CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp hof aan de dijkstraat

Raadscommissie 28 april 2021, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat’29.505 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Toelichting (vastgesteld)

27

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat

Hoofdstuk 4

Uitvoeringsaspecten

4.1

Archeologie en Cultuurhistorie

4.1.1

Wettelijk kader

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2019 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart.

Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient direct door te werken in het bestemmingsplan. Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied. Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld. 4.1.2

Situatie plangebied

4.1.2.1 Archeologie Zoals in paragraaf 1.4 heeft het plangebied in het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' en 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 3'. Het betreft een doorvertaling van de archeologische beleidskaart van gemeente Oost Gelre. Het grootste deel van het plangebied ligt in een gebied met AWV categorie 6 (geomorfologische eenheden met een plaggendek, gebieden met een hoge archeologische verwachting) en de zuidelijke en oostelijke rand van het plangebied ligt in een gebied met AWV categorie 10 (gebieden met een lage archeologische verwachting, verhoogde kans op archeologische off-site resten mogelijk goed geconserveerd; beekdalen). Aangezien het gebied met een lage verwachting grenst aan een gebied met een hoge verwachting kan het gezien worden als een hoge verwachting, aangezien de kans groot is dat er off-site resten van de hooggelegen delen aanwezig kunnen zijn. Het plangebied heeft dus een hoge verwachting en er geldt daarom een verplichting voor onderzoek als de 100 m² en de diepte van 30 cm-mv voor bodemingrepen wordt overschreden. Daarnaast dient getoetst te worden of in het plangebied sprake is van de oude aanvoer van de Hofgracht (Verlengde van de Hofstraat.). Op basis van historische kaarten kon dit niet in voldoende mate vastgesteld worden.

Hamaland Advies heeft ten behoeve van de ontwikkeling een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd binnen het plangebied met een oppervlakte van ca. 5.200 m2. Hieronder

28

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat worden de resultaten van het bureauonderzoek en booronderzoek weergegeven. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 1. Bureauonderzoek Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied deels op een dekzandrug of -kop ligt en deels in een beekdal. Deze landschapsdelen worden respectievelijk bedekt met enkeerdgronden en beekeerdgronden. Op de enkeerdgronden is waarschijnlijk een esdek aanwezig wat dikker is dan 50 cm. Voor het deel van het plangebied op het dekzand geldt een hoge verwachting voor alle archeologische periodes en voor de delen in het beekdal geldt in principe een lage verwachting, maar aangezien het grenst aan een gebied met een hoge verwachting kan het gezien worden als een hoge verwachting, aangezien de kans groot is dat er off-site resten van de hooggelegen delen aanwezig kunnen zijn. Voor het hele plangebied geldt dus een hoge verwachting voor archeologische resten uit alle periodes, met de focus op off-site activiteiten voor de oostelijke en zuidelijk rand van het plangebied. In tabel 2 van de onderzoeksrapportage de archeologische verwachting gedetailleerd weergegeven. Uit het cartografische onderzoek blijkt dat het plangebied vanaf de 17de eeuw bebouwd is geweest en dat de huidige gebouwen onderkelderd zijn.

Dit betekent dat het deel van het plangebied wat bebouwd is volledig verstoord is. De rest van het plangebied is nooit bebouwd geweest dus de kans is aanwezig dat er nog archeologische resten aanwezig zijn binnen dat deel van het plangebied. Onderzocht moet worden of de bodem in dit deel van het plangebied inderdaad nog intact is. Booronderzoek Uit de resultaten van het verkennend booronderzoek blijkt dat de basis van het bodemprofiel bestaat uit fijn dekzand van de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Wierden). De top van het dekzand is aangetroffen op een diepte variërend van 75 cm-mv (boring 9) tot 90 cm-mv (boring 13). Op basis van eerdere onderzoeken en de resultaten van het bureauonderzoek werd de intacte top van het dekzand op 50 cm-mv verwacht. Dit betekent dat circa 40 cm van het oorspronkelijke dekzandpakket verdwenen is, vermoedelijk bij de aanleg van het parkeerterrein. Het dekzandpakket wordt afgedekt door een 75 cm tot 90 cm dik pakket grof zand met kiezels, grind en soms wat modern bouwpuin. Het plangebied is verhard met betonklinkers. Ter plaatse van boring 1 t/m 8 is onder de subrecente grove zandophoging sprake van de oude beekloop die in het verleden de Hofgracht gevoed heeft. De beekvulling is aangetroffen vanaf een diepte van 86 cm-mv (boring 8) tot een maximale diepte van 205 cm-mv (boring 2).

De vulling van de beek bestaat uit grijs/gele gevlekte sterk zandige en lemige klei (Formatie van Singraven) met brokken zwart veraard veen. In boring 2 bestaat de vulling van de voormalige beek (tussen 145 cm-mv en 205 cm-mv) volledig uit bruin iets veraard veen met wat puinspikkels. Dit duidt erop dat de beek op een gegeven moment 'verland' is. De beekvulling is in de gehele boorraai (1 t/m 8) aanwezig. De randen van de beek konden niet onderzocht worden, doordat de boringen gezet zijn tot aan de wegvakken, waarin kabels en leidingen aanwezig zijn. Selectieadvies Alleen ter plaatse van de voormalige beekloop (zie bijlage 3 van de onderzoeksrapportage) is vervolgonderzoek noodzakelijk, indien de bodemingrepen dieper reiken dan de top van de beekvulling (86 cm-mv). In dat geval adviseert Hamaland om de geplande bodemingrepen archeologisch te laten begeleiden. Voorafgaand aan gravend onderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld dat getoetst wordt door het bevoegd gezag en diens archeologisch adviseur. Indien er ter plaatse van de voormalige beek geen bodemingrepen dieper dan 86 cm-mv plaatsvinden is geen vervolgonderzoek noodzakelijk, aangezien de vindplaats dan in situ behouden kan worden. Voor het overige deel van het plangebied dat buiten de beekloop gelegen is, adviseert Hamaland volledige vrijgave.

De bodem is hier reeds verstoord tot in de top van het onderliggende dekzand.

Toelichting (vastgesteld)

29

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat

4.1.2.2 Cultuurhistorie Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek. Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend: de historisch-geografische waarden (cultuurlandschap, structuren/lijnen en bijzondere punten); de historisch-stedenbouwkundige waarden (stedenbouwkundige opbouw en identiteit); de architectuurhistorische waarden (waardevolle kenmerken van gebouwen). Het aspect cultuurhistorie is behandeld in paragraaf 2.1 Bestaande situatie. Het voorliggend bestemmingsplan tast de cultuurhistorische waarden niet aan en levert een kwalitatieve bijdrage aan het historische karakter van de Dijkstraat. Ook zijn binnen het plangebied geen monumenten aanwezig. 4.1.3

Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het plangebied wordt grotendeels vrijgegeven ten aanzien archeologische verwachtingen, met uitzondering van de grondstrook ter plaatse van de voormalige beekloop. Voor deze gronden blijft een maatwerk dubbelbestemming Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2 van kracht.

4.2

Bodem

4.2.1

Wettelijk kader

Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek. 4.2.2

Situatie plangebied

Door Rouwmaat Groep is een verkennend bodemonderzoek en nader bodemonderzoek in het plangebied verricht. Hieronder worden de onderzoeksresultaten puntsgewijs weergeven. De volledige rapportages zijn opgenomen in Bijlage 2 en Bijlage 3. Verkennend bodemonderzoek Uit het uitgevoerde verkennende bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: De aangetroffen matig en sterk verhoogde gehalten in de grond overschrijden de waarde voor nader onderzoek.

30

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat Monster A01a-2 valt door het licht verhoogde gehalte aan lood indicatief in klasse industrie en is derhalve niet zonder meer geschikt voor bewoning. De locatie kan geschikt voor bewoning gemaakt worden door middel van afgraven of afdekken (met leeflaag of duurzame afdeklaag als klinkers, tegels, kunstgras enz.). In mengmonster BMM01 zijn sterk verhoogde gehalten aan lood, zink en PAK aangetoond welke de waarde voor nader onderzoek overschrijden. Daarnaast zorgen de licht verhoogde gehalten minerale olie en PCB ervoor dat de grond respectievelijk indicatief in de klasse 'niet toepasbaar' en 'industrie' valt en derhalve niet zonder meer geschikt is voor bewoning. In eerste instantie kan invulling gegeven worden aan nader onderzoek door middel van het opnieuw bemonsteren en separaat analyseren van de monsters B01a-2 en B02-2 op het standaardpakket. Hierna dient bekeken te worden of er navolgende stappen benodigd zijn. In mengmonster MM01 zijn licht verhoogde gehalten aan PCB aangetoond welke ervoor zorgen dat de grond indicatief in klasse industrie valt en derhalve niet zonder meer geschikt is voor bewoning.

Aangezien het een mengmonster van een groot gedeelte van het terrein betreft kan de verdachte zone wellicht kleiner gemaakt worden door middel van het separaat bemonsteren en analyseren van de boringen C01, C02, C03, C04, C07, C08, C09 op de parameter PCB. Naderhand dient bekeken te worden of er navolgende stappen benodigd zijn. Monster C05-1 bevat een matig verhoogd gehalte aan lood welke de waarde voor nader onderzoek overschrijdt. Derhalve dient deze boring zowel horizontaal als verticaal afgeperkt te worden middels het plaatsen van aanvullende boringen om na te gaan of er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Hierna dient bekeken te worden of er navolgende stappen benodigd zijn. Door het gehalte aan lood en de licht verhoogde gehalten aan zink en PCB valt de locatie indicatief in klasse industrie en is derhalve niet zonder meer geschikt voor bewoning. Monster C06-2 bevat een sterk verhoogd gehalte aan PCB welke de waarde voor nader onderzoek overschrijdt. Derhalve dient deze boring zowel horizontaal als verticaal afgeperkt te worden middels het plaatsen van aanvullende boringen om na te gaan of er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Hierna dient bekeken te worden of er navolgende stappen benodigd zijn.

Door het gehalte aan PCB en de licht verhoogde gehalten aan minerale olie en PAK valt de locatie indicatief respectievelijk in de klasse 'niet toepasbaar' en 'industrie' en is derhalve niet zonder meer geschikt voor bewoning. Het grondwater ter plaatste van peilbuis B01 bevat een matig verhoogd gehalte barium. Formeel gezien dient dit nader onderzocht te worden. Aangezien barium niet is aangetroffen in de grondmonsters en er geen bron aanwezig is welke een dergelijke verontreiniging veroorzaakt kan hebben wordt verondersteld dat barium van nature in het grondwater aanwezig is. De hypothese “Deellocatie A kan op basis van het vooronderzoek als heterogeen verdacht worden beschouwd” wordt grotendeels verworpen. De hypothese “Deellocatie B kan op basis van het vooronderzoek als heterogeen verdacht worden beschouwd” wordt aangenomen. De hypothese “Deellocatie C kan op basis van het vooronderzoek als heterogeen verdacht worden beschouwd” wordt aangenomen. In de grond(meng)monsters van de bovengrond ter plaatste van deellocatie C voldoen de aangetroffen gehalten PFAS aan de normering voor ‘vrije’ toepassing op land. Nader bodemonderzoek Het nader bodemonderzoek is uitgevoerd als gevolg van tijdens het voorafgaande verkennende bodemonderzoek aangetroffen verontreiniging.

Het onderzoek heeft tot doel vaststellen of er mogelijk sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging, welke een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat: In diverse boringen is zintuiglijke bijmenging van baksteen, puin en kolengruis aangetroffen; Uit de resultaten blijkt dat er ook in de afperkende boringen matig tot sterk verhoogde gehalten lood, zink en PCB zijn aangetroffen. Aan de noord- en oostzijde is nog geen afperking bereikt aangezien hier momenteel nog bebouwing aanwezig is. Geadviseerd wordt na sloop van de bebouwing aanvullend onderzoek te laten uitvoeren om tot nadere afperking te komen. Op basis van de reeds

Toelichting (vastgesteld)

31

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat bekende onderzoeksresultaten is er sprake van minstens ± 265 m3 matig tot sterk verontreinigde grond. Na verder onderzoek in noordelijke en oostelijke richting kan blijken dat het om een groter verontreinigd gebied gaat. Omdat er meer dan 25 m3 grond sterk is verontreinigd, is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet Bodembescherming. Voor het verwijderen hiervan dient een Plan van Aanpak/saneringsplan opgesteld te worden welke na goedkeuring door bevoegd gezag ten uitvoering gebracht dient te worden. De grond die maximaal voldoet aan industrie dient te worden afgedekt (met een leeflaag of met duurzame afdekking als tegels, klinkers, kunstgras enz.) of afgegraven. Beoordeling Omgevingsdienst Achterhoek Omgevingsdienst Achterhoek heeft het verkennend en nader bodemonderzoek beoordeeld. De omgevingsdienst heeft de onderzoek akkoord bevonden en aangegeven dat de geadviseerde voorwaarden zo zijn opgesteld, dat met naleving daarvan, de bodemkwaliteit op de locatie geschikt wordt voor de gebruiksfunctie 'Wonen'. De locatie is vrij toegankelijk en in die zin is bodemsanering uitvoerbaar. 4.2.3

Conclusie

Na sloop van de bebouwing dient aanvullend onderzoek plaats te vinden om tot nadere afperking van de verontreiniging te komen. Daarnaast dient er een plan van aanpak/saneringsplan te worden opgesteld. Verder dient de grond die maximaal voldoet aan industrie te worden afgedekt met een leeflaag of met duurzame afdekking als tegels, klinkers, kunstgras enz.) of moet worden afgegraven. In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om het aanvullende onderzoek en de sanering juridisch te waarborgen. Het aspect bodem is in het kader van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan voldoende onderzocht.

4.3

Water

4.3.1

Wettelijk kader

Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd. De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen.

Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de 32

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid. De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen). Het beleid gaat uit van: een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater); water meer ruimte geven; versterken van de ecologische waarden; creëren van een vitaal watersysteem Specifiek voor het stedelijk gebied is het volgende van belang: De waterketen moet worden geoptimaliseerd (meer afkoppelen en infiltreren). In het GRP wordt hiertoe een aanzet gegeven; Kwaliteit oppervlaktewater en waterbodem: Saneren overstorten en afkoppeling en ontlasting van het riool; Wateroverlast in stedelijk gebied: reguleren van de piekafvoeren door middel van het vasthouden van het water bovenstrooms, actief stuwbeheer, extra retentie en herverdeling van het water. 4.3.2

Situatie plangebied

Civicon milieutechnisch advies heeft voor de ontwikkeling een waterparagraaf opgesteld. Deze is hieronder opgenomen. In de bestaande situatie zijn er enkele commerciële gebouwen aanwezig en is er een parkeerplaats gesitueerd. Het bouwplan voorziet in de bouw van 25 woningen. Het bestaande maaiveld varieert van 19,80 tot 20,20 m +NAP. In de Dijkstraat en Koemstraat is een gemengd rioolstelsel aanwezig, in de Nieuwe Maat en in de Van der Meer de Walcherenstraat is een geschieden rioolstelsel aanwezig. De bovengrond bestaat uit zeer tot matig fijn zand (siltig). De doorlatendheid varieert van 0,3 tot 1,5 m/dag. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is circa 19,30 m +NAP. Ten oosten van het plan is het Wentholtpark gelegen. Het hierboven genoemde gescheiden stelsel stort over op het oppervlaktewater van het Wentholtpark. Het bestaand verhard oppervlak is circa 5.200 m2, het toekomstig verhard oppervlak is circa 4.000 m2. Hieronder wordt ingegaan op de waterthema's Riolering en afwaterketen Het afvalwater neemt toe door de ontwikkelingen in dit plan. Het afvalwater wordt afgevoerd naar het gemengde stelsel (bemalingsgebied Lichtenvoorde). In de huidige situatie wordt het hemelwater afgevoerd via het gemengde stelsel. Hemelwater wordt in de toekomst niet meer afgevoerd via dit riool (zie thema wateroverlast). Het gemengd stelsel kan het extra afvalwater verwerken.

De toename van het afvalwater op het gemengd stelsel is namelijk relatief klein in vergelijking tot de afname door het niet meer aansluiten van hemelwater. Uitgangpunten De afvoercapaciteit moet op alle plaatsen voldoende zijn om bij droog weer het aanbod van afvalwater te verwerken. Hiertoe dient het stelsel conform de normen van de “Kennisbank Riolering, locatie functioneel ontwerp” te worden ontworpen.

Wateroverlast Omgaan met hemelwater Om wateroverlast, kwantitatief en kwalitatief, nu en in de toekomst te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het openbaar vuilwaterriool, maar volgens de trits vasthouden - bergen - afvoeren behandeld. De ontwikkelaar geeft in een Waterhuishoudkundig plan -mede op basis van geohydrologisch onderzoek- aan op welke doelmatige wijze invulling wordt gegeven aan deze trits. Toelichting (vastgesteld)

33

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat

Uitgangspunten Het hemelwater wordt binnen het projectgebied geborgen en zo mogelijk geïnfiltreerd. Gedoseerde afvoer (maximaal landelijke afvoer van 0,8 l/s/ha) vindt in principe plaats naar het openbaar hemelwaterriool in het omliggend gebied. Dit riool maakt deel uit van de hoofdafwateringsstructuur van het centrum van Lichtenvoorde. Het hemelwaterriool loost in het oppervlaktewater van het Wentholtpark. Het betreft hier een ontwikkeling "grijs voor grijs" zodat voor de bergingsberekening moet worden uitgegaan van een bui T= 10 + 10 % klimaattoeslag (nieuw verhard oppervlak is groter dan 2.500 m2). De bergingsopgave is daarbij 40 mm gerekend over de totale toekomstige verhard oppervlak. Indien in het gebied sprake is van een goede doorlatendheid mag gerekend worden met infiltratieverliezen tijdens de bui. Bij bui T = 100 + 10% moet het uitgangspunt zijn, dat het water zoveel mogelijk in het plangebied geborgen wordt, waarbij geen wateroverlast mag ontstaan (berging tot maaiveld). Wanneer dit niet mogelijk is, moet in het Waterhuishoudkundig plan worden opgenomen, dat het water afgevoerd wordt naar een locatie die minder kwetsbaar is. De afvoercapaciteit moet op alle plaatsen voldoende zijn om het aanbod van hemelwater bij hevige regenval te verwerken.

Hiertoe dient het stelsel voor het inzamelen en het afvoeren van hemelwater te worden ontworpen conform de normen van de “Kennisbank Riolering, locatie functioneel ontwerp”. Daarbij wordt hydraulisch getoetst/gedimensioneerd op overschrijding van de waakhoogte van 20 cm bij een bui 08 (110 l/s/ha). Door middel van een bui 10 (210 l/s/ha) wordt het ontworpen systeem getoetst op uittreding (overlast).

Grondwateroverlast In het plangebied komen slecht doorlatende lagen voor en de grondwaterstand is relatief hoog. Bij de planuitwerking dient voldoende ontwatering gegarandeerd te worden (verschil tussen GHG en bouwpeil) en dienen infiltratievoorzieningen voldoende hoog aangelegd te worden. Door de berging van hemelwater in het gebied mag er geen (grond)wateroverlast ontstaan. Slecht doorlatende lagen moeten doorbroken worden. Uitgangspunten Ondergrondse infiltratievoorzieningen: De onderkant van de infiltratievoorziening dient boven de gemiddelde grondwaterstand (GWS) te worden geplaatst, waarbij minimaal de helft van de inhoud van de voorziening boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand wordt geplaatst (GHG). Afwijkende aanleghoogten zijn mogelijk indien aantoonbaar is dat vereiste niet op redelijke wijze gehaald kan worden; Gangbare normen voor de ontwateringsdiepte (verschil tussen maaiveld en gemiddeld hoogste grondwaterstand, GHG), waarbij het vloerpeil van de gebouwen 0,20 m tot 0,30 m boven het omringend maaiveld wordt aangelegd, zijn: 1,00 m voor woningen met kruipruimten (bouwpeil t.o.v. GHG); 0,70 m voor secundaire wegen. Conclusie Ongeachte voor welke vorm van bergingsvoorziening wordt gekozen, dient rekening te worden met de uitgangspunten zoals genoemd in deze paragraaf. De uitwerking wordt de ontwikkelaar vastgelegd in een waterhuishoudkundig plan. 4.3.3

Conclusie

Het aspect water vormt op voorhand geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling, wel moet de uitwerking nog worden vastgelegd in een waterhuishoudkundig plan.

34

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat

4.4

Geluid

4.4.1

Wettelijk kader

In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is bij de wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen. Naast het wettelijk kader van de Wet geluidhinder moet ook een afweging gemaakt worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gemeente Oost Gelre heeft in regionaal verband geluidsbeleid ontwikkeld, om de stilte als kwaliteit van de Achterhoek te versterken en richting te geven aan het geluidsaspect in bestemmingsplannen, vergunningen en dergelijke. Bij nieuwe activiteiten dient de geluidsbelasting te voldoen aan de streefwaarden. Een goed akoestisch leefklimaat kan soms ten koste gaan van nieuwe (te luidruchtige) activiteiten. 4.4.2

Situatie plangebied

De geplande woningen worden op basis van de Wgh aangemerkt als een geluidsgevoelige objecten. Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in de Wgh.

Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken

Stedelijk gebied

Buitenstedelijk gebied

1 of 2 rijstroken

200 m

250 m

3 of 4 rijstroken

350 m

400 m

5 of meer rijstroken

350 m

600 m

De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2). De wegen rondom het plangebied betreffen 30 km/uur wegen waarvoor geen geluidzone geldt. De woningen liggen op 250 meter van de Aaltenseweg en de Lievelderweg buiten de geluidzone van deze wegen. Om te onderzoek of desondanks sprake is van een goede ruimtelijke ordening heeft Adviesburo van der Boom BV een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De volledige onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 4. Hieronder worden de onderzoeksresultaten weergegeven. De woningen liggen niet binnen de geluidzone van een gezoneerde weg. Er hoeft voor de woningen geen hogere waarde te worden aangevraagd. De hoogste geluidbelasting van alle (30 km) wegen samen bedraagt 58 - 59 dB zonder aftrek op de zuidgevels van de woningen aan de Koemstraat en 57 - 58 dB zonder aftrek op de noordgevels van de woningen aan de Dijkstraat. Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de gemeente Oost Gelre uit haar “Beleidsregel Hogere geluidsgrenswaarden”. Hierin wordt tevens voor 30 km wegen beschreven onder welke voorwaarden wordt voldaan aan het criterium “goede ruimtelijke ordening”. Dat is het geval indien

Toelichting (vastgesteld)

35

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat de ten hoogste toelaatbare waarde niet wordt overschreden. De geluidbelasting op de woningen bedraagt ten hoogste 59 dB zonder aftrek, dat is 54 dB na aftrek van 5 dB ex art 110g Wgh. De ten hoogst toelaatbare waarde bedraagt 63 dB na aftrek van 5 dB voor woningen binnen de bebouwde kom. Voor het aspect geluid is derhalve sprake van een “goede ruimtelijke ordening”. Volgens het Bouwbesluit moet de zogenaamde karakteristieke geluidwering GA;k van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied in een woning ten minste gelijk zijn aan de invallende geluidbelasting verminderd met 33 dB; voor verblijfsruimten gelden 2 dB lagere waarden voor de geluidwering GA;k . De voorschriften hebben tot doel de geluidbelasting binnenshuis in de verblijfsgebieden van een woning te beperken tot 33 dB. Bij het bepalen van de benodigde geluidwering mag geen aftrek plaatsvinden ex. artikel 110-g Wgh. De berekende invallende geluidbelasting Lden in 2030 zonder aftrek bedraagt ten hoogste 57 - 59 dB op de geluidbelaste gevels. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k voor deze gevels bedraagt 24- 26 dB. Voor deze gevels zijn geluidwerende voorzieningen nodig. Deze voorzieningen zijn redelijkerwijs te realiseren. Railverkeerslawaai In de omgeving van het plan bevindt zich geen spoorweg.

Het onderdeel railverkeerslawaai van de Wgh is niet van toepassing. Industrielawaai In de omgeving van het plan bevindt zich geen gezoneerd industrieterrein. Het onderdeel industrielawaai van de Wgh is niet van toepassing. In paragraaf 4.7 wordt nader ingegaan op (individuele) milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied. 4.4.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling mits de benodigde geluidswerende voorzieningen zoals beschreven in het akoestisch onderzoek worden getroffen.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Wettelijk kader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;

36

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.5.2

Situatie plangebied

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een herontwikkeling van het plangebied waarbij 29 nieuwe woningen worden gerealiseerd. Een ontwikkeling met een dergelijke omvang is aan te merken als een project welke “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Tot slot wordt geconcludeerd dat de nieuwe woningen niet worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.5.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6

Ecologie

4.6.1

Inleiding

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. In navolgende paragrafen wordt eerst ingegaan op gebiedsbescherming en vervolgens op soortenbescherming. 4.6.2

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. De locatie ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt ten oosten van het plangebied op circa 4.3 kilometer afstand. Dit betreft het Natura 2000-gebied “Korenburgerveen”. In afbeelding 4.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 Toelichting (vastgesteld)

37

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat weergegeven.

Afbeelding 4.1 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000 (Bron: AERIUS.nl)

Van directe negatieve effecten (bijv. geluid/verlichting) op Natura 2000-gebied is gelet op de onderlinge afstand geen sprake. Naast directe negatieve effecten dient tevens de mogelijke toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Er is daarom door Ecogroen een stikstofdepositieberekening gemaakt met behulp van de AERIUS Calculator 2020. Hierbij is gekeken naar de aanleg- en gebruiksfase uitgaande van een worstcase scenario met maximaal 25 woningen. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 5. Hieronder worden de conclusies weergegeven. Uit de berekeningen is naar voren gekomen dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Gelders Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN.

De provincie Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur. Hiertoe zet de provincie in op de realisatie van een compact en hoogwaardig

38

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit wil de provincie bereiken door de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Dit vindt plaats in de Omgevingsverordening Gelderland. De GNN en GO kent formeel geen externe werking. De locatie ligt niet binnen het concreet begrensde GNN. Het dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het GNN ligt op ruime afstand buiten de kern Lichtenvoorde. De ligging ten opzichte van het NNN wordt in afbeelding 4.2 weergegeven.

Afbeelding 4.2 Ligging plangebied ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk (Bron: Provincie Gelderland)

4.6.3

Soortenbescherming

Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Omdat binnen het plangebied bebouwing wordt gesloopt is door Staring advies een Quickscan natuurtoets en aanvullend onderzoek naar vleermuizen voor het plangebied uitgevoerd. Hieronder worden de onderzoeksresultaten weergegeven. De volledige rapportages zijn opgenomen in Bijlage 6 en Bijlage 7. Quickscan natuurtoets Uit de quickscan natuurtoets bleek dat bij het slopen van enkele bedrijfs- en winkelpanden nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is om vast te stellen of hier sprake is van een verblijfplaats. Aanvullend onderzoek naar vleermuizen bestaat uit 3 avond- en ochtendronden in de periode 15 mei - 15 juli en 2 avondronden in de periode 15 augustus – 1 oktober. Uit dit onderzoek zal blijken of er ontheffing noodzakelijk is. Het verlenen van de ontheffing kan pas nadat dit onderzoek is uitgevoerd en de

Toelichting (vastgesteld)

39

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat eventuele extra maatregelen zijn genomen. Daarnaast moet bij het uitvoeren van de werkzaamheden rekening worden gehouden met het mogelijk voorkomen van broedvogels. Er moet buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart en 15 juli) gestart worden met de werkzaamheden. Vleermuizenonderzoek Uit het onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen blijkt dat door de geplande herontwikkeling van het plangebied de functie van één zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aangetast wordt. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming en het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen is noodzakelijk voor de gewone dwergvleermuis. De gemeente Oost Gelre heeft een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd en ontvangen. Verder zijn er op basis van het onderzoek reeds mitigerende maatregelen getroffen in de vorm van twee nestkasten bij Sociale Cultureel Centrum Den Diek (Dijkstraat 30). 4.6.4

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1

Kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 4.7.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' wordt een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Daarnaast zijn er functiemengingsgebieden zoals dorps en stadscentra. In voorliggend geval ligt het plangebied in een functiemengingsgebied. In dergelijke gebieden wordt 40

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat gestreefd naar een zekere mate van functiemenging. Voor dergelijke gebieden wordt de 'Staat van bedrijven (SvB) – functiemenging' gehanteerd. De 'Staat van Bedrijven (SvB) - functiemenging' bevat geen richtafstanden, maar categorieën A, B en C, die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijke relevante milieucategorieën: Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze inpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C: De activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. 4.7.3

Situatie plangebied

4.7.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Er wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 4.7.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. 4.7.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woningen binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies.

In de directe omgeving bevinden zich zoals hiervoor aangegeven diverse centrumfuncties. Aan de overzijde (noordzijde) van de Dijkstraat bevinden zich detailhandel en dienstverlenende functies. Aan de oostzijde aan de Koemstraat bevinden zich detailhandelsfuncties. Aan de westzijde aan de Dijkstraat 8 bevindt zich een horecafunctie (restaurant). Dergelijke functies betreffen categorie A functies, en zijn dan ook aanvaardbaar in- en aanpandig aan woningen. De afstand tussen de nieuwe woningen en de detailhandel en dienstverlening aan de overzijde van de Dijkstraat bedraagt meer dan 10 meter. Voor de detailhandel aan de Koemstraat is dit ongeveer 5 meter. Het restaurant aan de Dijkstraat 8 ligt op zeer korte afstand van de meest westelijk geprojecteerde woning (circa 2 meter). De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding van wonen en bedrijven zijn hiervoor gelet op de zwaarte van de bedrijvigheid voldoende.

Toelichting (vastgesteld)

41

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat

Ter plaatse van de woningen is in het kader van milieuzonering sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden omliggende functies ten gevolge van het plan niet belemmerd. 4.7.4

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Wettelijk kader

Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen.

Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. 4.8.2

Gemeentelijk externe veiligheidsbeleid

De gemeente Oost Gelre heeft in 2008 een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten. Het externe veiligheidsbeleid is samengevat in onderstaand figuur.

42

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat

4.8.3

Situatie plangebied

Door de omgevingsdienst Achterhoek is de situatie omtrent externe veiligheid beoordeeld. De omgevingsdient heeft hierbij getoetst aan de volgende wet- en regelgeving: Voor inrichtingen (bedrijven): besluit Externe veiligheid inrichtingen (BEVI), de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPG-tankstation; Voor transportroutes over weg, water en spoor: het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT); Voor buisleidingen: het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB); Het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Oost Gelre. Er wordt is rekening gehouden met een woningbezetting van 2,4 personen per woning, dat zijn voor 25 woningen 60 mensen welke toegevoegd worden aan deze omgeving. Dit is meer dan 10 personen, zodat er sprake kan zijn van een groepsrisico. Met behulp van de signaleringskaart externe veiligheid is gekeken naar de risico's in de omgeving van het planinitiatief. De signaleringskaart externe veiligheid is een door de provincie Gelderland in samenwerking met de Gelderse omgevingsdiensten opgestelde verbeterde versie van de risicokaart Nederland. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de signaleringskaart.

Toelichting (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat

Afbeelding 4.3 Uitsnede signaliseringskaart externe veiligheid (Bron: Provincie Gelderland)

In onderstaande tabel worden de aanwezige risicobronnen weergegeven met de bijbehorende contouren en afstanden tot het plangebied. Aansluitend wordt op de risicobronnen ingegaan.

Rompa Tanneries B.V. (inmiddels Vitelco Leather) De inrichting Rompa Tanneries B.V. (inmiddels Vitelco Leather) aan de Aaltenseweg 4 te Lichtenvoorde heeft een opslag van gevaarlijke stoffen. De opslag heeft geen plaatsgebonden risico of invloedsgebied en vormt geen belemmering voor het initiatief. Ivo Hendriksen B.V. De inrichting Ivo Hendriksen B.V. aan de Nijverheidsstraat 15 te Lichtenvoorde heeft een propaan opslag. De plaatsgebonden risicocontour hiervan bedraagt 20 meter en een invloedsgebied ligt op 235 meter vanuit de inrichting. Het plangebied ligt hier ruim buiten op circa 510 meter. Zwembad Meeckenesch Het zwembad Meeckenesch aan de Kerkhoflaan 5 is aangeduid op de Signaleringkaart, maar heeft

44

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat geen plaatsgebonden risico of invloedsgebied. Ook deze inrichting vormt geen belemmering voor het initiatief. De provinciale weg N18 In de directe omgeving van de planlocatie is het aantal transporten met gevaarlijke stoffen op weg (N18) zodanig gering, dat de PR-contouren van 10-6 per jaar binnen de rijbaan liggen. De planlocatie ligt op een afstand van 880 m van de N18. Daarmee ligt het buiten de 200 meter zone en buiten het invloedsgebied van 355 meter van de N18. Het groepsrisicio hoeft daarom niet (beperkt) verantwoord te worden. 4.8.4

Conclusie

Advies van de veiligheidsregio is niet nodig. Het planinitiatief ligt niet binnen een PR-contour of invloedsgebied van een risicobron, het groepsrisico hoeft niet verantwoord te worden. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Geur

4.9.1

Wettelijk kader

Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woonen leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen, maar ook andere geurproducerende industriële bedrijven. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) een toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006. 4.9.2

Situatie plangebied

Door Omgevingsdienst Achterhoek is de situatie ter plaatse van het plangebied onderzocht. Hierbij is gekeken naar industriële bedrijven, horecabedrijven en agrarische bedrijven. Industriële bedrijven In deze situatie is sprake van een ontwikkeling in een omgeving zonder industriële bedrijven die geurhinder kunnen opleveren. De ontwikkeling vindt, met uitzondering voor wat betreft het hierna genoemde bedrijf ver plaats buiten de voor die bedrijven geldende richtafstanden voor geur of vanuit de vergunning/melding bekende geurcontouren. Verder onderzoek naar geurhinder van deze bedrijven is daarom niet nodig. Een uitzondering hierop vormt het bedrijf Vitelco Leather, gevestigd op de locatie Aaltenseweg 4. Bij dit bedrijf is een langdurige geschiedenis van geurklachten bekend. Dat is de reden dat in een nu aangevraagde omgevingsvergunning milieu vergaande maatregelen worden getroffen om de geuruitstoot te reduceren. De nieuwe woningen voldoen niet aan de voor dit bedrijf geldende gecorrigeerde richtafstand voor geur voor gemengd gebied van 200 meter. Feitelijk is de afstand tot de meest nabijgelegen nieuwe woning 165 meter. Vanuit onderzoeksgegevens is bekend dat de geurcontour van dit bedrijf feitelijk groter is dan de gecorrigeerde richtafstand (zie afbeelding 4.4).

De buitenste (donker)blauwe geurcontour geeft de waarde aan die overeenkomt met 0,5 odour units/m3 als 98-percentiel. Die waarde komt overeen met de richtwaarde uit het Gelders geurbeleid. De richtwaarde wordt over het algemeen aangemerkt als het Toelichting (vastgesteld)

45

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat aanvaardbare geurhinderniveau. De beoogde woningen binnen het plangebied liggen binnen de met die richtwaarde overeenkomende geurcontour.

Afbeelding 4.4 Geurcontouren Vitelco in bestaande situatie (donkerblauw) en na treffen maatregelen (lichtblauw) (Bron: Omgevingsdienst Achterhoek)

Na het treffen van maatregelen ligt de woningbouwlocatie in zijn geheel buiten de geurcontour van Vitelco. Overigens wordt op dit moment ter plaatse van de beoogde woningen wel voldaan aan de grenswaarde uit het Gelders geurbeleid (van 1,5 odour units/m3 als 98-percentiel). Het bedrijf wordt niet belemmerd door deze ontwikkeling, omdat er sprake is van bestaande, dichterbij het bedrijf gelegen woningen. Voor wat betreft het woon- en leefklimaat geldt dat er concreet zicht is op het terugdringen van de geurhinder ter plaatse. Horecabedrijven Direct aangrenzend aan het plangebied bevindt zich een restaurant op het adres Dijkstraat 8. Vanwege de bereiding van etenswaren is sprake van een bepaalde geuremissie. In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn regels gesteld ter voorkoming van geurhinder. Het bedrijf heeft daarbij de keuze uit de volgende maatregelen: een afvoerpijp met een hoogte van ten minste 2 meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen bebouwing (inclusief de eigen bebouwing) of een doelmatige ontgeuringsinstallatie. Daarnaast is een doelmatig vetvangend filter vereist. Verder kan het bevoegd gezag bij onaanvaardbare geurhinder maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot zaken als de situering van het emissiepunt en de uitvoering en het onderhoud van een ontgeuringsinstallatie.

Vanuit het Activiteitenbesluit gelden geen afstandseisen. Zoals blijkt uit paragraaf 4.7 over bedrijven en milieuzonering, is de voor gemengde gebieden en functiemengingsgebieden een gecorrigeerde richtafstand. Enerzijds is in gemengd gebied een bepaalde mate van geurhinder door de vermenging van functies meer acceptabel te achten en anderzijds bieden de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer voldoende waarborgen om geurhinder te voorkomen of

46

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dorpskern Lichtenvoorde, herziening Hof aan de Dijkstraat tot een acceptabel niveau van geurhinder te beperken. Agrarische bedrijven Agrarische bedrijven bevinden zich gelet op de ligging van het plangebied in het dorpscentrum van Lichtenvoorde niet op korte afstand. Agrarische bedrijven vormen geen belemmering. 4.9.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen. De beoogde woningen liggen op voldoende afstand van de meeste industriële en andere geurbronnen. Alleen het bedrijf Vitelco Leather voldoet op deze woningen niet aan de richtwaarde voor geur, maar er wordt wel voldaan aan de grenswaarde. De woningen werpen geen belemmeringen op voor dit bedrijf (vanwege meer maatgevende woningen op kortere afstand). Het woon- en leefklimaat is aanvaardbaar, zeker nu er concreet zicht is op het terugdringen van de door het bedrijf veroorzaakte geurbelasting (door het treffen van maatregelen) en in de bestaande situatie ook al sprake is van geurgevoelige objecten op deze locatie. Een bepaalde mate van geurhinder is niet uit te sluiten, maar is van toelaatbare proporties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10023366/1