res 1.0 achterhoek
Tekst van het document
Ontwikkelingen in de SDE-regeling De werkgroep “SDE en maatschappelijke kosten” heeft in haar rapport een aanbeveling opgenomen om een kwaliteitsbudget te introduceren, gericht op de financiering van de extra onrendabele top die regionaal kan ontstaan door het verbinden van lokale maatschappelijke wensen aan projecten. Momenteel wordt door dezelfde werkgroep een proces ingericht om deze en andere aanbevelingen verder uit te werken. Op basis hiervan kunnen de verschillende overheden overwegen of een dergelijk budget een rol kan spelen bij de uitvoering van één of meerdere RESsen. Voor de Achterhoek kan dit betekenen dat bijvoorbeeld ook relatief kleine windturbines subsidiabel zijn.
12
Gezondheidseffecten van windturbinegeluid, RIVM-rapport 2020-0214
47
Opstellingswijzen van windturbines Windturbines kunnen op uiteenlopende wijzen worden opgesteld; van solitaire turbines tot aan clusters van enkele tientallen turbines. Van een dergelijke grote opstelling is in de Achterhoek geen sprake. Hiervoor is veelal niet de ruimte beschikbaar, dit met uitzondering van de zuidflank van de Achterhoek. De ruimtelijke analyse is gebaseerd op twee verschillende typen zoekgebieden: • ‘Grote’ clusters: Een groot cluster is gedefinieerd als een windpark van 5 of meer turbines van 5,5 MW (tiphoogte 240 meter). In enkele gebieden in de Achterhoek kan zo’n relatief groot cluster worden geplaatst. • ‘Kleine’ clusters in agrarisch gebied en kleine clusters bij bedrijventerreinen. De definitie van een klein cluster is een windpark van 3 of 4 turbines van 3,5 MW (tiphoogte 175 meter)13. Voor kleine clusters is op diverse plaatsen in de Achterhoek de ruimte. Het is uiteraard ook mogelijk om kleine clusters met 5,5 MW-turbines of grote clusters met 3,5 MW turbines te realiseren. In het ruimtelijk onderzoek hebben we, op basis van argumenten van stakeholders, gekozen om maat en schaal op elkaar aan te laten sluiten: grote clusters met grote turbines, kleine clusters met middelgrote, 3,5 MW turbines. Aandachtspunten bij landschappelijke inpassing De inpassing van windturbines is altijd maatwerk.
Keuzes moeten op projectniveau worden gemaakt, rekening houdend met de omgeving en met nabijgelegen windturbineparken. Belangrijke aandachtspunten bij de inpassing van windturbines zijn: De compactheid van het windturbinepark. De onderlinge afstand van windturbines binnen een cluster is bij voorkeur zo klein als mogelijk zonder dat de turbines elkaars wind afvangen. Hierdoor neemt het cluster niet overbodig veel ruimte in en wordt de impact op de omgeving beperkt. Een belangrijk aandachtspunt bij de positionering van de windturbines is dat het gevoel van insluiting wordt voorkomen. Dit kan door te kiezen voor een compacte opstelling, zoals een zwerm. De visuele dominantie. Dit is het gebied rondom een cluster waarin het cluster visueel dominant aanwezig is. In deze RES hebben we visuele dominantie met name beschouwd vanuit de het aantal woningen in de omgeving. Op projectniveau is het mogelijk om hier strategischer naar te kijken, bijvoorbeeld om de zichtbaarheid vanuit woonbebouwing of belangrijke routes mee te wegen. Horizonbeslag. Dit is de zichtbaarheid van de windturbines op grotere afstand. Eenheid in silhouet. Idealiter wordt voorkomen dat turbines van verschillende typen in één cluster terecht komen. Eenheid zorgt voor een rustiger en duidelijker beeld. Door leeftijdsverschillen in turbines is niet altijd te voorkomen dat identieke molens worden geplaatst.
Het voorkomen van verdwerging. Door de omvang van windturbines kunnen andere elementen in het landschap ineens klein lijken. Het is belangrijk om hiervan bewust te zijn bij de inpassing in relatie tot belangrijke (cultuurhistorische) elementen in het landschap.
13 In de huidige situatie is de business case voor de middelgrote turbines slechter is als die voor de grote turbines. De huidige SDE-regeling stimuleert grote turbines meer dan middelgrote; vandaar dat de landelijke werkgroep “SDE en maatschappelijke kosten” aanbevelingen doet om de regeling op dat punt aan te passen of te compenseren (zie het groene kader hierboven).
48
Figuur 11: De invloed van een open of gesloten landschap op de zichtbaarheid van windturbines
Ruimtelijke analyse windenergie De ruimtelijke analyse rond de mogelijkheden voor plaatsing van windturbines had als doel te komen tot objectieve informatie over potentiële zoekgebieden. Omdat de Achterhoek in tegenstelling tot veel andere RES-regio’s geen duidelijke ruimtelijke structuur heeft waarop zoekgebieden voor wind gebaseerd kunnen worden, is heel bewust gekozen voor een systematische aanpak van de ruimtelijke analyse. Deze aanpak omvatte de volgende stappen: •
Op basis van technische en planologische belemmeringen is in kaart gebracht wat de potentiële zoekgebieden zijn voor het opwekken van windenergie Technische belemmeringen zijn bijvoorbeeld geluidsnormen en veiligheidsnormen die een ondergrens stellen voor de plaatsingsafstand van windturbines ten opzichte van onder meer woningen. Planologische belemmeringen bestaan onder meer uit ruimtereserveringen voor andere functies Op deze manier zijn zones in kaart gebracht waar belemmeringsvrije ruimte is. Er is naar meerdere belemmeringen gekeken, waaronder woningen, gasleidingen, hoogspanningsleidingen en natuurgebieden. Wanneer er wettelijke afstanden tot de belemmering moet worden aangehouden, zijn deze meegenomen in de analyse.
•
Per zoekgebied zijn beleidsmatige en planologische beperkingen geïdentificeerd die de inpassing van windturbines kunnen bemoeilijken Beleidsbelemmeringen zijn belemmeringen die ontstaan op basis van beleidsmatige beperkingen (zoals bestemmingsplannen van gemeenten en provinciale omgevingsverordening) of reeds in gang gezette ontwikkelingen. Dit is bijvoorbeeld de aanwezigheid van een groene ontwikkelingszone of een in een ver stadium gevorderde ontwikkeling van een woonwijk. Beleidsbelemmeringen maken het realiseren van een windpark in een zoekgebied niet onmogelijk maar zorgen wel voor extra uitdagingen.
49
•
Potentiele zoekgebieden zijn onderzocht op de mogelijkheid deze aan te sluiten van op het elektriciteitsnetwerk van Liander De onderstations van Liander hebben beperkte aansluitruimte; niet alle turbines kunnen op hetzelfde onderstation worden aangesloten. Een goede verdeling over de regio voorkomt aansluitproblemen. Uit de netwerkimpactanalyse van Liander (april 2021) kwam naar voren dat het bod van 1,35 TWh aansluitbaar is op de huidige onderstations, mits voor een adequate zonwindverhouding gekozen wordt en de windenergie over de onderstations wordt verdeeld.
•
Een beoordeling van de kwaliteit van de zoekgebieden De kwaliteit van zoekgebieden is beoordeeld aan de hand van: • De te behalen energieopbrengst: • De landschappelijke kwaliteit en gebiedskenmerken: • De impact op de omgeving/milieu (impact milieu) • Aantal direct gehinderde woningen (hinder) • Ruimtegebruik van de opstelling van windturbines (direct ruimtegebruik) • Visuele dominantie • Impact op natuurwaarden in en om de locaties (impact natuur) • De impact op cultuurhistorische waarden: (impact cultuurhistorie)
In bijlage 1 worden de geanalyseerde gebieden in meer detail beschreven. Maatschappelijk draagvlak Maatschappelijk draagvlak is een van de pijlers van de RES'en. Tegelijkertijd staat draagvlak niet gelijk aan 100% tevredenheid van iedere inwoner; dat is niet haalbaar in een drukbevolkt land als het onze. Draagvlak heeft bovendien meerdere verschijningsvormen. Zo kan het lokaal draagvlak, bezien vanuit direct omwonenden laag zijn, maar het nationaal draagvlak vanwege kosteneffectieve keuzes hoog.
Beleidsmatige beperkingen: Doorwerking natuurbeleid als voorbeeld Beleidsmatige beperkingen voor zoekgebieden voor windenergie zijn geïdentificeerd, benoemd en hebben de rangorde van zoekgebieden zoals weergegeven in het overzicht in bijlage 1 mede bepaald. Bij de uitwerking van concrete projecten binnen zoekgebieden voor windturbines wordt de precieze doorwerking van die beperkingen vertaald naar de uiteindelijke inrichting van een zoekgebied. Navolgend staan voorbeelden van die doorwerking aangegeven. Gelders Natuur Netwerk (GNN) Uitzonderingen daargelaten geldt voor alle ontwikkelingen (dus ook voor nieuwe windturbines en zonnevelden) in het GNN dat energieopwekking* in aangewezen natuurgebieden snel met natuurdoelen conflicteert en binnen de hoofdregels voor GNN niet inpasbaar zijn. In de praktijk zal dit de haalbaarheid van hernieuwbare energieopwekking sterk beïnvloeden in deze gebieden. *Binnen het GNN in de Achterhoek zijn op enkele plaatsen langs Rijkssnelwegen onder strikte voorwaarden windturbines mogelijk. Wel moeten de nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders natuurnetwerk zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor de oppervlakte aan natuur die verloren gaat geldt dat deze voor 200 procent moet worden gecompenseerd.
Groene ontwikkelingszone (GO) Binnen de huidige regels voor de GO wordt onderscheid gemaakt tussen grootschalige en kleinschalige ontwikkelingen. Nieuwe functies toevoegen betekent ook een investering in versterking van de natuur (kernkwaliteiten). Voor beide soorten ontwikkelingen gelden andere regels. Er zijn echter nieuwe regels voor de GO in ontwikkeling, waarbij het onderscheid tussen groot- en kleinschalig komt te vervallen. Beoogde datum inwerkingtreding is 1 juli 2022. Voor alle gevallen geldt dan dat een windturbine of een zonneveld mogelijk is als de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen van de GO per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt. Hierbij geldt als extra
50
eis dat de samenhang van de GO niet verloren mag gaan. Is versterking niet mogelijk, of gaat de samenhang van de GO verloren, dan kan de nieuwe ontwikkeling geen doorgang vinden. Aandachtspunt ten aanzien van het GNN en de GO is dat gewaakt moet worden voor negatieve cumulatieeffecten’ van meerdere parken bij elkaar. Ganzenrustgebieden Het plaatsen van een nieuwe windturbine of zonneveld is alleen mogelijk als de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen niet wordt aangetast. In de praktijk betekent dit zorgen dat de oppervlakte aaneengesloten rustgebied minimaal 500 ha is en de activiteit zoveel mogelijk aan de randen of aansluitend aan bestaande bebouwing plaatsvindt. Windturbines binnen Weidevogelgebieden In de omgevingsverordening is bepaald dat nieuwe windturbines en nieuwe zonnevelden niet zijn toegestaan binnen Weidevogelgebieden. Natura 2000 gebieden Bepaalde natuurgebieden zijn ook beschermd omdat deze gebieden zijn aangewezen als Natura 2000 (N2000) gebied. Voor deze gebieden geldt de gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb). De ervaring leert dat energieopwekking in aangewezen natuurgebieden snel met natuurdoelen conflicteert. In de praktijk beïnvloedt dit de haalbaarheid van hernieuwbare energieopwekking sterk. Bovendien geldt bij N2000 gebieden dat deze gebieden een externe werking kunnen hebben.
Ook activiteiten buiten het N2000 gebied (ook in Duitsland) kunnen invloed hebben op de natuurwaarden binnen het gebied. Dit betekent dat bij het bouwen dichtbij N2000 gebied zorgvuldig gekeken moet worden of dit geen natuurwaarden binnen het N2000 gebied aantast. Windturbines, zonnevelden en soortbescherming Naast gebiedsbescherming kent de Wnb ook soortenbescherming. Via de soortenbescherming beschermt de provincie plant- en diersoorten die in het wild voorkomen. Soortbescherming geldt overal, dus niet alleen binnen N2000 gebieden. Een van de beschermde soorten is de wespendief, die dus ook buiten N2000 beschermd is, net als alle soorten inheemse vleermuizen.
7.3
Zon op land
De Achterhoek kan haar volledige elektriciteitsopgave voor zon niet op daken opwekken. Er zijn ook zonneparken nodig om de doelstelling te behalen. Op dit moment wordt er 0,015 TWh met zonneparken opgewekt en zijn er meerdere initiatieven in voorbereiding zodat het productieniveau op afzienbare termijn oploopt naar 0,198 TWh. Door de gewenste wind - zon verhouding en omdat er al relatief veel zonneparken gerealiseerd zijn (94% van de restopgave zon volgens de adequate zonwind verhouding van 1 op 3), dan wel in de pijpleiding zitten, is de restopgave voor zon op land relatief beperkt: 0,013 TWh. Deze opgave is binnen de Achterhoek qua beschikbare ruimte goed te realiseren. In de huidige situatie hebben de Achterhoekse gemeenten bestaand beleid (RODE-beleid) dat voorziet in de toelating van zonneparken. Gebieden zijn aangewezen waarbinnen zonneparken onder bepaalde voorwaarden kunnen worden ingepast. Dit beleid voor zonneparken, dat per gemeente enigszins uiteen kan lopen, kan grotendeels worden gecontinueerd omdat de relatief beperkte resterende opgave voor zonneparken binnen deze kaders ruimschoots kan worden gerealiseerd. Het is mogelijk om selectief om te gaan met locaties voor zonneparken.
Dit maakt het mogelijk om met meer nadruk te zoeken naar gelegenheden om zonne-energie te winnen in openbare ruimten, nabij of op over-ruimtes op industrieterreinen of als overkappingen van busstations et cetera. Diverse gemeenten hebben deze analyse overigens al uitgebreid doorlopen. Plannen met een duidelijke ecologische meerwaarde, plannen die de agrarische functie combineren met de opwek van zonnestroom, en plannen die van onderaf door de bewoners worden ontwikkeld
51
verdienen vanwege de kwalitatieve meerwaarde de voorkeur. Het enkelvoudig benutten van (veelal agrarische) grond in het buitengebied voor zonneparken wordt zoveel mogelijk beperkt. Daar waar toch ruimte in het buitengebied voor zonneparken aan de orde is wordt nadrukkelijker dan voorheen de samenwerking tussen gemeenten en provincie opgezocht. Door een samenspel van beide RES-partners en de gecombineerde inzet van hun ruimtelijk instrumentarium – de gemeentelijke inpassingskaders voor zonnepanelen op land en de provinciale verordening ruimte – komt een hoogwaardige ruimtelijke afweging tot stand wat vooral de regionale ruimtelijke en ecologisch karakteristiek ten goede komt. Daarnaast is een koppeling van locaties van zonneparken aan de zoekgebieden voor windturbine, niet alleen bij toekomstige maar ook bestaande turbines, zinvol. Dit bespaart enerzijds ruimte en drukt anderzijds de kosten van aansluiting op het netwerk. Daarnaast verbetert het de leveringszekerheid van beide duurzame opties vanwege de complementariteit in de tijd van wind en zon.
52
8
Netwerkimpactanalyse
8.1
Ruimtelijke alternatieven productie duurzame energie verkend
Via een zogenaamde netwerkimpactanalyse uitgevoerd door Liander is nagegaan of de productie van duurzame energie, zoals verkend in deze RES 1.0 mogelijk is. In de aanloop naar de RES 1.0 zijn daartoe drie alternatieve vormen van ruimtegebruik voor de productie van duurzame energie verkend: • Een alternatief waarin locaties voor de productie van duurzame energie zoveel mogelijk zijn geplaatst passend binnen het bestaande ruimtelijke beleid daarvoor: • Een alternatief waarin zoveel mogelijk wordt uitgegaan van grotere opstellingen van (grotere) windturbines en zonnepanelen (clustering); • Een alternatief waarin productielocaties gespreid zijn over de Achterhoek en is uitgegaan van kleinere turbines. Elk van de alternatieven bestond uit een combinatie van windturbines en zonneparken (een energiemix) die samen tot 1,35 TWh duurzame energie leiden. In elk alternatief is een productie door zonnepanelen via grootschalige opstellingen op daken van 0,35 TWh opgenomen. De opstelling van deze alternatieven, en vervolgens de doorrekening van de effecten ervan op het elektriciteitsnetwerk, was nodig om na te gaan wat de keuzeruimte is binnen de Achterhoek.
Kan het netwerk overal in de Achterhoek duurzame energie opnemen of is de inzet van bepaalde gebieden niet mogelijk omdat daar geen energie op het netwerk kan worden terug geleverd? Op basis van de doorrekening, de netwerkimpactanalyse zijn de volgende conclusies te trekken: • In alle alternatieven past de opgave voor zon op en wind op het bestaande netwerk in combinatie met reeds voorziene uitbreidingen daarvan. Dit houdt in dat de Achterhoek een ruime keuze heeft als het gaat om de inzet van de ruimte voor de productie van duurzame energie. • De zon-wind verhouding in elk alternatief is goed, wat inhoudt dat het netwerk op een efficiënte wijze wordt gebruikt en geen onnodige investeringen (buitende al geplande) hoeven te worden gedaan; • De infrastructuur voor zon op dak is in geen van de varianten voor 2030 zonder meer realiseerbaar. Betrokkenheid netbeheerder Liander Liander is de beheerder van het elektriciteitsnetwerk in de Achterhoek. Als zodanig is Liander ook een belangrijke partner in het RES-proces. Liander verstrekt informatie over de status van het netwerk; waar liggen mogelijkheden voor teruglevering aan het netwerk en waar niet. Liander heeft ook de ruimtelijke alternatieven voor toekomstige productie van duurzame energie door zon en wind verkend.
Dit onderzoek, de zogenaamde netwerkimpactanalyse, heeft geresulteerd in inzicht in de kosten van duurzame energie en de tijd die nodig is om die energie op het netwerk te kunnen aansluiten. De opzet en resultaten van deze netwerkanalyse, verwoord in het document “Impact van concept RESscenario’s op de elektriciteits-en gasinfrastructuur RES-regio Achterhoek” (April 2021) zijn terug te vinden op de website van de RES Achterhoek. De resultaten zijn gebruikt om de inhoud van deze RES 1.0 vorm te geven.
Daarbij is wel van belang dat de hoeveelheid opwek per onderstation wordt geborgd evenals de gewenste wind/zon verhouding in elk alternatief. Het tijdspad voor inpassing van duurzame energieproductie moet zijn afgestemd op de uitbreiding van onderstations en vice versa. Dat de opgave voor wind en zon op land aan te sluiten is op het netwerk is mede te danken aan al voorgenomen investeringen door Liander. De navolgende figuur geeft voorgenomen uitbreidingen van onderstations weer.
53
Figuur 12: De planning van de uitbreidingen van onderstations in de Achterhoek
De omvang van deze uitbreidingen is gebaseerd op universele bouwstandaarden. Dat wil zeggen dat uitbreidingen altijd een minimale capaciteitstoename hebben, ongeacht de omvang van de dreigende overbelasting, omdat onderstations uitgebreid worden met standaard ‘bouwblokken’.
8.2
Beschouwing door de netbeheerder
Ten aanzien van de keuzeruimte rond de productie van duurzame energie binnen de Achterhoek heeft de netbeheerder nadere opmerkingen geplaatst. Voor windturbines en zonnepanelen op land stelt de netbeheerder dat: • De wind-zon verhouding in de verschillende alternatieven goed is. Echter, deze kan verslechteren doordat er veel animo is om zonneparken aan te leggen waardoor zone-energie de komende tijd onevenredig toeneemt (zon ontwikkelt immers sneller dan wind) wat in dat geval betekent dat straks daarna alleen nog maar wind moet worden toegestaan wil de regio goede zon-wind verhouding behouden. • De energieproductie zoals opgenomen in de alternatieven 2030 past op onderstations. Dringend aan te bevelen is wel dat een uitvoeringsprogramma wordt opgesteld voor wind- en zonneparken waarin tempo en hoeveelheid energieopwekking per onderstation worden geborgd. Wordt hiervan afgeweken, dan kan het noodzakelijk zijn om investeringen in het netwerk te doen. Dit heeft zowel financiële als tijdsconsequenties waardoor de tijdige productie van duurzame energie onder druk kan komen te staan. • Tot aan het moment dat een variant wordt gekozen, én een voldoende concreet en zeker uitvoeringsprogramma is opgesteld - totdat regie wordt gepakt - de kans op netcongestie aanwezig is.
Zolang de regie ontbreekt kan opwek ontstaan (worden toegestaan) zonder dat een station al is uitgebreid, of kan de totale opwek de capaciteit van een station overschrijden.
54
Om de infrastructuur efficiënt te benutten is het noodzakelijk dat er ook duurzame opwek plaatsvindt via windturbines. Met dezelfde infrastructuur kan door het gebruik van windenergie tot wel vier keer zoveel energie opgewekt worden als met alleen zon. Door niet te kiezen voor windenergie kan de energierekening van de Achterhoeker voor de infrastructuur dus tot wel vier keer zo hoog worden.
Figuur 13: Windenergie in vergelijking met zonne-energie
55
9
Financiële participatie en lokaal eigendom
9.1
Lasten en lusten
De productie van duurzame energie met windturbines en zonnepanelen op land heeft invloed op de leefomgeving van omwonenden en op de omgeving in het algemeen. Dikwijls worden wind- en zonneparken door projectontwikkelaars uitgewerkt en gerealiseerd. Parken worden geregeld verkocht aan andere partijen zoals (buitenlandse) beleggers waardoor de financiële revenuen van de productie van duurzame energie naar buiten de regio vloeien. Dit heeft een disbalans tot gevolg in de ervaren lusten en lasten van de productie van duurzame energie. De regio, omwonenden ervaren de lasten; een verminderd uitzicht, mogelijk hinder van geluid of slagschaduw: Andere partijen ervaren de financiële lusten. Deze scheve verdeling tussen lusten en lasten draagt niet bij aan begrip voor en acceptatie van de productie van duurzame energie. Ook de regionale economie is er niet bij gebaat. Om deze disbalans te doorbreken is in het klimaatakkoord afgesproken dat ernaar gestreefd moet worden dat 50% van de productie van grootschalige hernieuwbare opwek op land, in handen komt van de lokale omgeving, van inwoners en bedrijven. In diverse gemeentelijke beleidskaders van Achterhoekse gemeenten zijn al bepalingen opgenomen die het streven naar lokale financiële participatie en eigendom van energieproductiemiddelen stimuleren.
Ook is het al gangbaar dat projectontwikkelaars een bepaald percentage van de opbrengsten van de energieproductie ten goede laten komen aan de omgeving. De afspraak in het klimaatakkoord gaat aanzienlijk verder dan dat. Deze grote ambitie betekent dat actief moet worden gezocht naar mogelijkheden om het lokaal eigendom of financiële participatie op andere wijze te vergroten. Een planmatig aanpak om dit te bereiken is essentieel.
9.2
Wat betekenen lokaal eigendom en financiële participatie in de praktijk?
Het realiseren van financiële participatie van partijen in een initiatief voor de productie van duurzame energie, eventueel leidend tot (mede)eigenaarschap ervan, betekent dat een vorm van betrokkenheid van partijen moet worden gezocht bij de uitwerking van een initiatief. Initiatiefnemers en omwonenden en andere betrokken partijen moeten samen op zoek naar een wenselijk vorm van financiële participatie. Om dit proces te vergemakkelijken hebben een groot aantal stakeholders (onder meer de NVDE, Energie Samen, NWEA, Holland Solar, VNG, IPO, EZK, UvW) naar aanleiding van het klimaatakkoord een participatiewaaier opgesteld. Deze waaier geeft een overzicht van de mogelijkheden om financiële participatie vorm te geven.
56
Figuur 14: Participatiewaaier (NVDE et al. 2019)
De waaier geeft aan dat er verschillende mogelijkheden zijn voor projectparticipatie: 1. Mede eigenaarschap 2. Financiële deelneming 3. Omgevingsfonds 4. Omwonendenregeling Van eigenaarschap naar omwonendenregeling neemt de financiële betrokkenheid bij een initiatief af. Van een risicodragende financiële inleg, met de kans op een zeker rendement, tot een kleinere vergoeding zonder enig bijkomend risico of verplichting. Het streven naar financiële participatie in een communicatietraject met belanghebbenden rond een initiatief, heeft als bijkomend voordeel dat door juist die betrokkenheid van belanghebbenden ertoe kan leiden dat een zeker gevoel van emotioneel eigenaarschap ontstaat. Het ideaalbeeld is hierbij dat draagvlak voor een initiatief, zo niet een trots op bijvoorbeeld ‘onze windturbine’, ontstaat. De uitdaging bij het verhogen van de financiële participatie van inwoners en partijen binnen de regio is het aanzetten van initiatiefnemers en projectontwikkelaars om een groter deel van de revenuen van energieproductie te laten landen bij andere partijen in de regio dan zijzelf; hoe daadwerkelijk te komen tot het verdelen van de financiële lusten?
9.3
Hoe hier te komen? Alternatieve aanpakken
In de mogelijke aanpakken voor de betere verdeling van de financiële lusten die navolgend worden gepresenteerd speelt de overheid een rol. Enerzijds is er de rol van ‘marktmeester’. Van overheidswege worden de markt, ruimte om projecten voor duurzame energieproductie te realiseren afgebakend en de condities waaronder dat kan bepaald. Anderzijds neemt de overheid zelf het heft in handen en treedt zij zelf op de voorgrond als ontwikkelaar. Op basis van deze noties staan navolgend twee aanpakken om tot collectief eigendom te komen gepresenteerd: 1. Maatschappelijk tenderen 2. Publiek regionaal opererend ontwikkelbedrijf
57
Deze aanpakken sluiten elkaar niet uit. De belangrijkste is het maatschappelijk tenderen. Het oprichten van een publiek regionaal opererend ontwikkelbedrijf kan aanvullend worden ingezet en een bredere doelstelling nastreven.
Maatschappelijk tenderen Maatschappelijk tenderen om een of andere vorm van lokale projectparticipatie vorm te geven, komt neer op het creëren van schaarste; schaarste van publieke rechten om een energie-initiatief te ontwikkelen: Dus schaarste voor ontwikkelaars om een project te kunnen realiseren. Figuur 15: Aanpak maatschappelijke tender
In deze aanpak neemt bijvoorbeeld een gemeente de regierol bij de ontwikkeling van energieinitiatieven op zich. Voor een bepaald zoekgebied voor wind of zon vraagt de gemeente geïnteresseerde partijen (aanbieders) om een aanbod te doen dat aan de relevante ruimtelijke èn maatschappelijke criteria voldoet. Binnen de maatschappelijke criteria zijn expliciet criteria opgenomen ten aanzien van het niveau van financiële participatie waaraan kandidaat projecten bij voorkeur moeten voldoen Uitgangspunt van de tender is dat een zoekgebied voor wind of zon bekend is. Stel er zijn vijf aanbieders die voldoen aan de ruimtelijk criteria om in het gebied een initiatief uit te werken, dan is de lokale overheid juridisch gerechtigd om de aanvullende, maatschappelijke criteria te gebruiken bij de selectie van de aanbieder. Indien het zoekgebied te groot is voor het creëren van schaarste kan het worden getenderd in tranches of in fasen. Om gelijke kansen te realiseren voor de aanbieders “moet het bestuur duidelijkheid geven over:14 • De beschikbaarheid van de schaarse vergunning, • De verdelingsprocedure, • Het aanvraagtijdvak en • De toe te passen criteria”. 14 Mr. J.A Timmerman in “De maatschappelijk tender en meer: handelingsperspectieven voor een gemeente in de energietransitie” 19 mei 2021.
58
Het proces en de te stellen eisen moeten worden vastgelegd in een uitgangspuntennotitie. Het GEA heeft met Energie Samen Gelderland en Klimaatverbond, een handreiking opgesteld waarin deze voorkeursroute verder is uitgewerkt in zeven concrete stappen, zie figuur 1515. De omgevingswet maakt het volgens Timmerman niet anders. Vóór de vergunningverlening wordt in deze aanpak met de aanbieder(s) een privaatrechtelijke overeenkomst afgesloten waarin de maatschappelijke criteria juridisch houdbaar en handhaafbaar worden vastgelegd. Deze aanpak om een zo hoog mogelijk aandeel lokaal eigendom en/of financiële participatie te bewerkstelligen wordt over het algemeen zowel door stakeholders als projectontwikkelaars ondersteund. Publiek regionaal opererend ontwikkelbedrijf Een publiek regionaal opererend ontwikkelbedrijf geeft maximaal invulling aan regie op de realisatie van energieprojecten door de overheid. In een mogelijke opzet van zo’n ontwikkelbedrijf, dat mede uitvoering geeft aan de realisatie van de RES Achterhoek, zijn de overheden die samen de RES Achterhoek hebben opgesteld aandeelhouder van een Holding (NV) die het publiek ontwikkelbedrijf op afstand aanstuurt. Het ontwikkelbedrijf ontwikkelt daar waar mogelijk samen met andere initiatiefnemers (groepen burgers, agrariërs, energiecoöperaties, projectontwikkelaars, energiebedrijven) projecten (privaat-publieke samenwerking).
Uiteraard is de RES 1.0 Achterhoek sturend op waar welke projecten worden opgepakt. Het ontwikkelbedrijf maakt jaarlijks een programma voor op te pakken projecten die door de RESeigenaren (stuurgroep RES Achterhoek) worden vastgesteld. De aandeelhouders investeren in het ontwikkelbedrijf. Hiermee krijgt het bedrijf voldoende middelen om projectontwikkeling van begin tot het einde op te pakken. De projectontwikkelingswinsten die daarbij ontstaan worden gebruikt om nieuwe projecten te ontwikkelen. Zo krijgt het geïnvesteerde geld een revolverend karakter. Het bedrijf krijgt een taakstelling mee op het gebied van de ontwikkeling van projecten voor duurzame energieproductie met minimaal 50% lokaal eigendom en financiële participatie. Hierdoor wordt eigendom maximaal bevorderd. Naast het bevorderen van lokaal eigendom zijn er nog een tweetal belangrijke voordelen aan zo’n publiek ontwikkelbedrijf: 1. Het bedrijf breder inzetten dan alleen voor wind en zon-op-land projecten; het kan ook ingezet worden voor zon-op-dak (zie het Plan van aanpak zon op dak) en – belangrijker zeker in het akkoord van Groenlo – voor diverse energiebesparingsopties. 2.
Daarmee kan een portfolio aanpak helpen om een groter potentieel te realiseren; immers winsten uit projecten met een hogere rentabiliteit kunnen gebruikt worden voor marginale projecten die anders niet gerealiseerd zouden worden Het regionaal opererend publiek ontwikkelbedrijf kan daarmee de energietransitie in den brede helpen versnellen en zal ook de duurzame, Achterhoekse economie verder versterken. 9.4
Plan van aanpak lokaal eigendom
Elementen van bovenstaande aanpakken, komen beide in diverse verschijningsvormen in de Achterhoek voor. Diverse overheden hanteren elementen van deze aanpak, met name van het maatschappelijk tenderen; andere organisaties in de Achterhoek bevatten soortgelijke elementen als die in het instrument ontwikkelbedrijf. Uit een eerste inventarisatie blijkt dat de gebruikte instrumenten in de Achterhoek divers zijn. Om op regionaal niveau op een uniforme en slagvaardige wijze te kunnen handelen is het wenselijk om na te gaan waar harmonisatie van bijvoorbeeld gemeentelijke regelgeving zinvol is. 15 (GEA et al. “De Maatschappelijke Tender als instrument voor de borging van lokaal eigendom bij de (grootschalige) elektriciteitsproductie op basis van wind en zonne-energie” april 2021).
59
Om snelheid hierin te maken is een planmatige aanpak wenselijk. Het tekstkader geeft de contouren van een plan van aanpak om lokaal eigendom te bevorderen weer. Contouren plan van Aanpak Lokaal eigendom Als eerste stap is wenselijk dat de partners in de RES-Achterhoek tot een gedeelde stellingname komen rond het bevorderen van lokaal eigendom. In dit kader is het als eerste opstellen van een kadernota Maatschappelijke duurzame energieprojecten zinvol. Deze geeft richting aan uniform handelen door alle RES-partners. Deze nota bevat onderdelen als: • De gehanteerde definitie van financiële projectparticipatie en lokaal eigendom in hernieuwbare energieprojecten; • De doelstelling van minimaal 50% financiële participatie en lokaal eigendom voor hernieuwbare energieprojecten; • De reikwijdte van deze participatie (overeenkomend met de inhoud van de eerdergenoemde participatiewaaier); • Succes- en faalfactoren huidig beleid en instrumentarium voor het stimuleren van lokaal eigendom en financiële participatie • De mogelijke maatschappelijke randvoorwaarden die meegenomen kunnen worden voor individuele projecten via de maatschappelijke tender.
• Het beschrijven van een modelovereenkomst voor een privaatrechtelijke overeenkomst (“Green Deal”) die de maatschappelijke randvoorwaarden juridisch houdbaar en handhaafbaar borgt; • Het ruimtelijke domein dat binnen de Achterhoek kan vallen onder deze kadernota. Dit is het gebied dat binnen de Achterhoek in beginsel kan worden benut voor wind- of zonne-energieprojecten. Uiteraard is de RES 1.0 Achterhoek hiervoor het vertrekpunt. Na regionale besluitvorming over de kadernota moet de aanpak ‘aan de man worden gebracht’; de invoering ervan houdt activiteiten in zoals: • Het uitwerken van concrete voorbeelden waarin het maatschappelijk tenderen is gehanteerd; • Het per gemeente opstellen van een tender volgorde van gebieden (indien nodig tranches) waarmee voldoende schaarste gecreëerd wordt en vaststelling ervan door de gemeenteraad. De RES 1.0 Achterhoek is hierbij uiteraard het ankerpunt; • Het opzetten van een regionaal kennisplatform voor het delen van kennis en ervaring ten aanzien van maatschappelijk tenderen in de Achterhoek; • Het delen van succesverhalen met een breed publiek. Maak daarbij gebruik van de ervaringen die bij de diverse gemeenten reeds zijn opgedaan met het bevorderen van het lokaal eigendom en/of financiële participatie.
In een tweede, aanvullende stap kan de haalbaarheid van een publiek regionaal opererend ontwikkelbedrijf nader in beeld worden gebracht. De uitvoering van dit plan van aanpak is projectmatig op te pakken als onderdeel van de verdere stappen op weg naar de RES 2.0.
60
10
Regionale structuur warmte
10.1
De regionale structuur warmte
De Regionale Structuur Warmte in deze RES 1.0 brengt de vraag en het aanbod van warmte op basis van bestaande bronnen in kaart. Ook wordt er aandacht gegeven aan kansrijke koppelingen van de warmtevraag en –aanbod. Dit geeft inzicht in potentiële kansen voor collectieve warmtenetten in de regio. Naast collectieve warmtenetten zijn er ook individuele warmteoplossingen nodig. Er wordt een doorkijk gegeven op welke manier de Achterhoek stap voor stap aardgasvrij kan worden. Tot slot wordt er aandacht gegeven aan mogelijke warmtekansen in de toekomst en met het oog op de RSW 2.0 worden aandachtpunten aangestipt. 10.2
Energie besparen
Een belangrijke eerste stap in het verduurzamen van de gebouwde omgeving is het reduceren van de warmtevraag van woningen en gebouwen, bijvoorbeeld door te isoleren. Energiebesparing dus! Warmte die niet wordt verbruikt, hoeft immers ook niet te worden geproduceerd. Ook leidt het beter isoleren van woningen en gebouwen tot een lagere energierekening voor de bewoner/gebruiker en neemt het comfort toe. Zo’n 60% van de woningen in de Achterhoek is gebouwd tussen 1951 en 1990. Deze woningen zijn destijds onvoldoende of minimaal geïsoleerd, waardoor er veel warmte verloren gaat en er relatief hoge temperaturen (70-90°C) nodig zijn om het in de woningen comfortabel warm te krijgen en te houden. Daarom is het besparingspotentieel bij woningen die voor 1990 zijn gebouwd het grootst. Dit inzicht was al bekend in de Achterhoek en dus zijn woningeigenaren van woningen van voor 1990 de afgelopen jaren actief benaderd met verschillende energiebespaar-campagnes vanuit de gemeenten samen met ADV (achterhoek duurzaam verbouwen), het VerduurSaam energieloket, en het huidige Agem Energieloket. De Achterhoekse woningvoorraad De Achterhoek kenmerkt zich als een plattelandsregio (dorpenlandschap) met enkele wat grotere kernen, zoals Doetinchem en Winterwijk. Daarnaast zijn er veel kleinere kernen en buurtschappen en een groot buitengebied met veel verspreide bebouwing.
In januari 2019 stonden er in totaal 129.795 woningen in de 8 gemeenten, waarvan 66% koop en 34% huur (bron: Woonmonitor Achterhoek, 2019)*. Zowel bij de huur- als koopwoningvoorraad zijn de meeste woningen gebouwd in de periode 1970-1990. (34%). Woningen gebouwd vóór 1970 (vóór 1945: 18% en 1945-1970: 22%) zijn potentieel het meest kwetsbaar vanuit het oogpunt van technische kwaliteit (o.a. energetische kwaliteit) en wooncomfort. Het aantal relatief jonge woningen is zowel in de huur- als koopwoningvoorraad het kleinste aandeel (na 1990: 2,24% en na 2010: 2%). Dit geeft een indicatie dat er een grote verbeteropgave ligt in de bestaande woningvoorraad en daarmee ook een grote kans voor energiebesparing. Naast het bouwjaar is ook het woningtype een bepalende factor van de warmtevraag van een woning. Vrijstaande woningen (25%) hebben de hoogste warmtebehoefte, appartementen (13%) de laagste. Het meest voorkomende woningtype in de Achterhoek is de rijwoning (32%) die daar qua warmtebehoefte tussenin valt. Er zijn 26% 2-onder-1-kapwoningen.
10.3 Aardgasvrije bebouwde omgeving CO2-reductie opgave gebouwde omgeving Nederland streeft naar een aardgasvrije gebouwde omgeving in 2050. Het Klimaatakkoord verwoordt diverse doelstellingen en nader in te vullen afspraken tussen partijen. Zeven miljoen huizen en één miljoen gebouwen moeten worden aangepast. De landelijke opgave voor CO2-reductie voor de sector gebouwde omgeving is 3,4 Mton minder CO2-uitstoot in 2030.
61
Met een ambitieuze regionale opgave om de aardgasvraag flink te reduceren zijn we er nog niet: de resterende warmtevraag moet anders, en duurzamer worden ingevuld. Hoe de gemeenten de gebouwde omgeving aardgasvrij gaan maken en in welk tempo dit gebeurt, wordt aangegeven in de Transitievisie Warmte (TVW) en de wijkuitvoeringsplannen (WP). In de TVW geeft de gemeente aan welke wijk wanneer van het aardgas af gaat. Elke gemeente moet uiterlijk in 2021 een Transitievisie Warmte hebben vastgesteld. Transitievisie Warmte en wijkuitvoeringsplannen Voor het opstellen van de Transitievisies Warmte en de wijkuitvoeringsplannen is de informatie uit de RSW zeer bruikbaar. Maar ook anders om: de RSW wordt aangevuld en aangepast op basis van eerste inzichten van de Transitievisies Warmte van de verschillende gemeenten. Dit geldt ook voor nadere informatie die beschikbaar komt over omvang en beschikbaarheid van mogelijke bronnen (o.a. geothermie, aquathermie). Op basis van de eerste verkenningen in RES 1.0 kan inzicht gegeven worden over mogelijkheden van regionale infrastructuur. Voor de TVW hebben de gemeenten van de RES-regio gezamenlijk een data analyse laten uitvoeren. Deze analyse heeft geresulteerd in een online tool, de Warmte Transitie Atlas (WTA). Het is een interactieve website met kaarten, graphics en ondersteunende teksten.
Kaartlagen kunnen aan en uitgezet worden en achterliggende getallen zijn te raadplegen. In de WTA is veel bruikbare informatie te vinden over “warmte”. Figuur 16: Partners in de warmtetransitie
Bron : https://www.binnenlandsbestuur.nl/ruimte-en-milieu/kennispartners/over-morgen/maak-van-deregionale-strategie-warmte-geen.10321318.lynkx
10.4
Warmtevraag en warmteaanbod in de Achterhoek
Huidige en toekomstige warmtevraag Het totale warmtegebruik van de Achterhoek was in 2017 gelijk aan 15.030 TJ. Het totale aardgasverbruik was toen ongeveer 411 miljoen m3 (Klimaatmonitor, 20208). Het meeste aardgas wordt verbruikt in de gebouwde omgeving (65%), maar ook de industrie neemt een flink deel voor haar rekening (32%). De warmtevraag van de gebouwde omgeving à 267 miljoen m3 wordt voor het overgrote deel (75%) bepaald door de warmtevraag van woningen. De overige 25% betreft de warmtevraag van de commerciële en publieke dienstverlening.
62
Uit de Gelderland Warmteatlas blijkt dat de huidige warmtevraagdichtheid in de Achterhoek over het algemeen vrij laag is. In het overgrote deel van de Achterhoek is de warmtevraagdichtheid <1000 GJ per hectare. Slechts de wat grotere dorpen en steden, zoals Winterswijk en Doetinchem, hebben een iets hogere warmtevraagdichtheid van 1000-2000 GJ per hectare. De warmtevraagdichtheid is een belangrijke indicator om te bepalen of er kansen zijn voor collectieve warmteoplossingen (warmtenetten) in de regio. Uit de warmteatlas blijkt dat de warmtevraagdichtheid in 2030 iets lager is dan in 2019. Dit komt vooral doordat er is gerekend met een besparing van 12% bij woningen en 40% bij utiliteitsgebouwen. Het beeld blijft echter grotendeels gelijk aan dat van de huidige situatie: het overgrote deel van de Achterhoek heeft ook in de toekomst een lage warmtevraagdichtheid van <1000 GJ/ha. Warmte-aanbod (potentiële warmtebronnen) In de warmtestudie van Gelderland Warmteatlas zijn de potentiële warmtebronnen in de Achterhoek te zien en een inschatting van de inzetbare warmte in GJ/jaar.
De volgende bronnen zijn onderzocht: • Restwarmte uit industriële processen, datacentra, condensatiewarmte, of het influent van de RWZI/AWZI (riool- en afvalwaterzuivering- installaties) en rioolgemalen • Omgevingswarmte opslag van warmte uit de lucht of water in een WKO (warmte- en koudeopslag), thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) en thermisch energie uit afvalwater (TEA / effluent RWZI) en geothermie • Biomassa laagwaardige verbrandbare en vergistbare biomassa Het overzicht in tabel 3 geeft een indicatie per broncategorie van de belangrijkste warmtebronnen. Het overzicht is niet uitputtend, de provinciale warmteatlas geeft dat volledige beeld wel. De lijst laat zien dat het aantal bronnen en de hoeveelheid inzetbare warmte beperkt is in de Achterhoek. Een belangrijk aandachtpunt bij de inzet van een warmtebron voor een collectief warmtenet is dat dat bron nog lange tijd warmte levert. Vooral bij restwarmte is dit niet altijd te garanderen Tabel 3: Overzicht van beschikbare warmtebronnen in RES-regio Achterhoek. Bron: provinciale warmteatlas. Categorie Industrie TEA TEO Biomassa
10.5
Aantal bronnen 10 6 5 3
Ingeschatte inzetbare warmte (GJ/jaar) 265.208 1.071.756 2.085.831 376.651
Warmtekansen in de Achterhoek
Warmtekaart Achterhoek; inzicht in kansen voor warmtenetten. Er is voor de RSW een warmtekaart gemaakt. Hierop zijn de kansen voor een collectief warmtenet in kaart gebracht. Op de kaart zijn warmteclusters zichtbaar (de roze vlekken), dat zijn plekken met een relatief hoge warmtevraag. De warmtevraag van het cluster is gekoppeld aan de beschikbare warmtebronnen. De warmtebronnen zijn op basis van technische mogelijkheden op volgorde gezet. Hiervoor zijn drie kerncriteria gebruikt: duurzaam, betaalbaar, beschikbaar. Dit geeft een eerste indicatieve volgorde van potentiële bronnen per warmtecluster. Op de kaart is ook aangegeven waar keuzes zijn in de regionale verdeling van de warmtebronnen of regionale infrastructuur (de zwarte gestippelde pijlen). De warmtekaart laat dus per warmtecluster een aantal beschikbare warmtebronnen zien. De bruikbaarheid van deze warmtebronnen is echter nog nauwelijks onderzocht. De bruikbaarheid van deze bronnen voor een warmtenet is sterk afhankelijk van een groot aantal factoren zoals de afstand
63
tot de warmtevraag, de warmtevraagdichtheid van het gebied, het type afnemers, het maximale warmtevermogen van de bron, de leveringszekerheid van de warmte, en het transportverlies. Er is daarom nader onderzoek nodig. Voor de meeste clusters geldt dat de aangegeven beschikbare warmtebronnen individueel ontoereikend zijn om te voorzien in de warmtevraag van het cluster. Of een combinatie van bronnen (met soms ook verschillende temperaturen) een warmtenet kan voeden, moet ook nog worden onderzocht. Per warmtecluster moeten er uiteindelijk keuzes gemaakt worden met de betrokken stakeholders en overheden over de toepassing van de bronnen (allocatie). Hierbij wordt niet alleen naar de eigen RESregio gekeken, maar moet ook RES regiogrens-overstijgende afstemming worden gezocht.
De warmtekaart is een momentopname en zegt nog niet of een alternatief warmtesysteem realiseerbaar is. Hij zal waarschijnlijk naar aanleiding van nieuwe inzichten uit voortgaand onderzoek worden aangepast. Op basis van de warmtekaart kunnen een aantal conclusies worden getrokken. Er is een lage warmtevraagdichtheid in de Achterhoek. Ook is er een beperkt aanbod van warmtebronnen. Hierdoor zijn er niet veel kansen voor grote collectieve warmteoplossingen in de Achterhoek. De Achterhoek kent maar zeven grotere warmteclusters waarbij er een warmtevraag is van meer dan 1500 w.e. (warmte-eenheden) of 60.000 GJ. Het betreft: Groenlo, Winterswijk, Aalten, Ulft, Doetinchem, Didam en ’s-Heerenberg. De warmtekaart geeft voor de zeven grote warmteclusters aan welke warmtebronnen er aanwezig zijn Daarnaast zijn er een twintigtal potentiële kleine warmteclusters (minder dan 1500 w.e.).
64
Er is nader en uitgebreider onderzoek nodig om te bepalen of er een haalbare businesscase voor een warmtenet mogelijk is. Er zijn al een aantal quickscans uitgevoerd in de Achterhoek voor Winterwijk, Etten-Gaanderen-Terborg en Bredevoort. Deze quickscans geven een eerste inzicht over de benutting van de warmtebronnen (zie hieronder). Het is van belang te realiseren dat er ook buiten het huidige beeld kansen bestaan. Bij het schrijven van de Transitievisie Warmte zal er creatief gezocht moeten worden naar oplossingen en is er ook ruimte voor afwijkende of innovatieve oplossingen. Het is mogelijk dat er meer kleinere warmtenetten komen dan wordt aangegeven op de RSW warmtekaart. Ook zal in de TVW veel aandacht zijn aan voor de individuele oplossingen. Ook zal de TVW elke 5 jaar een update krijgen, waardoor nieuwe inzichten verwerkt kunnen worden. Collectieve warmtekansen in de Achterhoek De Achterhoek heeft relatief weinig mogelijkheden voor warmtenetten. Voor veel gebouwen is een individuele oplossing te zoeken. Om de mogelijkheid voor een collectief warmtenet te beoordelen wordt gekeken naar enerzijds de warmtevraag en warmtevraagdichtheid en anderzijds de beschikbaarheid van warmtebronnen. Indien de warmtevraag en warmtevraagdichtheid gekoppeld kunnen worden aan het warmteaanbod is er een kans voor een warmtenet.
Er zijn op hoofdlijnen drie mogelijkheden: • Grote warmtenetten: een bepaalde mate van clustering geeft mogelijkheden voor warmtenetten. Bij de grote warmtenetten gaat het over een warmtevraag van minimaal 1500 warmte-eenheden (w.e.) of 60.000 GJ (per ha, p/j). • Kleine warmtenetten: deze kleine warmtenetten of buurtnetten bestaan uit minder dan 1500 w.e. Deze schaalgrootte is nog niet uitgewerkt, maar er lijken op lokaal niveau kansen te zijn die nader zullen worden onderzocht. • Individuele oplossingen: bij een lage warmtevraagdichtheid door de verspreide bebouwing in het landelijke gebied. Hieronder vallen de warmtepompen, maar ook een strategie als biogas/waterstof waarbij het bestaande gasnet wordt gebruikt, zou kansen kunnen bieden en moet nader worden onderzocht. We gaan hieronder in op de kansen voor grote en kleine warmtenetten. Quickscans naar een aantal warmteclusters in de Achterhoek De RES-regio Achterhoek heeft onder de vlag van de provincie Gelderland ook een aantal quickscans uitgevoerd. In de Achterhoek gaat studies in Winterwijk, de regio Etten, Gaanderen, Terborg en een studie naar kleine warmteclusters met een uitgewerkt voorbeeld in Bredevoort. Hieronder een overzicht. Quickscans provincie Gelderland De provincie Gelderland heeft zo’n 25 quickscans uitgevoerd.
De quickscans geven inzicht in de haalbaarheid van een warmtenet met een bepaalde techniek op een specifieke locatie. Deze quickscans zijn echter ook zo gekozen dat de uitkomsten ook waardevol zijn voor ander vergelijkbare locaties. Gelderse gemeenten kunnen zo gebruik maken van ervaringen op andere plekken. We bouwen samen aan kennis over warmtenetten. De quickscans zijn een momentopname en de uitkomsten kunnen in de toekomst veranderen door nieuwe ontwikkelingen. Quickscans geven wel een eerste inzicht in de huidige mogelijkheden voor een warmtenet. Er is een notitie gemaakt met de conclusies uit de quickscans (hyperlink maken -> de geleerde lessen uit de haalbaarheidsonderzoeken naar collectieve warmtevoorzieningen in een aantal Gelderse gemeenten). De quickscans zelf zijn ook te raadplegen. Het algemene beeld is dat er relatief veel potentie is en dat technisch veel mogelijk is. Maar ook dat op dit moment veel van de onderzochte systemen financieel nog onhaalbaar zijn. Landelijk beleid kan dit beeld echter snel veranderen. Met een hogere gasprijs (niet meer dan anders principe, ACM-warmteprijs gaat omhoog) en/of nieuw stimuleringsbeleid kunnen sommige business cases rendabel worden.
65
Quickscan 1; Winterwijk. TEA In Winterwijk kan de RWZI warmte leveren voor twee wijken, een zwembad en mogelijk het ziekenhuis. Er zijn in de studie verschillende scenario’s onderzocht. Overal is de warmtevraag groter dan het aanbod. Er is uitgegaan een warmtenet met een warmtepomp, en eventueel een WKO. In alle scenario’s is er sprake van bijverwarming met een gasketel voor de pieklast. De conclusie is dat de RWZI voldoende aquathermie-potentie heeft, het systeem technisch haalbaar is en voldoet aan de duurzaamheideisen. Financieel geven alle scenario’s ook een positief beeld. Nader onderzoek voor een warmtenet is dan ook zinvol. Quickscan 2a. Gaanderen, Etten. TEO Er zijn twee scenario’s bekeken waarbij de Oude IJssel warmte kan leveren voor een wijk in Gaanderen of Etten. Het gaat om een warmtenet waarbij het oppervlaktewater in de Oude IJssel gebruikt wordt in combinatie met een warmtepomp, en een WKO. De conclusie is dat de rivier voldoende aquathermie-potentie heeft, het systeem is technisch haalbaar en voldoet aan de duurzaamheideisen. De financiële haalbaarheid is op dit moment nog zeer uitdagend. Er is een groot tekort. Quickscan 2b. Gaanderen, Etten, Terborg. TEA Er zijn drie scenario’s bekeken waarbij de RWZI in Etten warmte kan leveren voor wijken in Gaanderen, Terborg en Etten (in verschillende combinaties).
Het gaat om een warmtenet waarbij warmte van de afvalwaterzuivering gebruikt wordt voor een warmtenet in combinatie met een warmtepomp. Een WKO is niet nodig. In alle scenario’s is de warmtevraag groter dan het aanbod en is er sprake van bijverwarming met een gasketel voor de pieklast. De conclusie is dat de RWZI voldoende aquathermie-potentie heeft, het systeem-technisch haalbaar is en voldoet aan de duurzaamheideisen. Optimale inzet van de restwarmte verdient nog verdere aandacht. Financieel geven alle scenario’s relatief positief beeld, er is maar een klein tekort. Er nader onderzoek nodig om de kostprijs naar beneden te krijgen. Quickscan 3. Kleine warmteclusters en Bredevoort. TEO Op de Warmtekaart Achterhoek zijn ook kleine warmteclusters aangegeven (lichtblauwe vlekken). Er is een lijst gemaakt voor de kleine warmteclusters. De warmtebonnen zijn in kaart gebracht. De potentie van de kleine warmteclusters is bekeken. Het gaat in het algemeen over warmte voor enkele honderden huizen. Het cluster in Bredevoort is nader bekeken. De mogelijkheden voor een warmtenet met warmte uit de Slinge (TEO) is onderzocht. Voor de piekbelasting is gekeken naar de mogelijkheden voor lokaal biogas, naast de reguliere oplossing met aardgas.
Collectieve warmtekansen op de grens met andere RES-regio’s Aan de randen van de RES-regio’s bevinden zich warmtebronnen waar verschillende regio’s aanspraak op zouden kunnen maken. Het is zaak hierover in overleg te gaan met de buurregio’s. Dit betreft de RES-regio’s Arnhem-Nijmegen, de Clean Tech regio en regio Twente. Met RES-regio ArnhemNijmegen delen we twee warmtebronnen (de RWZI in Olburgen, AVR in Duiven) en met RES-regio Clean Tech één (Friesland Campina in Borculo). Met de RES-regio Twente delen we geen warmtebronnen. In alle gevallen is er al overleg tussen de verschillende partijen over de aanwending van de warmte.
66
RES-grens Achterhoek en Arnhem-Nijmegen: AVR in Duiven en RWZI Nieuwgraaf In de gemeente Duiven zijn twee belangrijke warmtebronnen aanwezig; de AVR Afvalverwerking BV en de rioolwaterzuivering Nieuwgraaf. Deze bronnen zijn interessant voor de RES-regio Arnhem Nijmegen (bijvoorbeeld voor de kernen Duiven, Westervoort, Zevenaar, Arnhem, Velp) maar ook voor de RES-regio Achterhoek (vooral voor de kern Didam). De AVR heeft veel industriële restwarmte, maar een belangrijk deel is al gecontracteerd. Er is een overleg gestart met de verschillende stakeholders over de nog niet gecontracteerde warmte. Partijen die deelnemen aan het overleg zijn o.a. de AVR, WRIJ, 1Stroom, en verschillende gemeenten. Er zijn al verschillende onderzoeken gedaan naar de aanwending van de warmte maar er is nog geen besluit over de bestemming. RES-grens Achterhoek en Arnhem-Nijmegen: RWZI in Olburgen Vanuit de rioolwaterzuivering Olburgen is restwarmte beschikbaar (TEA: thermische energie uit Afvalwater). Olburgen ligt in de gemeente Bronckhorst, RES-regio Achterhoek. Deze warmte kan lokaal worden benut, maar ook in de RES-regio Arnhem Nijmegen. Het lijkt voor de hand liggend, vanwege de IJssel als natuurlijk barrière, dat deze warmte in de RES Achterhoek blijft. De gemeente Bronckhorst bekijkt in de op te stellen warmtevisie deze mogelijkheden.
Mocht deze restwarmte niet in de gemeente worden benut, dan zal worden gekeken of de restwarmte kan worden aangeboden en benut in Dieren en/of Doesburg (beiden RES regio Arnhem Nijmegen). RES-grens Achterhoek en CleanTech: Friesland Campina Bij Friesland Campina in Lochem en Borculo (gemeente Berkelland) is veel restwarmte beschikbaar. Er loopt een apart traject rond de vraag hoe deze restwarmte zo goed mogelijk kan worden gebruikt. De partijen die deelnemen in dit traject zijn Friesland Campina, het Waterschap Rijn en IJssel en de gemeenten Berkelland, Lochem en Zutphen.
10.6
Strategie: in stappen naar aardgasvrij
“Aardgasvrij ready” en “no-regret” maatregelen Wijken kunnen in één keer aardgasvrij gemaakt worden. Het proces is echter complex en de kosten zijn hiervoor vaak nog hoog. Er wordt steeds meer geopteerd om wijken stap voor stap aardgasvrij te
67
maken. Wijken worden eerst ”aardgasvrij-ready” gemaakt en gaan pas in een later stadium echt van het aardgas af. In de laatste fase wordt de stap naar geheel aardgasvrij gemaakt. Termen die veel gebruikt worden zijn het “aardgasvrij-ready” maken van woningen en van het nemen van “no-regret” maatregelen. Beide termen zijn belangrijk, maar het ook lastig te definiëren. Ze verschillen per wijk, per woning en het is ook afhankelijk van de gekozen eindoplossing. Beide termen worden door elkaar gebruik, ze hebben met elkaar te maken maar zijn niet hetzelfde. Zo kan “no-regret” financieel gekeken worden (worden de maatregelen terugverdient?) of milieutechnische (isoleren en beperken warmtevraag is altijd goed). Eerste stap; meest voorkomende “no regret” maatregelen Er wordt in de eerste fase een begin gemaakt met de warmtetransitie door de warmtevraag te beperken en maatregelen te nemen die zichzelf terugverdienen. Elke woning is anders en de te nemen maatregelen verschillen daardoor ook, maar het gaat doorgaans om goed isoleren, over stappen op elektrisch koken en het leggen van zonnepanelen. In deze eerste stap kan al het energieverbruik al fors worden teruggebracht. Deze maatregelen worden gezien als no-regret maatregelen. Ze verlagen het energieverbruik, verhogen het comfort en verdienen zich doorgaans terug.
In de Achterhoek is deze stap in veel gevallen belangrijk om de laatste stap naar aardgasvrij te maken. Veel nieuwe warmtetechnieken werken op lage of midden temperatuur (40-70°C), waardoor het voor een groot deel van de Achterhoekse woningvoorraad het noodzakelijk is woningen te isoleren en geschikt te maken voor de laatste stap naar aardgasvrij. Mogelijke tussenstap; een hydride warmtepomp Een veel genoemde tussenstap naar aardgasvrij is het toepassen van een hybride warmtepomp; dat is een combinatie van een warmtepomp en een gasketel. De woning wordt met de warmtepomp (dus elektrisch) verwarmt, maar voor de piekbelasting en voor het warm tapwater wordt nog steeds aardgas gebruikt. Het is bij het toepassen van een hybride warmtepomp nog niet nodig om het huis geheel aan te passen op een lage temperatuur verwarming. Met zo’n hybride systeem kan er in combinatie met isolatiemaatregelen gemiddeld ca. 70% aardgas worden bespaard bij een woning. Het elektriciteitsverbruik gaat wel omhoog. Maatwerk Bij het adviseren en stimuleren van de inwoners is het belangrijk rekening te houden met de toekomstige warmtebron, als vervanger van het aardgas. In de Transitievisies Warmte wordt hierop ingegaan. In de wijkuitvoeringsplannen komt hierover pas meer duidelijkheid. Pas dan kan de eigenaar van een gebouw dan goed anticiperen bij het treffen van isolatiemaatregelen.
De laatste stap; aardgasvrij Wijken of gebouwen die aardgasvrij-ready zijn kunnen later de stap naar geheel aardgasvrij nemen. Het toekomstperspectief naar volledig aardgasvrij kan nog zowel een all-electric oplossing, een warmtenet of andere vormen van warmtevoorziening zijn. Te maken keuzes zijn ook afhankelijk van de geschiktheid van de woning om deze vergaand te isoleren (naar een hoog isolatieniveau) en van de mogelijkheid om als wijk naar een collectief systeem over te stappen. Er zijn voorlopig niet veel collectieve warmtebronnen in de Achterhoek. In veel gevallen de eindoplossing een all-electric variant zijn. Denk hierbij aan warmtepompen en een lage temperatuur verwarming (zoals vloerverwarming).
Op basis van bouwjaar is de bestaande Achterhoekse woningvoorraad grofweg in te delen in 4 isolatieniveaus: 1. Woningen met slechte of onvoldoende isolatie. a. Benodigde (aanvoer)temperatuur: ca. 90°C (hoog). b. Woningen met bouwjaar <1975.
68
2.
3.
4.
Woningen met een minimumisolatieniveau. a. Benodigde (aanvoer) temperatuur: 70°C (midden). b. Woningen met bouwjaar 1975-1990. Woningen met een basisisolatieniveau a. Benodigde (aanvoer)temperatuur: 40-70°C (laag-midden). b. Woningen met bouwjaar 1990-2005. Woningen met een hoog isolatieniveau. a. Benodigde (aanvoer)temperatuur: 40°C (laag). b. Woningen met bouwjaar >2005.
Kansen voor de toekomst: andere warmteopties voor de Achterhoek Er zijn een aantal warmtebronnen die in de toekomst een rol kunnen gaan spelen in de Achterhoekse wamtetransitie. Op dit moment is nog niet duidelijk of en in welke mate dat daadwerkelijk gaat gebeuren. In volgende versies van de RSW zal hier steeds meer duidelijkheid over ontstaan. Het is belangrijk dat bij elke warmtebron naast de opwekking gekeken moet worden naar het transport en de afnamemogelijkheden van de warmte. We behandelen hier enkele opties. Groen gas, houtige biomassa, waterstof, geothermie en zonthermie.
Foto: De bloemenbuurt in Didam is op weg naar aardgasvrij
Groen gas Biogas wordt geproduceerd door vergisting van organische stoffen. De Achterhoek huisvest veel landbouwhuisdieren en heeft daarom veel mest en dat biedt kansen. Groen gas is biogas dat is opgewaardeerd naar aardgaskwaliteit. Groen gas lijkt een zeer gunstig alternatief omdat het toegepast kan worden in het huidige gasnet. Die infrastructuur bestaat al. Nadelen zijn dat het opwaarderen van biogas naar groengas kostbaar is en dat de productie nog zeer beperkt is. Daarnaast wil Nederland overstappen naar een kringlooplandbouw om te kunnen voldoen aan het Klimaatakkoord. Dit betekent dat de veestapel zal afnemen en er minder mest beschikbaar komt voor vergisting. De toekomstige vraag naar groen gas als alternatief voor aardgas in de industrie, transport en de gebouwde omgeving is vele malen groter dan het aanbod. Bij het gebruik van groen gas kunnen hoge temperaturen worden bereikt, en daarom wordt het vooral gezien als een oplossing voor de zware industrie en zwaar transport. Groen gas als alternatief voor aardgas in de gebouwde omgeving is dan ook een sluitstuk.
69
Groen gas wordt doorgaans ingevoed in het landelijke aardgasnetwerk. Het is daarmee ook niet beschikbaar voor een lokaal warmtenet. Het groen gas zal landelijk worden verdeeld en ingezet worden op plaatsen waar geen andere (betaalbare alternatieven) voorhanden zijn. Houtige biomassa Houtige biomassa werd tot voor kort als een duurzame energiebron gezien wanneer het voldeed aan de wettelijke eisen opgesteld door het Rijk. Er is nu echter ook veel discussie of het verbranden van houtige biomassa wel een duurzame oplossing is. De oorsprong van biomassa is van belang. Het minst schadelijk (of het meest duurzaam) is biomassa afkomstig uit snoeihout (geen primaire kap) en afvalstromen die lokaal/regionaal worden ingezet met minimale transportafstand. Naast de bron is de wijze van toepassen belangrijk. Biomassa kan daar worden ingezet, waar er geen ander duurzaam alternatief voorhanden is of het kostenverschil tussen biomassa en alternatief heel groot is. Biomassa dient dan te worden gezien als een transitiebron. De RES 1.0 voor de achterhoek zet niet in op collectieve biomassacentrales. Het inzetten van biomassa als warmtebron voor bijvoorbeeld de piekbelasting kan een tijdelijke oplossing zijn. Dit is afhankelijk van de situatie. Waterstof De aarde herbergt geen grote voorraden waterstof. Om aan de brandstof te komen, moet deze eerst worden gemaakt.