CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp laarberg noord toelichting

Gemeenteraad 22 februari 2022, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan Bedrijvenpark Laarberg Noord20.105 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Afbeelding 5.2 Hoofdontsluitingsstructuur Laarberg op nieuwe N18, inclusief een indicatieve wegenstructuur voor Laarberg Noord Onderzoek In het kader van het PlanMER voor de Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg is een onderzoek uitgevoerd naar de verkeerseffecten. Voor Laarberg Noord zijn de onderstaande aspecten van belang

Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord

33

Autoverk eer Recentelijk is de nieuwe N18 in gebruik genomen. Hierdoor kan het autoverkeer tussen Groenlo en Enschede sneller en veiliger worden afgewikkeld. Ook ter plaatse van Laarberg ligt er een nieuw tracé voor de N18. Ten opzichte van de oude N18 ligt deze iets oostelijker. Ter hoogte van het bedrijvenpark Laarberg zijn op- en afritten aangelegd. Door de nieuwe N18 en de bijbehorende op- en afritten is het bedrijventerrein optimaal ontsloten en uitstekend bereikbaar vanuit de regio, zowel vanaf de A1 (via de A35) en A50 (via de A12). Zowel het regionale-, het bestemmings- als het lokale verkeer bereikt het bedrijvenpark via één centrale invalsweg. Het autoverkeer wordt afgewikkeld via het verlengde van de Noordgang en het verlengde van de Zuidgang richting de N18. Fietsverkeer De structuur van het fietsnetwerk komt grotendeels overeen met het netwerk van het overige verkeer. Het fietsnetwerk voorziet in de utilitaire fietsverbindingen in noord-zuid richting via het oude spoorlijntracé en het tracé van de oude N18 enerzijds en via de Deventer Kunstweg anderzijds. In oost-west richting wordt een verbinding gelegd tussen dit noord-zuidtracé en de Deventer Kunstweg. Hier wordt gedacht aan een vrijliggend fietspad. Hierdoor wordt het mogelijk om dit fietspad deels door de Verbindingszone en deels langs en over de Grolse Linie te situeren.

Dit versterkt het recreatieve karakter van deze route als onderdeel van het regionale recreatieve fietsknooppuntennetwerk. In noordwestelijke richting sluit deze fietsknooppuntenroute aan op de Deventer Kunstweg. Nabij de aansluiting op de N18 bevindt zich knooppunt 50 waarbij de route over het viaduct over de N18 loopt en zich uitsplitst in noordelijke richting via de Wolvenkamerweg en in zuidelijke richting via de Schietbaan. Openbaar vervoer Door de ontwikkeling van Laarberg fase 2 is de huidige halte (kruising N18/Vredenseweg) decentraal komen te liggen. Een nieuwe halte moet centraler gesitueerd worden zodat het hele bedrijvenpark Laarberg, inclusief Noord, op relatief korte loopafstand van het openbaar vervoer bereikbaar is. De locatie ter plaatse van de entree van het bedrijvenpark en het Groot Hoornwerk biedt daar kansen voor. Conclusie Het verkeer wordt afgewikkeld via de Noordgang, die aangesloten is op de N18. De N18 is goed geschikt voor de hoeveelheid verkeer die door Laarberg fase 2 wordt gegenereerd. Dat betekent dat de verkeerskundige ontsluiting aanvaardbaar blijft.

5.4

Luchtkwaliteit

Inleiding Het Nederlandse wettelijke stelsel voor luchtkwaliteitseisen wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen', van de Wet milieubeheer. Dit wettelijk stelsel wordt ook wel de 'Wet luchtkwaliteit' ('Wlk') genoemd. Uit de 'Wet luchtkwaliteit' volgt dat een voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit inpasbaar is indien in ieder geval aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. Er worden geen grenswaarden voor de luchtkwaliteit overschreden. 2. Er treedt geen verslechtering van de luchtkwaliteit op, of er vindt per saldo verbetering van de luchtkwaliteit plaats door mitigerende maatregelen. 3. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de afzonderlijke concentraties van de componenten NO2 en PM10 veroorzaakt van maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarden van NO2 en PM10. Dit komt overeen met 1,2 μg/m3. 4. De voorgenomen ontwikkeling is onderdeel van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Onderzoek In het kader van het PlanMER voor de Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg is een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit.

In dit onderzoek is de invloed op de luchtkwaliteit en de verkeersaantrekkende werking van de uitbreiding van het bedrijvenpark als geheel bepaald. In het onderzoek is alleen de bijdrage aan de concentratie stikstofdioxide (NO2) in de lucht berekend. De concentratie fijnstof (PM10) is niet berekend aangezien de planbijdrage aan de fijnstofconcentratie veel

Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord

34

lager zal zijn dan de bijdrage aan de concentratie NO2. De lage achtergrondconcentratie voor fijnstof geeft ook geen aanleiding om deze lage bijdrage te berekenen. Conclusie Voor zowel stikstofdioxide als fijnstof geldt dat de wettelijke grenswaarden niet overschreden worden als gevolg van de ontwikkeling van Noord. Daarom is de ontwikkeling van Laarberg Noord uit het oogpunt van luchtkwaliteit aanvaardbaar. Opmerking: voor een nadere motivering uit oogpunt van stik stofdepositie ter plaatse van natuurgebieden zie paragraaf 5.10, onderdeel gebiedsbescherming.

5.5

Geluidhinder

Inleiding De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd. Wegverk eerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) artikel 74 hebben alle wegen een geluidzone. Uitzondering hierop zijn woonerven en straten met een maximumsnelheid van 30 km/u. De zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of een weg binnen of buitenstedelijk is gelegen.

Voor de bepaling van de maximale vast te stellen geluidbelasting houdt de Wet geluidhinder rekening met de ligging van de geluidgevoelige bestemmingen en wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied gelden over het algemeen minder strenge normen. In het kort komt het er op neer dat het gebied binnen de bebouwde kom behoort tot het stedelijke gebied, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, dat gelegen is binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. In het laatste geval en voor de situatie buiten de bebouwde kom gelden de normen die van toepassing zijn op het buitenstedelijke gebied. Een hoofdweg is, conform deze definitiebepaling van de Wet geluidhinder, altijd gelegen in buitenstedelijk gebied. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en maatregelen gericht op reductie van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn of als deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de geluidbelasting. De gevels van geluidgevoelige bestemmingen kunnen ook worden uitgevoerd als een blinde of dove gevel (conform artikel 1b lid 5 van de Wgh).

Hiermee vervalt de verplichting om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde, waarbij een kanttekening wordt geplaatst dat de geluidwering van deze gevels ten minste gelijk dient te zijn aan de hoogte van de geluidbelasting minus de maximale binnenwaarde. Ter anticipatie op het steeds stiller worden van motorvoertuigen mag alvorens te toetsen aan de geldende grenswaarden een aftrek worden toegepast op de berekende geluidbelasting. Deze aftrek bedraagt: 2 dB voor wegen waar de maximumsnelheid gelijk is aan of hoger is dan 70 km/uur; 5 dB voor overige wegen. Industrielawaai Een industrieterrein is volgens de Wet geluidhinder een terrein waar zich bedrijven kunnen vestigen die genoemd worden in artikel 40 van de Wet geluidhinder en onderdeel D van Bijlage I behorende bij het Besluit omgevingsrecht (de zogenaamde grote lawaaimakers). Op grond van hoofdstuk V van de Wet

Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord

35

geluidhinder is rondom deze terreinen een zone vastgesteld, waarbuiten de etmaalwaarde van het gemiddelde geluidniveau ten gevolge van alle bedrijven op dat terrein niet hoger mag zijn dan 50 dB(A). De zone is een planologisch aandachtsgebied, waarbinnen regels van kracht zijn, die aan zowel industriële activiteiten als aan woningbouw beperkingen opleggen. De ligging en omvang van de zone wordt met dit bestemmingsplan ook niet vastgelegd, omdat daartoe geen aanleiding bestaat vanwege de gering geluidbelasting. Onderzoek In het kader van het PlanMER voor de Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg is een onderzoek uitgevoerd naar geluidhinder. Er is voor een klein deel van het plangebied een geluidszone opgesteld om bedrijven met een aanzienlijke geluidproductie te kunnen vestigen, de zogeheten 'zoneringsplichtige inrichtingen.' Deze geluidszone is bestuurlijk vastgesteld op 30 mei 2017 en is weergegeven in afbeelding 5.3. Van belang hierbij is dat die geluidszone niet in een bestemmingsplan is opgenomen, met uitzondering van het gedeelte nabij het bedrijf Mueller. Een eerdere versie van de geluidszone is in 2009 wél in zijn geheel opgenomen in een bestemmingsplan, te weten het bestemmingsplan 'Buitengebied 1982 partiële herziening 1 geluidzone'. Overigens is de betreffende geluidszone voor het eerst vastgesteld op 17 februari 2004.

Daarnaast is van belang dat de geluidzone gedeeltelijk over het grondgebied van de gemeente Berkelland ligt. In de huidige geluidzone liggen 16 woningen waarvoor hogere grenswaarden van 51 tot 57 dB(A) zijn vastgesteld. Binnen dit plan worden geen zoneringsplichtige inrichtingen mogelijk gemaakt. Grote lawaaimakers zijn dus niet toegestaan en een (aanpassing van de) geluidszonering is daarom niet nodig.

Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord

36

Afbeelding 5.3 Huidige geluidzone 50 dB(A) Onderzoek Industrielawaai Industrielawaai is in het planMER getoetst. Ten aanzien van geluid is in het planMER uitgegaan van milieucategorie 5.1 bedrijven met een kental voor milieucategorie 4.2 bedrijven. Dit is gedaan omdat milieucategorie 5.1 bedrijvigheid voor wat betreft het aspect geluid over het algemeen zware havenbedrijvigheid betreft die op dit bedrijventerrein niet voorkomen. De bedrijvigheid is gemaximeerd op milieucategorie 4.2. Ook is in de planregels een gebruiksverbod opgenomen indien de geluidemissie van een bedrijf meer bedraagt dan 65, 62 en 60 dB(A)/m2 (dagavond en nachtperiode). Een verdergaande borging van berekende geluidemissies is met het oog op de planologische motivering van dit plan dan ook niet nodig. Conclusie Ontwikkeling van het bedrijventerrein Laarberg Noord is uit het oogpunt van geluidhinder naar de

Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord

37

omgeving planologisch aanvaardbaar. Er is geen nadere besluitvorming (zoals een hogere waardebesluit) of specifieke borging in de regels nodig.

5.6

Geurhinder

Inleiding Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken en brengt om die reden ook gezondheidsrisico's met zich mee. Bij geur van bedrijven gaat het om de geuruitstoot (emissie) van bedrijven die zich verspreidt via de lucht en een geurbelasting veroorzaakt op de woon- en leefomgeving. Onder geurbelasting (of 'immissie') verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht, die op een geurgevoelig object zoals een woning 'terecht' komt. Deze hoeveelheid kan worden gemeten of berekend. Onderzoek Er treden naar verwachting geen relevante effecten op van nieuwe bedrijven binnen het plangebied met een geuremissie op de omgeving van het plangebied. Bij vestiging van nieuwe bedrijven met een geuremissie binnen het plangebied kan het leefklimaat in de directe omgeving en in het plangebied lager worden door een mogelijk hogere cumulatieve geurbelasting. De voorgestelde milieuzonering voorziet op hoofdlijnen echter in voldoende afstand tussen hinderproducerende en hindergevoelige functies. Specifiek voor de ontwikkeling Laarberg Noord geldt dat de beoogde ontwikkelingen (met onder andere bedrijven tot en met milieucategorie 4.2) geurrelevante activiteiten kunnen zijn. Volgens de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor bedrijven tot en met categorie 4.2 een richtafstand van maximaal 300 meter voor geurhinder.

Omdat hier sprake is van verspreid liggende woonbebouwing in een buitengebied waar al (agrarische) bedrijvigheid plaatsvindt en niet van een rustige woonwijk, mogen de richtafstanden tot aan een 'gebied met menging van functies' gehanteerd worden. Dit betekent dat bij een categorie 5.1 een richtafstand van maximaal 200 meter gehanteerd mag worden. De dichtstbij liggende geurgevoelige objecten betreffen de woningen aan de Holtkampsweg 2 en Deventerkunstweg 15 op ruim 200 m van de grens met het plangebied. Conclusie Er is geen sprake van (onaanvaardbare) geurhinder. Voor de bedrijven zal in het kader van de milieuvergunning (of de algemene regelgeving op het gebied van milieuhinder) altijd een nadere toetsing plaatsvinden. Wanneer blijkt dat niet aan de geldende geurnormen wordt voldaan, moet het plan worden aangepast of moeten emissiebeperkende maatregelen worden getroffen volgens de 'best beschikbare technieken' (BBT) om geurhinder op de omgeving te beperken.

5.7

Externe veiligheid

5.7.1 Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's voor de omgeving vanwege het gebruik, de productie, opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het kader van de externe veiligheid dient, in het geval van een verandering bij de risicobron of in de omgeving daarvan een afweging te worden gemaakt over de externe veiligheidssituaties. In de volgende besluiten en circulaires zijn risiconormen opgenomen die relevant zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid bij het vaststellen van een bestemmingsplan: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit besluit zijn de risiconormen voor risicovolle inrichtingen weergegeven. 2. Circulaire Risiconomering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Circulaire Rnvgs). De Circulaire Rnvgs is van toepassing op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en binnenwater. 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevb zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen opgenomen. 4. Vuurwerkbesluit. In het vuurwerkbesluit zijn voor de opslag van consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk veiligheidsafstanden vastgesteld. 5. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidsafstanden opgenomen voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik.

Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord

38

5.7.2

Onderzoek

In het kader van het PlanMER voor de Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg is een onderzoek uitgevoerd naar externe veiligheid. Daarnaast zijn de volgende aanvullende onderzoeken uitgevoerd: 'Kwantitatieve risicoberekeningen aardgastransportleidingen' (2013, Bijlage 3) en 'Elementen verantwoording groepsrisico' (2017, Bijlage 4). De uitkomsten van deze onderzoeken zijn samengevat in onderstaande toelichting. Gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente Oost Gelre haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten. Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico's die voortvloeien uit de opslag, productie, het gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. De gemeente heeft haar ambities per gebiedstype geformuleerd. Voor het plangebied is het gebiedstype 'ruimte voor industrie' relevant.

Het betreft hier de industrie- en bedrijventerreinen in Oost Gelre. In deze gebieden zijn economie, bedrijvigheid en werkgelegenheid de belangrijkste uitgangspunten. De gebieden bieden maximale ruimte voor bedrijven, waarbij aan de wettelijke minimumeisen wordt voldaan. Een verdergaand beschermingsniveau dat ten koste gaat van de ontplooiingsruimte voor bedrijven wordt onwenselijk geacht. Hierbinnen is overschrijding van de oriënterende waarde voor het groepsrisico evenals toename van het groepsrisico onder voorwaarden acceptabel. Binnen 'ruimte voor industrie' geldt het volgende ambitieniveau ten aanzien van het groepsrisico: de oriënterende waarde van het groepsrisico is slechts richtinggevend. De gemeente kan hier gemotiveerd van afwijken. Indien noodzakelijk voor het in stand houden van de industriële activiteiten zal de gemeente Oost Gelre een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico toestaan, mits daarvoor gewichtige redenen zijn. Hierover zal advies bij de regionale en lokale brandweer worden ingewonnen. De gemeente Oost Gelre vereist geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico als: 1. het groepsrisico tot een factor 10 onder de oriënterende waarde ligt; 2. het een marginale toename van het groepsrisico betreft (tot maximaal 10% beschouwt de gemeente Oost Gelre de toename als marginaal); 3.

de geplande kwetsbare objecten buiten het invloedsgebied liggen; 4. het een enkel ((beperkt) kwetsbaar) object in een nagenoeg maagdelijke omgeving betreft (zeer laag groepsrisico); 5. het een enkel ((beperkt) kwetsbaar) object in een al zeer volle omgeving betreft, waardoor het effect op het groepsrisico minimaal is. Pas als de risicosituatie niet voldoet aan de hiervoor genoemde voorwaarden vereist de gemeente Oost Gelre een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico, waarbij naast de wettelijk verplichte aspecten ook aandacht wordt besteed aan de overige criteria: Een toename van het groepsrisico wordt, mits gemotiveerd en voorzien van een positief advies van de Regionale brandweer, geaccepteerd. Risiconormen inrichtingen en vervoer gevaarlijke stoffen De overheid stelt grenzen aan de externe risico's van gevaarlijke stoffen. De grenzen zijn vertaald in normen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriëntatiewaarde voor het groepsrisico (GR). Risiconormen plaatsgebonden risico Het risico op een plaats langs een buisleiding voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval bij de buisleiding, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

Voor buisleidingen geldt dat binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour geen kwetsbare

Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord

39

objecten aanwezig mogen zijn. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour als richtwaarde. Tabel 5.4 Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten Beperkt kwetsbare objecten Kwetsbare objecten Woningen Ziekenhuizen, bejaarden- en verpleeghuizen e.d. Scholen en dagopvang minderjarigen Kantoorgebouwen en hotels (> 1.500 m2) Winkelcentra (> 1.000 m2 > 5 winkels) Winkel met supermarkt (> 2.000 m2) Kampeer- en verblijfsrecreatieterrein (> 50 pers.) Andere gebouwen met veel personen

Verspreid liggende woningen (2/ha) Dienst- en bedrijfswoningen Kantoorgebouwen (< 1.500 m2) Hotels en restaurants (< 1.500 m2) Winkels Sport-, kampeer- en recreatieterreinen (< 50 pers.) Bedrijfsgebouwen Equivalente objecten Objecten van hoge infrastructurele waarde

Risiconormen groepsrisico De cumulatieve kans per jaar dat een aantal personen overlijdt als gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij een transportas, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt weergegeven in een zogenaamde fN-curve. Voor het groepsrisico bestaat geen wettelijke norm waaraan getoetst wordt. In plaats daarvan wordt het groepsrisico gerelateerd aan de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. De beschouwing door het bevoegde gezag ten aanzien van deze kwantitatieve waarde is een van de elementen uit de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Binnen deze verantwoording kan het bevoegde gezag van deze waarde afwijken. Verantwoordingsplicht groepsrisico Verantwoording van het groepsrisico is een onderdeel van het externe veiligheidsbeleid. Door middel van een verantwoordingsplicht willen de bevoegde overheden aanzetten tot nadenken over onder andere de omvang van het groepsrisico in relatie tot de veiligheid van de risicovolle situatie, de gevolgen voor de omgeving, de hulpverlening en de zelfredzaamheid van omwonenden. Voor buisleidingen is de verantwoordingsplicht uitgewerkt in het Bevb en voor inrichtingen in het Bevi.

Verantwoording groepsrisico inrichtingen Op basis van het Bevi moeten gemeenten bij het vaststellen van een ruimtelijk besluit het groepsrisico verantwoorden. Conform het Bevi moeten ten minste de volgende aspecten in de bestuurlijke afweging van het groepsrisico worden vermeld: 1. het aantal personen in het invloedsgebied; 2. het groepsrisico; 3. de mogelijkheden tot risicovermindering; 4. de mogelijke alternatieven (pro-actie); 5. de mogelijkheden voor bestrijdbaarheid (preventie, preparatie en repressie); en 6. de mogelijkheden voor zelfredzaamheid. Verantwoording groepsrisico buisleidingen Op basis van het Bevb moeten gemeenten bij een ruimtelijk besluit het groepsrisico verantwoorden. Hierbij maakt het Bevb een onderscheid tussen een beperkte verantwoording van het groepsrisico en een uitgebreide verantwoording. Onder de beperkte verantwoording van het groepsrisico wordt verstaan dat alleen inzicht gegeven moet worden in: 1. de aanwezigheid van personen binnen het invloedsgebied; 2. de hoogte van het groepsrisico per kilometer; 3. de mogelijkheden voor het voorkomen, beperken en bestrijden van incidenten bij de buisleiding (bestrijdbaarheid); 4. de mogelijkheden voor zelfredzaamheid. Van een beperkte verantwoording is alleen sprake als: 1. het plangebied buiten de 100% letaliteitscontour ligt; of

Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord

40

2. het groepsrisico kleiner is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde; of 3. het groepsrisico niet meer dan 10% toeneemt bij een groepsrisico dat kleiner is dan de oriëntatiewaarde. Bij de uitgebreide verantwoording moet ook onderzocht worden welke maatregelen genomen kunnen worden om de risico's te beperken. Advies van de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland Een belangrijk onderdeel van de verantwoordingsplicht is de adviestaak van de Veiligheidsregio. De rijksoverheid heeft (wettelijk) vastgesteld dat het bevoegd gezag het bestuur van de Veiligheidsregio in de gelegenheid dient te stellen advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van een risicobron. Dit is zowel het geval bij buisleidingen als voor inrichtingen. Het advies van de Veiligheidsregio over dit plan is in bijlage opgenomen. 5.7.3

Kwantitatieve risicoberekening

Onderzoek Om de hoogte van het risico van de aardgastransportleidingen in de omgeving van het plangebied te berekenen is een kwantitatieve risicoberekening uitgevoerd (Externe Veiligheid Bedrijventerrein Laarberg, Kwantitatieve risicoberekening aardgastransportleidingen, Royal HaskoningDHV, december 2013, Bijlage 3). De resultaten van de kwantitatieve risicoanalyse zijn getoetst aan de huidige wet- en regelgeving. Het plangebied is gelegen in de omgeving van twee aardgastransportleidingen van de Gasunie. Dit betreffen de aardgastransportleidingen A-579 en A-628. Het transport van aardgas door deze leidingen brengt risico's met zich mee voor aanwezige personen in de directe omgeving van de leidingen. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) zijn de risiconormen voor buisleidingen geformuleerd. Het berekende plaatsgebonden risico is (zowel voor de leiding A-579 als A-628) binnen het bekeken gebied nergens groter dan 10-6 per jaar. In het noorden van Laarberg (Laarberg Entree) is een brandstofverkooppunt voor CNG en waterstof gepland, dit plan is niet opgenomen in de kwalitatieve risicoberekening aardgastransportleidingen voor Laarberg. Voor deze inrichtingen is een aparte kwalitatieve risico analyse uitgevoerd. De veiligheidscontouren van deze twee inrichtingen liggen niet over het plangebied.

Conclusie In de buurt van het plangebied liggen twee aardgastransportleidingen en is een brandstofverkooppunt gepland. Het berekende plaatsgebonden risico van de twee aardgastransportleidingen is in het plangebied nergens groter dan 10-6. De veiligheidscontouren van het CNG en waterstofverkooppunt liggen niet over het plangebied. Het plaatsgebonden risico legt dus geen beperkingen op voor de realisatie van het plangebied. 5.7.4

Verantwoording groepsrisico

Inventarisatie In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich twee hogedruk aardgastransportleidingen die relevant zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Tevens sluit het bestemmingsplan risicovolle bedrijven niet uit. Op basis van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) dient het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleidingen verantwoord te worden. Tevens dient op basis van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het groepsrisico te worden verantwoord van de mogelijk toekomstige risicovolle bedrijven. Derhalve is een verantwoording groepsrisico opgesteld (Elementen verantwoording groepsrisico bestemmingsplan Laarberg Noord, Royal HaskoningDHV, september 2017, Bijlage 4). Voor het plangebied zijn de volgende risicobronnen relevant: 1. vervoer van aardgas per buisleiding A-579; 2. vervoer van aardgas per buisleiding A-628;

Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord

41

3. toekomstige Bevi-inrichtingen. De volgende risicobronnen zijn niet relevant voor het plangebied: 1. LPG tankstation 'De Haan Minerale Oliën'. Het plangebied ligt ruim buiten het invloedsgebied van dit tankstation. 2. Transport van gevaarlijke stoffen over de N18. Het plangebied ligt ruim buiten het invloedsgebied van de N18. Verantwoording groepsrisico Toename groepsrisico Uit het berekende groepsrisico van de aardgastransportleidingen blijkt dat het groepsrisico in de toekomstige situatie beperkt toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico onder de 0,1 keer de oriëntatiewaarde blijft. Voor de mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen is de verwachting dat het groepsrisico kleiner is dan de oriëntatiewaarde. Of dit daadwerkelijk het geval is, zal duidelijk worden wanneer voor een Bevi-inrichting een aanvraag omgevingsvergunning, gedeelte milieu wordt ingediend. Aanwezigheid binnen het invloedsgebied Binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleidingen en de mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen is met name landbouw en bedrijvigheid aanwezig. Het plangebied maakt bedrijvigheid mogelijk, hierbij wordt uitgegaan van een personendichtheid van 40 personen per hectare. Treffen van bronmaatregelen Het treffen van bronmaatregelen dient alleen beschouwd te worden voor de mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen.

Aangezien de Bevi-inrichtingen nog niet aanwezig of aangevraagd zijn is het niet mogelijk om bronmaatregelen te treffen. Dit wordt onderzocht bij de omgevingsvergunningsprocedure van een Bevi-inrichting. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de eisen uit de beleidsvisie van de gemeente. Treffen van ruimtelijk e maatregelen Het treffen van ruimtelijke maatregelen dient alleen beschouwd te worden voor de mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen. De provincie Gelderland heeft Laarberg aangewezen als locatie voor een regionaal bedrijvenpark, waarvan dit plangebied onderdeel uit maakt. Om de risico's ten gevolge van de mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen te beperken is rekening gehouden met de afstand tot de woonkern Groenlo. Tevens wordt rekening gehouden met de populatiedichtheid in en rondom het plangebied. De mogelijk heden van bestrijdbaarheid Aardgastransportleidingen De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid van een incident van de aardgastransportleidingen zijn beperkt. Dit komt doordat het maatgevende scenario van de aardgastransportleidingen nauwelijks tot geen ontwikkeltijd kent en de hittestraling te hoog is voor een inzet van hulpverleners. Bevi-inrichtingen De mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid van een calamiteit verschillen per maatgevend scenario.

In algemene zin wordt gesteld dat het plangebied bereikbaar is voor hulpdiensten en de bluswatervoorzieningen en opstelplaatsen voldoende zijn. De mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen kunnen echter aanleiding geven om de bereikbaarheid, bluswatervoorzieningen en opstelplaatsen verder te optimaliseren. Dit zal samen met de Veiligheidsregio nader onderzocht worden bij een aanvraag omgevingsvergunning, gedeelte milieu van een Bevi-inrichting. De mogelijk heden van zelfredzaamheid Aardgastransportleidingen De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een incident met de aardgastransportleidingen zijn beperkt. Dit komt doordat het maatgevende scenario van de aardgastransportleidingen nauwelijks tot geen ontwikkeltijd kent. Personen die zich buiten bevinden dienen te vluchten in een gebouw.

Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord

42

Bevi-inrichtingen De mogelijkheden voor de zelfredzaamheid verschillen per maatgevend scenario. Over het algemeen kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid voldoende is. De alarmering is een aandachtspunt, de huidige WAS-palen zijn onvoldoende. Een alternatief hiervoor is het inschakelen van SMS-alert. De mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen kunnen echter aanleiding geven om de inrichting van het gebied te optimaliseren ter verbetering van de zelfredzaamheid. Dit zal samen met de Veiligheidsregio nader onderzocht worden bij een omgevingsvergunningaanvraag gedeelte milieu van een Bevi-inrichting. Verder kan worden geconcludeerd dat het plangebied geen objecten mogelijk maakt die zijn bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Advies Veiligheidsregio Noord en Oost Gelderland (VNOG) In Bijlage 5 van deze toelichting is het VNOG-advies over dit plan opgenomen. Het belangrijkste onderdeel uit dit document is een advies om opnieuw een groepsrisicoberekening uit te (laten) voeren voor de hogedruk aardgasleidingen en daarbij een realistische bezettingsgraad te hanteren (conform de Handleiding risicoberekeningen Bevb; versie 2.0; d.d. 1 juli 2014).

De gemeente overweegt dat in de rapportage weliswaar ogenschijnlijk een (te) lage bezettingsgraad is gehanteerd, maar dat deze bezettingsgraad een gemiddelde is van zowel de uit te geven bedrijfskavels als van de overige gronden, waaronder een agrarisch perceel. Zou het percentage alleen op de bedrijfskavels worden gebaseerd dan is sprake van een bezettingsgraad die de VNOG als realistisch beschouwd. Het is dus niet noodzakelijk de rapportage aan te passen. Daarnaast moet volgens de Veiligheidsregio het groepsrisico opnieuw worden beschouwd zodra toekomstige Bevi-bedrijven zich willen vestigen in (de omgeving van) het plangebied. Dit onderdeel van het advies wordt opgevolgd in het kader van de verlening van omgevingsvergunningen. 5.7.5 Conclusie Het plan is, rekening houdend met het advies van de Veiligheidsregio, daarom uit oogpunt van externe veiligheid planologisch aanvaardbaar en uitvoerbaar. Nader onderzoek bij vergunning Het is mogelijk dat, afhankelijk van de aard en locatie van de bedrijfsvoering, in de omgevingsvergunning aandacht moet worden besteed aan externe veiligheidsaspecten, zoals zelfredzaamheid en bluswatervoorzieningen. Het is mogelijk dat in dat verband nadere informatie of onderzoek nodig is om bijvoorbeeld voorzieningen aan te geven of kwaliteiten te kunnen waarborgen.

5.8

Bodemkwaliteit

Inleiding Door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens kan inzicht worden verkregen in de bodemkwaliteit in het plangebied. Dat inzicht is nodig om te bepalen of de bodem geschikt is - of geschikt te maken is - voor nieuwe functies. Ook voor omgevingsvergunningen voor het bouwen is onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Bouwwerkzaamheden mogen pas beginnen als de bodem geschikt is - of geschikt is gemaakt - voor het beoogde doel. Daarom moet bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, moet aanvullend onderzoek plaatsvinden. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, moet vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of moet de omgevingsvergunning worden geweigerd. Onderzoek In het kader van het PlanMER voor de Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg is een onderzoek uitgevoerd naar bodem en water. Dit onderzoek ziet tevens op de ontwikkeling van Laarberg Noord. Daarnaast is in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van Laarberg Noord een

Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord

43

historisch bodemonderzoek uitgevoerd onder de titel 'Historisch Bodemonderzoek Holtkampsweg (ong.) te Groenlo' (Econsultancy, 3 augustus 2017). De resultaten van voornoemd onderzoek zijn hierna samengevat: In voorgaande onderzoeken zijn op de onderzoekslocatie verschillende bodem- en grondwaterverontreinigingen aangetroffen. In 2015 zijn er asbesthoudende materialen in de grond aangetroffen, de asbestconcentratie overschreed echter niet de interventiewaarde. Tijdens de terreininspectie zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld. Ook tijdens het veldwerk zijn er geen asbestverdachte materialen op het maaiveld en in de bodem gevonden. Vervolgonderzoek wordt geadviseerd voor landbodem, watergangen en gedempte sloten. Voor de landbodem dient onderzoek volgens de strategie 'Onverdacht grootschalig' uitgevoerd te worden. De watergangen dienen volgens strategie 'Overig water, lintvorming en normale onderzoeksinspanning' uitgevoerd worden. Voor de uitvoering van de plannen voor de uitbreiding van bedrijvenpark Laarberg is de Gebiedsonderneming Laarberg opgericht. De gebiedsonderneming stelt jaarlijks een grondexploitatie op. In de grondexploitatie is rekening gehouden met de sanering van gronden als gevolg van verontreinigingen met onder andere asbest.

Uit de laatste grondexploitatie blijkt dat de voorgenomen plannen voor het bedrijvenpark Laarberg sluiten met een positief resultaat. Conclusie Er zijn in het plangebied geen (zodanige) bodem- en grondwaterverontreinigingen aangetroffen die de aanvaardbaarheid en uitvoerbaarheid van de ontwikkeling van het plangebied beperken. Naar aanleiding van het historisch onderzoek uit 2017 is vervolgonderzoek uitgevoerd. Dit betreft de separaat beschikbare rapportage "Rapport diverse onderzoeken Laarberg Centraal te Groenlo" (kenmerk 11304.001C, datum 16-4-2020). In het grondexploitatieplan van de Gebiedsonderneming Laarberg is rekening gehouden met eventuele sanering van lokale verontreinigingen. Deze grondexploitatie sluit met een positief resultaat. Hiermee is de exploitatie ten aanzien van het aspect bodem gegarandeerd. Nader onderzoek bij vergunning Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet worden aangetoond dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond.

5.9

Water

Inleiding In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Onderzoek Voor de uitbreiding van het bedrijvenpark Laarberg is in het kader van het Masterplan 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg' de watertoets (Civicon BV, 2011) doorlopen. In 2021 is de watertoets geactualiseerd. De toets geeft aan wat de gevolgen zijn voor het ruimtelijke plan voor de waterhuishouding in en rond het plangebied. De maatregelen die nodig zijn om de waterhuishouding op orde te hebben en te houden in het plangebied zijn afgestemd met het waterschap. Dat deze op een juiste manier worden toegepast wordt geborgd in het waterhuishoudings- en rioleringsplan dat in samenwerking met het waterschap is uitgewerkt. De watertoets wordt gebruikt voor de bestemmingsplannen die worden opgesteld binnen de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark.

Veel onderdelen van het waterhuishoudings- en rioleringsplan zijn reeds gerealiseerd. Voorliggend plangebied, Laarberg Noord, is onderdeel van de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark.

Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord

44

Huidige situatie plangebied Binnen en nabij het bedrijvenpark Laarberg zijn meerdere oppervlaktewaterlichamen aanwezig. 1. Leerinkbeek; 2. Afwatering van Heideblom; 3. Retenties fase 1 langs Bolwerk, Noordgang en Redoute; 4. Retenties fase 2 (uitbreiding): a. Retentie noordoost, Groot Hoornwerk; b. Retentie zuid, Zuidgang; c. Retentie west, Ruiterpad. Aan de noordzijde van het regionaal bedrijvenpark loopt de Leerinkbeek. Deze beek is onderdeel van een natte ecologische verbindingszone (heringericht in 2007). Aan de zuidzijde loopt de Afwatering van de Heideblom. In het plangebied liggen diverse retentiewateren voor de opvang van hemelwater. Naast het oppervlaktewater zijn het verloop van het maaiveld, de bodemopbouw en de grondwaterstanden in grote mate bepalend voor de waterhuishouding. De maaiveldhoogte van het voorliggend plangebied Laarberg Noord verloopt van circa 20,90 tot 22,00 m +NAP. De bodem bestaat tot een diepte van 2 á 2,5 meter voornamelijk uit fijne silthoudende zandlagen. Iets dieper (tot 4 meter onder maaiveld) zijn overwegend matig fijne grindhoudende zanden aanwezig. Tot een diepte van 10 à 15 meter zijn overwegend schone zandlagen aanwezig met op een aantal plaatsen leem-en silthoudende lagen op een diepte van circa 5 tot 8 meter. Tot de maximaal verkende diepte van 15 meter is een keileempakket aanwezig.

Hier ligt ook de basis van het freatische en eerste watervoerend pakket. Het waterbeleid is er op gericht dat hemelwater in eerste instantie zo veel mogelijk vastgehouden moet worden door infiltratie in de bodem. Als dat onvoldoende mogelijk is, dient het water zo veel mogelijk geborgen te worden in retentievoorzieningen. Als ook dat niet toereikend is kan water afgevoerd worden. De infiltratiemogelijkheden worden vooral bepaald door de doorlatendheid van de bodem en de grondwaterstanden. Door de bodemopbouw met veel zandlagen is de doorlatendheid redelijk. In het plangebied varieert de grondwaterstand tussen circa 0 en 1,8 meter onder het maaiveld. Aan de noordzijde van het plangebied, waar het maaiveld ook het laagst ligt, zijn bij de Leerinkbeek grondwaterstanden tot nabij maaiveld aangetroffen (in de winter). Watertoets Inleiding In het kader van de watertoets is, zoals hiervoor is aangegeven, een watertoetsrapportage opgesteld en beoordeeld door het waterschap. In die rapportage, zie Bijlage 7, is benoemd welke wateraspecten aan de orde zijn. Binnen het plangebied worden de volgende functies onderscheiden; bouwkavels, groenstroken en wegen. Voor de bouwkavels en de wegen wordt uitgegaan van 100% verharding. Riolering en Afvalwaterk eten Ten gevolge van de ontwikkeling zal sprake zijn van een toename van afvalwater.

Het afvalwater wordt via het reeds aangelegde vuilwaterriool afgevoerd en aangesloten worden op het gemaal "Laarberg". Bij de aanleg van het gemaal "Laarberg" en de dimensionering van de persleiding is rekening gehouden met de groei van het afvalwater door uitbreiding van het bedrijvenpark. Deze voorzieningen kunnen naar huidig inzicht de toename van het afvalwater verwerken. Het nieuwe terrein is/wordt naar huidig inzicht voorzien worden van een 'drievoudig stelsel' (soort duurzaam gescheiden stelsel). Wateroverlast Het verhard oppervlak voor het plangebied neemt toe. Om wateroverlast, kwantitatief en kwalitatief, nu en in de toekomst te voorkomen wordt het regenwater niet afgevoerd naar het vuilwaterstelsel maar volgens de trits vasthouden, bergen en afvoeren behandeld. Het vasthouden en bergen van opgevangen hemelwater wordt in eerste instantie binnen de gehele uitbreiding van het bedrijvenpark ingepast. Het hemelwater van het terreinverhardingen zal door middel van infiltratievelden in de bodem infiltreren. Deze velden kunnen overstorten op de retentiewateren. Deze retenties kunnen uiteindelijk overstorten op de Leerinkbeek en Afwatering van de Heideblom. Het hemelwater van dakwater wordt rechtstreeks aangesloten op de retenties.

Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord

45

De volgende bergingseisen zijn (destijds) samen met het waterschap vastgesteld: 10 mm statische berging in infiltratievelden; T=10+10% bergen in de retenties, peilstijging tot maximaal het stuwpeil (dus bergen tussen streefpeil en stuwpeil retenties). Het waterschap hanteert voor een bui T=10+10% een statische berging van 40mm (hierbij mag de berging in de infiltratievelden in mindering worden gebracht); T=100+10% bergen tot aan het maaiveld waarbij er geen wateroverlast ontstaat op het bouwplan. Het waterschap hanteert voor een bui T=100+10% een statische berging van 74mm*; Vanuit het bouwplan mag niet meer afgevoerd worden dan de landbouwafvoernorm, deze is 1,3 l/s/ha (bron: Duurzaam en veilig water in de stad). (*) Inmiddels betreft deze eis 80 mm. Uit de actualisatie van de bergingsopgave blijk t dat het huidige plan voldoet aan de nieuwe bergingsopgave. In onderstaande tabel staat de statische bergingsopgave uit 2012.

In onderstaande tabel staat de geactualiseerde bergingsopgave uit 2021 op basis van het meest actuele stedenbouwkundig plan.

Oppervlak tewaterkwaliteit Hemelwater van wegen en terreinverhardingen wordt via infiltratievelden en retenties geloosd op het oppervlaktewatersysteem. Er worden geen functies mogelijk gemaakt die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Grondwateroverlast

Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord

46

In de bodem van de uitbreiding van het regionale bedrijvenpark bevinden zich op enkele plaatsen slecht doorlatende lagen. Om grondwateroverlast in de toekomstige situatie te voorkomen, wordt aanbevolen om deze slecht doorlatende lagen te onderbreken. Inrichting en beheer De ontwikkelingen vormen geen belemmering voor het reguliere beheer en onderhoud van het watersysteem. Het oppervlaktewaterpeil wordt binnen gewenste of vastgestelde marges gehandhaafd (bestaand gemiddeld grondwaterpeil). Waterhuishoudingsplan De maatregelen die nodig zijn om de waterhuishouding op orde te hebben en te houden in het plangebied zijn afgestemd met het waterschap Rijn en IJssel. Diverse maatregelen hebben ruimtelijke consequenties. Dat deze op een juiste manier worden toegepast wordt geborgd in het waterhuishoudingsplan dat in samenwerking met het waterschap is uitgewerkt. In dat plan is gestreefd naar een hoge mate van detail (Civicon BV 2012, zie Bijlage 8). Dit bestemmingsplan is eind 2021 wederom ter advisering voorgelegd aan Waterschap Rijn en IJssel. Het waterschap heeft bij email van 23 november 2021 hierop gereageerd (zie Bijlage 9). Naar aanleiding van die reactie wordt het volgende opgemerkt. De overkoepelende watertoets en waterhuishoudings- en rioleringsplan zijn als bijlage 7 en 8 toegevoegd aan het bestemmingsplan. De oorspronkelijke statische bergingsberekening d.d.

2012 is in 2021 geactualiseerd. De resultaten hiervan zijn in tabelvorm opgenomen in deze paragraaf. Geconcludeerd kan worden dat de huidige plannen voldoen aan de actuele eisen. Het in het ontwerpplan vermelde "addendum, actualisatie bergingsopgave" komt te vervallen. Dit addendum is achterhaald door de nu toegevoegde resultaten van de geactualiseerde bergingsberekening in tabelvorm. Conclusie De ontwikkeling Laarberg Noord is met oog op het aspect oppervlaktewater en grondwater uitvoerbaar. Nader onderzoek bij vergunning Het ruimtelijk kader is uit planologisch opzicht voldoende afgestemd op de waterbelangen in het gebied. Het kan echter nodig zijn dat een initiatiefnemer nadere vergunningen op het gebied van de waterhuishouding moet aanvragen, afhankelijk van de bedrijfsvoering en/of het bouwplan. Een dergelijke vergunning moet (meestal) bij de gemeente of bij het waterschap worden aangevraagd.

5.10

Ecologie

Inleiding Wettelijk k ader De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Per 1 januari 2017 is de nieuwe natuurwet "Wet natuurbescherming" (hierna Wnb) in werking getreden. In deze nieuwe wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en Boswet in één wet geïntegreerd, waarmee de afzonderlijke wetten komen te vervallen. De belangrijke wijzigingen zijn de verwijdering van de beschermde natuurmonumenten uit de wet, wijzigingen in de lijst van beschermde soorten van de Flora- en faunawet en verschuiving van verantwoordelijkheden van het Rijk naar de provincie. Ten aanzien van de Boswet zijn er geen wijzigingen. Soortenbescherming De Wnb heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen, gebiedsbescherming als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen.

Er bestaan drie beschermingsregimes voor drie verschillende groepen van beschermde soorten. Voor de algemeen

Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord

47

beschermde soorten geldt een algemene ontheffing voor ruimtelijke ingrepen. Ook voor de overige beschermde soorten is ontheffing mogelijk, mits wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode. Voor strikt beschermde soorten kan enkel afgeweken worden na een uitgebreide toetsing. Gebiedsbescherming Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde monumenten en staatsnatuurmonumenten. Een belangrijk onderdeel van de Wnb is dat er geen vergunning gegeven mag worden voor handelingen of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de kwaliteit van de habitats van soorten, waarvoor een gebied is aangewezen. Wanneer niet op voorhand uitgesloten kan worden dat er schadelijke effecten kunnen optreden, dan dient de initiatiefnemer een 'passende beoordeling' te maken. Dat betekent een onderzoek naar alle aspecten van het project en welke gevolgen die kunnen hebben voor datgene wat bescherming geniet. Natuuronderzoek en In het kader van het PlanMER voor de Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg zijn verschillende natuuronderzoeken uitgevoerd.

Deze - separaat beschikbare - onderzoeken, die de gehele voorziene uitbreiding van bedrijvenpark Laarberg in beschouwing nemen, vormen in belangrijke mate de onderbouwing op het aspect ecologie. Daarnaast is in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van Laarberg Noord een update van dit natuuronderzoek uitgevoerd in 2021. Voor Laarberg is ook een nieuw natuurmitigatieplan opgesteld. Deze integratie van onderzoek en plan wordt het Activiteitenplan genoemd en is opgenomen in Bijlage 3 van de planregels. Bij de hierna beschreven overwegingen ten aanzien van de soortenbescherming wordt, waar nodig, tevens naar dat Activiteitenplan verwezen. Onderzoek soortenbescherming Wet natuurbescherming In 2021 is een update van het natuuronderzoek uitgevoerd in het plangebied. Het doel van dit onderzoek was om te inventariseren of door de geplande werkzaamheden schade kan ontstaan aan populaties van beschermde soorten flora en/of fauna, en hoe eventuele schade beperkt of gecompenseerd kan worden. De huidige wetgeving verlangt een gedegen en actueel onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die Wet natuurbescherming (Wnb) een plannenmaker oplegt. Inventarisaties Gebiedsonderneming Laarberg is verantwoordelijk voor de uit te voeren activiteiten en gaat voldoen aan haar zorgplicht in het kader van de Wnb.

Het eerste flora- en faunaonderzoek is in 2010 uitgevoerd en geactualiseerd in 2014. In 2017 is een aanvullend natuuronderzoek (veldonderzoek) uitgevoerd, gericht op het voorkomen van beschermde planten, vleermuizen, vaste rust- en verblijfplaatsen van matig en streng beschermde zoogdieren en broedvogels, waaronder vogels waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd. In 2020 en 2021 is opnieuw onderzoek gedaan. De resultaten daarvan zijn verwerkt in het 'Activiteitenplan Regionaal bedrijventerrein Laarberg in Groenlo Deelgebieden: 'Centraal', 'Noord' en het westelijke deel van 'Biobased Transitiepark fase 2'. Dit plan is, zoals eerder vermeld, opgenomen in Bijlage 3 van de planregels. Analyse flora Bij de geplande ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de aangetroffen beschermde plantensoorten en het nemen van mitigerende of compenserende maatregelen is voor de aangetroffen plantensoorten niet noodzakelijk. Bunzing en wezel Tijdens de werkzaamheden in het plangebied waar vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen, en het bijbehorend functioneel leefgebied (foerageergebied en verbindingszone), zich bevinden, is mogelijk tijdelijk sprake van verlies aan vaste rust- en verblijfplaatsen (bunzing) en geschikt habitat (bunzing en wezel).

Ook is mogelijk sprake toenemende risico op verkeersslachtoffers en van verstoring van individuen door geluid, trillingen, menselijke aanwezigheid etcetera. Er worden

Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord

48

mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen. Analyse vleermuizen Door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen verdwijnen er geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Verstoring op foerageergebieden en vliegroutes door (met name) licht- en geluidhinder is op voorhand niet geheel uit te sluiten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is verleend. Om verstoring op essentieel foerageergebied en vliegroute van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger langs de Holtkampsweg, door de ruimtelijke ontwikkeling te compenseren wordt de kwaliteit van het bestaand foerageergebied en vliegroute versterkt. Daarnaast worden mitigerende maatregelen getroffen conform het 'Activiteitenplan Regionaal bedrijventerrein Laarberg in Groenlo Deelgebieden: 'Centraal', 'Noord' en het westelijke deel van 'Biobased Transitiepark fase 2' Conclusie onderzoek soortenbescherming De ontwikkeling van Laarberg Noord is voor wat betreft het aspect soortenbescherming uitvoerbaar.. Een ontheffing is verleend vanwege de (mogelijke) verstoring van het leefgebied van kleine marterachtigen en de vleermuizen. Onderzoek Gebiedsbescherming Inleiding Ter plaatse van het plangebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het onderzoek in het kader van de gebiedsbescherming is daarom gericht op effecten op beschermde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied.

Het gaat daarbij vooral om Natura 2000-gebieden. Bedoeld onderzoek omvat meerdere studies en onderzoeken die, samen beschouwd, het vereiste actuele inzicht bieden in de effecten van dit plan op natuurgebieden. Het betreft de volgende studies en onderzoeken (met verwijzingen): 1. PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg (augustus 2013); 2. Passende Beoordeling, inclusief stikstofdepositieberekeningen (augustus 2013); 3. Notitie stikstofdepositie (maart 2018). Hierna wordt een samenvatting gegeven van deze studies en onderzoeken. Hierbij wordt in de basis uitgegaan van de informatie uit het PlanMER en de Passende Beoordeling. Deze informatie, die voor wat betreft de algemene inhoud op dit moment nog steeds actueel is, wordt op het punt van berekeningen aangevuld en geactualiseerd op basis van een Notitie stikstofdepositie uit 2021, die is opgenomen in Bijlage 6 van deze toelichting. Inventarisatie Het plangebied ligt op enige afstand van een aantal Natura 2000-gebieden: 1. Zwillbrockervenn & Ellewickerveld en vogelrichtlijngebied (5 km); 2. Korenburgerveen (7 km); 3. Stelkampsveld (10 km); 4. Buurserzand en Haaksbergerveen (10 km). Verderweg gelegen gebieden zijn onder andere Bekendelle (13 km), Willinks Weust (14 km), Lüntener Fischteich und Ammeloer Venn (14 km), Witte Venn en Krosewicker Grenzwald (14 km) en Witte veen (14 km).

In deze gebieden zijn doelstellingen geformuleerd voor een aantal soorten en habitattypen van hoogvenen, heiden, schrale graslanden, stuifzanden en bossen. Het Zwillbrockervenn & Ellewickerveld is ook aangewezen voor de Vogelrichtlijn. Dit Vogelrichtlijngebied heet 'Vogelschutzgebied Moore und Heiden des westlichen Münsterlandes' en omvat onder andere het habitatrichtlijngebied Zwillbrockervenn & Ellewickerveld. Gezien de aard en omvang van de verwachte effecten van de ontwikkeling van Laarberg Noord, richt de passende beoordeling zich op de vier dichtstbijgelegen Natura 2000-gebieden Zwillbrockervenn, Korenburgerveen, Stelkampsveld en Buurserzand & Haaksbergerveen. Passende beoordeling In de passende beoordeling bij het PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg (Royal HaskoningDHV, augustus 2013) is de stikstofdepositie ten gevolge van de industriële activiteit en de verkeersaantrekkende werking van het regionaal bedrijvenpark Laarberg als geheel bepaald.

Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord

49

Op de Natura 2000-gebieden (Korenburgerveen, Stelkampsveld, Buurserzand & Haaksbergerveen) is, zo blijkt uit onderzoek, met de beoogde bedrijvigheid geen sprake van een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie, zodat op voorhand is uitgesloten dat dit een significant negatief effect veroorzaakt. Stik stofbeoordeling 2021 plangebied Laarberg Noord De aanleiding voor deze beoordeling, in aanvulling op de reeds verrichte onderzoeken is tweeledig. Enerzijds zijn er regelmatig ontwikkelingen inzake de staat van Natura2000-gebieden. Anderzijds zijn er regelmatig ontwikkelingen op het gebied van regelgeving voor stikstofdepositie. Voor wat betreft dat laatste: op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. Hierin worden tijdelijke bouw- en sloopactiviteiten vrijgesteld van vergunningplicht. De vrijstelling geldt voor mobiele werktuigen, bouwverkeer en omleidingsroutes. De aanvullende stikstofbeoordeling is opgenomen in Bijlage 6 van deze toelichting. Uit de beoordeling blijkt dat, als gevolg van de verkeersaantrekkende werking tijdens de gebruiksfase van het nieuwe bedrijventerrein op Laarberg Noord in Groenlo, op geen enkel rekenpunt een toename in depositie (0,00 mol N/ha/j) wordt berekend. Deze conclusie geldt ook wanneer wordt uitgegaan van de vaste afstandsgrens die recentelijk op 25 km is bepaald.

Op basis van deze conclusie kunnen significant negatieve effecten als gevolg van het gebruik van het bedrijventerrein op voorhand worden uitgesloten. Dit betekent dat de conclusie, die reeds is getrokken in het kader van de voornoemde passende beoordeling, voor Laarberg Noord nog steeds in stand blijft. Verder wordt in de conclusie van de beoordeling vermeld dat stikstofdepositie als gevolg van de aanlegfase van de het bedrijventerrein onder de vrijstelling valt van de vergunningplicht uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). Tot slot wordt hierbij opgemerkt dat het gebied op dit moment nog steeds actief in gebruik is als landbouwgrond. Dit gebruik wordt (en kan worden) voortgezet tot het moment dat de feitelijke aanleg van het bedrijventerrein begint. Gelders Natuurnetwerk (GNN) Ten noorden van het plangebied loopt de Leerinkbeek. Deze beek is onderdeel van een natte ecologische verbindingszone (heringericht in 2007). Een smalle zone rond de Leerinkbeek, in de nabijheid van het plangebied, is aangewezen als Gelders Natuurnetwerk. Daar omheen ligt een ruime zone die in de omgevingsvisie van Gelderland is begrensd als Groene Ontwikkelingszone.

Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier mogelijk, maar er moet ook gestreefd worden om de "samenhang tussen natuurgebieden te bevorderen, het functioneren als netwerk te versterken en overgangen tussen natuurbestemmingen en andere functies te zoneren". In dit geval liggen zowel de GNN-zone als de GO-zone ruim buiten het plangebied (circa 250 - 300 m). Regels over het Gelders Natuurnetwerk (GNN) zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland. Hierin staan geen bepalingen ten aanzien van externe werking. Alleen wanneer sprake is van een bestemmingswijziging binnen de begrenzing van het GNN zijn de bepalingen uit de Omgevingsverordening van toepassing. Omdat het plangebied buiten de begrenzing van het GNN ligt, is nadere toetsing aan de Omgevingsverordening Gelderland voor het aspect GNN niet noodzakelijk. Dezelfde overweging geldt ten aanzien van de Groene Ontwikkelingszone. Conclusie De ontwikkeling van Laarberg Noord is in beginsel aanvaardbaar, de individuele ontwikkelingen binnen dit plan zijn recentelijk getoetst op het aspect gebiedsbescherming (met name voor wat betreft de stikstofdepositie). Voor wat betreft soortenbescherming wordt het (jaarrond) onderzoek jaarlijks herhaald, de resultaten daaruit kunnen gebruikt worden bij individuele ontwikkelingen.

Nader onderzoek bij vergunning De Wet natuurbescherming kent een zelfstandige werking én onderzoeksgegevens op het gebied van natuurbescherming zijn beperkt geldig. Het is daarom vrijwel altijd nodig dat bij aanvraag van een omgevingsvergunning, die de bouw en ingebruikname van een bedrijfsgebouw mogelijk maakt, een (nieuw) onderzoek vanwege gebiedsbescherming (Aeriusonderzoek) wordt uitgevoerd. In uitzonderlijke gevallen zou dit kunnen leiden tot het moeten uitvoeren van een specifieke passende beoordeling.

Regionaal Bedrijv enpark Laarberg, Laarberg Noord

50

5.11

Archeologie en cultuurhistorie

Inleiding Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De monumentenwet 1988 is hierin gedeeltelijk overgenomen. Het andere deel van de monumentenwet 1988 zal worden opgenomen in de Omgevingswet. Het gaat dan om het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming over de fysieke leefomgeving. Op moment zijn deze wetten opgenomen in de Erfgoedwet onder het overgangsrecht, totdat de Omgevingswet in werking treedt. Voor archeologie gaat het onder meer om: 1. het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; 2. de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; 3. de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; 4. de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen. Bepalingen over de archeologische monumentenzorg in omgevingsvergunningen zullen overgaan naar de Omgevingswet maar blijven hetzelfde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11175870/1