CConstaterende datOmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Toelichting (1)

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente OmmenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Haven Oost (257274)20.254 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

NIBM-tool (bron: Rijkswaterstaat) Met behulp van de NIBM-tool is aangetoond dat de ontwikkeling daadwerkelijk niet in betekenende mate een bijdrage levert aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Nadere toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wonen Haven Oost Ommen Pagina 27 van 54

Desalniettemin is in het kader van een goede ruimtelijke ordening met behulp van Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&M en RIVM) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2019 geven de volgende waarden: 12-14 µg/m³ NO2, 15-17 µg/m³ PM10 en 8-10 µg/m³ PM2,5. Uit de achtergrondconcentraties van stikstof (NO2) en fijnstof (PM10, PM2,5) blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van de locatie ruim voldoende is en de luchtkwaliteit zich niet verzet tegen de voorgenomen ontwikkeling.

4.4

Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeurswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige functies niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige functies in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeurswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige functies aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeurswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd.

Planspecifiek Het plangebied bevindt zich tussen vier nabijgelegen bestaande wegen en in de nabijheid van bedrijvigheid. In de ruimtelijke procedure moet worden aangetoond dat het plan op het gebied van geluid voldoet aan vigerende wet- en regelgeving. Voor zowel wegverkeerslawaai (Bijlage 5) als voor industrielawaai (Bijlage 6) heeft onderzoek plaatsgevonden. Wegverkeerslawaai Uit de resultaten van het onderzoek naar wegverkeerslawaai blijkt dat de nieuwe woningen maximaal 48 dB ondervinden (inclusief correctie artikel 3.4 RMG 2012) vanwege het verkeer op de Schurinkstraat, Strangeweg, Hardenbergerweg, Ommeresstraat, en de nieuwe aanleg binnen het plangebied. Voor elk van deze wegen wordt de geluidbelasting niet hoger dan 48 dB. Aanvullende maatregelen zijn voor deze wegen niet nodig. De Haven Oost geeft een geluidbelasting van maximaal 49 dB (inclusief correctie artikel 3.4 RMG 2012), berekend op de uiterste perceelgrenzen van de beoogde woningkavels. De geluidbelasting van 49 dB is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar vanwege de gehanteerde rijsnelheid van 30 km/u betreft dit geen wettelijke toets. Gezien de 1 dB overschrijding van de voorkeursgrenswaarde op enkel de uiterste perceelgrenzen, wordt de geluidbelasting vanwege de Haven Oost op de nieuwe woningen als acceptabel beschouwd.

Het is aan het bevoegd gezag om te oordelen omtrent de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting in deze specifieke situatie. De gecumuleerde geluidbelasting op de geplande woningen vanwege het verkeer op alle wegen samen bedraagt maximaal 55 dB (exclusief correctie artikel 3.4 RMG 2012). Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de realisatie van de nieuwe woningen dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan het gestelde in afdeling 3.1 Bescherming tegen geluid van buiten zoals opgenomen in het Bouwbesluit. Dit betekent dat de buitengevels voldoende geluid dienen te weren om te zorgen dat het geluidniveau binnen in de nieuwe woningen maximaal 33 dB bedraagt. Industrielawaai In opdracht van de gemeente Ommen is door abtWassenaar onderzoek verricht inzake de nieuwbouwplannen voor de locatie Haven-Oost in Ommen (Bijlage 6). Uitgangspunt voor het geluidonderzoek is hierbij de meest recente regiekaart met hierop aangegeven de relevante bouwblokken. Wonen Haven Oost Ommen Pagina 28 van 54

De volgende aspecten zijn onderzocht: de berekende geluidbelasting per bedrijf afzonderlijk; toetsing per bedrijf aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit; berekende geluidbelasting van de bedrijven gezamenlijk (cumulatie); beoordelen van woon- en leefklimaat; berekenen van de maximale geluidniveaus en toetsing aan normen Activiteitenbesluit. De onderzoeksresultaten en conclusies zijn in onderstaand overzicht samengevat. Onderzocht zijn twee configuraties van de regiekaart, namelijk: 1. de situatie conform de regiekaart zonder rekening te houden met het "kantoor" en zonder rekening te houden met verlenging van de bestaande OCB loods; 2. de situatie conform de regiekaart zonder rekening te houden met het "kantoor" en inclusief verlenging van de bestaande OCB loods.

Situering kantoor en verlengde loods OCB

1. Situatie zonder kantoor en zonder verlenging van de bestaandeOCB loods De situatie zonder rekening te houden met de afscherming van het kantoor kan worden gezien als worst case situatie, zodat geen onderschatting van de geluidbelasting optreedt. De geluidbelasting is berekend voor de maatgevende blokken 1, 2 en 3 conform onderstaande afbeelding.

Wonen Haven Oost Ommen Pagina 29 van 54

Configuratie 1 zonder verlening Loods De geluidbelasting van alle bedrijven afzonderlijk voldoet ter plaatse van de maatgevende bouwblokken 1, 2 en 3 aan de toelaatbare waarden van het Activiteitenbesluit, namelijk 50 dB(A) etmaalwaarde Ook de maximale geluidniveau voldoen aan de toelaatbare waarden van het Activiteitenbesluit van 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De gecumuleerde geluidbelasting van alle bedrijven gezamenlijk is voor de meeste rekenpunten lager dan 50 dB(A) hetgeen betekent dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Op enkele rekenpunten bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 51 dB(A) hetgeen betekent dat sprake is van een "redelijk" woon- en leefklimaat. Opgemerkt wordt dat de geluidbelasting van 51 dB(A) slechts 1 dB boven de 50 dB(A) ligt en derhalve aan de "onderkant" van deze bandbreedte ligt.

2. Situatie zonder kantoor en met verlenging van de bestaandeOCB loods Uit de berekeningen blijkt dat ter plaatse van de maatgevende toekomstige geluidgevoelige bestemmingen van de verlengde loods (zie navolgende afbeelding) niet wordt voldaan aan de toelaatbare waarde van het Activiteitenbesluit. Dit betekent dat geluidbeperkende maatregelen noodzakelijk zijn om aan de toelaatbare waarden te kunnen voldoen. Het gaat hierbij om de volgende twee bedrijven: OCB; Om de geluidbelasting vanwege OCB te reduceren dient de overheaddeur 1 van de machinale houtbewerking grotendeels gesloten te zijn. Hierbij dient van de 8-urige werkdag de deur tijdens machinale houtbewerking 7 uur gesloten te zijn, oftewel de overheaddeur mag 1 uur in de dagperiode tijdens machinale houtbewerking voor het doorlaten van goederen en/of personen geopend zijn. Interket; Om de geluidbelasting vanwege Interket te reduceren, zijn de volgende maatregelen nodig aan de drie genoemde afzuigingen. 1. Afzuiging pers 6 voorzien van een (ronde) geluiddemper met een invoegverlies (geluidreductie) van ten minste 10 dB; 2. Afzuiging koelunit Colt voorzien van een vierkante geluiddemper (coulissendemper) met een invoegverlies (geluidreductie) van ten minste 10 dB; 3. Afzuiging perscontainer voorzien van een geluiddemper met een invoegverlies (geluidreductie) van ten minste 10 dB.

Wonen Haven Oost Ommen Pagina 30 van 54

Configuratie 2 met verlenging loods De geluidbelasting van alle bedrijven afzonderlijk voldoet - na bovengenoemde maatregelen - ter plaatse van alle geluidgevoelige bestemmingen, aan de toelaatbare waarden van het Activiteitenbesluit, namelijk 50 dB(A) etmaalwaarde. Ook de maximale geluidniveau voldoen aan de toelaatbare waarden van het Activiteitenbesluit van 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De gecumuleerde geluidbelasting van alle bedrijven gezamenlijk is voor de meeste rekenpunten lager dan 50 dB(A) hetgeen betekent dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Op enkele rekenpunten bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 51 dB(A) hetgeen betekent dat sprake is van een "redelijk" woon- en leefklimaat. Opgemerkt wordt dat de geluidbelasting van 51 dB(A) slechts 1 dB boven de 50 dB(A) ligt en derhalve aan de "onderkant" van deze bandbreedte ligt.

Geluidgevoelige functies in de bestaande loods In het onderzoek naar industrielawaai dat hierboven beschreven staat is geen rekening gehouden met de mogelijkheid tot het realiseren van geluidgevoelige functies in de loods. Onderhavig bestemmingsplan maakt 12 woningen aan in het oostelijke deel van de bestaande loods mogelijk, daarom heeft abtWassenaar een aanvullende notitie opgesteld waarin rekening is gehouden met het realiseren van geluidgevoelige functies in een deel van de bestaande loods (Bijlage 7). Op basis van deze notitie wordt het volgende geconcludeerd: De geluidbelasting van alle bedrijven afzonderlijk voldoet - na maatregelen van OCB en Interket zoals omschreven in het rapport van 17 mei 2021 (Bijlage 6) - ter plaatse van alle geluidgevoelige bestemmingen, aan de toelaatbare waarden van het Activiteitenbesluit, namelijk 50 dB(A) etmaalwaarde. Ook de maximale geluidniveau voldoen aan de toelaatbare waarden van het Activiteitenbesluit van 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De gecumuleerde geluidbelasting van alle bedrijven gezamenlijk is voor de meeste rekenpunten lager dan 50 dB(A) hetgeen betekent dat sprake is van een "goed" woon- en leefklimaat.

Dove gevel loods en verlengde Na uitvoering van de bovengenoemde onderzoeken heeft de gemeente besloten om de noordelijke gevel van de loods en de woningen in het verlengde van de loods uit te voeren in een dove gevel. Er heeft op basis daarvan een aanvullende berekening plaatsgevonden waarvoor een notitie is opgesteld door abtWassenaar (Bijlage 8).

Wonen Haven Oost Ommen Pagina 31 van 54

Omdat een dove gevel geen gevel is in de zin van de Wet geluidhinder, gelden de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit niet op de dove gevel. Dit betekent dat de geluidbeperkende maatregel bij OCB - namelijk het sluiten van de overheaddeur van de machinale houtbewerking - voor deze noordgevel van de loods niet noodzakelijk is en achterwege kan blijven. Om na te gaan of zonder deze maatregel van het sluiten van de overheaddeur ter plaatse van de 2e-lijnsbebouwing (blok 1, 2 en 3 van onderstaande afbeelding) wordt voldaan aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit, zijn aanvullende geluidberekeningen uitgevoerd.

Plot onderzoeksgebied en ligging dove gevel (rode lijn) Uit de berekeningen blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting: voor woonblok 1 en 3 ten hoogste 50 dB(A) etmaalwaarde bedraagt; voor woonblok 2 ten hoogste 53 dB(A) bedraagt. Deze geluidbelasting treedt op bij het maatgevende rekenpunt 2 op een beoordelingshoogte van 7,5 mv+. Het blijkt dat de geluidbelasting van alle bedrijven afzonderlijk - na maatregelen van Interket zoals omschreven in het rapport van 17 mei 2021 - ter plaatse van alle geluidgevoelige bestemmingen voldoet aan de toelaatbare waarden van het Activiteitenbesluit, namelijk 50 dB(A) etmaalwaarde.

Conclusie Gelet op bovenstaande zijn er geen milieuhygiënische belemmeringen voor het ontwikkelen van geluidgevoelige bestemmingen binnen het bouwplan van de regiekaart.

4.5

Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de

Wonen Haven Oost Ommen Pagina 32 van 54

bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. In- en uitwaartse zonering Uitwaartse zonering gaat uit van de milieubelastende functie (een bedrijf of bedrijventerrein) met als doel milieugevoelige functies uit de omgeving te weren.

Bij inwaartse zonering wordt vanuit de milieugevoelige functie een bufferzone gecreëerd.

Planspecifiek De geplande woningbouw zal worden gerealiseerd op een gedeelte van een voormalig bedrijventerrein. Dit betekent dat de planlocatie gelegen is vlakbij de andere delen van het bedrijventerrein Havengebied. Ten zuiden en ten noorden van het plangebied zijn bedrijven gevestigd. Daarnaast hebben het beoogde kantoorgebouw en de multifunctionele invulling van de bestaande loods volgens de VNG publicatie ook een milieucategorie. Op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Werken, Ommen' zijn de gronden, voor een strook van ca. 70 meter, ten noorden van het plangebied bestemd voor bedrijven tot maximaal categorie 2. Ten noorden hiervan zijn de gronden, over een strook van ca. 100 meter, bestemd voor bedrijven tot maximaal categorie 3.1 en ten noorden daarvan is categorie 3.2 toegestaan. In aanvulling daarop zijn verschillende gebieden voorzien van een functie aanduiding voor een specifieke vorm van bedrijf. Deze specifieke vorm is toegestaan in aanvulling op de maximaal toegestane milieucategorie. Gezien het gemengde karakter (wonen en werken) van de beoogde ontwikkeling en de ligging nabij diverse functies (bedrijven en begraafplaats) is hier sprake van een gemengd gebied. Daarmee kunnen de richtafstanden die gelden (conform VNG) met één stap worden verkleind. In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de relevante bedrijven.

Bedrijf

Milieucategorie (SBI-code 2008)

Richtafstand (gemengd gebied)

Werkelijke afstand tot gevoelige functies plangebied

Voldoet

Kantoorgebouw (in plangebied beoogd)

1 (63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82)

0m

0m

ja

Loods maatschappelijke invulling (in plangebied beoogd)

2 (94991)

10 m

0m

nee

Wonen Haven Oost Ommen Pagina 33 van 54

Toscon BV

3.2 (309, 3099)

50 m

55 m

ja

Stalling van vrachtwagens

3.2 (5221)

50 m

22 m

nee

Pacton BV

3.2 (293)

50 m

140 m

ja

Octo4All

2 (8891)

10 m

85 m

ja

OCB Bouw

3.1 (41, 42, 43 b.o.> 1000 m² )

30 m

60 m

ja

Koggel Autoschade

3.1 en 3.2 (45204) 50 m

35 m

ja

Sunsupply

2 (464, 46733)

10 m

15 m

ja

Begraafplaats Ommen

1 (96031)

0m

10 m

ja

Installatiebedrijf Veldhuis

2 (41, 42, 43 b.o.< 10 m 1000 m² )

22 m

ja

Interket BV

2 (1814)

25 m

ja

10 m

Op basis van bovenstaande tabel kan geconcludeerd worden dat met de beoogde ontwikkeling de richtafstanden voor de meeste bedrijven/inrichtingen niet wordt overschreden. Voor drie inrichtingen wordt de richtafstand wel overschreden. Die worden navolgend nader onderbouwd. Loods De loods krijgt in de beoogde situatie een multifunctionele functie, hoofdzakelijk gericht op een maatschappelijke functie. Milieucategorie 2 is gebaseerd op een 'buurthuis'. Omdat in de loods zelf ook woningen mogelijk gemaakt worden is de afstand tot gevoelige functies 0 meter. De richtafstand wordt bepaald door het milieuaspect geluid voor de andere milieuaspecten is er geen belemmering. De woningen in en direct naast de loods worden gescheiden van de andere functies middels de bouwkundige constructie waardoor contactgeluid wordt beperkt. Stalling van vrachtwagens Ten noorden van het plangebied worden vrachtwagens gestald. De dichtstbij gelegen (beoogde) woningen bevinden zich op een afstand van ca. 22 meter. Alleen voor het aspect geluid wordt de richtafstand overschreden en dit geldt alleen voor de woningen die beoogd zijn in de loods. De overige woningen bevinden zich op een afstand ca. 50 meter of meer. Bovendien heeft de loods een geluid-afschermende werking voor de ten zuiden gelegen woningen.

Koggel Autoschade Tot slot wordt ook de richtafstand voor Koggel Autoschade voor het aspect geluid overschreden voor de beoogde woningen in en grenzend aan de loods. De woningen ten zuiden van de loods liggen op voldoende afstand van het bedrijf. Voor het aspect geur is een separate notitie opgesteld met betrekking tot Koggel Autoschade en Interket BV (Bijlage 9). Op basis van deze notitie kan ook geconcludeerd worden dat geur geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast dient ook getoetst te worden of de beoogde ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van richtafstanden op omliggende gevoelige functies. Voor het beoogde kantoor dient (voor een rustig woongebied) een richtafstand van 10 meter aangehouden te worden. De dichtstbij gelegen woningen bevinden zich aan de Korenmolen op een afstand van ca. 30 meter. Voor de beoogde functies in de loods dient een richtafstand van 30 meter aangehouden te worden voor woningen in een rustig woongebied. De dichtstbij gelegen woningen buiten het plangebied bevinden zich op een afstand van ca. 50 meter. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de richtafstanden tot gevoelige functies.

Wonen Haven Oost Ommen Pagina 34 van 54

Conclusie Voor de voornoemde drie inrichtingen wordt de richtafstand tot de beoogde woningen overschreden voor het aspect geluid. In paragraaf 4.4 wordt het aspect industrielawaai in relatie tot de beoogde ontwikkeling nader onderbouwd. Op basis van het onderzoek industrielawaai kan geconcludeerd worden dat industrielawaai geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. De woningen ondervinden geen hinder van de andere in de tabel opgenomen bedrijven, deze bedrijven behoeven derhalve ook geen nader onderzoek. Op basis van een gemengd gebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. Tevens vormt onderhavig plan geen belemmering voor bestaande bedrijvigheid.

4.6

Externe veiligheid

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed op elkaar worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.

Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld.

Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, Wonen Haven Oost Ommen Pagina 35 van 54

hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld.

Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

Planspecifiek Met behulp van de risicokaart is gekeken of in de directe omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart. Wonen Haven Oost Ommen Pagina 36 van 54

Uitsnede risicokaart (plangebied: zwart omcirkeld, bron: Risicokaart.nl) Risicovolle inrichtingen Op de risicokaart is te zien dat binnen het plangebied een risicovolle inrichting is aangegeven. Dit betreft een gasflessen depot van de spuiterij. Deze is inmiddels al niet meer in gebruik en met de beoogde ontwikkeling krijgt het gebouw van de spuiterij een andere invulling. Daarmee is er geen sprake van een risicovolle inrichting binnen de grenzen van het plangebied. De dichtstbij gelegen risicovolle inrichting bevindt zich ten noorden van het plangebied op een afstand van ca. 400 meter van de beoogde woningen. Het betreft een bovengrondse propaantank met een plaatsgebonden risicoafstand (PR 10-6) van 12 meter. Ten noordwesten van het plangebied ligt op een afstand van ca. 575 meter een risicovolle inrichting voor de opslag van chloorbleekloog en zwavelzuur (zwembad). Ondanks dat het invloedsgebied niet over het plangebied valt kan er toch wel een effect optreden mocht er iets mis gaan bij één van bovenstaande inrichtingen. Omdat er toch sprake is van een redelijke woningbouw ontwikkeling is in het kader van een goede ruimtelijke ordening advies gevraagd bij de veiligheidsregio inzake zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid.

De veiligheidsregio adviseert het volgende: De nieuwe bebouwing te voorzien van mechanisch afsluitbare ventilatie; Een bluswatervoorziening aan te brengen in de nieuwe wijk. Denk hierbij aan een geschikte bluswatervijver, -geboorde put of een -bluswaterriool; De wegen in het plangebied geschikt te maken voor hulpdienstvoertuigen; De knip in de Haven Oost geschikt te maken voor het passeren van hulpdienstvoertuigen; Voor de uitwerking van de bereikbaarheid en bluswatervoorziening contact op te nemen met de heer J. Westenbroek van de VRIJ (tel: 088-1197312). Hij wil de gemeente Ommen graag van advies voorzien; Met de projectontwikkelaar van de vervolgfase en de leidingbeheerder af te spreken wie verantwoordelijk is op het toezicht op de werkzaamheden in de buurt van de hogedruk aardgasbuisleidingen. Dit gedurende de hele tijd dat het plan wordt gerealiseerd; De bewoners in het plangebied door middel van risicocommunicatie op de hoogte te brengen van handelingsperspectieven bij een incident met gevaarlijke stoffen bij de zwembaden en hogedruk aardgasbuisleiding. Met de beoogde ontwikkeling van het plangebied wordt in de verdere uitwerking van het plan invulling gegeven aan het advies van de veiligheidsregio.

Wonen Haven Oost Ommen Pagina 37 van 54

Transport voor gevaarlijke stoffen (spoor en weg) In of in de directe omgeving van het plangebied is geen route voor gevaarlijke stoffen over de weg of spoort gelegen.

Transport gevaarlijke stoffen (kabel en leidingen) Ter plaatse van Haven West en Haven Oost bevinden zich diverse leidingen en kabels: een 8 bar hogedruk gastransportleiding met een diameter van 219,1 mm; een 100 mbar lage druk gastransportleiding; laagspanning 420 Volt; middenspanning 10.000 Volt; kabels van KPN; (hoofd)waterleiding. Van de bovenstaande kabels en leidingen is alleen de hogedruk gastransportleiding planologisch relevant. Het gaat om een 8 bar hogedruk gastransportleiding met een diameter van 219,1 mm/ De gasleiding loopt door de groenstrook ten westen van het plangebied. De vastgestelde veiligheidsafstanden van de gasleiding is een minimale bebouwingsafstand van 2 meter aan weerszijden van de leiding. De gasleiding kent geen PR. Ter bescherming van de leiding en de veiligheidsafstanden is de dubbelbestemming Leiding – Gas opgenomen. Gezien het voorgenoemde wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg staat.

4.7

Ontplofbare Oorlogsresten

Indien er zich ontplofbare oorlogsresten (OO) in de bodem bevinden, is dat een risico in het kader van de Openbare Veiligheid. Daardoor kan er bovendien tijdens de uitvoering van graafwerkzaamheden stagnatie van de werkzaamheden optreden en kunnen aanzienlijke kostenverhogingen ontstaan, waardoor mogelijk zelfs de haalbaarheid van een initiatief wordt beïnvloed. Het is van belang om duidelijkheid te krijgen over de aard en omvang van de situatie aangaande OO ten einde de veiligheid van personeel en de omgeving tijdens de realisatiefase op een verantwoorde wijze te kunnen waarborgen.

Planspecifiek Om inzicht te krijgen op de vraag in hoeverre er een kans bestaat op het aantreffen van OO in de ondergrond, is een brononderzoek uitgevoerd (Bijlage 10). Op basis van het brononderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Er zijn via algemeen toegankelijke bronnen in beperkte mate aanleidingen gevonden dat er tijdens de oorlog gebeurtenissen hebben plaatsgevonden waarbij mogelijk OO in het gebied achter gebleven zijn. Aangezien de uitvoering van de maatregelen inhoudt dat de bodem geroerd wordt, dient, in het kader van de ARBO-wet, een volledig vooronderzoek OO conform de huidige wet- en regelgeving (CS-VROO) onderzoek uitgevoerd te worden om een veilige werkomgeving te kunnen creëren. Hierbij wordt opgemerkt dat werkzaamheden welke worden uitgevoerd in naoorlogs reeds geroerde grond of werkzaamheden waarbij de grond niet geroerd wordt, regulier kunnen worden uitgevoerd zonder aanvullend vooronderzoek OO. Dus als er aangetoond kan worden dat de projectlocatie reeds geheel geroerd, kunnen de grondroerende werkzaamheden tot de geroerde diepte regulier worden uitgevoerd. Indien dit niet met zekerheid kan worden aangetoond, verdiend het dan ook Wonen Haven Oost Ommen Pagina 38 van 54

altijd de aanbeveling om alvorens grondroerende werkzaamheden te gaan uitvoeren, een vooronderzoek conform CS-VROO te laten uitvoeren. Opgemerkt wordt dat er tijdens de uitvoering altijd aandacht dient te zijn voor het aantreffen van onverwachte zaken en dat grondroerend personeel op de hoogte dient te zijn van het protocol voor toevalsvondsten. Indien tijdens het werk gestuit wordt op zaken die lijken op OO dient het werk altijd terstond gestaakt te worden en een deskundige geraadpleegd te worden. Het bellen van 112 is de meest eenvoudige route vanaf de werkplek naar een deskundige. Ten aanzien van de ontplofbare oorlogsresten zijn zowel de opdrachtgever als de opdrachtnemer verantwoordelijk voor de veiligheid van het uitvoerende personeel en de projectomgeving. Voor heel Nederland geldt dat er een risico is op toevalvondsten. De uitvoerende partij en werknemers dienen op de hoogte te zijn van de OO gerelateerde risico's. Het thema dient verankerd te zijn in het kwaliteitssysteem of in het V&G-plan. Zo mag de opdrachtgever van de opdrachtnemer verwachten dat deze periodiek een toolbox OO verzorgt voor al haar grondroerende en uitvoerende personeel. Behandeld dient te worden: wat zijn OO en hoe om te gaan met een toevallige vondst. Dit om de veiligheid van de werknemer en de projectomgeving te vergroten.

4.8

Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water.

Europees en nationaal beleid Duurzaam schoon oppervlaktewater en bescherming van het drinkwater voor de toekomst. Dat zijn heel in het kort de belangrijkste doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Waterbeheer 21e eeuw (WB21), die voortaan samengaan via het Nationaal Bestuursakkoord Water.

Europese Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat “een goede ecologische toestand”. Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand). In de geldende Europese richtlijnen en de EU richtlijn Prioritaire Stoffen staat precies omschreven wat een goede chemische toestand voor oppervlaktewater is. De ecologische doelstellingen stellen de lidstaten onderling vast in zogeheten (internationale) stroomgebiedbeheersplannen. Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype.

De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan Wonen Haven Oost Ommen Pagina 39 van 54

verschillen. Van 2010 tot 2015 is de eerste tranche uitgevoerd. De tweede tranche maatregelen loopt van 2016 tot 2021.

Waterwet De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de watersysteembenadering centraal. Er wordt uitgegaan van het geheel van relaties tussen waterkwaliteit, waterkwantiteit, oppervlaktewater, grondwater, watergebruikers en grondgebruikers. Hierbij wordt het kader geschept voor het Nederlandse waterbeheer in de komende decennia. Per 1 januari 2017 is de Waterwet gewijzigd. De beoordeling van de veiligheid van primaire waterkeringen wordt nu gebaseerd op de overstromingskans. In 2050 moeten de waterkeringen voldoen aan de normen die per 1 januari 2017 van kracht zijn.

Waterbeheer 21e eeuw WB21 anticipeert op toekomstige ontwikkelingen zoals klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelstijging. Deze ontwikkelingen stellen strengere eisen aan het waterbeheer. In WB21 wordt uitgegaan van twee principes (tritsen) voor duurzame waterkwantiteit- en duurzaam waterkwaliteitsbeheer: 1. vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren; 2. schoonhouden, scheiden en zuiveren. Bij 'vasthouden, bergen en afvoeren' wordt regenwater zoveel als mogelijk bovenstrooms vastgehouden in de bodem en het oppervlaktewater. Wanneer er toch een wateroverschot ontstaat wordt het water eerst tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en dan pas afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het om een voorkeursvolgorde waarbij de voorkeur uitgaat naar het voorkomen van verontreiniging (schoonhouden). Als toch verontreiniging ontstaat, moeten schoon en vuil water zoveel mogelijk worden gescheiden. Ten slotte wordt het verontreinigde water zo goed mogelijk gezuiverd.

Provinciaal beleid Provincie Overijssel heeft haar beleid vastgelegd in een omgevingsvisie en de omgevingsverordening. Op 12 april 2017 zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening vastgesteld. Hierin is het ruimtelijk beleid van de provincie vastgelegd. De Omgevingsvisie heeft tevens de status van Regionaal Waterplan onder de Waterwet en het Milieubeleidsplan onder de Wet milieubeheer.

Waterschapsbeleid Het beleid van het waterschap Vechtstromen is neergelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten ze in de samenwerking met haar partners willen leggen. Het beleid richt zich voor de planperiode 2016-2021 op de primaire taakgebieden: 3. 4. 5. 6.

Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater.

Het beleid van het waterschap zijn uitgangspunten voor de uitwerking van de toekomstige waterhuishouding in het plangebied.

Gemeentelijk beleid In het Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 (GRP) heeft gemeente Ommen vastgelegd hoe men Wonen Haven Oost Ommen Pagina 40 van 54

omgaat met het riolerings- en watersysteem voor een periode van vijf jaar (1 januari 2018 tot en met 31 december 2022). Hierin staat wat de gemeente heeft gedaan op het gebied van riolering, moet doen, wil doen, gaat doen, hoe dat wordt georganiseerd en wat het kost. Met het beleid wil men het volgende bereiken: Continueren van de samenwerking met de waterketenpartners. Verder optimaliseren van het beheer en onderhoud. Klimaatrobuust maken van ons riolerings- en watersysteem. Onze inwoners meer bewust maken van de processen die spelen rondom riolering en water (o.a. door inwonerparticipatie bij een aantal projecten). De ambities van het gemeentelijk beleid zijn als volgt samen te vatten: Kwaliteit leefomgeving: Water en groen in de kernen dragen bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Daarom wil men het water en groen behouden en verbeteren. De inrichting en het beheer is afhankelijk van de functie. We stemmen het beheer steeds beter op de functie af. Water systeem op orde brengen: We brengen het watersysteem (oppervlaktewater, grondwater en riolering) waar nodig op orde, voor nu en voor de toekomst. Daarbij houden we rekening met onder andere de klimaatontwikkeling en de rechtstreekse en indirecte gevolgen van het menselijk handelen in het stedelijk gebied. Ook zorgen we voor een goede ontwateringsstructuur.

We bereiden de woonkernen voor op de effecten van klimaatverandering. Water en ruimtelijke ordening: Water en riolering zijn in stedelijk gebied onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het is van belang dat bij ruimtelijke ontwikkelingen en processen vroegtijdig met water rekening wordt gehouden. Daardoor stijgt de kwaliteit van de leefomgeving en wordt het watersysteem versterkt: robuust en klimaatbestendig. Regenwater: Regenwater is een bron van schoon water. We gaan het niet mengen met afvalwater in een gemengd stelsel. We laten regenwater zoveel mogelijk daar waar het valt zodat het schoon de bodem in zakt. Of we vangen het op om oppervlaktewater mee te verversen. Grondwater: De gemeenten kiezen voor een gezamenlijke benadering van grondwaterproblematiek in bebouwd gebied, zoals het contact met de inwoner en de manier waarop de overlast in beeld wordt gebracht. De waterpartners zien grondwatermonitoring als een instrument om in concrete gevallen meer zicht te krijgen op de dynamiek van het grondwater. De waterpartners kiezen ervoor om projectmatig te meten, aan de hand van concrete, vooraf gedefinieerde en locatiegebonden onderzoeksvragen. De waterpartners zien geen noodzaak tot (structurele) grondwatermonitoring ter detaillering van de gebiedsdekkend grondwaterkaart (MIPWA) voor Noord-Nederland. Zo houden we de monitoringskosten voor onze grondwatertaken laag.

De keuze of, en welke maatregel er wordt getroffen blijft voor elke gemeente een eigen afweging. Energie: Energie speelt ook een rol bij water. We maken meer gebruik van de mogelijkheden die water te bieden heeft. Samen met onze waterketenpartners onderzoeken we welke andere combinaties tussen water en energie mogelijk zijn. Waterbewustzijn: Om meer waterbewustzijn te creëren, communiceren we gerichter naar inwoners over waterprojecten en leggen we uit wat goed rioolgebruik is. Waterkennis- en informatie: Samen met onze waterketenpartners verbeteren we onze kennis van het functioneren van het Wonen Haven Oost Ommen Pagina 41 van 54

watersysteem. Dit is belangrijk voor het maken van goede plannen en het nemen van beslissingen. We willen ons (gegevens)beheer op orde hebben. Afvalwater als bron: We beschouwen afvalwater meer en meer als een bron van grondstoffen. We onderzoeken hoe we het afvalwater nóg beter herbruikbaar kunnen maken. Dit doen we samen met onze waterketenpartners. Samenwerking waterketen: We gaan door met de samenwerking met omliggende gemeenten, de waterschappen en het waterbedrijf. Het levert ons veel voordelen op het gebied van kostenreductie, kwaliteitsverbetering, het verminderen van kwetsbaarheid en duurzaamheid.

Planspecifiek In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft een watertoets plaatsgevonden. Het volledige rapport met de watertoetsprocedure en de waterparagraaf is opgenomen in Bijlage 11. Navolgend is de waterparagraaf opgenomen.

Watertoetsproces In het kader van de watertoets is Waterschap Vechtstromen betrokken door het plan aan te melden via de digitale watertoets (dewatertoets.nl). De antwoorden op de vragen van de digitale watertoets hebben er toe geleid dat de normale procedure van het watertoetsproces is doorlopen. Er is een notitie opgesteld met de uitgangspunten voor het omgaan met wateraspecten. Deze notitie is vervolgens door Gemeente Ommen en Waterschap Vechtstromen vastgesteld. De afspraken voor zover relevant in het kader van het bestemmingsplan zijn opgenomen in deze waterparagraaf. Het uitgangspunt is dat er waterneutraal wordt gebouwd. Dit betekent een zodanige inrichting van het watersysteem dat er geen afwenteling naar andere gebieden plaats vindt. Dit houdt in dat neerslag op nieuw verhard opperlak moet worden vastgehouden/geborgen in het plangebied en er geen overlast optreedt bij de klimaatbui van 70mm/uur. Berging vindt bij voorkeur bovengronds plaats. Afvoer mag vervolgens niet tot overlast leiden benedenstrooms van het gebied. Er wordt een gescheiden systeem aangelegd tussen vuilwaterafvoer en regenwaterafvoer. Ook bestaande gebouwen worden waar mogelijk afgekoppeld. Het vuilwater wordt verzameld en getransporteerd door middel van een DWA-riolering zonder dat de mogelijkheid bestaat dat dit afvalwater in het oppervlaktewater terecht komt.

Watertoets Bodem en grondwater Binnen het plangebied heeft het maaiveld een hoogteverschil van circa 1,3 meter met het hoogste punt aan de zuidwestzijde op NAP+7,80 meter en het laagste punt aan de noordoostzijde op NAP+6,45 m. Het grondwater in het plangebied loopt in zuidelijke richting naar de Vecht. Op basis van boringen en een korte grondwatermeting is een GHG ingeschat op NAP+5,20m, oftewel circa 1 tot 2,5 meter beneden maaiveld. Er zijn geen aanwijzingen dat er binnen de kern sprake is van wateroverlast. De bodem van het plangebied bestaat uit zandige gronden met een doorlatendheid van 0,7 tot 3,0 m/dag. De bodem is daarmee geschikt om regenwater te infiltreren. In de toekomstige situatie zal de hoogteligging aangesloten worden op Haven Oost en de parkzone tussen Haven Oost en Haven West. Het vloerpeil ligt bij voorkeur 30 cm boven het wegpeil.

Wonen Haven Oost Ommen Pagina 42 van 54

Regenwater afvoer In en nabij het plangebied komt geen oppervlaktewater voor. Regenwater infiltreert op de onverharde oppervlakken en vanaf de verharde oppervlakken stroomt het af naar de gemende riolering. In de groenstrook tussen Haven Oost en Haven West ligt een RWA-riool die afvoert in noordelijke richting naar de Dante vijvers. Het plangebied is hier in de huidige situatie nog niet op aangesloten. In de toekomstige situatie wordt de afvoer vertraagd zodat benedenstroomse wateroverlast zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het regenwater wordt geborgen in onder- en bovengrondse bergingsvoorzieningen. Vanuit daar kan het infiltreren in de bodem. Het overtollige water kan afstromen naar het bestaande RWA-riool aan de westzijde van het plangebied en wordt zo afgevoerd in noordelijke richting.

Regenwater berging Op basis van de regiekaart en de luchtfoto uit 2006 is een inschatting gemaakt van het toekomstige verharde oppervlak en van het huidige verharde oppervlak. Voor de toename in verhard oppervlak (0.43 hectare) dient 55 mm berging aangelegd te worden. Voor het bestaande verharde oppervlak (2.83 hectare) is dit 20 mm berging. Dit komt overeen een bergingsopgave van 803m³ voor het plangebied. Berging wordt bij voorkeur bovengronds gerealiseerd in wadi's wanneer dit niet mogelijk is zal de berging in ondergrondse voorzieningen worden gerealiseerd.

Vuilwater In het plangebied ligt een gemengd rioolstelsel. De riolen voeren grotendeels in zuidelijke richting af naar het riool in de Trompstraat. Een ander deel stroomt in noordelijke en daarna oostelijke richting af naar riool in de Ommeresstraat. Riolering in de Ommeresstraat sluit aan op het riool in de Strangeweg dat in westelijke richting afgevoerd. In de toekomstige situatie wordt het afvalwater in een nieuw DWA-stelsel opgevangen. Het stelsel wordt aangesloten op de bestaande riolering in de Haven Oost en de Ommeresstraat. Vanuit daar wordt het in dezelfde richting afgevoerd als in de huidige situatie het geval is.

4.9

Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en houtopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in standhouden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en Wonen Haven Oost Ommen Pagina 43 van 54

specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Omdat de uitvoering van de beoogde ontwikkeling mogelijk negatieve gevolgen heeft voor beschermde natuurwaarden heeft er een natuurtoets plaatsgevonden waarbij de ontwikkelingen zijn getoetst aan het beschermingskader van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (Bijlage 12). Op basis van dit onderzoeken kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Soortenbescherming In het plangebied is één nestlocatie van huismus vastgesteld bij Haven Oost nummer 16. Nesten van huismus zijn jaarrond beschermd. Bij eventuele sloopwerkzaamheden gaat de nestlocatie verloren. Ook zijn enkele algemeen voorkomende vogels als ekster, merel, houtduif, winterkoning, zwartkop, tjif-tjaf en roodborst broedend aangetroffen/ te verwachten. In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. De werkzaamheden leiden ook niet tot aantasting van onmisbare foerageergebieden of vliegroutes. Overige beschermde soorten worden niet verwacht in het plangebied. Bij de geplande ingrepen kunnen wel enkele exemplaren en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren en amfibieën met een provinciale vrijstelling verloren gaan. Voor deze soorten geldt in voorliggende situatie een provinciale vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstap-pen voor deze soorten niet aan de orde is.

Gebiedsbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden, op 350 meter afstand. Gezien de aard van het voornemen en de tussenliggende afstand en bebouwing zijn - met uitzondering van stikstof - geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden te verwachten. Het plangebied ligt buiten het NNN, op 350 meter afstand. Vanwege de aard en omvang van het plan, de tussenliggende bebouwing en de reeds bestaande stedelijke omgeving heeft de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Het onderdeel 'soortbescherming' van de Wet natuurbescherming staat de wijziging van de bestemming niet in de weg omdat er uitzicht is op ontheffing voor huismus. Indien het huismusnest bij uitvoering van de plannen wordt verstoord of verwijderd, dient een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag. Werkzaamheden die broedbiotopen van aanwezige vogels beschadigen moeten altijd worden voorkomen. Dit is voor de te verwachte soorten mogelijk door de werkzaamheden in elk geval op te starten na 15 november en voor 15 februari. Indien werkzaamheden in de periode half februari tot half november worden opgestart wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole door een ter zake deskundige uit te voeren.

Vervolgstappen voor vogels (m.u.v. huismus) zijn niet aan de orde, mits rekening gehouden wordt met het broedseizoen. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, maar is het van belang of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Wonen Haven Oost Ommen Pagina 44 van 54

Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie op Natura 2000 in kaart te brengen. Verwezen wordt naar paragraaf 4.10.

4.10

Stikstofdepositie

Met de Wet natuurbescherming (Wnb) worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van de depositie van stikstof (in de vorm van stikstofoxiden en ammoniak) een probleem met de realisatie van de instandhoudings-doelstellingen van habitattypen en leefgebieden. Nieuwe ontwikkelingen die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben kunnen hierdoor negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatiefase en/of gebruiksfase van de ontwikkeling. Met het rekenmodel AERIUS Calculator kan de stikstofdepositie (in mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden ten gevolge van de planontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende situaties ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden op beschermde stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van beschermde soorten.

Planspecifiek Voor het bestemmingsplan Haven Oost is het effect op de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden berekend met AERIUS Calculator 2020 (Bijlage 13). De aanlegfase leidt tot een maximale depositietoename van 0,09 mol/ha/jaar bij een uitvoeringstermijn van 1 jaar. Voor de gebruiksfase zijn toenames van de stikstofdepositie lager dan 0,00 mol N/ha/jaar berekend. Negatieve effecten op beschermde stikstofgevoelige habitattypen of stikstofgevoelige leefgebieden van beschermde soorten kunnen worden uitgesloten op basis van de redenatie voor kleine, tijdelijke deposities (zie paragraaf 2.3 van de notitie). Op grond hiervan is het plan uitvoerbaar voor het onderdeel stikstofdepositie en is er geen vergunningplicht Wet Natuurbescherming voor het aspect stikstofdepositie.

4.11

Verkeer en parkeren

In het kader van de beoogde ontwikkeling van Haven Oost is er een notitie opgesteld voor de verkeersgeneratie en parkeerbalans (Bijlage 14). 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan weg rijdt.

Planspecifiek De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van kencijfers van het CROW. De gemeente Ommen is een weinig stedelijke gemeente en het plangebied ligt in de rest van de bebouwde kom. Voor de berekening van de verkeersgeneratie is in analogie met de parkeernormennota uitgegaan van de minimum kencijfers. Voor het vrachtverkeer is uitgegaan van 0,02

Wonen Haven Oost Ommen Pagina 45 van 54

verkeersbewegingen per woning per weekdag. In totaal bedraagt de verkeersgeneratie per etmaal 1.282 verkeersbewegingen met licht verkeer en 3,8 verkeersbewegingen met zwaar verkeer. De Haven Oost is momenteel een doorgaande route tussen de Hardenbergerweg en de Strangenweg. Op het grootste gedeelte geldt een maximumsnelheid van 50 km/u. Als onderdeel van de ontwikkeling van Haven Oost worden er maatregelen genomen om sluipverkeer tegen te gaan en het leefklimaat in Haven Oost en Haven West te verbeteren. De twee maatregelen zijn: verlagen van de maximumsnelheid naar 30 km/u, maken van een knip ten noorden van de huidige Welkoop. De knip heeft als doel om sluipverkeer te weren en de verkeersveiligheid te verhogen. De knip wordt wel passeerbaar voor langzaam verkeer. De Haven Oost vormt door het rustigere verkeersbeeld ook minder een scheiding tussen het woongebied Haven Oost en de groene structuur in het Havenpark. 4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.

Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.

Planspecifiek De parkeerbalans voor Haven Oost is opgesteld aan de hand van de parkeernormennota van de Gemeente Ommen. De parkeernormennota gaat uit van de minimale kengetallen uit CROW-publicatie 381. Het gebruik van de minimale parkeernorm wordt verdedigbaar geacht vanuit de duurzaamheidsgedachte. Parkeren wordt grotendeels op eigenterrein opgelost de overige parkeerplaatsen worden voorzien in openbaargebied. Voor de verschillende type woningen zijn de normen gehanteerd zoals opgenomen in onderstaande tabel.

Koop type

Norm

Aanta Aantal Huur type l woni parkee ngen rplaats en

Norm

Vrijstaand

1,9

20

38

Vrije sector

1,6

2/1 kap

1,8

14

25,2

Sociaal

1,2

15

18

Rij

1,6

46

73,6

App - duur

1,7

App - VS

1,5

13

19,5

App - midden 1,5

App - soc

1

12

12

App - gk

App - zorg

1

9

9

1,2

Aanta Aanta l woni l park ngen eerpla atsen

Wonen Haven Oost Ommen Pagina 46 van 54

In bovenstaande tabel is het aantal woningen weergegeven per type dat beoogd is. In de tabel zijn ook de drie woningen (huidige bedrijfswoning + twee woningen op het achtererf) aan de zuidzijde van het plangebied meegenomen. Voor de woningen zijn daarmee in totaal 196 parkeerplaatsen benodigd. Hiervan worden er 126 op eigen terrein gerealiseerd en 70 parkeerplaatsen worden in het openbaar gebied mogelijk gemaakt. Voor het beoogde kantoorgebouw geldt een parkeernorm van 2,3 per 100 m² bvo. Het kantoor krijgt een bvo van ca. 800 m² daarmee zijn op basis van de parkeernorm 19 parkeerplaatsen nodig. Deze parkeerplaatsen worden ten noorden van het kantoorgebouw op eigenterrein mogelijk gemaakt. Voor de loods wordt de parkeernorm voor gemengd gehanteerd. Hiervoor geldt een norm van 1,7 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Met 1.500 m² bvo zijn hiervoor 26 (25,5) parkeerplaatsen benodigd. Daarnaast zijn in de loods 12 sociale huur appartementen beoogd en ten oosten van de loods zijn 9 zorgwoningen beoogd (deze woningen zijn opgenomen in bovenstaande tabel. Voor elk van deze woningen is 1 parkeerplaats nodig. In totaal zijn daarmee 47 (26 + 12 + 9) parkeerplaatsen benodigd. Deze parkeerplaatsen worden ten noorden van de loods gerealiseerd. In de bijlage van Bijlage 14 is de totale parkeerbalans opgenomen. De ontwikkeling voorziet in voldoende parkeergelegenheid.

4.12

Cultuurhistorie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

Planspecifiek Haven Oost heeft een aantal kenmerken die het karakter bepalen. Nog niet eens zo heel lang geleden lag dit gebied ten oosten van het verbindingskanaal en de haven van Ommen. Het plangebied was een industrieterrein dat aan de haven lag. Niet veel herinnert meer aan de haven of het kanaal, maar het gebied heeft nog wel het karakter van een werkgebied. De deels vervallen en deels nog in gebruik zijnde loodsen en werkgebouwen herinneren in functie en structuur nog aan deze geschiedenis. De ontwikkeling van Haven Oost vormt samen met het bijna geheel opgeleverde Haven West een kans om het voormalige havenbekken tot een betekenisvolle groenstructuur te maken voor Ommen. Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle panden aanwezig. Wel zou de groenstrook tussen Haven Oost en Haven West, de ligging van het vroege haven, als cultuurhistorisch waardevol aangemerkt kunnen worden. Deze groenstrook wordt in stand gehouden waardoor de cultuurhistorische waarde niet wordt aangetast. Buiten het plangebied is een cultuurhistorische waardevol bouwwerk gelegen die van invloed is op het plangebied: De Korenmolen de Lelie. De molen is een rijksmonument met een recreatief gebruik waar ook een winkel is gevestigd. De molen bevindt zich op een afstand van ca. 100 meter ten westen van het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10839023/1