bp richterspoort toelichting
Tekst van het document
Toelichting (vastgesteld)
25
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort
Toetsing Landschapsontwikkelingsplan 'Groen Licht voor het Landschap' Voorliggend plan ligt in het landschapsensemble 'Het dorp Lichtenvoorde'. Hierbij geldt het motto: vang de dynamiek in de dorpsranden op door elke ingreep in het landschap te verevenen met een kwaliteitsverbetering op de plek en de omgeving daarvan.
Op te poetsen parels: golvende hellingen van de plateaurand met uitzichtpunten de Hofbeek; de elzensingels in de westelijke ontginningen; plekken om te verpozen eventueel met bankjes; verschraalde bermen bij erf en typerende beplantingen. Te behouden en stimuleren landschapselementen: hamelanen en vraaghagen op de hellingen; boerenlanen in landgoederen; losse lanen met menging van eik en berk, zwarte els (nat) en es. Soms ook populier en wilg; diekpaden in de broekontginning: elzensingels, soms met pad; overlopers in het westen kunnen bestaan uit openbare stroken langs kavelgrenzen met daarin elzensingels, elzenbroek of berkensingel, ook toe te pasen als beekbegeleidende beplanting. Er wordt gekozen voor een groene inrichting van het plangebied. De zone voor de gebouwen aan de Richtersweg en de N18 (Europaweg) zullen groen worden ingericht. Dit zal op een landschappelijke manier worden gedaan. Natuurlijke wadi's worden gecombineerd met ruw bloemrijk grasland en verspreid enkele boomgroepen die zorgen voor diverse biotopen. Nestkasten worden in de gebouwen opgenomen waarmee het plan natuurinclusief wordt. De parkeervoorziening wordt ook maximaal vergroend. Hagen zullen de parkeervelden afkaderen en de parkeerplaatsen zelf zullen in halfverhardingen uitgevoerd worden om extra infiltratie mogelijk te maken.
Conclusie Gemeentelijk beleid De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is in overeenstemming met de relevante gemeentelijke beleidskaders.
26
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt getoetst in hoeverre deze ontwikkeling haalbaar is in het kader van milieu- en omgevingsaspecten.
4.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Algemeen Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is verplicht voor besluiten van de overheid over initiatieven van particulieren of marktpartijen, zoals bij de bouw van woonwijken, de aanleg van auto(snel)wegen, spoorwegen, vliegvelden, pijpleidingen voor gas of olie en (stuw)dammen. Een m.e.r. kan ook verplicht zijn voor plannen van de overheid, zoals een bestemmingsplan. Ingevolge het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.) wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). De voornoemde drempelwaarden hebben een indicatief karakter, hetgeen inhoudt dat ook wanneer de drempelwaarden niet worden overschreden een (vormvrije) beoordeling dient plaats te vinden of het planvoornemen kan leiden tot belangrijke nadelige gevolgen. Deze beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
Hierin worden drie hoofdthema's genoemd 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten': kenmerk van het project; plaats van het project; kenmerken van het potentiële effect. Toetsing Voor de activiteiten en functies die onderhavig bestemmingsplan mogelijk maakt geldt geen directe MER-plicht. Wel geldt er een m.e.r.-beoordelingsplicht, maar omdat de activiteit onder de relevante drempelwaarde blijft, is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit betekent dat er een vormvrije m.e.r.-beoordelingsprocedure doorlopen moet worden. Om die reden is een Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is als Bijlage 2 bij de toelichting van dit bestemmingsplan toegevoegd. Op basis van deze aanmeldingsnotitie wordt geconcludeerd dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen, risico's of negatieve effecten voor gevoelige gebieden te verwachten zijn. Er kan daarom worden afgezien van het opstellen van een milieueffectrapportage. Conclusie Het bestemmingsplan kan zonder m.e.r.(-beoordeling) worden vastgesteld.
4.3
Bodem
Algemeen In het kader van een bestemmingsplanprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik.
Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort
Toetsing Door Econsultancy is in mei 2021 een actualiseren bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 3 bijgevoegd. De conclusie uit het onderzoek wordt hieronder kort behandeld. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk grindig, zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak tot sterk roest-, oer-, of gleyhoudend. In het opgeboorde materiaal uit de ondergrond is zeer plaatselijk zwak baksteenhoudend. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Baksteenbijmengingen in de grond zijn niet asbest verdacht. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden dan ook geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. In de bovengrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd.
De lichte arseenverontreiniging in de ondergrond houdt hoogstwaarschijnlijk verband met de natuurlijke aanwezigheid van arseen in de bodem. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Deze metaalverontreinigingen zijn hoogstwaarschijnlijk, te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater.
Advies De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging van en nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Econsultancy acht een onderzoek asbest in bodem/ puin conform de NEN 5707/5897 dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.4
Geluid
Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals woningen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de geluidszone van (spoor)wegen en/of industrieterreinen worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting.
Toetsing Voor de ontwikkeling is door Adviesburo Van der Boom in oktober 2022 een akoestisch onderzoek
28
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 4 bijgevoegd.
Selectie van geluidsbronnen De nieuwe woningen staan nabij diverse geluidsbronnen. Aan de hand van de zones rondom de diverse wegen, spoorwegen en gezoneerde bedrijventerreinen kan worden bepaald voor welke geluidsbronnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. In de omgeving van de nieuwe woningen bevinden zich wegen. Gezoneerde industrieterreinen en spoorlijnen zijn in de nabijheid van de nieuwe woningen niet aanwezig. Het plangebied ligt dan ook niet in de zones van gezoneerde industrieterreinen en spoorlijnen. Akoestisch onderzoek naar gezoneerde industrieterreinen en spoorlijnen is dan ook niet nodig. De ontwikkeling ligt binnen de bebouwde kom van Lichtenvoorde binnen de geluidzones van de N18, de Richterslaan en de Europaweg.
Resultaten De geluidbelasting op de locatie als gevolg van wegverkeer op de N18 bedraagt ten hoogste 63 dB op de noordgevel, na aftrek van 2 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee overschreden. De maximale hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden. De geluidbelasting op de locatie als gevolg van wegverkeer op de Richterslaan bedraagt ten hoogste 56 dB op de westgevel, na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee overschreden. De maximale hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden. De geluidbelasting op de locatie als gevolg van wegverkeer op de Europaweg bedraagt ten hoogste 50 dB op de noordgevel, na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee overschreden. De maximale hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden. De hoogste geluidbelasting van alle wegen samen bedraagt 66 dB zonder aftrek op de noordgevel en 65 dB op de westgevel. De zuidgevels zijn geluidluw in rekenpunt 5 (m.u.v. vierde woonlaag), 11 en 12.
Hogere grenswaarden Het verlagen van de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de bron is niet doeltreffend en stuit op financiële en civieltechnische bezwaren. Afscherming is door de ligging aan de entree van Lichtenvoorde stedenbouwkundig ongewenst. Voor woningen met een geluidbelasting van meer dan 48 dB (na aftrek) dient een hogere waarde voor wegverkeer te worden aangevraagd voor wegverkeer op de N18 van 50 - 63 dB, voor wegverkeer op de Richterslaan 50 - 56 dB en voor wegverkeer op de Europaweg 49 - 50 dB.
Conclusie Het aspect geluid vormt, na verlening van hogere grenswaarden, geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.5
Luchtkwaliteit
Algemeen De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden
Toelichting (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht, waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.
Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming.
Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.
Toetsing In het plangebied bestaat het voornemen om minimaal 42 en maximaal 50 levensloopbestendige appartementen te realiseren. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. Er is echter de mogelijkheid dat een gezondheidscentrum zich vestigt op de beganegrond van het gebouw. Het gezondheidscentrum heeft ook een verkeersaantrekkende werking. De verkeersaantrekkende werking van het gezondheidscentrum is 258 verkeersbewegingen per etmaal. Daarnaast zal het gezondheidscentrum ook met vrachtwagens worden bevoorraad. Dit is circa 2 keer per week. Om die reden is de NIBM-tool ingevuld. Volledigheidshalve is ook de verkeersgeneratie van de woningen meegenomen. Uitgegaan wordt van circa 485 verkeersbewegingen (waarvan worst-case 5% vrachtwagens) (zie paragraaf 4.12).
30
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort
NIBM-tool
Uit de NIBM-tool blijkt dat de ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het omslagpunt ligt op 1,2 µg NO2 per m3. Hier blijft de ontwikkeling ruimschoots onder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. Het CIMLK geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) in het plangebied tussen 2021 en 2030. Het CIMLK maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2021 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. In het plangebied worden geen gevoelige functies beoogd zoals bedoeld in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Toetsing aan de grenswaarden is daarom niet noodzakelijk.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.6
Externe veiligheid
Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum
Toelichting (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.
Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. Het bevoegd gezag wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit wil zeggen dat deze afstand in beginsel aangehouden moet worden, maar dat gemotiveerd afwijken is toegestaan door het treffen van veiligheidsmaatregelen. Daarnaast wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 160 meter tot zeer kwetsbare objecten. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk.
Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.
Toetsing Ten behoeve van de toetsing is de risicokaart geraadpleegd, waarvan een fragment in onderstaande afbeelding is weergegeven. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de realistaie van woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Met de ontwikkeling is sprake van nieuwe kwetsbare objecten. Het plangebied is groen gemarkeerd.
32
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort
Ligging plangebied (groene vlak) t.o.v. risicobronnen in de directe nabijheid
In dit plangebied worden woningen en mogelijk publieksfuncties mogelijk gemaakt. De mogelijk aanwezige personen in deze objecten lopen mogelijk risico om het slachtoffer te worden van ongevallen met gevaarlijke stoffen in de omgeving. De realisatie van de 73 parkeerplaatsen betreffen geen (beperkt) kwetsbare objecten. Het plangebied maakt zelf geen risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen mogelijk en vormt daarmee geen risicobron. Rondom het plangebied bevinden zich verschillende risicobronnen. Onderstaand is per risicobron beoordeeld of deze relevant is voor het plangebied vanuit het oogpunt van externe veiligheid
Opslaginstallatie voor propaan (Ivo Hendriksen B.V.) Op ongeveer 950 meter ten oostzuidoosten van de planlocatie bevindt zich een opslaginstallatie voor propaan (5 m3) van het bedrijf Ivo Hendriksen B.V. Deze inrichting valt onder het Activiteitenbesluit milieubeheer en kent een veiligheidsafstand van maximaal 20 meter ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten. Hiermee hoeft deze inrichting niet nader onderzocht te worden.
BEVI-inrichting (LPG-tankstation, Texaco VOF Molendijk) Op ongeveer 1.200 meter ten zuidwesten van de planlocatie bevindt zich een LPG-tankstation (Texaco VOF Molendijk). Deze inrichting valt onder de werkingssfeer van het Bevi en de Circulaire effectafstanden LPG-tankstations (Celt) en kent een invloedsgebied van 150 meter (Bevi) en effectafstand van 160 meter (Celt). Het plangebied valt hier ruimschoots buiten en hiermee hoeft deze inrichting niet nader onderzocht te worden.
Toelichting (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort
Gasdrukmeet- en regelstation (N-132 N.V. Nederlandse Gasunie) Op ongeveer 1.250 meter ten westen van het plangebied bevindt zich een gasdrukmeet- en regelstation (N-132) van de Nederlandse Gasunie, met een capaciteit kleiner dan 40.000 m3 per uur. Deze inrichting valt onder het Activiteitenbesluit milieubeheer en kent een veiligheidsafstand van maximaal 15 meter ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten. Het plangebied valt hier ruimschoots buiten en hiermee hoeft deze inrichting niet nader onderzocht te worden.
Buisleidingen (Hogedrukaardgasleidingen N-569-10 en N-569-80) Op ongeveer 1.250 meter ten westen van het plangebied bevindt zich een buisleiding (N-569-10) en op ca. 1.600 – 1.700 meter ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een tweede buisleiding (N-569-80). Deze hogedrukaardgasleidingen vallen onder het Bevb en kennen een invloedsgebied van 75 meter (N-569-10) en 95 meter (N-569-80) volgens de EV-Signaleringskaart. Het plangebied valt hier ruimschoots buiten en hiermee hoeft deze inrichting niet nader onderzocht te worden.
Basisnetroute weg (N18, G20; afrit 5 (Varsseveld) – afrit N319 (Groenlo)) Direct langs het plangebied ligt de N18. Dit is een basisnetroute die valt onder Bevt. Op basis van de Regeling basisnet vindt hierover vervoer van brandbare gassen (GF3) plaats. Het plangebied valt geheel binnen 200 meterzone en het invloedsgebied (1%-letaliteitszone van 355 meter2) van de N18. Om deze reden dient nader onderzoek naar de N18 te worden uitgevoerd. Om deze reden is door SPA WNP in september 2022 een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5. De conclusies van dit onderzoek worden hieronder kort behandeld. Als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen dient, conform artikel 7 van het Bevt, een beperkte verantwoording van het groepsrisico te worden uitgevoerd.
Beperkte verantwoording groepsrisico In de toelichting bij een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning wordt, voor zover het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft, binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op: 1. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater; 2. de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen, indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Dit is alleen van toepassing op nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten. Ad 1: De BLEVE treedt plots op als gevolg van bijvoorbeeld een mechanische beschadiging van de tankwagon (koude BLEVE) of brand in de tankwagen (warme BLEVE) en heeft een snelle ontwikkeltijd. Hierdoor zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. In de regel zal de bestrijding bij een dreigende BLEVE bestaan uit het blussen van de brand, die de LPG-tankwagen aanstraalt en het koelen van de aangestraalde tankwagen. Bij een plasbrand richt de inzet zich op het met schuim blussen van de plasbrand. Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een ramp of een zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden.
Een goede bereikbaarheid van het plangebied, als ook de risicobron, is hierbij van essentieel belang. Het plangebied en de bron zijn vanuit diverse richtingen goed bereikbaar voor de brandweer. De brandweerkazerne Lichtenvoorde bevindt zich op circa anderhalve kilometer van het plangebied. Overige hulpdiensten kunnen de bron ook vanuit meerdere richtingen benaderen.
34
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort
Om bij een optredende BLEVE het risico voor de gebruikers te verkleinen, is het minimaliseren van de hoeveelheid glas aan de gevaarzijde een maatregel. Voornoemde wordt in deze rapportage ter advisering genoemd.
Ad 2: Binnen het plangebied zijn er mogelijkheden voor personen om zich, in tegenovergestelde richting van de bron, buiten het invloedsgebied te begeven. Er kan vanuit worden gegaan dat volwassenen in het plangebied afdoende zelfredzaam zijn en er voldoende volwassenen aanwezig zijn, die voor begeleiding van de kinderen kunnen zorgen.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
Algemeen Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies of milieuhinderveroorzakende functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu binnen en buiten het plangebied mogelijk is. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van nieuwe gevoelige functies. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de aanbevolen richtafstanden met één stap worden verminderd.
De afstand wordt gemeten vanaf de grens van de locatie van de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies.
Toetsing Het plangebied en haar omgeving maakt, gezien de aanwezige en toekomstige functies, deel uit van een 'gemengd gebied'. In het gebied is sprake van een matige tot sterke functiemenging. Bovendien ligt het gebied direct langs een drukke, doorgaande weg. De richtafstanden mogen daarom met één afstandsstap naar beneden worden bijgesteld, met uitzondering van het aspect gevaar. De nieuwe woningen kunnen worden aangemerkt als milieuhindergevoelig.
Hinderveroorzakende functies in het plangebied Binnen het plangebied bestaat de mogelijkheid om functies toe te staan die eventueel milieuhinder veroorzaken. Dit zal dan gerealiseerd worden op de begane grond van de gebouwen. Om deze reden moet worden bezien of die functies inpasbaar zijn in de bestaande woonomgeving. De functies zullen binnen milieucategorie 1 of 2 vallen. Milieucategoriën 1 en 2 zijn goed mengbaar met woonfuncties. Om deze reden wordt er geen hinder verwacht vanuit de functies op de bovenliggende en omliggende woningen binnen het plangebied. De dichtstbijzijnde bestaande woningen liggen op circa 85 meter afstand van de grens van de bedrijfsbestemming. Bestaande woningen liggen op zodanige afstand dat hieruit geen belemmeringen
Toelichting (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort voortvloeien voor ontwikkeling van deze locatie.
Hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied Naast voorgenoemde toetsing moet onderzocht worden of de functies in het plangebied hinder ondervinden van hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied. Er zijn 10 functies in de omgeving van het plangebied die eventueel hinder kunnen veroorzaken: 1. RWZI Lichtenvoorde, Boschlaan 18; 2. Waterstromen Lichtenvoorde, Boschlaan 18b; 3. Kantoren/conferentiecentra, Eschpark 5; 4. Verhagen en Waanders Tandheelkundig Centrum B.V., Eschpark 9; 5. De Lichtenvoorde, Europaweg 9a; 6. Longa '30, Kerkhoflaan 3; 7. Zwembad Meekenesch, Kerkhoflaan 5; 8. Autoparkeerterreinen, Kerkhoflaan (ong.); 9. L.T.C. De Kei, Richterslaan 3' 10. Busstation, Richterslaan (ong). De navolgende tabel laat zien hoe de functies kunnen worden gecategoriseerd op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Daarnaast geeft de tabel de minimaal aanbevolen richtafstanden (in meters) aan voor deze functies:
Functie
Geur
Stof
Geluid
Gevaar
Gecorrigeerde Werkelijke richtafstand afstand
1. RWZI's en gierverwerkingsinrichtingen, met afdekking voorbezinktanks: < 100.000 i.e.
200
10
100
10
100
circa 380 m
2. Bio-energieinstallaties 50 elektrisch vermogen < 50 MWe: - vergisting, verbranding en vergassing van overige biomassa
50
100
30
50
circa 490 m
3. Overige zakelijke dienstverlening: kantoren/conferentiecentra
0
0
10
0
0
circa 7 m
4. Artsenpraktijken, klinieken 0 en dagverblijven
0
10
0
0
circa 93 m
5. Fokken en houden van paarden*
50
30
30
0
30
circa 63 m
6. Veldsportcomplex met verlichting
0
0
50
0
30
circa 50 m
7. Zwembaden: - overdekt
10
0
50
10
30
circa 70 m
8. Autoparkeerterreinen, parkeergarages
0
0
30
0
10
circa 102 m
9. Tennisbanen met verlichting
0
0
50
0
30
circa 65 m
36
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort
10. Bus-, tram- en metrostations en –remises
0
10
100
0
50
circa 36 m
* Voor het bedrijfsmatig houden van paarden geldt op grond van de geurwetgeving een minimumafstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. Deze minimumafstand heeft voorrang op de richtafstand.
De tabel laat zien dat de aangevraagde ontwikkeling plaatsvindt buiten de richtafstanden van omliggende bedrijven, maar binnen de richtafstand van het busstation en mogelijk binnen de minimumafstand van de zorgboerderij op het adres Europaweg 9a. Zoals blijkt uit paragraaf 4.8 bestaan er mogelijkheden om het gebouw buiten de minimumafstand van de zorgboerderij te realiseren. Voor het busstation geldt dat sprake is van een naar aard en omvang kleinschalig en niet-intensief busstation, waarvoor het voldoende is om aan te sluiten bij de richtafstand voor een parkeerterrein (te weten 30 meter). Aan die afstand wordt voldaan, zodat het woon- en leefklimaat niet in het geding is. Verder speelt in de omgeving de ontwikkeling van een fietscrossbaan. Voor een fietscrossbaan geldt een richtafstand van 50 meter. De werkelijke afstand tot het gebouw bedraagt meer dan 70 meter, zodat de fietscrossbaan geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van deze locatie.
Samenvatting De locatie bevindt zich op voldoende afstand van omliggende bedrijven en functies (inclusief de beoogde fietscrossbaan op Eschpark), mits de voor geur geldende minimumafstand van 100 meter tot de zorgboerderij in acht wordt genomen. De ontwikkeling werkt dan niet belemmerend voor omliggende bedrijven en functies. Het woon- en leefklimaat op de locatie is dan aanvaardbaar. Daarnaast is voor wat betreft de beoogde functies sprake van voldoende afstand tot omliggende woningen. Ook bij de nieuwe en bestaande woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de gewenste ontwikkelingen in het plangebied.
4.8
Geur
Algemeen Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woonen leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) een toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006.
Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 De raad heeft bij besluit van 12 maart 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 vastgesteld. Deze verordening is op 28 maart 2008 in werking getreden.
Toelichting (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort
Daarbij zijn de bebouwde kommen van Groenlo, Lievelde en Vragender aangewezen als gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarvoor een andere geurnorm van toepassing is. Voor de overige bebouwde kommen gelden de standaard geurnormen. Op grond van de verordening gelden de volgende waarden als maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij: 3 odour units per kubieke meter lucht. Situatie plangebied De ontwikkeling vindt plaats in de bebouwde kom van Lichtenvoorde. In de directe omgeving liggen geen agrarische bestemmingen/veehouderijen. De eerste verderop gelegen veehouderijen huisvesten alleen rundvee en paarden. Daarvoor geldt een minimumafstand van 100 meter. De meest nabijgelegen agrarische bestemming ligt op een afstand van meer dan 600 meter van de locatie. Hieruit zal geen beperkingen voortvloeien bij invulling van het plangebied. Wel is op de locatie Europaweg 9a sprake van een zorgboerderij waar op bedrijfsmatige wijze paarden worden gehouden. De hiervoor aan te houden minimumafstand tot geurgevoelige objecten bedraagt 100 meter. Deze locatie heeft geen agrarische, maar een maatschappelijke bestemming. Daarom is voor de afstandsmeting uitgegaan van de rand van de gebouwen. Hieruit volgt dat een deel van het bestemmingsplan binnen deze minimumafstand ligt (zie onderstaande figuur).
Realiseren van geurgevoelige objecten binnen deze minimumafstand is niet toelaatbaar, omdat het de zorgboerderij belemmert en omdat geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Als geurgevoelige objecten worden onder meer aangemerkt: woningen, hotels, restaurants, kantoren en werkplaatsen. Dat betekent dat deze functies niet binnen de minimumafstand van de paardenhouderij mogen worden gerealiseerd. Voor niet-geurgevoelige functies als parkeerplaatsen, bergingen of garages geldt deze restrictie niet.
Afstandscontour van 100 meter rondom gebouwen zorgboerderij
Uit het ontwerp blijkt dat er geen geurgevoelige objecten binnen 100 meter van de zorgboerderij worden gerealiseerd (zie paragraaf 2.3). Hiermee vormt het aspect geur geen belemmering voor de ontwikkeling en is het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk.
Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
38
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort
4.9
Water
Beleid Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel staat beschreven wat de doelen zijn voor de komende zes jaar in de Achterhoek en Liemers en hoe het waterschap deze wil halen. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda. Voor het waterbeheerprogramma zijn de werkzaamheden van het waterschap weergegeven in vier thema's.
Klimaatrobuust gebied De ambitie is om richting 2050 wendbaar invulling te geven aan het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem. Dit wordt gedaan in combinatie met aanpassingen in gebruik en inrichting van de omgeving, zodat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
Veilig gebied De bescherming tegen hoog water is een randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken in ons gebied. Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dat wordt gedaan door dagelijks beheer van de keringen en door continu inzicht in de keringen. Het beheer wordt op een duurzame wijze uitgevoerd en er wordt gewerkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. De ambitie is dat de keringen van het waterschap in 2050 voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar ingespeeld wordt op ontwikkelingen.
Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil bij het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil zij in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin de taken klimaatneutraal worden uitgevoerd.
Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het waterschap streeft ernaar dat het water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.
Situatie plangebied Het plangebied is in de huidige situatie volledig onbebouwd. In de toekomstige situatie wordt er verharding gerealiseerd in de vorm van gebouwen en overige verharding zoals parkeerplaastsen. Volgens het beleid van het waterschap Rijn & IJssel dient er 80 mm te worden geborgen per m2 verharding. In het plangebied zullen diverse wadi's worden gerealiseerd. Tevens worden de gronden rondom de
Toelichting (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort nieuwe gebouwen groen ingericht, waardoor water makkelijk kan infiltreren.
Watertoets Het plangebied ligt in het beheersgebied van het waterschap Rijn en IJssel. Voor het doorlopen van de watertoets gebruikt dit waterschap de website www.dewatertoets.nl. Het waterschap kijkt, op basis van de antwoorden die op de website worden ingevuld, of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het initiatief relevant zijn. Voor dit initiatief is op 18 augustus 2022 de digitale watertoets doorlopen. Deze is als Bijlage 6 bijgevoegd. Op basis van de ingevulde digitale watertoets wordt door het waterschap geconcludeerd dat de ontwikkeling waterschapsbelangen raakt. Hiervoor wordt de normale procedure in gang gezet.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen initiatief.
4.10
Archeologie en cultuurhistorie
Algemeen Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a, van het Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst, hoe er wordt omgegaan met de aspecten archeologie en cultuurhistorie. De bescherming van archeologische waarden is verankerd in de Erfgoedwet. Het belangrijkste doel van deze wet is de bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door het reguleren van bodemverstorende activiteiten.
Toetsing Archeologie Het plangebied ligt volgens het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' in een zone met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologische verwachtingswaarde 2'. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 250 m² en dieper dan 40 cm-mv. Om deze reden is door Econsultancy in mei 2021 een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7. De conclusies van het onderzoek worden hieronder kort behandeld.
Bureauonderzoek Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m de Middeleeuwen. Het plangebied heeft een oorspronkelijke ligging op de noordflank van een dekzandrug dan wel op de overgang naar een dekzandvlakte ligt. Archeologisch prospectieve onderzoeken die meest nabij het plangebied zijn uitgevoerd hebben tot op heden geen archeologische indicatoren opgeleverd die kunnen duiden op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat een groot deel van het plangebied gedurende met merendeel van de laatste 200 jaar een gebruik gekend als grasland. Alleen het zuidwestelijke deel van het plangebied was in gebruik als akkerland en alleen binnen dit deel van het plangebied worden een plaggendek verwacht. De huidige inrichting als groenstrook/parklandschap dateert uit de jaren ’80 van de 20e eeuw. Voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting dan ook laag.
Verkennend booronderzoek
40
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort
De resultaten van het verkennend booronderzoek laten zien dat binnen het gehele plangebied reeds diepgaande en vermoedelijk omvangrijke bodemverstorende ingrepen/vergravingen zijn uitgevoerd. Verstoringen reiken tot een variërende diepte tussen minimaal 95 en maximaal 260 cm -mv, gemiddeld tot 120 cm -mv, met hieronder een scherpe overgang direct naar de C-horizont. Ondanks dat er tot op heden nog geen bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden, heeft de huidige inrichting van het terrein geleidt tot verstoring van de oorspronkelijke bodemopbouw, welke bij géén van de boringen ook niet meer te achterhalen is. De resultaten van de verkennende boringen geven verder ook geen aanleiding meer voor de aanwezigheid van een terreindeel van enige omvang waar nog sprake kan zijn van een (deels) intacte bodemopbouw. Er kan gesteld worden dat graafwerkzaamheden zijn uitgevoerd die reiken tot voorbij het archeologisch potentiële vondst-/sporenniveau.
Selectieadvies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek wordt geadviseerd om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Binnen het gehele plangebied hebben reeds diepgaande en vermoedelijk omvangrijke bodemverstorende ingrepen/vergravingen plaatsgevonden, waardoor er geen in situ gelegen archeologische waarden meer worden verwacht.
Cultuurhistorie In het kader van het Rijksbeleid Modernisering van de Monumentenzorg is het sinds 1 januari 2012 wettelijk verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met cultuurhistorie. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vormt hiervoor de wettelijke basis. De ruimtelijke ordening krijgt zo een uitgesproken rol met betrekking tot het in stand houden/verbeteren van cultuurhistorische waarden. In en rond het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle elementen, waardoor er geen sprake is van aantasting van cultuurhistorische waarden.
Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
4.11
Ecologie
Algemeen Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, in beeld worden gebracht of er sprake is van invloeden op natuurwaarden en beschermde soorten.
Toetsing Quickscan natuurtoets Door Econsultancy is in mei 2021 een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8.
Gebiedsbescherming Ruimtelijke ingrepen in of nabij Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten zijn niet toegestaan wanneer deze significante negatieve effecten op de kernkwaliteiten veroorzaken. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied bevindt zich op circa 5
Toelichting (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort km en betreft 'Korenburgerveen'. Verder ligt er nog één ander Natura 2000-gebied binnen 10 km van het plangebied. Gelet op de ligging van het plangebied en de omvang van de ontwikkeling, kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid op voorhand worden uitgesloten. Op de mogelijk negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie wordt later in deze paragraaf ingegaan. Het plangebied ligt op circa 920 m afstand van gebieden die behoren tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en op 2,7 km afstand van gebieden die behoren tot de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten van het GNN en de GO werkzaamheden niet aangetast.
Soortenbescherming Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Naar aanleiding van de quickscan kan worden geconcludeerd dat er geen negatieve effecten zullen zijn op strikt beschermde plant- en diersoorten. Er is daarom geen nader ecologisch onderzoek nodig en de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder een ontheffing van de Wet natuurbescherming. Wel dient er rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.
Effectbeoordeling stikstofdepositie Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. Door het gebruik van werktuigen kunnen er wel indirecte gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Omdat een aantal Natura 2000-gebied op minder dan 10 km afstand van het plangebied liggen, vindt er mogelijk stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige habitattypen van dit Natura 2000-gebied. De tijdelijke emissie in de realisatiefase is vanaf 1 juli 2021 echter vrijgesteld volgens de Wijzigingswet Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en kan daardoor vanaf 1 juli 2021 zonder vergunning plaatsvinden (Rijksoverheid, 2021). De vrijstelling heeft echter geen betrekking op de gebruiksfase. Om die reden is door Buro Ontwerp & Omgeving in augustus een AERIUS-berekening uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 9. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar plaatsvindt in de gebruiksfase. Er is dus geen significante toename als gevolg van voorliggend project.
Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.12
Verkeer en parkeren
Algemeen Bij ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse.
Toetsing Verkeer De ontwikkeling van het plangebied zal gepaard gaan met een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied. Om deze toename te bepalen, is gebruik gemaakt van
42
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort de kengetallen van het CROW. Bij de berekening van de toename van het aantal verkeersbewegingen is uitgegaan van het volgend aantal functies: 1. 2. 3. 4. 5.
18 keer huur, appartement, midden 8 keer koop, appartement, goedkoop 8 keer koop, appartement, midden 8 keer koop, appartement, duur ± 915 m2 bvo gezondheidscentrum, 15 behandelkamers
Het plangebied ligt in de categorie 'weinig stedelijk, centrum/schil'. Hiervoor zijn door het CROW de volgende verkeersgeneratie aan toegeschreven: 1. 2. 3. 4. 5.
Gemiddeld 4,1 per woning per etmaal Gemiddeld 5,4 per woning per etmaal Gemiddeld 5,9 per woning per etmaal Gemiddeld 7,3 per woning per etmaal Gemiddeld 17,2 per behandelkamer per etmaal
De totale toename van de verkeersgeneratie is (73,8 + 43,2 + 47,2 + 58,4 + 258 = 480,6) 481 verkeersbewegingen per etmaal. De nieuwe woningen worden ontsloten op de Eschpark. Deze weg sluit aan op de Richterslaan, welke op zijn beurt aansluit op de N18 (Europaweg). Via deze wegen zal het overgrote deel van de verkeersbewegingen worden afgewikkeld. De wegen zijn doorgaande wegen binnen de kern van Lichtenvoorde, en hebben dan ook voldoende capaciteit om de toename in het aantal verkeersbewegingen op te vangen. Daarnaast ligt het plangebied tegen een busstation en een carpoolplaats aan. Hiermee kan worden verwacht dat het daadwerkelijk aantal verkeersbewegingen aanzienlijk lager is door de goede OV-verbinding en de mogelijkheid tot carpoolen.
Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Voor wat betreft het aantal te realiseren parkeerplaatsen voor de nieuwe woningen is uitgegaan van de Nota Parkeernormen van de gemeente Oost Gelre. Bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen is uitgegaan van het volgend aantal functies: 1. 2. 3. 4. 5.
18 keer huur, appartement, midden 8 keer koop, appartement, goedkoop 8 keer koop, appartement, midden 8 keer koop, appartement, duur ± 915 m2 bvo gezondheidscentrum, 15 behandelkamers
Het plangebied ligt in de categorie 'weinig stedelijk, centrum/schil'. Hiervoor zijn in de Nota Parkeernormen de volgende parkeerbehoefte aan toegeschreven: 1. 2. 3. 4. 5.
Minimaal 1,2 parkeerplaats per woning Minimaal 1,4 parkeerplaats per woning minimaal 1,7 parkeerplaats per woning minimaal 1,9 parkeerplaats per woning minimaal 2,186 parkeerplaats per behandelkamer
Het totaal aantal parkeerplaatsen op eigen terrein bedraagt minimaal (21,6 + 11,2 + 13,6 + 15,2 + 32,8 = 94,4) afgerond 95 parkeerplaatsen.
Toelichting (vastgesteld)
43
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort
In totaal worden er 79 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Deze zijn na oplevering openbaar toegankelijk. De overige 16 parkeerplaatsen zullen zich bevinden bij het busstation, waarbij er sprake is van deelgebruik van de parkeerplaatsen. Hiermee voldoet de ontwikkeling aan het aantal benodigde parkeerplaatsen. Tot slot is er door Roelfs een onderzoek 'Parkeerbalans Eschpark Lichtenvoorde' uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 10.
Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
4.13
Kabels en leidingen
Algemeen In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van planologisch relevante kabels en leidingen.
Toetsing In en om het plangebied zijn geen kabels en leidingen gelegen, die een juridisch- planologische bescherming genieten. Het plangebied valt niet samen met een zakelijk rechtstrook of een toetsingszone van een leiding, lijn of straalverbinding - gemeten uit het hart van een kabel, leiding of verbinding.
Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
4.14
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een bestemmingsplan dan wel ruimtelijke onderbouwing onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een project kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij het eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is. Bij het tweede gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen.
Economische uitvoerbaarheid Voorliggend project betreft een particulier initiatief dat op particulier grondeigendom plaatsvindt. Met de ontwikkeling zijn geen kosten voor de gemeente gemoeid, anders dan kosten die op basis van de gemeentelijke legesverordening in rekening zullen worden gebracht. Daarnaast wordt met de initiatiefnemer een planschade overeenkomst gesloten, teneinde eventuele kosten voor de gemeente te kunnen verhalen op initiatiefnemer. Het verhaal van kosten is daarmee anderszins verzekerd, waarmee het opstellen van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
44
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor de locatie heeft de gemeente een prijsvraag uitgeschreven. Hierbij zijn ook de uitgangspunten voor de locatie openbaar gemaakt. Tevens is er onlangs een persbericht gepucliceerd waarin het ontwerp is toegelicht.
Toelichting (vastgesteld)
45
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort
Hoofdstuk 5
Juridische planaspecten
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan
Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden' (omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.
Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van het ruimtelijke beleid. 5.1.2
Bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden
Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijhorende regel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: Via een dubbelbestemming Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één 'enkel' bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regel van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. Via een aanduiding Een aanduiding is een teken op de verbeelding dat betrekking heeft op een vlak op die kaart. Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3
Hoofdstukindeling van de regels
De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken:
46
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, Richterspoort
1. Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2. Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo is een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsregels. 4. Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.1