3. Ruimtelijke motivering BOPA Ommen, Bermerstraat 1
Tekst van het document
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept van verouderde bedrijfsbebouwing en het realiseren van nieuwe duurzame bebouwing die voldoen aan de hedendaagse eisen en wensen. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Ommen. Hierna wordt ook nog puntsgewijs aan de spelregels voor flexibiliteit rond ontwikkel- en gebruiksruimte: • •
• • •
4.4.2
Ad 1 en 2: direct omwonenden zijn vroegtijdig geïnformeerd over het project. Ad 3: binnen het initiatief is voldoende aandacht voor het aspect duurzaamheid. De nieuw te realiseren bebouwing zal voldoen aan de nieuwe BENG (Bijna-Energieneutraal Gebouw) eisen, de steeds oplopende Rc-waardes en er zal gebruik worden gemaakt van de laatste installatietechnieken. Daar bovenop bestaat het voornemen om de nieuwe bebouwing boven de minimale Rc-waardes te realiseren. Dit betreft een grote verbeteringsslag ten opzichte van de bestaande aanwezige bebouwing. Ad 4: de huidige bebouwing binnen het projectgebied is verouderd. De kwaliteitsimpuls vertaalt zich in voorliggend geval in het slopen van verouderde bebouwing en het realiseren van nieuwe duurzame bebouwing die voldoen aan de hedendaagse eisen en wensen. Ad 5: door het perceel een passende vervolgfunctie te geven wordt bijdragen aan de leefbaarheid van de omgeving. Ad 6: uit deze toelichting blijkt dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op de omgevingskwaliteit, leefbaarheid of duurzaamheid. Woonvisie Ommen
4.4.2.1 Algemeen De gemeente Ommen heeft een nieuwe actuele en moderne woonvisie opgesteld. Hierin wordt de visie op het wonen in Ommen in 2025 verwoord. De woonvisie vormt de basis voor strategische afwegingen, die de gemeente maakt op het gebied van wonen. De vraag hoe de woonaantrekkelijkheid van Ommen kan worden versterkt staat hierbij voorop. Daarnaast hebben enkele belangrijke thema’s die spelen in Ommen een plek gekregen. De focus ligt op de bestaande voorraad, inclusief de opgaven die daarmee samenhangen. Nieuwbouw is daaraan complementair. Nieuwbouw blijft nodig om in de behoefte te voorzien en in te kunnen spelen op de verwachte huishoudengroei. Voorts wordt omschreven welke inzet de gemeente pleegt voor groepen die zonder steun moeite hebben om een passende woning te vinden en hoe ingespeeld wordt op de veranderingen in het kader van het scheiden van wonen en zorg. 4.4.2.2 Wensbeeld 2025 Het belangrijkste onderdeel van de woonvisie is het wensbeeld van Ommen in 2025. In de woonvisie wordt uitgewerkt hoe de gemeente Ommen dit wensbeeld wil bereiken. Het wensbeeld sluit aan op de missie die is verwoord in het Ommer Motief: “Ommen ontwikkelt zich op een duurzame wijze, uitgaande van haar kernkwaliteiten, tot een groene, gastvrije en geïnspireerde verblijfsgemeente.
Een leefbare gemeente voor iedereen die er woont, werkt of recreëert.” 4.4.2.3 Pijlers van het woonbeleid Het woonbeleid is uitgewerkt in drie pijlers. Per pijler worden de ambities beschreven, omschreven wat er speelt en welke maatregelen de gemeente neemt om deze ambitie te bereiken. Pijler 1: Dé plek om te wonen Ommen is dé plek om te wonen. Er is een aantrekkelijk centrum in de stad Ommen, waarbij de haven een extra impuls geeft. De kwaliteit van de omgeving is goed en het voorzieningenniveau is hoog. Hier zijn woningen gerealiseerd die in veel gevallen goed aansluiten op de wensen van senioren. De kwaliteit van de bestaande voorraad in Ommen is verbeterd, de wijken bieden onderscheidende woonmilieus. De woningen die door verhuizende senioren vrijkomen, worden door jonge inwoners uit Ommen betrokken. De kernen zijn vitaal en de kwaliteit van het buitengebied is versterkt. Door deze kwaliteitsimpuls weten vertrokken Ommenaren ons weer te vinden en blijven jonge gezinnen in de gemeente wonen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept Woningbouw in de kleine kernen en bij vrijkomende agrarische bebouwing faciliteert de gemeente bij concrete behoefte van onderop, van de inwoners zelf. Daarnaast is het van belang dat met deze woningbouw een bijdrage geleverd worden aan de vitaliteit/leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit. Om er voor te zorgen dat huishoudens in Ommen blijven wonen en vertrokken Ommenaren zich weer in Ommen willen vestigen moeten woningen beschikbaar zijn, die passen bij de wensen en financiën van deze groepen en moet de woonomgeving aantrekkelijk genoeg zijn. Voorwaarden hiervoor zijn: 1. Hoogwaardig centrum van de stad Ommen; 2. Woonmilieus met onderscheidende kwaliteiten behouden en toevoegen; 3. Vitale kernen en platteland. Pijler 2: Passende woningen voor kwetsbare doelgroepen De gemeente zorgt met de corporatie, dat er voldoende passende woningen zijn voor de kwetsbare doelgroepen. Kwetsbare doelgroepen zijn doelgroepen die niet zonder extra maatregelen aan een passende woonruimte kunnen komen. De komende tien jaar wil de gemeente de voorraad sociale huurwoningen voor huishoudens met een laag inkomen vergroten, terwijl deze daarna waarschijnlijk weer af mag nemen naar ongeveer het huidige aantal van 1.250 woningen. De gemeente vindt de betaalbaarheid voor alle inkomensgroepen belangrijk.
De doelen in het kader van de ambitie om voldoende passende woningen voor de kwetsbare doelgroep zijn: 1. Betaalbaarheid; 2. Voorkomen dakloosheid; 3. Duurzame, levensloopgeschikte en betaalbare woningen; 4. Gedifferentieerde wijken; 5. Kwantitatief aanbod.
Pijler 3: Het is goed oud worden in Ommen, ook in de kleine kernen Het is goed oud worden in Ommen, ook in de kleine kernen. Mensen kunnen zelfstandig in de kernen blijven wonen, ook bij een zorgbehoefte. Zo behouden ze hun sociale netwerk. Het voorzieningen- en dienstenaanbod zijn hierop ingericht. Senioren hebben daarnaast de keuze om zich rondom het centrum van de stad Ommen te vestigen. Hier is er een aantrekkelijk woningaanbod voor senioren, met een volwaardig voorzieningen- en dienstenaanbod. De voorwaarden om bovenstaande ambitie te bereiken zijn: 1. Mensen kunnen zelfstandig in de kernen blijven wonen, ook bij een zorgbehoefte; 2. Voldoende voorzieningen om de zelfredzaamheid van kwetsbaren te waarborgen; 3. Senioren in nieuwbouw rondom het centrum én in de bestaande voorraad. 4.4.2.4 Woningmarkt van Ommen Het aantal huishoudens neemt volgens de Primosprognose 2013 nog toe tot circa 7.801 in 2035. Daarna vindt er een stabilisering plaats. Dit betekent dat het aantal woningen tot 2035 nog mag groeien. In de jaren 2014 t/m 2024 groeit het aantal huishoudens naar 7.655, dus met ruim 600, gemiddeld 60 huishoudens en dus woningen per jaar. Tussen 2025 en 2035 zal de groei geleidelijk afnemen. Deze periode wordt de toename van het aantal huishoudens en dus woningen geschat op gemiddeld 15 per jaar. Een deel van deze groei komt door terugkeerders.
Voor het vasthouden van de eigen bevolking, is een groter aanbod betaalbare woningen nodig. Dit hoeft niet alleen gezocht te worden in nieuwbouw. Aanbod kan ook gecreëerd worden door doorstroming te bevorderen. Er zijn kansen voor de gemeente om zich te profileren als aantrekkelijke vestigingslocatie voor jongere huishoudens die weer terug willen naar Ommen en in de regio Zwolle werkzaam zijn. Zij zijn belangrijk
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept voor de stabiliteit van de Ommer samenleving. Zij zitten in de gezinsfase en leveren vaak een bijdrage aan het sociale netwerk/verenigingsleven in de gemeente. Woningen met een gunstige prijskwaliteitverhouding kunnen hen verleiden terug te keren zodra zij in de gezinsfase belanden. De nabijheid van Zwolle en de hoge kwaliteit van de omgeving en van een aantal kernen, de goede voorzieningen en het redelijke prijsniveau, zijn aantrekkelijk voor deze huishoudens die bereid zijn om te reizen voor hun werk. Dit zijn merendeels huishoudens met een hoger inkomen (vanaf anderhalf keer modaal). Deze huishoudens zijn alleen bereid om te reizen, als zij een aantrekkelijke woning kunnen vinden in een onderscheidende woonomgeving. Dit vraagt om een sterk imago en het verstrekken van de woonkwaliteit, ook van het buitengebied. 4.4.2.5 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk woonbeleid Voorliggend initiatief voorziet in appartementen nabij voorzieningen in het centrum van Ommen. Hiermee kunnen meerdere doelgroepen bediend worden en in het bijzonder starters en senioren. Kwalitatief gezien wordt hiermee naadloos aangesloten op de ‘Woonvisie Ommen 2015-2025’. Kwantitatief gezien is er de komen jaren nog voldoende ruimte voor de voorgenomen ontwikkeling (zie ook paragraaf 3.3.1).
Hiermee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan de woningbehoefte in de gemeente Ommen. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de ‘Woonvisie Ommen 2015-2025’. 4.4.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
De voorliggende ruimtelijke ontwikkeling is in overeenstemming met beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de voorgenoemde beleidsstukken.
de
gemeentelijke
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingsveiligheid
Wettelijk kader
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk; Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik; Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven; Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik;
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 5.2
Situatie in en bij het projectgebied
Aan de hand van de omgevingsveiligheidskaart in de Atlas Leefomgeving is een verkenning gedaan naar de risicobronnen in de omgeving. In afbeelding 5.1 is een uitsnede gemaakt van de situatie rondom het projectgebied, waarbij het projectgebied met een rode ster is aangeduid. In de omgeving van het projectgebied zijn geen risicobronnen gevonden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept
Afbeelding 5.1
5.3
Omgevingsveiligheid (bron: Atlas Leefomgeving)
Conclusie
Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept
Hoofdstuk 6
Beschermen van de waterbelangen
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; Nederland moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; De zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Beleid Waterschap
Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen.
Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: •
• •
Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem.
6.2
Watertoetsproces en waterhuishouding projectgebied
6.2.1
Watertoets
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het project worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Waterhuishoudkundige aspecten
Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is het wateradvies. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van het wettelijk verplichte wateradvies is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Deze standaard waterparagraaf heeft betrekking op het project Bermerstraat 1 en is meegenomen als bijlage 1.
Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die aan het einde van planperiode 3 (2022-2027) moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in de watervisie 2050 en het Waterbeheerplan 2022-2027. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast zijn de waterschapsverordening en legger van Waterschap Vechtstromen belangrijk regelstellende instrumenten waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsprogramma/-plan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.
Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe “eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren” is hierbij leidend. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.
Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.
Wateraspecten projectgebied (Waterhuishouding) • • • • •
Het project loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het project heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er, in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500m2. Het projectgebied bevindt zich niet binnen een beperkingengebied of herinrichtingszone langs een waterloop, overige/regionale kering, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied.
Voorkeursbeleid hemelwater In het project wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld: Een gemengd stelsel: Vuilwater en hemelwater wordt gescheiden aangelegd tot aan de perceelsgrens. Hemelwater wordt zoveel als mogelijk geïnfiltreerd op het perceel alvorens het tot afvoer komt.
Aanleghoogte van de bebouwing
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Indien ontwateringsdiepte niet kan worden gehaald adviseren wij kruipruimteloos te bouwen. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt ernaar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen.
Proces Wateradvies De initiatiefnemer heeft het waterschap Vechtstromen geïnformeerd over het project door gebruik te maken van het digitale wateradvies. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de korte procedure van het wateradvies is toegepast. De bestemming en de grootte van het project hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van het wateradvies is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies af voor dit project.
6.3
Conclusie
Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept
Hoofdstuk 7
Bescherming gezondheid en het milieu
Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties houdt het bevoegd gezag op basis van afdeling 5.1.4 van het Bkl rekening met het beschermen van de gezondheid en het milieu. Hieronder zijn de onderwerpen weergegeven waarvoor in deze afdeling instructieregels zijn gesteld en wordt aangegeven of deze relevant zijn voor dit project. Onderwerp Kwaliteit van de buitenlucht Geluid door activiteiten Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Geluid rond luchthavens Trillingen Slagschaduw van windturbines Bodemkwaliteit Geur
Relevante instructieregels Bkl Paragraaf 5.1.4.1
Relevant voor het project?
Paragraaf 5.1.4.2
Ja, zie paragraaf 7.1.
Paragraaf 5.1.4.2a
Ja, zie paragraaf 7.1.
Paragraaf 5.1.4.3
Nee, het projectgebied ligt niet nabij een luchthaven. Nee, het projectgebied ligt op 900 meter afstand van de dichtstbijzijnde spoorlijn. Nee, nabij het projectgebied bevinden zich geen windturbines. Ja, zie paragraaf 7.2. Ja, zie paragraaf 7.4.
Paragraaf 5.1.4.4 Paragraaf 5.1.4.4a Paragraaf 5.1.4.5 Paragraaf 5.1.4.6
Ja, zie paragraaf 7.3.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘duurzaamheid en klimaatadaptatie’ behandeld.
7.1
Geluid door activiteiten
7.1.1
Wettelijk kader
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt afdeling 3.5 van het Bkl regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De geluidsgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.21 van het Bkl. Het betreffen gebouwen of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de in paragraaf 5.1.4.2 Bkl opgenomen instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden gelden op basis van artikel 7.11 Bkl specifieke regels. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties zelf de mate van bescherming tegen geluid. 7.1.2
Situatie projectgebied
Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Geluid door wegen en spoorwegen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept De geluidsaandachtsgebieden van Rijks-, provinciale, gemeente-, waterschaps- en spoorwegen worden opgenomen in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Indien door de wegbeheerder nog geen geluidaandachtsgebieden zijn berekend, gelden de volgende afstanden: • • •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
Het projectgebied ligt in het centrum van Ommen, in de buurt van een aantal wegen. Daarom is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Zie bijlage 2. Uit dit onderzoek bleek dat de geluidbelasting als gevolg van de gemeentelijke wegen maximaal 47 dB bedraagt. Dit valt onder de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl. Gelet op vorenstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het projectgebied. Geluid door industrieterreinen Het projectgebied ligt niet in de buurt van een industrieterrein. Geluid door overige geluidbelastende activiteiten Om eventuele hinder van overige geluidbelastende activiteiten te beoordelen, wordt gebruik gemaakt van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan ‘het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige gebouwen anderzijds.’ Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In 2024 is er een nieuwe handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ uitgebracht. De nieuwe handreiking is bedoeld voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en andere werkterreinen en het inwaarts zoneren daarvan.
De handreiking biedt handvatten om op grond van het Bkl een aanvullende regeling in het omgevingsplan op te nemen waarmee geluid- en geurwaarden die normaal op de gevel van een geluids- of geurgevoelig gebouw gelden, op een andere locatie te laten gelden. Gedurende de overgangsfase onder de Omgevingswet is er in veel gevallen echter nog sprake van het omgevingsplan van rechtswege, waar de bestemmingsplannen onderdeel van uitmaken. Hiermee is de zoneringssystematiek uit 2009 nog aan de orde, waardoor de nieuwe handreiking niet aansluit op het omgevingsplan. Daarom kan nog gebruik worden gemaakt van de systematiek uit 2009. Volgens deze systematiek dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Voorliggend initiatief bevindt zich in een centrumgebied. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden opgenomen. Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Om de richtafstanden te bepalen wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ onderscheid gemaakt tussen gebiedstypen. Naast de gebiedstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’ is er een derde categorie, te weten ‘gebieden met functiemenging’. Hier kunnen milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gelegen zijn of worden gesitueerd. In deze
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept gebieden is het niet goed mogelijk om functiescheiding toe te passen. Denk bijvoorbeeld aan stads- en wijkcentra, horecaconcentraties en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om meer levendigheid tot stand te brengen. De richtafstandenlijst is voor gebieden met functiemenging niet toepasbaar. Voor deze gebieden heeft de VNG een ‘Staat van Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging’. Hierin zijn alle milieubelastende activiteiten opgenomen, die in principe in een gebied met functiemenging kunnen worden toegelaten. De milieubelastende activiteiten zijn ingedeeld in categorie A, B of C. • • •
A: activiteiten die zo weinig milieubelastend voor de omgeving zijn, dat ze in gebieden met functiemenging aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend; B: activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor de omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies plaats moeten vinden. C: De activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur zijn aangewezen.
Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten gelden samengevat de volgende randvoorwaarden: • • •
het gaat om kleinschalige, vaak ambachtelijke bedrijvigheid; productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen overdag plaats; activiteiten (inclusief opslag) gescheiden hoofdzakelijk inpandig;
activiteiten met een hoge vervoersintensiteit moeten beschikken over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur. Het initiatief betreft 14 appartementen, waarvan een deel van de begane grond als winkel gebruikt zal worden. Dergelijke bedrijven/inrichtingen vallen op basis van functiemengingsgebieden in de categorieën A en B van de VNG-brochure. Deze functies kunnen inpandig aan woningen worden uitgevoerd (categorie A) of dienen bouwkundig afgescheiden te zijn van woningen of andere gevoelige functies (categorie B). In voorliggend geval is er een bouwkundige scheiding tussen de beoogde woningen en de in de omgeving voorkomende centrumfuncties. Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden omliggende milieubelastende functies niet (verder) in de bedrijfsvoering belemmerd. 7.1.4
Conclusie
De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid.
7.2
Bodemkwaliteit
7.2.1
Wettelijk kader
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu heeft het Rijk voor het aspect bodem instructieregels opgesteld. Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Bij het vaststellen van die waarden wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een omgevingsplan kan per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Het omgevingsplan kan ook hogere waarden bevatten dan de waarden, bedoeld in bijlage IIA. Een omgevingsplan bepaalt tevens dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept 7.2.2
Situatie projectgebied
In voorliggend geval is door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5725 en NEN 5740 uitgevoerd ter plaatse van het projectgebied. Hierna wordt kort op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 3. • •
• • •
Zintuiglijk en analytisch zijn in de vaste bodem, ter plaatse van de verdachte locaties, geen oliecomponenten waargenomen. Zintuiglijk zijn in de bodem sporen tot zwakke bijmengingen aan puin waargenomen in de bodemlaag vanaf 0,5 tot maximaal 2,0 m-mv. In het analytische onderzoek zijn in de fractie >0,5 mm en <20 mm geen gewogen asbest aangtoond. In de fractie <0,5 mm zijn geen vrije vezels aangetroffen. In de vaste bodem op het overige terrein zijn licht verhoogde gehalten aan kwik en lood aangetoond. De aangetoonde gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. In het grondwater zijn geen gehalten aangetoond boven de streefwaarden. Op basis van de onderzoeksresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd en bestaan geen bezwaren voor de voorgenomen aankoop en herinrichting. Bij de ontwikkeling van de locatie te werken met een gesloten grondbalans. Indien grond vrijkomt en van de locatie wordt afgevoerd is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing (Bbk). De aangetoonde verhogingen in de vaste bodem kunnen, bij toetsing aan het Bbk, beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)-gebruik elders. Af te voeren grond dient eventueel AP-04 te worden ingekeurd, voor de bepaling van de definitieve afzetmogelijkheden.
De projectlocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 7.2.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.3
Luchtkwaliteit
7.3.1
Wettelijk kader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze instructieregels gelden rijksomgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) en/of fijnstof (PM10) en zijn aangewezen in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Voor activiteiten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project valt onder NIBM als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de standaardgevallen niet in betekenende mate valt, zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept 7.3.2
Situatie projectgebied
Conform artikel 5.54 sub b van het Bkl valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van: • • •
één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Gelet op de aard en omvang van deze gevallen, is er in dit geval zonder meer sprake van een project dat ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 7.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.4
Geur
7.4.1
Wettelijk kader
Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een woonfunctie. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Activiteiten waarvoor deze regels gelden zijn onder andere het exploiteren van zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (veehouderijen) en andere agrarische activiteiten. 7.4.2
Situatie projectgebied
De woningen worden aangemerkt als geurgevoelige objecten. In de nabije omgeving van de projectlocatie zijn echter geen geurbronnen aanwezig. Ook zijn de woningen zelf geen geurbronnen. 7.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.5
Trillinghinder
7.5.1
Wettelijk kader
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillinghinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In het omgevingsplan zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Bkl staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept 7.5.2
Situatie projectgebied
In dit geval bevindt de dichtstbijzijnde spoorlijn zich op ca. 900 meter van het projectgebied. Op basis van de SBR-richtlijn, de Beleidsregel Trillinghinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen bedraagt de gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillinghinder als gevolg van een spoorweg kan optreden 100 meter van het spoor wat kan worden uitgebreid tot 250 meter. Onderzoek is daarom niet noodzakelijk. 7.5.3
Conclusie
Het aspect ‘trillingen’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
7.6
Gezondheid
7.6.1
Wettelijk kader
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. 7.6.2
Situatie projectgebied
Het toevoegen van 14 gelijkvloerse en goed bereikbare appartementen draagt bij aan de gezondheid van ouderen in deze woningen: zij kunnen zelfstandig blijven wonen en hebben minder risico op ongelukken (bijvoorbeeld van de trap vallen). Verder zal de realisatie van de appartementen en de winkelruimten de gezondheid van andere mensen niet onevenredig verslechteren. 7.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
7.7
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
7.7.1
Wettelijk kader
Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p Ow). Met het oog op deze doelen wordt het plan aan de omgevingsaspecten ‘duurzaamheid’ en ‘klimaatadaptatie’ getoetst. 7.7.2
Situatie projectgebied
De woningen zullen gasloos gebouwd worden. Ook zullen er zonnepanelen komen. Daarbij wordt bij de bouw gebruik gemaakt van de meest recente bouweisen, wat zorgt voor een verbetering ten opzichte van de huidige situatie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept 7.7.3
Conclusie
Het project houdt in voldoende mate rekening met duurzaamheid en klimaatadaptatie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept
Hoofdstuk 8
Bescherming van de natuur
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om de bescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, beschermde flora en fauna en regels ter bescherming van houtopstanden.
8.1
Gebiedsbescherming
8.1.1
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk project dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen kan het project worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •
8.1.2
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 8.1.3
Houtopstanden
Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Omgevingswet als bepaald in artikel 11.111 van het Bal. Dit geldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. Op basis van dit artikel kan tevens een herplantplicht gelden. • •
De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000 m²); De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept 8.1.4
Situatie projectgebied
8.1.4.1 Natura 2000-gebieden Het projectgebied bevindt zich op ca. 525m van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, namelijk het gebied ‘Vecht- en Beneden-Reggengebied. Gelet op de ruimte afstand is directe hinder, bijvoorbeeld in de vorm van geluid of lichthinder, uitgesloten. Naast directe hinder kan er ook sprake zijn van indirecte hinder in de vorm van stikstofdepositie. Om dit te beoordelen, is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd met behulp van de AERIUS-calculator. Dit onderzoek is te vinden in bijlage 3. Uit het onderzoek blijkt dat voor de aanleg- en gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr stikstofdepositie. Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. 8.1.4.2 NNN-gebieden Het dichtstbijzijnde gebied dat tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) hoort, bevindt zich op circa 120 meter van het projectgebied. Gelet op deze afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling is er geen sprake van enige aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. 8.1.4.3 Houtopstanden In het projectgebied worden geen houtopstanden, die voldoen aan de criteria uit artikel 11.111 Bal, negatief beïnvloed.
8.2
Soortenbescherming
8.2.1
Wettelijk kader
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 8.2.2
Situatie projectgebied
Gezien het initiatief sloop-nieuwbouw betreft, dient er te worden gekeken naar de eventueel beschermde soorten die op de locatie aanwezig kunnen zijn. Hiervoor heeft Ecofect op 12 mei 2023 een quickscan flora en fauna uitgevoerd (bijlage 4). Uit deze quickscan bleek dat er vervolgonderzoek nodig was voor de gierzwaluw, huismus en vleermuis. Deze vervolgonderzoeken zijn medio 2024 uitgevoerd (bijlage 5). Gierzwaluw Uit het vervolgonderzoek naar de gierzwaluw blijkt dat er geen schadelijke handelingen worden verricht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept Huismus Bij het nadere onderzoek zijn geen huismussen aangetroffen op de projectlocatie. Vleermuis Op de projectlocatie zijn verblijfplaatsen van vleermuizen gevonden. Een vergunning schadelijke handelingen flora en fauna is verleend, waarbij een aantal maatregelen genoemd zijn (zie bijlage 5). De volgende maatregelen worden voldoende geacht: • • • •
8.3
Het ongeschikt maken van de verblijfplaats vindt plaats buiten de kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis. Er worden 4 tijdelijke kasten opgehangen conform de eisen van het Kennisdocument gewone dwergvleermuis waarbij een gewenningsperiode van minimaal 3 maanden in het actieve seizoen wordt gehanteerd. Er worden in de nieuwe appartementen 4 permanente kasten ingebouwd van het type VMPM2 of vergelijkbaar. De tijdelijke kasten blijven tenminste 3 maanden hangen tot de gewenningsperiode voor de permanent ingebouwde voorzieningen is doorlopen.
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept
Hoofdstuk 9
9.1
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
9.2
Archeologie
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. De gemeente Ommen heeft de archeologische verwachtingswaarden verwerkt in dubbelbestemmingen zoals opgenomen in het bestemmingsplan “Centrum Ommen”. Ter plaatse van het projectgebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde’. Hierbij is een onderzoeksplicht van meer dan 50 cm diepte en een oppervlakte van 2.500 m 2 van toepassing. Het projectgebied heeft een oppervlakte van circa 700 m2. Hiermee wordt de oppervlakte van 2.500 m 2 niet overschreden. Bovendien zijn de gronden ter plaatse van het projectgebied reeds bebouwd en kan worden aangenomen dat de gronden reeds zijn geroerd. Gelet op het vorenstaande wordt het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
9.3
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover relevant in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Er bevinden zich in het projectgebied geen gemeentelijke- of rijksmonumenten. In de omgeving van het projectgebied bevindt zich een gemeentelijk monument, namelijk het voormalige postkantoor aan de Markt 17. Voorgenomen ontwikkeling heeft echter geen invloed op het gemeentelijk monument waardoor gesteld wordt dat het aspect ‘cultuurhistorie’ geen belemmering vormt voor voorgenomen ontwikkeling. Het projectgebied bevindt zich binnen twee molenbiotopen (zie paragraaf 1.4.2). Molenbiotoop 1 heeft betrekking op de windkorenmolen Den Oordt. Molenbiotoop 2 heeft betrekking op de windkorenmolen De Konijnenbelt. De ter plaatse van het projectgebied geldende vrijwaringszones zijn opgenomen ter bescherming van de functie van de molens.
In de regels is vastgelegd dat binnen een afstand van 100 meter van de betreffende molens de bouwhoogte van nieuw op te richten bouwwerken niet meer mag bedragen dan het onderste punt van de verticaal staande molenwiek. Binnen een afstand van 100 tot 300 meter van de molen mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan de hoogte berekend met behulp van de volgende formule: H(x)=x/50 + 0,2*Z waarin:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept H(x)= de maximaal toelaatbare hoogte; X = de afstand tot de molen; Z = askop-hoogte. In afwijking van het vorenstaande geldt bij vervanging van bestaande bebouwing dat de bestaande bouwhoogte ten hoogste is toegestaan, indien sprake is van herbouw op dezelfde locatie. De windkorenmolen Den Oordt ligt op circa 240 meter van het projectgebied. Hiervoor dient de voorgenoemde formule te worden gehanteerd. Op basis hiervan mag de maximale bouwhoogte maximaal ((240/50)+(0,2*12,7)=) 7,3 meter bedragen, danwel de bestaande en/of maximaal toegestane bouwhoogte. De windkorenmolen Konijnenbelt ligt op circa 189 meter van het projectgebied. Hiervoor dient de voorgenoemde formule te worden gehanteerd. Op basis hiervan mag de maximale bouwhoogte maximaal ((189/50)+(0,2*12,7)=) 7,4 meter bedragen, danwel de bestaande en/of maximaal toegestane bouwhoogte. Omdat het in voorliggend geval gaat om vervangende nieuwbouw op dezelfde locatie mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan de bouwhoogte van de bestaande bebouwing danwel de maximaal toegestane bouwhoogte. In voorliggend geval wordt de bouwhoogte van de te slopen bebouwing met het voornemen voor het appartementengebouw overschreden.
Zo krijgt de toekomstige bebouwing een bouwhoogte van 11,1 meter, terwijl de te slopen bebouwing danwel de bestaande maximale toegestane bouwhoogte circa 9 meter bedraagt.
Om te bepalen of het voornemen schadelijke effecten heeft op de voorgenoemde molens is een onderzoek windhinder uitgevoerd door Alhof. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Windhinderonderzoek Hieronder staan de belangrijkste conclusies uit het windhinderonderzoek: Gezien de omvang van het nieuwbouwproject, de afstand van het nieuwbouwproject tot de onderhavige molens en de aanwezigheid van de gesloten bebouwing van Ommen met bijbehorende begroeiingen, zal de invloed van dit bouwproject op de windvang van zowel molen “Den Oord” als “De Konijnenberg” fractioneel zijn, dus de invloed te classificeren als “Neutraal”.
9.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Ruimtelijke motivering Ommen, Bermerstraat 1 Concept
Hoofdstuk 10
10.1
Infrastructuur en openbare ruimte
Wettelijk kader
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het projectgebied.
10.2
Verkeer en parkeren
10.2.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die daardoor ontstaat. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. 10.2.2 Parkeerbehoefte De gemeente Ommen beschikt over eigen parkeerbeleid, namelijk de ‘Parkeernormennota Ommen’. Op basis van deze nota valt het projectgebied onder het ‘centrum’. In de nota is uitgegaan van één stedelijkheidsgraad, te weten weinig stedelijk gebied. Dit geldt voor de gehele gemeente Ommen. Voor de parkeeraantallen gelden de minimale aantallen uit het CROW. Uitgangspunt in het parkeerbeleid is dat nieuwe ontwikkelingen het parkeren op eigen terrein op moeten lossen. Wanneer dit niet mogelijk is, kan gekeken worden naar parkeren ter plaatse van particuliere parkeervoorzieningen. Wanneer ook dit niet mogelijk is kan gekeken worden naar parkeren ter plaatse van openbare parkeervoorzieningen.
Hierbij dient wat betreft parkeren in de zone ‘Centrum’ te worden uitgegaan van de gemiddelde norm voor alle ontwikkelingen. Gezien de grote aantrekkingskracht van het centrum en het gedeeltelijk gebrek aan goed openbaar vervoer. Het is in dit geval niet mogelijk om op eigen terrein (voldoende) parkeerplaatsen te realiseren. Daarnaast zijn er in de nabije omgeving geen particuliere parkeervoorzieningen aanwezig waar gebruik van kan worden gemaakt. Wel zijn er in de nabije omgeving voldoende openbare parkeerplaatsen aanwezig waar toekomstige bewoners zouden kunnen parkeren. In afbeelding 2.6 zijn de dichtstbijzijnde parkeerplaatsen weergegeven met een rode omlijning en is het projectgebied aangegeven met een rode ster. Het dichtstbijzijnde parkeerterrein bevindt zich op een loopafstand van circa 170 meter van het projectgebied.