CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

ETFAL toelichting omgevingsplanwijziging Pastoor van Ars

Raadscommissie 7 oktober 2025, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Omgevingsplan, beeldkwaliteitsplan en grondexploitatie woningbouw voormalige Pastoor van Ars school Lichtenvoorde20.644 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

23

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld 5.3.1

Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030

De Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030 is geldend vanaf 4 maart 2023. De woonagenda is tot stand gekomen op basis van brede bevraging van stakeholders en in nauw overleg met vertegenwoordiging uit de Thematafel Wonen en Vastgoed (accounthouders) en uit het Ambtelijke overleg wonen regio Achterhoek. Daarnaast is de voortgang en de vaststelling van de woonagenda voortdurend en integraal besproken aan de Thematafel Wonen en Vastgoed. Na vaststelling door de zeven gemeenteraden vormt dit document het kader voor de uitvoering en dient het tevens als uitgangspunt voor de vraag aan de samenleving om ideeën en plannen. In de woonagenda is de woningbehoefte in beeld gebracht op basis van drie belangrijke factoren. Dat zijn de grotere en gewijzigde woonbehoeftes uit onze regio zelf, de behoefte aan aanvullende arbeidskrachten en de toenemende trek naar de Achterhoek vanuit andere delen van het land. De woonagenda is gericht op de huisvesting van alle doelgroepen. Daartoe behoren starters op de woningmarkt, ouderen, en inwoners behorend tot de bijzondere aandachtsgroepen. Dit vraagt om een passend woningaanbod, waarvan een aanzienlijk deel betaalbaar moet zijn zowel in het koopals in het huursegment. Naast kwaliteitsaspecten als duurzaam en toekomstbestendig bouwen, geeft de agenda aandacht aan de belangrijke aspecten die spelen in de fysieke leefomgeving.

Het gaat hierbij om een goede leefbare woonomgeving, bereikbaarheid en voorzieningen, maar ook klimaatadaptie en een goede ruimtelijke inpassing. De Regionale woonagenda 2023-2030 anticipeert op de groeiende behoefte aan woningen en het versnellen van de woningbouw en biedt een nieuw kader voor woningbouwplannen. Concreet geeft de woonagenda aan dat bij nieuwbouwprojecten van meer dan 20 woningen een onderverdeling in betaalbaarheid wordt gehanteerd. Daarmee wordt het volgende nieuwbouwprogramma bedoeld: • • •

28% sociale huur; 32% betaalbare koop tot € 355.000 en middenhuur tot € 1.000 per maand; 40% vrij in te vullen.

Waarbij in het koopsegment een extra categorie wordt gehanteerd voor betaalbare koopwoningen. Voor starters ligt de betaalbaarheidsgrens van koopwoningen vast op maximaal € 250.000. Wanneer wordt afgeweken van de kaders in de regionale woonagenda dan wordt dit regionaal afgestemd en komt er een zorgvuldige onderbouwing. 5.3.1.1 Toetsing van het initiatief aan de Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030 Het voornemen voorziet in de bouw van 26 woningen en voldoet daarmee aan het nieuwbouwprogramma uit de Regionale woonagenda. De ontwikkeling bestaat uit één vrijstaande woning, vier twee-onder-een-kappers, zes tussen/hoekwoningen voor de koopsector en 15 tussen/hoekwoningen voor de sociale huur. De rijwoningen voor de koopsector zijn met name bedoeld voor starters. De vrijstaande woningen en twee-onder-een-kappers voor senioren. Het aanbod is dus divers en voor verschillende doelgroepen bedoeld (starters, doorstromers en senioren). Hiermee wordt aangesloten bij de uitgangspunten van de Regionale Woonagenda 20202030.

5.4

Gemeentelijk beleid

Het gemeente beleid is verwoord in tal van beleidsplannen op het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld 5.4.1

Woonvisie 2023-2027

5.4.1.1 Algemeen Op 4 juli 2023 heeft de gemeenteraad de Woonvisie 2023-2027 voor Oost Gelre vastgesteld. De rijksoverheid heeft de landelijke woondeal vastgesteld. Deze is vertaald in de regionale woonagenda. Hieruit is de lokale woonvisie voor Oost Gelre ontstaan in samenwerking met andere gemeenten in de regio. In deze woonvisie staat hoe in Oost Gelre de lokale uitdagingen op de woningmarkt opgepakt worden. In de woonvisie komen drie ambities naar voren: 1. Meer woningen bouwen Met de Rijksoverheid is afgesproken dat Oost Gelre tenminste 895 woningen gaat bouwen. De ambitie van de gemeente ligt echter hoger, namelijk in 9 jaar 1.265 woningen bouwen. Dat is 140 woningen per jaar. 2. Meer variatie in woningen Er wordt gericht op de bouw van betaalbare woningen. Een derde van de woningen die gebouwd worden zijn bedoeld voor sociale huur. Nog eens een derde bestaat uit betaalbare koopwoningen tot € 355.000. Verder is er aandacht voor woningen die geschikt zijn voor ouderen (traploos, levensloopbestendig) en voor kortere perioden (flexwonen). 3. Duurzaamheid, natuur en klimaat Aansluiting wordt gezocht bij het advies van de Rijksoverheid. Regenwater wordt opgevangen, vastgehouden en afgevoerd. Dat voorkomt droogte en wateroverlast. Hitte wordt beperkt door verharding waar kan te vervangen voor groene oplossingen.

Tot slot is er aandacht voor CO2-uitstoot, verduurzaming van bestaande woningen en een combinatie van circulair en natuurinclusief bouwen. 5.4.1.2 Conclusie Woonvisie 2023-2027 Het plan voorziet in het bouwen van meer woningen op een duurzame, klimaatbestendige manier. Het plan voorziet in een gevarieerd woningaanbod voor verschillende doelgroepen. Tevens wordt er met een plan een bijdrage geleverd aan de ambitie om de woningvoorraad sociale huur uit te breiden, met het toevoegen van 15 sociale huur woningen. Het voornemen sluit daarmee aan bij de Woonvisie 2023-2027. 5.4.2

Economische visie - Economie Voorop!

5.4.2.1 Algemeen Een sterke economie is een van de belangrijkste voorwaarden om te kunnen blijven bouwen aan een gezonde gemeente. Werk is daarbij een van de belangrijkste pijlers. Werk biedt mensen de kans tot ontwikkeling, het bevordert de integratie, biedt sociale contacten en structuur en betrekt de burger bij de samenleving. Participatie, zelfontplooiing en inkomen staan in nauwe relatie tot gezondheid en welzijn. De gemeentelijke rol ligt in het nemen van verantwoordelijkheid voor het algemene vestigingsklimaat, het faciliteren en stimuleren van ondernemerschap, bijdragen aan netwerken en verbindingen in de regio, bijdragen aan de verbinding onderwijs en arbeidsmarkt, zorgen voor goede woonvoorzieningen en geschikte werklocaties. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Oost Gelre is de Economische visie tot stand gekomen. De ontwikkelingen nu en in de toekomst van onze gemeente zijn aanleiding geweest om te onderzoeken waar de gemeente Oost Gelre op dit moment staat, wat al wordt gedaan en wat er de komende jaren moet worden aangepakt om een aantrekkelijke gemeente te blijven en nog aantrekkelijker te worden voor huidige en nieuwe inwoners en ondernemers. De opgestelde economische visie bestaat uit een aantal speerpunten waar de focus op gelegd wordt en de hierbij behorende doorvertaling in concrete acties en inspanningen.

De economische uitvoeringsagenda is een zogenoemd 'levend document', dat na vaststelling bijgewerkt en aangevuld kan worden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld 5.4.2.2 Conclusie Economische visie - Economie Voorop! Met het plan wordt voorzien in goede woonvoorzieningen. Binnen de economische visie wordt dit gezien als één van de kerntaken van de gemeente. Met het plan wordt derhalve voldaan aan de Economische visie – Economie Voorop!. 5.4.3

Welstandsbeleid Oost Gelre 2017

5.4.3.1 Inleiding Met het welstandsbeleid wordt richting gegeven aan gebouwen en het landschap in de gemeente Oost Gelre. Wat is belangrijk om te behouden of te beschermen en op welke plekken kunnen de burgers meer vrijheid van handelen krijgen. Deze keuze vormt de politieke component van het welstandsbeleid. De gemeenteraad heeft aangegeven meer "vrijheid" te willen en meer te willen "inspireren". Het beleid is gericht op deregulering: voor minder bouwaanvragen een welstandstoets gebaseerd op minder en duidelijkere regels. Op de vraag hoe eventueel welstandstoezicht zou moeten plaatsvinden, wordt hier al een voorlopig antwoord geformuleerd: niet door te omschrijven hoe het gebouw moet worden, maar door aan te geven waarop de beoordeling van het ontwerp gebaseerd moet worden. Het welstandsbeleid biedt concreet gereedschappen (handvatten) voor burgers, ondernemers en gemeente om samen aan de slag te gaan met nieuwe ruimtelijke initiatieven. Aan het welstandsbeleid is een Inspiratiedocument gekoppeld. Dit document vormt een belangrijke basis voor het welstandsbeleid. In dit document zijn de kernkwaliteiten voor Oost Gelre beschreven. Deze kernkwaliteiten en kansen voor de kernen bieden aanknopingspunten ter inspiratie voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

5.4.3.2 Beeldkwaliteitsplan De kwaliteit van het plangebied wordt bepaald door enerzijds de ruimtelijke opzet en anderzijds door de architectonische kwaliteit van de bebouwing. De in het beeldkwaliteitsplan opgenomen randvoorwaarden geven richting aan de verdere uitwerking van het plan. Dit beeldkwaliteitsplan vormt hiermee het toetsingskader voor nieuwe bouwaanvragen voor initiatiefnemers en architecten. Het beeldkwaliteitsplan geldt naast de gemeentelijke welstandsnota. 5.4.3.3 Toetsing van het plan aan het Welstandsbeleid In het gemeentelijke welstandsbeleid zijn een viertal benaderingen opgenomen. De aanpak vanuit de gemeente is hierbij dat er niet exact wordt aangeven hoe het gebouw er precies uit moet komen te zien. Het samenspel tussen initiatiefnemers en welstand is hierbij belangrijk. Het verschil tussen de welstandsgebieden waar welstand zich mee bezighoudt is dus niet een kwestie van streng, strenger, strengst maar van een beoordeling op één, twee of maximaal drie schaalniveaus: omgeving, gebouw en detail. Er wordt uitgegaan van verschillende benaderingen waarop het initiatief geadviseerd wordt. Binnen de welstandsbeleidskaart ligt het plangebied binnen ‘Gebieden bebouwde kom’ in de zone ‘Gemengde woongebieden Oost Gelre’. Vanuit het welstandsbeleid is de “Aandachtige benadering” in combinatie met de gereedschapskist voor de gemengde woongebieden van toepassing.

Het beeldkwaliteitsplan uit Bijlage 1 is uitgewerkt met de uitgangspunten van de ‘Aandachtige benadering, en de gemeentelijke gereedschapskist uitgewerkt.

5.4.4

Erfgoednota 'Wi-j doet 't samen' 2017-2020

5.4.4.1 Algemeen Cultuur en erfgoed dragen bij aan de economie en de maatschappij. Zij dragen bij aan het toerisme en aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven en bewoners. Door de gemeenten Winterswijk, Aalten en Oost Gelre is gezamenlijk de erfgoednota opgesteld. Het beleven van erfgoed is een van de ambities in deze nota om daarmee het (economisch) rendement te vergroten. Het doel BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld van de nota is het vaststellen van ambities voor de ontwikkeling en instandhouding van het erfgoed, zodat dit:

• • • •

op een goede wijze kan worden doorgegeven aan de volgende generatie; een inspiratiebron en motor kan zijn voor nieuwe ontwikkelingen; een verbinding vormt tussen diverse beleidsterreinen, organisaties en de drie gemeenten; de identiteit onderstreept en versterkt.

5.4.4.2 Conclusie Erfgoednota 'Wi-j doet 't samen' 2017-2020 Bij de ontwikkeling zijn geen monumentale of karakteristieke panden betrokken. Het plan past binnen Erfgoednota 'Wi-j doet 't samen' 2017-2020. 5.4.5

Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014 - 2024

5.4.5.1 Inleiding Het Rijk en de provincies leggen hun verkeer- en vervoersbeleid vast in een beleidsplan. Gemeenten zijn vrij in de manier waarop zij hun beleid vastleggen. Het is wel een verplichting om aan te geven hoe het verkeer- en vervoersbeleid in de gemeente wordt vormgegeven. Hiervoor heeft de gemeente Oost Gelre, in navolging van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoer Plan 2011-2015 (GVVP), het "Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024" vastgesteld. Het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) heeft betrekking op de periode 2014-2018 en wordt geactualiseerd. Waar voorheen het GVVP zich vrijwel uitsluitend beperkte tot een aantal maatregelen die slechts betrekking hadden op de verkeersproblematiek, is nu gekozen voor een opzet die de oplossing van verkeers- en vervoersproblemen in een breder kader plaatst. De hernieuwde insteek voorziet in een integrale benadering van het verkeer in een landschappelijke en ruimtelijke omgeving. Verkeer is vaak een afgeleide van ruimtelijke ontwikkelingen. Vanuit deze integrale benadering zijn er ambities, aandachtspunten en beleidsprincipes in beeld gebracht. Dit leidt tot een concreet uitvoeringsprogramma om de komende jaren aan te werken. In het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) is ruimte geboden voor het inbrengen van (lokale) aandachtspunten door burgers/belangengroepen.

Deze zijn geïnventariseerd en vervolgens opgenomen in het uitvoeringsprogramma. 5.4.5.2 Conclusie Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024 In voorliggend geval zijn de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling van belang. In paragraaf 3.2 wordt hier nader op ingegaan. 5.4.6

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijke beleid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld

HOOFDSTUK 6 6.1

OMGEVINGSVEILIGHEID

Algemeen

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) 6.2

Beleidsvisie Externe veiligheid gemeente Oost Gelre

Als gevolg van enkele rampen en incidenten, zoals de vuurwerkramp in Enschede, is externe veiligheid een belangrijk thema geworden. Deze rampen en incidenten hebben ertoe geleid dat de Rijksoverheid diverse maatregelen heeft genomen om acht te krijgen op de risicobronnen in Nederland en het optimaliseren van de risicobeheersing rondom de risicobronnen. Maatschappelijk gezien hebben deze rampen eveneens een belangrijke bijdrage geleverd aan de bewustwording van het leven met veiligheidsrisico's. Helder is dat de huidige maatschappij nu eenmaal veiligheidsrisico's met zich meebrengt, maar dat er wel grenzen aan deze risico's gesteld moeten worden. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente allereerst haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten.

Daarnaast wordt aangegeven welke maatregelen genomen moeten worden om de geformuleerde ambities te realiseren en welke instrumenten daarvoor kunnen worden ingezet. De maatregelen worden uitgewerkt in andere gemeentelijke documenten (bestemmingsplannen / streekplannen, milieuvergunningen en rampenbestrijdingsplannen). In die zin bestrijkt de beleidsvisie zowel de beheersing van risico's als de bestrijding van een ramp wanneer die zich voordoet.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld 6.3

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 6.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en omgeving weergegeven.

Afbeelding 6.1

Uitsnede risicokaart externe veiligheid (Bron: atlasleefomgeving.nl)

In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele risicobronnen. Het plangebied ligt op een afstand van circa 1,1 kilometer van de provinciale weg N18, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Op circa 810 meter van het plangebied bevindt zich een opslagtank vloeistoffen. Op circa één kilometer van het plangebied bevindt zich een tanksation met LPG verkooppunt. Zoals weergegeven in afbeelding 6.1 bevindt het plangebied zich ruimschoots op veilige afstand en buiten de risicocontouren van de risicobronnen. 6.3

Conclusie

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld

HOOFDSTUK 7

BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

7.1

Vigerend beleid

7.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 7.1.2

Rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 7.1.3

Provinciaal beleid

De Omgevingsvisie Gelderland is mede kader voor de wijze waarop omgegaan wordt met water in het plangebied. Het waterplan is beschreven aan de hand van een aantal thema’s zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Hierbij is rekening gehouden met de Europese kaderrichtlijn water en het beleid. 7.1.4

Beleid Waterschap Rijn en IJssel

Het waterschap Rijn en IJssel zorgt voor het water in de omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema’s. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld •

•

•

•

7.2

Klimaatrobuust gebied: Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied: Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. Circulaire Economie en Energietransitie: Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren. Gezonde leefomgeving: Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid.

Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.

Wateraspecten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.

7.3

Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied

Het bedrijf Civicon heeft een uitgebreid water- en rioleringsplan gemaakt voor de voorgenomen ontwikkeling. Het uitgewerkte plan is voorgelegd aan het waterschap ter controle. Het gehele wateren rioleringsplan is bij deze motivering toegevoegd als Bijlage 2. Als volgt wordt beknopt ingegaan op de conclusies: • • •

• • •

•

Globaal beschreven is het plangebied gelegen aan de westelijke rand van de bebouwde kom van Lichtenvoorde; Het maaiveld binnen het plangebied varieert van 19,70 m tot 20,20 m +NAP. Globaal gezien loopt het maaiveld in het plangebied af richting het westen; Door ASC Sports & Water is op basis van de langjarige peilbuisgegevens van TeleControlNet (TNO) een freatische grondwaterfluctuatie afgeleid tussen de 17,90 en 19,30 m +NAP. Voor dit plangebied is op basis van deze gegevens een GHG aangehouden van 19,20 tot 19,30 m +NAP; Door middel van een in situ geohydrologisch onderzoek is een K-waarde bepaald van gemiddeld 1,5 tot 2,0 m/dag. De K-waarde is voldoende om hemelwater in de bodem te infiltreren; In en rondom het plangebied is geen A-watergang of oppervlaktewater aanwezig; Het afvalwater wordt onder vrij verval verzameld. Het nieuwe vrijvervalstelsel wordt aangesloten op het bestaande gemengd stelsel in de Bernhard ter Haarstraat en de Frans ten Boschstraat. Een deel van de woningen kan direct worden aangesloten op het bestaande gemengd stelsel; Voor het droogweeraanbod is rekening gehouden met 120 l/inw/dag, gedurende 24 uur. Op basis van het aantal woningen resulteert dit in een vuilwateraanbod van 9,4 m3/dag. Verdeeld over 10 uur geeft dit een piekbelasting van 0,94 m3 per uur;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld • •

• • •

7.4

Het toekomstig verhard oppervlak is circa 4.430 m2; De volgende bergingseisen zijn aangehouden: o T=100 +10% (80 mm) bergen in de infiltratievelden, peilstijging tot maximaal het maaiveld; o Er is rekening gehouden met infiltratieverliezen tijdens de bui; Het plan is hydraulisch getoetst op bui08, bui10 en bui11; Het plan wentelt niet extra af op belendende percelen of omliggend gebied. Binnen het plan ontstaat geen wateroverlast. De wateroverlast in omliggend gebied wordt niet verergerd door de ontwikkeling; In het plangebied bevindt zich een bestaande middenspanningsruimte. Bij de verdere uitwerking moet aandacht zijn voor deze ruimte, met name ten aanzien van de oppervlakkige afwatering van hemelwater.

Conclusie

Met voorliggend wijzigingsbesluit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld

HOOFDSTUK 8

BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU

Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • •

geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen.

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘duurzaamheid’ behandeld.

8.1

Geluid door activiteiten

8.1.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •

activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 8.1.2

Gemeentelijk geluidsbeleid

Geluid is een belangrijke bron van hinder en zelfs een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. Naar schatting een miljoen mensen in Nederland ondervinden ernstige hinder van geluid. Belangrijke bronnen zijn wegverkeer en in minder mate railverkeer en industrielawaai. Ook buren zijn belangrijke veroorzakers van geluidhinder. Het is daarom belangrijk om in het gemeentelijke geluidbeleid hinder ten gevolge van geluid te reduceren. Stilte (het ontbreken van hinderlijk geluid)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld is een belangrijke kernkwaliteit van de Achterhoek. Deze kwaliteit is het waard om beschermd te worden. Daarnaast is het een belangrijke gemeentelijke taak om ruimte te bieden aan (geluidproducerende) bedrijvigheid en verkeer. Een goede balans daartussen is de uitdaging van dit beleidsstuk. Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad het nieuwe 'Geluidbeleid Oost Gelre' vastgesteld. Met dit beleid worden de uitgangspunten en de normen van het Activiteitenbesluit als basis genomen voor het bepalen van de geluidsnormen. Uitzondering hierop zijn agrarische bedrijven. Het Activiteitenbesluit kent wat betreft geluidnormering maar twee gebiedstypes (bedrijventerrein en al het overige) met twee bedrijfstypes (agrarisch en tankstations) als uitzondering. Dit staat in schril contrast met het 'oude' geluidbeleid van Oost Gelre waarin negen verschillende gebiedstypes en vele (streef-, grens- en plafond) waarden werden aangeduid. Het Activiteitenbesluit is nu voor het overgrote deel van de bedrijven van toepassing. Het Activiteitenbesluit is niet meer van toepassing onder de Omgevingswet. Echter is de regelgeving hieruit wel opgenomen in het tijdelijke gedeelte van het omgevingsplan. Derhalve is het gemeentelijke geluidsbeleid relevant. 8.1.3

Situatie plangebied

Voorliggende ontwikkeling voorziet in het realiseren van 26 woningen. Woningen worden aangemerkt als geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: • • •

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

Het plangebied ligt niet in de nabijheid van spoorwegen. Een onderzoek naar railverkeerslawaai is niet nodig. Het plangebied ligt in het geluidsaandachtsgebied van verschillende wegen. Door BJZ.nu is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 3. De belangrijkste conclusies worden hieronder vermeld. Onderzoeksresultaten Het projectgebied ligt binnen het geluidsaandachtsgebied van de: • • •

Oude Aaltenseweg; Frans ten Boschstraat Doctor Schaepmanstraat

Daarnaast ligt het plangebied nabij meerdere 30 km/uur wegen, namelijk: Hugo de Grootstraat, Evert Heusinkveldstraat, Bernard ter Haarstraat en de Hein Meijerstraat. Deze wegen hebben formeel een geluidsaandachtsgebied. De verkeersintensiteit van deze wegen is laag. Hierdoor is er vanuit gegaan dat deze wegen akoestisch niet relevant zijn. Opgemerkt wordt dat op de Oude Aaltenseweg, de Frans ten Boschstraat en de Doctor Schaepmanstraat in de bestaande situatie een 50 km/uur snelheidsregime geldt. De gemeente heeft laten weten dat deze wegen binnenkort worden afgewaardeerd tot 30

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld

km/uur wegen. In het akoestisch onderzoek is daarom uitgegaan van een 30 km/uur snelheidsregime voor alle gemodelleerde wegen. Het akoestisch onderzoek beoordeelt dat de hoogste geluidsbelasting die binnen het plangebied op de woningen wordt gemeten 50 dB bedraagt. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht mag worden. Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen een geluidaandachtsgebied van een industrieterrein. Nader onderzoek naar industrielawaai is niet noodzakelijk. Solitaire bedrijvigheid Hieronder zal de geluidshinder van bestaande functies in de omgeving worden beschreven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden geluid uit de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In dit geval is er gezien de aard van de omgeving sprake van een ‘rustige woonwijk’. Opgemerkt wordt dat is gemeten tussen de gevel van de dichtstbijzijnde (te realiseren) woning en de bestemmingsvlakken van onderstaande functies.

Adres en functie

Maximale toegelaten milieucategorie

Richtafstand geluid

Daadwerkelijke afstand (circa)

Sport (Postduivenvereniging De Blauwe Doffer)*

2

30 m

18 m

2

30 m

53 m

2

30 m

141 m

4.1

50 m

350 m

3.1

30 m

660 m

Oude Aaltenseweg 31 Maatschappelijk verenigingsleven*

–

Oude Aaltenseweg 31 Groen Els)*

(speeltuin

de

Doctor Schaepmanstraat 4 Agrarisch - intensieve veehouderij (pluimvee) Oude Aaltenseweg 66 Agrarisch - intensieve veehouderij (rundvee) Oude Aaltenseweg 41 t/m 43 *Aan de Oude Aaltenseweg ter hoogte van nummer 31 zijn twee panden aanwezig. Op de locatie voorzien van de functie ‘Sport’ is momenteel een postduivenvereniging gevestigd. Deze functie is niet omschreven in de VNGpublicatie. De meest passende functie uit de VNG-publicatie is ‘Buurt- en clubhuizen’, daarom is uitgegaan van milieucategorie 2. Op de locatie voorzien van de functie ‘Maatschappelijk’ met aanduiding ‘verenigingsleven’ bevindt zich een verenigingsgebouw. Deze functie is eveneens niet omschreven in de VNG-publicatie. De meest passend functie uit de VNG-publicatie is eveneens ‘Buurt- en clubhuizen’, daarom is uitgegaan van milieucategorie 2.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld Tot slot bevindt zich aan de Docter Schaepmanstraat speeltuin de Els. Deze functie is niet omschreven in de VNG-publicatie. De meest passende functie uit de VNG-publicatie is ‘Kinderboerderijen’, daarom is uitgegaan van milieucategorie 2.

Gezien de bovenstaande tabel wordt aan alle richtafstanden voor geluid voldaan. Gelet op vorenstaande mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 8.1.4

Conclusie

Met voorliggende ontwikkeling wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect geluid.

8.2

Bodemkwaliteit

8.2.1

Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •

Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 8.2.2

Situatie plangebied

Door Econsultancy is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder worden de onderzoeksresultaten puntsgewijs weergeven. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 3 van deze toelichting. Onderzoeksresultaten De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als “onverdacht, niet lijnvormig” kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen in de bodem en de lichte tot matige verontreiniging in het grondwater, verworpen. Echter, gelet op de mate van verontreiniging in de grond en de natuurlijke oorsprong van de verontreiniging in het grondwater, bestaat er géén reden BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw de onderzoekslocatie. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Econsultancy acht een onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 dan ook niet noodzakelijk. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. 8.2.3

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.3

Luchtkwaliteit

8.3.1

Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.

Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 8.3.2

Situatie plangebied

Om te beoordelen of het voornemen ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan luchtverontreiniging is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. Hierbij is gerekend met de verkeersgeneratie zoals berekend in paragraaf 3.2.2 en met 10% vrachtverkeer (worst-case scenario). Aangezien het voornemen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld uitsluitend de functie 'wonen' betreft wordt verwacht dat het aantal vrachtverkeer in realiteit lager zal liggen. Het aandeel van vrachtverkeer in de aanlegfase is buiten beschouwing gelaten, omdat dit tijdelijk van aard is. Onderstaande afbeelding geeft de uitslag van de NIBM-tool weer.

Afbeelding 8.1

NIMB berekening (Bron: BJZ.nu)

Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan luchtverontreiniging. 8.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.4

Geur

8.4.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 8.4.2

Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Situatie plangebied

Het toevoegen van een woning geldt als het toevoegen van een geurgevoelig object. De beoogde woningen liggen binnen de bebouwde kom, waardoor vanuit de ‘bruidsschat’ een afstand van minimaal 100 meter tot veehouderijen met dieren waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld dient te worden aangehouden. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf bevindt zich op een afstand van ruim 350 m van het plangebied. Tussen het plangebied en dit agrarisch bedrijf bevinden zich bestaande geurgevoelige objecten, in de vorm van woningen. Hiermee wordt voldaan aan de minimumafstanden tot milieubelastende activiteiten. 8.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.5

Trillingshinder

8.5.1

Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.

Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld 8.5.2

Situatie plangebied

Het plangebied ligt op circa 4 kilometer afstand. Van trillingshinder door spoorwegverkeer is dan ook geen sprake. 8.5.3

Conclusie

Vanuit het aspect trillingshinder is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.6

Gezondheid

8.6.1

Algemeen

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 8.7.3

Omgevingsvisie Oost Gelre

In de Omgevingsvisie van de gemeente Oost Gelre zijn enkele ambities geformuleerd op het gebied van gezondheid. Gezondheid dient een centraal uitgangspunt te zijn voor ontwikkelingen in Oost Gelre. In 2040 is het belangrijk dat onze inwoners actief bewegen, gestimuleerd door groene, beweegvriendelijke fiets- en wandelroutes en een divers recreatief aanbod. Plannen moeten bijdragen aan de verbetering van lucht- en waterkwaliteit en het verminderen van geur- en geluidshinder. De omgevingsvisie benadrukt de noodzaak van infrastructuur en voorzieningen die een gezonde, actieve levensstijl bevorderen en het welzijn van de gemeenschap verbeteren. 8.6.2

Situatie plangebied

In dit hoofdstuk van de onderbouwing zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidhinder en bodemkwaliteit). Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat telkens wordt voldaan aan het wettelijk kader. Bovendien wordt vermeld dat er binnen het plangebied ruimte is voor groenvoorziening. Groenvoorziening en buitenruimtes stimuleren lichamelijke activiteit, sociale interactie en algemeen welzijn, wat ook bekend staat als positieve gezondheid. Het voornemen levert geen verslechtering op van de leefomgeving of omgevingskwaliteit. Daarom kan geconcludeerd worden dat het voornemen bijdraagt aan het maatschappelijk doel uit artikel 1.3 Omgevingswet. 8.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld

8.7

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

8.7.1

Algemeen

Een duurzame ruimtelijke ontwikkeling voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder dat daarmee de behoeften van toekomstige generaties in gevaar worden gebracht. Dit betekent dat de ontwikkeling plaatsvindt binnen de grenzen van het ecosysteem en dat er aandacht is voor de verdeling van welvaart en de veerkracht van het sociaal-maatschappelijke systeem. Concreet gaat het onder andere om het op efficiënte en verantwoorde wijze gebruiken van ruimte, water, energie en grondstoffen binnen een planontwikkeling, op basis van een lange termijn visie waarbij rekenschap is gegeven aan de behoeften van toekomstige gebruikers en de effecten van de planontwikkeling op de fysieke leefomgeving. 8.7.2

Klimaatatlas Oost Gelre

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met klimaatadaptatie. In de 'Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2016' (NAS), het Uitvoeringsprogramma NAS (maart 2018) en sinds juni 2018 in een hoofdstuk Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) in het Deltaprogramma worden telkens vier belangrijke effecten van de klimaatverandering genoemd: • • • •

wateroverlast (extreme neerslag); droogte; hittestress; en waterveiligheid (overstromingen).

Klimaatadaptatiemaatregelen binnen een ontwikkeling zullen moeten bijdragen aan het terugdringen of ten minste beheersbaar houden van deze effecten. Gemeente Oost Gelre heeft in samenwerking met Waterschap Rijn en IJssel de effecten van klimaatverandering voor de gemeente in kaart gebracht in de 'Klimaatatlas Oost Gelre'. De klimaatatlas is een belangrijk hulpmiddel om te toetsen in hoeverre klimaatadaptatiemaatregelen effecten terugdringen of ten minste beheersbaar houden. Binnen de atlas komen extreme neerslag (wateroverlast), droogte, hitte en waterveiligheid (overstromingen) voor het jaar 2050 aan bod. 8.7.3

Omgevingsvisie Oost Gelre

In de Omgevingsvisie Oost Gelre zijn enkele ambities geformuleerd op het gebied van duurzaamheid en klimaatadaptatie in relatie tot woningbouwontwikkelingen. In de gemeente Oost Gelre moet worden voldaan aan diverse kernprincipes die bijdragen aan een duurzame, klimaatrobuuste en gezonde leefomgeving. Ten eerste dient het landgebruik in balans te zijn met de natuurlijke systemen, waarbij bodem en water als fundamenten van alle ruimtelijke ontwikkelingen fungeren. Daarnaast moet de bevordering van biodiversiteit voorop staan, met maatregelen die de natuur en de diversiteit van het landschap herstellen en versterken. Klimaatadaptatie en waterrobuustheid zijn cruciale aspecten: de plannen moeten de veiligheid en gezondheid van inwoners waarborgen door wateroverlast, droogte en hittestress te beperken. In drogere gebieden moet waterretentie een prioriteit zijn, terwijl in nattere gebieden moet worden gezorgd voor infiltratie en waterafvoer. Verder is het essentieel dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan de energietransitie door de inzet van goed ingepaste wind- en zonne-energie, waarbij een deel van de baten terugvloeit naar de gemeenschap. 8.7.4

Situatie plangebied

8.7.4.1 Klimaatadaptatie Het plangebied is geanalyseerd met behulp van de Klimaatatlas Oost Gelre. Hieronder zijn de conclusies per aspect gegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld Wateroverlast (extreme neerslag) Voor wateroverlast is gekeken naar extreme neerslag. Er is gekeken naar korte (2 uur) en lange buien (48 uur) in het jaar 2050. Voor de lange buien geldt dat het plangebied begaanbaar blijft en panden maar een klein risico lopen. Dit is het geval voor twee scenario's: 120 mm in 48 uur (kans 1x per 100 jaar) en 160 mm in 48 uur (kans 1x per 1000 jaar). Voor de korte buien is gekeken naar een tijdsduur van 1 en 2 uur, met respectievelijk 70 mm neerslag (kans 1x per 100 jaar) en 160 mm neerslag (kans 1x per 1000 jaar) voor het jaar 2050. Bij 160 mm neerslag geldt dat de wegen om het plangebied niet meer begaanbaar zijn. Bij een 70 mm neerslag zijn slechts de wegen in het zuiden van het plangebied onbegaanbaar. De huidige bebouwing binnen het plangebied loopt in beiden gevallen een klein risico. Maatregelen om dit tegen te gaan zijn daarom ook nodig. In hoofdstuk 7 is aangegeven hoe om wordt gegaan met de belangrijkste aspecten van deze wateroverlast. Zo wordt daar omschreven hoe het plan voorziet in voldoende waterberging voor extreme neerslag van 80 mm. Droogte Voor droogte is het van belang om te weten hoe diep het grondwater zit, zodat planten en gewassen tussen regenbuien door hieruit water kunnen onttrekken.

Bij te diep grondwater is dat immers niet mogelijk en droogt de omgeving uit. Ook funderingen van gebouwen kunnen schade oplopen bij een te lage grondwaterstand. In de atlas is te zien dat de grondwaterstand van het gebied tussen 1,2 en 2,5 meter onder maaiveld zit. De geologische overzichtskaarten en grondkaart van Nederland schatten het grondwater op ongeveer 1,5 meter. Daarmee is het plangebied als beperkt droogtegevoelig te bestempelen. Aan de hand van de Grondwaterstanden in Beeld kaart van Nederland, is gekeken naar de grondwaterstand van het dichtsbijzijnde meetpunt. Hierop wordt de grondwaterstand tussen de 0,8-1,0 meter geschat. Daarmee is het plangebied als beperkt droogtegevoelig te bestempelen. Hittestress Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt welke zorgt voor gezondheidsrisico's. Langdurig aanhoudende hitte kan leiden tot klachten als vermoeidheid, concentratieproblemen en hoofdpijn. Er bestaat ook verhoogde kans op uitdroging en oververhitting. In het ergste geval kunnen mensen hieraan overlijden. In de fysieke omgeving verhoogt de aanwezigheid van verhard oppervlak de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. Het plangebied beslaat circa 10.645 m2. Met het plan wordt hiervan 3.390 m2 uitgegeven als kavel en maximaal 50% hiervan bebouwd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16025019/1