bp laarberg noord 2 toelichting
Tekst van het document
Conclusie gemeentelijk beleid
Het planvoornemen sluit aan bij de Toekomstvisie 2020 Oost-Gelre. Daarnaast werken de voorwaardelijke verplichtingen zoals gesteld in de Structuurvisie Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg door in bestemmingsplannen. Dat geldt ook voor onderliggend bestemmingsplan. Daarmee vormt het gemeentelijk beleid geen belemmering voor de uitbreiding van bedrijvenpark Laarberg middels onderliggend bestemmingsplan.
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
31
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
32
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk wordt het plan, zoals dat in Hoofdstuk 3 is beschreven, getoetst aan (en gemotiveerd vanuit) specifieke regelgeving op het gebied van het milieu en de bescherming van bijzondere waarden. Elke paragraaf is voorzien van een conclusie en - zo nodig - een attendering wanneer op het betreffende aspect nog nader onderzoek is vereist in het kader van een omgevingsvergunning.
5.1
Algemene beoordeling milieueffecten (m.e.r.)
Inleiding Bij ieder project van enige omvang of impact is het nodig een beoordeling vooraf uit te voeren naar de milieueffecten. Deze verplichting vloeit voort uit Europese regelgeving en is in Nederland in wetgeving opgenomen. Deze beoordeling kán leiden tot de slotsom dat er een milieu-effectrapportage (m.e.r.) moet worden uitgevoerd. Voor de ontwikkeling van Laarberg Noord 2 kan op drie manieren een m.e.r- plicht ontstaan, namelijk vanwege het feit dat: 1. het project een uitbreiding van een bedrijventerrein betreft, en 2. het project kaderstellend is voor m.e.r.(beoordelings-)plichtige activiteiten, of 3. er mogelijk significante effecten zijn te verwachten op Natura 2000-gebieden. In de bijlage van het Besluit m.e.r. is in categorie 11 van onderdeel D de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein als m.e.r.-plichtige activiteit opgenomen. De daarbij behorende drempelwaarde bedraagt een oppervlakte van 75 hectare of meer. Omdat met het gehele ontwikkeling van Laarberg onder deze drempelwaarde wordt gebleven is er geen sprake van een rechtstreeks m.e.r.-plicht op basis van het Besluit m.e.r. en kan in beginsel met een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling worden volstaan. De uitbreiding van Laarberg Noord 2 valt binnen de structuurvisie.
Deze structuurvisie is plan-m.e.r.-plichtig gezien de aard en omvang van de voorziene ontwikkelingen en de op voorhand niet uit te sluiten significante effecten op Natura 2000-gebieden (waardoor een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming verplicht is). Er is daarom ook een plan-m.e.r. opgesteld waarin de milieueffecten van Laarberg in samenhang zijn beschouwd. Omdat er reeds een m.e.r. is doorlopen voor het plan is het niet nodig om opnieuw de m.e.r.-plicht te onderzoeken voor de individuele initiatieven op Laarberg Noord 2. In artikel 2.7 lid 1 jo. 2.8 Wnb is geregeld dat een bestuursorgaan een besluit uitsluitend kan nemen indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Op grond van artikel 7.2a lid 1 Wm zijn bestemmingsplannen, waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt, m.e.r.- plichtig. Een passende beoordeling is noodzakelijk wanneer significante effecten vanwege de nieuwe ontwikkeling op instandhoudingsdoelstellingen niet zijn uit te sluiten. De Commissie MER heeft in haar toetsingsadvies d.d. 16 december 2013, geadviseerd om in een aanvulling op het MER aannemelijk te maken dat het voornemen past binnen de kaders van wat nu de Wet natuurbescherming is en deze informatie te betrekken bij de besluitvorming over de Structuurvisie.
Onderzoek in de aanvulling op hoofdlijnen of er alternatieven en/of effectieve maatregelen mogelijk zijn die aantasting van natuurlijke kenmerken kunnen voorkomen. In paragraaf 5.10 van deze toelichting wordt nader op de (eventuele aantasting van) natuurlijke kenmerken ingegaan en op welke wijze hier procedureel mee om is gegaan. Onderzoek In het licht van artikel 7.14 lid 1 Wm bevat dit ruimtelijk kader een vermelding op welke wijze rekening is gehouden met de in het plan-m.e.r. beschreven milieugevolgen en wat is overwogen met betrekking tot de in dat rapport beschreven alternatieven. In het plan-m.e.r. zijn twee alternatieven beschouwd. Het voorkeursalternatief dat hieruit volgt komt nagenoeg overeen met het tweede beschouwde alternatief.
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
33
Het voorkeursalternatief is weergegeven in onderstaande verbeelding.
Afbeelding 5.1 Voorkeursalternatief planMER Het voorkeursalternatief (VKA) van de Laarberg als geheel is beoordeeld op basis van de milieueffecten,
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
34
zie tabel 5.1. Te zien is dat de beoordeling van het VKA maar op één punt afwijkt van het alternatief 2. Het natuurcriterium Ecologische Hoofdstructuur (EHS; oftewel Gelders Natuurnetwerk in de Omgevingsvisie Gelderland) wordt beoordeeld als neutraal (0) in plaats van positief. Reden hiervoor is dat de gereserveerde zone langs de zuidzijde van de Leerinkbeek smaller is dan in alternatief 2. De smallere zone is nog wel als een licht positief effect op te vatten, maar het effect is niet groot genoeg voor een '+'. In onderstaande tabel zijn de milieueffecten van de alternatieven en het voorkeursalternatief samengevat aan de hand van een beoordeling. Tabel 5.1: Beoordeling milieueffecten alternatieven en voorkeursalternatief planMER
In het plan-m.e.r. zijn voorwaarden opgenomen voor de realisering van het voorkeursalternatief. Deze voorwaarden zijn overgenomen in de structuurvisie en dit bestemmingsplan en die luiden als volgt: 1. functiegebieden op een verbeelding met bijbehorende milieuzoneringsregels en regels ter waarborging van een adequate externe veiligheidssituatie; 2. fijnafstemming op het gebied van de toelating van bedrijven en stikstofdepositie op Natura2000-gebieden in de omgeving; 3. motivering van het plan ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone; 4. een uitgebreide motivering op het gebied van soortenbescherming, resulterend in het aanvragen (en reeds verkrijgen) van benodigde ontheffingen op grond van de Wet natuurbescherming; 5. functiegebieden op een verbeelding voor de hoofdverkeersstructuur en belangrijke groenvoorzieningen; 6. uitgebreide motivering op grond van de Ladder voor duurzame verstedelijking, mede op basis van een specifieke marktverkenning; 7. regels ter waarborging van een maximale geluidemissie van 70 dB(A)/m²; 8. regels ter waarborging van de beoogde beeld- en landschappelijke kwaliteit; 9. opname van een archeologisch beschermingsregime.
Indien en voor zover relevant voldoet het plan aan het eerder vermelde toetsingsadvies van de Commissie MER, met name voor wat betreft het nader onderzoek naar aantasting natuurlijke kenmerken en de actuele invulling van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
5.2
Bedrijven en milieuzonering
Inleiding Bedrijvigheid kan negatieve effecten met zich mee brengen voor woningen en gevoelige functies in de omgeving. Negatieve effecten kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op geur, geluid, stof en trillingen.
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
35
Daarnaast kunnen woningen nabij bedrijvigheid de ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven belemmeren. Het is daarom wenselijk dat bedrijfsactiviteiten of andere milieubelastende functies op een zekere afstand van woningen en andere hindergevoelige functies worden gesitueerd. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft hiervoor een handreiking opgesteld: de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). In 2019 is de handreiking 'Milieuzonering nieuwe stijl' gepubliceerd. Deze nieuwe handreiking gaat uit van een 'toedelingsprincipe': per bedrijfsmatige activiteit wordt gebruiksruimte opgenomen, die wordt begrensd door concrete milieunormen op een standaard afstand van de activiteit. Toepassing van dit toedelingsprincipe mag om te komen tot een goede ruimtelijke ordening c.q. een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. In plaats van een milieuzonering aan de hand van milieucategorieën en richtafstanden, wordt hierbij gewerkt met een milieuzonering aan de hand van een gebruiksruimte gekoppeld aan milieunormen. Benadrukt wordt dat deze 'ruimtelijke' milieunormen bestaan naast de normen in het milieuspoor. De normen op grond van het Activiteitenbesluit en een eventuele omgevingsvergunning milieu blijven dan ook zelfstandig van kracht. Deze nieuwe VNG-publicatie is een alternatief naast de bestaande VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009.
Van die laatste publicatie wordt in dit bestemmingsplan uitgegaan. Daarin wordt aangegeven hoe door middel van milieuzonering de afstand tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies voldoende blijft. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven op een passende afstand ten opzichte van woningen worden gesitueerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. Niet ieder bedrijf heeft evenveel invloed op de omgeving. In de handreiking worden bedrijfsactiviteiten daarom ingedeeld in zes categorieën. Per milieucategorie zijn richtafstanden opgenomen die aangehouden kunnen worden om hinder te voorkomen. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt in afstanden tot een rustige woonwijk en tot een gebied met een menging van functies. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur. De bedrijvigheid kan volgens de handreiking van de VNG ingedeeld worden in categorieën die lopen van 1 tot en met 6. Hierbij lopen de richtafstanden uiteen van 0 meter tot 1500 meter. Tabel 5.2: Richtafstanden per milieucategorie Milieucategorie Richtafstand tot rustige Richtafstand tot woonwijk (m) gemengd gebied (m) 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 30 50 100 200 300 500 700 1.000 1.500
0 10 30 50 100 200 300 500 700 1.000
Onderzoek In het kader van het PlanMER voor de Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg (Bijlage 8) is onderzoek uitgevoerd naar bedrijven en milieuzonering. Er is sprake is van verspreid liggende woonbebouwing in een buitengebied waar al (agrarische) bedrijvigheid plaatsvindt en niet van een rustige woonwijk, waardoor de richtafstanden tot aan een 'gebied met menging van functies' gehanteerd worden. Voor het ruimtelijk ontwikkelingskader is van belang dat in de directe omgeving (minder dan 100 meter) van Laarberg Noord 2 geen (bedrijfs-)woningen liggen. In beginsel zouden hierdoor kwetsbare objecten binnen plaatsgebonden risicocontouren kunnen komen te liggen. Hierop wordt in paragraaf 5.7 nader ingegaan. Binnen het plangebied zijn bedrijven tot maximaal milieucategorie 4.1 mogelijk. Omdat de kavels al zijn gereserveerd, is duidelijk dat er één bedrijf in die categorie valt. De andere bedrijven vallen in een lichtere milieucategorie. In paragraaf 5.5 wordt gedetailleerd ingegaan op het belangrijkste hinderaspect, namelijk geluid. Vooruitlopend daarop wordt hier reeds geconstateerd dat de geprojecteerde activiteiten
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
36
qua milieuzonering, dus ook qua geluidhinder, inpasbaar zijn. Conclusie Het toestaan van bedrijven uit tot maximaal milieucategorie 4.1 is uit oogpunt van bedrijven en milieuzonering inpasbaar in de omgeving en om die reden aanvaardbaar. Nadere gegevens bij aanvraag vergunning Bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt aan de hand van bedrijfsspecifieke informatie bepaald welke milieucategorie het betreft, waarbij een zwaardere categorie dan 4.1 niet is toegestaan.
5.3
Verkeer
Inleiding Laarberg Noord 2 is gelegen op het regionaal bedrijvenpark Laarberg dat gunstig gelegen en goed bereikbaar is. Via de N18 is aansluiting op het snelwegennetwerk A18, A12 en A35. Een directe aansluiting richting Duitsland ontbreekt. Laarberg is aangesloten op lokale fietsroutes. Deze vormen een goede langzaamverkeersroute voor onder andere woonwerkverkeer voor werknemers uit de nabije omgeving.
Afbeelding 5.2: Hoofdontsluitingsstructuur Laarberg op nieuwe N18, inclusief een indicatieve wegenstructuur voor Laarberg Noord 2. Onderzoek In het kader van het PlanMER voor de Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg (Bijlage 8) is een onderzoek uitgevoerd naar de verkeerseffecten. Voor Laarberg Noord 2 zijn de onderstaande aspecten van belang. Autoverkeer Sinds de ingebruikname van de nieuwe N18 kan het autoverkeer tussen Groenlo en Enschede sneller
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
37
en veiliger worden afgewikkeld. Ook ter plaatse van Laarberg is een nieuw tracé voor de N18 aangelegd. Ten opzichte van de oude N18 ligt deze iets oostelijker. Ter hoogte van het bedrijvenpark Laarberg zijn op- en afritten aangelegd. Door de nieuwe N18 en de bijbehorende op- en afritten is het bedrijventerrein optimaal ontsloten en uitstekend bereikbaar vanuit de regio, zowel vanaf de A1 (via de A35) en A50 (via de A12). Zowel het regionale-, het bestemmings- als het lokale verkeer bereikt het bedrijvenpark via één centrale invalsweg. Het autoverkeer wordt afgewikkeld via het verlengde van de Noordgang en het verlengde van de Zuidgang richting de N18. Het verkeer over de centrale invalsweg rijdt via de rotonde Noordgang – Aproche het bedrijventerrein binnen. Op deze rotonde verdeelt al het verkeer zich over het bedrijventerrein. De rotonde is daarmee maatgevend voor de verkeersafwikkeling op het bedrijventerrein. Onderstaande figuur geeft het plangebied aan in het blauw. De rode cirkel is de locatie van de rotonde Noordgang – Aproche.
Figuur 5.3: Situatie rotonde. De afwikkeling van de rotonde Noordgang – Aproche is bepaald in het kader van het bestemmingsplan onderzoek voor de uitbreiding van het bedrijventerrein Laarberg Noord 2. Er zal een toename van het verkeer zijn bij de rotonde Noordgang – Aproche. Met behulp van de meerstrooksrotondeverkenner is bepaald wat de afwikkeling zal zijn van de rotonde. Er is een beperkte toename van de verzadigingsgraad van 10% tot maximaal 50%. De gemiddelde wachttijd stijgt van zo'n 4 naar 5 seconden en blijft daarmee beperkt. Pas vanaf een verzadigingsgraad van >80% zijn afwikkelingsproblemen te verwachten. Daarmee is er ook na de realisatie van Laarberg Noord 2 sprake van een goede verkeersafwikkeling. Fietsverkeer De structuur van het fietsnetwerk komt grotendeels overeen met het netwerk van het overige verkeer. Het fietsnetwerk voorziet in de utilitaire fietsverbindingen in noord-zuid richting via het oude spoorlijntracé en het tracé van de oude N18 enerzijds en via de Deventer Kunstweg anderzijds. In oost-west richting wordt een verbinding gelegd tussen dit noord-zuidtracé en de Deventer Kunstweg. Hier wordt gedacht aan een vrijliggend fietspad. Hierdoor wordt het mogelijk om dit fietspad deels door de Verbindingszone en deels langs en over de Grolse Linie te situeren.
Dit versterkt het recreatieve karakter van deze route als onderdeel van het regionale recreatieve fietsknooppuntennetwerk. In noordwestelijke richting sluit deze fietsknooppuntenroute aan op de Deventer Kunstweg. Nabij de aansluiting op de N18 bevindt zich knooppunt 50 waarbij de route over het viaduct over de N18 loopt en zich uitsplitst in noordelijke richting via de Wolvenkamerweg en in zuidelijke richting via de Schietbaan.
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
38
Openbaar vervoer Door de ontwikkeling van Laarberg fase 2 is de huidige halte (kruising N18/Vredenseweg) decentraal komen te liggen. Een nieuwe halte moet centraler gesitueerd worden zodat het hele bedrijvenpark Laarberg, inclusief Noord 2, op relatief korte loopafstand van het openbaar vervoer bereikbaar is. De locatie ter plaatse van de entree van het bedrijvenpark en het Groot Hoornwerk biedt daar kansen voor. Conclusie Het verkeer wordt afgewikkeld via de Noordgang, die aangesloten is op de N18. De N18 is goed geschikt voor de hoeveelheid verkeer die door Laarberg fase 2 wordt gegenereerd. De afwikkeling van de rotonde Noordgang – Aproche levert een toename van het verkeer, maar zorgt niet voor afwikkelingsproblemen. Dat betekent dat de verkeerskundige ontsluiting van bedrijvenpark Laarberg aanvaardbaar blijft, ook na ontwikkeling van Laarberg Noord 2.
5.4
Luchtkwaliteit
Inleiding Het Nederlandse wettelijke stelsel voor luchtkwaliteitseisen wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen', van de Wet milieubeheer. Dit wettelijk stelsel wordt ook wel de 'Wet luchtkwaliteit' ('Wlk') genoemd. Uit de 'Wet luchtkwaliteit' volgt dat een voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit inpasbaar is indien in ieder geval aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. Er worden geen grenswaarden voor de luchtkwaliteit overschreden. 2. Er treedt geen verslechtering van de luchtkwaliteit op, of er vindt per saldo verbetering van de luchtkwaliteit plaats door mitigerende maatregelen. 3. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de afzonderlijke concentraties van de componenten NO2 en PM10 veroorzaakt van maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarden van NO2 en PM10. Dit komt overeen met 1,2 µg/m3. 4. De voorgenomen ontwikkeling is onderdeel van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Onderzoek In het kader van het PlanMER voor de Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg (Bijlage 8) is een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit.
In dit onderzoek is de invloed op de luchtkwaliteit en de verkeersaantrekkende werking van de uitbreiding van het bedrijvenpark als geheel bepaald. In het onderzoek is alleen de bijdrage aan de concentratie stikstofdioxide (NO2) in de lucht berekend. De concentratie fijnstof (PM10) is niet berekend aangezien de planbijdrage aan de fijnstofconcentratie veel lager zal zijn dan de bijdrage aan de concentratie NO2. De lage achtergrondconcentratie voor fijnstof geeft ook geen aanleiding om deze lage bijdrage te berekenen. Conclusie Voor zowel stikstofdioxide als fijnstof geldt dat de wettelijke grenswaarden niet overschreden worden als gevolg van de ontwikkeling van Laarberg Noord 2. Daarom is de ontwikkeling van Laarberg Noord 2 uit het oogpunt van luchtkwaliteit aanvaardbaar. Opmerking: voor een nadere motivering uit oogpunt van stikstofdepositie ter plaatse van natuurgebieden zie paragraaf 5.10, onderdeel gebiedsbescherming.
5.5
Geluidhinder
Inleiding De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
39
geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd. Wegverkeerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) artikel 74 hebben alle wegen een geluidzone. Uitzondering hierop zijn woonerven en straten met een maximumsnelheid van 30 km/u. De zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of een weg binnen of buitenstedelijk is gelegen. Voor de bepaling van de maximale vast te stellen geluidbelasting houdt de Wet geluidhinder rekening met de ligging van de geluidgevoelige bestemmingen en wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied gelden over het algemeen minder strenge normen. In het kort komt het er op neer dat het gebied binnen de bebouwde kom behoort tot het stedelijke gebied, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, dat gelegen is binnen de zone van een autoweg of autosnelweg.
In het laatste geval en voor de situatie buiten de bebouwde kom gelden de normen die van toepassing zijn op het buitenstedelijke gebied. Een hoofdweg is, conform deze definitiebepaling van de Wet geluidhinder, altijd gelegen in buitenstedelijk gebied. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en maatregelen gericht op reductie van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn of als deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de geluidbelasting. De gevels van geluidgevoelige bestemmingen kunnen ook worden uitgevoerd als een blinde of dove gevel (conform artikel 1b lid 5 van de Wgh). Hiermee vervalt de verplichting om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde, waarbij een kanttekening wordt geplaatst dat de geluidwering van deze gevels ten minste gelijk dient te zijn aan de hoogte van de geluidbelasting minus de maximale binnenwaarde. Ter anticipatie op het steeds stiller worden van motorvoertuigen mag alvorens te toetsen aan de geldende grenswaarden een aftrek worden toegepast op de berekende geluidbelasting. Deze aftrek bedraagt: 2 dB voor wegen waar de maximumsnelheid gelijk is aan of hoger is dan 70 km/uur; 5 dB voor overige wegen.
Industrielawaai Een industrieterrein is volgens de Wet geluidhinder een terrein waar zich bedrijven kunnen vestigen die genoemd worden in artikel 40 van de Wet geluidhinder en onderdeel D van Bijlage I behorende bij het Besluit omgevingsrecht (de zogenaamde grote lawaaimakers). Op grond van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder is rondom deze terreinen een zone vastgesteld, waarbuiten de etmaalwaarde van het gemiddelde geluidniveau ten gevolge van alle bedrijven op dat terrein niet hoger mag zijn dan 50 dB(A). De zone is een planologisch aandachtsgebied, waarbinnen regels van kracht zijn, die aan zowel industriële activiteiten als aan woningbouw beperkingen opleggen. De ligging en omvang van de zone wordt met dit bestemmingsplan ook niet vastgelegd, omdat daartoe geen aanleiding bestaat vanwege de gering geluidbelasting. Onderzoek In het kader van het PlanMER voor de Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg (Bijlage 8) is een onderzoek uitgevoerd naar geluidhinder. Er is voor een klein deel van het plangebied een geluidszone opgesteld om bedrijven met een aanzienlijke geluidproductie te kunnen vestigen, de zogeheten 'zoneringsplichtige inrichtingen.' Deze geluidszone is bestuurlijk vastgesteld op 30 mei 2017 en is weergegeven in afbeelding 5.3.
Van belang hierbij is dat die geluidszone niet in een bestemmingsplan is opgenomen, met uitzondering van het gedeelte nabij het bedrijf Mueller. Een eerdere versie van de geluidszone is in 2009 wél in zijn geheel opgenomen in een bestemmingsplan, te weten het bestemmingsplan 'Buitengebied 1982 partiële herziening 1 geluidzone'. Overigens is de betreffende geluidszone voor het eerst vastgesteld op 17 februari 2004. Daarnaast is van belang dat de geluidzone gedeeltelijk over het grondgebied van de gemeente Berkelland ligt. In de huidige geluidzone liggen 16 woningen waarvoor hogere grenswaarden van 51 tot 57 dB(A) zijn vastgesteld.
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
40
Binnen dit plan worden geen zoneringsplichtige inrichtingen mogelijk gemaakt. Grote lawaaimakers zijn dus niet toegestaan en een (aanpassing van de) geluidszonering is daarom niet nodig.
Afbeelding 5.3 Huidige geluidzone 50 dB(A) Onderzoek Er is onderzoek verricht naar de inpasbaarheid van het plan op basis van de toegelaten milieucategorieën en de verkeersontsluiting. De resultaten van dit onderzoek zijn beschreven in de rapportage 'Akoestisch onderzoek Bestemmingsplan Laarberg Noord 2' (Arcadis, 2023), dat als Bijlage 2 is opgenomen in deze toelichting. Hierna zijn de conclusies van het onderzoek samengevat. Voor de op het bedrijventerrein Laarberg Noord 2 hoogst toe te laten milieucategorie 4.1 inrichtingen geldt op grond van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ een hinderafstand van 200 meter. De afstand van het bedrijventerrein Laarberg Noord 2 tot de dichtstbijzijnde woning bedraagt circa 230 meter afstand. Hiermee wordt voornoemde hinderafstand voor milieucategorie 4.1 inrichtingen in acht genomen.
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
41
Door de optelling van het geluid van de op bedrijventerrein Laarberg Noord 2 te vestigen inrichtingen kunnen de drie dichtstbijzijnde woningen aan de Eimersweg 5, 5a en 7 een geluidbelasting van 47 dB(A) etmaalwaarde ondervinden bij volledige invulling van bedrijventerrein Laarberg Noord 2 met milieucategorie 4.1 inrichtingen. Bij volledige invulling van bedrijventerrein Laarberg Noord 2 en het aangrenzende gezoneerde industrieterrein Den Sliem/Laarberg ondervinden de drie dichtstbijzijnde woningen aan de Eimersweg 5, 5a en 7 vanwege het gezamenlijke geluid een geluidbelasting van respectievelijk 50, 50 en 48 dB(A) etmaalwaarde. Bij andere woningen in de nabijheid van bedrijventerrein Laarberg Noord 2 is de geluidbelasting vanwege het gezamenlijke geluid 47 dB(A) of lager. Op het bedrijventerrein Laarberg Noord 2 worden geen zoneringsplichtige inrichtingen toegestaan. Het terrein wordt derhalve niet gezoneerd in het kader van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat er geen wettelijke eisen gelden ten aanzien van het gezamenlijke geluid. Voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat ligt het echter wel in de rede om aansluiting te zoeken bij de geluidnormen van de Wet geluidhinder.
De gezamenlijke geluidbelasting vanwege het bedrijventerrein Laarberg Noord 2 en het gezoneerde industrieterrein Den Sliem/Laarberg bedraagt bij twee woningen in de omgeving van het nieuwe bedrijventerrein 50 dB(A) etmaalwaarde. Bij de overige woningen in de nabijheid van het bedrijventerrein Laarberg Noord 2 is de geluidbelasting 48 dB(A) of lager. Bij alle woningen voldoet het gezamenlijke geluid aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) van de (formeel niet van toepassing zijnde) Wet geluidhinder. Hiermee wordt het gezamenlijke geluid aanvaardbaar geacht. Binnen de wettelijke zone van de ontsluitingsroute van het bedrijventerrein Laarberg Noord 2 bevinden zich tot aan de aansluiting op de Twenteroute N18 geen woningen. De eventuele indirecte hinder vanwege de verkeersaantrekkende werking van het bedrijventerrein wordt derhalve aanvaardbaar geacht. Conclusie Ontwikkeling van het bedrijventerrein Laarberg Noord 2 is uit het oogpunt van geluidhinder naar de omgeving planologisch aanvaardbaar. Er is geen nadere besluitvorming (zoals een hogere waardebesluit) of specifieke borging in de regels nodig. Nader onderzoek bij vergunning Het is mogelijk dat, afhankelijk van de aard en locatie van de bedrijfsvoering, in de omgevingsvergunning aandacht moet worden besteed aan geluidproductie en geluidbeperkende maatregelen.
Het is mogelijk dat in dat verband nadere informatie of onderzoek nodig is om bijvoorbeeld voorzieningen aan te geven of kwaliteiten te kunnen waarborgen.
5.6
Geurhinder
Inleiding Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken en brengt om die reden ook gezondheidsrisico's met zich mee. Bij geur van bedrijven gaat het om de geuruitstoot (emissie) van bedrijven die zich verspreidt via de lucht en een geurbelasting veroorzaakt op de woon- en leefomgeving. Onder geurbelasting (of 'immissie') verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht, die op een geurgevoelig object zoals een woning 'terecht' komt. Deze hoeveelheid kan worden gemeten of berekend. Onderzoek Er treden naar verwachting geen relevante effecten op van nieuwe bedrijven binnen het plangebied met een geuremissie op de omgeving van het plangebied. Bij vestiging van nieuwe bedrijven met een geuremissie binnen het plangebied kan het leefklimaat in de directe omgeving en in het plangebied lager worden door een mogelijk hogere cumulatieve geurbelasting. De voorgestelde milieuzonering voorziet op hoofdlijnen echter in voldoende afstand tussen hinderproducerende en hindergevoelige functies. Specifiek voor de ontwikkeling Laarberg Noord 2 geldt dat de beoogde ontwikkelingen (met onder andere bedrijven tot en met milieucategorie 4.1) geurrelevante activiteiten kunnen zijn. Volgens de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor bedrijven tot en met categorie 4.1 een richtafstand
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
42
van maximaal 200 meter voor geurhinder. Omdat hier sprake is van verspreid liggende woonbebouwing in een buitengebied waar al (agrarische) bedrijvigheid plaatsvindt en niet van een rustige woonwijk, mogen de richtafstanden tot aan een 'gebied met menging van functies' gehanteerd worden. Dit betekent dat bij een categorie 4.1 een richtafstand van minimaal 100 meter gehanteerd wordt. De dichtstbij liggende geurgevoelige objecten liggen op ruim 100 m van de grens met het plangebied. Conclusie Er is geen sprake van (onaanvaardbare) geurhinder. Voor de bedrijven zal in het kader van de milieuvergunning (of de algemene regelgeving op het gebied van milieuhinder) altijd een nadere toetsing plaatsvinden. Wanneer blijkt dat niet aan de geldende geurnormen wordt voldaan, moet het plan worden aangepast of moeten emissiebeperkende maatregelen worden getroffen volgens de 'best beschikbare technieken' (BBT) om geurhinder op de omgeving te beperken.
5.7
Externe veiligheid
Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's voor de omgeving vanwege het gebruik, de productie, opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het kader van de externe veiligheid dient, in het geval van een verandering bij de risicobron of in de omgeving daarvan een afweging te worden gemaakt over de externe veiligheidssituaties. In de volgende besluiten en circulaires zijn risiconormen opgenomen die relevant zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid bij het vaststellen van een bestemmingsplan: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit besluit zijn de risiconormen voor risicovolle inrichtingen weergegeven. 2. Circulaire Risiconomering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Circulaire Rnvgs). De Circulaire Rnvgs is van toepassing op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en binnenwater. 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevb zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen opgenomen. 4. Vuurwerkbesluit. In het vuurwerkbesluit zijn voor de opslag van consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk veiligheidsafstanden vastgesteld. 5. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidsafstanden opgenomen voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik.
Conclusie Het plan is uit oogpunt van externe veiligheid planologisch aanvaardbaar en uitvoerbaar. Nader onderzoek bij vergunning Het is mogelijk dat, afhankelijk van de aard en locatie van de bedrijfsvoering, in de omgevingsvergunning aandacht moet worden besteed aan externe veiligheidsaspecten, zoals zelfredzaamheid en bluswatervoorzieningen. Het is mogelijk dat in dat verband nadere informatie of onderzoek nodig is om bijvoorbeeld voorzieningen aan te geven of kwaliteiten te kunnen waarborgen.
5.8
Bodemkwaliteit
Inleiding Door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens kan inzicht worden verkregen in de bodemkwaliteit in het plangebied. Dat inzicht is nodig om te bepalen of de bodem geschikt is - of geschikt te maken is - voor nieuwe functies. Ook voor omgevingsvergunningen voor het bouwen is onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Bouwwerkzaamheden mogen pas beginnen als de bodem geschikt is - of geschikt is gemaakt - voor het beoogde doel. Daarom moet bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, moet aanvullend onderzoek plaatsvinden. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, moet vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of moet de omgevingsvergunning worden geweigerd.
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
43
Onderzoek Ten behoeve van de ontwikkelingen op bedrijvenpark Laarberg zijn er verschillende (complementaire) bodemonderzoeken uitgevoerd (Bijlage 3). Voor het plangebied zijn de volgende onderzoeken relevant (maar niet uitsluitend): Verkennend bodemonderzoek Ruiterpad ong. (kadastraal GROEN-LO, F, 13) (11304.006B, d.d. 7 april 2021); Actualiserend/verkennend bodemonderzoek RBT Laarberg (kavel Redan) (11304.001A, d.d. 2 april 2020); Verkennend/Actualiserend (water)bodemonderzoek RBT Laarberg Noord (11304.006A, d.d. 28 april 2021). Verkennend bodemonderzoek Ruiterpad ong. (kadastraal GROEN-LO, F, 13) Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de locatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "grootschalig onverdacht" (ONV-GR). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. In figuur 5.4 is de onderzoekslocatie weergegeven.
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
44
Figuur 5.4: Onderzoekslocatie Verkennend bodemonderzoek Ruiterpad ong. (kadastraal GROENLO, F, 13). Actualiserend/verkennend bodemonderzoek RBT Laarberg (kavel Redan) RD-O1: Openbaar terrein noord (RD-ON) en Kavel RD-1 Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht kan worden volgens een eigen strategie, gericht op het verkrijgen van een actueel beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bovengrond, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de locatie “onverdacht” is. Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is.
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
45
Zintuiglijk zijn in de bovengrond geen verontreinigingen aangetroffen. In de bovengrond zijn geen verontreinigingen zijn aangetoond. PFAS is eveneens niet boven de Achtergrondwaarde aangetoond. Het grondwater is gezien de doelstelling van het onderzoek niet onderzocht. RD-OZ: Openbaar terrein Zuid Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient worden volgens de strategie “Onverdacht, niet lijnvormig”. Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Zintuiglijk zijn in de grond geen verontreinigingen aangetroffen. In de boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen zijn aangetoond. PFAS is eveneens niet boven de Achtergrondwaarde aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met metalen (barium en cadmium), naar alle waarschijnlijkheid zijnde natuurlijk verhoogde achtergrondconcentraties. Gelet op het regionale karakter van de lichte metaalverontreinigingen in het grondwater en het ontbreken van verontreinigingen in de grond kan de onderzoekslocatie als "onverdacht" ten opzichte van haar omgeving worden beschouwd. Met het oog op ontwatering en lozing van het vrijkomende water op oppervlaktewater kan worden gesteld dat de concentraties aan onopgeloste bestanddelen de lozingsnorm van 50 mg/l (Besluit lozen buiten inrichtingen) in ruime mate overschrijden.
In figuur 5.5 is de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 5.5: Onderzoekslocatie Actualiserend/verkennend bodemonderzoek RBT Laarberg (kavel Redan). Verkennend/Actualiserend (water)bodemonderzoek RBT Laarberg Noord Gelet op het regionale karakter van de lichte tot sterke metaalverontreinigingen in het grondwater en
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
46
het nagenoeg ontbreken van verontreinigingen in de grond/grondwater kan de onderzoekslocatie als "onverdacht" ten opzichte van haar omgeving worden beschouwd. Er bestaat op basis van de onderzoeksresultaten geen aanleiding voor een nader onderzoek en er bestaan met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem dan ook géén belemmeringen voor de transactie en herontwikkeling van de onderzoekslocatie. In figuur 5.6 is de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 5.6: Onderzoekslocatie Verkennend/Actualiserend (water)bodemonderzoek RBT Laarberg Noord. Conclusie De onderzochte locaties vormen geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling van Laarberg Noord 2. Nader onderzoek bij vergunning Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet worden aangetoond dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Dat is met name van belang bij een gedeelte van het westelijk deel van het bedrijventerrein, waar een smalle strook ten westen van het natuurbosje nog niet is onderzocht. Op basis van de resultaten van het aangrenzend onderzocht gebied worden hier echter geen significante verontreinigingen verwacht.
5.9
Water
Inleiding In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
47
Onderzoek Voor de uitbreiding van het bedrijvenpark Laarberg is in het kader van het Masterplan 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg' de watertoets (Civicon BV, 2011) doorlopen. In 2021 is de watertoets geactualiseerd. In 2024 heeft er een nieuwe actualisatie plaatsgevonden (Bijlage 4: Civicon BV, d.d. 20-02-2024, kenmerk: R01-2022-044-D01) voor het gebied Laarberg Noord 2. De toets geeft aan wat de gevolgen zijn voor het ruimtelijke plan voor de waterhuishouding in en rond het plangebied. De maatregelen die nodig zijn om de waterhuishouding op orde te hebben en te houden in het plangebied zijn afgestemd met het waterschap. Dat deze op een juiste manier worden toegepast wordt geborgd in het waterhuishoudings- en rioleringsplan dat in samenwerking met het waterschap is uitgewerkt. Huidige situatie plangebied Binnen en nabij Laarberg Noord 2 zijn meerdere oppervlaktewaterlichamen aanwezig. 1. Leerinkbeek; 2. Afwatering van Heideblom; 3. Retenties Laarberg Noord 2: a. Retentie oost, Groot Hoornwerk; b. Retentie west, Solarpark; Aan de noordzijde van het plangebied loopt de Leerinkbeek. Deze beek is onderdeel van een natte ecologische verbindingszone (heringericht in 2007). Aan de zuidzijde loopt de Afwatering van de Heideblom. In het plangebied liggen diverse retentiewateren voor de opvang van hemelwater.
Naast het oppervlaktewater zijn het verloop van het maaiveld, de bodemopbouw en de grondwaterstanden in grote mate bepalend voor de waterhuishouding. De maaiveldhoogte van het voorliggend plangebied Laarberg Noord 2 verloopt van circa 20,70 tot 23,00 m +NAP. Het oostelijke deel is hoger gelegen. De bodem van het plangebied bestaat uit een veldpodzolgrond. Deze bodem bestaat globaal uit leem arm en zwak lemig fijn zand. Daarnaast hebben deze gronden hydromorfe kenmerken hoog in het bodemprofiel, wat betekent dat de grondwaterstand relatief hoog is. De bodem rondom de Leerinkbeek is een beekeerdgrond. Beekeerdgronden bestaan over het algemeen uit lemig fijn zand. Het Rijks-, provinciaal en gemeentleijk beleid omtrent water is dat er zo veel mogelijk vastgehouden moet worden door infiltratie in de bodem. Daar waar dat onvoldoende mogelijk is, dient het water zo veel mogelijk geborgen te worden in retentievoorzieningen. Pas als ook dat niet toereikend is, komt het afvoeren van hemelwater in beeld. Met name voor het vasthouden en bergen van water is ruimte noodzakelijk en ligt er een sterk verband met het stedenbouwkundig plan. De infiltratiemogelijkheden worden op hoofdlijnen bepaald door: • de doorlatendheid van de bodem; • de optredende grondwaterstanden. De haalbaarheid van het infiltreren van hemelwater is afhankelijk van de doorlatendheid van de bodem.
Voor het creëren van infiltratievoorzieningen is een doorlatendheid van minimaal 0,5 m/dag nodig. Na verloop van tijd zal de doorlatendheid echter afnemen als gevolg van verontreinigingen, slibvorming, etc. Derhalve wordt bij voorkeur een minimale doorlaatfactor aangehouden van 1,0 m/dag. Op 2 mei 2012 is door Econsultancy een geohydrologsich onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat de K-waarde van het plangebied varieert tussen 0,5 en 1,0 m/dag. Dit betekent dat de doorlatendheid van de bodem voldoende is om hemelwater te infiltreren. Het verloop van de grondwaterstand in het gebied is groot. Om een beter inzicht te krijgen in de grondwaterstanden binnen het plangebied, is in juli 2023 een automatisch grondwatermeetnet aangebracht. De watergangen rondom het plangebied, de Leerinkbeek en de Afwatering van Heideblom, zijn van invloed op de grondwaterfluctuatie in het plangebied. Daarom kan de grondwaterstand in het plangebied afwijken van de grondwaterstand van de peilbuizen, die op grotere afstand van de watergangen liggen. De meetperiode van het nieuwe grondwatermeetnet is nog kort. De grondwaterstand van 21 september 2023 is vergeleken met de grondwaterstand van bestaande peilbuizen, buiten de planlocatie. De grondwaterstanden in het plangebied verlopen van 21,66 m +NAP tot 20,22 m +NAP.
De maatgevende grondwaterstanden worden in de verdere uitwerking op basis van de gegevens van het grondwatermeetnet geactualiseerd.
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
48
Op basis van de verontreinigingscontouren van de Omgevingsdienst Achterhoek, kan geconcludeerd worden dat in het plangebied geen bodem- of grondwaterverontreiniging aanwezig is. Watertoets Inleiding In het kader van de watertoets is, zoals hiervoor is aangegeven, een watertoetsrapportage opgesteld en beoordeeld door het waterschap. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten. Hierbij kan gedacht worden aan: beheer en onderhoud, veiligheid, klimaatadaptatie (wateroverlast), waterkwaliteit, afvalwaterketen, grondwaterbeheer en recreatie en beleving. De waterbeheerder stelt criteria in overleg met de initiatiefnemer vast. Het doel van de watertoets is het vroegtijdig en gezamenlijk vastleggen van de waterhuishoudkundige doelen en maatstaven (criteria). Beschrijving bouwplan en verhard oppervlak De ontwikkeling voorziet in de nieuwbouw van een aantal bedrijfskavels en de daarbij behorende infrastructuur, zoals wegen. Daarnaast biedt de ontwikkeling ruimte voor brede groene bermen langs de wegen. De exacte locaties van de kavels en wegen wordt in een later stadium nader bepaald, dit is mede afhankelijk van de toekomstige kavelindelingen. Het nieuw verhard oppervlak is circa 147.500 m2. Hierbij is onderscheid gemaakt in het dakoppervlak, de terreinverharding en de wegen. Voor de kavels is uitgegaan van een maximaal verhardingspercentage van 90%.
Voor het dakoppervlak is 60% van het verharde deel van het kaveloppervlak aangehouden. Het terreinoppervlak bedraagt hiermee 40% van het verharde deel van het kaveloppervlak. Deze verdeling tussen terreinverharding en dakoppervlak zijn ook aangehouden bij het eerder opgestelde rioleringsplan (Civicon BV, met kenmerk R01-2012-075-D01, d.d. 18-11-2013). Beheer en onderhoud (en inrichting) De voorgenomen ontwikkelingen mogen geen belemmering vormen voor het reguliere beheer en onderhoud van het watersysteem. De inrichting van- of aanpassingen aan het watersysteem worden in overleg met het waterschap bepaald. Het oppervlaktewaterpeil van de bestaande retenties wordt binnen gewenste of vastgestelde marges gehandhaafd. Klimaatadaptatie (wateroverlast) Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak toe met 147.500 m2. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar de RWZI, maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Het dakwater wordt middels een hemelwaterriool verzameld en afgevoerd naar de bestaande retenties. Het terreinwater en het water van de wegen wordt middels een bodempassage in de vorm van wadi’s op de retenties geloosd. De verschillende retenties hebben een overstort op de A-watergangen. Binnen het plangebied zijn verschillende groenstroken aanwezig.
Bij de nadere uitwerking wordt bekeken of deze groenstroken ingezet kunnen worden als waterberging. Tevens wordt bij de uitwerking gekeken of eigen berging op de kavels mogelijk is. In extreme situaties zou bui T=100+10% (80 mm) tot aan maaiveld of op maaiveld geborgen moeten kunnen worden zonder dat er waterschade optreedt. Hierbij wordt voorgesteld rekening te houden met infiltratieverlies tijdens de bui. De infiltratiewaarde en maximale duur van de infiltratie wordt in overleg met het waterschap vastgesteld. Er wordt voorgesteld te rekenen met een maximale infiltratie van 0,5 m/dag gedurende 12 uur. Volgens de stresskaarten is het gebied (in theorie) onderhevig aan wateroverlast. Hoe deze overlast ontstaat, hoe hiermee om gegaan kan worden, wordt nader beschouwd bij de uitwerking van de plannen (waterhuishoudings- en rioleringsplan). Waterkwaliteit (schoon water) Vanuit het plangebied wordt het hemelwater van terreinverhardingen en wegen via een bodempassage in de vorm van wadi’s geloosd op het oppervlaktewatersysteem (zie ook wateroverlast). Het plan maakt
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
49
geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Afvalwaterketen Ten gevolge van de ontwikkeling is er sprake van een toename van het afvalwater. Voor het afvalwater wordt uitgegaan van 0,2 l/s/ha over het bruto oppervlak (Kennisbank Stedelijk Water). Het bruto oppervlak van de ontwikkeling bedraagt 21,4 ha. Hiermee wordt een toename van de vuilwaterbelasting van 15,4 m³/uur verwacht. Vooralsnog wordt er vanuit gegaan dat het bestaande vuilwaterstelsel en het bestaande gemaal, inclusief persleidingen, deze toename kan verwerken. Dit dient nader uitgewerkt te worden, in overleg met het waterschap. Grondwaterbeheer In het plangebied bevinden zich slecht doorlatende lagen. Om grondwateroverlast in de toekomstige situatie te voorkomen, wordt aanbevolen om slecht doorlatende lagen en verdichtte lagen te doorbreken met bijvoorbeeld verticale zandsleuven. Om verdroging zo veel als mogelijk te verminderen wordt de neerslag in het plangebied zo veel als mogelijk lokaal in de bodem geïnfiltreerd. Het plangebied maakt geen functies mogelijk die de kwaliteit van het grondwater negatief kunnen beïnvloeden. Conclusie Uit de watertoets blijkt dat er ruimtelijke consequenties zijn met betrekking tot water gerelateerde zaken. Dit leidt echter niet tot ruimtelijke knelpunten.
In hoofdstuk 5 van de watertoets wordt concreet inhoud gegeven aan het voornemen een duurzaam watersysteem op de locatie te realiseren. Daarmee is Laarberg Noord 2 met het oog op water gerelateerde zaken uitvoerbaar. Nader onderzoek bij vergunning Het ruimtelijk kader is uit planologisch opzicht voldoende afgestemd op de waterbelangen in het gebied. Het kan echter nodig zijn dat een initiatiefnemer nadere vergunningen op het gebied van de waterhuishouding moet aanvragen, afhankelijk van de bedrijfsvoering en/of het bouwplan. Een dergelijke vergunning moet (meestal) bij de gemeente of bij het waterschap worden aangevraagd.
5.10
Ecologie
Inleiding Wettelijk kader De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Per 1 januari 2017 is de nieuwe natuurwet "Wet natuurbescherming" (hierna Wnb) in werking getreden. In deze nieuwe wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en Boswet in één wet geïntegreerd, waarmee de afzonderlijke wetten komen te vervallen. De belangrijke wijzigingen zijn de verwijdering van de beschermde natuurmonumenten uit de wet, wijzigingen in de lijst van beschermde soorten van de Flora- en faunawet en verschuiving van verantwoordelijkheden van het Rijk naar de provincie. Ten aanzien van de Boswet zijn er geen wijzigingen. Soortenbescherming De Wnb heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen, gebiedsbescherming als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen.
Er bestaan drie beschermingsregimes voor drie verschillende groepen van beschermde soorten. Voor de algemeen beschermde soorten geldt een algemene ontheffing voor ruimtelijke ingrepen. Ook voor de overige beschermde soorten is ontheffing mogelijk, mits wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode. Voor strikt beschermde soorten kan enkel afgeweken worden na een uitgebreide toetsing.
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
50
Gebiedsbescherming Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde monumenten en staatsnatuurmonumenten. Een belangrijk onderdeel van de Wnb is dat er geen vergunning gegeven mag worden voor handelingen of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de kwaliteit van de habitats van soorten, waarvoor een gebied is aangewezen. Wanneer niet op voorhand uitgesloten kan worden dat er schadelijke effecten kunnen optreden, dan dient de initiatiefnemer een 'passende beoordeling' te maken. Dat betekent een onderzoek naar alle aspecten van het project en welke gevolgen die kunnen hebben voor datgene wat bescherming geniet. Natuuronderzoeken In het kader van het PlanMER voor de Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg zijn verschillende natuuronderzoeken uitgevoerd. Deze - separaat beschikbare - onderzoeken, die de gehele voorziene uitbreiding van bedrijvenpark Laarberg in beschouwing nemen, vormen in belangrijke mate de onderbouwing op het aspect ecologie. Onderzoek soortenbescherming Wet natuurbescherming In 2021 is een update van het natuuronderzoek uitgevoerd in het plangebied.
Het doel van dit onderzoek was om te inventariseren of door de geplande werkzaamheden schade kan ontstaan aan populaties van beschermde soorten flora en/of fauna, en hoe eventuele schade beperkt of gecompenseerd kan worden. De huidige wetgeving verlangt een gedegen en actueel onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die Wet natuurbescherming (Wnb) een plannenmaker oplegt. Inventarisaties Gebiedsonderneming Laarberg is verantwoordelijk voor de uit te voeren activiteiten en gaat voldoen aan haar zorgplicht in het kader van de Wnb. Het eerste flora- en faunaonderzoek is in 2010 uitgevoerd en geactualiseerd in 2014. In 2017 is een aanvullend natuuronderzoek (veldonderzoek) uitgevoerd, gericht op het voorkomen van beschermde planten, vleermuizen, vaste rust- en verblijfplaatsen van matig en streng beschermde zoogdieren en broedvogels, waaronder vogels waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd. In 2020 is opnieuw onderzoek gedaan (Staring Advies, rapportnummer 2155: 'Update aanvullend natuuronderzoek Regionaal Bedrijventerrein Laarberg in Groenlo’).
Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat is gebleken dat er voor het plangebied sprake is van verstoring van (essentieel) foerageergebied en vliegroutes van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger, verstoring van vaste verblijfplaatsen (zomer- en paarverblijfplaats) van de gewone dwergvleermuis, mogelijke verstoring van een vaste verblijfplaats (zomerverblijfplaats) van de gewone grootoorvleermuis, en mogelijke verstoring van verblijfplaatsen, foerageergebieden en verbindingszones van bunzing en wezel door het kappen van bomen, aanleg van infrastructuur en bouwwerkzaamheden. Ter behoud van de lokale populatie en bescherming van individuen is een activiteitenplan opgesteld (Bijlage 5: Staring Advies, Rapportnummer 4187, d.d. 18 juni 2021) voor deze soorten, aangezien (essentiële) onderdelen van de functionele leefomgeving van vleermuizen en kleine marterachtigen beschermd zijn. Analyse flora Bij de geplande ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de aangetroffen beschermde plantensoorten en het nemen van mitigerende of compenserende maatregelen is voor de aangetroffen plantensoorten niet noodzakelijk.
Bunzing en wezel Tijdens de werkzaamheden in het plangebied waar vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen, en het bijbehorend functioneel leefgebied (foerageergebied en verbindingszone), zich bevinden, is mogelijk tijdelijk sprake van verlies aan vaste rust- en verblijfplaatsen (bunzing) en geschikt habitat (bunzing en wezel). Ook is mogelijk sprake toenemende risico op verkeersslachtoffers en van verstoring van individuen door geluid, trillingen, menselijke aanwezigheid etcetera. Er worden mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen, zoals opgenomen in het activiteitenplan (Bijlage 5).
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
51
Analyse vleermuizen Door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen verdwijnen er geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Verstoring op foerageergebieden en vliegroutes door (met name) licht- en geluidhinder is op voorhand niet geheel uit te sluiten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is verleend. Om verstoring op essentieel foerageergebied en vliegroute van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger langs de Holtkampsweg, door de ruimtelijke ontwikkeling te compenseren wordt de kwaliteit van het bestaand foerageergebied en vliegroute versterkt. Daarnaast worden mitigerende maatregelen getroffen conform het activiteitenplan (Bijlage 5). Conclusie onderzoek soortenbescherming De ontwikkeling van dit plan is voor wat betreft het aspect soortenbescherming uitvoerbaar. Een ontheffing is verleend vanwege de (mogelijke) verstoring van het leefgebied van kleine marterachtigen en de vleermuizen. In het activiteitenplan (Bijlage 5) zijn maatregelen behandeld om negatieve effecten op de binnen het plangebied aangetroffen soorten bunzing, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en wezel te vermijden of zoveel mogelijk te verminderen. Onderzoek Gebiedsbescherming Inleiding Ter plaatse van het plangebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig.
Het onderzoek in het kader van de gebiedsbescherming is daarom gericht op effecten op beschermde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied. Het gaat daarbij vooral om Natura 2000-gebieden. Bedoeld onderzoek omvat meerdere studies en onderzoeken die, samen beschouwd, het vereiste actuele inzicht bieden in de effecten van dit plan op natuurgebieden. Het betreft de volgende studies en onderzoeken (met verwijzingen): 1. PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg (augustus 2013), inclusief 2. Passende Beoordeling, inclusief stikstofdepositieberekeningen (augustus 2013); Hierna wordt een samenvatting gegeven van deze studies en onderzoeken. Deze informatie, die voor wat betreft de algemene inhoud op dit moment nog steeds actueel is, wordt op het punt van stikstofberekeningen geactualiseerd op basis van een Stikstofnotitie (Bijlage 6). Inventarisatie Het plangebied ligt op enige afstand van een aantal Natura 2000-gebieden: 1. Zwillbrockervenn & Ellewickerveld en vogelrichtlijngebied (5 km); 2. Korenburgerveen (7 km); 3. Stelkampsveld (10 km); 4. Buurserzand en Haaksbergerveen (10 km). Verderweg gelegen gebieden zijn onder andere Bekendelle (13 km), Willinks Weust (14 km), Lüntener Fischteich und Ammeloer Venn (14 km), Witte Venn en Krosewicker Grenzwald (14 km) en Witte veen (14 km).
In deze gebieden zijn doelstellingen geformuleerd voor een aantal soorten en habitattypen van hoogvenen, heiden, schrale graslanden, stuifzanden en bossen. Het Zwillbrockervenn & Ellewickerveld is ook aangewezen voor de Vogelrichtlijn. Dit Vogelrichtlijngebied heet 'Vogelschutzgebied Moore und Heiden des westlichen Münsterlandes' en omvat onder andere het habitatrichtlijngebied Zwillbrockervenn & Ellewickerveld. Gezien de aard en omvang van de verwachte effecten van de ontwikkeling van Laarberg Noord, richt de passende beoordeling zich op de vier dichtstbijgelegen Natura 2000-gebieden Zwillbrockervenn, Korenburgerveen, Stelkampsveld en Buurserzand & Haaksbergerveen. Passende beoordeling In de passende beoordeling bij het PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg (Royal HaskoningDHV, augustus 2013) is de stikstofdepositie ten gevolge van de industriële activiteit en de verkeersaantrekkende werking van het regionaal bedrijvenpark Laarberg als geheel bepaald. Op de Natura 2000-gebieden (Korenburgerveen, Stelkampsveld, Buurserzand & Haaksbergerveen) is, zo blijkt uit onderzoek, met de beoogde bedrijvigheid geen sprake van een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie, zodat op voorhand is uitgesloten dat dit een significant negatief
Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Noord 2
52
effect veroorzaakt. Stikstofbeoordeling 2023 plangebied Laarberg Noord 2 De aanleiding voor deze beoordeling, in aanvulling op de reeds verrichte onderzoeken is tweeledig. Enerzijds zijn er regelmatig ontwikkelingen inzake de staat van Natura2000-gebieden. Anderzijds zijn er regelmatig ontwikkelingen op het gebied van regelgeving voor stikstofdepositie. Op basis van de berekening met AERIUS Calculator versie 2023.1 (uitgevoerd in maart 2024) is geen toename in stikstofdepositie berekend (0,00 mol N/ha/j) voor de aanlegfase. De berekening is toegevoegd als Bijlage 7. Op basis van deze berekening kan worden geconcludeerd dat de emissies als gevolg van de bouwwerkzaamheden en het wegverkeer geen significant negatieve effecten op de natuurwaarden van de omliggende Natura 2000-gebieden hebben. Er is daarmee geen vergunningplicht in het kader van stikstofdepositie voor dit project. Tot slot wordt hierbij opgemerkt dat het gebied op dit moment nog steeds actief in gebruik is als landbouwgrond. Dit gebruik wordt (en kan worden) voortgezet tot het moment dat de feitelijke aanleg van het bedrijventerrein begint. Gelders Natuurnetwerk (GNN) Ten noorden van het plangebied loopt de Leerinkbeek. Deze beek is onderdeel van een natte ecologische verbindingszone (heringericht in 2007).
Een smalle zone rond de Leerinkbeek, in de nabijheid van het plangebied, is aangewezen als Gelders Natuurnetwerk. Daar omheen ligt een ruime zone die in de omgevingsvisie van Gelderland is begrensd als Groene Ontwikkelingszone. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier mogelijk, maar er moet ook gestreefd worden om de "samenhang tussen natuurgebieden te bevorderen, het functioneren als netwerk te versterken en overgangen tussen natuurbestemmingen en andere functies te zoneren". In paragraaf 3.4 is reeds uitvoerig op dit aspect ingegaan. Conclusie De ontwikkeling van Laarberg Noord 2 is aanvaardbaar, de individuele ontwikkelingen binnen dit plan zijn recentelijk getoetst op het aspect gebiedsbescherming (met name voor wat betreft de stikstofdepositie). Voor wat betreft soortenbescherming wordt het (jaarrond) onderzoek jaarlijks herhaald, de resultaten daaruit kunnen gebruikt worden bij individuele ontwikkelingen. Nader onderzoek bij vergunning De Wet natuurbescherming kent een zelfstandige werking én onderzoeksgegevens op het gebied van natuurbescherming zijn beperkt geldig. Het is daarom vrijwel altijd nodig dat bij aanvraag van een omgevingsvergunning, die de bouw en ingebruikname van een bedrijfsgebouw mogelijk maakt, een (nieuw) onderzoek vanwege gebiedsbescherming (Aeriusonderzoek) wordt uitgevoerd.