voortgangsrapportage 2023 res achterhoek
Tekst van het document
Het risico op verdere vertraging kan daarmee voor een groot aantal zoekgebieden worden verminderd. De mogelijkheden daartoe worden nu juridisch getoetst. De uitdaging is dat wat al gedaan kan worden, ook daadwerkelijk in gang te zetten om direct na duidelijkheid over de milieuregels zo min mogelijk tijd te verliezen.
10
Zie https://www.helpdeskwindopland.nl/processtappen+en+tijdlijn+plan-mer/default.aspx
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
25
RES ACHTERHOEK
Ruimtelijke borging en vergunningverlening Het tijdspad van ruimtelijke borging in omgevingsinstrumenten hangt uiteraard mede af van de uitkomsten van het “Plan-MER voor windbeleid en RES provincie Gelderland”. De basislijst van zoekgebieden wordt binnen afzienbare tijd verwacht. De resultaten van de alternatieven inclusief het RES 1.0-alternatief wordt dit najaar verwacht. De meeste gemeenten (uiteraard met uitzondering van de gemeente Oude IJsselstreek) krijgen de vergunningverlening voor de zoekgebieden niet rond vóór 1 januari 2025. Duidelijkheid over het niet-gealloceerde deel zal er pas komen in het vierde kwartaal van 2023 (RES 2.0). Voor de extra zoekgebieden die daarmee toegevoegd zouden worden aan het windbod, is borging en tijdige vergunningverlening binnen die deadline al helemaal onmogelijk. De commissie voor de m.e.r. suggereert in haar advies over de NRD dat er na het “Plan-MER voor windbeleid en RES provincie Gelderland” nog eens een plan-MER voor de RES-regio’s van Gelderland zou moeten worden opgesteld11. Onnodig tijdrovend: verwacht kan worden dat de doorlooptijd van een project met minimaal 1,5 jaar zal worden verlengd. Onnodig duur ook en in het licht van zowel de beoogde versnelling met EU Renewable Energy Directive III12 en het al eerder genoemde advies van de werkgroep > 35 TWh onbegrijpelijk. 2.2.2
Zon op veld
Er zijn geen specifieke doel-afspraken gemaakt voor Zon op veld omdat er voor een systeemefficiënte verdeling (ontwerp uitgangspunt in RES 1.0) nog relatief weinig zon op veld nodig was gegeven de stand van de realisatie en harde pijplijn voor zon op veld in 2021: 13 MW13. In Figuur 14 staan de screenshots van de relevante passages uit het eindrapport van RES 1.0. p.35:
p.57:
Figuur 14 Passages over zon op land RES 1.0
Daarenboven speelde de overweging vanuit netbeheerder Liander dat het “toelaten van nieuwe zonneparken in het licht moet staan van de aansluitmogelijkheden voor windparken”. In feite wordt
Behalve voor de Groene Metropoolregio; die hebben al eigenstandig een plan-m.e.r. doorlopen. https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/IP_23_2061 13 Systeemefficiënt: 0,546+0,244=0,790 TWh wind, 0,35 TWh Zon op gebouw en 0,210 TWh zon op veld. Realisatie plus harde pijplijn Zon op Veld: 0,198 TWh: nog te realiseren slechts 13 GWh (0,013 TWh). Dit komt ongeveer overeen met 13 MW of 13 ha Zon op Veld; zie ook p. 45 van RES 1.0. 11 12
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
26
RES ACHTERHOEK
geconstateerd dat (ontwikkeling van) nieuwe zonneparken de “aansluiting van windparken kan blokkeren of vertragen”. Regionaal Zon op veld De hiervoor genoemde systeemefficiëntie en in het verlengde daarvan de kosten voor de infrastructuur van de elektriciteitsvoorziening heeft vanuit het perspectief van de RES alles te maken met de wind/zon verhouding. Figuur 15 komt uit RES 1.0 Achterhoek en laat zien dat door te kiezen voor alleen zon, de kosten voor de infrastructuur een factor 4 toe kunnen nemen.
Figuur 15 Invloed van de energiemix (wind/zon verhouding) op de kosten voor elektriciteitsinfrastructuur.
Dat komt omdat de energie infrastructuur uitgelegd wordt op vermogen. Zonvermogen draait 950 uur/jaar; windvermogen in de Achterhoek ca. 2700 uur/jaar. Dus voor 1 MW netcapaciteit kan zon ca 950 MWh energie leveren en wind ca. 2700 MWh. Dat is 3x zoveel. Dus bij dezelfde capaciteit van de infrastructuur kan er met wind 3x zoveel energie opgewekt worden. Het heeft ook grote voordelen om wind en zon in gelijke vermogensverhouding te plaatsen omdat de patronen van zon en wind door het seizoen en over de dag elkaar goed aanvullen. Idealiter in een verhouding van 1 op 1. Dat kan met enig aftoppen zelfs over dezelfde kabel (cable pooling). In dat geval is het verschil in kosten tussen zon alleen en wind/zon gecombineerd een factor 4. Figuur 16 Complementariteit zonne- en windenergie door het jaar heen.
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
27
RES ACHTERHOEK
Een adequate wind/zon verhouding in vermogen is dus 1 op 1. In energie (ook wel energiemix genoemd) 3 op 1. Om te kunnen anticiperen op toekomstige ontwikkelingen in realisatie hebben we een aantal hoeken van het speelveld verkend. In 38 14 12 07 02 01 Figuur 17 staat in het eerste staafdiagram de RES doelstelling onderverdeeld naar type DE en 1 4 met in oranje-rood het niet-gealloceerde deel 12 1 (0,244 TWh). Indien het niet-gealloceerde deel 08 geheel door wind wordt ingevuld ontstaat een 0 244 06 systeemefficiënte situatie. De netimpactstudie, 04 waarvan de uitkomsten dit voorjaar bekend 02 werden, heeft laten zien dat dit past binnen de 0 ruimte die ontstaat door het uitvoeren van de investeringsagenda. De energiemix heeft een waarde die afgerond ligt tussen 1,5 en 4. Het Figuur 17 Hoeken van het speelveld: diverse scenario’s met de toekomstige energiemix als gevolg. niet-gealloceerde deel kan ook gevuld worden door zon op veld. In dat geval ligt de energiemix tussen de 0,7 en 1,2, een aanzienlijke verslechtering. In het scenario ‘Trend’ gaan we ervan uit dat zon op veld ook het nog niet gerealiseerde winddeel verdringt. De energie verhouding zakt tot bijna nihil: 0,1 tot 0,2. Uit nadere analyse van de hoeken van het speelveld bleek dat de ontwikkeling van zon op veld de wind mee leek te hebben.
De ontwikkeling van zon-op-veld-projecten ging (en gaat nog steeds) sneller dan wind projecten. De behoefte aan verdere groei van zon op veld vanuit systeemefficiëntie en maatschappelijke kosten was en is nog steeds minimaal. Daarnaast bleek uit de inventarisatie van het RODE-beleid dat dit meestal ook uitnodigend was en in een aantal gevallen nog is voor zon op veld. Derhalve zijn twee sporen uitgezet om de grip op de groei van zon op veld beleidsmatig te kunnen vergroten: 1. In het plan-MER voor windbeleid en RES provincie Gelderland voldoende aandacht besteden aan een systeemefficiënte variant. Deze is in de NRD beschreven als het Alternatief “Energiesysteem”: in dat alternatief wordt gestuurd op een zo goed mogelijke wind/zonverhouding, zie paragraaf 2.2.1. 2. Een applicatie ontwikkelen waarbij ambtenaren, bestuurders/politici spelenderwijs inzicht krijgen in de consequenties van keuzes voor bepaald type projecten (zon of wind). In feite is het een tool die helpt bij de beleidsontwikkeling van de RES en een tool die besluitvorming ondersteunt door te laten zien of keuzes voor een bepaalde set van wind- en/of zonprojecten passen op het elektriciteitsnet.
De tool moet ook gaan helpen bij het schrijven van het (integrale) regionale programma: waar komt wat wanneer? De applicatie is in nauwe samenwerking met Liander ontwikkeld en wordt intensief en met succes gebruikt in het herijkingsspoor (zie ook paragraaf 3.2.1).
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
28
RES ACHTERHOEK
De Statenmotie 21M37 vraagt Gedeputeerde Staten om in samenwerking met regio’s zorg te dragen voor een meer evenwichtige verhouding tussen zon op land, zon op dak en wind14. De overwegingen bij de motie reppen van hogere kosten voor de energie infrastructuur (energietarieven), ruimtebeslag, maar ook de “uitvoerbaarheid van het energiesysteem”. Adviesbureau Berenschot heeft in 2021 onderzoek uitgevoerd naar de maatschappelijke kosten en baten van zon op land en wind op land15.
Figuur 18 Netto contante waarde per alternatief voor inpassing van 7,5 MW duurzame opwek in 2021. Bron: p. 31, in voetnoot 15.
Daaruit blijkt ook dat de Netto Contante Waarde van de maatschappelijke baten – voor zover te kwantificeren – van het plaatsen van 7,5 MW vermogen voor zon op land in 2021 tussen de € 0,5 mln en 2,9 mln ligt, zie Figuur 18. Voor 7,5 MW wind ligt dat tussen € 5,6 mln en 11,2 mln. Het verschil in becijferde maatschappelijke baten tussen zon op veld en wind op land een factor 4 à 5 in het voordeel van wind op land. Het 3 à 4 keer hogere aantal vollasturen van wind speelt hierin een belangrijke rol en leidt tot minder ruimtebeslag, betere benutting van het net, en meer vermeden schadelijke emissies (CO2, NOx en fijnstof); die laatste factor is cruciaal in het licht van de toenemende urgentie om zonder uitstel, ingrijpende mitigerende maatregelen te nemen om klimaatverandering af te remmen. Maatschappelijke baten voor wind zijn ook hoger omdat er minder subsidie nodig is voor de business case voor wind ten opzichte van die voor zon. Tot slot, wordt er ook vanuit de rijksoverheid gestuurd op een betere balans in de te realiseren wind/zon verhouding, zie ook voetnoot 2. Gemeentelijk Zon op veld Veel gemeenten hadden een stimulerend beleid voor zon op veld, veelal voortkomend uit RODE beleid. De gemeente Aalten is daarentegen altijd terughoudend geweest in het verlenen van vergunningen op goede (landbouw)grond.
De gemeente Montferland staat ook geen zon op veld toe op goede landbouwgrond.
Evenwichtigere verdeling zon op dak, zon op land en wind in de energietransitie Gelderland naar RES 2.0 2023, 9 juni 2021. 15 “MKBA inpassing zon-en-wind-op-land”, J. Schellekens et al., Berenschot [2021] 14
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
29
RES ACHTERHOEK
Door de toenemende druk op het elektriciteitsnet (netcongestie) en het toenemend inzicht dat zon op veld relatief veel ruimte gebruikt van de immer schaarser wordende capaciteit, ontstaat er in diverse gemeenten het besef dat deze optie niet verder gestimuleerd hoeft te worden (zie Figuur 19). Zo hebben de gemeenten Berkelland, Doetinchem en Winterswijk bijvoorbeeld ook een (tijdelijke) stop op Zonop-veld projecten. In de gemeente Winterswijk vanwege de gebiedsaanpak die nu loopt. Het beleid in de gemeente Montferland is ook ontmoedigend.
Is het beleid [stimulerend/neutraal/ontmoedigend/tijdelijke stop]?
"On hold" 25%
Stimulerend 25%
Ontmoedigend 25%
Neutraal 25%
Figuur 19 In welke mate is het huidige DE beleid stimulerend.
Het is de enige gemeente die in haar DE beleid Wordt er rekening gehouden met de noodzaak voor al expliciet rekening houdt met een “goede” een goede energiemi ja nee wind/zon verhouding (zie Figuur 20). Een enkele gemeente is van stimulerend 12 opgeschoven naar neutraal. Oost Gelre en Oude IJsselstreek hebben nog steeds een stimulerend beleid voor zon op veld. Daarbij wordt dan wel gezocht naar de mogelijkheid om het te 88 combineren met bestaande windparken en worden de voorwaarden voor participatie en Figuur 20 In hoeverre wordt er rekening gehouden met een multifunctioneel ruimtegebruik aangescherpt goede energiemix. (gemeente Oude IJsselstreek). Of het is en wordt in toenemende mate met (strenge) voorwaarden voor financiële participatie t.b.v. de omgeving omkleed (gemeenten Berkelland, Oost Gelre en Winterswijk). In paragraaf 2.3.3 wordt de cijfermatige toename van het zon op veld vermogen besproken en welke gevolgen dit heeft voor de beschikbare ruimte op de onderstations. Al voor de RES 1.0 was vastgesteld was Winterswijk bezig met de ontwikkeling van een groot zonnepark pal aan de grens met Duitsland (Masterveld). De omvang is 36 ha zonnepark ingepast in een gebied van ca. 61 ha. De zonneweide komt op ca. 40 meter afstand van de dichtstbijzijnde woning.
Op de tussenliggende strook van 30 meter wordt beplanting aangebracht zodat de zonnepanelen uit het zicht van de omwonenden worden onttrokken. De Kaart 5 windzoekgebied nabij zonnepark Masterveld jaaropbrengst is ongeveer 71,4 GWh. De gemeente Winterswijk heeft hard aan de realisatie getrokken, ook omdat het duurzaam energiebeleid van Winterswijk vooralsnog geen windenergie toestaat (moratorium i.i.g. tot 1 jan 2023) en de gemeente wel vol inzet op duurzame energie. Een half jaar geleden is de vergunning voor dat park
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
30
RES ACHTERHOEK
verleend en de bouw en aansluiting op het net zijn in volle gang. In Kaart 5 is de locatie van het park weergegeven. Het ligt vlak bij de voorkeurslocatie N1 zoals in paragraaf 2.2.1 is beschreven. Hier ligt vanuit het RES Achterhoek-perspectief een kans om, na een voor de ontwikkeling van wind gunstige evaluatie van het wind-moratorium en het bekend worden van de resultaten van het herijkingsspoor (zie paragraaf 3.2) de mogelijkheid te onderzoeken van het gezamenlijk gebruik van de kabel (cable pooling). Daarmee zou ook de realisatie van de regionale doelstelling met een sprong dichterbij gebracht kunnen worden: systeemefficiënt en tegen lage maatschappelijke inpassingskosten. Bij het hierboven beschreven beleid en beleidsontwikkelingen is het goed om te beseffen dat het probleem netcongestie uiteraard al langer bestaat maar dat het pas het afgelopen jaar de agenda’s van veel bestuurlijke overleggen en politieke debatten domineert. 2.2.3
Zon op gebouw
Voor Zon op gebouw (voorheen zon op dak) is de regionale RES doelstelling 0,35 TWh. Uit de netimpactstudie bleek dat netcongestie een belangrijk knelpunt is om de doelstelling te realiseren. Daartoe is een plan van aanpak geformuleerd dat in RES 2.0 moet worden uitgewerkt. Een screenshot daarvan staat in Figuur 21.
Figuur 21 Screenshot RES 1.0 Contouren Plan van Aanpak zon op dak.
In feite wordt gezocht naar plekken waar ruimte is om zon op gebouw te realiseren in plaats van regionaal een doelstelling per gemeente af te spreken.
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
31
RES ACHTERHOEK
Regionaal Zon op Gebouw In de werkgroep Elektriciteit wordt het Plan van aanpak Zon op gebouw uitgewerkt. Juist omdat bij dit DE type de netcongestie zich het eerst manifesteerde, wordt bij zon op gebouw al langer gezocht naar oplossingen om toch zonnepanelen op daken te kunnen plaatsen. De innovatieve oplossingsrichting die in RES 1.0 beschreven is en die we in RES 2.0 uitwerken: cable pooling met zon op gebouw bij een bestaand of potentieel windpark en langs de kabel die van het windpark direct naar het OS loopt. Technisch kan dit; juridisch en financieel is te verwachten dat daar de nodige haken en ogen aan zitten. Andere oplossingen waaraan gedacht en gewerkt wordt zijn: het toepassen van smart energy hubs bij bedrijventerreinen, aanpassing van de bedrijfsvoering van agrariërs en batterijopslag. Niet alle business modellen voor batterijopslag zijn altijd gunstig voor netcongestie en de stabiliteit op het net. Als een batterij ‘handelt’ op de energiemarkt kan dit ook averechts werken voor de belasting op het net. Als het bijvoorbeeld hard waait op de Noordzee is de energieprijs laag en gaat een batterij energie uit het net halen. Als dat om bijvoorbeeld 19:00 ’s avonds is, is de vraag naar elektriciteit in het lokale net al hoog. Het laden van de batterij draagt dan bij aan het verergeren van netcongestie.
Gemeentelijk Zon op gebouw Vanuit alle gemeenten wordt hard getrokken om de gezamenlijke doelstelling van 0.35 TWh zon op gebouw 38 te realiseren. Een aantal gemeenten heeft de regionale doelstelling voor zichzelf door vertaald naar een te leveren bijdrage aan die doelstelling (bijvoorbeeld Oude 62 IJsselstreek en Montferland waar het volgt uit een gemeentelijke RES-doelstelling en de voorwaarde van een gewenste energiemix). Daarbij wordt door de meeste Figuur 22 Deelname aan Agem programma Zonnige Bedrijven Achterhoek. gemeenten dankbaar gebruik gemaakt van het programma “Zonnige Bedrijven Achterhoek” van de Agem, zie Figuur 22. In Aalten is ook LTO aangehaakt bij dat programma voor met name de stimulering van zon op agrarische daken. In Montferland timmert naast Agem ook een woningcorporatie met succes hard aan de weg. In Winterswijk is een medewerker bijna helemaal vrijgemaakt om 12.000 zonnepanelen op bedrijfsdaken geïnstalleerd te krijgen. Informatie- en communicatiecampagnes worden al dan niet onder gezamenlijke vlag (met Agem bijvoorbeeld) door alle gemeenten ingezet. Doetinchem stimuleert ook financieel: er wordt een lening met een laag rentepercentage aangeboden. Zoals gezegd, er wordt door alle gemeenten hard aan getrokken, maar de praktijk blijkt weerbarstig. Netcongestie en gebrek aan menskracht omdat het arbeidsintensief blijkt, worden vaak als knelpunten genoemd.
2.2.4
Niet gealloceerd deel
Het niet-gealloceerde deel bedraagt 0,244 TWh. Er is in RES 1.0 geen keuze gemaakt met welke optie dat ingevuld zou moeten worden, maar er is wel een voorkeur uitgesproken voor wind (vanwege systeemefficiëntie, netcongestie en maatschappelijke kosten/baten). Invulling van dit nietgealloceerde deel is een belangrijke opgave in RES 2.0. Het is ambtelijk en bestuurlijk onderwerp van gesprek binnen het herijkingsspoor richting RES 2.0 (zie paragraaf 3.2.1)
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
32
RES ACHTERHOEK
2.2.5
Maatschappelijke betrokkenheid Lokaal eigendom
Regionaal Lokaal eigendom Het plan van aanpak Lokaal Eigendom wordt momenteel in de werkgroep Elektriciteit uitgewerkt. In RES 1.0 zijn twee belangrijke routes geschetst: 1. Maatschappelijk tenderen 2. Opzetten van een publiek ontwikkel en beheerbedrijf. Dit behoeft zich niet te beperken tot wind en zon, maar kan het gehele spectrum van opties voor de verduurzaming van de energiehuishouding omvatten (duurzame energie, energiebesparing, warmte, enz.).
Figuur 23 Screenshot RES 1.0 Contouren Plan van Aanpak Lokaal Eigendom.
Gemeentelijk lokaal eigendom Veelal geldt hoe groter het lokaal eigendom, hoe groter het lokale draagvlak. Alle gemeentes zijn hier op een of andere manier mee bezig, ook via fondsen die ten goede moeten komen aan de omgeving. De gemeente Berkelland is hier koploper en verkent diverse mogelijkheden voor een verregaande mate van lokaal eigendom. Deze kennis wordt via de werkgroep Elektriciteit gedeeld met de andere stakeholders.
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
33
RES ACHTERHOEK
2.2.6
Warmte
Conclusies en opvolging warmte RES 1.0 Op basis van de vervaardigde warmtekaart in RES 1.0 is een aantal conclusies getrokken. Er is een lage warmtevraagdichtheid in de Achterhoek. Ook is er een beperkt aanbod van warmtebronnen. Hierdoor zijn er niet veel kansen voor grote collectieve warmteoplossingen. De Achterhoek kent maar zeven warmteclusters waarbij er een warmtevraag is van meer dan 1500 warmte-eenheden (w.e.) of 60.000 GJ. Het betreft: Groenlo, Winterswijk, Aalten, Ulft, Doetinchem, Didam en ’s-Heerenberg. De warmtekaart geeft voor de zeven grote warmteclusters aan welke warmtebronnen er aanwezig zijn Daarnaast zijn er een twintigtal potentiële kleine warmteclusters (minder dan 1500 w.e.). In bijlage 1 wordt per gemeente gedetailleerd beschreven hoe de gemeenten verder zijn gegaan d.m.v. het uitvoeren van de door elke gemeente opgestelde Transitievisie Warmte. Hierna wordt beschreven hoe een aantal van bovenstaande kansen (quick scans en bovenregionale warmteclusters) zijn onderzocht en indien kansrijk hoe het vervolgtraject eruit ziet. Als laatste volgt een update van een aantal technische opties. Update Quick scans regionale warmteclusters Eerst volgt hier een overzicht van alle uitgevoerde quick scans. Daarna volgt het overall beeld met aanbevelingen.
Quickscan 1 Winterswijk (TEA) Hoewel het project voor Thermische Energie uit Afvalwater (TEA) in eerste instantie voldoende potentie leek te hebben, is bij latere evaluaties het vervolgonderzoek toch niet uitgevoerd. Dit kwam o.a. doordat de RWZI maar een deel van de warmtelast voor het project kon leveren en er dan sowieso nog een WKO (Warmte- en Koudeopslag) en/of gasketel nodig zou zijn. De potentie voor bodemenergiesystemen is in Winterswijk waarschijnlijk laag/beperkt. Dat werd ook al in de quick scan in 2021 als risico genoemd, samen met de vraag of de wijk wel geschikt zou zijn voor een LageTemperatuur/Midden-Temperatuur-warmtenet (relatief hoge warmtevraag). Kortom, er zijn nog te veel twijfels over de haalbaarheid; dat houdt verdere stappen in relatie tot het project met de Rioolwater Zuiveringsinstallatie (RWZI) op dit moment tegen. Quick scan 2a Gaanderen, Etten (TEO) Het onderzoek om te bekijken of er warmte rechtstreeks uit de Oude IJssel gehaald kan worden is uitgevoerd voor twee opties: Gaanderen en Etten. De conclusie hiervan was dat dit systeemtechnisch wel haalbaar is en voldoet aan de duurzaamheidsvereisten maar financieel uitdagend is. De hoge kosten worden voornamelijk veroorzaakt door de afstand van de wijk tot de rivier. In beide gevallen is de business case niet gunstig.
De bron, de rivier de Oude IJssel, loopt door een groot deel van de gemeente Oude IJsselstreek. Hier kan een TEO systeem (Thermische Energie uit Oppervlaktewater) eventueel op meerdere plekken ingezet worden. Het idee is dat het systeem modulair kan zijn en dat het dus ook elders toegepast kan worden, bijvoorbeeld in Ulft waar de woningen vlak naast de Oude IJssel liggen. Hier is echter nog geen voorbeeld voor uitgewerkt. In de quick scan die hier gedaan is, staat dat het wel zinnig is om hier nader onderzoek naar te doen.
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
34
RES ACHTERHOEK
Quick scan 2b Gaanderen, Etten en Terborg (TEA) Er zijn drie scenario’s bekeken waarbij de RWZI in Etten warmte kan leveren voor wijken in Gaanderen, Terborg en Etten (in verschillende combinaties). De conclusie is dat de RWZI voldoende aquathermie-potentie heeft, het systeemtechnisch haalbaar is en voldoet aan de duurzaamheideisen. Optimale inzet van de restwarmte verdient nog verdere aandacht. Financieel geven alle scenario’s een relatief positief beeld: er is maar een klein tekort. Er is nader onderzoek nodig om de kostprijs naar beneden te krijgen. Er zitten nu meerdere partijen regelmatig om de tafel om te kijken of en hoe dit uiteindelijk te realiseren is. Quick scan 3 Kleine warmteclusters en Bredevoort (TEO) In de RES 1.0 is op de kern Aalten een ‘cluster potentiële ontwikkeling grote warmtenetten > 1500 w.e.’ gelegd. Daar is nu nog weinig onderzoek naar gedaan. Bij andere gemeenten blijkt dit veelal niet haalbaar te zijn. Op het zuidoostelijk deel van de kern Dinxperlo is een ‘cluster potentiële ontwikkeling kleine warmtenetten, < 1500 w.e.’ gelegd. De bron (0-2000 GJ per jaar) voor dit warmtenet is volgens de ‘warmte-atlas’ een bedrijf dat batchgewijs lijm produceert waarbij tijdens de productie grondwater wordt gebruikt voor koeling. Inmiddels is duidelijk dat dit een erg onzekere bron is met (te) weinig warmtevermogen.
Vanwege de batchgewijze productie is er geen continue aanvoer van restwarmte. Daarmee lijkt deze bron niet geschikt om een rol te spelen in de warmtetransitie. Ook is de restwarmte van RWZI of rioolgemaal als potentiële bron aangegeven. Nader onderzoek leert dat hooguit enkele woningen hiermee zouden kunnen worden verwarmd. Omdat er geen woningen in de nabijheid liggen van deze installaties is de inzet van deze bronnen voor de warmtetransitie vooral theoretisch van aard. In het stadje Bredevoort is een studie gedaan naar de benutting van warmte uit oppervlaktewater in combinatie met productie van biogas (uit mest) in de omgeving voor een deel van het oude ‘monumentale’ gedeelte van Bredevoort. Het resultaat van de studie is dat het warmteaanbod van water vrij laag is. Dit wordt mede veroorzaakt door de lage stroomsnelheid van de Boven-Slinge. Het biogas is alleen in de koude wintermaanden nodig voor het met een stookinstallatie verwarmen van woningen. Dat betekent dat het gehele jaar door opgewekte biogas moet worden opgeslagen. Dat maakt deze ‘oplossing’ erg duur. Het biogas zou eenvoudiger kunnen worden ingevoerd in een aardgasleiding. Dat is minder duur. Het project in het geheel is niet haalbaar. Overall beeld quick scans De (financiële) haalbaarheid van de quick scans is over het algemeen niet gunstig. Dat kan een financiële reden hebben en een organisatorische.
Voor wat betreft het financiële deel is het goed om de uitgangspunten en met name de energieprijzen te herijken aan de situatie van wat structureel verwacht mag worden. Ten tijde van de quick scans waren de gasprijzen over het algemeen laag. De verwachting is dat deze na gepiekt te hebben in 2022, wel structureel hoger zullen blijven. Anderzijds is de inflatie ook hoog en is er door veel werk en weinig personeel een sprake van een ‘aanbieders’markt. Een organisatorische reden kan zijn dat een warmtenet complex is om te organiseren. Door de autonome groei van de elektrische en de hybride warmtepomp wordt dat overigens niet gemakkelijker. Wat het wel gemakkelijker kan maken is het op te richten Gelders
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
35
RES ACHTERHOEK
Warmte Infra Bedrijf (GWIB). Dat kan veel organisatorische complexiteit absorberen en schaalgrootte creëren. Aanbevolen wordt om de quick scans op zo kort mogelijke termijn te herijken v.w.b. financiële uitgangspunten met de mogelijkheid van gezamenlijke exploitatie van het GWIB en de gemeente en/of de coöperatie. Als dat hetzelfde ongunstige beeld oplevert, gaat dat door implementatie van het alternatief (all-electric) veel meer netcongestie opleveren. Netcongestie kan vanuit dat perspectief een reden zijn om een negatieve business case te accepteren. Update bovenregionale warmteclusters AVR in Duiven en RWZI Nieuwgraaf (RES grens Achterhoek en Arnhem-Nijmegen) Met de gemeenten binnen het warmtecluster (Arnhem, Duiven, Rheden, Westervoort, Zevenaar en Montferland) zijn er overleggen geweest en het provinciale Expertteam Warmte heeft in 2022/2023 onderzoek gedaan naar de technische en financiële haalbaarheid van verschillende scenario’s voor wat betreft een efficiënte verdeling van de restwarmte. In Q2 2023 worden die resultaten aan de betrokken wethouders gepresenteerd en worden er afspraken gemaakt over het vervolg. Omdat de afstand van Didam tot de AVR het grootst is van alle potentiële wijken, wordt een warmtenet van AVR naar Didam te kostbaar en zijn wijken dichterbij meer voor de hand liggend.
RWZI in Olburgen (RES grens Achterhoek en Arnhem-Nijmegen) De gemeente Bronckhorst geeft uitvoering aan het verkennen van de mogelijkheden tot warmte uitwisseling in het gebied rondom Steenderen/Olburgen samen met verschillende partners. Friesland Campina (RES grens Achterhoek en Cleantech) De gemeente Berkelland is nog steeds bezig met een haalbaarheidsstudie voor een warmtenet in Borculo. Er wordt wel vertraging ondervonden omdat partner Friesland Campina heeft aangegeven dat door interne ontwikkelingen de beschikbaarheid van warmte voor de lokale omgeving onzeker is. Update technieken voor andere warmteopties Naast de kansen voor warmtenetten die in RES 1.0 geïdentificeerd en hierboven beschreven zijn, zijn er een aantal warmtetechnieken waarvan nieuwe onderzoeksresultaten bekend zijn en waardoor wellicht nieuwe kansen ontstaan. Die worden in de volgende secties beschreven. Als laatste wordt ook de recente oprichting van het Gelders Warmte Infrastructuur Bedrijf besproken omdat dit het opzetten van warmtenetten zal vergemakkelijken. Geothermie Na publicatie van RES 1.0 kon door middel van het beschikbaar komen van data uit het Seismische Campagne Aardwarmte Nederland (SCAN) programma een nieuwe inschatting worden gemaakt van de potentie voor aardwarmte16. Potentie voor aardwarmte is alleen interessant als er ook een warmtevraag is van min of meer gelijke omvang.
In Kaart 6 staan de kansen voor diepe en ondiepe geothermie op de kaart van Gelderland aangegeven gecombineerd met Midden en lage temperatuur warmtevraag clusters.
Potentieonderzoek geothermie Gelderland; Publieksrapportage; Witteveen+Bos en PanTerra; Provincie Gelderland; 15 april 2022. 16
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
36
RES ACHTERHOEK
Kaart 6
Percentage van de midden (boven), en lage (onder) temperatuur warmtevraag dat met diepe of ondiepe geothermie kan worden geleverd in enkele zones (gekleurde cirkels) waar de warmtevraag relatief hoog is. Bron: p. 8, voetnoot 16.
De kansen in de Achterhoek zijn relatief beperkt. Alleen in Winterwijk is er een goede match tussen de midden temperatuurvraagclusters en diepe geothermie.
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
37
RES ACHTERHOEK
Waterstof Waterstof kan een optie zijn voor de verduurzaming van bedrijven uit de Cluster 6 categorie. Daarmee kan de behoefte aan extra elektriciteit voor de verduurzaming van dit soort bedrijven beperkt worden en de druk op het elektriciteitsnet worden verminderd. In Kaart 7 staat de zogeheten backbone van waterstof indicatief weergegeven in de provincie Gelderland. Er liggen mogelijk ook kansen voor bedrijven in Kaart 7 Waterstof backbone in de provincie Gelderland. de Achterhoek zoals Aviko. Die zijn ook in de eerste versie van het P-MIEK als mogelijke kandidaten opgenomen17. Deze bedrijven bevinden zich nabij leidingen van het toekomstige (landelijke) waterstofnetwerk, dat overigens nog in een prille fase van ontwikkeling is. Nader onderzoek moet uitwijzen of de aansluiting van clusters en bedrijven op dit netwerk mogelijk en haalbaar is. Het is overigens niet waarschijnlijk dat bedrijven of bedrijven clusters al vóór 2030 al zijn aangesloten op waterstof. Zonnewarmte TNO heeft onlangs uitgebreid onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor zonnewarmte18. Met name in de bestaande bouw kan zonnewarmte in de vorm van PVT (panelen die elektriciteit en warmte opwekken) een bijdrage leveren aan het verminderen van de energievraag, de belasting op het elektriciteitsnet en aan CO2-reductie.
De combinaties van HR met PVT, hybride warmtepomp met PVT leveren bij een goede dimensionering een goede business case. Ten opzichte van all-electric (WP en PV), een combinatie die goed toegepast kan worden in nieuwbouw, is het voordeel zeker minder uitgesproken. Zonnewarmte kan ook in warmtenetten gunstig zijn. Het toepassen van seizoenopslag t.o.v. dag/nacht opslag kan de fractie zonnewarmte in het systeem ophogen van ca 10% naar 50% a 60%. Ook in nieuwbouwsituaties kan zonnewarmte daarmee dus helpen het beroep op elektrische infrastructuur te verminderen bij het uitfaseren van aardgas. Van belang is dat voortgaande innovatie en implementatie zullen leiden tot lagere kosten voor het systeem. Gelders Warmte Infra Bedrijf De markt pakt op dit moment de aanleg van nieuwe warmtenetten bij bestaande woningen niet voldoende op terwijl dit wel belangrijk is: ▪ Om het gebruik van aardgas uit te faseren; ▪ Om netcongestie binnen de perken te kunnen houden. Daar waar een warmtenet de beste of een goede optie is, dient snel gehandeld te worden zodat het aantal particulieren in het verzorgingsgebied dat overgestapt is naar all-electric of de hybride warmtepomp niet te groot is om de financiële haalbaarheid van het warmtenet teniet te doen.
17 18
Provincie Gelderland; Provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat; 31 maart 2023. “De Businesscase voor Zonnewarmte”, TNO, 2022
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
38
RES ACHTERHOEK
De provincie ziet een rol voor de overheid om de aanleg te versnellen. Samen met Alliander, IEG fonds (van OostNL) en gemeenten heeft de provincie Gelderland in 2023 het Gelders Warmte infrabedrijf (GWIB) opgericht. Het GWIB ontwikkelt als samenwerkingspartner met gemeenten warmtenetten in de gebouwde omgeving. Als een warmtenet financieel uit kan, is het de bedoeling dat de betreffende gemeente en het GWIB samen een lokaal warmteinfrabedrijf oprichten. Dit lokaal warmteinfrabedrijf legt vervolgens de leidingen aan en exploiteert de warmte-infrastructuur. De warmte wordt geleverd door een warmteleverancier. Dit kan een energiebedrijf of een energiecoöperatie van bewoners zijn. Het GWIB helpt gemeenten met kennis, projectleiding, financiering en het verlagen van de onrendabele top door onder andere het schaalvoordeel. Aandachts- en knelpunten voor ‘warmte’ De gemeenten in de Achterhoek ervaren de volgende aandachts-/knelpunten op het gebied van warmte: ▪ Netcongestie (met name door ‘all-electric’ oplossingen) ▪ Gebrek aan menskracht zowel bij gemeenten als bij uitvoerders ▪ Hoge kosten van materialen ▪ De focus bij het Rijk ligt op collectieve aanpakken. Indien deze aanpak niet mogelijk blijkt, rest er niets anders dan de individuele aanpak. Er is relatief weinig aandacht bij het Rijk voor (ondersteuning van) deze individuele aanpak.
▪ Voldoende oplossingen voor opwek duurzame energie, nog niet voor (lokale) opslag energie ▪ Onduidelijkheid over salderingsregeling werkt contraproductief. ▪ Het ontzorgen én meenemen van inwoners kost veel tijd. Dit vertraagt het maken van snelle, concrete stappen. ▪ Weerbarstigheid van woningeigenaren; ze doen het op eigen tempo. ▪ Als gemeente alleen kunnen stimuleren, informeren, aanjagen; de gemeenten hebben momenteel te weinig doorzettingsmacht. Die mogelijkheid krijgen gemeenten wel in de nieuwe wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie. ▪ Onduidelijkheid vanuit het Rijk m.b.t. wet- en regelgeving ▪ Te weinig focus op en mogelijkheden voor andere gebouwen dan woningen (maatschappelijk vastgoed, utiliteit, bedrijven) ▪ Moeilijk te bereiken doelgroep met slecht geïsoleerde woningen en energiearmoede ▪ Wie financiert wat bij collectieve oplossingen? Draagvlak valt of staat bij het kunnen doen van een goed aanbod aan woningeigenaren. ▪ Zijn subsidies en leenfaciliteiten genoeg om mensen te verleiden om te gaan verduurzamen? Regionale Strategie Warmte 2.0 Uit de diverse updates op het gebied van warmte zoals hierboven beschreven, blijkt de wenselijkheid om warmte een plek te geven in RES 2.0.
In de Regionale Strategie Warmte 2.0 krijgen in ieder geval de volgende aandachtspunten een plek: ▪ Netcongestie is een bovenlokaal probleem; Juist daarom wordt binnen de RES Achterhoek samen met Liander veel aandacht besteed aan het vermijden van belasting op de onderstations;
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
39
RES ACHTERHOEK
▪
▪
▪
Toepassing van individuele (elektrische) warmtepompen groeit hard en is goed voor de verduurzaming van de warmtevraag; tegelijkertijd zorgt het voor extra netcongestie. En bij een grote penetratie van de individuele warmtepomp worden warmtenetten financieel (veel) minder haalbaar. Er is ook vanuit dat perspectief behoefte aan regie: in welke gevallen stimuleren we de all-electric optie en in welke gevallen is het gewenst deze af te remmen? En als dat gewenst is, dient er versneld gewerkt te worden aan oplossingen die het net minder belasten. Warmtenetten zijn complex in allerlei opzichten: organisatorisch, financieel, draagvlak. Het ligt voor de hand om niet alleen kennis te delen maar ook om dit gezamenlijk aan te pakken. Het GWIB gaat gemeenten hierbij helpen. Via het Warmte-coördinatoren-overleg vindt al kennisdeling plaats op regionaal niveau. Het regionaal organiseren van de verduurzaming van de warmtevraag heeft meerwaarde voor veel van de hierboven genoemde aandachtspunten, niet in de laatste plaats voor het verminderen van capaciteitsproblemen op het elektriciteitsnet, het versterken van inkoopkracht, het gezamenlijk opbouwen en verankeren van kennis, het gezamenlijk aanvragen van subsidie bij het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW).
In RES 2.0 zou de vraag dan beantwoord moeten worden: wat gebeurt er al goed (wijkgerichte aanpak Agem) en wat blijft liggen en wat heeft meerwaarde om het regionaal aan te pakken? Daar moet dan vervolgens een aanpak voor ontwikkeld worden (Plan van Aanpak verduurzaming warmtevraag). Binnen het GEIS / P-MIEK kader worden er energievisies opgesteld in het kader van het integraal programmeren. Bovenlokale warmte vraagstukken worden ook daarin geadresseerd en kunnen worden gekoppeld aan de RSW 2.0.
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
40
RES ACHTERHOEK
2.3.
Monitor Duurzame elektriciteit
In de RES 1.0 is afgesproken om in 2030 1,35 TWh duurzame energie op land op te wekken via windturbines, zonneparken en grootschalig zon op gebouw (groter dan 15 kW). In RES 1.0 is voor de diverse typen duurzame energie in beeld gebracht wat de realisatie en pijplijn was per 1 januari 2021. Nu, twee jaar later, wordt dat opnieuw in beeld gebracht en wordt bezien welke vooruitgang is geboekt in het licht van de doelstelling. In Figuur 24 wordt de voortgang van de realisatie van de ambitie voor hernieuwbare elektriciteitsopwekking weergegeven, onderverdeeld in de pijplijn en gerealiseerd. Inclusief de harde pijplijn zijn we daarmee van ongeveer één derde in 2021 (RES 1.0) naar de helft van de doelrealisatie gegaan (peildatum) 1 januari 2023. Dat is een forse vooruitgang. Indien de groei in hetzelfde tempo door zou kunnen gaan, dan komt het doel van 1,35 TWh binnen bereik. Netcongestie in het algemeen en bij zon op gebouw in het bijzonder, zuinig omgaan met de te realiseren netuitbreidingen in de Achterhoek en lange procedures bij met name windenergie vormen daarbij echter belangrijke uitdagingen.
Figuur 24 Ontwikkeling Realisatie en 'harde' pijplijn 2021-2023.
De cijfers voor de monitor zijn berekend volgens de aangepaste NP RES-systematiek (zie 2.3.1); de peildatum is 1 januari 2023. 2.3.1
Protocol en begrippenkader NP RES
Het verzamelen en verwerken van de data heeft plaatsgevonden volgens het monitoringsprotocol en het begrippenkader van het Nationaal Programma RES19. Dit protocol en het begrippenkader zijn enigszins gewijzigd ten opzichte van de monitoringsmethodiek die in de RES 1.0 is gebruikt. De belangrijkste wijzigingen zijn: 1. Voor de pijplijn zijn de fasen van een project fijnmaziger gedefinieerd;
Zie het begrippenkader van het Nationaal Programma RES, p. 8 (https://www.regionaleenergiestrategie.nl/Nieuws/2202909.aspx?t=Begrippenkader-RES-data-optelbaar-en-vergelijkbaar-maken). 19
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
41
RES ACHTERHOEK
2. Naamgeving van de opties; 3. Het aantal vollasturen van de diverse opties wordt nauwkeuriger berekend en is aangepast aan praktijkcijfers. Fasen fijnmaziger In de RES 1.0 onderscheiden wij de volgende fasen: ▪ Gerealiseerd ▪ Pijplijn ◦ Vergunningsverlening (niet bij zon op gebouw) ◦ Subsidiebeschikking ▪ Ambitie In de huidige NP RES-systematiek in deze rapportage onderscheiden wij de volgende, aangepaste, fasen: ▪ Gerealiseerd ▪ Pijplijn ◦ Voortraject (niet bij zon op gebouw) ◦ Vergunningsaanvraag (niet bij zon op gebouw) ◦ Vergunningsverlening (niet bij zon op gebouw) ◦ Subsidiebeschikking en bouw ▪ Ambitie ◦ Niet uitgewerkt ◦ Uitgewerkt ◦ Ten gevolge van realisatiegraad in pijplijn. In deze nieuwe systematiek wordt een fijnmaziger model gebruikt om te schatten in hoeverre de pijplijnprojecten en ambitie meetellen in het behalen van het RES doel. In het vervolg noemen we deze: harde pijplijn. Zo wordt bijvoorbeeld de realisatiekans groter naarmate het project zich verder in het ontwikkelingstraject bevindt en telt het dus meer mee in de doelrealisatie. In het opbrengstgetal van de harde pijplijn zit dus de slagingskans verdisconteerd (opbrengst x slagingskans afhankelijk van de fase waarin het project zich bevindt). Het is een best guess op basis van de kennis van nu.
Wijzigingen benamingen type duurzame energie Tevens zijn de namen van de type duurzame energie gewijzigd ten opzichte van de RES 1.0, zie Tabel 2. Tabel 2 Begrippen ten tijde van RES 1.0 en begrippen volgens het nieuwe begrippenkader van NP RES
RES 1.0
RES Monitoringsrapportage 2023
Wind op land Zon op land Zon op dak
Wind op land Zon op veld Zon op gebouw
Deze wijzigingen zijn doorgevoerd omdat hierdoor een breder scala van zonprojecten gevat kan worden in één term. Door innovaties is er bijvoorbeeld steeds meer mogelijk om zonne-energie op de
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
42
RES ACHTERHOEK
gevels van gebouwen te ontwikkelen. De term ‘Zon op dak’ past hierdoor minder goed, de term ‘Zon op gebouw’ is een beter passende definitie. Ook ‘zon op land’ wekte verwarring: was het bedoeld als tegenstelling van ‘zon op zee’ zoals dat ook bij wind werd gedaan? ‘Zon op gebouw’ zou dan ook onder ‘zon op land’ kunnen vallen. ‘Zon op veld’ sluit dat misverstand uit. Vollasturen nauwkeuriger Tevens zijn er enkele wijzigingen in de vollasturen die gebruikt worden om de opgewekte energie te berekenen voor (realisatie en) pijplijn projecten. Omdat alleen het opgestelde vermogen bekend is bij pijplijn projecten moet een inschatting gemaakt worden hoeveel energie er in een bepaalde tijdsperiode opgewekt wordt. Ook van gerealiseerde projecten is niet altijd duidelijk hoeveel een bepaald gerealiseerd project precies opwekt; ook hiervoor wordt in dat geval via de vollasturen een inschatting gemaakt van de opgewekte energie. De belangrijkste wijzigingen zijn: ▪ voor zon op gebouw is het aantal vollasturen van 1.000 naar 900 gegaan ▪ voor zon op veld van 1.000 naar 950 ▪ voor wind op land is het aantal vollasturen afhankelijk van de gemiddelde windsnelheid in die gemeente en de tiphoogte van de turbines. Over het algemeen neemt de gemiddelde windsnelheid en dus ook het aantal vollasturen af van Noord-West richting Zuid-Oost, zie Kaart 8 Gemiddelde windsnelheid per gemeente.
In de RES 1.0 werd voor wind een vast gegeven van 3.500 vollasturen gehanteerd; met de nieuwe methode valt dat veelal lager uit in de Achterhoek. De opbrengst wordt dus nauwkeuriger berekend, maar valt in onze regio 5 a 15% lager uit. Kaart 8
2.3.2
Gemiddelde windsnelheid per gemeente.
Proces dataverzameling
Voor deze monitoringsrapportage zijn er veel gegevens aangeleverd vanuit NP RES. Deze gegevens zijn tot stand gekomen op basis van de projecten waarvoor SDE subsidie is toegekend door het RVO. De peildatum voor deze gegevens is 1 januari 2023. Vervolgens hebben alle gemeenten deze data gecontroleerd en waar nodig gecorrigeerd. Daarbij zijn deze data aangevuld door hen op basis van de bekende duurzame energie initiatieven waarvoor op 1 januari 2023 een vergunningsaanvraag in behandeling was of is afgegeven. Ten slotte is deze data geanalyseerd en geclusterd. Zon op gebouw De dataverzameling voor zon op gebouw was gecompliceerder dan de verzameling voor de andere typen duurzame energie. In de winter van 2021 is er een nationaal radaronderzoek uitgevoerd waarin alle daken van Nederland kwantitatief in kaart zijn gebracht en is het oppervlakte zonnepanelen op
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
43
RES ACHTERHOEK
deze daken berekend. Op basis van het begrippenkader is deze gerealiseerde oppervlakte zonnepanelen (groter dan 15 kW) omgerekend tot een geschat vermogen en energieopbrengst per jaar. Aan deze data zijn alle bekende gerealiseerde projecten toegevoegd waarvoor SDE-subsidie is toegekend tussen het tweede kwartaal van 2021 tot en met het laatste kwartaal van 2022. Die stonden namelijk door het verschil in peildatum nog niet op de lijst. Daarnaast zijn de bij de gemeenten bekende zon op gebouw projecten (die nog niet op de lijst stonden) toegevoegd. Deze systematiek is anders dan in de RES 1.0: hier werden alleen de projecten waarvoor SDE is toegekend in de rapportage opgenomen. Omdat veel zon-op-gebouw-projecten zonder deze subsidie worden gerealiseerd geeft dit een incompleet beeld van de werkelijke situatie. Door de nieuwe methodiek ontstaat een beter beeld over de situatie op 1 januari 2023. Door de eerder genoemde beperkingen zijn de data over zon op gebouw minder betrouwbaar dan de data van zon op veld en wind op land, maar wel completer dan in de RES 1.0. 2.3.3
Resultaten
Op 1 januari 2023 wordt er in totaal 0,376 TWh per jaar aan duurzame energie opgewekt in de Achterhoek. Daarnaast is er voor 0,301 TWh aan initiatieven waarvan verwacht wordt dat dit met een bepaalde slagingskans op afzienbare termijn gerealiseerd kan worden (harde pijplijn). Op basis van de huidige gerealiseerde projecten en de harde pijplijn zal de Achterhoek op de korte termijn 0,677 TWh per jaar aan duurzame energie gaan produceren. Dit is iets meer dan de helft van het gestelde doel van de RES Achterhoek voor 2030. Vergeleken met RES 1.0 valt in Figuur 25 op dat realisatie en harde pijplijn samen fors gegroeid zijn maar dat de harde pijplijn minder is geworden, met name bij wind en zon op gebouw; dat is een beeld dat ook Figuur 25 Groei in gerealiseerde opwek van energie en landelijk wordt gezien en enige zorgen baart 'harde' pijplijn t.o.v. 2021 (“pijplijn droogt op”). Voor zon op veld is dit in de Achterhoek juist niet het geval.
Tabel 3
Realisatie en harde pijplijn opwek duurzame energie in 2021 en 2023.
TW
Z W Z
v
Totalen
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
44
RES 1.0
RES 2023
0,198
0,333
0,172
0,171
0,102
0,173
0,471
0,677
RES ACHTERHOEK
Het totale aandeel van zon op veld groeit fors; zon op gebouw laat ook groei zien en is deels wellicht ook te danken aan een betere methode van data verzamelen. Wind is gegroeid in realisatie maar blijft inclusief de harde pijplijn min of meer gelijk, en neemt zelfs iets af veroorzaakt door het verschil in rekenmethode. In paragraaf Error! Reference source not found. wordt ingegaan wat dit betekent voor de wind/zon verhouding. Binnen de 1,35 TWh heeft de RES Achterhoek zichzelf ten doel te gesteld om 0,35 TWh op te wekken met zonnepanelen op gebouwen. Op basis van de nieuwe systematiek wordt er momenteel 0,159 TWh per jaar opgewekt met zonnepanelen op gebouwen; de harde pijplijn bedraagt 0,013 TWh. Dit brengt het totaal op 0,173 TWh per jaar, bijna de helft van het bod van 0,35 TWh. Wind
G
In Figuur 26 is de ontwikkeling van realisatie en 130 120 pijplijn weergeven ten opzichte van RES 1.0 per 110 100 90 gemeente. Door het realiseren van windpark 80 70 Den Tol in de gemeente Oude IJsselstreek is het 60 50 gerealiseerde vermogen van windenergie 40 30 gegroeid. Zoals in de grafiek te zien is was dit 20 park eerder al wel meegenomen als onderdeel 10 0 van de pijplijn in RES 1.0. Doordat er in de nieuwe systematiek uitgegaan wordt van een nauwkeuriger model voor de vollasturen is de energieopwekking door middel van windenergie Figuur 26 Realisatie en harde pijplijn windenergie per gemeente. in de gemeenten Aalten en Montferland kleiner geworden. Het windpark Den Tol in Oude IJsselstreek is inmiddels gerealiseerd. Het windpark initiatief in de gemeente Doetinchem is onderdeel van de pijplijn geworden en telt daarom voor het eerst (voor een deel mee) in de harde pijplijn. In de gemeenten Berkelland, Bronckhorst en Oost Gelre telt wind voor 2023 nog niet mee in de doelrealisatie van de RES. Zon op veld Zowel de realisatie als pijplijn voor zon op veld is fors gestegen in twee jaar, zie Figuur 27. In zes van de acht gemeenten (Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk) zijn er initiatieven bijgekomen die meetellen in de doelrealisatie.
RES RES RES RES RES RES RES RES RES RES RES RES RES RES RES RES Met name de gemeenten Berkelland, 1 0 2023 1 0 2023 1 0 2023 1 0 2023 1 0 2023 1 0 2023 1 0 2023 1 0 2023 A O G O Winterswijk en Oude IJsselstreek vallen op met een harde pijplijn van ongeveer 100 MW, 70 MW en resp. 50 MW. In de gemeenten Aalten en Figuur 27 Realisatie en harde pijplijn zon op veld per gemeente. Montferland is de hoeveelheid vermogen zon op veld niet gegroeid. In Aalten is dat een gevolg
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
45
RES ACHTERHOEK
van het uitnodigingskader zon en wind: dat stimuleert zon op gebouw maar remt zonnevelden op (goede landbouw) grond. Zon op gebouw
G
Door de nieuwe completere systematiek van dataverzameling die gehanteerd voor zon op gebouw, zijn de nieuwe cijfers ten opzichte van de RES 1.0 niet zonder meer vergelijkbaar. Toch kan uit de cijfers wel geconcludeerd worden dat de hoeveelheid energie die wordt opgewekt met zonnepanelen op gebouw is gegroeid. Dit is in lijn met de landelijke trend. De hoeveelheid geïnstalleerd vermogen is met ongeveer 25% tot 75% toegenomen. Alle 30 gemeenten laten dus een groei zien in de 25 ontwikkeling van zon op gebouw; de hoogste 20 relatieve groei zien we in de gemeenten Aalten 15 en Montferland (zie Figuur 28. Ook valt op dat de pijplijn van zon op gebouw initiatieven opdroogt. Waarschijnlijk wordt dat veroorzaakt door netcongestie, personeelstekorten, groeiende verzadiging van het aantal geschikte daken (vooral in combinatie met aansluitbaarheid) en de verstoringen van de markt door de coronapandemie.
10
5
0
Figuur 28 Realisatie en harde pijplijn zon op gebouw per gemeente.
Totaal overzicht per gemeente 220 210 200 190 180 170 160 150 140 130 120 110 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 G
In Figuur 29 is het overzicht gegeven voor alle typen duurzame energie. Elke gemeente draagt bij. De grote bijdrage en de evenwichtige verdeling over de drie opties van de gemeente Oude IJsselstreek valt op; Wind neemt in die gemeente een relatief groot deel van de realisatie en pijplijn voor haar rekening. Het windvermogen telt relatief hard mee door de drie á vier keer grotere bedrijfstijd van wind ten opzichte van zon. Ook de gemeente Berkelland heeft een grote bijdrage door groei in realisatie van met name beide zon opties.
Figuur 29 Totaal overzicht gerealiseerd en harde pijplijn per gemeente.
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
46
RES ACHTERHOEK
Tabel 4
Opwekking duurzame energie per gemeente: realisatie en harde pijplijn.
Grootschalig zon op gebouw Gerealiseerd
Zonneparken op veld
Inclusief Harde Pijplijn Gerealiseerd
Windturbines
Inclusief Harde Pijplijn Gerealiseerd
Totalen
Inclusief Harde Pijplijn Gerealiseerd
Inclusief Harde Pijplijn
Aalten Berkelland Bronckhorst Doetinchem Montferland Oost Gelre Oude IJsselstreek Winterswijk
0,023
0,024
0,002
0,002
0,033
0,033
0,058
0,059
0,021
0,023
0,025
0,123
0,000
0,000
0,046
0,145
0,019
0,019
0,005
0,016
0,000
0,000
0,024
0,036
0,019
0,020
0,000
0,022
0,000
0,006
0,019
0,047
0,017
0,023
0,003
0,004
0,011
0,011
0,031
0,038
0,023
0,024
0,002
0,036
0,000
0,000
0,025
0,059
0,026
0,028
0,006
0,053
0,121
0,121
0,153
0,202
0,012
0,013
0,007
0,078
0,000
0,000
0,019
0,091
Totalen
0,159
0,173
0,051
0,333
0,165
0,171
0,376
0,677
In Tabel 4 is de grafiek uit Figuur 29 in getallen weergegeven20. Vergunningen Zoals gezegd is er een landelijke afspraak gemaakt dat per 1 januari 2025 de vergunningen van winden zonprojecten daadwerkelijk moeten zijn opgenomen in vergunningen. De resterende doelstelling van 0,673 TWh voor wind, zon op veld en zon op gebouw moeten nog worden vertaald in concrete projecten. In paragraaf 2.2.1 was onder het kopje “Ruimtelijke borging en vergunningverlening” reeds geconstateerd dat die deadline niet te halen is. Op basis van de getallen van de monitor wordt deze conclusie onderstreept. 2.3.4
Wind zon verhouding
Het belang van een adequate wind/zonverhouding is uitgebreid besproken in paragraaf 2.2.2. Het aandeel van wind in de cijfers voor 2023 is nauwelijks gegroeid. De groei komt dus met name voort uit zon op veld en zon op gebouw. In de wind/zon verhouding telt zon op gebouw minder zwaar mee dan zon op veld omdat een deel van het zon op gebouw vermogen weggezogen wordt door verbruik in de omgeving en daarmee het onderstation niet
wind/zon*
3.8 – 1.4
1.2Title – 0.7 Chart
0.2 – 0.1
1,6 1,4 1,2 1
Zon op gebouw
0,8
Zon op gebouw realisatie Zon op veld te realiseren
0,6
Zon op veld realisatie nog niet bekend
0,4
Wind te realiseren
0,2
Wind realisatie
0 Uitgangssituatie RES 1.0
Systeem Efficient
Monitor RES 2023
'Nog niet Trend: bekend' zon op land wordt zon verdringt op land wind
Figuur 30 Wind/zon verhouding afhankelijk van hoeken speelveld (scenario’s) inclusief monitor RES 2023.
Opgemerkt moet worden dat de realisatiecijfers uit deze monitoringsrapportage kunnen en zullen verschillen met de daadwerkelijk geproduceerde energie per jaar. Doordat het bijvoorbeeld het ene jaar zonniger is dan het andere, zal de feitelijke productie van duurzame energie verschillen van jaar tot jaar. De cijfers bieden daarom de verwachte productie van duurzame energie in een gemiddeld jaar. Hierdoor geven ze een goede indruk van de huidige stand van zaken per gemeente per type duurzame energie en de bijdragen per gemeente. 20
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
47
RES ACHTERHOEK
belast. In Figuur 30 is het systeemefficiënte scenario volgens de afspraken van RES 1.0 vergeleken met de resultaten van de huidige monitor. De wind/zon* verhouding” (uitgedrukt in energie) van het systeemefficiënte scenario ligt tussen de 1,5 en 421. Mogelijke ander ontwikkelingen zijn: 1. Het niet gealloceerde deel wordt geheel zon en ook de windafspraak van RES 1.0 wordt verdrongen door zon op veld. De wind/zon* verhouding in dat scenario ligt tussen de 0,7 en 1,2 en is daarmee een stuk lager dan vanuit systeemefficiëntie gewenst is. 2. In het scenario waar ook de windambitie verdrongen wordt door zon, zakt de verhouding zelfs naar een extreem lage waarde van 0,1 tot 0,2. In die laatste twee scenario’s, zo was de analyse, zouden de maatschappelijke kosten hoog uitvallen (en de maatschappelijke baten laag) en de realisatie van het doel gegeven de beschikbare netcapaciteit problematisch worden. De monitoringsresultaten van 2023 bewegen naar het eerste scenario en geven daarmee reden tot zorg: past dit wel op het net? En in hoeverre vormt dit een bedreiging voor realisatie van het gehele RES doel in 2030? Deze prangende vragen worden in de volgende paragraaf behandeld. Analyse met de Allocator tool van Appcentive Elk energieproject moet zijn stroom kunnen leveren aan het energienet zodat deze stroom door huishoudens, industrie en bijvoorbeeld kantoren gebruikt kan worden.
Veel grootschalige energieprojecten worden aangesloten op zogenaamde onderstations. Relatief grote projecten zoals wind en zon op veld projecten worden daar gewoonlijk direct op aangesloten. Deze onderstations hebben allemaal een bepaalde capaciteit die niet kan (en mag) worden overschreden. Afhankelijk van het type en grootte van het station kunnen er meer of minder projecten op een bepaald onderstation aangesloten worden. In totaal zijn er negen onderstations waar grootschalige duurzame energieprojecten in de Achterhoek op kunnen worden aangesloten. Zoals gezegd is er voor het ondersteunen van het proces om te komen tot het invullen van het niet-gealloceerde deel een software tool ontwikkeld in opdracht van de RES Achterhoek, Figuur 31 Allocator applicatie voor het sturen bij schaarste. Liander en de provincie Gelderland (zie Figuur De wind/zon* verhouding houdt met name ook rekening met het feit dat een deel van het zon op gebouw vermogen op bijvoorbeeld bedrijventerreinen deels geabsorbeerd wordt door de vraag. 21
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
48
RES ACHTERHOEK
31). Met sliders voor wind, zon op veld en zon op gebouw kan gespeeld worden met de wind/zon verhouding. In de tool zitten potentiële wind en zon projecten. De beginstand van de sliders is dat wat gerealiseerd is en wat in de harde pijplijn zit. Het RES doel kan gerealiseerd worden door met de sliders naar rechts te schuiven. Zichtbaar is dan wat er met de wind/zon verhouding gebeurt (‘energiemix’). Trek je alleen aan “zon” sliders dan gaat de wind/zon verhouding meter (verder) in het rood. De uitgangssituatie, ook in 2021 is er immers één van relatief veel zon t.o.v. wind. Trek je alleen aan wind dan gaat de meter richting het groen: de wind/zon verhouding komt dan meer in balans. In de applicatie zit ook de investeringsagenda van Liander tot 2030. Dat zijn de geplande uitbreidingen van de onderstations die goedgekeurd zijn en die ergens tussen nu en 2030 beschikbaar zullen komen. In de app kun je ook in één oogopslag zien wat er met de belasting van de (uitgebreide) onderstations gebeurt. Deze tool is daarmee ook uitstekend bruikbaar om te zien wat er met de belasting van de onderstations gebeurt als de nieuwe monitoringsdata ingevoerd wordt in de app.
Figuur 32 De oude situatie weergegeven in de Allocator: realisatie en harde pijplijn cijfers per 1 januari 2021.
De sliders staan in de beginstand en representeren dus de situatie per 1 januari 2021. Géén van de onderstations zijn overbelast.
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
49
RES ACHTERHOEK
Figuur 33 De situatie weergegeven voor de monitoringsresultaten per 1 januari 2023.
Duidelijk is te zien dat er in de nieuwe situatie waarschijnlijk twee onderstations overbelast zullen worden 22. In Figuur 34 is de situatie op de onderstations weergegeven indien er alleen zon zou worden bijgeplaatst. De vijf belangrijkste onderstations voor de Achterhoek raken dan overbelast of zitten helemaal vol (Doetinchem). De tool kijkt ook op gemeentelijk niveau of er nog projecten bijgeplaatst kunnen worden. Dat is denkbaar omdat er wellicht nog ruimte is in de voronoi gebieden (voorzieningsgebieden van onderstations) aan de randen van de Achterhoek. Dat blijkt niet het geval, zie Figuur 35. Figuur 34 Vijf onderstations overvol of helemaal vol in 2030 indien de overgebleven ruimte alleen met zon op veld zou worden gevuld.
Disclaimer: het model is een versimpeling van de werkelijkheid, maar wel goed bruikbaar om te zien waar de kansen/bedreigingen zitten; daarnaast moet de ruimte nog enigszins worden herzien v.w.b. de woondeal voor de Achterhoek en de inzet van redundantie. Voor de eindconclusies en aanbevelingen zal dat naar verwachting geen substantieel verschil maken. 22
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
50
RES ACHTERHOEK
Uit deze analyse wordt duidelijk dat als de groei van zon op veld volgens dat scenario door zou zetten, er een buitengewoon systeeminefficiënte situatie ontstaat met hoge (maatschappelijke) inpassingskosten en waarmee de realisatie van het RES doel in 2030 niet meer binnen bereik is. Bij de monitoringsresultaten van 2023 moet worden bedacht dat de bijdrage van de pijplijn aan de realisatie nog 2 kanten uit kan: bij realisatie van alle pijplijn projecten nemen de percentages toe tot 100% en zal de situatie ruimte meer op gemeentelijk niveau op de verder verslechteren. Aan de andere kant zal de Figuur 35 Geen onderstations in 2030 indien de overgebleven situatie verbeteren indien een zon op veld ruimte alleen met zon op veld zou worden gevuld. pijplijn project niet doorgaat. Daarin sturen behoort wellicht tot de mogelijkheden. Duidelijk is ook dat invulling met wind i.p.v. zon op veld, de situatie in ieder geval niet verder verslechtert. Voor het realiseren van het RES doel gaan we daarom: ▪ Regie pakken op de ontwikkeling van de pijplijn projecten van zon op veld: per onderstation analyseren wat er nog gedaan kan worden om de situatie te verbeteren: extra inzet redundantie Ulft, combinatie met windprojecten (cable pooling), inzet voor eigen gebruik en van batterijopslag, afweging wenselijkheid pijplijnproject, andere oriëntatie, enz.
En de situatie niet verder laten verslechteren door een tijdelijke rem te zetten op nieuwe initiatieven. ▪ De focus te richten op de versnelling van de ontwikkeling van windprojecten, te beginnen bij de RES 1.0 zoekgebieden waar bestuurlijk-politiek commitment voor is afgegeven.; de in RES 1.0 uitgesproken voorkeur voor wind voor het niet gealloceerde deel blijkt inderdaad een juiste te zijn geweest. Het doel van zon op gebouw blijft intact (0,35 TWh); en dus worden de inspanningen om dat te bereiken onverminderd voortgezet (zie ook paragraaf 3.4). Bovenstaande analyse toont ook weer het nut aan van het op regionaal niveau programmeren van wat komt waar wanneer. Het is een belangrijke afspraak die we in RES 1.0 met elkaar gemaakt hebben en die i.h.k.v. RES 2.0 wordt opgepakt, zie hoofdstuk 3. Daarnaast gaan we ook de frequentie van het monitoren van de voortgang opvoeren.
VOORTGANGSRAPPORTAGE 2023
51
RES ACHTERHOEK
3. Stand van zaken herijking richting RES 2.0 We beschrijven in dit hoofdstuk wat we in RES 2.0 doen en hoe we dat doen. Een cruciale vraag op weg naar RES 2.0 is hoe we het niet gealloceerde deel in gaan vullen. Ook zal een integraal23 programma moeten worden vastgesteld: waar komt welk project wanneer? Daarnaast werken we ook de plannen van aanpak uit waarvan de outline in RES 1.0 is opgenomen (zon op dak en lokaal eigendom).
3.1.
Waarom herijken
De RES Achterhoek gaat RES 1.0 herijken omdat we nog een niet gealloceerd deel in de doelstelling hebben (0,244 TWh). Systeemefficiëntie en het beperken van (maatschappelijke) netinpassingskosten wezen tijdens RES 1.0 naar een voorkeur voor invulling van dat niet gealloceerde deel door wind. Sindsdien zijn de problemen met de netcapaciteit niet minder geworden, integendeel: die zijn hand over hand toegenomen (zie paragraaf 1.2.3). Ook de kosten van energie zijn gestegen. Dat noopt ook via de beperking van de netinpassingskosten tot zuinig gebruik van publieke middelen, mede in het licht van de groeiende energiearmoede. Ook het aandeel van de netbeheerskosten in de energierekening stijgt immers de laatste jaren fors, ook door de uitbreidingen op het net die nodig zijn voor groei en de energietransitie: In 2022 bedroegen deze gemiddeld voor elektriciteit € 266/jaar. In 2023 € 342/jaar.24 Aan netinpassingskosten betalen we uiteindelijk allemaal mee en als we die kosten kunnen beperken heeft iedereen er voordeel van. Vergelijking tussen diverse scenario’s met de Allocator applicatie laat zien dat er ruim € 170 miljoen verschil zit tussen de kosten voor infrastructuur bij een systeemefficiënt scenario en de kosten bij een scenario met overwegend zon op veld in het voordeel van het systeemefficiënte scenario.