bp laarberg noord 2 toelichting plan mer
Tekst van het document
De voorgestelde milieuzonering in het Masterplan (inwaarts: hoogste milieucategorie in het midden) kan daardoor iets worden versoepeld. Er wordt uitgegaan van één ‘afstandstap’ minder tot de gevels van de betreffende woningen in de omgeving. Dit maakt op het merendeel van het terrein minstens milieucategorie 4.2 mogelijk (aan te houden afstand 200m i.p.v. 300m bij een ‘rustige woonwijk’) en op grote delen milieucategorie 5.1 (aan te houden afstand 300m i.p.v. 500m). Er is sprake van een aantal concrete ontwikkelingen waarvan de kans groot is dat deze een plek krijgen in het plangebied. Deze zijn ook aangegeven in Afbeelding 3-2. Ten eerste het ‘Biobased transitiepark’ in het noorden, met als onderdeel een concreet initiatief voor een ‘Bioraffinage’. Het gaat in totaal om ongeveer 20 hectare waar ruimte is voor reguliere bedrijvigheid, maar vooral voor bedrijven gericht op energiewinning uit groene grondstoffen en innovatie daarin. Bij de bioraffinage gaat het om een terrein van circa 6 hectare dat gebruikt wordt voor duurzame energieopwekking uit mest en andere organische materialen (zoals planten en levensmiddelen). Dit zal vooral gebeuren door vergisting. Het doel is om circa 20 miljoen m³ (A-)gas per jaar te produceren (mogelijk kan de productie hoger worden in de toekomst, maar dat is nog niet concreet).
Daarbij worden restproducten verwerkt tot zo hoogwaardig mogelijke producten (bijv. terugwinning van mineralen). Bij het proces vrijkomende CO2 wordt in tanks opgeslagen en kan in de (nabijgelegen) tuinbouw gebruikt worden. De verwachte aanvoer van te verwerken organische stoffen bedraagt circa 670.000 ton per jaar (2.700 ton per dag bij 250 werkdagen per jaar), waarvan ongeveer 60% varkensmest en ruim 20% bermgras. De overige aanvoer bestaat uit koeienmesten groenten. 8
http://www.rws.nl/wegen/plannen_en_projecten/n_wegen/n18/n18_planstudie_varsseveld_enschede/
30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 42 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
De realisatie van de bioraffinage zorgt onder andere voor een hogere geur- en geluidsbelasting in de omgeving en extra verkeer (ruim 100 vrachtwagenbewegingen, incl aanvoer overige ‘hulpstoffen’). Afbeelding 3-2 Alternatief 1
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 43 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Een tweede concrete ontwikkeling is het ‘Groot Hoornwerk’, een multifunctionele ontwikkeling die de historie van de locatie (Grolse Linie) benadrukt. Gezien de verbondenheid van dit project met de Grolse Linie ligt de locatie vast. De exacte invulling staat nog niet vast, maar zal publiek aantrekken. Naar huidig inzicht bestaat de eerste fase uit het vestigen van het ‘Biobased Innovation Center Achterhoek’ met kantoorfuncties en een vergadercentrum. Mogelijk wordt er ook een motel met (fast)foodrestaurant gevestigd. Het overige deel van het terrein krijgt eerst een tijdelijke invulling. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een parkeervoorziening, bomen als exposure voor een kwekerij in de omgeving en grasvelden voor overnachting van groepen (zoals scouting), locatie voor expositie van innovatieve en duurzame producten/processen of proeflocatie voor duurzame energieopwekking. Nabij het Groot Hoornwerk worden mogelijk ook andere, lichte, publiekstrekkende functies gerealiseerd (recreatie, mogelijk detailhandel). Om de publiekstrekkende functies zo min mogelijk te belemmeren in hun functioneren en belemmerend te laten zijn voor de overige, zwaardere bedrijvigheid, worden deze functies gebundeld nabij het Groot Hoornwerk in het noordoosten van het plangebied en ten zuiden van Groot Hoornwerk, buiten het plangebied.
Tenslotte worden opslag gerelateerde bedrijven voorzien in het zuiden van het plangebied. Geluidzone Het bestaande industrieterrein Laarberg 1 is (samen met bedrijventerrein Den Sliem) geluid gezoneerd in de zin van de Wet geluidhinder. Het bestaande en uit te breiden deel grenzen aan elkaar en bieden beide ruimte aan bedrijven uit de hogere milieucategorieën (en daarmee grote lawaaimakers). In dit alternatief wordt er van uit gegaan dat het uit te breiden deel van Laarberg een gezamenlijke geluidzone krijgt met Den Sliem/Laarberg 1. Het geluid van het bestaande en het nieuwe terrein wordt daarin gecumuleerd. Dit kan enerzijds gevolgen hebben voor de geluidgevoelige bestemmingen (woningen) aan de zijde van het bestaande terrein: een hogere toegestane geluidbelasting als gevolg van cumulatie en mogelijk benodigde vaststelling van hogere grenswaarden voor deze gevoelige bestemmingen. Anderzijds kan de gecumeleerde geluidzone voor de woningen rond het uit te breiden deel (Laarberg II) betekenen dat hogere waarden nodig zijn. In dit MER wordt een indicatie van de omvang van deze zone gegeven. De exacte benodigde zone moet worden bepaald in de bestemmingsplanfase. Externe veiligheid Rechtstreekse toelating van bedrijven die (grote) externe veiligheidsrisico’s met zich meebrengen is niet gebruikelijk (bijv. LPG-tankstation).
Dit geschiedt in bestemmingsplannen vaak met een wijzigingsbevoegdheid. In alternatief1 is dit ook het geval voor de nog op te stellen bestemmingsplannen. Om de effecten van deze wijzigingsbevoegdheid in beeld te brengen, wordt bij de effectbeoordeling rekening gehouden met realistisch geachte risicovolle bedrijven die zich kunnen vestigen volgens de daar geldende milieucategorie. Infrastructuur Om de voorziene ontwikkeling mogelijk te maken, moet diverse infrastructuur aangelegd worden. Het gaat vooral om weginfrastructuur voor interne en externe ontsluiting van verkeer. De exacte ligging van de wegen is nog niet bekend, maar de uiteindelijke structuur zal altijd doorlopend zijn. Het uit te breiden deel van Laarberg wordt hoogstwaarschijnlijk ontsloten door een nieuwe oost-west georiënteerde verbinding, parallel aan de Grolse Linie. Aan de oostzijde wordt het terrein ontsloten richting de N18. Aan de westzijde naar huidig inzicht richting de Deventer Kunstweg. De structuur van het fietsnetwerk komt grotendeels overeen met het netwerk van het overige verkeer. Het openbaar vervoer wordt in de toekomst afgewikkeld via de bestaande N18 (parallel aan de opgewaardeerde N18). In alternatief 1 is een nieuwe bushalte opgenomen ter hoogte van het Groot Hoornwerk.
30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 44 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
In alternatief 1 worden bebouwingsvrije (of bouwhoogte beperkende) zones opgenomen ten behoeve van de inpassing van de bestaande hoogspanningsleiding en gasleiding(en). Binnen 17,5 meter aan weerszijden van de as van de hoogspanningsleiding mogen geen bouwwerken hoger dan 2 meter geplaatst worden. De meest relevante buisleidingen liggen in een leidingenstrook die in het zuiden van het plangebied van west naar oost loopt. Dit tracé is in de (rijks)Structuurvisie Buisleidingen gereserveerd en heeft een breedte van circa 16 meter. In de huidige situatie liggen daar twee aardgastransportleidingen in (Gasunie). Binnen de strook zelf en binnen een afstand van 30 meter aan weerszijden van de strook is bebouwing niet toegestaan. Ten behoeve van de voorziene bio-energiecentrale wordt waarschijnlijk een nieuwe gasleiding aangelegd met een invulpunt op de nabijgelegen aardgastransportleiding. Het tracé van deze nieuwe leiding is indicatief weergegeven in Afbeelding 3-2. Op de oostelijke grens van het plangebied ligt een straalpad (200 m brede zone ter bescherming van telecommunicatie). In deze zone mag niet hoger dan 51 meter ten opzichte van NAP gebouwd worden. Voor het plangebied (maaiveld 20-25m +NAP) betekent dat een maximale bouwhoogte van circa 25 meter in deze zone. Dit zal naar alle waarschijnlijkheid geen probleem vormen voor de ontwikkeling van Laarberg.
Wel wordt de voorwaarde opgenomen in de structuurvisie: bouwhoogte maximaal 51 m +NAP, tenzij de straalpadbeheerder geen bezwaar heeft tegen hogere bebouwing (dit is goed mogelijk i.v.m. het buiten werking zijn van het straalpad). Waterberging Neerslag wordt zo veel mogelijk vastgehouden in het gebied. In het noorden van het plangebied wordt ruimte gereserveerd voor waterberging in verband met de toename van verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie. Dit deel van het plangebied is het meest laaggelegen en hier kan het water bijdragen aan het zichtbaar maken van de Grolse Linie (en het Groot Hoornwerk als onderdeel daarvan). In Afbeelding 3-2 is rond het Groot Hoornwerk waterberging aangegeven. De overige ruimte voor waterberging wordt ingepast in het Biobased Transitiepark (zie afbeelding), de (groene) verbindingszone, parallel aan de Grolse Linie en mogelijk een deel in het uiterste zuiden van het plangebied en het agrarische gebied aan de westzijde van het plangebied.. Groen, landschap en cultuurhistorie Kwalitatief goede groenstructuren en bomen worden waar mogelijk ingepast in het bedrijvenpark. Indien groenstructuren verdwijnen die ook een functie hebben voor fauna (bijv. vleermuizenroute) worden deze zoveel mogelijk binnen het plan gecompenseerd op plekken waar dit groen bijdraagt aan het ruimtelijk beeld van Laarberg.
De ecologische verbindingszone op de noordelijke grens van het plangebied wordt niet aangetast. Deze natte verbindingszone is in 2008 ingericht als onderdeel van de EHS. De zone wordt ingepast door rekening te houden met een onbebouwde zone van 10 meter binnen het plangebied (langs de zuidzijde van de natte verbindingszone). Er zijn geen plannen om de zone uit te breiden buiten de huidig ingerichte strook langs de beek. . Van west naar oost loopt een overwegend groene verbindingszone, waarin de Grolse Linie is opgenomen. Nieuw groen wordt vooral geconcentreerd in deze zone waar de Grolse Linie geheel of gedeeltelijk wordt gereconstrueerd. Om het zicht op de Linie te optimaliseren, wordt de verbindingszone extensief bebouwd. De zone biedt ondernemers de mogelijkheid hun innovatieve producten en processen ten toon te stellen (zoals proefakkers, zonne-energie en kleinschalige demonstratiekassen).
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 45 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Verder wordt het bedrijvenpark in het landschap ingepast door aan de west en noordzijde van het plangebied een overgang te creëren met robuuste groenzones, passend bij het aangrenzende landschapstype. In het westen betekent dit concreet dat een deel van het plangebied een agrarische functie houdt (weilanden en akkers). Op de overgang naar bedrijfskavels worden groenstructuren aangelegd. Weilanden lopen over in bedrijventerrein. Dit is ook gewenst gezien de (bedrijfs)woningen ten westen van het plangebied en de aanwezige hoogspannings- en buisleidingen. Kleine groenelementen zijn niet weergegeven in Afbeelding 3-2. Voor de beeldkwaliteit van Laarberg fase II is reeds een beeldkwaliteitsplan opgesteld (Beeldkwaliteitsplan Regionaal bedrijventerrein Laarberg), welke als toetsingskader dient voor de te realiseren ontwikkelingen.
3.5
Alternatief 2 De onderzoeksresultaten van alternatief 1 geven aanleiding voor een aantal aanpassingen in het plan, zodat een (beter) uitvoerbaar alternatief ontstaat ten aanzien van milieu. Het belangrijkste verschil ten opzichte van alternatief 1 wordt gemaakt op basis van de te verwachten effecten op natuur. Daarnaast zijn aanvullend op alternatief 1 randvoorwaarden nodig ten aanzien van verkeer, geluid en geur. Ten behoeve van de navolgbaarheid van de opzet van alternatief 2, op basis van de bevindingen bij alternatief 1, wordt alternatief 2 uitvoerig beschreven en beoordeeld in hoofdstuk 6, na de effectbeoordeling van alternatief 1.
3.6
Voorkeursalternatief Uiteindelijk wordt een voorkeursalternatief (VKA) gekozen/opgesteld. Dit kan (een licht aangepaste versie) van één van de twee alternatieven zijn of een combinatie van beide. De vorm van het VKA hangt af van optredende (on)mogelijkheden ten aanzien van het milieu en van wensen van de gemeente en de initiatiefnemer voor de vervolgplannen. Het VKA moet in ieder geval zoveel mogelijk overeenkomen met de mogelijkheden die de uiteindelijke structuurvisie biedt. Het VKA wordt beoordeeld op milieueffecten indien de ontwikkelingsmogelijkheden afwijken van de eerder onderzochte alternatieven en deze kunnen leiden tot andere milieueffecten. In dat geval wordt bij de beoordeling van het VKA op milieueffecten gebruik gemaakt van de resultaten van de eerdere beoordeling van alternatieven 1 en 2. Hoofdstuk 7 behandelt het VKA.
30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 46 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
4
BEOORDELINGSKADER
4.1
Beoordelingscriteria Zoals aangegeven in hoofdstuk 2 wordt in het MER alleen getoetst op de milieuaspecten waarvoor redelijkerwijs effecten te verwachten zijn. In Tabel 1 zijn de nader te onderzoeken milieuaspecten met bijbehorende toetsingscriteria weergegeven. In het vervolg van dit hoofdstuk worden de te onderzoeken milieuaspecten nader toegelicht. Tabel 1 Beoordelingskader
4.2
Milieuaspect
Criteria
Natuur
Natura 2000-gebieden (Natuurbeschermingswet + Duitse natuurwetgeving) Ecologische Hoofdstructuur (EHS; toekomstige GNN en GO) Beschermde soorten (Flora en Faunawet)
Bodem en water
Bodem- en (grond)waterkwaliteit Grond- en oppervlaktewaterkwantiteit
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
Aantasting of verlies van landschappelijke waarden Aantasting of verlies van cultuurhistorisch waardevolle gebieden, structuren en elementen Aantasting of verlies van archeologische waarden
Verkeer
Verkeersafwikkeling Verkeersveiligheid
Geur Luchtkwaliteit
Geurbelasting op gevoelige objecten (incl. ‘omgekeerde werking’) Concentraties PM10 en NO2 i.r.t. gevoelige bestemmingen
Geluid Externe veiligheid
Geluidbelasting i.r.t. gevoelige bestemmingen Plaatsgebonden risico Groepsrisico
Beoordelingsmethodiek De kern van het planMER is dat de belangrijkste gevolgen van de ontwikkelingsmogelijkheden binnen de structuurvisie op het milieu overzichtelijk in beeld worden gebracht. Het detailniveau van het planMER moet aansluiten op het detailniveau van de structuurvisie. Aspecten waar weinig of geen effecten voor worden verwacht, zijn niet of globaal onderzocht. Voor veel milieuaspecten kan de beoordeling niet aan kwantitatieve effecten worden gekoppeld of is dit niet wenselijk/nodig. Deze aspecten zullen aan een kwalitatieve effectbeschrijving worden onderworpen. De effecten ten opzichte van de referentiesituatie worden per criterium vertaald naar een kwalitatieve score op de volgende scoreschaal: Score ++ + 0 --
Verklaring sterkpositief effect positief effect geen effect/neutraal negatief effect sterk negatief effect
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 47 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
In het navolgende wordt de methodiek per milieuaspect verder toegelicht. Natuur De voorgenomen activiteiten kunnen mogelijk negatieve gevolgen hebben op de beschermde natuurwaarden in en om het plangebied. Bij de beoordeling van de genoemde criteria wordt bijvoorbeeld gekeken naar effecten op ruimtebeslag (verlies van leef-, broed- of foerageergebied), verstoring en ecologische relaties (barrièrewerking, versnippering). Onderstaand is een korte beschrijving van de beoordeling van de verschillende te toetsen criteria gegeven. Natura 2000-gebieden Voor dit beoordelingscriterium worden scores toegekend op basis van de gevolgen die de ontwikkelingen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een alternatief scoort zeer positief als het in belangrijke mate bijdraagt aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Een zeer negatieve score wordt toegekend aan een alternatief dat het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen ernstig bemoeilijkt. In juridische termen spreken we in dat geval dan van een verslechtering van habitats of habitats van soorten óf een significante verstoring van soorten waarvoor in omliggende Natura 2000-gebieden doelstellingen zijn geformuleerd.
Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn op voorhand niet uit te sluiten, ook niet bij hantering van de wijziging in de Natuurbeschermingswet zoals omschreven in paragraaf 1.2. De effecten van het voorkeursalternatief (VKA) op deze gebieden zijn daarom in een passende beoordeling onderzocht. De resultaten daarvan zijn in het MER verwerkt. De passende beoordeling vormt een (separate) bijlage bij het MER en wordt nader toegelicht in paragraaf 5.1. Ecologische hoofdstructuur (EHS) Voor dit beoordelingscriterium staat de invloed van de alternatieven op de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur centraal. Een zeer positieve score wordt toegekend aan een alternatief dat in belangrijke mate bijdraagt aan het versterken van de wezenlijke kenmerken en waarden. Een alternatief dat op dit criterium zeer negatief scoort heeft significant negatieven effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden. Er is in dat geval sprake van een ernstige aantasting. Beschermde soorten (Flora- en faunawet) De scores voor dit beoordelingscriterium worden toegekend op basis van de invloed van elk van de alternatieven op beschermde soorten en hun leefgebieden. Een zeer positieve score wordt toegekend als een van de alternatieven een grote bijdrage levert aan het vergroten van leefgebieden en het verbeteren van de kwaliteit.
Een alternatief waarbij leefgebieden in ernstige mate worden aangetast of op grote schaal verdwijnen scoort zeer negatief. Bodem en water Onder dit aspect wordt beoordeeld wat de mogelijke effecten zijn van de beoogde ontwikkelingen op bodem- en (grond)waterkwaliteit en oppervlakte- en grondwaterkwantiteit. Hierbij worden resultaten van uitgevoerde en nog uit te voeren onderzoeken gebruikt. Landschap, cultuurhistorie en archeologie De effecten van de beoogde ontwikkeling op de landschappelijke kwaliteit wordt beoordeeld op basis van de invloed (aantasting of versterking) op kenmerkende landschappelijke elementen en structuren. Voor de effectbeoordeling wordt gebruik gemaakt van bestaande gegevens zoals landschaps(ontwikkelings)plannen en –ontwerpen.
30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 48 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
De effecten op cultuurhistorie worden beoordeeld aan de hand van de mate waarin historisch waardevolle gebouwen, elementen, structuren en gebieden worden aangetast. Archeologie wordt getoetst op basis van uitgevoerd archeologisch onderzoek in en nabij het plangebied. Verkeer Voor het aspect verkeer worden de mogelijke effecten van het plan op de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling onderzocht. De verkeersveiligheid wordt kwalitatief bepaald aan de hand van wijzigingen in verwachte verkeersintensiteiten en is afhankelijk van aanwezige ontsluitingsstructuren en voorziene wijzigingen daarin (zoals vrijliggende fietsvoorzieningen, kruispuntoplossingen, mengen of juist scheiden van verkeersoorten). Op basis van te verwachten vervoersbewegingen, worden uitspraken gedaan over de verkeersafwikkeling rond het plangebied Daarmee wordt ook gekeken naar de ontsluitingsmogelijkheden bij eventuele calamiteiten. Geur Hierbij gaat het om de geurbelasting op ‘geurgevoelige objecten’ (zoals woningen, maar ook andere gebouwen waar mensen langere tijd verblijven) die optreedt als gevolg van mogelijke geuremissies van de voorziene ontwikkelingen. Ook wordt gekeken naar het mogelijke effect van eventuele nieuwe geurgevoelige objecten in het plangebied op de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven (‘omgekeerde werking’ genoemd).
Het geuronderzoek wordt op een kwalitatieve manier uitgevoerd. Luchtkwaliteit In de wet luchtkwaliteit (onderdeel van de Wet milieubeheer) zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor een gezond leefmilieu. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst op deze eisen. Ten aanzien van luchtkwaliteit worden effecten van de in de structuurvisie voorziene ontwikkelingen op de concentraties van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) beschreven. In Nederland worden (normaal gesproken) namelijk alleen overschrijdingen van de luchtkwaliteitseisen verwacht voor deze stoffen. De emissies van de mogelijke ontwikkelingen in het plangebied worden op basis van algemene emissiekengetallen bepaald. Deze worden (met verspreidingsmodellen) omgerekend naar concentraties NO2 en PM10. De referentiesituatie (autonome ontwikkeling) wordt beschreven aan de hand van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN) van het RIVM. Geluid De gecumuleerde geluidbelasting op nabijgelegen gevoelige bestemmingen (maatgevende woningen) als gevolg van voorziene ‘akoestisch relevante activiteiten’ wordt berekend. Voor delen van het plangebied waar nog geen concrete ontwikkeling is voorzien, worden kentallen (bronsterkte per m2) voor bedrijvigheid gehanteerd. De berekeningen leveren een geluidcontour op die als basis voor de vast te stellen geluidzone kan worden gebruikt.
Tenslotte wordt de (indirecte) hinder voor woningen langs de ontsluitingsweg beschouwd, als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van het bedrijventerrein. Externe veiligheid Voor zover relevant wordt het effect van de ontwikkeling op het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) bepaald. Dit gebeurt op kwalitatieve wijze.
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 49 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
5
MILIEUEFFECTEN ALTERNATIEF 1
In dit hoofdstuk worden de te verwachten milieueffecten van de alternatieven (zie hoofdstuk 3) beschreven per te onderzoeken milieuaspect (zie hoofdstuk 4). Alvorens de alternatieven te beoordelen op effecten wordt bij elk milieuaspect ingegaan op de referentiesituatie (huidige situatie en autonome ontwikkelingen). De effecten van de alternatieven worden bepaald ten opzichte van deze referentiesituatie. De effecten van alternatief 2 zijn gebundeld in paragraaf 5.11. Daarin wordt alleen ingegaan op de verschillen ten opzichte van alternatief 1.
5.1
Natuur Voor het aspect natuur worden de volgende criteria onderzocht: – Natura 2000-gebieden (Natuurbeschermingswet en Duitse natuurwetgeving); – Ecologische Hoofdstructuur (EHS); – Beschermde soorten (Flora- en faunawet).
5.1.1
Natura 2000-gebieden Er is een Passende Beoordeling uitgevoerd voor alternatief 1, de maximale invulling van de structuurvisie. In deze paragraaf zijn de resultaten van de passende beoordeling verwerkt. De passende beoordeling geeft een overzicht van de aard en omvang van de effecten van alternatief 1 op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura 2000-gebieden. Een PB beschrijft normaliter de effecten van het voorkeursalternatief (VKA). De effecten van alternatief 1 op Natura 2000-gebieden zijn in dit geval gelijk aan de effecten van het VKA (en de maximale ontwikkeling die de structuurvisie mogelijk gemaakt). Doel van de passende beoordeling is om inzichtelijk te maken of de maximale invulling van de structuurvisie, vergunbaar is in het kader van de Natuurbeschermingswet. Op grond van art 19j van deze wet moet de gemeenteraad (bevoegd gezag) zich hier van vergewissen bij de besluitvorming omtrent de structuurvisie. Op basis van de passende beoordeling moet de gemeenteraad een besluit nemen of de structuurvisie kan worden vastgesteld voor wat betreft effecten op Natura 2000. Referentiesituatie Huidige situatie In de Passende Beoordeling (zie bijlage 1) staat dat er lichte effecten te verwachten zijn op habitattypen door een toename van stikstofdepositie.
Dit leidt tot verzuring en vermesting van voor stikstof gevoelige habitattypen in omliggende Natura 2000-gebieden. Voor effecten van overige storingsfactoren liggen de Natura 2000-gebieden te ver weg van het plangebied. De structuurvisie heeft mogelijk relevante gevolgen voor de volgende Natura 2000-gebieden (zie Afbeelding 5-1): – Zwillbrockervenn & Ellewickerveld (Duitsland) (5 km); – Korenburgerveen (7 km); – Stelkampsveld (10 km); – Buurserzand & Haaksbergerveen (10 km). 30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 50 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Dit zijn gebieden met onder andere hoogveen, laagveen, heide en omringend zandlandschap. De gebieden zijn behalve voor habitattypen horend tot deze landschappen ook aangewezen voor habitatsoorten (kamsalamander en grote modderkruiper) en een aantal vogelsoorten, waaronder boomleeuwerik en kemphaan. Afbeelding 5-1 Natura 2000-gebieden (in Duitsland: FFH Gebiete (Habitatrichtlijngebied) en Vogelschutzgebiete (Vogelrichtlijngebied))*
* Van Teeslinkven en Boddenbroek is de status als Natura 2000-gebied komen te vervallen. Autonome ontwikkeling De achtergronddepositie in de autonome ontwikkeling (2030) varieert van 1470 mol N/ha/jr in Stelkampsveld en Buurserzand & Haaksbergerveen tot 1540 mol N/ha/jr in het Korenburgerveen (zie passende beoordeling). Er mag vanuit worden gegaan dat de achtergronddepositie voor Zwillbrockervenn ook in die range ligt. Uitgaande van het feit dat de kritische depositiewaarde niet noemenswaardig verandert, is er net als in de huidige situatie ook in de autonome situatie sprake van een overbelaste situatie voor stikstof voor de meeste habitattypen, behalve voor hoogveenbossen, vochtige alluviale bossen en galigaanmoerassen. Voor ieder Natura 2000-gebied wordt in Nederland een Natura 2000-beheerplan opgesteld. Deze beheerplannen hebben een looptijd van zes jaar. In de autonome ontwikkeling zal twee keer een Natura 2000-beheerplan worden opgesteld. In deze beheerplannen worden naar verwachting maatregelen afgesproken voor een zodanige verbetering van de stikstofsituatie en waterhuishouding dat instandhoudingsdoelstellingen worden gehaald.
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 51 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Volgens de klimaatscenario’s (KNMI, 2006) wordt het droger en warmer in Nederland, waardoor er meer water uit open water en uit de bodem verdampt en er daardoor mogelijk nieuwe knelpunten ontstaan voor onder andere hoogveen. Dit kan ertoe leiden dat aanvullende maatregelennoodzakelijk worden. Duitse gebieden vallen niet onder de werkingssfeer van de Nederlandse Natuurbeschermingswet 1998. In Duitsland wordt voor projecten die minder dan 3% van de kritische depositiewaarden (KDW 9) bijdragen op Natura 2000-gebieden verondersteld dat zij geen significant effect hebben op Natura 2000 (bron: Gemeente Berkelland, PlanMER Bestemmingsplan Buitengebied Berkelland, 2012).
Effectbeoordeling Wanneer de mogelijkheden die de structuurvisie biedt voor de aanleg van het bedrijventerrein worden benut, is sprake van een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de autonome ontwikkeling. De toename in de Natura 2000-gebied Zwillbrockervenn bedraagt 1 tot 2 mol/ha/jr en in de gebieden Korenburgerveen, Stelkampsveld en Buurserzand&Haaksbergerveen ligt deze tussen 0,5 en 1 mol N/ha/jr (Afbeelding 5-2). Afbeelding 5-2 Bijdrage stikstofdepositie als gevolg van ontwikkeling Laarberg fase II
9
de hoeveelheid stikstofdepositie die een ecosysteem kan verdragen zonder schade te ondervinden, uitgedrukt in mol
stikstof per hectare per jaar (mol N/ha/jr) 30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 52 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
In de referentiesituatie hebben alle habitattypen van de vier Natura 2000-gebieden en een aantal leefgebieden van kamsalamander, grote modderkruiper, boomleeuwerik en kemphaan te maken met een overbelaste situatie voor stikstof en het niet op orde zijn van de waterhuishouding, waardoor het systeem niet robuust is. Op de Natura 2000-gebieden (Korenburgerveen, Stelkampsveld, Buurserzand & Haaksbergerveen) is sprake van een kleine toename van stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie, waarvan op voorhand niet is uitgesloten dat dit een significant negatief effect veroorzaakt. Op deze gebieden is nagenoeg geen toename toegestaan, met uitzondering van het Duitse gebied. In Duitsland zijn de normen minder streng en is de toename binnen het Natura 2000-gebied Zwillbrockervenn & Ellewickerveld als gevolg van de ontwikkeling van Laarberg II toegestaan, omdat deze toename (1-2 mol N/ha/jr) lager is dan de 3% van de kdw. Voor de Nederlandse gebieden (op een afstand van 7 tot 10 km) ligt de depositietoename ten opzichte van de huidige situatie van de ontwikkeling van Laarberg fase II als geheel tussen 0,5 en 1 mol N/ha/jaar. Dit is in absolute zin een zo kleine verandering dat deze ecologisch gezien verwaarloosbaar is.
Ter vergelijking: 10 op weidevogelgraslanden wordt vaak 100-200 kg N per ha per jaar aan mest aangebracht , om de voedselrijkdom voor volwassen weidevogels op peil te houden. Dit komt overeen met 7.700 – 14.300 mol N/ha/ja. 0,5 mol stikstof is gelijk aan een theelepel kunstmest (circa 7 gram pure stikstof). Verspreid over één hectare, aangebracht gedurende een jaar heeft dit geen enkel effect op de vegetatie. Ook relatief gezien is een dergelijk kleine toename aan stikstof ecologisch gezien verwaarloosbaar. 11 Jaspers et al (2010) betogen dat een toename van stikstof die kleiner is dan 0,5% van de KDW (dat is 2 mol N/ha/jr, uitgegaan van de strengst mogelijk KDW van 400 mol N/ha/jr), ecologisch feitelijk niet meer meetbaar is. Ook ten opzichte van natuurlijke fluctuaties is de toename erg klein. Het is gebleken dat meteorologische omstandigheden grote invloed hebben op de depositie van emissies. In een achtergrondstudie van het Planbureau voor de leefomgeving is dit als een van de belangrijke onzekerheden genoemd: “Van jaar tot jaar voorkomende variaties in meteorologische omstandigheden leiden, bij gelijke emissies, tot fluctuaties 12 (toe- en afnamen) in deposities van ongeveer 10 procent” . Bij een achtergronddepositie in 2012 tussen de 1785-1895 mol N/ha/jr gaat het dus om een jaarlijkse fluctuatie van ca 179-190 mol N/ha/jr.
Ook in het licht hiervan is de maximale bijdrage van 0,5-1 mol N/ha/jr verwaarloosbaar. De stikstofdepositie in Nederland en ook in deze regio vertoont een dalende trend (in de periode 20122030 is de voorspelde daling 315-355 mol N/ha/jr). De toename van 0,5-1 mol zal de dalende trend niet teniet doen. Uit de gebiedsanalyses die in het kader van de PAS worden opgesteld voor deze Natura 2000-gebieden blijkt ook dat voor het behalen van de instandhoudingsdoelen een aangepast/intensiever beheer en/of herstel van de hydrologie vereist is. Zonder deze ingrepen zullen de instandhoudingsdoelen niet gehaald worden. De toename van 0,5 - 1 mol N/ha/jr zal daarmee het behalen van de instandhoudingsdoelen niet verder weg brengen.
10
Weijden, A.A.G. van der en Guldemond J.A., 2006. Wormenland en vliegjesland – Bemesting in relatie tot voedsel
voor de grutto. 11
Jasper, H., M. Mouissie, D. Tuitert & F. Kwadijk, 2010. Het slot en de sleutel. Stikstofdepositie en natuur. Toets 10(1):
6-11 12
Velders et al, Grootschalige stikstofdepositie in Nederland, herkomst in ontwikkeling en tijd, PBL 2010
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 53 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Er is geen sprake van een negatief effect op de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden. De beoordeling scoort daarmee neutraal (0).
5.1.2
Ecologische Hoofdstructuur (EHS) Referentiesituatie Huidige situatie De noordgrens van het plangebied wordt gevormd door de Leerinkbeek met beekbegeleidend bos en botanisch waardevol grasland. De beek is in 2008 ingericht als ecologische verbindingszone (Staring Advies, 2010). Ook ligt er een perceel bos binnen het plangebied, ten zuiden van de Leerinkbeek. Deze beek, het bos en het grasland maken onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur en vallen in de categorie ‘ecologische verbindingszone’ (EVZ, zie Afbeelding 5-3). Afbeelding 5-3 Ecologische Hoofdstructuur (bruin is verbindingszone)
Bron: Atlas gelderland, via http://www.gelderland.nl/?id=19754, geraadpleegd op 14 juni 2013
De gerealiseerde verbindingszone rond de Leerinkbeek en het bosperceel binnen het plangebied vallen in de nieuwe omgevingsvisie binnen de categorie ‘Gelders Natuurnetwerk’. Zie Afbeelding 5-4. Dat is de zwaardere van de twee categorieën in het nieuwe beleid. Deze gebieden dienen in principe behouden te blijven. Een ruimere zone rond de Leerinkbeek valt onder de minder zware categorie ‘Groene ontwikkelingszone’. In deze gebieden biedt de provincie wel ruimte voor andere ontwikkelingen, maar moet ook nagestreefd worden om de “samenhang tussen natuurgebieden te bevorderen, het functioneren als netwerk te versterken en overgangen tussen natuurbestemmingen en andere functies te zoneren,” Autonome ontwikkeling In de autonome ontwikkeling blijft de situatie gelijk aan de huidige situatie. Er zijn geen concrete plannen om de ecologische verbindingszone (nog) verder te ontwikkelen.
30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 54 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Afbeelding 5-4 Gelders Natuurnetwerk (inclusief EHS)
Bron: gebaseerd op Ontwerp Omgevingsvisie Gelderland (via: http://www.gelderland.nl/eCache/DEF/23/236.html)
Effectbeoordeling Huidige EHS In alternatief 1 blijft de ecologische verbindingszone rond de beek gehandhaafd. Er vinden geen werkzaamheden plaats in de gerealiseerde ecologische verbindingszone rond de Leerinkbeek (dit deel is als Gelders Natuurnetwerk in de nieuwe omgevingsvisie). Ook in de referentiesituatie blijft de gerealiseerde verbindingszone bestaan. Alternatief 1 scoort daarmee neutraal (0).
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 55 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Toekomstige GNN en GO In het ruimere gebied rond de beek (in de nieuwe omgevingsvisie onderdeel van de ‘Groene Ontwikkelingszone’) wordt 10 meter tussen de gerealiseerde verbindingszone en toekomstige bebouwing gereserveerd. Hiermee wordt enigszins bijgedragen aan het ‘zoneren van overgangen tussen natuurbestemmingen en andere functies’, maar wordt niet of nauwelijks nagestreefd om de ‘samenhang tussen natuurgebieden te bevorderen of het functioneren als netwerk te versterken’. Voor het bosperceel ten zuiden van de Leerinkbeek (bij vaststelling omgevingsvisie ook onderdeel Gelders Natuurnetwerk) wordt in alternatief 1 niet geborgd dat deze behouden blijft. Daarnaast draagt het alternatief nauwelijks bij aan de doelen van de Groene Ontwikkelingszone. Alternatief 1 wordt beoordeeld als negatief ten opzichte van de referentiesituatie (-). Om een beter uitvoerbaar alternatief voor de structuurvisie te creëren ten aanzien van EHS, zijn in alternatief 2 aanvullende randvoorwaarden opgenomen (zie paragraaf 6.1)
5.1.3
Beschermde soorten (Flora- en faunawet) Referentiesituatie De huidige situatie en autonome ontwikkeling zijn vergelijkbaar voor dit criterium. In het navolgende wordt hier geen onderscheid in gemaakt. In 2010 heeft een volledige veldinventarisatie plaatsgevonden in het plangebied (Staring Advies, Aanvullend onderzoek zoekzone windmolens en Laarberg fase 2, 2010). De volgende soorten zijn aangetroffen. Andere soortgroepen zijn niet aangetroffen of daarvoor is geen geschikt leefgebied aanwezig. Beschermingsniveau FF-wet
Aangetroffen bij veldinventarisatie
Brede wespenorchis
Tabel 1
Twee groeiplaatsen langs Ruiterweg
Kleine maagdenpalm Vogels
Tabel 1
Groeiplaats in bos langs Ruiterweg
Boomvalk
Jaarrond beschermd
Nest in bos aan de Ruiterweg (en soms bosje ten oosten daarvan) en deel foerageergebied
Buizerd
Jaarrond beschermd
Huismus
Jaarrond beschermd
Ongebruikte horst (wisselt met boomvalk) en deel foerageergebied 7 territoria in boerderijen en foerageergebied
Ransuil
Jaarrond beschermd
Nest Holtkampsweg en foerageergebied
Steenuil
Jaarrond beschermd
Territorium boerderij “Panneman” en boerderij aan de Ruiterweg en deel foerageergebied
Bonte vliegenvanger
Jaarrond beschermd tenzij er voldoende overige nestgelegenheid aanwezig is Jaarrond beschermd tenzij er voldoende overige nestgelegenheid aanwezig is Jaarrond beschermd tenzij er voldoende overige nestgelegenheid aanwezig is Jaarrond beschermd tenzij er voldoende overige nestgelegenheid aanwezig is
Nest
Vaatplanten
Boomklever Boomkruiper Grauwe vliegenvanger
Nest Nest Nest
30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 56 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Beschermingsniveau FF-wet
Aangetroffen bij veldinventarisatie
Jaarrond beschermd tenzij er voldoende overige nestgelegenheid aanwezig is Jaarrond beschermd tenzij er voldoende overige nestgelegenheid aanwezig is
Nest
Baardvleermuis
Tabel 3
Vliegroute en foerageergebied Holtkampsweg. Zeer waarschijnlijk verblijfplaats in eiken Holtkampsweg.
Gewone dwergvleermuis
Tabel 3
Gewone grootoorvleermuis
Tabel 3
Laatvlieger
Tabel 3
Op 2 locaties (winter) verblijfplaatsen (bij boerderijen Oude Borculoseweg en Ruiterweg), Bij Oude Borculoseweg baltslocatie. Holtkampsweg belangrijke vlieg- foerageerroute. Gehele plangebied foerageergebied. Verblijfplaats en baltslocatie huis Ruiterweg, foerageergebied en mogelijke verblijfplaats in boom Holtkampsweg. Verblijfplaats net buiten plangebied, vliegroute en foerageergebied Holtkampsweg.
Rosse vleermuis
Tabel 3
Ruige dwergvleermuis
Tabel 3
Grote bonte specht Koolmees
Nest
Vleermuizen
Baltslocatie in boom langs Leerinkbeek en op 2 locaties in bomen langs de Oude Borculoseweg (nabij Panneman) en deelfoerageergebied Foerageergebied bij Leerinkbeek,
Grondgebonden zoogdieren Eekhoorn
Tabel 2
Niet aangetroffen maar wel heel waarschijnlijk voorkomend in het plangebied.
Steenmarter
Tabel 2
Niet aangetroffen maar wel heel waarschijnlijk voorkomend in het plangebied.
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 57 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Afbeelding 5-5 Flora- en faunawetsoorten in plangebied
30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 58 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Hieronder volgt een beschrijving van de waargenomen soorten. Vaatplanten In de berm van de Ruiterweg zijn in 2010 twee exemplaren van de brede wespenorchis aangetroffen. In het bosperceel noordelijk van de Ruiterweg is een kleine groeiplaats van de kleine maagdenpalm vastgesteld. Waarschijnlijk gaat het om een verwilderd exemplaar, die is aangeplant of via tuinafval in het gebied is terecht gekomen (Staring Advies, 2010). Beide planten zijn beschermd volgens Tabel 1 van de Flora- en faunawet. De aanwezigheid van strenger beschermde soorten is niet vastgesteld in het plangebied. Vogels - jaarrond beschermde nesten Bij de veldinventarisatie van Staring Advies (2010) is de aanwezigheid van vijf vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten vastgesteld, te weten boomvalk, buizerd, ransuil, steenuil en huismus. De boomvalk heeft een nest in het bosperceel noordelijk van de Ruiterweg in een oude buizerdhorst. Er is het territorium van één of meerdere paartjes buizerd vastgesteld, maar in 2010 lagen de nestlocaties waarschijnlijk net buiten het plangebied. Voorheen heeft de buizerd wel een nestlocatie gehad, maar deze was in 2010 door de boomvalk in gebruik genomen. In 2012 heeft de buizerd aan de Ruiterweg gebroed. De ransuil had een nest met jongen aan de Holtkampsweg in de buurt van de kruising met de Ruiterweg.
Verder zijn er potentiële nestlocaties in het plangebied aangetroffen in de vorm van (oude) nesten van zwarte kraai. Naar aanleiding van een interview met de vogelwerkgroep Berkelland op 15 juli blijkt dat de locatie van de ransuil onduidelijk is, maar wel nabij de kruising Holtkampsweg-Ruiterweg. Aanvullend onderzoek kan de exacte locatie aantonen. Het zuidelijk deel van het plangebied, rondom de boerderij ‘Panneman’ aan de Oude Borculoseweg, is het territorium van de steenuil. De aanwezige schuren en stallen zijn geschikte nestlocaties, maar deze zijn hier niet op onderzocht. Op basis van een interview met de heer B. Voerman op 15 juli blijkt dat er nog een territorium voorkomt, ten westen van het bosje aan de Ruiterweg. De huismus is op twee locaties bij woningen aangetroffen. Het betreft 2 territoria bij de woning aan de Ruiterweg en 5 territoria rondom de boerderij ‘Panneman’ (Staring Advies, 2010). Voorts zijn nesten van een aantal vogelsoorten aangetroffen die beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven in de omgeving zijn om de populatie te behouden. Voor bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, grauwe vliegenvanger, grote bonte specht en koolmees zijn in de omgeving voldoende alternatieven aanwezig.
Vogels - algemene broedvogels In het gehele plangebied kunnen algemeen voorkomende broedvogels tot broeden komen, bijvoorbeeld merel, houtduif, zanglijster, heggenmus, roodborst en winterkoning. Grondgebonden zoogdieren In 2010 zijn geen beschermde grondgebonden zoogdieren als eekhoorn, steenmarter en das aangetroffen. Wel is het gebied in potentie geschikt als leefgebied van deze soorten (Staring Advies, 2010). Uit de interviews blijkt dat er eekhoorn en steenmarter voorkomt in het gebied. Concrete locaties zijn niet bekend, vervolgonderzoek kan deze aan het licht brengen. Das en boommarter komen niet voor. Vleermuizen Er zijn in 2010 zes verschillende vleermuissoorten aangetroffen in het plangebied, te weten baardvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis en gewone dwergvleermuis (Staring Advies, 2010). Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 59 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Van baardvleermuis is een vlieg- en foerageerroute op de Holtkampsweg aangetroffen. Verblijfplaatsen zijn niet waargenomen, maar het is wel te verwachten dat deze er zijn in boomholten in aanwezig eiken aan of nabij de Holtkampsweg. De rosse vleermuis is verspreid over het plangebied foeragerend waargenomen. Daarnaast zijn enkele baltslocaties vastgesteld in bomen met boomholten in de meest noordelijke houtsingel, nabij de Leerinkbeek, en ter hoogte van boerderij ‘Panneman’. Het gebied tussen de Laarbergweg en Holtkampsweg wordt intensief door de laatvlieger gebruikt om te foerageren. Er is een vermoeden dat net buiten het plangebied, aan de Holtkampsweg, een kraamkolonie aanwezig is. De beplanting aan de Holtkampsweg is een belangrijke vlieg- en foerageerroute. Van de gewone grootoorvleermuis is een verblijfplaats vastgesteld van minstens drie individuen bij het huis aan de Ruiterweg. Ook zijn hier baltsende grootoren waargenomen. Langs de Holtskampsweg zijn foerageren grootoren aangetroffen die waarschijnlijk in een (holle) boom aan deze weg een verblijfplaats hebben, hoewel dat bij het onderzoek in 2010 niet kon worden vastgesteld. De ruige dwergvleermuis is foeragerend en een enkele keer baltsend waargenomen in het noordelijke deel van het plangebied rondom de Leerinkbeek.
Eenmaal zijn ruige dwergvleermuizen passerend waargenomen langs de Holtkampsweg, wat duidt op een vliegroute. De gewone dwergvleermuis is bij vrijwel alle begroeiingen waargenomen en er zijn meerdere vliegroutes en foerageergebieden vastgesteld. Vooral de Holtkampsweg is een belangrijke schakel in het leefgebied. Er zijn twee verblijfplaatsen vastgesteld, één aan de Ruiterweg en één aan de Oude Borculoseweg. Het is aannemelijk dat deze locaties ook als winterverblijfplaats in gebruik zijn. Bij de Oude Borculose weg, ter hoogte van boerderij ‘Panneman’ zijn drie baltsende mannetjes vastgesteld (Staring Advies, 2010). De gewone dwergvleermuis is de meest algemeen voorkomende vleermuissoort in Nederland. De overige vleermuissoorten zijn minder algemeen. Effectbeoordeling In het navolgende wordt alleen alternatief 1 beoordeeld. De beoordeling is uitgevoerd zonder inbegrip van eventueel mogelijke mitigerende maatregelen. Voorstellen daartoe zijn waar nodig als’ randvoorwaarden’ opgenomen in alternatief 2. Alternatief 2 is beschreven en beoordeeld in hoofdstuk 6. Vaatplanten In het alternatief is ter hoogte van de Ruiterweg een groenstrook voorzien. Het is in dit stadium niet duidelijk of er een ingreep plaatsvindt in de berm aan de Ruiterweg waar de brede wespenorchis staat. Mogelijk wordt de standplaats vernietigd.
Als het bos noordelijk van de Ruiterweg gekapt wordt en de bodem geschikt gemaakt voor bedrijventerrein, dan gaat de standplaats van kleine maagdenpalm verloren. Dit zijn algemene beschermde soorten (beschermd door tabel 1 van de FF-wet), waarvoor bij ruimtelijke ontwikkelingen geen ontheffing nodig is. Vogels - jaarrond beschermde nesten Boomvalk Als het bos noordelijk van de Ruiterweg gekapt wordt gaat het jaarrond beschermde nest van de boomvalk verloren. De boomvalk is honkvast en keert ieder jaar terug naar dezelfde nestlocatie. Als deze niet meer voldoende functioneert, zoekt de boomvalk in de directe omgeving een alternatieve nestlocatie. Bij inrichting van het plangebied als bedrijventerrein gaat foerageergebied van de boomvalk verloren. Daarnaast is sprake van geluidverstoring en toename van activiteiten in het gebied. Dit tast de kwaliteit van het leefgebied van de boomvalk aan. Het nest van de boomvalk is jaarrond beschermd, zodat er bij aantasting sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen in artikel 11 van de Flora- en faunawet.
30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 60 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Buizerd De buizerd had tot 2010 een nest in het plangebied, maar deze is ingenomen door de boomvalk. In 2012 heeft de buizerd aan de Ruiterweg gebroed. Door inrichting van het plangebied als bedrijventerrein gaat de nestplaats en foerageergebied verloren en door toename aan activiteiten neemt verstoring toe. Het verloren gaan van de nestplaats is in strijd met de Flora- en faunawet. Steenuil Bij de inrichting van het plangebied als bedrijventerrein gaat de boerderij ‘Panneman’ en naastgelegen schuren verloren en de boerderij ten westen van het bosje aan de Ruiterweg. Hier bevinden zich nestlocaties van de steenuil. Daarnaast gaat essentieel foerageergebied van de steenuil verloren: de steenuil heeft een territorium van maximaal 300 meter rondom het nest waar wordt gefoerageerd. Deze jaarrond beschermde nesten worden door de voorgenomen ingreep vernietigd, een overtreding van de verbodsbepalingen in artikel 11 van de Flora- en faunawet. Ransuil Door het uitvoeren van het Masterplan is het mogelijk dat het nest of mogelijke nestlocaties van de ransuil worden vernietigd. Bij het eventueel sparen van de nestlocaties wordt de directe omgeving door toename van activiteiten dermate verstoord, dat de locatie ongeschikt wordt als nestlocatie. Een groot deel van het foerageergebied van de ransuil gaat bij de herinrichting van het gebied als bedrijventerrein verloren.
Het nest van de ransuil is jaarrond beschermd, zodat bij vernietiging en/of verstoring sprake is van een overtreding van verbodsbepaling in artikel 11 van de Flora- en faunawet. Huismus Als het huis aan de Ruiterweg en de boerderij ‘Panneman’ en bijbehorende schuren gesloopt worden bij de herinrichting van het gebied die de structuurvisie mogelijk maakt, gaan de broedlocaties van huismus verloren. Dit is een overtreding van verbodsbepaling artikel 11 van de Flora- en faunawet. De huismus kan zich goed handhaven in een stedelijke omgeving, indien er voldoende schuil- en foerageermogelijkheden zijn. Vogels - algemene broedvogels De overige broedvogels met jaarrond beschermde nestplaatsen: bonte en grauwe vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, grote bonte specht en koolmees hebben voldoende alternatieve broedlocaties in de omgeving (kleinschalig landschap met voldoende bosjes en houtwallen) waardoor deze nestplaatsen niet jaarrond beschermd zijn. In het gebied kunnen ook algemeen voorkomende vogels tot broeden komen, zonder jaarrond beschermde nesten. Echter, zijn hun nesten wel beschermd tijdens de voortplantingsperiode. Dit betekent dat als er sprake is van een nest dat in gebruik is, dat deze beschermd is. Bij de herinrichting van het gebied die de structuurvisie mogelijk maakt gaan struwelen en bomen gekapt worden. Vooral in het voorjaar kunnen hier vele vogels broeden.
Het is niet toegestaan om deze nesten in het broedseizoen te verwijderen, hiervoor kan geen ontheffing worden verkregen. Dit betekent dat struwelen en bomen buiten de broedperiode verwijderd moeten worden. Deze nestlocaties gaan dan verloren, maar van deze algemene broedvogels wordt verwacht dat ze gemakkelijk op een nabijgelegen locatie weer een nieuw nest kunnen maken. Grondgebonden zoogdieren Het is mogelijk dat nesten van eekhoorn en steenmarter verdwijnen door de ingreep. De locatie van de nesten is niet bekend. Er is eerst veldonderzoek nodig om te bepalen waar de nesten voorkomen. Door het uitvoeren van het Masterplan verdwijnen mogelijk nesten en wordt artikel 11 van de Flora- en faunawet overtreden.
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 61 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Vleermuizen Baardvleermuis De Holtkampsweg is door de aanwezige bomenrijen een belangrijke vlieg- en foerageerroute voor de baardvleermuis. Mogelijk heeft deze vleermuissoort een verblijfplaats in de bomen langs deze weg. Bij de herinrichting van het gebied die de structuurvisie mogelijk maakt blijven de bomen aan de Holtkampsweg gespaard, maar neemt de verlichting toe. Hierdoor wordt dit gebied minder geschikt voor de baardvleermuis: de baardvleermuis is lichtschuw, zodat lantaarns worden gemeden. Eventueel aanwezige baardvleermuizen in de bomen kunnen verstoord en/of gedood worden. Dit is een overtreding van de Flora- en faunawet. Er is een grote kans dat hierdoor de lokale populatie verdwijnt. De baardvleermuis is schaars in Nederland. Rosse vleermuis Mogelijk gaan de baltsplaatsen (paarverblijfplaats) van rosse vleermuis in de bomen aan de Oude Borculoseweg verloren door de ingreep die de structuurvisie mogelijk maakt. Tijdens de kap van de bomen kunnen aanwezige individuen verstoord en/of gedood worden. Dit is een overtreding van de Flora- en faunawet. Het verdwijnen van een geschikte paarplek van rosse vleermuis heeft effect op de populatie, aangezien rosse vleermuizen zeer vast zijn in hun paarverblijfplaatsen. Door de ingreep wordt voorts het foerageergebied aangetast. De rosse vleermuis kan echter grote afstanden afleggen om foerageergebied te bereiken.
In de omgeving blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig. Laatvlieger De Holtkampsweg is door de aanwezige bomenrijen een belangrijke vlieg- en foerageerroute voor de laatvlieger, die aansluitend op de bomenrij net buiten het plangebied, een verblijfplaats heeft. Bij de herinrichting van het gebied die de structuurvisie mogelijk maakt blijven de bomen aan de Holtkampsweg gespaard maar neemt de verlichting toe. Hierdoor wordt dit gebied ongeschikter voor de laatvlieger. Gezien de ligging van dit foerageergebied ten opzichte van de verblijfplaats, gaat hiermee een essentiële foerageerlocatie verloren, waarbij het voortbestaan van de kolonie laatvliegers buiten het plangebied onder druk kan komen te staan. Gewone grootoorvleermuis Mogelijk gaat door de ingreep die de structuurvisie mogelijk maakt het huis aan de Ruiterweg gesloopt worden. Hier is een verblijfplaats vastgesteld van gewone grootoorvleermuizen en tevens zijn er baltsende grootoren waargenomen. Waarschijnlijk is er ook een verblijfplaats van grootoren in een boom aan de Holtkampsweg, welke mogelijk gekapt worden. Deze verblijfplaatsen gaan door de ingreep verloren. Dit is een overtreding van de Flora- en faunawet. Daarnaast is de Holtkampsweg foerageergebied van de gewone grootoor. Door de kap van bomen en/of toename van verlichting en verstoring wordt dit gebied ongeschikt als foerageergebied.
De gewone grootoorvleermuis migreert over kleine afstanden, zodat door de ingreep de lokale populatie aangetast wordt. Ruige dwergvleermuis Foeragerende ruige dwergvleermuizen zijn kortdurend ter hoogte van de Leerinkbeek waargenomen. Bij behoud van de bomenlaan bij de Leerinkbeek zijn er geen effecten te verwachten op de ruige dwergvleermuis. Gewone dwergvleermuis Mogelijk gaan de huizen aan de Ruiterweg en Oude Borculoseweg door de ingreep gesloopt worden. Daarmee gaan ook de verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis verloren.
30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 62 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Dit is een overtreding van de Flora- en faunawet. Mogelijk gaat het ook om winterverblijfplaatsen. Deze zijn zeldzamer dan zomerverblijfplaatsen. Het plangebied is in de huidige situatie geheel geschikt als foerageergebied. Door de ingreep gaat deze functie verloren; door de kap van bomen verdwijnen vliegroutes en windluwe locaties met insecten (hun voedsel). Vliegroutes worden aangetast bij een toename aan verlichting. Conclusie effecten Flora- en faunawet Alternatief 1 is strijdig met de Flora- en faunawet voor wat betreft effecten op de volgende beschermde diersoorten: – Boomvalk; – Buizerd; – Huismus; – Ransuil; – Steenuil; – Gewonde dwergvleermuis; – Gewone grootoorvleermuis; – Laatvlieger; – Rosse vleermuis; – Mogelijk eekhoorn en steenmarter. Zonder het nemen van mitigerende dan wel compenserende maatregelen met name op het gebied van de inrichting van het plangebied is de structuurvisie volgens dit alternatief niet uitvoerbaar. Dit wordt beoordeeld als een zeer negatief effect (- -) ten opzichte van het referentiealternatief. Het is nodig om randvoorwaarden voor de structuurvisie op te stellen, waarmee overtredingen op de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet in de toekomst voorkomen worden. Deze randvoorwaarden zijn opgenomen in alternatief 2 (zie hoofdstuk 6).
5.2
Bodem en water
5.2.1
Bodem- en grondwaterkwaliteit De kwaliteit van bodem en grondwater hangen nauw samen. Daarom worden deze onderwerpen in samenhang beschouwd. Referentiesituatie In de afgelopen jaren zijn binnen het plangebied enkele verkennende onderzoeken uitgevoerd naar de bodem- en grondwaterkwaliteit en is bij de overdracht van gronden aangegeven wat de huidige bodemkwaliteit is. Het overgrote deel van het gebied is altijd in gebruik geweest als landbouwgrond. Op enkele plaatsen staat of stond bebouwing. De beschikbare gegevens bij provincie Gelderland wijzen slechts op enkele aandachtspunten in het plangebied. In Afbeelding 5-6 zijn de relevante beschikbare gegevens bij de provincie weergegeven. Uit het historisch bodembestand blijkt dat er een ondergrondse HBO-tank (huisbrandolie) aanwezig is op een perceel in het noordwesten van het plangebied (Ruiterweg 14). Op een perceel net ten noordwesten van het plangebied is een bovengrondse dieseltank aanwezig. Verder zijn er alleen dempingen van (waarschijnlijk) sloten aanwezig in het plangebied (langwerpige rode arceringen). Hier is mogelijk een bodemverontreiniging aanwezig. Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 63 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Afbeelding 5-6 Bekende locaties met (mogelijke) bodemverontreiniging
Bron: atlas gelderland, via: http://www.gelderland.nl/?id=19754
De beschikbare gegevens in het archief van de gemeente (uitgevoerde bodemonderzoeken, milieuvergunningen en ondergrondse tanks; d.d. oktober 2010) wijzen niet op een mogelijke bodemverontreiniging of de aanwezigheid van (voormalige) ondergrondse tanks, met uitzondering van twee percelen (zie navolgende). Dit archiefonderzoek door de gemeente is alleen gedaan voor de percelen die reeds in bezit zijn van Gebiedsonderneming Laarberg BV (zie navolgende afbeelding). De eerdergenoemde ondergrondse HOV-tank kwam daarom niet naar voren bij dit eerder uitgevoerde archiefonderzoek van de gemeente.
30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 64 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Afbeelding 5-7 Percelen in bezit van Gebiedsonderneming Laarberg BV (gearceerd)
Ruiterweg 14
Holtkampsweg 1
Oude Borculoseweg 8
Voor de volgende twee percelen gelden aandachtspunten ten aanzien van de bodemkwaliteit, aanvullend op de gegevens van de provincie: Kadastraal perceel 46, sectie F (Holtkampsweg 1, Groenlo) Dit is een inmiddels gesloopte voormalige boerderij in het midden van het plangebied (zie Afbeelding 5-7). Hier zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Daarbij is een sterke bodemverontreiniging aangetroffen met minerale olie, zink en asbest. In 2005 is deze verontreiniging gesaneerd. Bij de sloop van de panden in 2008 is een verontreiniging met asbest en PAK aangetroffen. Ter plaatse van de gesloopte opstallen is deze gesaneerd. Het overige deel van het erf, inclusief de oprijlaan, niet. Daar is nu nog een ‘puinverontreiniging’ aanwezig, mogelijk met asbest en ‘kooltjes’. Op het moment dat een ontwikkeling plaatsvindt op het perceel en de toegangsweg, zal een nader bodemonderzoek/asbestonderzoek plaats moeten vinden. Kadastraal perceel 809 (gedeeld), sectie F (Oude Borculoseweg 8, Groenlo) Op deze voormalige veehouderij heeft een bovengrondse olietank gestaan. Hiervan zijn verder geen onderzoeksgegevens bekend.
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 65 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Op enkele uitzonderingen na, zoals hiervoor beschreven, geldt voor het gehele plangebied de hypothese ‘onverdacht’. Het plangebied is een schoon gebied wanneer het wordt vergeleken met gemiddelde aanwezigheid van ‘verdachte’ locaties op andere plaatsen in de omgeving. Ten aanzien van (grond)waterkwaliteit is de ligging van grondwaterbeschermingsgebieden of gevoelige/beschermde ecologische wateren (zoals SED-wateren) van belang. Dergelijke gebieden of wateren liggen niet nabij het plangebied. Effecten Het plangebied is voor het overgrote deel ‘onverdacht’. Uit het voorgaande volgt wel dat verspreid in het plangebied een aantal locaties ligt die aandacht behoeven ten aanzien van bodem- en grondwaterkwaliteit wanneer er een ontwikkeling plaatsvindt op deze locaties. Het belangrijkste aandachtspunt (verdachte locatie) is de bekende puinverontreiniging’ op het erf en de toegangsweg van het voormalige agrarische bedrijf Holtkampsweg 1. Hier is zeker vervolgonderzoek nodig bij ontwikkeling op deze locatie. Daarnaast is er een ondergrondse HBO-tank (Ruiterweg 14) aanwezig en was er een bovengrondse dieseltank aanwezig (Oude Borculoseweg 8). Tenslotte zijn er in het verleden nog sloten gedempt, waarbij eventueel sprake is van een bodemverontreiniging. Dat is vooral het geval in het noordwesten van het plangebied.