CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

ETFAL toelichting omgevingsplanwijziging Pastoor van Ars

Raadscommissie 7 oktober 2025, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Omgevingsplan, beeldkwaliteitsplan en grondexploitatie woningbouw voormalige Pastoor van Ars school Lichtenvoorde20.644 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Daarnaast zal nog een deel van de kavel verhard worden. Het percentage verhard oppervlakte bedraagt 75% van de kavel. De rest van het plangebied wordt op groene wijze ingericht, zo wordt er een wadi gecreëerd, bomen ingeplant en wordt op de parkeerplaatsen open-verharding (grasbeton) toegepast. Er is hier nog geen rekening gehouden met groene voor- en achtertuinen, welke ook een aanzienlijk deel van het plangebied beslaan. Tevens wordt het perceel groener dan in de huidige staat, waarbij groot deel verhard is ten behoeve van de BMX baan en de school. Met de aangegeven verhouding verhard en onverhard wordt aantoonbaar geacht dat het plan voorzien is om te gaan met hittestress. De hoeveelheid water en groen zal de (gevoels-)temperatuur in het gebied aanzienlijk verminderen. Waterveiligheid (overstromingen) Het plangebied ligt niet binnen een gebied met een verhoogde kans op overstromingen 8.7.4.2 Duurzaamheid Met voorgenomen ontwikkeling worden 26 woningen gerealiseerd. De woningen worden voorzien van zonnepanelen en maken gebruik van een warmtepomp. Hiermee wordt grotendeels in de energiebehoefte voorzien en draagt de ontwikkeling bij aan een bredere ambitie van de gemeente Oost Gelre om de energietransitie te realiseren. Daarnaast wordt getracht de ontwikkeling in balans te laten zijn met het natuurlijke systeem. Binnen de ontwikkeling is ruimte voor groenvoorziening.

Er worden bomen, hagen, gras en planten aangelegd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld 8.7.5

Conclusie

Vanuit de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld

HOOFDSTUK 9

BESCHERMING VAN DE NATUUR

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen het voornemen rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

9.1

Gebiedsbescherming

9.1.1

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

9.1.2

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 9.1.3

Gelders Natuurnetwerk (GNN)

De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld Groene Ontwikkelzones (GO) De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO. 9.1.4

Situatie plangebied

Natura 2000-gebieden De locatie ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt ten oosten van het plangebied op circa 4,9 kilometer afstand. Dit betreft het Natura 2000-gebied “Korenburgerveen”. Van directe negatieve effecten (bijv. geluid/verlichting) op Natura 2000-gebied is gelet op de onderlinge afstand geen sprake. Naast directe negatieve effecten dient tevens de mogelijke toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Er is daarom door BJZ.nu een stikstofdepositieberekening gemaakt met behulp van de AERIUS Calculator. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 4. Hieronder worden de conclusies weergegeven. Geconcludeerd wordt dat voor de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Bij de aanlegfase blijkt dat de sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j (0,01 mol/ha/j). Er is daarmee sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden ten tijde van de aanlegfase van het project. Hoewel stikstofdepositie als gevolg van niet volledig kan worden uitgesloten, wordt door de feitelijke gefaseerde uitvoering van de werkzaamheden in de aanlegfase en realisatiefase voorkomen dat de depositie geconcentreerd in één jaar neerslaat op de omliggende Natura 2000-gebieden.

De gemeente heeft bovendien de mogelijkheid om in de aanbestedingsfase voorwaarden te stellen aan aannemers, bijvoorbeeld over het gebruik van elektrische werktuigen. Door dergelijke maatregelen kan de uitstoot van voorliggend initiatief worden beperkt, en naar alle waarschijnlijkheid tot 0,00 mol/ha worden teruggebracht. Ten slotte wordt opgemerkt dat de verhoogde depositie in de aanlegfase een eenmalige verhoogde depositie betreft. Na oplevering van de woningbouwontwikkeling zal geen sprake zijn van een blijvend verhoogde stikstofdepositie in dichtbij zijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van het planvoornemen. GNN-gebieden Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aan de provincie te worden gevraagd om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren.

9.2

Soortenbescherming

9.2.1

Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld 9.2.2

Situatie plangebied

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In dit geval is door Econsultancy een Quickscan Wet natuurbescherming en een aanvullend onderzoek uitgevoerd. De regels uit de Wet natuurbescherming zijn opgenomen in de Omgevingswet. Hieronder worden de onderzoeksresultaten weergegeven. De volledige rapportages zijn opgenomen in Bijlage 5.

Onderzoeksresultaten Algemene broedvogels Ten aanzien van algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten, geldt dat indien werkzaamheden worden uitgevoerd buiten het broedseizoen, er geen overtredingen plaatsvinden. Voor het broedseizoen wordt geen standaard periode gehanteerd maar hiervoor kan de periode maart tot half augustus worden gebruikt. Geldend is de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Vleermuizen De bebouwing op de onderzoekslocatie is geschikt voor vleermuizen door de aanwezigheid van invliegopeningen tussen de bettimmering aan de dakrand en de buitenmuur. Gelet op deze geschiktheid van de bebouwing voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om het gebruik en de daadwerkelijke functie voor vleermuizen vast te kunnen stellen. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus). Dit houdt in dat, afhankelijk van de potentiele functies van de onderzoekslocatie, er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden.

Grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'vangen' en het 'beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten.

Er heeft nader vleermuizenonderzoek plaatsgevonden ten behoeve van de sloop van het schoolgebouw. De sloop is inmiddels afgerond.

9.3

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur, mits rekening wordt gehouden met de aanbevelingen voor het bouwproces zoals beschreven in bovenstaande onderzoeksresultaten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld

HOOFDSTUK 10

10.1

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

10.2

Archeologie

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Op basis van het bestemmingsplan “Parapluplan Archeologie” (welke is opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan) hebben de gronden de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2’ en ‘Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 3’. De gronden met een archeologische dubbelbestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden in de bodem. In voorliggend geval worden de bijbehorende onderzoeksgrenzen van 50 m2 en 1.000 m2 overschreden. 10.2.1 Situatie plangebied Voor de voorgenomen ontwikkeling heeft Econsultancy een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek ter plaatse van het plangebied uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 6 van deze toelichting.

Onderzoeksresultaten De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) bevestigd de verwachting dat er reeds diepgaande en vermoedelijk omvangrijke bodemverstorende ingrepen/vergravingen hebben plaatsgevonden. Verstoringen reiken tot een variërende diepte tussen minimaal 90 en maximaal 195 cm -mv, gemiddeld tot 120 cm -mv, met hieronder een scherpe overgang direct naar de Chorizont (ten dele verspoelde dekzandafzettingen). Er kan verder gesteld worden dat de resultaten van de verkennende boringen geen aanleiding meer geven voor de aanwezigheid van een terreindeel van enige omvang waar nog sprake kan zijn van een (deels) intacte bodemopbouw. Er zijn graafwerkzaamheden uitgevoerd die reiken tot voorbij het archeologisch potentiële vondst-/sporenniveau. Geconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het booronderzoek geen aanwijzing zijn om nog intacte restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een lage verwachting gold voor alle perioden vanaf het (Laat-)Paleolithicum, kan gehandhaafd blijven.

Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Binnen het plangebied hebben reeds

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld diepgaande en vermoedelijk omvangrijke bodemverstorende ingrepen/vergravingen plaatsgevonden, waardoor er geen in situ gelegen archeologische waarden meer worden verwacht. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

10.3

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •

ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

10.3.1 Situatie plangebied Het plangebied kent, op basis van de Rijksmonumenten en Werelderfgoedkaart van Atlas Leefomgeving geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het projectgebied bevinden zich tevens geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. Hierdoor wordt gesteld dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor voorliggend initiatief.

10.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische worden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld

HOOFDSTUK 11

11.1

M.E.R.- BEOORDELING

Algemeen

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •

In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een projectmer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als Voor plan/ programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

11.2

Situatie plangebied

Het voornemen (realiseren van 26 woningen) valt onder ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ uit de eerste kolom van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het betreft een wijziging van het omgevingsplan dat wordt opgesteld voor een klein gebied op lokaal niveau. Hiervoor is een plan-merbeoordeling aan de orde. In voorliggend geval is een aanmeldnotitie opgesteld door BJZ.nu. Deze is als Bijlage 7 toegevoegd bij deze toelichting.

11.3

Conclusie

Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld

HOOFDSTUK 12

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

De gemeente voert voor het plangebied een actieve grondpolitiek. Het plangebied is nu in eigendom van de gemeente. De bouwkavels voor woningbouw gaat de gemeente tegen marktconforme prijzen uitgeven. Daarvoor maakt de gemeente het plangebied bouw- en woonrijp. De kosten voor het bouw- en woonrijp maken van het plangebied alsmede de kosten voor planvoorbereiding worden deels gedekt uit de grondopbrengsten van de verkoop van de bouwkavels. De kosten en opbrengsten zijn met een grondexploitatie bepaald. Het resultaat van de grondexploitatie is negatief. De provincie heeft een subsidie Steengoed Benutten toegekend om dit tekort grotendeels te dekken. Het restant tekort is voor rekening van de gemeente en kan worden gedekt uit de bestemmingsreserve grondexploitatie.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld

HOOFDSTUK 13

13.1

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Het participatietraject heeft verschillende fasen gekend. Zo is voor de woningbouwontwikkeling een pagina op de gemeentelijke website ingericht. Hier kan men zich inschrijven voor regelmatige nieuwsbrieven en worden de uitgangspunten van het planvoornemen toegelicht. Daarnaast zijn er informatieavonden georganiseerd op 15 november 2023, 13 juni 2024 en 15 mei 2025. De reacties die werden vernomen tijdens de informatieavonden waren overwegend positief.

13.2

Afstemming overlegpartners

Het plan is voorgelegd aan de relevante overlegpartners. In dit geval betreffen dit de provincie en het waterschap. Van de provincie is een positieve planbeoordeling ontvangen. Het water- en rioleringsplan is afgestemd in overleg met het waterschap.

13.3

Zienswijzen

Het wijzigingsbesluit van voorliggende ontwikkeling heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn zijn geen reacties of zienswijzen ontvangen op het planvoornemen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld

HOOFDSTUK 14

JURIDISCHE VERANTWOORDING

14.1

Inleiding

14.2

Verantwoording van de regels

In de vorige hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van deze wijziging van het omgevingsplan, namelijk de regels en de bijbehorende werkingsgebieden. De gemeente Oost Gelre heeft in het omgevingsplan de benodigde werkingsgebieden vastgesteld. In voorliggende juridische verantwoording zal uiteengezet worden welke werkingsgebieden van toepassing zijn binnen het plangebied. De volgende paragrafen zetten uiteen hoe de relevante werkingsgebieden uit het omgevingsplan van de gemeente Oost Gelre zijn geannoteerd.

14.2.1 Algemeen De gemeente Oost Gelre heeft regels uitgewerkt binnen de omgeving Regels op de Kaart van het DSO. De regels uit dit omgevingsplan (in werking vanaf 31 januari 2025, identificatienummer /akn/nl/act/gm1586/2020/omgevingsplan) zijn dan ook gebruikt voor het opstellen en annoteren van de verschillende werkingsgebieden van dit initiatief, voor de locatie Pastoor van Arsschool en Oude Aaltenseweg 28, Lichtenvoorde. 14.2.2 Werkingsgebieden Onderstaand overzicht geeft een overzicht van de gehanteerde werkingsgebieden per woningtype die zijn opgenomen in de planregels en de verbeelding van deze wijziging van het omgevingsplan. De gebruiksregels en bouwregels zoals hieronder beschreven zijn reeds te raadplegen in het omgevingsplan van de gemeente. Voor de inrichting van het plangebied zijn in ieder geval de volgende werkingsgebieden van belang: • • • • •

Wonen - binnen de bebouwde kom Tuin Verkeer Groen Groeilocatie voor bomen

De locatie van het kunstwerk valt binnen de functie ‘groen’. Hier wordt wel ‘Maximale bouwhoogte bouwwerken geen gebouw zijnde 4 meter’ aan toegevoegd.

Het blok van 15 woningen: • • • • • • • • •

Wonen - binnen de bebouwde kom Maximaal aantal wooneenheden 15 Aaneengebouwd Maximale bouwhoogte hoofdgebouwen 7,5 meter Maximale goothoogte hoofdgebouwen 3,5 meter Sociale huurwoningen Sociale huur minimaal 20 jaar Bovengronds aanbieden water Lozingsverbod hemelwater en grondwater

Twee-onder-een kapwoningen: • •

Wonen - binnen de bebouwde kom Tuin BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

52

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld • • • • •

Maximaal aantal wooneenheden 2 Maximale bouwhoogte hoofdgebouwen 7,5 meter Maximale goothoogte hoofdgebouwen 3,5 meter Bovengronds aanbieden water Lozingsverbod hemelwater en grondwater

Vrijstaande woning: • • • • • • • •

Wonen - binnen de bebouwde kom Maximaal aantal wooneenheden 1 Vrijstaand Tuin Maximale bouwhoogte hoofdgebouwen 7,5 meter Maximale goothoogte hoofdgebouwen 3,5 meter Bovengronds aanbieden water Lozingsverbod hemelwater en grondwater

Het blok van 6 woningen: • • • • • • • • •

Wonen - binnen de bebouwde kom Aaneengebouwd Tuin Maximaal aantal wooneenheden 6 Maximale bouwhoogte hoofdgebouwen 9 meter Maximale goothoogte hoofdgebouwen 6 meter Bijbehorende bouwwerken uitgesloten Bovengronds aanbieden water Lozingsverbod hemelwater en grondwater

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

53

Omgevingsplanwijziging Lichtenvoorde, Pastoor van Arsschool Oude Aaltenseweg 28 Vastgesteld

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

Bijlage 1

Beeldkwaliteitsplan

Bijlage 2

Water- en rioleringsplan

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 4

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 5

Stikstofberekening

Bijlage 6

Quickscan Wet natuurbescherming

Bijlage 7

Archeologisch vooronderzoek

Bijlage 8

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16025019/1