tuinders. Er moet worden nagegaan of de milieuvergunning aangepast moet worden en zo ja, of dat mogelijk is.
30
De exploitatiekosten van dit scenario zijn hoog. Ennatuurlijk heeft in augustus 2022 op verzoek van de Amersamenwerking een eerste, globale analyse uitgevoerd. Hieruit bleek dat de meerkosten ten opzichte van de huidige praktijk in een worst case scenario op zouden kunnen lopen tot circa 100 mln. euro per jaar. Ennatuurlijk heeft aangegeven dat de meerprijs de draagkracht van Ennatuurlijk te boven gaat. Een zeer substantieel deel van deze kostenstijging wordt veroorzaakt doordat niet meer aan de duurzaamheidscriteria kan worden voldaan en er meer energiebelasting wordt geheven. Er is geen second opinion uitgevoerd op de analyse van Ennatuurlijk. Ook is geconstateerd dat de informatie te globaal is om daar in deze fase conclusies aan te kunnen verbinden.
Welk scenario zich voordoet in 2027 is afhankelijk van de positie van RWE en de draagkracht van Ennatuurlijk. Daarnaast geldt dat het Rijk aan zet is, in het geval Ennatuurlijk de levering van warmte aan haar klanten niet meer kan garanderen. Het is raadzaam dat er zo snel mogelijk helderheid komt over de tussenperiode. 3.5.3 Bronnen per 2030
Om het Amernet van warmte te voorzien per 2030, zijn er op dit moment twee reële opties: warmtelevering uit de Amercentrale of rest- en afvangwarmte uit de afvalenergiecentrale van Attero in Moerdijk.
Zowel RWE als Attero hebben plannen om CO, af te gaan vangen. Voor beide alternatieven geldt dat het afvangen van CO, financiële consequenties heeft voor het Amernet. Als CO, wordt afgevangen in de Amercentrale, zullen de gasketels meer ingezet moeten worden dan in de huidige situatie. Dit heeft negatieve financiële consequenties. Als Attero CO, gaat afvangen, is het vermogen vanuit de afvalenergiecentrale onvoldoende om in de hele basislast te kunnen voorzien. De gasketels van Ennatuurlijk moeten dan zelfs ingezet worden voor een deel van de basislast. Dit geldt totdat er voldoende vermogen beschikbaar komt uit andere bronnen (zoals geothermie). Er zijn in Moerdijk nog twee opties, waarvan binnen enkele jaren helder kan worden of ze als reëel alternatief kunnen worden aangemerkt:
Vanuit technisch oogpunt kan industriële restwarmte op relatief korte termijn beschikbaar komen. Er lopen op dit moment echter nog geen concrete projecten voor industriële restwarmte. Er kan daarom op dit moment niet gezegd worden hoeveel vermogen er beschikbaar zou kunnen zijn, welke temperatuur de bron heeft en of er een warmtepompcentrale nodig is. Er lijkt veel potentie te zijn voor geothermie in Moerdijk. Uit nader onderzoek en proefboringen moet blijken hoeveel potentie er daadwerkelijk is. Ook moet uit aanvullend onderzoek blijken in hoeverre geothermie in combinatie met een warmtepompcentrale 31
vanuit financieel perspectief haalbaar is. Hierbij zal meespelen dat er in de wintermaanden een warmtepompcentrale moet worden ingezet. Het is denkbaar dat rest- en afvangwarmte uit Attero vanuit bedrijfseconomische afwegingen aantrekkelijk is.
Inzet van het back-upsysteem als hoofdsysteem is voor de periode na de tussenperiode geen reële optie meer in verband met de hoge productiekosten voor warmte. 3.5.4 Bronnen na 2030
Er is potentie voor nog een aantal omvangrijke bronnen, waarvan nu al helder is dat ze pas na 2030 gerealiseerd kunnen worden.
Op langere termijn is het denkbaar dat er in Moerdijk en/of Geertruidenberg waterstof wordt geproduceerd in een waterstoffabriek. De restwarmte, die daarbij vrij zal komen, kan wellicht worden benut (na 2035). Er zullen dan tevens warmtepompcentrales nodig zijn. Er is potentie voor geothermie in het gebied Tilburg - Waalwijk (na 2035). Hiervoor moet wellicht een warmtepompcentrale worden gebouwd. Dit geldt mogelijk niet voor de innovatie van gesloten geothermie. Gesloten geothermie is verder beschreven in paragraaf 5.1.
32
4 TRANSPORTLEIDING MOERDIJK-AMERNET Om het Amernet van warmte te voorzien in 2030, zijn er twee reële opties: warmtelevering uit de Amercentrale of rest- en afvangwarmte uit de afvalenergiecentrale van Attero in Moerdijk. Voor de tweede optie, de locatie Moerdijk, moet een nieuwe transportleiding worden gerealiseerd. Deze transportleiding heeft meer mogelijkheden dan het benutten van rest- en afvangwarmte uit de afvalenergiecentrale. In potentie kunnen er in de toekomst ook andere bronnen op worden aangesloten.
4.1 Tracékeuze Moerdijk - Amernet Er zijn twee hoofdalternatieven voor het verbinden van de locatie Moerdijk met het Amernet. Er kan een transportleiding aangekoppeld worden op het pompstation in Breda of op het pompstation in Geertruidenberg. Binnen deze twee hoofdalternatieven zijn verschillende varianten mogelijk. Tot nu toe heeft Ennatuurlijk vier varianten gepresenteerd voor het alternatief, waarbij aangekoppeld wordt op het pompstation in Geertruidenberg. De tracékeuze is gemeentegrens overstijgend. Het ligt daardoor voor de hand dat de tracékeuze integraal wordt gemaakt met alle betrokken gemeenten en/of provincie Noord-Brabant. De tracékeuze kan gelijk oplopen met de pilot 30, die provincie Noord-Brabant uitvoert in het kader van het provinciale Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (p-MIEK). In deze pilot voor regio Moerdijk wordt onderzocht of en zo ja hoe rondom Geertruidenberg en Moerdijk alle benodigde infrastructuur voor de energietransitie kan worden geaccommodeerd.
Bij de tracékeuze spelen de gebruikelijke vraagstukken rondom infrastructuur mee, zoals de beschikbaarheid van ruimte, inpassing en grondaankopen. De tracékeuze voor de transportleiding wordt echter ook bepaald door de locatie van de geothermiedoubletten. De warmte, die per geothermiedoublet31 de grond uit komt, moet namelijk getransporteerd worden richting deze transportleiding. Het ontsluiten van deze geothermiedoubletten zal daardoor (mede) bepalend zijn voor de tracékeuze voor de transportleiding. Niet iedere locatie is geschikt als boorlocatie voor geothermie. Hierbij speelt in eerste instantie de bodemgesteldheid mee, omdat die bepalend is voor de opbrengt van het geothermiedoublet. Daarnaast spelen ook ruimtelijke vraagstukken mee. Een boorlocatie neemt namelijk 0,6 ha tot 1 ha grondoppervlak in beslag. 30 Deze pilot loopt in het kader van het op te stellen p-MIEK (provinciale Meerjarenprogramma InfrastructuurEnergie en Klimaat). 31 In bijlage 3 staat uitgelegd dat er voor de winning van aardwarmte twee putten worden geboord: een productieput en een injectieput. De combinatie van productieput en injectieput wordt een doublet genoemd. Er is in Moerdijkpotentie voor 6 doubletten. 33
Dit komt ongeveer overeen met 1 tot 1,5 voetbalveld. In de productiefase neemt de benodigde ruimte voor een doublet af tot ongeveer een half voetbalveld 3. Daarnaast moet er ook ruimte beschikbaar zijn voor de warmtepompcentrale. Er is potentie voor meerdere doubletten in Moerdijk. Dat houdt in dat er dus meerdere locaties nabij Moerdijk moeten worden bestemd en moeten worden verbonden met de transportleiding.
4.2 Planning Ennatuurlijk heeft tijdens de stuurgroep vergadering van 9 december 2022 inzicht gegeven in de planning van de transportleiding. Ennatuurlijk heeft zich hiervoor laten adviseren door ingenieursbureau Tebodin. Uit de presentatie van Ennatuurlijk is het volgende beeld naar voren gekomen: In 2025 kan er op zijn vroegst een investeringsbeslissing worden genomen over de transportleiding naar Moerdijk. Alle voor bereidingen moeten dan wel in de periode tot 2025 doorlopen worden (ruimtelijke procedures, engineering, financiering, etc.); De transportleiding kan op zijn vroegst in 2028 gereed zijn. Er is namelijk minimaal drie jaar nodig voor aanbesteding, inkoop van materialen en de daadwerkelijke uitvoering van het project;
Er zijn aanzienlijke procesrisico’s. Als voorbeeld worden hier risico’s genoemd rondom het verkrijgen van de benodigde vergunningen, de inkoop van materialen en gerechtelijke procedures. Het is daarmee niet aannemelijk dat 2028 gehaald wordt.
Ennatuurlijk gaat ervan uit dat de leiding in 2030 gerealiseerd kan zijn. Hierop is in het kader van dit rapport geen contra-expertise uitgevoerd.
4.3 Planvorming en besluitvorming De Amercentrale is eigendom van RWE en de afvalenergiecentrale is eigendom van Attero. Attero heeft richting Ennatuurlijk aangegeven toe te werken naar besluitvorming over de beschikbaarheid van haar bron in 2025. Het is onduidelijk wanneer RWE uitsluitsel geeft. RWE heeft wel aangegeven in 2025 te beslissing over het afvangen van CO,. Dat betekent dat er voor 2025 sowieso geen helderheid is over het beschikbare vermogen vanuit de Amercentrale voor de langere termijn. Ennatuurlijk stelt dat zij in 2025 ver genoeg gevorderd is met de onderzoeken naar geothermie om daar een investeringsbesluit over te kunnen nemen. Uit paragraaf 4.2 blijkt dat een investerings beslissing voor de transportleiding naar Moerdijk ook in 2025 genomen kan worden. Een voorwaarde hiervoor is echter wel dat de planvoorbereiding wordt voortgezet. 34
32 Zie factsheet Expertise Oentrum Warmte
In de ideale wereld zou er eerst meer helderheid zijn over de beschik baarheid van bronnen en hun vermogen, voordat er tijd en geld wordt gestoken in de ontwikkeling van een transportleiding, die alleen voor bronnen op de locatie Moerdijk noodzakelijk is. De wereld is echter niet ideaal. Door de contractopzegging door RWE ligt er tijdsdruk op het beschikbaar komen van bronnen voor de basislast. Door de tijds druk ligt de vraag voor of de planprocessen voor de transportleiding naar Moerdijk parallel geschakeld moet worden met besluitvormings trajecten binnen Attero en RWE. Parallel schakelen heeft verschillende voordelen: De beschikbaarheid van zowel de Amercentrale als bronnen in Moerdijk is onzeker. Inzetten op beide vergroot de kans dat er binnen afzienbare tijd voldoende en betaalbare bronvermogen beschikbaar komt. Besluitvorming over de beschikbaarheid van warmte uit de Amercentrale is afhankelijk van RWE. Besluitvorming over de beschikbaarheid van restwarmte van de afvalenergiecentrale in Moerdijk is afhankelijk van Attero. Beide bedrijven hebben een monopolypositie ten aanzien van het beschikbaar komen van hun bron. Het ontwikkelen van beide alternatieven is een mogelijkheid om niet afhankelijk te zijn van één van de twee monopolisten.
Als de transportleiding niet wordt aangelegd, blijft de situatie bestaan dat het Amernet afhankelijk is van één producent. In Moerdijk kunnen richting de toekomst waarschijnlijk meerdere bronnen van verschillende eigenaren worden ontwikkeld. De kosten voor warmte vanuit de Amercentrale zullen waarschijnlijk omhooggaan vanaf 2027. RWE heeft immers bij de contract opzegging aangegeven dat het leveren van warmte onder de huidige contractvoorwaarden en zonder SDE-subsidie voor RWE geen optie is. Het is daarom logisch om te verkennen of er goedkopere alternatieven zijn.
Het is goed denkbaar dat de exploitatiekosten voor de bronnen op Moerdijk lager zijn dan de exploitatiekosten indien gebruik wordt gemaakt van warmte uit de Amercentrale. Alleen door de transport leiding verder te ontwikkelen, kan inzichtelijk worden gemaakt of de investeringskosten voor de transportleiding opwegen tegen het verschil in exploitatiekosten. Als dat het geval is, is het zinvoller om de bronnen op Moerdijk te realiseren, dan in te blijven zetten op warmte uit de Amercentrale. Om de ambities voor groei van het aantal aansluitingen op het Amernet te kunnen realiseren (zie paragraaf 2.5) is verdere uitbreiding van de broncapaciteit nodig. Daartoe zijn naar verwachting minder mogelijkheden in Geertruidenberg dan in Moerdijk. Dit is verder uitgewerkt in hoofdstuk 5.
35
Als de ontwikkeling van de transportleiding naar Moerdijk stil komt te liggen, schuift de mogelijkheden om warmte uit Moerdijk te halen door in de tijd.
5 TOEKOMSTPERSPECTIEF Er zijn verschillende mogelijkheden om het Amernet door te ontwikkelen. Die zijn niet eerder in dit rapport beschreven, omdat tot nu toe in dit rapport de focus lag op het vinden van voldoende bronvermogen op korte termijn (2027/2030). Bronnen en infra structuur worden echter gerealiseerd voor tientallen jaren. Daarom wordt in dit hoofdstuk beschreven welke andere ontwikkelingen relevant zijn voor het Amernet. Er wordt ook geschetst wat groei van het aantal aansluitingen betekent voor de noodzaak om aanvullende bronnen te ontwikkelen. Voor de periode na 2030 is een aantal concrete bronnen in beeld, zoals diepe geothermie in Moerdijk. Voor de meeste bronnen wordt het echter lastiger om een reële inschatting te maken van het beschikbare bronvermogen en de beschikbaarheid in de tijd. Om toch een beeld te kunnen geven van de groeipotentie, is gekeken naar twee uitersten: ‘geen groei’ en ‘maximale groei’ richting 2050. Er is ook een gemiddelde variant ontwikkeld. Naast groei is ook gekeken naar wat in- en uitfasering van bronnen in de periode tot 2050 betekent.
5.1 Doorontwikkelen Amernet
In deze paragraaf is beschreven wat het betekent om delen van het Amernet door te ontwikkelen tot een vierde generatie netwerk. Vierde generatie warmtenetten zijn netwerken waarbij de aanvoertemperatuur in secundaire leidingen 3O°C tot 55°C bedraagt. Deze warmtenetten zijn geschikt voor goed-geïsoleerde woningen en bedrijven met een lage temperatuurverwarming, zoals vloer verwarming of lage temperatuur convectoren33. Dóórontwikkeling van een netwerk vraagt een lange adem en de uitkomst is onzeker. De beschreven aanpak gaat ervan uit dat aan gesloten woningen en bedrijven worden geïsoleerd, dat (een deel van) de radiatoren worden vervangen, er voldoende ruimte kan worden gevonden voor het ontwikkelen van lokale bronnen, het elektriciteits net wordt uitgebreid, de pompcapaciteit wordt aangepast, etc. Elementen van dit scenario kunnen ontwikkeld worden naast de andere scenario’s. 5.1.1 Isolatie en verlagen aanvoertemperaturen Inzetten op isolatie van woningen en bedrijven is per definitie verstandig. Het energieverbruik per woning of bedrijf gaat hierdoor omlaag. Energie, die niet verbruikt wordt, hoeft niet opgewekt en getransporteerd te worden. Door isolatie gaat bij een gelijkblijvend aantal aangesloten woningen en bedrijven de warmtevraag en dus het benodigde bronvermogen omlaag.
Andersom kan ook gezegd worden: bij gelijkblijvend bronvermogen, kan het aantal aan sluitingen omhoog. 36
33 Www.kennisbank.regionaalenergieloket.nl
Als alle aangesloten woningen en bedrijven aan een secundair net voldoende zijn geïsoleerd en alle radiatoren voldoende capaciteit hebben, kan ervoor gekozen worden om de aanvoertemperatuur in de wintermaanden niet te verhogen. De temperatuur in het secundaire net blijft dan het hele jaar rond 7O°C. In paragraaf 2.3.2 is uitgelegd dat deze temperatuur noodzakelijk is om in de aangesloten woningen te voldoen aan de wettelijk eis van 55°C voor tapwater. Als er een wens is om de temperatuur toch verder te verlagen, dan zijn er twee opties. Voor beide opties geldt dat er een oplossing gezocht moet worden voor het tapwater. De eerste optie is dat de temperatuur van het tapwater in de woning wordt opgehoogd tot 58°C, zodat 55°C aan het tappunt kan worden gegarandeerd. Hiervoor moet dan wel per woning een elektrische booster worden geplaatst. Hiervoor kan de afleverset van het warmtenet worden vervangen door een combinatie van afleverset / booster. Over het algemeen kan onder de huidige condities deze oplossing economisch niet uit. Er is in de woning namelijk een aanzienlijk hoeveelheid elektriciteit nodig voor de booster. Om de stijging in de elektriciteitsrekening van de bewoner te compenseren, ligt in de wet vast dat het vastrecht voor een aansluiting op het warmtenet omlaag moet. Hierdoor verslechtert het businessmodel voor de warmteleverancier.
Ook moet worden opgemerkt dat in veel woningen de boosters tegelijkertijd ingezet zullen worden (’s ochtends als mensen willen douchen). Hierdoor kunnen problemen ontstaan op het elektriciteitsnet.
De tweede optie is dat de wet wordt gewijzigd. Er gaan geluiden op om 40°C aan een tappunt juridisch mogelijk te maken. In dat geval moet er een andere afleverset worden geïnstalleerd. Deze afleversets zijn nog in ontwikkeling. Als een dergelijke wetswijziging er komt, kan de temperatuur in het secundaire net mogelijk worden verlaagd naar 5O-55°C buiten het stookseizoen. In het stookseizoen zal de aanvoertemperatuur waarschijnlijk wel verhoogd moeten worden.
Bij het nadenken over temperatuurverlaging moet rekening worden gehouden met het feit dat Ennatuurlijk verplicht is om haar klanten van voldoende warmte te voorzien. Dat betekent dat alle woningen en bedrijven voldoende warm gestookt moeten kunnen worden, ook het slechtst geïsoleerde pand. Het pand dat als laatste wordt geïsoleerd, is daarmee maatgevend voor de vraag of en zo ja wanneer de temperatuur in het secundaire net kan worden verlaagd. 5.1.2 Benutten omgevingswarmte
Omgevingswarmte is een verzamelnaam voor alle bronnen in de directe omgeving, waaruit warmte kan worden gewonnen. Dat kan warmte zijn uit de buitenlucht, uit de ondiepe bodem (tot ongeveer 250 meter), uit zon (zonthermie), uit water (aquathermie), uit de riolering (riothermie) of uit een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). In potentie is er overal heel veel omgevingswarmte beschikbaar. 37
Bronnen, die gebruik maken van omgevingswarmte hebben een lage temperatuur. De temperatuur van lage temperatuurbronnen ligt doorgaans tussen de 5-3O°C. Met warmtepompen moet deze temperatuur omhoog worden gebracht. Over het algemeen kan de temperatuur opgewerkt worden tot maximaal 70°C. Nog verder omhoog brengen van de temperatuur is over het algemeen economisch niet haalbaar, omdat daarvoor te veel elektriciteit nodig is. Dit type warmtebronnen kan dus alleen lokaal warmte leveren bij een onder station (zie paragraaf 2.5). Een uitgangspunt hierbij is dat het vermogen van de bron beperkt blijft. Het aantal aansluitingen achter een onderstations is namelijk beperkt. Het vermogen van lage temperatuur bronnen blijft doorgaans minder dan 1 MW (basislast), omdat er niet meer vraag naar warmte is.
In de regio rondom het Amernet speelt op dit moment één concreet project, waarbij lage temperatuurbronnen worden ontwikkeld. Dit is de energy HUB Breda Noord. In deze HUB wordt warmte uit een rioolwaterzuivering benut. Er wordt gekeken of er 20 MW aan vermogen kan worden opgewekt ten behoeve van woningen in de Haagse Beemden. Dit vermogen kan niet op een onderstation worden ingevoed. Daardoor moet de temperatuur verder opgewerkt worden dan 70°C, wat doorgaans als realistisch wordt aangemerkt. Op dit moment spreekt Ennatuurlijk zelfs van opwerking tot 120°C. De realisatie van de energy HUB Breda Noord is daarmee vanuit financieel economisch oogpunt nog zeer ongewis. Hierbij moet echter wel een opmerking worden geplaatst. Ennatuurlijk onderzoekt momenteel welke technische aanpassingen gedaan kunnen worden, zodat ter plaatse de temperatuur in de het primaire verlaagd kan worden naar circa 90 graden. Hierdoor zou in principe invoeding met een temperatuur van 90°C mogelijk worden op het WOS. 5.1.3 Aansluiten van nieuwbouw
De komende decennia worden volop woningen, kantoren en bedrijventerreinen ontwikkeld. In theorie kunnen de woningen en bedrijven op deze locaties worden aangesloten op het Amernet. Het secundaire net en de woningen zouden dan zo ontwikkeld kunnen worden dat van begin af aan lagere aanvoertemperaturen mogelijk zijn.
Het is een politieke vraag of het wenselijk is dat nieuwe panden worden aangesloten op het Amernet of dat de Amerwarmte vooral ingezet moet worden voor bestaande bouw. Er zijn voor nieuwe panden namelijk meer mogelijkheden om een pand van voldoende warmte te voorzien dan bij bestaande bouw. Denk daarbij bijvoorbeeld voor een individuele woning, een gebouw of een gebied aan de inzet van omgevingswarmte (zie paragraaf 5.1.2) in combinatie met warmtepomp. Daarnaast kunnen warmtepompen ook ingezet worden om te koelen. Hierdoor heeft dit vaak de voorkeur boven aansluiting op een warmtenet.
38
Voor woningen, kantoren en bedrijven wordt ook gedacht aan aansluiting op de retourleidingen van een warmtenet. Dit wordt ook wel cascadering genoemd. Het idee achter cascadering is dat
de temperatuur in de retourleidingen nog voldoende hoog is om nieuwbouwwoningen te kunnen verwarmen. Een voorwaarde hiervoor is dat het tapwater in de woning met een warmteboosterpomp op de vereiste temperatuur wordt gebracht.
Cascadering staat nog in de kinderschoenen en vereist een nieuwe manier van samenwerken tussen projectontwikkelaars en warmte leveranciers. Daarnaast moet opgemerkt worden dat cascadering leidt tot verlaging van de retourtemperatuur richting de bron. Er is dus vervolgens meer bronvermogen om de temperatuur weer te verhogen naar het gewenste niveau (en weer richting de aangesloten panden te sturen). Cascadering is dus in principe manier om het aantal aansluiting te kunnen vergroten, zonder dat het bronvermogen omhoog hoeft. 5.1.4 Technologische innovatie
In paragraaf 1.4 is gesteld dat er de komende jaren nog volop technologieën zullen worden ontwikkeld in het werkveld van warmte. Het is onmogelijk om in dit rapport in te gaan op alle denkbare ontwikkelingen tussen nu en 2050. Een aantal recente ontwikkelingen wordt hieronder echter kort beschreven, omdat daar door de opdracht gevende partijen om is gevraagd:
Inzet van ijzerpoeder Bij deze techniek wordt ijzerpoeder met lucht samengebracht. Het poeder-luchtmengsel wordt vervolgens ontstoken in een verbrandingskamer. De warmte die hierbij vrijkomt, kan worden gebruikt om elektriciteit op te wekken of kan direct worden ingezet ten behoeve van een warmtenet. Bij de verbranding van het ijzer poeder komt geen CO, vrij, alleen ijzeroxide (roest). Deze roest kan vervolgens weer worden omgezet in ijzerpoeder. Dit kost energie en hiervoor kan bijvoorbeeld waterstof worden gebruikt. Het proces kan zich keer op keer herhalen. Ijzerpoeder is geen oneindige bron van energie. Het is een manier om energie op te slaan, zodat het op een ander, gewenst moment ken worden ingezet. Omdat ijzerpoeder daarnaast veilig te transporteren is, wordt ijzerpoeder ook wel als energiedrager gezien. Ennatuurlijk werkt aan een initiatief in Helmond met ijzerpoeder. Daar wil Ennatuurlijk een centrale bouwen met een vermogen van 1MW. Ennatuurlijk heeft aangegeven ook potentie te zien voor een centrale nabij Tilburg of Breda. In theorie kunnen steenkoolcentrales worden omgebouwd tot ijzerpoedercentrales. De inzet van ijzerpoeder verkeert echter nog in een pril stadium en de technologie is sterk afhankelijk van de ontwikkeling van de mondiale productie en het transport van waterstof. Of deze theorie ooit werkelijk wordt, zal in de toekomst moeten blijken.
39
Gesloten geothermie Bij open geothermie - zoals beschreven in hoofdstuk 3 - wordt warm grondwater omhoog gepompt. Bij gesloten geothermie stroomt er op grote diepte een vloeistof of gas door sondes. Door de warmte in de bodem, wordt deze vloeistof of dit gas verwarmd. Daarna wordt de verwarmde vloeistof of gas omhoog gepompt. Er is dus geen vermenging met het grondwater. Omdat de vloeistof of het gas niet vrij door de bodem beweegt, is de bodemgesteldheid bij gesloten geothermie niet relevant. Deze techniek moet nog verder worden doorontwikkeld 34. Ennatuurlijk participeert samen met het bedrijven Eavor en EBN in het project Eavorloop voor het gebied Tilburg- Waalwijk. Bij dit initiatief gaat het in het totaal om een vermogen van 10 MW. De bedrijven ontvangen voor de ontwikkelkosten Rijkssubsidie. Grootschalige opslag van warmte Bij sommige bronnen is de warmteproductie discontinu. Daarnaast is de vraag naar warmte ook tijd- en seizoens-afhankelijk. Opslag is nuttig om vraag en aanbod op elkaar af te kunnen stemmen. Opslag is dus geen bron op zichzelf maar wordt ingezet voor systeemoptimalisatie. Twee innovatieve opslagtechnieken worden hieronder beschreven: - In theorie kan in de bodem op grote schaal warmte worden opgeslagen. Hiervoor wordt bijvoorbeeld gekeken naar zoutcavernes. Dit zijn ruimtes die zijn ontstaan in de bodem ten gevolge van de zoutwinning.
De ruimtes blijven na de zout winning gevuld met pekelwater achter. Er wordt gedacht aan opslag van warm water, opslag van waterstof of opslag van elektriciteit. Voor dit laatste is het nodig om polymeren aan het pekelwater toe te voegen. Grootschalige opslag in de bodem bevindt zich nog in de experimenteerfase. Daarnaast bevinden zoutcavernes zich met name in het oosten en noorden van Nederland. - Het is technisch mogelijk om warmte op te slaan in zoutbatterijen. De techniek moet echter nog verder worden door ontwikkeld, voordat deze zoutbatterijen op grote schaal ingezet kunnen worden. De verwachting is dat zoutbatterijen gebruikt kunnen worden in individuele woningen en bedrijven of ten behoeve van een collectief warmtenet. Een van de bedrijven, dat bezig is met de dóórontwikkeling van zoutbatterijen is Cellcius. De warmtebatterijen van Cellcius kunnen 1 kW tot 10 MW aan vermogen leveren.
Opslag van warmte in zout heeft in potentie een aantal voordelen ten opzichte van opslag in water, zoals bij gebruik van boilers. Zoutbatterij nemen minder ruimte in beslag en kennen minder warmteverlies.
40
34 Een van de demonstratieprojecten op het gebied van gesloten geothermie is ‘NieuweWarmteNul’. Hierin participeren diverse warmtebedrijven, partijen die werken in de ondergrond, partijen die werken aan energie uit water, gemeenten, provincies en brancheorganisaties, koepeiorganisaties van energiecoöperaties, Warmtenetwerk Westiand en Warmte Samenwerking Oostiand, kennisinstellingen, en de ministeries van Economische Zaken en Klimaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Ennatuurlijk participeert ook in ‘NieuweWarmteNul’.
Warmte uit retourleidingen halen (ingeval vangeothemiie) Bij open geothermie wordt water de grond ingepompt via de injectieput (zie bijlage 3). Hiervoor wordt het water gebruikt dat uit de retourleidingen komt. Zoals in bijlage 2 beschreven, zit er nog warmte in het retourwater. Een mogelijke toekomstige ontwikkeling is dat eerst de resterende warmte eruit wordt gehaald met behulp van een warmtepompcentrale. Daarna wordt het retourwater pas de grond ingepompt. De resterende warmte kan hierdoor dus nog nuttig worden gebruikt. Het is nu niet duidelijk welke innovatieve ideeën wel en niet op grote schaal toegepast kunnen worden. Ook is niet te voorspellen welke technologieën richting 2050 voor het Amernet relevant zullen blijken te zijn. Hier komt alleen meer helderheid over als de leverancier van warmte blijft innoveren, ontwikkelingen in binnen- en buitenland worden gevolgd en als er continue wordt gezocht naar verduurzamings- en besparingsopties.
5.2 Uitfaseren bronnen De gasketels van Ennatuurlijk kunnen met het oog op de afspraken in het klimaatakkoord richting 2050 niet meer draaien op aardgas. Daarnaast worden biomassa (en daarmee ook bio-olie) en restwarmte uit afvalverbranding doorgaans aangemerkt als transitiebrandstoffen. Dat betekent dat partijen afscheid willen nemen van deze bronnen, indien zich betere alternatieven voordoen.
Ten opzichte van de bronnenmix in 2030 betekent dit dat alle bronnen op termijn vervangen zullen worden. Een nuancering moet hierbij geplaatst worden. De gasketels van Ennatuurlijk kunnen wellicht op een andere brandstof draaien, zoals waterstof of groengas. Voor niet alle bronnen is het (volledig) een keuze of ze worden uitgefaseerd of niet. Voor sommige bronnen geldt dat hun capaciteit terugloopt om inhoudelijke redenen:
Afvalstromen gaan richting de toekomst afnemen. Overheidsbeleid is gericht op het ontwikkelen van een circulaire economie en er wordt daarom steeds meer ingezet op recycling en re-use. Daarmee is het onzeker of Attero richting 2050 nog 80 tot 100 MW vermogen kan leveren.
Geothermieputten kunnen teruglopen in vermogen. Zoals in bijlage 3 is aangegeven wordt ervan uitgegaan dat een put minimaal 30 jaar operationeel kan zijn. Er is in Nederland echter nog geen ervaring van 30 jaar met de exploitatie van een warmteput.
41
De industrie op Moerdijk zal verduurzamen. Dit kan grote consequenties hebben. Denk bijvoorbeeld aan de toekomst van de petrochemische industrie en de positie van Shell in Moerdijk. De potentie voor restwarmte uit de industrie kan richting 2050 fors afnemen.
Al met al kan gesteld worden dat er volop nieuwe bronnen moeten worden ontwikkeld en dat ervan uitgegaan moet worden dat er geen statische oplossingen zijn. Geen enkele bron is richting 2050 zeker en bronnen, die nu nog ontwikkeld worden, zijn misschien in 2050 al niet meer inzetbaar.
5.3 Toekomstscenario’s richting 2050 In deze paragraaf worden eerst twee uiterste groeiscenario’s geschetst: ‘geen groei’ en ‘maximale groei’. Daarna wordt een gemiddeld groei scenario beschreven. Geen van deze scenario’s is een concrete blauw druk voor hoe de situatie er in 2050 uit zal zien. Er kan dus niet ‘gekozen worden’ tussen de scenario’s. De scenario’s worden geschetst om te verkennen wat groei betekent in relatie tot de bronnen, die in- en uitgefaseerd worden (zie paragraaf 5.2). Door deze verkenning wordt inzichtelijk in welke mate een transportleiding naar Moerdijk noodzakelijk is. In de analyse wordt daarnaast een aantal rand voorwaarden verkend, waarmee nu al rekening moet worden gehouden bij beslissingen. Door in de periode tot 2030 slimme keuzes te maken, wordt het in- en uitfasering van bronnen niet nodeloos belemmerd. 5.3.1. Afbakening en aannamen Significante groei van het aantal aansluitingen betekent dat er nieuwe bronnen moeten worden ontwikkeld. Dit geldt zowel voor bronnen, die in de pieklast moeten voorzien als voor bronnen, die in de basis last moeten voorzien. Om in de pieklast te kunnen voorzien, zijn op dit moment alleen bio-olieketels en gasketels in zicht. Bio-olieketels draaien op een vorm van biomassa en zullen richting 2050 wellicht moeten worden uitgefaseerd. Gasketels kunnen gebruik maken van aardgas.
Met het oog op de klimaatdoelstelling kan dit ook een ander gas zijn, zoals waterstofgas of groengas. Deze gassen zijn richting de toekomst echter schaars. Inzien er niet voldoende hernieuwbare gassen beschikbaar komen voor het Amernet, zal het Amernet niet zonder fossiele brandstoffen kunnen. De noodzaak van het inzetten van gasketels kan echter wel worden ingeperkt. In dit rapport wordt ervan uitgegaan dat continue bronnen voor de basislast in minimaal 80% van de warmtevraag voorzien (zie paragraaf 2.4.2). Als er meer bronvermogen beschikbaar is uit continue bronnen, kan dit percentage omhoog worden gebracht. Continue bronnen kunnen een deel van de pieklast voor hun rekening nemen, indien er gebruik kan worden gemaakt van een vorm van opslag. Warmte uit continue bronnen wordt dan opgeslagen in tijden dat er een overschot is en wordt ingezet in tijden dat er veel vraag naar warmte is (zie ook paragraaf 5.1.4).
Er moeten, als het aantal aansluitingen groeit, ook bronnen worden ontwikkeld om te kunnen voorzien in de basislast. Om iets te kunnen zeggen over de benodigde broncapaciteit, is een aantal aannamen geformuleerd: 42
80% van de warmte wordt geleverd door bronnen voor de basislast. Er wordt dus geen rekening gehouden met eventuele mogelijk heden om dit percentage omhoog te brengen (zie vorige alinea’s).
De warmtelevering aan de tuinders wordt losgekoppeld van de rest van het Amernet. De tuinders moeten dus op een andere manier in hun warmtebehoefte voorzien. Hun aandeel wordt dus niet mee genomen in een beschrijving van de benodigde bronvermogens richting de toekomst. Als de tuinders niet worden losgekoppeld, moet er ten opzichte van de beschreven scenario’s extra bronvermogen beschikbaar komen.
In paragraaf 2.4.2 is uitgelegd dat er twee indicatieve vuistregels zijn om te bepalen hoe groot de basislast is. Op basis van de twee vuistregels is een bandbreedte gedefinieerd voor de basislast. Onderstaande analyse wordt moeilijk leesbaar als met deze bandbreedte rekening wordt gehouden. Daarom gaat de analyse uit van één van de twee vuistregel: het vermogen voor de basislast draagt 30% van het totaal te leveren vermogen. Daarmee wordt uitgegaan van de bovenkant van de bandbreedte voor de basislast.
Partijen hebben geen gezamenlijke ambities voor 2050 gedefinieerd voor energiebesparing (zie paragraaf 2.4.3). Daarom is de aanname gedaan dat door besparing, isolatie en optimalisatie gemiddeld 30% minder vermogen nodig is in 2050. Partijen hebben geen gezamenlijke groeiambities gedefinieerd. Voor de groeiscenario’s wordt daarom uitgegaan van de groei potentie, zoals door Innoforte en Fakton is uitgewerkt in hun maximale toekomstscenario (zie paragraaf 2.4.3). Zowel Attero als RWE vangen CO, af. 5.3.2 Geen groei
Dit scenario houdt in dat er tussen nu en 2050 geen groei van het aantal aansluitingen plaatsvindt, anders dan de autonome ontwikkeling. Het benodigde bronvermogen neemt af met 30%. In dat geval is er indicatief een totaal vermogen nodig van ongeveer 290 MW en voor alleen de basislast van 90 MW. Het benodigde vermogen daalt dus ten opzichte van de situatie in 2030. Daarmee is het evident dat er voldoende bronvermogen is buiten Moerdijk, in het geval dat de transitiebronnen niet worden uitgefaseerd. Het is interessanter om te kijken naar de situatie dat biomassa en restwarmte uit afvalverbranding wel moeten worden vervangen. Er zullen in dat geval alternatieve bronnen moeten worden gevonden om in de basislast te kunnen voorzien. Hiervoor is op dit moment alleen geothermie in Moerdijk concreet in beeld. Geothermie in Moerdijk levert een vermogen van maximaal 110 MW. Dit is voldoende om te voorzien in de basislastbehoefte.
43
Om een antwoord te kunnen geven op de vraag of de transportleiding naar Moerdijk per definitie nodig is, is het relevant om te kijken naar bronnen, die niet in Moerdijk zijn gesitueerd. Dit zijn naar huidige inzichten met name geothermie in het gebied Tilburg - Waalwijk, lage temperatuurbronnen en eventueel een combinatie van elektro lysers en opslag in Geertruidenberg. Naast het feit dat deze bronnen nog erg onzeker zijn, moet er een aantal kanttekeningen worden geplaatst:
In bijlage 3 is uitgelegd dat van deze bronnen onduidelijk is hoeveel vermogen ze kunnen leveren In paragraaf 5.1.2 is aangegeven dat het vermogen van lage temperatuurbronnen in de praktijk laag zal zijn. Daarnaast zijn er ook andere kleine bronnen in de regio met een hogere temperatuur (zie paragraaf 3.1). Vele kleine bronnen bij elkaar opgeteld kunnen een significante bijdrage leveren. Het ruimtebeslag bij veel kleine bronnen wordt echter hoog. Het is al met al niet heel realistisch dat met lokale lage temperatuurbronnen en andere kleine bronnen in de gehele basislast kan worden voorzien. In bijlage 3 is aangegeven dat de benutting van restwarmte van elektrolysers zinvol kan zijn, maar dat er veel mitsen en maren zitten aan de inzetbaarheid van deze bron als voorziening voor de basislast. Dat kan alleen in combinatie met andere bronnen. Als de Amercentrale is uitgefaseerd, zijn deze andere bronnen er niet in Geertruidenberg.
We weten niet welke technieken tot 2050 op de markt komen, die grootschalig kunnen worden ingezet. Zie ook paragraaf 5.1.4). Nu een voorspelling doen voor de situatie over 27 jaar is lastig, maar het is niet heel kansrijk dat er voldoende vermogen voor de basislast kan worden gehaald uit bronnen buiten Moerdijk, indien de transitiebronnen worden uitgefaseerd. Als uitfasering gewenst is, lijkt een transportleiding naar Moerdijk nodig. 5.3.3.Maximale groei
Partijen hebben geen gezamenlijke groeiambities gedefinieerd. Voor het groeiscenario wordt daarom uitgegaan van de groeipotentie, zoals door Innoforte en Fakton is uitgewerkt in hun maximale toekomstscenario. De potentie voor het aantal aansluitingen is hierin gesteld op 315.000 woningequivalenten (zie paragraaf 2.4.3). Dat is ongeveer 4,5 maal zo veel als waar voor 2030 vanuit gegaan wordt. Dit aantal komt qua ordegrootte ook overeen met de groeiscenario’s, zoals Ennatuurlijk ze hanteert in haar rekenmodellen. De toename van het aantal aansluitingen, besparing en isolatie zorgen ervoor dat het totale benodigde vermogen indicatief 1500 MW bedraagt en het vermogen om in de basislast te voorzien 450 MW moet zijn35. 44
35 Dit vermogen is uitgerekend op de volgende wijze: Het totale benodigde vermogen bedraagt 70% van ( (piek huidige situatie + autonome ontwikkeling) x4,5 - piek tuinders) = 0,7x ((500 + O) x 4,5 - 90) = 1512MW (=ca. 1500MW). Het vermogen voor de basislast is hier 30% van.
Het totaal aan beschikbare vermogen voor de basislast, waar nu concreet zicht op is, bedraagt 370 MW. Dit is opgebouwd uit 180 MW uit de Amercentrale + 80 MW vanuit de afvalenergiecentrale van Attero +110 MW uit geothermie in Moerdijk. Dit is niet voldoende om in de totale basislast bij dit scenario te voorzien. Er zullen aanvullende bronnen voor de basislast moeten worden gevonden. Dit kan geothermie (Tilburg - Waalwijk) zijn of er kan gebruik worden gemaakt van restwarmte uit de industrie in Moerdijk. Bij elkaar opgeteld moeten er 80 MW aan vermogen beschikbaar komen uit deze twee bronnen om in de basislast te kunnen voorzien. Dat is wellicht mogelijk. Er moet in dit scenario ingezet worden op alle bronnen voor de basislast. Dat betekent dat de bronnen in Moerdijk nodig zijn en dat de transportleiding naar Moerdijk dat dus ook is. Er zijn naast de hierboven genoemde bronnen echter ook andere bronnen, die een bijdrage kunnen leveren:
Lokale, lage temperatuurbronnen en andere kleine bronnen (zie paragraaf 5.1.2)
Combinatie van restwarmte uit waterstofproductie, opslag en andere bronnen (zie bijlage 3) Nog nieuw te ontwikkelen technologieën (zie paragraaf 5.1.4)
Bovenstaande opties zijn nog zeer onzeker. Als ze zich voordoen, kunnen ze in theorie ingezet worden om eerdergenoemde, meer concrete bronnen niet te ontwikkelen. Het ligt echter meer voor de hand dat deze bronnen eraan bijdragen dat minder gewenste transitiebronnen eerder worden uitgefaseerd.
Als transitiebronnen uitgefaseerd worden, blijven van de concrete bronopties alleen geothermie in Moerdijk, geothermie in het gebied Tilburg - Waalwijk en restwarmte uit de industrie in Moerdijk over. Zelfs als al deze bronnen worden ingezet, kan het totale benodigde bronvermogen voor de basislast waarschijnlijk nog niet worden in gevuld. Als daarnaast op alle denkbare bronnen wordt inzet (dus incl. lage temperatuurbronnen, restwarmte uit waterstofproductie, etc.) is het niet zeker dat er voldoende broncapaciteit komt. Het benutten van geothermie in Moerdijk is in dit scenario dus per definitie nodig. Een transportleiding naar Moerdijk is dat daarmee ook. 5.3.4 Gemiddelde groei
In dit scenario wordt de helft van de groei mogelijk ten opzichte van het maximale scenario. In dit scenario is een piekvermogen nodig van ca 900 MW36 en een basislast van ca 270 MW. Het totaal aan beschikbare vermogen voor de basislast, waar nu concreet zicht op is, bedraagt 370 MW. Dit is opgebouwd uit 180 MW uit de Amercentrale + 80 MW vanuit de afvalenergiecentrale van Attero +110 MW uit geothermie in Moerdijk. Dit is ruimschoots voldoende.
45
36 Het benodigde vermogen om in de piek te voorzien in het scenario met maximale groei is 1512 MW. Het piekvermogen in het scenario zonder groei bedraagt290MW. Bij gemiddelde groei is het vermogen om in de pieklast te voorzien (1512+290)/2 = 901MW. 30% hiervan =270MW.
Om antwoord te geven op de vraag of de transportleiding naar Moerdijk nodig is, moet gekeken worden naar mogelijke bronnen buiten Moerdijk. Dit zijn de Amercentrale (180 MW) en geothermie in Tilburg- Waalwijk.
Zelfs als de omstandigheden voor geothermie in Tilburg -Waalwijk zeer gunstig zijn, is er naar verwachting onvoldoende bronvermogen uit geothermie te halen. Het is namelijk in deze fase niet reëel om ervan uit te gaan dat er in het gebied Tilburg - Waalwijk een potentie is voor geothermie van 90 MW. Indien er naast de Amercentrale en geothermie in het gebied Tilburg - Waalwijk ingezet wordt op andere bronnen (zie bullits bij vorige scenario) valt er buiten Moerdijk in een optimistisch scenario wellicht voldoende broncapaciteit te ontwikkelen. Er is echter geen ruimte om transitiebronnen uit te faseren. Als die ambitie er is, zijn bronnen in Moerdijk noodzakelijk en moet ook in dit scenario een transportleiding naar Moerdijk worden aangelegd.
5.4 Transitieperiode tot 2050 De periode tussen 2027 en 2050 is een periode, waarin nieuwe bronnen worden ontwikkeld en waarschijnlijk ook bronnen worden uitgefaseerd. Deze transitieperiode is niet eenvoudig. Het ontwikkelen van bronnen zal namelijk niet altijd gelijk op kunnen lopen met het ontwikkelen van nieuwe aansluitingen. Nieuwe aansluitingen worden incidenteel, per tientallen, honderden en in een enkel geval duizenden WEQ tegelijkertijd gerealiseerd. Grote bronnen leveren vermogen voor soms wel tienduizenden WEQ.
Een tweetal opmerkingen hierbij: Het is raadzaam om contracten met producenten van transitie bronnen zo af te sluiten, dat er voldoende zekerheid is voor de warmteproductie gedurende een bepaalde periode, maar dat er tegelijkertijd ook mogelijkheden zijn om geleidelijk aan afscheid te nemen van de bron. Idealiter worden er flexibele contracten afgesloten, zodat de afname van warmte ten behoeve van het Amernet kan fluctueren.
Een randvoorwaarde voor het ontsluiten van bronnen op Moerdijk is dat de capaciteit van de transportleiding voldoende groot is. Dat betekent dat de leiding van begin af aan niet alleen gedimensioneerd moet worden op het transporteren van de warmte uit de afval verbrandingsinstallatie, maar ook op de andere bronnen. De transportcapaciteit is onder andere afhankelijk van de diameter van de leiding. Een leiding met een grote diameter heeft meer capaciteit, maar is ook duurder dan een leiding met een kleine diameter.
46
Dimensioneren op toekomstige bronnen brengt daardoor een aantal (financiële) risico’s met zich mee: - De bronnen zijn nog onzeker op het moment dat de leiding wordt gerealiseerd. Anticiperen op onzekere bronnen kan inhouden dat de realisatie kosten hoger worden, terwijl de gerealiseerde transportcapaciteit nooit zal worden benut; - Het aantal aan te sluiten WEQ is nog zeer onzeker op het moment dat de leiding wordt gerealiseerd. Het is dus niet met zekerheid te zeggen dat de klanten voor al die bronnen en dus voor de leidingcapaciteit er daadwerkelijk komen. Dit risico wordt ook wel aangeduid met vollooprisico: het risico dat er kosten voor een leiding worden gemaakt, terwijl er te weinig klanten komen. Tijdens het planproces rondom de transport leiding naar Moerdijk moet rekening worden gehouden met bovenstaande onzekerheden en risico’s.
5.5 Conclusies toekomstscenario’s Inzetten op het doorontwikkelen van het Amernet is in alle gevallen verstandig, maar is op zichzelf geen oplossing voor de leveringszekerheid in 2027 of 2030. Richting 2050 moeten er bronnen voor de pieklast worden ontwikkeld, indien het aantal aansluitingen groeit en/of indien transitiebrandstoffen en fossiele brandstoffen moeten worden uitgefaseerd. Op basis van huidige beschikbare technologieën zullen er hoogstwaarschijnlijk gasketels moeten worden bijgebouwd. Deze gasketels kunnen op aardgas draaien. Als dat richting 2050 ongewenst is, moet er waterstofgas, groengas of een ander duurzaam gas beschikbaar komen voor het Amernet. Door opslagmogelijkheden te creëren, kan de inzet van gasketels worden teruggedrongen.
Geen uitfasering transitiebrandstoffen: bij een gemiddeld groeiscenario is het wellicht mogelijk om geen bronnen in Moerdijk in te zetten voor de basislast. Er moet dan echter wel volop ingezet worden op alle hypothetische bronnen in de regio, waarvan de haalbaarheid nu nog (zeer) onzeker is. Hierbij is niet verkend al deze bronnen met eventueel bijbehorende warmtepompcentrale ruimtelijk zijn in te passen. Geen uitfasering transitiebrandstoffen: Bij een maximaal groei scenario moeten per definitie bronnen in Moerdijk worden ingezet. Uitfaseren van transitiebrandstoffen: Er moeten volop nieuwe bronnen ontwikkeld worden. In een maximaal groeiscenario zijn alle denkbare bronnen nodig. Een én-én-én beleid voor het ontwikkelen van bronnen ligt voor de hand.
47
Uitfaseren van transitiebrandstoffen: In alle scenario’s is de transportleiding naar Moerdijk noodzakelijk. In alle scenario’s (ook zonder groei) moeten namelijk bronnen in Moerdijk worden aangesloten op het Amernet. Het ontwikkelen van bronnen zal niet gelijk op kunnen lopen met het ontwikkelen van nieuwe aansluitingen. Nieuwe aansluitingen worden incidenteel, per tientallen, honderden en in een enkel geval duizenden WEQ tegelijkertijd gerealiseerd. Grote bronnen leveren vermogen voor soms wel tienduizenden WEQ.
48
6 DILEMMA’S RICHTING 2025 Uit de bronnennalyse, de informatie over het planproces van de transportleiding naar Moerdijk en de toekomstscenario’s komt naar voren dat er verschillende dilemma’s zijn rondom de warmtelevering aan het Amernet. Deze dilemma’s worden in dit hoofdstuk geadresseerd.
Afvangen CO, Zowel Attero als RWE zetten in op de afvang van CO2. De afvang van CO, vraagt veel energie. Attero en RWE hebben beide richting Ennatuurlijk aangegeven hierdoor minder warmte te kunnen produceren. Het productievermogen ten behoeve van de warmtelevering daalt bij beide centrales door de afvang van CO, met 40 tot 50% (zie hoofdstuk 3). Hier toont zich een maatschappelijk dilemma. Wat is belangrijken voldoende broncapaciteit voor de warmtetransitie of CO, afvangen?
Meer duidelijkheid over bronnen Er zijn verschillende kansen, die nog niet tot concrete projecten hebben geleid. Zo zal naar verwachting op korte termijn een opsporingsvergunning worden aangevraagd voor geothermie tussen Tilburg en Waalwijk. Er is ook potentie voor industriële restwarmte op locatie Moerdijk en RWE heeft net een tender gewonnen en moet ergens in Nederland elektrolysers plaatsen. Al deze opties zouden een goede bijdrage kunnen leveren aan het Amernet en verdienen het om de komende jaren verder onderzocht te worden. De vraag is echter wie in het licht van de eventuele komst van de Wet Collectieve Warmte voorziening de regie pakt op de bronontwikkeling.
Oplossing voor tussenperiode De tussenperiode is een periode, waarin de kostprijs voor het leveren van warmte naar verwachting omhooggaat. Op dit moment is niet inzichtelijk wat dat exact inhoudt. Ennatuurlijk heeft aangegeven dat de prijsstijging, indien het back-up systeem als hoofdsysteem moet worden ingezet haar draagkracht te boven gaat.
Het is evident dat - redenerend vanuit de kostprijs om warmte te produceren - in de tussenperiode het beste gebruik kan worden gemaakt van warmte uit de Amercentrale. RWE heeft hierdoor als commercieel bedrijf een stevige onderhandelingspositie. Niet alleen Ennatuurlijk en RWE zijn aan zet om te bepalen wat de oplossing wordt voor de tussenperiode. Het Rijk krijgt een rol, indien de warmtelevering niet meer kan worden gegarandeerd (zie paragraaf 2.1).
49
Doorzetten planproces transportleiding Moerdijk - Amernet
In hoofdstuk 4 is aangegeven dat er verschillende argumenten zijn voor het doorzetten van het planproces voor de transportleiding tussen Moerdijk en het Amernet. Daarbij ligt de vraag voor, welke partij dit planproces moet trekken. Tot nu toe ligt die verantwoor delijkheid bij Ennatuurlijk.
Bij grote infrastructuurprojecten treedt de toekomstige eigenaar op als initiatiefnemer en is de toekomstig eigenaar dus verantwoordelijk voor de projectorganisatie. In het licht van de nieuwe Wet Collectieve Warmtevoorziening ligt het echter niet voor de hand dat Ennatuurlijk eigenaar wordt van de transportleiding naar Moerdijk. Ennatuurlijk heeft op basis daarvan aangegeven de engineeringskosten niet meer voor haar rekening te willen nemen. Als hier geen oplossing voor komt, komt het planproces stil te vallen.
Financierbaarheid transportleiding Warmte-infrastructuur is in veel gevallen niet rendabel te realiseren. Gedurende het planproces zal het duidelijk worden in hoeverre dat het geval is bij een eventuele transportleiding naar Moerdijk. Rondom de business case speelt een aantal dilemma’s, die in het planproces een plek moeten krijgen:
De nieuwe Wet Collectieve Warmtevoorziening brengt onzekerheden met zich mee in business cases voor warmtenetten. Dit is met name relevant als een transportleiding door een private partij wordt aangelegd.
De wet treedt op zijn vroegst in werking in juli 2024. Vanaf die datum krijgt een private partij 20 tot 30 jaar de gelegenheid om investeringen terug te verdienen. De transportleiding naar Moerdijk kan naar verwachting gereed zijn in 2030. Daarmee resteert er een terugverdientermijn van slechts 14 tot 24 jaar. Doorgaans rekenen warmtebedrijven echter met terugverdienperioden van 30 tot 40 jaar. Het is onduidelijk of in de nieuwe wet rekening wordt gehouden met afkoop van restwaarden.
Het Rijk werkt aan verschillende subsidieregelingen. In 2023 wordt daar meer over bekend. Tot nu toe kan het Rijk er alleen over zeggen dat voor transportleidingen gaat gelden dat de realisatie van nieuwe aansluitingen een subsidievoorwaarde wordt. Daarmee ligt het voor de hand dat bij het ontwerp van de transportleiding naar Moerdijk geanticipeerd wordt op groei van het aantal aan sluitingen. In paragraaf 5.4 is aangegeven dat er vollooprisico’s optreden als rekening wordt gehouden met nieuwe aansluitingen. Het ligt voor de hand dat er tijdens het planproces tot 2025 afspraken worden gemaakt over te realiseren nieuwe aansluitingen en vollooprisico’s. 50
Isolatie en verlagen temperatuur In paragraaf 5.1.1 is aangegeven dat een leverancier van warmte alle aansluitingen van voldoende warmte moet voorzien. Dat geldt ook voor slecht geïsoleerde panden. Daarmee worden de slechtsgeïsoleerde panden maatgevend voor de mogelijkheden om temperaturen te verlagen en lage temperatuurbronnen aan te sluiten. De vraag komt op in hoeverre het wenselijk is dat pandeigenaren een deadline krijgen voor het isoleren van hun panden en welke partij die deadline zou kunnen stellen. Het idee hierachter is dat na het verstrijken van de deadline de aanvoertemperatuur mag worden verlaagd. Door de deadline te stellen weten eigenaren hoeveel jaar ze de tijd krijgen om hun woning of bedrijfspand op orde te brengen. Als ze de deadline niet halen, hebben ze het aan zichzelf te wijten als de geleverde warmte ontoereikend is.
Masterplan dóórontwikkeling Paragraaf 5.1 is geschetst dat de dóórontwikkeling van het Amernet een proces is van lange adem. Ook is duidelijk dat er niet één partij de hele dóórontwikkeling kan verwezenlijken. Er zijn zeer veel verschillende partijen verantwoordelijk voor ieder hun eigen deel van de puzzel. Particuliere pandeigenaren en woningbouw corporaties hebben bijvoorbeeld zeggenschap over aanpassingen aan hun panden, projectontwikkelaars bepalen welke warmteoptie ze kiezen bij nieuwbouw, gemeenten voeren regie over de warmtetransitie binnen hun gemeenten, het Rijk financiert isolatie programma’s, de leverancier van de warmte bepaalt de technische specificaties van het warmtenet, etc.
Dóórontwikkeling van het Amernet vereist nauwe samenwerking. Een masterplan, waarin beschreven wordt welke stappen concreet voorzien zijn, kan helpen om de samenwerking vorm te geven. Rollen en verantwoordelijkheden gaan echter verschuiven als de nieuwe Wet Collectieve Warmte er komt. Dat betekent dat veel onduidelijkheid blijft over de positie en verantwoordelijkheden van partijen, zolang de wet nog niet is vastgesteld. Daarmee komt de vraag op of het reëel is dat er de komende jaren wordt gewerkt aan een masterplan en zo ja, welke partij dan de trekker zou moeten zijn van dat proces.
Innovatie Er is volop innovatie in het werkveld van warmte. Een aantal jaar geleden had bijvoorbeeld slechts een enkeling gehoord van de van de toepassing van ijzerpoeder. Inmiddels draait de brouwerij van Bavaria op deze technologie en niemand weet wat de toekomst nog meer brengt. Innovatie is noodzakelijk om in de toekomst voldoende, betaalbare bronnen beschikbaar te hebben. Tegelijkertijd bemoeilijkt innovatie besluitvormingsprocessen. Er is namelijk geen garantie dat een beslissing, die nu genomen wordt op basis van huidige inzichten, 51
over één, vijf, of tien jaar wellicht niet ongelukkig zal blijken te zijn. Het risico op een verkeerde beslissing is echter beperkt. Er zijn de komende decennia zoveel nieuwe bronnen nodig, dat iedere duur zame warmtebron in principe ingezet kan worden.
Toewijzen van bronnen Op twee niveaus spelen dilemma’s rondom de vraag welke warmtebron waarvoor ingezet mag worden. Allereerst speelt dit dilemma op nationaal niveau rondom de inzet van groengas en waterstof. De potentiële vraag naar deze bronnen is groot. Doordat ze echter schaars zijn, moet op nationaal niveau een keuze worden gemaakt waar deze brandstoffen op worden ingezet. Tot nu toe lijkt waterstof bijvoorbeeld vooral gefaseerd en in kleine stappen, beschikbaar te komen voor de industrie en de (zware) transportsector. In paragraaf 5.3.1 is echter inzichtelijk gemaakt dat groei van het aantal aansluitingen aan het Amernet inhoudt dat er gasketels bijgebouwd moeten worden. Als het ongewenst is dat deze ketels en de huidige gasketels van Ennatuurlijk op aardgas draaien, moeten hier andere gassen voor beschikbaar komen, zoals waterstofgas of groengas. Voor de productie van beide is potentie in Moerdijk37.
Toewijzen van bronnen speelt ook op regionaal niveau. Gemeenten zullen willen dat hun inwoners profiteren van de warmte uit de bronnen binnen hun eigen gemeente. Dat kan op gespannen voet staan met de ontwikkeling van een regionaal warmtenet, waarbij bronnen regionaal worden ingezet. Daarnaast speelt op regionaal niveau het vraagstuk welke partij warmte kan krijgen via het Amernet en tegen welke condities. Zo worden enerzijds de tuinders afgekoppeld, terwijl er ook gewerkt wordt aan groei van het aantal aansluitingen.
37 Er loopt in Moerdijk een initiatiefom groengas te produceren door het bedrijfDBG BioEnergie.