bp laarberg zuid panneman toelichting en regels
Tekst van het document
Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het projectgebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.1.2
Situatie plangebied
4.1.2.1 Archeologie In 2015 is voor Laarberg Zuid een archeologisch onderzoek uitgevoerd door Hamaland Advies. De gronden behorend bij voorliggend wijzigingsplan maakten onderdeel uit van dit onderzoek. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen en resultaten. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 7. Uit de resultaten van het verkennend en karterend booronderzoek blijkt dat sprake is van een relatief late heideontginning, waarbij de top van het dakzand in het zuidwestelijk en noordelijk deel van het plangebied door de ontginning en door ploegen vermengd is geraakt met de oorspronkelijke bouwvoor. Ter plaatse van dekzandwelving in de oostelijke helft van het centrale deel van het plangebied, is de top van de C-horizont bij 13 boringen nog intact, maar zijn geen indicaties aangetroffen voor vindplaatsen uit de Steentijd of vindplaatsen van vroege landbouwende samenlevingen. Hierdoor kan de archeologische verwachting van het onderzoeksgebied bijgesteld worden naar laag. Vanwege het ontbreken van archeologische vindplaatsen wordt vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten zijn de gronden voor wat betreft archeologie vrijgegeven (zie Bijlage 8).
Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed). 4.1.2.2 Cultuurhistorie Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige
26
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijksmonumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Wel is het gebouw aan de Oude Borculoseweg 8 aangewezen als gemeentelijk monument. In verband met de staat van het gebouw is het vanuit financieel oogpunt onhaalbaar op het gebouw te behouden en te hergebruiken. Ter bescherming van eventueel aanwezige cultuurhistorische waardevolle elementen behoudt het gebouw vooralsnog de monumentale status. Dit houdt tevens in dit voor het slopen van het gebouw een omgevingsvergunning benodigd is. Ten tijde van het de aanvraag omgevingsvergunning voor het slopen van het gebouw dient een onderzoek naar de cultuurhistorische waarden van het gebouw te worden overlegd. Dit kan resulteren in het demonteren van bepaalde belangrijke elementen zodat deze beschikbaar blijven voor hergebruik (elders). Het vorenstaande vormt geen belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan. 4.1.3
Conclusie
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. De archeologische bestemming is reeds verwijderd. De cultuurhistorische waarden worden niet aangetast. De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
4.2
Bodem
4.2.1
Wettelijk kader
Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek. 4.2.2
Situatie plangebied
In het kader van voorliggend bestemmingsplan is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek inclusief nader onderzoek asbest uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 4. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten van het onderzoek. 4.2.2.1 Onderzoeksresultaten Verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem/puin De zintuigelijke zwak baksteenhoudende grond op het terrein is lokaal licht verontreinigd met cadmium, minerale olie en PAK. Een sterkte nikkelverontreiniging in een mengmonster is, bij analyse van de individuele monster, niet bevestigd. Vermoedelijk is er sprake geweest van een toevalstreffer. Het
Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman grondwater op het centrale terreindeel is licht verontreinigd met barium, cadmium en xylenen. In de grond ter plaatse van de drie voormalige bovengrondse olie-opslagen zijn zintuigelijk geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van olie. Analytisch zijn in de grond en het grondwater eveneens geen verontreinigingen met minerale olie aangetoond. De bovengrond van de locatie is niet verontreinigd met PFAS. In de asbest verdachte druppelzones (noordelijk en zuidelijk van de ligboxenstal) is een asbestgehalte van 22 mg/kg d.s. aangetoond, dat geen aanleiding vormt tot nader bodemonderzoek. In de halfverharding is geen asbest aangetoond. Asbestverontreiniging achterterrein In de puinhoudende bovengrond op het achterterrein zijn op basis van het nader onderzoek asbestgehalten variërend van 101,8 mg/kg d.s. tot 288,6 mg/kg d.s. in de bovengrond aangetoond. In de zintuigelijk schone ondergrond en de bovengrond waarin zintuigelijk geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen is analytisch geen asbest aangetoond. Uitgaande van een oppervlakte van circa 380 m2 en een gemiddelde dikte van 0,5 m bedraagt de omvang van de asbesthoudende grond (concentratie > interventiewaarde) circa 190 m3 (vast).
De bodemverontreiniging met asbest is naar alle waarschijnlijkheid te relateren aan de oude halfverharding (pad naar het mestbassin) die op de locatie aanwezig was. Het is niet bekend wanneer de halfverharding is aangelegd, maar redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze reeds lange tijd op de locatie aanwezig was (ruim voor 1993). Aangezien sprake is van een bodemverontreiniging met asbest kan gesteld worden, dat het hier een niet-spoedeisend geval ernstige bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming betreft (Stb. 1994, 95). Naar alle waarschijnlijkheid betreft het een bestaand geval (ontstaan vóór 1 januari 1993). Asfalt De asfaltverharding op het terrein is deels teerhoudend (deklaag) (30 ton) en deels teervrij (onderlaag) (70 ton). Conclusie Het aspect 'bodem' vormt na sanering van saneringsplichtige verontreiniging geen belemmering voor de in dit wijzigingsplan besloten ontwikkeling. 4.2.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.3
Water
4.3.1
Wettelijk kader
Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.
28
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman
De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid. De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen).
Het beleid gaat uit van: een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater); water meer ruimte geven; versterken van de ecologische waarden; creëren van een vitaal watersysteem Specifiek voor het stedelijk gebied is het volgende van belang: De waterketen moet worden geoptimaliseerd (meer afkoppelen en infiltreren). In het GRP wordt hiertoe een aanzet gegeven; Kwaliteit oppervlaktewater en waterbodem: Saneren overstorten en afkoppeling en ontlasting van het riool; Wateroverlast in stedelijk gebied: reguleren van de piekafvoeren door middel van het vasthouden van het water bovenstrooms, actief stuwbeheer, extra retentie en herverdeling van het water. 4.3.2
Waterparagraaf
4.3.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.3.2.2 Situatie plangebied Algemeen Voor de uitbreiding van het bedrijvenpark Laarberg is in het kader van het Masterplan 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg' de watertoets (Civicon BV, 2011) doorlopen. In 2021 is de watertoets geactualiseerd. De toets geeft aan wat de gevolgen zijn voor het ruimtelijke plan voor de waterhuishouding in en rond het plangebied.
De maatregelen die nodig zijn om de waterhuishouding op orde te hebben en te houden in het plangebied zijn afgestemd met het waterschap. Dat deze op een juiste manier worden toegepast wordt geborgd in het waterhuishoudings- en rioleringsplan dat in samenwerking met het waterschap is uitgewerkt. De watertoets wordt gebruikt voor de bestemmingsplannen die worden opgesteld binnen de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark. Veel onderdelen van het waterhuishoudings- en rioleringsplan zijn reeds gerealiseerd. Voorliggend
Toelichting (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman plangebied, onderdeel van Laarberg Zuid, is onderdeel van de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark. Huidige situatie Binnen en nabij het bedrijvenpark Laarberg zijn meerdere oppervlaktewaterlichamen aanwezig. 1. 2. 3. 4.
Leerinkbeek; Afwatering van Heideblom; Retenties fase 1 langs Bolwerk, Noordgang en Redoute; Retenties fase 2 (uitbreiding): a. Retentie noordoost, Groot Hoornwerk; b. Retentie zuid, Zuidgang; c. Retentie west, Ruiterpad.
Aan de noordzijde van het regionaal bedrijvenpark loopt de Leerinkbeek. Deze beek is onderdeel van een natte ecologische verbindingszone (heringericht in 2007). Aan de zuidzijde loopt de Afwatering van de Heideblom. In het plangebied liggen diverse retentiewateren voor de opvang van hemelwater. Naast het oppervlaktewater zijn het verloop van het maaiveld, de bodemopbouw en de grondwaterstanden in grote mate bepalend voor de waterhuishouding. De maaiveldhoogte van het voorliggend plangebied Laarberg Noord verloopt van circa 20,90 tot 22,00 m +NAP. De bodem bestaat tot een diepte van 2 á 2,5 meter voornamelijk uit fijne silthoudende zandlagen. Iets dieper (tot 4 meter onder maaiveld) zijn overwegend matig fijne grindhoudende zanden aanwezig. Tot een diepte van 10 à 15 meter zijn overwegend schone zandlagen aanwezig met op een aantal plaatsen leem-en silthoudende lagen op een diepte van circa 5 tot 8 meter. Tot de maximaal verkende diepte van 15 meter is een keileempakket aanwezig. Hier ligt ook de basis van het freatische en eerste watervoerend pakket. Het waterbeleid is er op gericht dat hemelwater in eerste instantie zo veel mogelijk vastgehouden moet worden door infiltratie in de bodem. Als dat onvoldoende mogelijk is, dient het water zo veel mogelijk geborgen te worden in retentievoorzieningen. Als ook dat niet toereikend is kan water afgevoerd worden.
De infiltratiemogelijkheden worden vooral bepaald door de doorlatendheid van de bodem en de grondwaterstanden. Door de bodemopbouw met veel zandlagen is de doorlatendheid redelijk. In het plangebied varieert de grondwaterstand tussen circa 0 en 1,8 meter onder het maaiveld. Aan de noordzijde van het plangebied, waar het maaiveld ook het laagst ligt, zijn bij de Leerinkbeek grondwaterstanden tot nabij maaiveld aangetroffen (in de winter). Watertoets Inleiding In het kader van de watertoets is, zoals hiervoor is aangegeven, een watertoetsrapportage opgesteld en beoordeeld door het waterschap. In die rapportage, zie Bijlage 5, is benoemd welke wateraspecten aan de orde zijn. Binnen het plangebied worden de volgende functies onderscheiden; bouwkavels, groenstroken en wegen. Voor de bouwkavels en de wegen wordt uitgegaan van 100% verharding. Riolering en afvalwaterketen Ten gevolge van de ontwikkeling zal sprake zijn van een toename van afvalwater. Het afvalwater wordt via het reeds aangelegde vuilwaterriool afgevoerd en aangesloten worden op het gemaal "Laarberg". Bij de aanleg van het gemaal "Laarberg" en de dimensionering van de persleiding is rekening gehouden met de groei van het afvalwater door uitbreiding van het bedrijvenpark. Deze voorzieningen kunnen naar huidig inzicht de toename van het afvalwater verwerken.
Het nieuwe terrein is/wordt naar huidig inzicht voorzien worden van een 'drievoudig stelsel' (soort duurzaam gescheiden stelsel). Wateroverlast Het verhard oppervlak voor het plangebied neemt toe. Om wateroverlast, kwantitatief en kwalitatief, nu en in de toekomst te voorkomen wordt het regenwater niet afgevoerd naar het vuilwaterstelsel maar volgens de trits vasthouden, bergen en afvoeren behandeld. Het vasthouden en bergen van opgevangen hemelwater wordt in eerste instantie binnen de gehele uitbreiding van het bedrijvenpark ingepast. Het
30
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman hemelwater van het terreinverhardingen zal door middel van infiltratievelden in de bodem infiltreren. Deze velden kunnen overstorten op de retentiewateren. Deze retenties kunnen uiteindelijk overstorten op de Leerinkbeek en Afwatering van de Heideblom. Het hemelwater van dakwater wordt rechtstreeks aangesloten op de retenties. De volgende bergingseisen zijn (destijds) samen met het waterschap vastgesteld: 10 mm statische berging in infiltratievelden; T=10+10% bergen in de retenties, peilstijging tot maximaal het stuwpeil (dus bergen tussen streefpeil en stuwpeil retenties). Het waterschap hanteert voor een bui T=10+10% een statische berging van 40mm (hierbij mag de berging in de infiltratievelden in mindering worden gebracht); T=100+10% bergen tot aan het maaiveld waarbij er geen wateroverlast ontstaat op het bouwplan. Het waterschap hanteert voor een bui T=100+10% een statische berging van 74mm*; Vanuit het bouwplan mag niet meer afgevoerd worden dan de landbouwafvoernorm, deze is 1,3 l/s/ha (bron: Duurzaam en veilig water in de stad).
Zoals uit de tabel blijkt is er in de nieuwe situatie, zoals deze is geschetst in 2021, sprake van voldoende bergingscapaciteit, uitgaande van een volledig verhard oppervlakte van de bouwkavels en de wegen, waaronder het plangebied. In de nieuwe situatie worden deze resultaten daarom representatief geacht. Oppervlaktewaterkwaliteit Hemelwater van wegen en terreinverhardingen wordt via infiltratievelden en retenties geloosd op het oppervlaktewatersysteem. Er worden geen functies mogelijk gemaakt die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Grondwateroverlast In de bodem van de uitbreiding van het regionale bedrijvenpark bevinden zich op enkele plaatsen slecht
Toelichting (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman doorlatende lagen. Om grondwateroverlast in de toekomstige situatie te voorkomen, wordt aanbevolen om deze slecht doorlatende lagen te onderbreken. Inrichting en beheer De ontwikkelingen vormen geen belemmering voor het reguliere beheer en onderhoud van het watersysteem. Het oppervlaktewaterpeil wordt binnen gewenste of vastgestelde marges gehandhaafd (bestaand gemiddeld grondwaterpeil).
Waterhuishoudingsplan De maatregelen die nodig zijn om de waterhuishouding op orde te hebben en te houden in het plangebied zijn afgestemd met het waterschap Rijn en IJssel. Diverse maatregelen hebben ruimtelijke consequenties. Dat deze op een juiste manier worden toegepast wordt geborgd in het waterhuishoudingsplan dat in samenwerking met het waterschap is uitgewerkt. In dat plan is gestreefd naar een hoge mate van detail (Civicon BV 2012, zie Bijlage 6). 4.3.3
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling is met oog op het aspect oppervlaktewater en grondwater uitvoerbaar. Het ruimtelijk kader is uit planologisch opzicht voldoende afgestemd op de waterbelangen in het gebied. Het kan echter nodig zijn dat een initiatiefnemer nadere vergunningen op het gebied van de waterhuishouding moet aanvragen, afhankelijk van de bedrijfsvoering en/of het bouwplan. Een dergelijke vergunning moet (meestal) bij de gemeente of bij het waterschap worden aangevraagd.
4.4
Geluid
4.4.1
Kader
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidsgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 4.4.2
Situatie plangebied
Industrielawaai Uitgangspunt voor de ontwikkeling van bedrijvenpark Laarberg is dat met de ontwikkeling van bedrijvigheid op Laarberg Zuid de geluidbelasting op woningen in de omgeving niet hoger uitkomt dan 60 dB(A). Deze belasting is acceptabel in het kader van het hogere waardenbeleid van de gemeente Oost Gelre. Voor de gewenste categorie bedrijfsactiviteiten in het wijzigingsplan, bestaat een zoneringsplicht omdat op het terrein zoneringsplichtige inrichtingen op basis van de Wet geluidhinder gewenst zijn. Voor het gehele bedrijvenpark Laarberg fase 2 is het noodzakelijk een geluidzone vast te stellen. Deze geluidzone is ondermeer noodzakelijk voor de activiteiten op Laarberg Zuid. Momenteel wordt door de gemeenten Oost Gelre en Berkelland gewerkt aan een bestemmingsplan ten aanzien van de geluidszonering rondom het bedrijventerrein Laarberg/Den Sliem. In dit bestemmingsplan wordt de geluidcontour met de daarbij behorende geluidzone, als gevolg van de bedrijventerreinen Den Sliem en Laarberg fase 1 en fase 2 vastgelegd. Totdat het bestemmingsplan voor de geluidzonering is vastgesteld, geldt de bestaande geluidzonering rondom Laarberg fase 1 en Den Sliem en zijn
32
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman geluidszoneringsplichtige inrichtingen niet toegestaan. Wegverk eerslawaai Voor de ontsluiting van het plangebied wordt gebruik gemaakt van de ontsluiting voor Laarberg Zuid. In het moederplan is reeds rekening gehouden met de ontwikkeling van dit plangebied tot bedrijventerrein. Ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai zal dan ook geen verslechtering van de situatie optreden. Het aspect geluid levert geen belemmeringen op voor het uitvoeren van het bestemmingsplan. 4.4.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen plan.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Wettelijk kader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 4.5.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.5.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Toelichting (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman
4.5.2
Situatie plangebied
Bij het opstellen van het bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid, is al aangetoond dat de wijzigingsbevoegdheden planologisch haalbaar zijn ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Hierdoor hoeft geen nader luchtkwaliteitsonderzoek plaats te vinden. Voor zowel stikstofdioxide als fijnstof geldt dat de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3 op het gehele bedrijvenpark Laarberg fase 2, waar Laarberg Zuid onderdeel vanuit maakt, niet overschreden wordt als gevolg van de voorziene ontwikkelingen. De concentraties zullen volgens de worst case berekening lokaal wel toe kunnen nemen, maar de grenswaarden worden niet overschreden. De verwachte toenames vinden daarnaast vrijwel niet plaats bij gevoelige bestemmingen. 4.5.3
Conclusie
Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6
Ecologie
4.6.1
Inleiding
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante igevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. In navolgende paragrafen wordt soortenbescherming. 4.6.2
eerst
ingegaan op gebiedsbescherming en vervolgens
op
Gebiedsbescherming
4.6.2.1 Natura 2000-gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 7 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling.
34
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman
Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 1 bij deze toelichting. Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.6.2.2 Gelders Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), waarvan het Gelders Natuurnetwerk (GNN) deel uitmaakt, is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het GNN is in de provinciale structuurvisie uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als GNN ligt op circa 600 meter afstand van het plangebied. Gezien de ligging buiten het GNN en de aard en omvang van het voornemen wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN. Toetsing: In dit geval gaat het om een reeds bestemd bedrijfsperceel dat deels binnen de GO ligt.
In het destijds opgestelde bestemmingsplan voor het biobased bedrijventerrein is destijds het volgende opgenomen: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling voor Laarberg een zone van 20 meter tussen de gerealiseerde verbindingszone en toekomstige bebouwing gereserveerd. Er moet gestreefd worden om de "samenhang tussen natuurgebieden te bevorderen, het functioneren als netwerk te versterken en overgangen tussen natuurbestemmingen en andere functies te zoneren". De maatregelen moeten zich richten op het versterken van de natuurwaarden binnen deze zone langs de Leerinkbeek. In dit geval voorziet het bestemmingsplan enkel in een planologische wijziging van toegelaten bedrijvigheid op het bestaande bedrijventerrein. Van (aantasting van) kernkwaliteiten is geen sprake, aangezien de gronden nu volledig in agrarisch gebruik zijn. Voor het gehele bedrijventerrein "Laarberg Noord" worden in het kader van de daarvoor door te lopen procedure afspraken gemaakt over de GO en de te nemen maatregelen ter versterking van de natuurwaarden van de Leerinkbeek. Het onderhavig bestemmingsplan maakt uitsluitend een andere vorm van bedrijvigheid toe op reeds bestaand bestemd bedrijfsperceel, vooruitlopend op de totale herziening voor de Laarberg Noord 2. Voor dit individuele plan zijn er daarom geen maatregelen in het kader van de GO beoogd. 4.6.3
Soortenbescherming
Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Situatie plangebied Het voornemen is om de vervallen bebouwing binnen het plangebied (boerderij De Panneman) te slopen. Doordat de voorgenomen ontwikkelingen van invloed kunnen zijn op de aanwezige flora en fauna, is in 2020 een natuuronderzoek (zie Bijlage 2) uitgevoerd. Tijdens het onderzoek zijn verschillende beschermde soorten in relatie tot de te slopen gebouwen aangetroffen. Het betreffen de soorten: 1. Gewone dwergvleermuis 2. Wezel 3. Bunzing
Toelichting (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman 4. Huismus 5. Kerkuil In de directe omgeving zijn eveneens vaste verblijfplaatsen aangetroffen van beschermde soorten als rosse vleermuis en steenuil. Voor deze soorten zullen de verblijfplaatsen behouden blijven en zal door de sloop geen significante verandering van het leefgebied plaatsvinden ten opzicht van de huidige inrichting. Voor deze soorten is daardoor geen ontheffing noodzakelijk. De vaste verblijfplaatsen van de soorten gewone dwergvleermuis, huismus, kerkuil, wezel en bunzing zullen door de sloop van de boerderij, de opstallen en de tuin verloren gaan. Om schade aan individuen en de aanwezige populaties te voorkomen worden specifieke soortgerichte maatregelen getroffen. Voor het verwijderen van de vaste verblijfplaatsen wordt een ontheffing van de Wet Natuurbescherming (Wnb) aangevraagd. Hiervoor is reeds een projectplan/ecologisch werkprotocol opgesteld ten behoeve van het zorgvuldig handelen om schade aan individuen en de populatie te voorkomen of te minimaliseren (zie Bijlage 3). 4.6.4
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. In het kader van soortenbescherming wordt voor het verwijderen van de vaste verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, huismus, kerkuil, wezel en bunzing een ontheffing van de Wet Natuurbescherming (Wnb) aangevraagd en noodzakelijke mitigerende maatregelen getroffen. Vorenstaande vormt geen belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
4.7.1
Kader
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd
36
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman
4.7.2
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied maakt onderdeel uit van bedrijvenpark Laarberg. Daarnaast bevinden zich nabij het plangebied diverse agrarische bedrijfspercelen. Gelet op het vorenstaande is ter plaatse van het plangebied sprake van een verhoogde milieubelasting en is binnen het plangebied en directe omgeving sprake van een 'gemengd gebied'.
4.7.3
Situatie plangebied
4.7.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 4.7.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. In voorliggende situatie gaat het om de uitbreiding van bedrijventerrein Laarberg Zuid waarbij milieucategorie 3.1 tot en met milieucategorie 4.2 bedrijvigheid wordt toegelaten. In de planregels en op de verbeelding is een begrenzing opgenomen voor verschillende toegestane milieucategorieën binnen de bestemming 'Bedrijventerrein'. Het wijzigingsplan sluit aan bij de gehanteerde milieuzonering in het moederplan en de indeling uit de structuurvisie. In het plangebied van
Toelichting (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman voorliggend wijzigingsplan zijn bedrijven behorend tot categorie 3.1 tot en met 4.1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten toegestaan. Hiermee voldoet dit bestemmingsplan aan de wijzigingsvoorwaarde uit het moederplan. Met het opnemen van een milieuzonering is rekening gehouden met de afstand tot omliggende (gevoelige) functies. In voorliggend geval zal de agrarische bedrijfspercelen met daarbij behorende bedrijfswoningen aan de Oude Borculoseweg 9-9A en 7-7A maatgevend. Naar aanleiding van de ontwikkeling van Laarberg Zuid kan geconcludeerd worden dat de huidige omliggende (beperkt) gevoelige functies niet gehinderd worden door de komst van de nieuwe functies. 4.7.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande milieubelastende functies in de omgeving of dat de ontwikkeling leidt tot belemmeringen in de bedrijfsvoering van de bestaande functies. In dit geval wordt niet voorzien in het toevoegen van nieuwe (milieu)gevoelige functies als bedoeld in de VNG Brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Het voornemen leidt dus niet tot aantasting en/of belemmering van de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende functies. 4.7.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.8
Externe veiligheid
Bij het opstellen van het bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid, is al aangetoond dat de wijzigingsbevoegdheden planologisch haalbaar zijn. Er heeft reeds een risicoberekening plaatsgevonden voor de aardgastransportleidingen in de omgeving van het plangebied. Plaatsgebonden risico Het berekende plaatsgebonden risico is binnen het bekeken gebied nergens groter dan 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico legt dus geen beperkingen op voor de realisatie van het plan. Groepsrisico Het vastgestelde bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid' (inclusief wijzigingsbevoegdheden) zorgt voor een toename van het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied van de leidingen. Het groepsrisico neemt hierdoor toe. In het moederplan is reeds voorzien in een verantwoording van het groepsrisico. Vanuit het aspect externe veiligheid wijzigingsbevoegdheden uitvoerbaar zijn.
4.9
is
in
het
moederplan
reeds
aangetoond
dat
de
Geur
In dit bestemmingsplan is aangesloten bij de milieuzonering uit het moederplan ('Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid'). Hierdoor is sprake van voldoende afstand tussen hinderproducerende en hindergevoelige functies. Het aspect geur levert geen belemmering op voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.
38
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman
4.10
Verkeer
De verkeersaantrekkende werking van de gehele ontwikkeling is in het kader van de structuurvisie en het moederplan onderzocht. De voorgenomen ontwikkelingen van dit wijzigingsplan hebben geen veranderende invloed op de onderzochte verkeersafwikkeling. Het bedrijventerrein krijgt geen ontsluiting op de Oude Borculoseweg. De ontsluiting vindt plaats via de hoofdstructuur zoals die is opgenomen in de Structuurvisie.
4.11
Besluit Milieueffectrapportage
Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk een m.e.r.-procedure te doorlopen als de voorgenomen activiteit is vermeld in bijlage C van het Besluit m.e.r. (de 'C-lijst'), de activiteit daarbij in omvang minimaal gelijk is aan de daarbij vermelde drempelwaarde of belangrijke milieueffecten heeft én de activiteit mogelijk wordt gemaakt in één van de in het Besluit m.e.r. aangewezen wettelijke plannen of besluiten, zoals een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning. Daarnaast kan een activiteit m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn op basis van het Besluit m.e.r. Dit is het geval wanneer de voorgenomen activiteit is vermeld in bijlage D van het Besluit m.e.r. (de 'D-lijst'), de activiteit minimaal gelijk is aan de vermelde drempelwaarde of belangrijke milieueffecten heeft, en de activiteit mogelijk wordt gemaakt in de aangewezen plannen of besluiten Het plangebied Laarberg Zuid maakt onderdeel uit van het grotere Laarberg fase 2. Ten behoeve van de uitbreiding van regionaal bedrijvenpark Laarberg is een structuurvisie opgesteld.
Deze structuurvisie is planm.e.r.-plichtig gezien de aard en omvang van de voorziene ontwikkelingen (namelijk zware bedrijvigheid) en de op voorhand niet uit te sluiten significante effecten op Natura 2000-gebieden (een passende beoordeling in het kader van Natuurbeschermingswet 1998 is verplicht). Onderliggend bestemmingsplan is reeds voorzien in de planm.e.r. Het plan zorgt niet voor een verslechtering van de algemene milieueffecten ten opzichte van het onderzochte in de planm.e.r. Het bestemmingsplan blijft daarnaast ook ruim onder de drempelwaarden zoals opgenomen in bijlage C of D uit het Besluit m.e.r..
4.12
Kabels en leidingen
In Laarberg Zuid zijn een hoogspanningsleiding en een gastransportleiding aanwezig. De wijziging van de bestemming 'Agrarisch' naar de bestemming 'Bedrijventerrein' heeft geen invloed op deze leidingen aangezien de leidingen niet binnen het plangebied voor dit wijzigingsplan liggen.
Toelichting (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
5.2
Opzet van de regels
5.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. De planologisch-juridische regeling in dit bestemmingsplan sluit zoveel mogelijk aan bij andere recente bestemmingsplannen van de gemeente Oost Gelre. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. 5.2.2
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 5.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in:
40
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman
Bestemmingsomschrijving: Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing aan moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd. Afwijken van de bouw- en gebruiksregels: Op basis van deze regels hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels en de gebruiksregels in het plan. Specifieke gebruiksregels: In dit artikel zijn vormen van strijdig gebruik opgenomen. Nadere eisen: In de nadere eisen is bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van het elders het betreffende artikel bepaalde, nadere eisen kunnen stellen aan bebouwing. 5.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 5) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 6) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven inzake ondergronds bouwen, het overschrijden van bouwgrenzen en afwijkingsbevoegdheden. Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In dit artikel worden het verboden gebruik in dit bestemmingsplan geregeld. Algemene afwijkingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om het plan in geringe mate aan te passen. Het gaat hierbij om bestemmings- of bouwgrenzen of het bouwen van gebouwen van openbaar nut. Parkeerregelgeving (Artikel 10) In dit artikel is regelgeving opgenomen omtrent parkeren conform de nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre, dan wel haar rechtsopvolger. 5.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
Toelichting (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman
5.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Artikel 3 Bedrijventerrein In dit geval is het grootste gedeelte van het plangebied voorzien van deze bestemming. Gronden met deze bestemming zijn hoofdzakelijk bestemd voor bedrijven behorend tot categorie 3.1 tot en met 4.1 zoals opgenomen in Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten, Wat betreft de gebruiks- en bouwregels is aangesloten op het bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid'. Hierdoor blijft sprake van een eenduidige regeling voor Laarberg Zuid.
Artikel 4 Groen - Landschappelijke inpassing De gronden ter plaatse van de beoogde groenstructuur langs de Oude Borculoseweg is voorzien van de bestemming 'Groen - Landschappelijke inpassing'. Gronden met deze bestemming zijn hoofdzakelijk bestemd voor bescherming, behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken, alsmede het voorkomen van significante effecten op kernkwaliteiten en omgevingscondities die aan realisering van het Gelders Natuurnetwerk in de weg staan. Voor wat betreft de gebruiks- en bouwregels is aangesloten op het bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid'.
42
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1.1
Algemeen
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Ter voldoening hieraan wordt het concept-ontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan de vooroverlegpartners. Hieronder worden de reacties uit het vooroverleg weergegeven. 6.1.2
Provincie Gelderland
In dit geval gaat het om een ontwikkeling met lokaal belang. Het bestemmingsplan zal in het kader van het vooroverleg aan de provincie Gelderland worden voorgelegd. 6.1.3
Waterschap Rijn en IJssel
Het waterschap Rijn en IJssel is in het kader van de totale herontwikkeling van het gebied geïnformeerd en betrokken bij het daarvoor op te stellen waterhuishoudkundig plan. Dit plan voorziet uitsluitend in een functiewijziging ten aanzien van het type bedrijvigheid. Daarom is nader overleg met het waterschap in dit kader niet noodzakelijk. 6.1.4
Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland
Het plan zal in het kader van het vooroverleg aan de Veiligheidsregio worden voorgelegd. 6.1.5
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 22 december 2023 tot en met 1 februari 2024 ter inzagegelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen kenbaar gemaakt. Voorliggend bestemmingsplan is daarom ongewijzigd vastgesteld.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Conform artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening dient de toelichting van een wijzigingsplan inzicht te geven over de uitvoerbaarheid van het plan. Volgens de Wro moet de gemeenteraad een exploitatieplan vaststellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het kostenverhaal op een andere wijze is gegarandeerd. Van een dergelijk bouwplan is in dit geval sprake (artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening). Voor de uitvoering van de plannen voor de uitbreiding van bedrijvenpark Laarberg is de Gebiedsonderneming Laarberg opgericht. Deze heeft de uitvoering van de ontwikkeling en realisatie van dit regionale project ten doel. Gebiedsonderneming Laarberg kent twee publieke aandeelhouders; de gemeente Oost Gelre en de gemeente Berkelland. Beide aandeelhouders hebben ieder een borgstelling afgegeven. Ter beoordeling van de financiële haalbaarheid stelt de gebiedsonderneming jaarlijks een grondexploitatie op. Uit de grondexploitatie 2013, waarin de uitgangspunten van de Structuurvisie Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg zijn meegenomen, blijkt dat de voorgenomen plannen voor het bedrijvenpark Laarberg sluiten met een positief resultaat.
Toelichting (vastgesteld)
43
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman
44
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman
Bijlagen bij de toelichting
Bijlagen bij de toelichting (vastgesteld)
45
bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman
Bijlage 1 Stikstofonderzoek
46
Bijlagen bij de toelichting (vastgesteld)
AERIUS-berekening
Oude Borculoseweg 8, Groenlo
21 maart 2024
Status: definitief
AERIUS-berekening Oude Borculoseweg 8, Groenlo Definitief
AERIUS-BEREKENING OUDE BORCULOSEWEG 8, GROENLO
Auteur: Projectnummer: Status: Datum:
BJZ.nu 2023-528 Definitief 21 maart 2024
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
1
AERIUS-berekening Oude Borculoseweg 8, Groenlo Definitief
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 3 HOOFDSTUK 2 VOORGENOMEN ONTWIKKELING ....................................................... 4 HOOFDSTUK 3 UITGANGSPUNTEN ........................................................................ 6 3.1 3.2 3.3
ALGEMEEN ................................................................................................................................................. 6 AANLEGFASE ............................................................................................................................................... 6 GEBRUIKSFASE ............................................................................................................................................ 9
HOOFDSTUK 4 RESULTATEN & CONCLUSIE ............................................................ 11 4.1 4.2 4.3
AANLEGFASE ............................................................................................................................................. 11 GEBRUIKSFASE .......................................................................................................................................... 11 CONCLUSIE ............................................................................................................................................... 11
BIJLAGEN BIJ DE STIKSTOFBEREKENING .................................................................... 12 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2
REKENRESULTATEN AANLEGFASE ........................................................................................................... 12 REKENRESULTATEN GEBRUIKSFASE......................................................................................................... 13
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
2
AERIUS-berekening Oude Borculoseweg 8, Groenlo Definitief
HOOFDSTUK 1
INLEIDING
Voorliggende AERIUS-berekening heeft betrekking op een deel van het bedrijventerrein Laarberg te Groenlo (gemeente Oost Gelre). Het plangebied bevindt zich aan de Oude Borculoseweg 8. Het perceel heeft in de huidige situatie een agrarische bestemming en op het perceel bevindt zich een voormalig boerderij. Het voornemen bestaat om door middel van een bestemmingsplanwijziging bedrijven tot en met milieucategorie 4.1 toe te staan. Het bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 0,27 hectare. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van Groenlo (rode ster) en de directe omgeving (rode omkadering) weergegeven.
Afbeelding 1.1
Ligging plangebied (Bron: Plattekaart)
In het kader van het bestemmingsplan is inzicht in de te verwachten effecten van stikstof op nabijgelegen Natura 2000-gebieden nodig. BJZ.nu is gevraagd om de te verwachten stikstofemissie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling en de eventuele gevolgen daarvan inzichtelijk te maken. De stikstofberekening is uitgevoerd met behulp van de voorgeschreven rekentool AERIUS Calculator 2023. In voorliggend rapport wordt een toelichting op de AERIUS berekening gegeven.