2.Geredigeerd_Rapport Over Morgen Toekomst Amernet
Tekst van het document
RAPPORT
TOEKOMST AMERNET
Beschikbare bronnen vanaf 2027 %1 ‘441
rF8ë "F
r-
*
-
I
V.
d
( I ,
7
■j
V
OVER MORGEN
COLOFON PUBLICATIEDATUM 13 maart 2023
OPDRACHTGEVERS Stuurgroep Programma Verduurzaming Amernet
INHOUDSOPGAVE MANAGEMENT SAMENVATTING
4
1
INLEIDING
7
1.1 Introductie 1.2 Klimaatdoelstellingen 1.3 Juridische kader 1.4 Technische (on) mogelijkheden 1.5 Financierbaarheid
7 8 8 9 10
2
3
4
PROBLEEMSTELLING EN UITGANGSPUNTEN
11
2.1 Probleemstelling 2.2 Tijdshorizon 2027/2030 en verder 2.3 Huidige situatie 2.4 Toekomstige ontwikkelingen 2.5 Randvoorwaarden vanuit het Amernet 2.6 Kansen vanuit (Rijks)infrastructuurprojecten
11 12 12 14 17 19
ANALYSE BRONNEN 3.1 Afbakening 3.2 Toetsingscriteria 3.3 Beschrijving per bron 3.4 Overzichtstabel met bronnen 3.5 Beschrijving per tijdsvak
22 23 25 28 29
TRANSPORTLEIDING MOERDIJK - AMERNET
33
4.1 Tracékeuze Moerdijk - Amernet 4.2 Planning 4.3 Planvormingen besluitvorming
33 34 34
TOEKOMSTPERSPECTIEF
36
5.1 Doorontwikkelen Amernet 5.2 Uitfaseren bronnen 5.3 Toekomstscenario’s richting 2050 5.4 Transitieperiode 5.5 Conclusies toekomstscenario’s
36 41 42 46 47
6
DILEMMA’S RICHTING 2025
49
7
CONCLUSIES
53
8
AANBEVELINGEN RONDOM HET VERVOLGTRAJECT
57
5
BIJLAGE 1 BIJLAGE2 BIJLAGE 3
3
22
Subsidievoorwaarden SDE+ Temperaturen in warmteleidingen Analyse van bronnen
62 65 68
MANAGEMENT SAMENVATTING Probleem Het Amernet is een van de grootste warmtenetten van Nederland. Via het Amernet worden ca 51.000 woningen en 355 bedrijven van warmte voorzien. Ennatuurlijk is eigenaar van het Amerwarmtenet en is verantwoordelijk voor de levering van warmte aan haar afnemers. RWE is eigenaar van de Amercentrale en voorziet ongeveer 90% van de warmtevraag van het Amernet. RWE heeft het contract voor de levering van warmte per 1 januari 2027 opgezegd, waardoor op zoek moet worden gegaan naar een alternatieve warmtebron.
In dit rapport wordt gekeken welke alternatieve warmtebronnen per 1 januari 2027 beschikbaar kunnen zijn. Hierbij is als uitgangspunt gehanteerd dat er ongeveer 110 tot 125 MW vermogen moet worden geleverd voor de basislast. De basislast is de hoeveelheid warmte, die met continue bronnen geleverd kan worden en gedurende het hele jaar beschikbaar is. In de koude wintermaanden is dit bronvermogen niet voldoende. Dan moet het bronvermogen totaal ongeveer 410 MW zijn. Deze vermogens zijn voldoende om de huidige aansluitingen van warmte te voorzien. Een aanname hierbij is dat de plannen van Ennatuurlijk om de tuinders in Plukmade, Dongen, Waspik en Sprang Capelle los te koppelen van het Amernet doorgaan. Voor de tuinders in Plukmade wil Ennatuurlijk geothermie winnen ten behoeve van de basislast. Alle glastuinbouwbedrijven moeten zelf met hun eigen WKK’s en gasketels in de rest van hun warmtebehoefte voorzien. In deze studie is niet nagegaan of deze plannen juridisch haalbaar zijn en wat het standpunt van de tuinders hierover is.
Beschikbaarheid bronnen Er is een grote diversiteit aan warmtebronnen beschouwd. Van biomassa tot restwarmte uit een kerncentrale en van individuele warmtepompen tot bio-olie. Per bron is beschreven of deze tijdig beschikbaar is, welke onzekerheden daarmee samenhangen, wat het potentiële warmtevermogen is en hoe hoog de temperatuur van de bron is. Daarnaast wordt ingegaan op het aspect duurzaamheid.
Uit deze analyse komt naar voren dat in 2027 alleen het back-up systeem van Ennatuurlijk gegarandeerd beschikbaar is. Dit back-up systeem bestaat uit aardgasketels en bio-olie-installaties. Vanwege de hoge exploitatiekosten is inzet van dit back up systeem als hoofdsysteem geen lang houdbare situatie. De enige grootschalige bron als alternatief voor het back-up systeem lijkt in 2027 biomassa in de Amercentrale. Vanaf ongeveer 2030 kan er waarschijnlijk ook (rest)warmte uit de afvalenergiecentrale van Attero in Moerdijk worden geleverd. Het vermogen van de 4
afvalenergiecentrale is ontoereikend om aan de gehele basislast te voldoen. Bepalend hierbij is dat Attero CO, wil afvangen. Door het afvangen van CO, neemt het beschikbare vermogen sterk af. In dat scenario moeten de gasketels van het back-upsysteem in een deel van de basislast voorzien. Vanaf 2030 komt er mogelijk ook geothermie in Moerdijk beschikbaar en er is potentie voor industriële restwarmte in Moerdijk. Beide zijn nog te onzeker om nu al als reële alternatieven te kunnen bestempelen.
Besluitvorming in 2025
Voor het verbinden van de bronnen in Moerdijk met het Amernet moet een transportleiding worden aangelegd. Als het planproces wordt voortgezet, kan in 2025 een investeringsbeslissing over deze transportleiding worden genomen. Dat is ongeveer op hetzelfde moment als dat RWE een beslissing neemt over CO2-afvang en dat Attero een beslissing neemt over het al dan niet beschikbaar stellen van warmte. Daarnaast geeft Ennatuurlijk aan dat zij in 2025 ver genoeg gevorderd is met alle onderzoeken naar geothermie in Moerdijk. Ennatuurlijk kan in 2025 ook een investeringsbeslissing nemen over geothermie in Moerdijk. De tijd tot 2025 kan worden benut om ook een aantal andere bronopties verder te verkennen. Dit zijn opties, die nu nog zo onzeker zijn, dat er geen rekening mee gehouden kan worden. Naast het feit dat ze weinig concreet zijn, kunnen er ook andere onzekere factoren meespelen. Ze zijn bijvoorbeeld technisch minder geschikt (e-boilers) of niet binnen afzienbare termijn realiseerbaar (restwarmte uit waterstofproductie of geothermie in het gebied Tilburg - Waalwijk). Ook is het denkbaar dat er wel potentie is, maar dat er nog geen concrete initiatieven lopen om hierop samen te werken (industriële restwarmte).
Groei en uitfasering (transitie)brandstoffen In opdracht van de samenwerking RES West Brabant en Regio Hart van Brabant is de groeipotentie van het Amernet in kaart gebracht. Om die groeipotentie waar te kunnen maken, moet er volop worden ingezet op de ontwikkeling van alle denkbare bronnen. Alle bronnen zijn simpelweg nodig en dat geldt daardoor ook voor de transport leiding naar Moerdijk.
Dat alle denkbare bronnen nodig zijn, komt niet alleen doordat er potentie is voor toename van het aantal aansluitingen met een factor 4,5. Bovenop het ontwikkelen van broncapaciteit voor de extra aansluitingen, worden er richting 2050 ook bronnen uitgefaseerd. In de eerste plaats geldt dat voor de huidige aardgasketels van Ennatuurlijk. Aardgas is een fossiele brandstof, die conform het Klimaatakkoord in 2050 in principe niet meer gebruikt mag worden voor het verwarmen van de gebouwde omgeving. 5
Daarnaast worden restwarmte uit afvalverbranding en de inzet van biomassa vaak als transitiebrandstoffen beschouwd. Als partijen willen dat die uitgefaseerd worden richting 2050, dan moeten daar ook alternatieven voor worden ontwikkeld.
Dóórontwikkeling Amernetwerk Oude, hoge-temperatuurnetwerken, zoals het Amernetwerk kunnen doorontwikkeld worden. Dit houdt in dat wijk voor wijk en per warmteleiding bepaald wordt wat de mogelijkheden zijn om temperatuur te verlagen en bronnen toe te voegen. Dit kunnen ook lage-temperatuurbronnen zijn. Er wordt locatie-specifiek gekeken wat de warmte behoefte is en hoe in die behoefte kan worden voorzien. Een dergelijke dóórontwikkeling vraagt een lange adem en is geen alternatief voor de contractopzegging door RWE per 1 januari 2027. Dóórontwikkeling is echter per definitie verstandig, net als inzetten op isolatie van woningen.
Vervolgtraject Dit rapport doet enkele aanbevelingen voor een vervolgtraject. In de aanbevelingen wordt ingegaan op de warmtevoorziening in de periode 2027-2030, de besluitvorming voor de situatie in 2030 en naar de totale dóórontwikkeling van het Amernet. Uit de aanbevelingen wordt duidelijk dat er parallel geschakeld moet worden. Er moet tegelijkertijd gewerkt worden aan de korte termijn, de middellange termijn en de lange termijn.
6
INLEIDING 1.1 Introductie Het Amernet is een van de grootste warmtenetten van Nederland. Via het Amernet worden ca 51.000 woningen en 355 bedrijven van warmte voorzien. In 2018 hebben 14 partijen de samenwerkings overeenkomst voor de verduurzaming en eventuele uitbreiding van het Amernet getekend. Dit zijn Ennatuurlijk, provincie Noord-Brabant, de gemeente Breda, gemeente Tilburg, gemeente Drimmelen, gemeente Oosterhout, gemeente Geertruidenberg, Enpuls Warmte Infra', woningcorporaties, bewonersvertegenwoordigers en tuindersverenigingen. Later heeft zich daar gemeente Dongen bijgevoegd. Uit het midden van de samenwerkende partijen is een stuurgroep gevormd van 8 betalende partijen en vertegenwoordiging van de woningbouwcorporaties.
Bij het aangaan van de samenwerking, hadden partijen twee doelen voor ogen: Verduurzaming Het Amernet maakt gebruik van de Amercentrale, waarin momenteel nog voor 20% energie wordt opgewekt door het verbranden van steenkool. Daarnaast maakt de Amercentrale gebruik van houtige biomassa. Eventuele uitbreiding Verschillende ondertekenaars hebben uitbreiding van het Amernet voor ogen. Deze gemeenten hebben daarom ook in hun Transitievisie Warmte (TVW) de wens uitgesproken om bestaande (woon)wijken en bedrijven op het Amernet aan te sluiten. Daardoor moet het aantal aansluitingen groeien. De gedachte hierachter is dat de woningen en bedrijven daarmee niet meer via het bestaande gasnet en cv-ketels verwarmd hoeven te worden, maar dat duurzame bronnen aan het Amernet voor voldoende warmte zorgen.
Dit rapport is opgesteld in opdracht van de Stuurgroep van de Amernetsamenwerking. De oorspronkelijk opdracht behelsde het opstellen van een verduurzamingsstategie voor de langere termijn. Nadat de opdracht is verstrekt, is echter duidelijk geworden dat RWE het contract voor de levering van warmte uit de Amercentrale zou opzeggen per 1 januari 2027. In afstemming met de stuurgroep geeft dit rapport daarom primair aan welke bronnen er wel en niet beschikbaar zijn vanaf 2027. Daarnaast schetst het rapport de mogelijkheden om het netwerk verder door te ontwikkelen en in te spelen op toekomstige innovaties. De mogelijkheden voor verduurzaming en uitbreiding zijn afhankelijk van het nationale kader (klimaatdoelstellingen en wettelijk kader), technologische (on)mogelijkheden en de financiële 1 7
De samenwerkingsovereenkomst is ondertekend door Enexis. inmiddels is Enexis opgesplitst en neemt Enpuls Warmte Infra deel in de samenwerking.
ontwikkelingen op de energiemarkt. Het kader is echter nog volop in ontwikkeling en brengt onzekerheden voor het Amernet met zich mee. Op deze onzekerheden wordt in de volgende paragrafen ingegaan.
1.2 Klimaatdoelstellingen In Nederland bouwen we het gebruik van fossiele brandstoffen en daarmee de uitstoot van broeikasgassen af. In het Klimaatakkoord uit 2019 is afgesproken dat we in 2030 bijna de helft (49%) minder broeikasgassen uit willen stoten dan we in 1990 deden en in 2050 is dat 99% minder. Inmiddels is deze doelstelling opgerekt naar 55% in 2030. Door het ondertekenen van het Klimaatakkoord hebben het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de landelijke branchevereniging van woning corporaties AEDES en andere partijen zich gecommitteerd aan deze doelstelling. Dit betekent dat alle partijen uit de stuurgroep Amernet zich achter deze doelstellingen hebben geschaard2. De periode tot 2050 kan aangemerkt worden als transitieperiode, waarin door partijen stap voor stap gewerkt wordt aan een duurzaam Amernet.
1.3 Juridische kader De huidige warmtewet is niet ingericht op een grootscheepse warmtetransitie. Daarom is de minister van plan om het juridische kader te wijzigen. Op 21 oktober 2022 heeft de minister de contouren van de Wet Collectieve Warmtevoorziening (Wcw) geschetst. De wet wordt op zijn vroegst op 1 juli 2024 van kracht. In de wet zullen nieuwe kaders worden opgenomen voor o.a. de totstandkoming van een eerlijk tarief en voor de marktordening. De wet is echter nog niet gepubliceerd en exacte wetteksten zijn dus nog niet bekend. Ook moet de wet nog een heel besluitvormingstraject door en is het dus nog niet zeker of de nieuwe wet er daadwerkelijk komt. Hieronder staan de belangrijkste voornemens, die relevant kunnen zijn voor het toekomstbeeld van het Amernet:
De warmte-infrastructuur moet in publieke handen komen. Daarmee wordt een meerderheidsaandeel (>50%) bedoeld. Voor bestaande warmtenetten in private handen - zoals het Amernet gaat een overgangsperiode gelden van 20 tot 30 jaar, waarna deze overgaan in publieke handen. Hoe deze overgangsperiode exact vormgegeven wordt, wat de exacte termijn wordt en hoe de vergoeding van eventuele restwaarde wordt, is nog niet duidelijk.
Het kümaa takkoord is ondertekend doorAedes (de branchevereniging voor woningbouw corporaties), Enexis (waar Enpu/s Warmte infra een dochter van is), Energie Nederland (waar Ennatuurlijk en Fl WE lid van zijn), RWE, VNG (de koepelorganisatie waaralle betrokken gemeenten onder vallen) en IPO (de vereniging van de provincies waar de provincie Noord-Brabant onder valt) 3 Kamerbriefvan minister R.A.A. Jetten van 2! oktober2022 ‘Wet collectieve warmtevoorziening, besluit infrastructuur in publieke handen’
2
8
De regie voor de warmtetransitie komt in beginsel bij de gemeenten te liggen. Het is nog niet exact duidelijk wat deze regierol allemaal behelst en hoe gemeenten hier invulling aan kunnen geven. De gemeenten nemen in ieder geval wel regie door warmtekavels te definiëren. Per kavel moeten gemeenten een warmtebedrijf aanwijzen, dat het recht krijgt om een collectief warmtenet te exploiteren. De kosten voor het produceren van warmte worden transparant vastgesteld. De prijs, die de afnemers van warmte moeten betalen, wordt gebaseerd op basis van de werkelijke gemaakte kosten.
Invoering van de nieuwe Wcw is nog onzeker. Daarom moet bij de besluitvorming over de toekomst van het Amernet nog uitgegaan worden van het huidige juridische kader. Tegelijkertijd is het weinig zinvol om een toekomstbeeld te ontwikkelen voor de situatie vanaf 1 juli 2024 als partijen, die daarna (deels) verantwoordelijk worden, zich niet achter het toekomstbeeld kunnen scharen. Al met al betekent dit twee dingen voor dit rapport:
Dit rapport geeft bouwstenen voor een toekomstbeeld. Mede op basis hiervan kunnen partijen bepalen of zij op dit moment een gezamenlijk toekomstbeeld voor het Amernet kunnen vormen; Dit rapport zet de inhoud centraal en werkt vanuit reeds vast gestelde beleidsdoestellingen, juridische en technische (on) mogelijkheden en de situatie op de energiemarkt. Dit rapport gaat niet in op politieke discussies, zoals wenselijkheid en bestuurlijke verhoudingen.
1.4 Technische (on) mogelijkheden De warmtetransitie is nog een relatief jong werkveld, waarvoor nog volop technologieën worden ontwikkeld. Daarnaast kost het ontwikkelen van grote, duurzame bronnen tijd. Dat bij elkaar opgeteld betekent dat er de komende jaren nog onvoldoende bronnen zijn om alle warmte te kunnen leveren op een volledig duurzame wijze. De periode tot 2050 is daarmee een transitieperiode waarin ‘stap voor stap’ moet worden toegewerkt naar een volledig duurzame warmtevoorziening. Gedurende deze periode zullen er keuzes gemaakt moeten worden, die soms niet volledig passen bij het ideaalbeeld voor 2050.
Twee bronnen, die vaak genoemd worden als transitiebrandstoffen ‘op weg naar 2050’ zijn restwarmte uit afvalverbranding en warmte productie uit biomassa. Om verschillende redenen worden deze bronnen doorgaans niet als toekomst vast beschouwd. Afvalverbranding is bijvoorbeeld niet in lijn met de doelstelling van een volledig circulaire economie 4. 9
4 In het Nationaal Grondstoffenakkoord uit 2017 hebben veie partijen zich achter de doelstelling geschaard vooreen volledig circulaire economie in2050. Het akkoord is een intentieovereenkomst, die ondertekend is door het Rijk, IPO, VNG, VNO-NOW, MKB Nederland, etc.
Daarnaast wordt afval vaak over grote afstanden getransporteerd en komt het zelfs uit het buitenland. Biomassa wordt vaak aangemerkt als transitiebrandstof, omdat er bossen voor worden gekapt en de transportafstanden ook groot kunnen zijn. Onder biomassa wordt echter ook lokaal snoeiafval verstaan. De wens om die vorm van biomassa op termijn uit te faseren is minder sterk. Transitiebronnen worden maatschappelijk gezien vaak als betere alternatieven beschouwd dan fossiele brandstoffen, mits ze op weg naar 2050 weer uitgefaseerd kunnen worden. In dit rapport wordt daarom aangegeven hoe deze alternatieven een plek kunnen krijgen in de periode tot 2050. Bij het beschrijven van de toekomstscenario’s wordt in hoofdstuk 5 aangegeven wat het betekent om afscheid te moeten nemen van deze bronnen.
1.5 Financierbaarheid De energieprijzen zijn sinds 2021 tot recordhoogte gestegen. De oorlog in Oekraïne heeft er daarbovenop voor gezorgd dat Nederland versneld af wil stappen van (Russisch) gas. Drie elementen zijn relevant voor de analyse naar de verduurzaming van de bronnen van het Amernet.
Geopolitiek Aardgas is een fossiele brandstof, die richting 2050 moet worden uitgefaseerd op basis van het klimaatakkoord. Daarnaast is aardgas nu ook om geopolitieke redenen omstreden;
Exploitatiekosten De exploitatiekosten van het Amernet worden in sterke mate bepaald door de energieprijzen. De prijs van gas en elektriciteit is momenteel hoog en fluctueert sterk. Warmte productie, waarbij relatief veel gas en elektriciteit wordt gebruikt, wordt door de schommelingen in energieprijzen harder geraakt dan de warmteproductie, waarbij daar minder gebruik van wordt gemaakt (bijv, geothermie en restwarmte uit afvalverbranding). Een analyse over het verschil in exploitatiekosten van bronnen is in het licht van de grote fluctuaties en onzekerheden op dit moment weinig zinvol. Het levert een momentopname, die vrijwel direct achterhaald is. Warmteprijs de huidige warmteprijs is door de huidige energie markt hoog. Er is weinig tot geen financiële draagkracht bij bewoners en bedrijven om de prijs verder te verhogen om zo investeringsruimte te creëren. Dit kan consequenties hebben voor de financiële haalbaarheid van alternatieven
Vanwege de grote onzekerheid is bij de beschrijving van bronnen vooral naar technische aspecten gekeken en in mindere mate naar financiële aspecten. Dit is in deze fase van het proces geen bezwaar. Op dit moment is relevanter welke bronnen wanneer beschikbaar kunnen komen, met welk vermogen en op welke locatie. 10
2 PROBLEEMSTELLING EN UITGANGSPUNTEN 2.1 Probleemstelling
Ennatuurlijk is eigenaar van het Amernet en is verantwoordelijk voor de levering van warmte aan haar afnemers. RWE is eigenaar van de energiecentrale Amer 9 in Geertruidenberg. De centrale produceert voornamelijk elektriciteit. De Amercentrale produceert echter ook warmte ten behoeve van het Amernet. Het maximale vermogen voor de warmteproductie bedraagt 350 MW. RWE levert warmte aan Ennatuurlijk en voorziet daarmee ongeveer 90% van de warmtevraag van het Amernet. De centrale draait voor 80% op biomassa en voor 20% op steenkool. Vanaf 1 januari 2025 is het verbranden van steen kool in deze centrale bij wet verboden5. De huidige SDE-subsidies van RWE op het verbranden van biomassa lopen af op 1 januari 2027. Het Rijksbeleid is inmiddels aangepast en er zijn geen mogelijkheden meer om nieuwe subsidies aan te vragen voor het verbranden van biomassa in de Amercentrale. Vanaf 1 januari 2027 zal RWE dus geen SDE-subsidie meer ontvangen.
Het contract tussen RWE en Ennatuurlijk voor de levering van warmte aan het Amernet liep tot 2038. In het addendum zijn echter bepalingen opgenomen over tussentijdse contractbeëindiging6. RWE heeft het contract inmiddels opgezegd. RWE voert als argument op dat het onder de contractvoorwaarden niet rendabel is om warmte te leveren aan het Amernet. Om een indicatie te geven van de mate, waarin het wegvallen van de SDE-subsidies daarbij een rol speelt, is in de bijlage een analyse opgenomen over de hoogte en de looptijd van de SDE-subsidies7. De contractopzegging door RWE kan voor de warmtelevering vanuit de Amercentrale twee dingen betekenen:
Er komtgeen nieuw contract tussen RWE en Ennatuurlijk. Dat betekent dat de centrale bron van het Amernet per 1 januari 2027 wegvalt. Er moeten in dit geval alternatieve bronnen komen. Er komt een nieuw contract tussen RWE en Ennatuurlijk over de levering van warmte. Hierover zullen RWE en Ennatuurlijk dan met elkaar overeenstemming moeten bereiken. Over eventuele contractvoorwaarden kan niets zinvols gezegd worden, anders dan dat RWE heeft aangegeven dat de prijs significant zal stijgen.
5 Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie 6 Het contract kent een geheimhoudingsclausule. Het contract is daarom niet ingezien door de opstellers van dit rapport. De informatie is gebaseerd op hetgeen Ennatuurlijk en RWE erover hebben gezegd. 7 Als achtergrondinformatie is in bijlage 1 opgenomen wat de huidige financiële subsidievoorwaarden zijn.
11
RWE heeft richting Ennatuurlijk aangegeven dat zij nu niet in gesprek kan gaan over een nieuw contract en dat RWE zich eerst beraadt op haar toekomst op de locatie in Geertruidenberg. Het is onduidelijk of en zo ja, wanneer RWE bereid is om te onderhandelen.
Op basis van de huidige wetgeving is Ennatuurlijk verantwoordelijk voor het leveren van warmte aan haar klanten en daarmee ook voor de bronnenstrategie. Deze wet zegt echter ook dat een leverancier een melding moet doen bij het Rijk, indien zij als leverancier niet aan haar verplichtingen kan voldoen8. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als er geen bronnen voorhanden zijn, maar ook als de levering van warmte de draagkracht van het bedrijf te boven gaat.
2.2 Tijdshorizon 2027/2030 en verder
RWE heeft het contract met Ennatuurlijk opgezegd voor de levering van warmte per 1 januari 2027. Daarmee is op dit moment onduidelijk hoe de warmtelevering vanaf dat moment geregeld wordt. Dit rapport geeft de alternatieven aan vanaf 2027. Tijdens de beoordeling van alternatieven is duidelijk geworden dat de meest kansrijke oplossingen een aanzienlijke ontwikkeltijd vragen. Hierdoor komen vanaf ongeveer 2030 pas nieuwe bronnen in zicht. Daarmee wordt de periode tussen 2027 en 2030 als tussenperiode gekenmerkt, waarvoor de oplossing wellicht anders wordt dan voor de periode na 2030. De oplossing voor het leveren van warmte vanaf 2030, kan meerjarige consequenties hebben. Infrastructuur en nieuwe bronnen worden immers voor tientallen jaren ontwikkeld. Vanwege deze langjarige doorwerking wordt ook het perspectief op dóórontwikkeling geschetst tot 2050 (het jaar waarvoor in het Klimaatakkoord doelstellingen zijn geformuleerd).
2.3 Huidige situatie 2.3.1 Aantallen aansluitingen Ennatuurlijk voorziet via het Amernetwerk aansluitingen in Tilburg, Breda, Oosterhout, Dongen, Drimmelen, Geertruidenberg en glas tuinbouwbedrijven in Plukmade, Dongen, Waspik en Sprang Capelle van warmte. Via het Amernet worden ca 51.000 woningen en 355 bedrijven van warmte voorzien. Het warmteverbruik van de bedrijven loopt zeer sterk uiteen. Een tuinder vraagt bijvoorbeeld veel meer energie dan een kledingwinkel. Om deze grote diversiteit in warmteafnemers eruit te filteren, is het aantal aansluitingen vertaald naar woningequivalenten (WEQ). In 2022 bedraagt het aantal WEQ op basis van de aangesloten bedrijven 19.000. Daarmee komt het totaal aantal WEQ neer op 70.000 (bedrijven en woningen samen).
8 Zie artikel 12b lid 1 van de Warmtewet
12
2.3.2 Warmtevraag
De huidige, totale warmtevraag van alle WEQ aan het Amernet bedraagt ongeveer 2,9 miljoen gigajoule (GJ) op jaarbasis. Bij het transport van warmte, gaat warmte verloren. Er moet rekening worden gehouden met ongeveer 28% warmteverlies tijdens transport. Om 2,9 miljoen gigajoule naar de eindgebruiker te kunnen brengen, moet dus ongeveer 4,0 miljoen GJ aan warmte per jaar worden geproduceerd9.
Bovenstaande cijfers zijn gebaseerd op de jaren 2018-2021. De cijfers over 2022 tonen een reductie in warmtevraag door huishoudens en bedrijven van 15-20% ten opzichte van voorgaande jaren". Mogelijk komt deze afname door de hoge energieprijzen. Omdat het jaar 2022 ten tijde van het schrijven van dit rapport nog niet was afgerond én omdat het onduidelijk is hoe de energieprijzen zich de komende jaren zullen ontwikkelen, is met deze reductie geen rekening gehouden. De verdeling van de jaarlijkse warmtevraag over is als volgt: 42% gemeente Tilburg, 31% gemeente Breda, 13% Plukmade, 2% Waspik, 12% overige gemeenten. 2.3.3 Bronvermogen
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen continue warmte bronnen en regelbare warmtebronnen, die snel kunnen op- en afschakelen. Continue warmtebronnen leveren het hele jaar door ongeveer evenveel warmte en kunnen het beste ingezet kunnen worden om in de basislast te voorzien. De basislast is de minimale hoeveelheid warmte, die gedurende het hele jaar geleverd moet kunnen worden.
Vermogen (MW)
De totale hoeveelheid warmte te leveren warmte is echter sterk afhankelijk van de buitentemperatuur. In het stookseizoen neemt de hoeveelheid te leveren warmte fors toe. Omdat de buitentemperatuur sterk verandert van dag tot dag, zijn in het stookseizoen regelbare bronnen nodig. De aanvullende hoeveelheid warmte, die geleverd moet worden, wordt aangeduid met het begrip pieklast.
iklhu
Lla TIf
"TT"FVWT™"
III’
u
UÜ dA
1 Pieklast
- Basislast December
Januari
Tijd
Figuur 2.1
Uitleg piek- en basislast11 9 2.900.000 GJ/(1OO%-28%) = 4.000.000 GJ 10 Ennatuurlijk heeft dit halfnovember2022 aangegeven aan Over Morgen 11 Zie kamerbrief ‘Visie op het warmtesysteem en de ontwikkeling daarvan’ van 28 april2021.
13
Op basis van de cijfers over de afgelopen jaren moet het bronvermogen, dat ingezet wordt voor de basislast, ongeveer 150 MW zijn. Op de koudste dagen moeten de warmtebronnen gezamenlijk een vermogen hebben van 500 MW12. Dit is dus voor de basislast en de pieklast samen. In de huidige situatie levert de Amercentrale maximaal 350 MW aan vermogen. Dat is meer dan alleen het vermogen, dat nodig is voor de basislast. De Amercentrale kan namelijk, ondanks dat steenkool en biomassa continue bronnen zijn, ook worden ingezet voor de pieklast. Dit komt doordat er bij de Amercentrale (in beperkte mate) geschakeld kan worden tussen warmteproductie en elektriciteitsproductie. Als Ennatuurlijk in het stookseizoen meer warmte nodig heeft, produceert RWE meer warmte en minder elektriciteit.
Op de koudste dagen, wanneer de Amercentrale niet voldoende warmte kan leveren, maakt Ennatuurlijk gebruik van gasketels om in de rest van de pieklast te voorzien. Dit zijn haar eigen gasketels, die in het totaal een vermogen hebben van 200 MW. Daarnaast heeft Ennatuurlijk bio-olieketels met een vermogen van 200 MW. De bio-olieketels mogen slechts beperkt worden ingezet, omdat het aantal uren dat ze ingezet mogen worden door de milieuvergunning beperkt is. De bio-olieketels en gasketels vormen samen het back up systeem voor onderhoudssituaties en bij calamiteiten.
2.4 Toekomstige ontwikkelingen 2.4.1 Autonome ontwikkeling Onder autonome ontwikkelingen worden ontwikkelingen bedoeld tussen nu en 2027, waarover geen besluitvorming door Ennatuurlijk, woningeigenaren of gemeenten nodig is. Het zijn ontwikkelingen die zich voordoen en tot significante wijzingen in de warmtevraag kunnen leiden. Ze kunnen daarmee dus ook bepalend zijn voor het vaststellen van de probleemomvang.
Bij het bepalen van de autonome ontwikkeling is allereerst gekeken naar trends, die leiden tot vermindering van de warmtevraag. Besparingen isolatie Er kan bespaard worden op de warmtevraag door bewoners en aangesloten bedrijven. In de Regionale Energie Strategie 1.0 West-Brabant (RES) is hiervoor een ambitie geformu leerd. In de RES staat dat in 203015% energie moet worden bespaard. De Regionale Energie en Klimaatadaptatie Strategie 1.0 van Regio Hart van Brabant (REKS) zet in op 20% reductie in 2030 ten opzichte van 1990. Op basis van deze ambities voeren gemeenten en woning bouwcorporaties de komende jaren bewustwordings- en isolatie programma’s uit. Het effect van deze programma’s kan nu echter 12 Ennatuurlijk heeft inzicht gegeven in de cijfers over de afgelopen jaren. 2012 was het maatgevende jaarmet de koudste periode.
14
niet hard gemaakt worden. Ennatuurlijk hanteert in haar reken modellen als uitgangspunt dat er tussen nu en 2030 gemiddeld 10% energie wordt bespaard door haar klanten.
Toekomst bedrijven Het is onzeker hoe de warmtevraag voor de glastuinbouwsector zich ontwikkelt in het licht van de hoge energieprijzen. Sommige bedrijven hebben aangegeven dat zij in hun voortbestaan worden bedreigd. Er is ook een ontwikkeling waardoor de warmtevraag beperkt stijgt:
Het aantal aansluitingen zal groeien op basis van huidige, reeds vastgestelde plannen in verschillende gemeenten. In het totaal heeft Ennatuurlijk op dit moment contracten afgesloten voor de aansluiting van ca. 1000 extra WEQ tot 2030. Dit is het aantal woningequivalenten dat aangesloten moet worden. Daarnaast zijn er verschillende andere plannen in voorbereiding. De autonome ontwikkelingen zorgen deels voor verlaging van de warmtevraag en deels voor stijging. Met name de ontwikkelingen die voor vermindering van de warmtevraag zorgen, zijn onzeker. Gezien de grote onzekerheden in de autonome ontwikkeling wordt het totaal effect van autonome ontwikkeling hier nihil geacht. Dat betekent dat als uitgangspunt wordt gehanteerd dat de warmtevraag in 2030 gelijk is ten opzichte van de huidige situatie. Dit is een conservatieve aanname. De problematiek in 2027 en 2030 wordt daarmee in ieder geval niet onderschat door te optimistische ideeën over besparing en isolatie. 2.4.2 Positie van de tuinders
Ennatuurlijk heeft vergevorderde plannen om de glastuinbouw in Plukmade, Dongen, Waspik en Sprang-Capelle los te koppelen van het Amernet. Naar verwachting kan deze loskoppeling operationeel zijn in 2027. Bij het opstellen van dit rapport is geen juridische analyse uitgevoerd naar de haalbaarheid van deze plannen en het standpunt van de tuinders hierover.
Op basis van cijfers van de afgelopen jaren, kan gesteld worden dat de tuinders behoefte hebben aan een maximaal vermogen van ongeveer 90MW. Dit is het vermogen van de bronnen voor de basislast en de pieklast bij elkaar opgesteld. Ennatuurlijk wil wel een bron ontwikkelen voor de basislast van de tuinders in Plukmade, maar niet voor de tuinders in Dongen, Waspik en Sprang Capelle. Ennatuurlijk hanteert als uitgangspunt dat zij zelf in de basislast moeten voorzien. De plannen houden ook in dat alle tuinders zelf voldoende bronvermogen beschikbaar hebben voor de pieklast en als back-upsysteem. Tuinders zijn al in bezit van gasketels en hebben een eigen warmtekrachtkoppeling (WKK’s). Er is in dit rapport niet geïnventariseerd of de tuinders nu al voldoende broncapaciteit beschikbaar hebben.
15
In vermogens uitgedrukt, komen de plannen van Ennatuurlijk op het volgende neer:
Dongen, Waspik en Sprang-Capelle Voor deze tuinders worden geen bronnen ontwikkeld.
Plukmade Er moet 30 MW aan bronvermogen voor Plukmade (basislast) worden gevonden. Rest van het Amernet Het totale benodigde vermogen voor het overige deel van het Amernet wordt, door het aftrekken van het vermogen voor de tuinders, 410 MW13. Voor het bepalen van het benodigde vermogen voor de basislast worden twee vuistregels gehanteerd, die gangbaar zijn bij warmtenetten: - Vuistregel 1 Minimaal 80 % van alle warmte moet geleverd worden door continue bronnen (basislast) om te kunnen zorgen voor een rendabele bedrijfsvoering. De overige 20% kan geleverd worden door bronnen, die makkelijk zijn op en af te schakelen en duurder zijn in exploitatie (zoals de gas- en bio-olieketels van Ennatuurlijk). Op basis van de daadwerkelijke geleverde warmte in de afgelopen jaren, zou het vermogen om in de basislast te voorzien voor de rest van het Amernet komen te liggen op minimaal 110 MW. - Vuistregel 2 Het benodigd vermogen voor de basislast is ongeveer 30% van het totale vermogen. Op basis van deze vuistregels is het benodigde vermogen om in de basislast te voorzien 125 MW voor het resterende deel van het Amernet (125 MW - 30% van 410 MW). Op basis van beide vuistregels samen, kan gesteld worden dat het benodigde bronvermogen om in de basislast te kunnen voorzien een bandbreedte kent van 110 tot 125 MW. 2.4.3 Ambities richting 2040 en 2050
Naast de autonome ontwikkeling, kunnen partijen ook ambities hebben voor verdere groei van het aantal aansluitingen op het Amernet. Om deze verdere groei te bewerkstellingen, moeten dan nog wel concrete (investerings-) besluiten genomen worden. Indicaties van de groeiambitie en groeipotentie zijn in verschillende beleidsdocumenten en achterliggende studies beschreven: Verschillende gemeenten hebben in hun Transitievisies Warmte (TVW) aangegeven dat woonwijken aangesloten kunnen worden op het Amernet. Die Transitievisies Warmte moeten worden geconcretiseerd in Wijkuitvoeringsplannen. Daarin moet beschreven worden hoe en wanneer de woningen op buurtniveau van het gas af worden gehaald.
Gemeenten rondom het Amernet en Provincie Noord-Brabant hebben geen concrete, gezamenlijke doelstellingen geformuleerd voor de groei van het aantal aansluitingen van het Amernet voor 16
13 Huidige vermogen + vermogen voor autonome ontwikkeling - vermogen voor tuinders = 500 -r O-90 = 410 MW(pieklast)
de periode tot 2050. Wel erkennen partijen dat het groei van het Amernet waarschijnlijk gewenst is: - De Regionale Energie Strategie 1.0 West-Brabant stelt: «6 Uitbreiding van hetAmernet zou, samen met eventuele andere uitbreidingen en lokale netten, een (kosten)effectieve oplossing kunnen zijn voor een fors deel (zo’n 80%) van de gebouwen. Dit zou een sterke groei zijn, want nu is minder dan 15% aangesloten op een warmtenet. - De Regionale Energie en Klimaatadaptatie Strategie 1.0 van Regio Hart van Brabant beschrijft twee denkrichtingen. In een denkrichting blijft het aantal aansluitingen aan het Amernet, zoals het nu. In de andere denkrichting wordt het Amernet uitgebreid. Op basis van de analyse van de denkrichtingen wordt vervolgens geadviseerd om een nadere verkenning te doen naar uitbreiding van het warmtenet. - RES West-Brabant en Regio Hart van Brabant hebben in 2022 samen twee studies uit laten voeren naar de potentie van uitbreiding van het Amernet. Een studie is uitgevoerd door Fakton". De andere studie is uitgevoerd door het bureau Innoforte15. Innoforte heeft 9 scenario’s ontwikkeld voor groei van het Amernet. Het onderzoek van Fakton houdt rekening met het aansluiten van circa 40% van alle woningen in de regio op een warmtenet.
Fakton zegt daarnaast: ‘Het niet verder belasten van het elektriciteitsnet door warmte in te zetten voor de circa 220.000 woningen zoals door Innoforte is aangegeven is dan ook aan te raden’. Innoforte hanteert op haar beurt de Startanalyse 16 de basis: ‘alle woningen in alle buurten per gemeente, waarbij een warmtenet de laagste maatschappelijke kosten heeft, worden aangesloten. In totaal worden in het meest uitgebreide scenario 315.000 weq (woning equivalenten) aangesloten: 229.000 woningen en 86.000 weq utiliteit’. 99
Op basis van bovenstaande informatie moet geconcludeerd worden dat er geen gezamenlijke groeiambities zijn gedefinieerd, waaraan getoetst kan worden in dit rapport. Dit rapport gaat daarom primair in op de oplossingen voor de contractopzegging door RWE. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 beschouwd wat groei van het aantal aan sluitingen betekent voor de ontwikkeling van bronnen.
2.5 Randvoorwaarden vanuit het Amernet
Bronnen kunnen niet op een willekeurige plek in het warmtenet worden aangesloten. Het vermogen van de bron, de temperatuur van de bron én de temperatuur in de leidingen van het warmtenet zijn bepalend. Daarnaast zijn ook de wettelijke bepalingen rondom de 14 Bronnenanalyse regio Midden en West Brabant, d.d. 26 augustus 2022 door Fakton 15 Verkenning Bovenregionaal Warmtenet West en Midden Brabant, d.d. 25 mei2022 door Innoforte 16 De Startanalyse is uitgevoerd door het Planbureau voorde Leefomgeving en is een technischeconomische analyse van de effecten en kosten van opties om gebouwen zonder aardgas te verwarmen.
17
temperatuur van tapwater van belang. Tapwater is het water dat uit de kraan of douche stroomt. In bijlage 2 wordt nader ingegaan op de temperaturen binnen het warmtenet. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van onderstaande visualisatie van het Amernet.
Hoofdwarmtedistributienet
EF
---- 1:------ ---- 1"
£
EEEE
m=a=h A-:
0! G- :
IF*"
p=a=h
A-
A-
1 f I
1 • I
(.
£:
i •n : I G- i
Primaire warmteleidingen Secundaire warmteleidingen
1 =i
!
C:
In bovenstaande afbeelding staat WOS voor ‘warmte overdrachtsstation’ en OS voor ‘onderstation’. Bij deze stations kan de temperatuur en druk in de warmteleidingen geregeld worden. Ook kunnen hier bronnen worden aangekoppeld. De secundaire leidingen zijn leidingen tussen de aansluitingen en de onderstations. De primaire leidingen zijn leidingen tussen een onderstation en een warmte overdrachtsstation. Het hoofdwarmtedistributienet verbindt de regionale bronnen de met deWOS’en.
Op basis van de informatie in bijlage 2 kan een aantal randvoorwaarden worden geformuleerd voor het aankoppelen van bronnen op het Amernet: Bronnen die ingevoed worden op het hoofdwarmtedistributienet moeten 110-120°C kunnen leveren in het stookseizoen en 90°C buiten het stookseizoen. Bronnen, die worden aangekoppeld op een onderstation, moeten minimaal een temperatuur leveren van 70°C. Hierbij zijn de wettelijke eisen voor de temperatuur van tapwater bepalend. Indien er geen tapwater hoeft te worden geleverd, kan de temperatuur lager zijn. Het is in praktijk vaak zeer lastig om nabij onderstations nieuwe bronnen te ontwikkelen. Bronnen zijn namelijk ruimtelijk en qua geluid vaak lastig in te passen in de bestaande gebouwde omgeving. Daarnaast worden op een onderstation doorgaans alleen bronnen met een beperkt vermogen ingevoegd (ongeveer 1MW basislast), omdat vanuit een onderstation maar een beperkt aantal aansluitingen hoeft te worden bediend. Lokale bronnen, met meer vermogen moeten op een WOS worden aangesloten. Het vermogen kan daar hoger zijn, omdat vanuit een WOS een veel groter aantal aansluitingen wordt bediend. De temperatuur van de bron moet dan echter passen bij de temperatuur in de primaire leidingen. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat dergelijke bronnen een temperatuur moeten kunnen leveren van minimaal 90°C. 18
Figuur 2.2 Visualisatie van het Amernet
Ennatuurlijk zal aanpassingen aan het Amernet moeten doen, om met bovenstaande temperaturen uit te kunnen. Op dit moment worden voor bronnen aan het hoofdwarmtedistributienet en bronnen die aankoppelen op een WOS hogere temperaturen gehanteerd.
2.6 Kansen vanuit (Rijks)infrastructuurprojecten
Er zijn twee grote infrastructurele Rijksprojecten, die van invloed kunnen zijn op de beschikbaarheid van duurzame bronnen voor het Amernet.
2.6.1 Delta Corridor De Delta Corridor is een groot infrastructuurproject voor het transport van onder andere waterstof en CO, tussen Rotterdam, Venlo, Moerdijk, Chemelot en Noordrijn-Westfalen ten behoeve van de industrie (zie figuur 2.1). Het gaat om meerdere buisleidingen ", Het initiatief voor dit project ligt bij de private sector. Attero, Shell en RWE zijn drie van de initiatiefnemers.
w
Hh
Hi
CO2
,2=1
1 Ë
Hu
Ë CO:
LPG/ pp
Ë
A Figuur 2.3 Illustratie van de Delta Oorridor
Het Rijk heeft in de nationale omgevingsvisie (NOVI) gesteld dat transport van stoffen via (buis)leidingen van ‘nationaal belang’ is. Het project Delta Corridor is daarom opgenomen op het nationale Meerjarenprogramma Infrastructuur en Klimaat (MIEK) van het Rijk. Op basis van dit ‘nationale belang’ treedt het Rijk op als bevoegd gezag voor de ruimtelijke inpassing en is zij verantwoordelijk voor de internationale contacten met Duitsland. Er ligt een zeer ambitieuze planning voor de Delta Corridor. De planning gaat uit van ingebruikname in 2026. 17 Zie brief van minister Jetten aan de Tweede Kamer d.d. 18 feb. 2022 met ais titel: A ‘ anpak project Deita Gorridor. 18 illustratie is afkomstig uit een artikel van het HavenbedrijfRotterdam ‘Brede steun industrie voor Deita Gorridorproject’gepubiiceerd op 6aprii2022.
19
18
De Delta Corridor is van belang voor het Amernet vanuit twee invals hoeken.
Attero19 en RWE hebben beide interesse in het afvangen van CO2. Deze CO, kan dan via de Delta Corridor naar de Noordzee worden getransporteerd en daar in ondergrondse, leeggepompte aardgas velden worden geïnjecteerd en opgeslagen. Hiermee wordt voor komen dat de CO, in de atmosfeer terecht komt. Het afvangen van CO, heeft effecten op de hoeveelheid warmte die geproduceerd kan worden in de Amercentrale van RWE en de afvaienergiecentraie van Attero. Een alternatief voor de Delta Corridor kan vervoer van CO, per schip zijn. Dit ligt minder voor de hand met het oog op exploitatie kosten en veiligheidseisen. De Delta Corridor maakt transport van waterstof ten behoeve van de industrie mogelijk. De industrie kan hierdoor overstappen van fossiele brandstoffen naar schone groene waterstof. De Delta Corridor maakt het interessant om waterstof te produceren langs de route. Bij de productie van waterstof komt warmte vrij, die eventueel ingezet kan worden ten behoeve van het Amernet.
Bij het beschrijven van mogelijke bronnen in hoofdstuk 3 is met de komst van deze Delta Corridor rekening gehouden. 2.6.2 Aanlanding ‘wind op zee’
Op de Noordzee worden in de nabije toekomst verschillende grote velden voor windturbines ontwikkeld. De elektriciteit, die wordt geproduceerd door deze windturbines, moet aan land worden gebracht en ingevoegd worden op het hoogspanningsnet of direct worden gebruikt voor de productie van een andere energiedrager, zoals waterstof. Voor deze aanlanding van ‘wind op zee’ heeft het kabinet mogelijke aanlandingslocaties onderzocht in de Verkenning Aanlanding Wind Op Zee (VAWOZ 2030)20. In deze studie is Geertruidenberg als aanlandingsoptie beschouwd. In de brief aan de Tweede Kamer over de VAWOZ 2030 staat echter ook dat de locatie Geertruidenberg ‘grote technologische en ecologische uitdagingen’ kent 21. Meer specifiek wordt gesteld: ‘een belangrijk dilemma...... is binnen de ecologische kaders van waardevolle natuurgebieden te blijven. Voor deze aanlanding moet ca. 60 km aan Natura 2000 gebied in de Voordelta en de grote wateren Haringvliet en Hollands Diep met een stroomkabel worden doorkruist’. De minister geeft in haar brief aan dat de aanlanding van wind op zee op deze locatie niet voor 2031 gereed kan zijn. Na de publicatie van de VAWOZ 2030 is ook Moerdijk toegevoegd aan de mogelijke locaties voor de aanlanding van wind op zee 22.
20
19 Attero is de eigenaar van de afvaienergiecentraie in Moerdijk die mogeüjk aftap- ofrestwarmte kan leveren aan het Amernet 20 Zie Effectenanalyse Verkenning VAWOZ2030 door Witteveen en Bos, d.d.13sept2021 in opdracht van het Ministerie van EZK 21 Zie Kamerbrief ‘Verkenning aanlanding wind op zee2030 (VA WOZ)’ van toenmalig Staatssecretaris van EZK d.d. 2 december2021. 22 Bij het opstellen van de WAVOZ2030 was nog niet bekend dat in Moerdijk een 380kVstation wordt ontwikkeld. Naar verwachting is het 380 kV-hoogspanningsstation op tijd gereed voor de aanlanding wind op zee vanuit windpark Nederwiek 3 in Moerdijk.
Inmiddels is ook de voorverkenning VAWOZ 2031- 2040 afgerond 23. In deze voorverkenningen wordt naast Geertruidenberg en Moerdijk ook gekeken naar Tilburg als aanlandingslocatie. Op deze locaties kan namelijk op termijn elektriciteit worden ingevoed op het hoog spanningsnet.
In 2022 is een Rijkscoördinatieregeling-traject gestart om de mogelijk heden voor de aanlanding van wind op zee bij zowel Geertruidenberg als Moerdijk nader te onderzoeken 24. Uitgangspunt is hierbij dat de aanlanding van wind op zee in 2031 gerealiseerd moet zijn. De aanlanding van wind is relevant, omdat het daardoor aantrekkelijk kan zijn om groene waterstof nabij de aanlandingslocatie te produceren. Bij de productie van waterstof komt naast waterstof ook warmte vrij. Deze warmte kan eventueel worden gebruikt als bron voor het Amernet.
23 Zie Eindrapport Voorverkenning VA WOZ2031-2040 door Witteveen en Bos, d.d. 14juli2022 in opdracht van het Ministerie van EZK 24 De Staatscourant Nr 26749 van 29 september2022 ‘Kennisgeving ‘Voornemen en participatievoorste!’ Net op zee Nederwiek 3, Ministerie van EZK
21
3 ANALYSE BRONNEN In dit rapport is een overzicht opgesteld van alle bronnen, die een significante bijdrage kunnen leveren aan de warmtelevering aan het Amernet in 2027. Er is gebruik gemaakt van eerder uitgevoerde studies. Daarnaast zijn er ook andere bronnen beschouwd, die nog niet eerder zijn besproken in het kader van de toekomst van het Amernet. Dit zijn bijvoorbeeld restwarmte uit een kern- of steenkoolcentrale of de restwarmte uit de productie van waterstof (in combinatie met de aanlanding van wind op zee).
3.1 Afbakening Er zijn bronnen buiten beschouwing gelaten, omdat ze geen grote bijdrage kunnen leveren aan de problematiek rondom de contractopzegging door RWE:
Kleine bronnen In het najaar van 2019 heeft de Amernetsamenwerking een projectenoverzicht opgesteld van allerlei potentiële bronnen in de regio, die van invloed kunnen zijn op de verduurzaming en uitbreiding van het Amernet. Hierbij zijn ook verschillende, kleinere decentrale bronnen genoemd. Een voorbeeld hiervan is restwarmte vanuit het bedrijf Ardagh in gemeente Dongen. Vanuit dit bedrijf kan in potentie ca 2 MW vermogen worden geleverd. Dergelijke kleinere bronnen kunnen slechts een beperkte bijdrage leveren aan het totale vermogen dat minimaal geleverd moet worden in 2027. Ze zijn daarom niet meegenomen in dit hoofdstuk. Omdat ze wel degelijk van belang zijn voor de dóórontwikkeling van het Amernet, zijn ze wel mee genomen in scenario’s voor de verdere toekomst (zie hoofdstuk 5). Lage temperatuurbronnen Lage temperatuurbronnen kunnen, door de geringe temperatuur in beginsel alleen efficiënt warmte leveren aan een onderstation. Bij onderstations kunnen alleen bronnen met een relatief klein vermogen worden aangesloten. Dit is verder uitgelegd in bijlage 2. Omdat kleine bronnen buiten beschouwing worden gelaten, zijn in dit hoofdstuk geen lage temperatuurbronnen opgenomen. Lage temperatuurbronnen, waaronder energy HUB Breda Noord worden wel beschreven in paragraaf 5.1. Hierin wordt ingegaan op de dóórontwikkeling van het Amernet.
Oplossingen via een gasnet Woningen, die aangesloten zijn op een warmtenet, hebben over het algemeen geen aansluiting op het gasnet (met uitzondering van kookgaswoningen en woningen die gas hebben voor warm tapwater). Daarom zijn er geen alternatieven beschouwd, waarbij woningen worden verwarmd door middel van aardgas, groengas of waterstof door gasleidingen.
22
Individuele oplossingen Woningen en bedrijven kunnen afgekoppeld worden van het Amernet en individueel van warmte worden voorzien. Deze optie is om de volgende redenen niet reëel voor het gehele Amernet: Een operatie om al deze aangesloten woningen en bedrijven op individuele wijze van warmte te voorzien is zeer complex, vraagt hoge investeringen en instemming van alle individuele vastgoedeigenaren. Op basis van ervaringen met proeftuinen elders in het land is het zeer onwaarschijnlijk dat alle woningen in 2027 of 2030 van een individuele warmteoplossing, zoals een all electric warmte pomp, elektrische radiatoren of infrarood-panelen kunnen zijn voorzien. Warmtepompen vragen elektriciteit. De capaciteitskaarten van Netbeheer Nederland tonen dat de transportcapaciteit voor elektriciteit kritiek is in heel Noord-Brabant 25. Dat betekent dat er in 2027 waarschijnlijk geen grootverbruik-aansluitingen kunnen worden afgesloten bij de netbeheerders. Industriële warmtepompen voor bedrijven kunnen daardoor niet van elektriciteit worden voorzien.
Individuele warmtepompen voor woningen vragen geen groot verbruik-aansluiting en kunnen vooralsnog wel aangesloten worden op het elektriciteitsnet. Als het warmtenet wegvalt, zullen er echter 51.000 woningen van warmte moeten worden voorzien. Als dit (grotendeels) met warmtepompen moet gebeuren, vraagt dat dermate veel elektriciteit, dat dit hoogstwaarschijnlijk ook tot problemen zal leiden op het elektriciteitsnetwerk.
3.2 Toetsingscriteria
Op basis van de uitgangspunten uit hoofdstuk 1 en 2, zijn toetsings criteria geformuleerd. Alle potentiële bronnen zijn langs de lat van deze toetsingscriteria gelegd. De toetsingscriteria staan hieronder weergegeven.
Tijdigheid (zie paragraaf 2.2): Er is gekeken of de bron in 2027 beschikbaar is en zo niet, vanaf wanneer de bron dan eventueel wel beschikbaar kan zijn. Daarnaast is aangegeven of de bron zeker is en of partijen van buiten de Amernetsamenwerking nog een besluit moeten nemen. Vermogen en regelbaarheid (zie paragraaf 2.3.3): Er moet een bronvermogen gevonden worden voor de basislast van 30 MW in Plukmade en voor de rest van het Amernet van 110 tot 125 MW.
25 Zie de capaciteitskaart elektriciteitsnet op de website: www.netbeheernederland.nl )
23
Er wordt niet gekeken naar bronnen om in de pieklast te voorzien, want:
Ennatuurlijk hanteert als uitgangspunt dat tuinders zelf volledig in hun pieklast gaan voorzien. Dit betekent dat de tuinders zelf 60 MW aan regelbaar vermogen moeten hebben. Voor de rest van het Amernet moet 285 tot 300 MW26 vermogen worden geleverd door op- en afschakelbare bronnen, zodat in de pieklast kan worden voorzien. Ennatuurlijk heeft in totaal 400 MW regelbaar vermogen beschikbaar in de vorm van gasketels en bio-olieketels. Er is dus voldoende vermogen voor de pieklast aanwezig. Zelfs als de tuinders niet worden afgekoppeld is er in theorie voldoende regelbaar vermogen aanwezig. Hierbij moet een kanttekening worden geplaatst. Er moet nagegaan worden hoeveel uur op jaarbasis de ketels ingezet mogen worden op basis van de milieuvergunningen en of dit voldoende is. Er is per bron beschreven wat het bronvermogen is, of zou kunnen zijn. Daarnaast is getoetst of het vermogen van de bron geschikt is voor continue levering en daarmee geschikt is om in de basislast te voorzien.
Temperatuur van de bron (zie paragraaf 2.5). In bijlage 2 is onderbouwd wat de minimale brontemperatuur moeten zijn. Regionale bronnen, die worden aangekoppeld op het hoofdwarmtedistributienet moeten in beginsel een temperatuur hebben van 110 tot 120°C gedurende het stookseizoen. Buiten het stookseizoen volstaat 90°C. Grotere lokale bronnen moeten een temperatuur hebben van minimaal 90°C. Lokale bronnen aan een onderstation kunnen volstaan met een temperatuur van 70°C, maar worden vanwege hun geringe omvang niet beschreven. In tuinbouwgebied Plukmade wordt de warmte afgenomen door tuinders. Dat betekent dat er lokaal veel warmtevraag is en dat er in Plukmade dus grote bronnen kunnen worden aangesloten. Daarmee is deze situatie dus anders dan in een woonwijk. Ook wordt de warmte hier geleverd aan kassen, waardoor de vereisten voor de temperatuur van tapwater kunnen komen te vervallen. Hier kan waarschijnlijk volstaan worden met een temperatuur van 6O-7O°C.
Als de temperatuur van een bron te laag is, kan de temperatuur omhoog gebracht worden. Dit is mogelijk door gebruik te maken van warmtepompen. Voor het omhoog brengen van de temperatuur moet een warmtepompcentrale worden gebouwd nabij de warmtebron.
26 In het totaal is er een vermogen nodig van 410 MW. Daarmee kan ook op de koudste dagen voldoende warmte worden geleverd. 110 tot 126MW hiervan moet worden geleverd door bronnen, die vol continue warmte leveren (basislast). Voor de pieklast is dan nog nodig: 410-110 tot 126 =286 tot300MW.
24
Dit heeft een aantal nadelen: Er is een extra investering nodig om de warmtepompcentrale te realiseren.
Een warmtepompcentrale heeft een ruimtelijke impact. Daarnaast zijn industriële warmtepompen vanwege geluid niet overal inpas baar. Met name in de gebouwde omgeving met geluidgevoelige functies, zoals wonen, is de ruimtelijke inpassing een uitdaging. Warmtepompen gebruiken elektriciteit. De capaciteitskaarten van Netbeheer Nederland tonen dat de transportcapaciteit voor elektriciteit kritiek is in heel Noord-Brabant27. Dat betekent dat in 2027 waarschijnlijk onvoldoende elektriciteit geleverd kan worden ten behoeve van industriële warmtepompen. Daarnaast kan ook niet met zekerheid worden gezegd dat de transportcapaciteit van het elektriciteitsnet voldoende zal zijn uitgebreid in 2030.
Hoe groter het temperatuurverschil tussen de warmtebron en de te leveren aanvoertemperatuur, hoe meer elektriciteit er nodig is. De grootte van het temperatuurverschil heeft grote impact op de exploitatiekosten en daarmee de economische haalbaarheid. Warmtepompen zijn geen bron op zichzelf en worden in de bronnen analyse in dit hoofdstuk dus alleen beschreven in combinatie met andere warmtebronnen. Duurzaamheid (zie paragraaf 1.2). Een vergelijking van de bronnen op het aspect duurzaamheid is lastig. Dit rapport hanteert namelijk als uitgangspunt dat alleen wordt getoetst aan vastgestelde beleids doelen (zie paragraaf 1.3). De partijen van de Amernetsamenwerking hebben geen gezamenlijk beleid opgesteld over wat duurzaam is en wat niet. Partijen kunnen daar verschillend over denken. Sommige partijen vinden kernenergie wellicht een goede, duurzame bron. Anderen wijzen erop dat kernafval duizenden jaren lang radioactief blijft en daarmee wellicht niet als duurzaam beschouwd kan worden.
Op basis van bovenstaande overwegingen wordt per bron wel een beschouwing gegeven van het aspect duurzaamheid (zie bijlage 3). Er wordt echter geen score gegeven. In de samenvattende tabel in paragraaf 3.4 is een beschrijving achterwegen gelaten.
3.3 Beschrijving per bron
In bijlage 2 is uitgelegd waarom niet iedere bron overal aangekoppeld kan worden aan het Amernet. Het vermogen, de temperatuur en de locatie van de bron moeten overeenkomen met de technische specificaties van het Amernet. Op basis van de technische kenmerken van het Amernet is bij het indelen van de bronnen allereerst gekeken naar de benodigde aanvoertemperatuur en daarmee de vraag of een 27 Zie de capaciteitskaart elektriciteitsnet op we website: www.netbeheernederland.nl
25
bron een regionale of een lokale functie heeft. Daarna zijn de bronnen ingedeeld naar specifieke locaties. Hieronder volgt een beknopt overzicht van de beschouwde bronnen. Meer achtergrondinformatie is opgenomen in bijlage 3. 3.3.1 Regionale bronnen (Benodigde aanvoertemperatuur110-120°C) LOCATIE AMERCENTRALE TE GEERTRUIDENBERG
• Aftapwarmte uit de Amercentrale (biomassa) De meest eenvoudige manier om het Amernet van warmte te voorzien is via de Amercentrale. De Amercentrale draait vanaf 1 januari 2025 volledig op biomassa. Er is voldoende broncapaciteit aanwezig en er hoeft geen nieuwe infrastructuur te worden aan gelegd. Het is echter onzeker of de eigenaar van de Amercentrale (RWE) bereid is warmte te leveren. Warmte uit de Amercentrale zal naar verwachting duurder worden dan in de huidige situatie, anders zou RWE het contract niet hebben opgezegd. Als RWE CO, gaat afvangen, neemt het beschikbare vermogen dat RWE bereid is te leveren (warmte) met bijna 50% af. De gasketels zullen dan meer moeten worden ingezet. Dit heeft aanvullende negatieve financiële consequenties (zie par. 1.1 van bijlage 3). • Aftapwarmte uit de Amercentrale (steenkool) Steenkool is als brandstof voor de Amercentrale met ingang van 1 januari 2025 bij wet verboden en het gebruik van steenkool staat haaks op de doelstellingen van het klimaatakkoord. Daardoor lijkt dit alternatief niet reëel (zie par. 1.2 van bijlage 3). RONDOM INDUSTRIECLUSTER MOERDIJK
• Rest- en aftapwarmte uit de ajvalenergiecentrale van Attero Er kan warmte worden geleverd uit de afvalenergiecentrale van Attero. Het is echter nog niet zeker dat Attero bereid is warmte te leveren. De hoeveelheid beschikbaar vermogen is sterk afhankelijk van de vraag of Attero wel of niet CO, gaat afvangen. Als Attero CO, gaat afvangen, kan de afvalenergiecentrale niet voldoende vermogen leveren. Er moeten andere bronnen ingezet worden om te voorzien in de volledige basislast. Eventueel kunnen dit de gasketels van Ennatuurlijk zijn. Dit heeft echter negatieve financiële consequenties. Er moet een transportleiding worden aangelegd. De planning van die transportleiding is maatgevend voor de vraag wanneer deze bron beschikbaar kan zijn. Naar verwachting is 2030 haalbaar (zie par. 2.1 van bijlage 3). • Industriële restwarmte (eventueel in combinatie met warmtepompcentrale) Er is aanzienlijke potentie voor restwarmte in Moerdijk vanuit de industrie. Er moet een transportleiding naar Moerdijk worden aangelegd, die naar verachting in 2030 gereed kan zijn. In theorie zou industriële restwarmte vanaf 2030 beschikbaar moeten kunnen 26
komen. Er lopen echter nog geen concrete initiatieven. De industrie in Moerdijk zal richting de toekomst verduurzamen. Dat betekent dat er onzekerheid is over de beschikbaarheid en het vermogen van deze bronnen op de langere termijn (zie par. 2.2 van bijlage 3). • Geothermie (in combinatie met warmtepompcentrale 28) Er is veel potentie voor geothermie in Moerdijk. Voorlopig onder zoek toont dat er in het totaal 110 MW aan vermogen lijkt te kunnen worden gerealiseerd. Uit nader onderzoek en een proefboring moet blijken of en zo ja in welke mate geothermie daadwerkelijk mogelijk is. Als geothermie realistisch is, kan het eerste geothermiedoublet29 in 2030 warmte leveren, zodra de transportleiding gereed is. Naar huidige inzichten zal dit doublet een vermogen hebben van maximaal 18 MW. Binnen één tot enkele jaren kunnen de andere doubletten volgen (zie par. 2.3 van bijlage 3). ZOWEL OP LOCATIE AMERCENTRALE ALS IN MOERDIJK
• Restwarmte uit waterstojproductie (in combinatie met warmtepompcentrale) Er is geen concreet initiatief voor de productie van waterstof in de nabijheid van het Amernet. RWE heeft echter wel recentelijk een tender gewonnen op basis waarvan RWE elektrolysers moet bouwen. Met elektrolysers wordt waterstof geproduceerd. Het is op dit moment onduidelijk waar in Nederland, deze elektrolysers zullen komen te staan. Er kleven nog veel onzekerheden aan eventuele waterstofproductie. De potentie is zowel afhankelijk van de komst van de Deltacorridor als van de aanlanding van wind op zee. Daarnaast moet er een afzetmarkt zijn voor waterstof. Restwarmte uit waterstof zal voor 2035 niet gerealiseerd worden (zie par. 3.1 van bijlage 3). • Restwarmte uit kernenergie Het is met de kennis van nu irreëel om te denken dat er in deze periode een kabinetsbesluit wordt genomen over een kernenergie centrale in de nabijheid van het Amernet. Restwarmte uit kern energie is daarmee tot in ieder geval na 2040 geen reëel alternatief (zie par. 3.2 van bijlage 3). BACK UP SYSTEEM ALS HOOFDSYSTEEM (LOCATIES IN BREDA EN TILBURG
Ennatuurlijk heeft gasketels (200 MW) en bio-olieketels (200 MW). De gasketels worden in de huidige situatie ingezet om in de pieklast te voorzien. De bio-olie ketels worden alleen in geval van nood en bij onderhoudssituaties gebruikt. Samen vormen ze het back-upsysteem van het Amernet. De gasketels en bio-olieketels kunnen ingezet worden als hoofdsysteem. Het totale benodigde vermogen ligt iets hoger dan het beschikbare vermogen. Daarnaast is er geen back-up meer voor onderhoud en calamiteiten.
27
28 Een recente, prille gedachte is dat de temperatuur ook verhoogd kan worden via de installatie van Attero. In dat geval hoeft er geen warmtepompcentrale te worden gebruikt. 29 In bijlage 3 staat uitgelegd dat er voor de winning van aardwarmte twee putten worden geboord: een productieput en een injectieput. De combinatie van productieput en injectieput wordt een doublet genoemd. Er is in Moerdijkpotentie voor 6 doubletten.
Dit zorgt ervoor dat er een extra (gas)ketel bijgeplaatst worden met een vermogen van circa 40 MW. Ook moet er nagegaan worden of de milieuvergunning aangepast moet worden en zo ja, of dat mogelijk is. De kosten zullen explosief stijgen. Het is nu niet goed aan te geven wat het bij dit alternatief betekent als de loskoppeling van de tuinders geen doorgang vindt. In paragraaf 4 van bijlage 3 is uitgelegd waarom hiervoor eerst een nadere analyse moet worden uitgevoerd. 3.3.2 Lokale bronnen PLUKMADE