CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp laarberg noord 2 toelichting plan mer

Raadscommissie 23 april 2024, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan Laarberg Noord 235.520 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Het risico op verspreiding van bodem of grondwaterverontreinigingen als gevolg van de beoogde ingrepen is klein als de enkele aandachtspunten die hiervoor zijn beschreven in acht worden genomen. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen bezwaar voor het toekomstige gebruik van het terrein. Wanneer grond wordt ontgraven in het plangebied mag deze in principe direct (zonder keuring) worden toegepast in de omgeving en ook in andere gebieden, aangezien het gebied nu onder de hoogste kwaliteits-/ontgravingsklasse valt (Bodemkwaliteitskaart/Nota bodembeheer regio Achterhoek). Uitzondering hierop vormt grond van ‘verdachte locaties’. Deze zijn beperkt aanwezig in het plangebied, zoals hiervoor aangegeven. Bij grondverzet op deze locaties moet eerst een partijkeuring plaatsvinden voordat deze ergens anders toegepast kan worden. Effecten op de oppervlaktewaterkwaliteit worden niet verwacht. Grondwaterbeschermingsgebieden of gevoelige/beschermde ecologische wateren liggen niet nabij het plangebied. Om nadelige gevolgen van eventueel afstromend hemelwater richting oppervlaktewater te voorkomen, wordt het hemelwater vanuit het plangebied niet rechtstreeks geloosd op het oppervlaktewatersysteem. Het water wordt geïnfiltreerd in infiltratievelden of eerst geborgen binnen het plangebied.

Door toepassing van een zogenaamd ‘drievoudig stelsel’ wordt daarbij ook hemelwater van daken en parkeerterreinen gescheiden. Het effect op het criterium bodem- en (grond)waterkwaliteit wordt beoordeeld als neutraal (0).

5.2.2

Grond- en oppervlaktewaterkwantiteit Voor de uitbreiding van Laarberg is in het kader van het Masterplan uitbreiding Laarberg de watertoets doorlopen Civicon BV (2012). Dit proces is doorlopen met gemeente Oost Gelre en Waterschap Rijn en IJssel. De toets geeft aan wat de gevolgen zijn voor het ruimtelijke plan voor de waterhuishouding in en rond het plangebied.

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 66 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

In het navolgende zijn de resultaten van de watertoets gebruikt voor de omschrijving van de referentiesituatie en het planeffect. In het kader van de watertoets is onder andere uitgebreid Geohydrologische onderzoek uitgevoerd en is onderzoek gedaan naar de doorlatendheid van de bodem (geschiktheid voor infiltratie; Econsultancy, 2012). Referentiesituatie In en in de directe nabijheid van het plangebied zijn meerdere oppervlaktewaterlichamen aanwezig. Langs de noordelijke plangrens loopt de Leerinkbeek. Deze beek is onderdeel van een natte ecologische verbindingszone (ingericht in 2007). Aan de westzijde van het plangebied ligt de Afwatering van Heideblom (met een zijtak in het plangebied). Aan de oostelijke plangrens liggen een bluswatervoorziening (aan uiteinde zijtak Heideblom) en retentiewateren van het bestaande deel van Laarberg (noordoost). Daarnaast zijn er diverse kleine watergangen aanwezig in het plangebied (kleinere sloten). De stromingsrichting is over het algemeen noordwestelijk. In Afbeelding 5-8 is het oppervlaktewater weergegeven. Afbeelding 5-8 Oppervlaktewater

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 67 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 68 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Naast het oppervlaktewater zijn het verloop van het maaiveld, de bodemopbouw en de grondwaterstanden in grote mate bepalend voor de waterhuishouding. De maaiveldhoogte van het plangebied loopt af van het zuiden naar het noordwesten en varieert van 23,90 meter boven NAP in het zuiden tot 20,40 meter boven NAP in het noordwesten. Afbeelding 5-9 Verloop maaiveld

Bron: Masterplan uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg (2012)

De bodem bestaat tot een diepte van 2 á 2,5 meter voornamelijk uit fijne silthoudende zandlagen. Iets dieper (tot 4,1m onder maaiveld) zijn overwegend matig fijne grindhoudende zanden aanwezig. Tot een diepte van 10 à 15 meter zijn overwegend schone zandlagen aanwezig met op een aantal plaatsen leemen silthoudende lagen op een diepte van circa 5 tot 8 meter. Tot de maximaal verkende diepte van 15 meter is een keileempakket aanwezig. Hier ligt ook de basis van het freatische en eerste watervoerend pakket. Het waterbeleid is er op gericht dat hemelwater in eerste instantie zo veel mogelijk vastgehouden moet worden door infiltratie in de bodem. Als dat onvoldoende mogelijk is, dient het water zo veel mogelijk geborgen te worden in retentievoorzieningen. Als ook dat niet toereikend is kan water afgevoerd worden.

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 69 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

De infiltratiemogelijkheden worden vooral bepaald door de doorlatendheid van de bodem en de grondwaterstanden. Door de bodemopbouw met veel zandlagen is de doorlatendheid goed. In het plangebied varieert de grondwaterstand tussen circa 0 en 1,8 meter onder het maaiveld. Aan de noordzijde van het plangebied, waar het maaiveld ook het laagst ligt, zijn bij de Leerinkbeek grondwaterstanden tot nabij maaiveld aangetroffen (in de winter). Zoals eerder aangegeven is ten behoeve van het bestaande industrieterrein is reeds retentiewater aangelegd. Dit water is alleen gevuld na een regenbui (met dakwater en weg-/terreinwater) en loost op de Leerinkbeek. In het plangebied infiltreert het meeste hemelwater in de op dit moment onbebouwde bodem (agrarisch gebied). Het bestaande industrieterrein Laarberg is over het algemeen voorzien van een verbeterd gescheiden rioolstelsel. De (voormalige) bebouwing in het plangebied is/was aangesloten op drukriolering.

Effectbeoordeling In de watertoets zijn de volgende ‘toetsthema’s’ relevant geacht: – Riolering en Afvalwaterketen: toename van afvalwater (droog weer afvoer; DWA); – Wateroverlast (oppervlaktewater): toename van het verhard oppervlak; – Oppervlaktewaterkwaliteit: lozing (hemel)water op oppervlaktewater; – Grondwateroverlast: slecht doorlatende lagen in de ondergrond, kwel en dempen van perceelsloten of andere wateren; – Inrichting en beheer: wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap; – Volksgezondheid: functies die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water); – Natte natuur: natte EVZ. In navolgende worden de effecten van het plan op deze thema’s beschreven. Het thema oppervlaktewaterkwaliteit is reeds behandeld onder het criterium ‘bodem- en grondwaterkwaliteit in de vorige subparagraaf Riolering en Afvalwaterketen Ten gevolge van de ontwikkeling zal sprake zijn van een toename van afvalwater. Het afvalwater zal via het aan te leggen rioleringsstelsel worden afgevoerd en aangesloten worden op het gemaal “Laarberg”. Bij de aanleg van het gemaal “Laarberg” en de dimensionering van de persleiding is rekening gehouden met de groei van het afvalwater door uitbreiding van het bedrijventerrein. Deze voorzieningen kunnen naar huidig inzicht de toename van het afvalwater verwerken.

Het nieuwe terrein zal naar huidig inzicht voorzien worden van een ‘drievoudig stelsel’ (soort verbeterd gescheiden stelsel). Wateroverlast Het verhard neemt toe met naar schatting maximaal 50 hectare (inclusief wegen) indien alle bedrijfskavels 100% verhard worden. Dit water moet ergens anders geïnfiltreerd of geborgen worden. Indien dat niet mogelijk is moet het afgevoerd worden (de trits vasthouden, bergen en afvoeren). Het hemelwater zal door middel van infiltratievelden in de bodem infiltreren. Deze velden kunnen ‘overstorten’ op de retentiebekkens die worden voorzien het plangebied. Deze kunnen op hun beurt weer ‘overstorten’ op de Leerinkbeek. Dit laatste geldt niet voor het noordwestelijk deel van het plangebied. De beoogde retentiewateren wateren niet rechtstreeks af op de Leerinkbeek. Deze wateren af via de Afwatering van Heideblom en uiteindelijk naar de Leerinkbeek in verband met het anders te overwinnen hoogteverschil van circa 60 centimeter richting de Leerinkbeek (inzicht ontstaan tijdens opstellen Waterplan tijdens voorliggend planMER). 30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 70 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

De oppervlakte aan waterbergingsgebied is ruim voldoende om wateroverlast te voorkomen. Daarbij is rekening gehouden compensatie voor de te dempen bestaande bluswatervoorziening gedempt en een del van de bestaande retentiewateren. Grondwateroverlast In de bodem van het plangebied bevinden zich op enkele plaatsen slecht doorlatende. Om grondwateroverlast in de toekomstige situatie te voorkomen, wordt aanbevolen om slecht doorlatende lagen te onderbreken (spitten). Op enkele plaatsen in het plangebied is sprake van kwel (met name in het noordwesten). Als daar ontwikkelingen plaatsvinden is voldoende drooglegging een duidelijk aandachtspunt. Ook moet hier de afwatering op orde zijn richting retentiewateren. Inrichting en beheer De ontwikkelingen vormen geen belemmering voor het reguliere beheer en onderhoud van het watersysteem. Het oppervlaktewaterpeil wordt binnen gewenste of vastgestelde marges gehandhaafd (bestaand gemiddeld grondwaterpeil). Aandachtspunt is dat rekening wordt gehouden met ruimte voor onderhoudspaden. De richtlijnen die het waterschap hiervoor hanteert zijn bekend en aan bod gekomen tijdens de watertoets. Volksgezondheid Het toekomstige oppervlaktewater moet voldoende doorstroming te hebben om van voldoende kwaliteit te zijn. Om het risico op verdrinking te beperken, worden zoveel als mogelijk flauwe taluds toegepast.

De infiltratievelden moeten binnen 24 uur leeg zijn. Natte natuur Het plangebied bevindt zich in of nabij een EVZ. Bij de beoogde ontwikkelingen dient zoveel als mogelijk rekening te worden gehouden met de EVZ en de bescherming van de gewenste natuurwaarden. Uitgangspunt is dat de waarden van de EVZ niet worden aangetast. De maatregelen die nodig zijn om de waterhuishouding op orde te hebben en te houden in het plangebied zijn afgestemd met het waterschap. Diverse maatregelen hebben ruimtelijke consequenties. Dat deze op een juiste manier worden toegepast wordt geborgd in het waterplan dat in samenwerking met het waterschap wordt uitgewerkt, parallel aan de structuurvisie voor Laarberg fase II (in het kader van de watertoets is hier een aanzet voor gegeven). In dat plan wordt gestreefd naar een hoge mate van detail. Het plan wordt gebruikt voor de op te stellen bestemmingsplannen. Het criterium grond- en oppervlaktewaterkwantiteit wordt neutraal (0) beoordeeld aangezien het waterbelang (in overleg met het waterschap) geborgd wordt. Op een aantal punten wordt de waterhuishouding beter geregeld dan op andere bedrijventerreinen (zoals aanleg van ‘drievoudig rioolstelsel’). De score blijft echter neutraal, omdat bij de effectbeoordeling vergeleken wordt met de referentiesituatie (landbouwgebied) en niet met een conventioneel bedrijventerrein.

5.3

Landschap, cultuurhistorie en archeologie

5.3.1

Landschappelijke waarden Referentiesituatie Het landschap is opgebouwd uit vele zichtbare en onzichtbare lagen. Oude abiotische patronen en cultuurhistorische lagen schemeren door de nieuwste lagen van verstedelijking en landgebruik heen.

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 71 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

De tweede fase van Laarberg is gelegen ten noorden van Groenlo in een gebied waar oud (Grolse Linie 1627) en nieuw (N18) elkaar raken; waar de eerste fase van de Laarberg ligt te wachten op een vervolg in het aangrenzende weiland. Geomorfologisch is het plangebied Laarberg fase II grofweg onder te verdelen in een tweetal gebieden: Welvingen in ‘Sneeuwsmeltwaterafszettingen’ en ‘Vlakte van ten dele verspoelde dekzanden’. In Afbeelding 5-10 is de geomorfologie in en rond het plangebied weergegeven. De dekzandruggen liggen met name rondom de tweede fase van Laarberg. De huidige Slinge, Leerinkbeek en zijtak van de Heideblom liggen in de dalvormige laagtes. Afbeelding 5-10 Geomorfologie

Bron: Masterplan uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg (2012)

In het verleden zijn voornamelijk boerderijen op de dekzandruggen en hoger gelegen zandgronden gebouwd. De eerste fase van Laarberg is ook gerealiseerd op een dekzandrug. Het terrein loopt richting het noordwesten af. Het noordwestelijk deel van het plangebied ligt lager en is van nature natter.

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 72 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Binnen het plangebied komen voornamelijk weiden voor. In het plangebied is nauwelijks bebouwing aanwezig. Kenmerkende structuren in het huidige plangebied zijn de Holtkampsweg en de Ruiterweg, lange rechte lijnen die behoren tot het landschapstype. Op de kaart uit 1900 is goed te zien dat het plangebied op een scheidingsvlak van twee landschapstypen ligt: de heideontginningen met de rechtlijnige verkavelingen en het oude hoevenlandschap met haar grillige vormen. Afbeelding 5-11 Situatie 1900

Bron: Masterplan uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg (2012)

De heideontginningen en nattere delen van het landschap zijn ontgonnen en/of vergaand ontwaterd. Daarmee is een nieuw landschap ontstaan. De dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en de kenmerkende ruimtematen bepalen nu het beeld. Ten opzichte van 1900 zijn veel van de bosstroken verdwenen door naar alle waarschijnlijkheid schaalvergroting van de landbouw. Het verkavelingspatroon is in de huidige situatie nog steeds aanwezig en zichtbaar door de lijnvormige structuren en de waterlopen.

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 73 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

De grillige vormen van het oude hoevenlandschap is ontstaan op een kleinschalig patroon in de ondergrond(kleine dekzandkopjes) opgebouwd vanuit individuele erven. Het grillige patroon is voornamelijk rondom het plangebied te herkennen. De Leerinkbeek ligt in het jonge ontginningenlandschap en had tot voor een paar jaar geleden een kenmerkend rechte loop. De Leerinkbeek heeft onlangs een meer meanderende inrichting gekregen en maakt nu onderdeel uit van een ecologische verbindingszone aan de noordzijde van het plangebied. In Afbeelding 5-12 zijn de groenstructuren beplantingsstructuren en de houtwallen.

weergegeven.

Het

betreffen

de

lijnvormige

Afbeelding 5-12 Bestaande groenstructuur

Bron: Masterplan uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg (2012)

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 74 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Effectbeschrijving De structuur van het bedrijventerrein Laarberg fase 1 wordt doorgezet. Het karakter van het huidige ontginningslandschap van lange rechte lijnen van waterlopen en bosranden met open vlakken verdwijnt hiermee. Het principe van de opbouw van de ontginningslijnen is wel teruggebracht in het bedrijventerrein. Een groot aantal groenstructuren verdwijnt door de bedrijvigheid en de nieuwe lijnen in het plangebied. In de huidige situatie wordt er vanuit de Oude Borculoseweg op de achterkant van het huidige bedrijventerrein gekeken. In Laarberg fase 2 wordt een zachte overgang gecreëerd vanaf de Oude Borculoseweg. Een overgang die enerzijds uit agrarische percelen bestaat en anderzijds uit houtwallen en laanstructuren passend bij het ontginningenlandschap. Aan de noordzijde zal tevens een landschappelijke inpassing plaatsvinden welke de overgang van agrarisch naar bedrijvigheid zal verzachten. Laarberg krijgt zowel aan de noord- als aan de westzijde een nieuwe ontsluiting. Aan de oostzijde middels de op-/afrit van de nieuwe N18 en aan de westzijde een ‘achteringang’ ter hoogte van de Ruiterweg. De effecten op landschap voor de aansluiting van de nieuwe N18 vallen buiten het initiatief voor Laarberg fase 2. De nieuwe ontsluiting zal plaatsvinden ter hoogte van de huidige Ruiterweg. De impact hiervan op het landschap zal minimaal zijn.

Het bestaande reliëf in het plangebied wordt in het alternatief gebruikt om waterberging op ‘natuurlijke’ plekken te creëren. Dit zijn van nature de lager gelegen gebieden in het heideontginningengebied tegen het beekdal van de Leerinkbeek aan. In alternatief 1 wordt de bestaande karakteristiek van het landschap aangetast, met name door de invulling met bedrijvigheid en het verloren gaan van een deel van de groenstructuren. De effecten worden verzacht door diverse inpassingmaatregelen (zoals groene randen, op overgang landbouw en bedrijventerrein) en randvoorwaarden die worden gesteld in het beeldkwaliteitsplan. Het effect op de karakteristiek van landschappelijke elementen wordt als negatief beoordeeld (-).

5.4

Cultuurhistorisch waardevolle structuren Referentiesituatie De belangrijkste cultuurhistorisch waardevolle structuur in het gebied betreft de De Grolse Linie 1627(ook wel de Circumvallatielinie genoemd). De Grolse Linie (zie Afbeelding 5-13) is een aanvalslinie uit de Tachtigjarige Oorlog. Wat de Grolse Linie om Groenlo uniek maakt, is dat deze voor het grootste deel nog intact in de bodem aanwezig is, in het agrarisch gebied. De linies rondom andere steden zijn vrijwel volledig vergraven ten behoeve van met name snelwegen en nieuwbouwwijken. Een deel van de Grolse Linie is gelegen in het plangebied van Laarberg fase II, met onder andere het Groot Hoornwerk als bijzondere plek precies op de locatie waar het verkeer van de N18 Laarberg zal oprijden. Midden in het e plangebied ligt het 9 redoute en aan de westzijde grenst de Hollandse schans aan het plangebied. Waar de Grolse Linie over het algemeen bestond uit een grondwal tussen de verschillende aanvalswerken, bestond de linie ter plaatse van de Laarberg uit een dubbele linie.

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 75 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

De Grolse Linie was een belangrijk onderdeel van het Beleg van Grol (Groenlo) in 1627 door Frederik Hendrik. De verovering van ‘die starcke stad Grol’, in de zomer van 1627, was een strategisch hoogstandje. De basis van de roem die prins Frederik Hendrik als bevelhebber zou gaan vergaren en die hem uiteindelijk de bijnaam ‘de Stedendwinger’ zou brengen, was hiermee gelegd. Voor het eerst in de geschiedenis van de Tachtigjarige Oorlog werd voor de verovering van een stad, een volledige insluitingslinie (Grolse Linie) om een vesting aangelegd.

Afbeelding 5-13 De Grolse Linie 1627(ook wel de Circumvallatielinie)

Effectbeschrijving De belangrijkste cultuurhistorische elementen (Grolse Linie) worden opgenomen in de structuur en zijn onderdeel van het plan. De verkavelings en –ontginningsstructuur gaat hierbij wel verloren. Alternatief 1 tast de aanwezige cultuurhistorische elementen dus enigszins aan. De Grolse Linie zal zichtbaar worden gemaakt in het landschap. Op dit moment ligt de Grolse Linie verscholen in de ondergrond. Het doel in het plan is de structuur weer zichtbaar en beleefbaar te maken. De huidige Ruiterweg en in het plan de toekomstige fietsverbinding door de verbindingszone maken onderdeel uit van een groter recreatief netwerk. De Grolse Linie gaat onderdeel uitmaken van de entree van de Laarberg en gaat een identiteitsdrager vormen van het bedrijventerrein. Het vormt zowel de entree bij de afslag van de N18 als de entree van de Deventerkunstweg. De Grolse Linie krijgt hiermee een plek op het bedrijventerrein. De karakteristiek van water aan de noordzijde van de Grolse Linie zal worden teruggebracht.

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 76 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

De effecten op de cultuurhistorisch waardevolle elementen voor dit alternatief worden als positief beschouwd voor de Grolse Linie. Het verloren gaan van de verkavelings- en ontginningsstructuur wordt als negatief beschouwd. Over het geheel genomen komt cultuurhistorie op een neutrale score uit (0).

5.5

Archeologische waarden Referentiesituatie Uit de Gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart (RAAP BV, 2008) en het proefsleuvenonderzoek van de Circumvallatielinie (Archeodienst bv (2012), blijkt dat er veel archeologische waarden voorkomen.

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 77 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Afbeelding 5-14 Gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart (RAAP BV, 2008)

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 78 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Uit Afbeelding 5-14 blijkt dat het gebied gekenmerkt wordt door zowel hoge, middelhoge als lage archeologische verwachtingswaarden. Hoge verwachtingswaarden worden onder andere verwacht ter plaatse van geomorfologische eenheden met een plaggendek. Doelstelling is om te streven naar behoud in huidige staat. Daarnaast zijn archeologisch waardevolle gebieden aanwezig rondom de Grolse Linie en ter plaatse van het ‘urnenveld’. Voor de Grolse Linie geldt als uitgangspunt behoud in huidige staat. Voor het urnenveld geldt dat deze ‘slechts’ in de categorie ‘terrein van archeologische waarde’ valt (volgens de AMK: Archeologische Monumenten Kaart). Behoud heeft de voorkeur, maar het gebied heeft geen wettelijke bescherming (in de zin van dat het behouden móet blijven). Volgens de beleidsadvieskaart van de gemeente geldt hier: “Voorafgaand aan planvorming betreffende deze terreinen is besluitname door de gemeente wettelijk vereist”. Het valt in deze categorie en niet in een hogere vanwege de vele afgravingen in het verleden. In het proefsleuven onderzoek dat heeft plaatsgevonden is de exacte ligging van Het Groot Hoornwerk, een groot deel van de dubbele linie en het redoute in kaart gebracht. Effectbeschrijving Zoals aangegeven komen er veel archeologische waarden voor in het plangebied.

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt bedrijvigheid en infrastructuur gerealiseerd waarvoor graafwerkzaamheden plaats gaan vinden. De verwachting dat bij graafwerkzaamheden in het plangebied archeologische resten worden gevonden is groot. Voor het archeologisch waardevolle gebied rondom de Grolse Linie geldt dat deze grotendeels gevrijwaard wordt van bebouwing. Er zijn minimale bouwmogelijkheden toegestaan. Hierdoor worden op deze plek minimale effecten verwacht. Het doel is om de archeologische waarden te conserveren. Voor het urnenveld en op de plek van geomorfologische eenheden met plaggendek geldt dat op deze plek bedrijvigheid is gepland. Dit gebied is van archeologische waarde. Ondanks dat op deze plek de grond mogelijk al geroerd is door de daar aanwezige (voormalige) boerderij, wordt daar toch een mogelijk negatief effect verwacht. In verband met graafwerkzaamheden in gebieden met een hoge archeologische (verwachtings)waarde wordt het effect van de aanleg van Laarberg II effect op archeologische waarden beoordeeld als zeer negatief (- -).

5.6

Verkeer Verkeerscijfers Voor wat betreft de verkeersintensiteiten en prognoses beschikken beide gemeenten en de Regio De Achterhoek niet over een actueel verkeersmodel waarbij de prognoses en effecten van verkeersintensiteiten, in het bijzonder gericht op Laarberg, herleid en geanalyseerd kunnen worden. Wel zijn er voor de gemeente Berkelland recent enkele verkeersmodelanalyses uitgevoerd, waarin een globale prognose is gehanteerd en waarbij enkele alternatieven zijn berekend waarbij ook de opwaardering van de N18 en de uitbreiding van Laarberg is opgenomen. Het gaat hier om een redelijk grofmazige analyse. Deze analyse is handmatig bijgesteld en verfijnd, en daarmee is de prognose rondom het gebied Laarberg aangescherpt en verfijnd, ook mede voor de geluid- en luchtberekeningen. Daarbij is een ‘worst case’ analyse aangehouden voor een handmatige productie/attractie van Laarberg, primair gebaseerd op het beoogde aantal te realiseren hectares bedrijventerrein. De verkeerscijfers voor de huidige situatie, autonome ontwikkeling en de plansituatie zijn per wegvak aangegeven in bijlage 2. Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 79 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Referentiesituatie Huidige situatie In de huidige situatie is het bedrijvenpark Laarberg ontsloten via de hoofdontsluiting ‘Den Sliem’ en de ‘Noordgang’ die beide aansluiten op de N18. Beide aansluitingen zijn voorzien van verkeersregelinstallaties met een goed afwikkelingsniveau. Daarnaast wordt Laarberg aan de westkant ontsloten via een secundaire ontsluiting, namelijk via de Oude Borculoseweg en de Deventerkunstweg. Deze wegen aan de westzijde zijn smal en onvoldoende voor het verwerken van grote hoeveelheden verkeer. In de huidige situatie is de intensiteit te hoog. Langs de huidige N18 liggen vrijliggende fietsvoorzieningen. Op het bedrijvenpark is de hoofdontsluiting zodanig vormgegeven dat er sprake is van gescheiden rijrichtingen door middel van een brede middenberm. Langs deze gescheiden rijrichtingen zijn rode fietssuggestiestroken aanwezig. De verkeersveiligheid is hiermee vanuit de duurzame basisprincipes voldoende geborgd. Autonome ontwikkeling 13 Met de opwaardering van de huidige N18 worden de twee ontsluitingen op de huidige N18 samen gepakt tot één hoofdontsluiting met een aansluiting aan de noordzijde van het bedrijvenpark op de opgewaardeerde N18. De (onvoldoende) ontsluiting via de Oude Borculoseweg en Deventerkunstweg blijft bestaan.

De verkeersstructuur op de uitbreiding van Laarberg zal hoofdzakelijk bestaan uit wegen met een overwegend gemengd profiel: (vracht)autoverkeer dat samen met fietsers wordt afgewikkeld. Het aantal fietsers op het huidige maar ook toekomstige bedrijvenpark is echter gering. Wel is er door de zogenaamde verbindingszone een vrijliggend fietspad over Laarberg beoogd. Ook een gebiedsontsluitingsweg zal voorzien worden van vrijliggende fietsvoorzieningen. Afbeelding 5-15 beoogde nieuwe ontsluitingsstructuur Laarberg op nieuwe N18

13

http://www.rws.nl/wegen/plannen_en_projecten/n_wegen/n18/n18_planstudie_varsseveld_enschede/

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 80 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 81 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Effectbeschrijving De ontsluitingsstructuur van het bedrijvenpark Laarberg wordt in de nieuwe situatie gewijzigd. Deze nieuwe ontsluiting leidt noch tot negatieve noch tot opvallend positieve effecten voor de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid rondom Laarberg. De beoogde hoofdaansluiting (ontsluiting) van Laarberg op de nieuwe N18 gaat ongelijkvloers plaatsvinden terwijl dat nu op twee locaties gelijkvloers plaatsvindt (namelijk ‘Den Sliem’ en ‘Noordgang’ op de huidige N18). De verkeersintensiteit neemt toe gelet op de uitbreiding van Laarberg, maar daar wordt de nieuwe infrastructuur volledig op gedimensioneerd. Zowel qua afwikkelingscapaciteit als op de verkeersveiligheid. Op het bedrijvenpark zelf zijn er geen substantiële wijzigingen ten opzichte van de referentiesituatie. Op de hoofdontsluitingswegen komen vrijliggende fietsvoorzieningen en op de overige wegen mengt het fietsverkeer zich met het overige verkeer en dat is vergelijkbaar met de huidige situatie en het bestaande bedrijvenpark Laarberg. Met betrekking tot calamiteiten leidt de nieuwe verkeersstructuur rondom Laarberg niet tot een kwetsbaardere bereikbaarheid voor hulpdiensten ten tijde van calamiteiten. Aandachtspunt vormt de westelijke secundaire ontsluiting via de Oude Borculoseweg./ Deventerkunstweg. Deze secundaire ontsluiting (een zgn.

‘achterdeursontsluiting’) is kwetsbaar omdat de wegen hier niet zijn gedimensioneerd op een ontsluiting van Laarberg. Ook in de huidige situatie zijn deze wegen al onvoldoende qua capaciteit. Bij openstelling van de directe ontsluiting vanuit de noordzijde van Laarberg II richting Oude Borculoseweg/Deventer Kunstweg zal een direct effect op de verkeersintensiteit daar merkbaar zijn; vooral door een (lichte) stijging van motorvoertuigen op de Deventer Kunstweg ten opzichte van de huidige (en autonome) situatie. Gezien de huidige onvoldoende situatie, zijn maatregelen nodig als deze secundaire ontsluiting leidt tot een toename van de al ongewenst hoge intensiteiten. Vooral als deze ontsluitingsstructuur gebruikt gaat worden door doorgaand verkeer door de regio Achterhoek. Maatregelen om dit verkeer te ontmoedigen dan wel te faciliteren zijn dannodig. Deze randvoorwaarde is opgenomen in alternatief 2. Alternatief 1 wordt als negatief beoordeeld op het criterium verkeersafwikkeling in verband met de onwenselijke situatie die ontstaat bij het tot stand brengen van de ‘secundaire ontsluiting’, waanneer geen aanvullende maatregelen worden getroffen. Verkeersveiligheid wordt als neutraal beoordeeld (0) ten opzichte van de referentiesituatie.

5.7

Geur Voor het aspect geur is het enige criterium ‘geurgevoelige objecten’. Daarbij gaat het enerzijds om de geurbelasting op ‘geurgevoelige objecten’ die optreedt als gevolg van mogelijke geuremissies van de voorziene ontwikkelingen. Anderzijds gaat het om het effect van geuremissies van omliggende (agrarische) bedrijven op het plangebied (‘omgekeerde werking’ genoemd). Dit laatste is relevant indien de structuurvisie zelf volgens de Wet geurhinder geurgevoelige objecten mogelijk maakt binnen de (toekomstige) geurcirkels van omliggende agrarische bedrijven.

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 82 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Referentiesituatie Ten behoeve van ‘PlanMER LOG’s Oost Gelre en Berkelland’ (Arcadis, 2009) zijn geurberekeningen gedaan voor de toen actieve veehouderijen in de gemeenten Oost Gelre en Berkelland. Daarin zijn ook de bedrijven buiten de landbouwontwikkelingsgebieden (LOG’s) meegenomen. Aangezien het de situatie van 2009 betreft, is deze niet geheel representatief voor de huidige situatie (in 2013). In het navolgende wordt eerst ingegaan op de situatie in 2009. Vervolgens wordt deze doorvertaald naar 2013. 2009 De (indicatieve) geurcontouren van de agrarische bedrijven in en in de omgeving van het plangebeid voor Laarberg II zijn voor 2009 weergegeven in Afbeelding 5-16. In Afbeelding 5-17 is het leefklimaat op basis van de gecumuleerde geurbelasting van deze bedrijven in 2009 aangegeven. In beide afbeeldingen is het plangebied voor Laarberg II en de ligging van het nabijgelegen LOG Beltrumse veld ook aangegeven. Afbeelding 5-16 Indicatieve geurhindercontouren huidige situatie

plangebied Laarberg II

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 83 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Afbeelding 5-17 Leefklimaat o.b.v. achtergrondbelasting geur huidige situatie

plangebied Laarberg II

Bron beide afbeeldingen: gebaseerd op Arcadis (2009)

Zoals aangegeven in hoofdstuk 2 geeft de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) aan dat de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object maximaal mag zijn: – 3,0 OU/m3 (Europese geureenheid) binnen de bebouwde kom; – 14,0 OU/m3 buiten de bebouwde kom. Volgens de geurverordening van Oost-Gelre is binnen de bebouwde kom van Groenlo echter een belasting van 5 OU/m3 op een gevoelig object als gevolg van een individueel bedrijf toegestaan. Dit geldt eveneens voor het huidge Laarberg I en toekomstige Laarberg II. Voor grondgebonden veehouderijen(zoals melkveehouderijen) geldt een vaste afstand van ten minste 100 meter tussen een veehouderij en een gevoelig object binnen de bebouwde kom en ten minste 50 meter buiten de bebouwde kom. Over het zuiden van het plangebied liggen twee geurcontouren van individuele veehouderijen (één hoofdtak varkens en één vleeskalveren). Deze bedrijven liggen net ten zuiden van het plangebied. Binnen deze contouren is de geurbelasting als gevolg van een veehouderij hoger dan 3 OU/m3. De contouren van 14 OU/m3 liggen net buiten het plangebied. In het uiterste zuiden bevindt zich een gevoelig object (woning) op de rand van een in het buitengebied toegestane 14 OU/m3 contour. De gevoelige objecten in het midden (inmiddels vervallen) en noorden van het plangebied liggen buiten individuele 3OU/m3 contouren.

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 84 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

De betreffende geurcontouren liggen overigens ook ruim over het reeds bestaande deel van bedrijvenpark Laarberg (Laarberg I). Dit is aangegeven als bebouwde kom ten zuidoosten van het plangebied (inmiddels is dit verder uitgebreid). Gedeeltelijk ligt de bebouwde kom binnen de 14 OU/m3 contour van de eerdergenoemde twee veehouderijen. In de bebouwde kom van Groenlo is slechts 5 OU/m3 toegestaan als gevolg van een individuele veehouderij. In en rond het plangebied is het leefklimaat over het algemeen redelijk goed tot goed te noemen. In het uiterste zuiden bedroeg de gecumuleerde geurbelasting in 2009 meer dan 13 OU/m3. Daar is de leefkwaliteit ten aanzien van geur matig tot tamelijk slecht. In deze zone van het plangebied bevindt zich één gevoelig object (een woning van een voormalige boerderij) 2013 De vergunde situatie is voor een aantal bedrijven in en rond het plangebied veranderd sinds 2009. Het gaat om bedrijven die zijn gestopt, een ander staltype hebben gekregen of zijn gegroeid of gekrompen. De veehouderijen met een vergunning per juli 2013 zijn aangegeven in Afbeelding 5-18. Hierin is aangegeven welke relevante veranderingen zich hebben afgespeeld in 2009 of later. Ook is aangegeven of het grondgebonden (g) of intensieve (i) veehouderijen betreft.

De weergegeven verandering ten opzichte van 2009 geeft een indicatie van de dynamiek van de landbouw in de omgeving van het plangebied. Op diverse plaatsen stoppen bedrijven. Onder andere in het LOG zijn enkele bedrijven gegroeid. De stoppers en groeiers betreffen zowel grondgebonden als intensieve/gemengde bedrijven. De vervallen bedrijven zorgen voor een lagere lokale geurbelasting dan in 2009 en de gegroeide intensieve veehouderijen voor een verhoging. Ten westen van het plangebied is één nieuw intensief bedrijf (vleeskalveren) gevestigd in 2012 (Huurninkallee 11). Dit bedrijf heeft een vergunning aangevraagd voor een uitbreiding (ter inzage mei-juli 2013). De berekende geurbelasting na uitbreiding van het bedrijf op de huidige woning Ruiterweg 14 (in het noordwesten van het plangebied) bedraagt 4,3 OU/m3. De gegroeide melkveehouderij en de twee kleine ‘nieuwe’ gemengde veehouderijen (Huurninkallee 2 en 5) hebben geen effect op de geurbelasting (standaard geurcirkel blijft gelijk). Eén voormalig (gedeeltelijk) intensief bedrijf is nu alleen nog een paardenhouderij en krijgt ook een standaard geurcirkel.

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 85 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Afbeelding 5-18 Vergunde veehouderijen juli 2013

i g

g

alleen nog paardenhouderij na 2009

i

i

g

g

g

g

vervallen veehouderij na 2009

klein nieuw gemengd bedrijf na 2009

g

na 2009 gegroeide

uitbreiding 2013

intensieve veehouderij

i

g

i g

g

vergund in 2012;

i

g

g

vervallen

g

veehouderij

g/i

na 2009

na 2009 gegroeide melkveehouderij

g = grondgebonden

g

na 2009 gegroeide Intensieve veehouderij

i = intensief

i i

Bron: gebaseerd op http://gelderland.vaa.com/webbvb/ en aangevuld met recente gegevens van gemeente Berkelland

In Afbeelding 5-19 is de verbetering in het leefklimaat als gevolg van toepassing van staltypen die voldoen aan de maximaal toegestane emissiewaarden (voor intensieve veehouderijen) weergegeven ten opzichte van 2009. Hierin is te zien dat de achtergrondbelasting vooral in de directe omgeving van de intensieve veehouderijen afneemt. In het zuiden van het plangebied neemt de belasting af met 1 tot 3 OU/m3. De individuele contour van het eerdergenoemde varkensbedrijf net ten zuiden van het plangebied met een 3 OU/m3 contour in het plangebied zal kleiner worden. Per 1 januari 2013 dienen alle bedrijven te voldoen aan het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (AMvB Huisvesting). Dit betekent dat alle intensieve veehouderijen en nieuwe stallen van grondgebonden bedrijven voldoen aan een maximaal toegestane emissiewaarde per dierplaats. Deze staltechnieken zorgen ook voor een afname van de geuremissie. In de geurcontouren voor 2009 zijn deze verbeterde stallen nog niet meegenomen, tenzij de betreffende bedrijven al in 2009 voldeden aan Besluit huisvesting (zoals het eerder genoemde bedrijf met vleeskalveren ten zuiden van het plangebied). De geurcontouren van bedrijven waar een beter staltype wordt toegepast wordt kleiner en de lokale leefkwaliteit wordt beter.

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 86 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Afbeelding 5-19 Achtergrondbelasting geur: verschil toepassing maximale emissiewaarden autonome ontwikkeling t.o.v. 2009

plangebied Laarberg II

Bron: (Arcadis, 2009)

Echter, voor enkele veehouderijen geldt dat deze aanpassing nog niet heeft plaatsgevonden, zoals ook te zien is in Afbeelding 5-18 met de aangepaste vergunningen sinds 2009. De winst uit Afbeelding 5-19 kan hier nog niet meegeteld worden. Wel kan deze aanpassing als een autonome ontwikkeling worden gezien voor intensieve veehouderijen. Alle nieuwe bedrijven zullen ook aan Besluit huisvesting moeten voldoen. Voor de gegroeide intensieve veehouderijen ten oosten en zuiden van het plangebied (Afbeelding 5-18) geldt dat de gerealiseerde emissie-afnames ten opzichte van 2009 teniet worden gedaan door het toegenomen aantal dieren na 2009 (deze bedrijven beschikten voor 2009 ook reeds grotendeels over stallen met weinig uitstoot). In Afbeelding 5-20 zijn de huidige veehouderijen (2013) samen aangegeven met alle verblijfsobjecten (BAG). In principe kunnen alle verblijfsobjecten (in potentie) als geurgevoelige objecten worden gezien (zie hoofdstuk 2 voor definitie). Dit zijn niet alleen woningen, maar bijvoorbeeld ook kantoren. Een bedrijfswoning van een veehouderij is niet gevoelig voor de geur van het eigen bedrijf, maar wel voor de geur van een andere veehouderij. Hieruit valt op te maken dat zowel in het noordoosten, oosten, als zuiden gevoelige objecten zijn gelegen tussen actieve veehouderijen en het plangebied die de groeimogelijkheden van de bedrijven mogelijk kunnen beperken.

Zoals eerder aangegeven is op gevoelige objecten binnen de bebouwde kom van Groenlo een geurbelasting als gevolg van een individueel bedrijf van 5 OU/m3 toegestaan. Op objecten Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 87 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

buiten de bebouwde kom een belasting van 14 OU/m3. Daarbij moet wel gezegd worden dat in de huidige situatie ook al grote overlap plaatsvindt van 14 OU/m3 contouren met de bebouwde kom van Groenlo op het gerealiseerde deel van Laarberg. Deze overlap is toegelaten, omdat de daar gevestigde objecten (op Laarberg) niet als geurgevoelig zijn aangemerkt door de gemeente. Het gaat onder andere om het bedrijf Rouwmaat dat afvalstromen verwerkt en zelf ook geuremissie veroorzaakt. Afbeelding 5-20 Huidige veehouderijen (rood) en verblijfsobjecten BAG (groen)

Bron: gebaseerd op http://gelderland.vaa.com/webbvb/ (Huurninkallee 2, 5 en 11 handmatig toegevoegd)

Effectbeschrijving Algemeen uitgangspunt van het landelijk geurbeleid (NeR en Wgv; zie hoofdstuk 2) is het zoveel mogelijk beperken van geurhinder en het voorkomen van nieuwe hinder( kan ook ontstaan door realisatie nieuwe geurgevoelige objecten binnen bestaande geurcontouren). Daarbij moeten de Beste Beschikbare Technieken (BBT) om geurhinder te beperken worden toegepast, tenzij er geen sprake is van hinder. Lokale overheden moeten een afweging maken om tot de lokaal gewenste kwaliteit van de leefomgeving te komen, rekening houdend met alle relevante belangen (gemotiveerd kan worden afgeweken van de richtlijnen). Nieuwe bedrijven met geuremissie De nieuw te vestigen bedrijven op Laarberg II kunnen een geuremissie hebben. Met de inwaartse milieuzonering die is aangebracht in alternatief 1 (hoogste milieucategorie in het midden) op basis van omliggende (bedrijfs)woningen mag worden verwacht dat geuremissie (en daarmee hinder) naar het overgrote deel van de omgeving in voldoende mate kan worden voorkomen. De twee huidige woningen ín het plangebied zullen verdwijnen op het moment van ontwikkeling van het bedrijventerrein.

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 88 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

De zonering is gebaseerd op de standaard afstanden die gelden volgens de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (zie paragraaf 3.4) voor een ‘gemengd gebied’. Dit betekent bijvoorbeeld een minimale afstand van 200 meter tot milieucategorie 4.2 en 300 meter tot milieucategorie 5.1 bedrijven. Hiermee wordt een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ (daaraan toetst de Raad van State de na de structuurvisie vast te stellen bestemmingsplannen) in de omgeving in principe geborgd. Of deze standaard zonering daadwerkelijk voldoende bescherming biedt voor de omgeving en er sprake is van een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ hangt af van de specifieke bedrijven die zicht uiteindelijk zullen vestigen. Bij de beoordeling (en het toestaan) van geuremitterende bedrijven kan een ‘Staat van Bedrijfsactiviteiten’ worden gebruikt op basis van de eerder genoemde VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ met indicatieve aan te houden afstanden (waaronder geur) tussen woningen (de meest gevoelige objecten) en bepaalde bedrijfstypen (SBI-codes). De toegestane geuremissie/-contour wordt uiteindelijk gereguleerd in de milieuvergunning, indien nodig op basis van exacte berekeningen voor het te vestigen bedrijf (met exacte emissiehoogtes, emissiepunten e.d.).

Wanneer blijkt dat niet aan de geldende geurnormen wordt voldaan, ondanks de aangebrachte milieuzonering, moet het plan worden aangepast of moeten emissiebeperkende maatregelen (BBT) worden getroffen. Op voorhand worden de activiteiten in het noorden van het plangebied in ieder geval als geurrelevant ingeschat. In de zone waar het ‘Biobased transitiepark’ is beoogd, wordt hoogstwaarschijnlijk een installatie voor co-vergisting van mest en onder andere biomassa gerealiseerd (binnen de zone aangeduid als ‘bioraffinage’). Volgens de VNG-brochure geldt voor dit type bedrijf (SBI-code 35) een richtafstand van 100 meter voor geurhinder. Dit is ook de minimale richtafstand die is aangehouden bij de zonering in alternatief 1 ten opzichte van woningen. Daarmee ligt het gebied dat is voorzien als ‘Biobased transitiepark’ op minimaal 100 meter van woningen in de omgeving. De dichtstbij liggende gevoelige objecten betreffen ook twee burgerwoningen. Om precies te zijn liggen deze ten noordwesten en noordoosten van het plangebied op respectievelijk 130 en 200 meter van het gebied dat is voorzien als ‘Biobased transitiepark’. Onderlinge verenigbaarheid Daarnaast is het de vraag of de functies binnen Laarberg II en tussen op Laarberg I en II met elkaar verenigbaar zijn qua geurbelasting. Voorkomen moet worden dat bedrijven onderling hinder ervaren en belemmerd worden in hun productieproces.

Dit is maatwerk en kan bijvoorbeeld voorkomen worden door het hanteren van een bepaalde clustering van bedrijfstypen. Hiervan is in alternatief 1 al enigszins sprake door het aanduiden van het Biobased transitiepark in het noorden, Groot-Hoornwerk in het noordoosten, opslaggerelateerde bedrijvigheid in het zuiden en ‘overige bedrijvigheid’ in het midden. Het Biobased transitiepark, Groot Hoornwerk en de ‘overige bedrijvigheid wordt van elkaar gescheiden door groen/blauwe zones van circa 100 meter breed. Deze indeling maakt de kans op een efficiënte inrichting met onderling verenigbare activiteiten hoog. Voor het gedeelte met overige bedrijvigheid’ geldt verder dat bedrijven met een geuremissie zicht het beste in het westen of midden van deze zone met kunnen vestigen in verband met de meer publiekaantrekkende functie van Groot Hoornwerk en mogelijk te vestigen detailhandel direct ten oosten van het plangebied. Voor het Biobased transitiepark geldt eveneens dat emissiepunten van geur het beter niet aan de oostzijde van dit gebied kunnen worden geplaatst in verband met groot Hoornwerk.

Om de onderlinge verenigbaarheid verder te borgen is het een optie om in de bestemmingsplannen voor Laarberg II bepaalde geurrelevante bedrijven niet rechtstreeks toe staan (met name in het middelste gedeelte), maar via een binnenplanse afwijking met als voorwaarde dat de bedrijven kunnen worden toegelaten indien zij het functioneren van de omliggende bedrijven niet onevenredig belemmeren.

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 89 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Omgekeerde werking In het plangebied kunnen (beperkt) gevoelige objecten worden gerealiseerd die een eventuele groei van omliggende veehouderijen in de toekomst kunnen beperken. Tussen het plangebied en de meeste veehouderijen in de omgeving van het plangebied liggen al gevoelige objecten (verblijfsobjecten) die deze groei beperken. Naar huidig inzicht kan dit alleen relevant worden wanneer het eerder genoemde ‘nieuwe’ intensieve veehouderijbedrijf (Huurninkallee 11) verder wil uitbreiden bovenop de uitbreiding in 2013 of wanneer de andere twee kleine intensieve bedrijven ten westen van het plangebied fors willen uitbreiden. De twee kleine intensieve veehouderijen aan de westzijde (zie Afbeelding 5-18) betreffen een kleine veehouderij met varkens en een gemengd bedrijf met hoofdtak melkveehouderij en een kleine tak varkens. In de huidige situatie liggen de 3 OU/m3 contouren van deze bedrijven net buiten het plangebied. Bij uitbreiding komen deze contouren wellicht binnen het plangebeid te liggen. Echter, binnen de bebouwde kom van Groenlo is 5 OU/m3 toegestaan en aan de westzijde van het plangebied ligt een ‘buffer’ die niet onbebouwd zal blijven (blijft agrarisch; hier kunnen geen nieuwe geurgevoelige objecten komen).

Daarbij komt nog dat de bedrijven volgens de huidige vergunning een traditionele stal hebben en (zeker bij groei) zullen moeten voldoen aan het besluit Huisvesting waardoor de geuremissie zal dalen. Voor het grotere intensieve bedrijf met vleeskalveren (Huurninkallee 11) geldt dat zij na uitbreiding van het bedrijf een berekende geurbelasting op de huidige woning Ruiterweg 14 in het noordwesten van het plangebied heeft van 4,3 OU/m3. Daarmee voldoet de belasting op deze plek aan de norm van 5 OU/m3 op gevoelige objecten binnen de bebouwde kom. De woning Ruiterweg 14 zal echter verdwijnen indien het plangebied wordt ontwikkeld. Aangezien de belasting ter hoogte van deze huidige woning dicht tegen de norm aan zit, kunnen er geen nieuwe geurgevoelige objecten in het plangebied worden gerealiseerd ten westen van Ruiterweg 14. Als dat wel gebeurt worden de uitbreidingsmogelijkheden van Huurninkallee 11 beperkt. Dit wordt voor een deel al geborgd in alternatief 1 door de bebouwingsvrije zone langs de westelijke grens van het plangebied. Voor bedrijven ten (noord)oosten en zuiden van het plangebied vormen bestaande ‘verblijfsobjecten’ op het huidige bedrijventerrein Laarberg al een beperkende factor (Afbeelding 5-20).

Voor de twee intensieve veehouderijen ten zuiden van het plangebeid geldt dat bestaande verblijfsobjecten op ongeveer dezelfde afstand liggen als de grens van Laarberg II. Deze bedrijven kunnen alleen uitbreiden door aanvullende emissiebeperkende maatregelen te treffen aan de stallen. Aan de noordzijde liggen intensieve bedrijven op grote afstand van het plangebied. Eén intensieve veehouderij is omgezet in een grondgebonden veehouderij. De huidige 3 OU/m3 contouren grenzen niet aan het plangebied. Daar komt bij dat in de bebouwde kom van Groenlo een geurbelasting van 5 OU/m3 als gevolg van een individuele veehouderij is toegestaan en dat aan de noordzijde een overgangsgebied is voorzien waarin geen verblijfsobjecten worden geplaatst (waarschijnlijk helemaal geen gebouwen). Kortom, de kans dat nieuwe geurgevoelige objecten in het plangebied de (realistisch geachte) uitbreiding van veehouderijen belemmeren is erg klein, met uitzondering van het bedrijf Huurninkallee 11 Om belemmeringen voor dit bedrijf te voorkomen, moeten er geen nieuwe geurgevoelige objecten in het plangebied worden gerealiseerd ten westen van de huidige woning Ruiterweg 14. Conclusie Er treden naar verwachting geen relevante effecten op van nieuwe bedrijven met een geuremissie op de omgeving van het plangebied.

Bij vestiging van nieuwe bedrijven met een geuremissie op Laarberg II kan het leefklimaat in de directe omgeving en in het plangebied zelf lager worden door een mogelijk hogere cumulatieve geurbelasting. 30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 90 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

De opgenomen milieuzonering voorziet in hoofdlijnen in voldoende afstand tussen hinderproducerende en hindergevoelige functies. Wanneer daadwerkelijk sprake is van de vestiging van een nieuw bedrijf vindt in het kader van de milieuvergunning (of de algemene regelgeving op het gebied van milieuhinder) altijd een nadere toetsing plaats. Bij naleving van deze regels kan een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ worden gegarandeerd. Ook levert het plan waarschijnlijk geen nieuwe belemmeringen op voor eventuele uitbreidingsplannen voor omliggende veehouderijen (‘omgekeerde werking’). Aandachtspunt hierbij is dat bij realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten in het noordwesten van het plangebied de toekomstige ontwikkeling van het bedrijf Huurninkallee 11 mogelijk belemmerd kan worden. Aangezien dit laatste niet wordt uitgesloten in alternatief 1, wordt dit beoordeeld als een (licht) negatief effect (-)ten opzichte van de referentiesituatie.

5.8

Luchtkwaliteit In het kader van dit MER is de invloed op de luchtkwaliteit van de nieuwe industriële activiteit en de verkeersaantrekkende werking van regionaal bedrijvenpark Laarberg fase II bepaald. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. In het onderzoek is alleen de bijdrage aan de concentratie stikstofdioxide (NO2) in de lucht berekend. De concentratie fijnstof (PM10) is niet berekend aangezien de planbijdrage aan de fijnstofconcentratie veel lager zal zijn dan de bijdrage aan de NO2 concentratie. De lage achtergrondconcentratie voor fijnstof ter plaatse van het plangebied geeft ook geen aanleiding om voor dit MER deze lage bijdrage te berekenen. Referentiesituatie De achtergrondconcentratie voor zowel NO2 als PM10 is ter plaatse van het plangebied erg laag. Voor 3 3 14 3 NO2 bedraagt deze 14,3 µg/m in 2012 en 14,4 µg/m in 2015 . Voor PM10 bedraagt deze 21,7 µg/m in 3 2012 en 22,5 µg/m in 2015. 3 De wettelijke grenswaarde bedraagt voor beide stoffen 40 µg/m . Effectbeschrijving Stikstofdioxide Het plan draagt als volgt bij aan de NO2 concentratie ter plaatse van het plangebied: – De nieuwe Industriële activiteiten zorgen voor een maximale NO2 toename (waarbij sprake is van 15 3 blootstelling ) van 3,7 µg/m , net buiten het plangebied 3 – De verkeersaantrekkende werking van Laarberg II zorgt voor een NO2 toename van 1,5 µg/m ter plaatse van het plangebied 16

Voor beide bronnen is de maximale (worst case) bijdrage bepaald . De beide bijdragen geven samen een 3 maximale bijdrage aan de NO2 concentratie van 5,2 µg/m .

14 15

NO2 concentratie volgens GCN op locatie (239250; 453250), http://geodata.rivm.nl/gcn/ Luchtkwaliteit moet worden vastgesteld op plaatsen waar mensen significant worden blootgesteld aan de

luchtkwaliteit (blootstellingscriterium).Uitzonderingen zijn (op grond van toepasbaarheidsbeginsel): plaatsen waar het publiek geen toegang heeft en waar geen bewoning is; bedrijfsterreinen of terreinen van industriële inrichtingen (hier gelden ARBO regels), incl. (eigen) bedrijfswoning en m.u.v. publiek toegankelijke plaatsen; rijbanen en normaliter niet voor voetgangers toegankelijke middenbermen (www.infomil.nl) 16

Deze inschatting is gebaseerd op kentallen van verschillende industrie categorieën. Voor de berekening is telkens de

grootste emissie gehanteerd voor de betreffende industriecatgorie op een bepaalde locatie (het hoogste kental). De Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 91 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

3

De achtergrondconcentratie NO2 op de planlocatie bedraagt zoals aangegeven 14,3 µg/m in 2012 en 14,4 3 3 µg/m in 2015. De totale concentratie komt daarmee op maximaal 19,6 µg/m . De bijdrage vindt vooral plaats op en rond het bedrijventerrein Laarberg en in mindere mate in het buitengebied rond Laarberg, waar verspreid enkele agrarische bedrijven en woningen liggen (zie bijlage 4 voor de locatie van de bijdrage). Op woonwijken vindt nauwelijks een toename plaats. Op de noordelijke 3 rand van Groenlo bedraagt de toename maximaal 0,5 tot 1 µg/m NO2. De verwachte toename de NO2 concentratie ter plaatse van gevoelige bestemmingen is daarmee over het algemeen zeer laag. Fijnstof De bijdrage aan de concentratie PM10 is in ieder geval lager dan de bijdrage aan de NO2 concentratie. Voor beide bronnen (industrie en verkeer) zal de maximale bijdrage samen zeker niet meer zijn dan 5,2 3 µg/m . 3 De achtergrondconcentratie PM10 op de planlocatie bedraagt zoals aangegeven 21,7 µg/m in 2012 en 3 3 22,5 µg/m in 2015. De (overschatte) totale concentratie komt daarmee op maximaal 27,7 µg/m . De locatie van de bijdrage is vergelijkbaar met de bijdrage van NO2. Conclusie 3 Voor zowel stikstofdioxide als fijnstof geldt dat de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m ruim niet overschreden wordt als gevolg van de voorziene ontwikkeling van Laarberg II.

De concentraties zullen volgens de worst case berekening lokaal wel toe kunnen nemen. De verwachte toenames vinden (over het algemeen) echter niet plaats bij gevoelige bestemmingen. Het effect ten aanzien van luchtkwaliteit wordt beoordeeld als neutraal (0).

5.9

Geluid In het kader van dit MER is een geluidonderzoek uitgevoerd. Hierin zijn de gevolgen van de nieuwe industriële activiteiten en de verkeersaantrekkende werking van regionaal bedrijvenpark Laarberg fase II bepaald. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Referentiesituatie De huidige situatie is de situatie zoals nu in het actuele zonebeheermodel van het industriegebied geldt. In het zonebeheer zijn de bedrijfssituaties op het terrein Laarberg I conform de vigerende vergunningen samengevat. De gecumuleerde geluidbelasting is in de vorm van een 50, 55 en 60 dB(A) contour in bijlage 3 weergegeven (figuur 1). De positie van woningen, onderwijsinstellingen en gezondheidszorginstellingen (allen geluidgevoelige bestemmingen) zoals opgenomen in het BAG-bestand (Basisregistratie Adressen en gebouwen) en de huidige zonebeheerpunten zijn op de figuren in bijlage 3 afgebeeld. Kanttekening bij het BAG-bestand is dat deze geen onderscheid maakt in bedrijfswoningen en gewone woningen. Voor bedrijfswoningen kunnen de regels soepeler zijn dan voor gewonen woningen. Ook kunnen sommige woningen inmiddels een andere bestemming hebben of verdwenen zijn. Daarnaast geldt dat aan de noordzijde van Groenlo twee woonwijken gepland/in ontwikkeling zijn: Brouwhuizen en De Woerd. Een deel van de woningen van Brouwhuizen is opgenomen in de gebruikte versie van het BAG.

De Woerd en het later gerealiseerde/te realiseren deel van Brouwhuizen niet. Zoals berekende bijdrage is daarom zeer worst-case. Voor de uiteindelijke invulling van het bedrijventerrein geldt vrijwel zeker een lagere planbijdrage. Ook de gehanteerde cijfers voor de verkeersaantrekkende werking zijn ingeschat. 30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 92 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

hiervoor aangegeven geldt voor geprojecteerde woningen een ten hoogst toelaatbare belasting van 55 dB(A). In de huidige situatie bevinden zich geen woningen binnen de 60 dB(A) contour van het plangebied. 60 dB(A) is de maximaal toegestane geluidbelasting volgens de gemeentelijke beleidsregel “Hogere geluidgrenswaarden” voor bestaande woningen. Wel liggen diverse geluidgevoelige bestemmingen (21 woningen) binnen de 50 dB(A) contour. Voor deze objecten geldt dus dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden. In de huidige situatie trekt het plangebied nauwelijks verkeer aan. Er bevinden zich alleen enkele woningen. Effectbeoordeling Effect nieuwe industriële activiteiten Voor de effectbeoordeling zijn twee scenario’s doorgerekend: – Een worst case situatie met de maximaal mogelijke geluidemissie als gevolg van milieucategorie 5.1 bedrijven: 75 dB(A) per vierkante meter bedrijfsperceel (bijv. vergelijkbaar met veel bedrijvigheid in havengebieden). – Een ‘gemitigeerde’ situatie waarin nog wel milieucategorie 5.1 bedrijven zijn toegestaan, maar de maximaal toegestane geluidemissie is beperkt tot 70 dB(A) per vierkante meter bedrijfsperceel. Dit is gelijk aan de maximaal mogelijke geluidemissie als gevolg van milieucategorie 4.2 bedrijven.

In de worst case situatie blijkt een aantal geluidgevoelige bestemmingen binnen de 60 dB(A) contour te zijn gelegen (8 woningen aan de Borculose weg). Dit is niet toegestaan volgens de beleidsregel van de gemeente. Voor deze woningen zullen in ieder geval hogere waarden aangevraagd moeten worden (moet al boven de 50 dB(A)) en moeten waarschijnlijk ook andere maatregelen worden getroffen om een wenselijke situatie te creëren als het bedrijventerrein bedrijven toestaat met een geluidemissie van 75 dB(A) per vierkante meter bedrijfsperceel. Voor 344 verblijfsbestemmingen (woningen) geldt dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden. Dit betekent een groei van meer dan 300 benodigde hogere waarden ten opzichte van de huidige situatie. Dit aantal is wellicht ten tijde van de realisatie van het bedrijventerrein nog hoger als gevolg van de eerder aangegeven kanttekening bij het BAG: niet alle woningen in de (toekomstige) nieuwbouwwijken aan de noordzijde van Groenlo (De Woerd en een deel van Brouwhuizen) zijn opgenomen in de gehanteerde versie van het BAG. Dit leidt mogelijk tot enkele tientallen woningen extra met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). De gemitigeerde situatie laat zien dat het terugbrengen van de maximaal toegestane geluidemissie een groot effect heeft op de omvang van de geluidcontouren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14035880/1