1. Woningbouw Beerzerveld_Motivering
Tekst van het document
Inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties, vastgoedeigenaren en andere partijen zijn zich bewust van de noodzaak van klimaatadaptatie, en zijn enthousiast gemaakt hier een bijdrage aan te leveren. 2. Bij elke ruimtelijke aanpassing houdt de gemeente rekening met het klimaat 3. Knelpunten voor wateroverlast en hitte in de openbare ruimte zijn opgelost in 2030. De afgelopen planperiode heeft de gemeete zogenaamde stresstesten
56
uitgevoerd. Daardoor weet de gemeente waar knelpunten optreden als het gaat om droogte en hitte. De locaties zijn weergegeven in een zogenaamde klimaatatlas. Betrouwbaarheid & gezondheid Een betrouwbaar water- en rioleringssysteem levert een belangrijke bijdrage aan een goede volksgezondheid en een beter milieu. De gemeente werkt aan de volgende 4 doelen, zodat het systeem ook op lange termijn goed blijft functioneren: 1. De gemeente houdt het water- en rioleringssysteem zo efficiënt mogelijk in stand. 2. De gemeente heeft inzicht in de omvang en de kwaliteit van het water- en rioleringssysteem. 3. De gemeente maakt het water- en rioleringssysteem geschikt voor de toekomst. 4. De gemeente weet hoe ze moeten handelen bij calamiteiten. Duurzame infrastructuur & duurzame realisatie Naast een klimaatrobuuste inrichting van het water- en rioleringssysteem wil de gemeente ook graag dat het systeem duurzaam is, en dat werkzaamheden aan het systeem op een duurzame manier worden uitgevoerd. Dit sluit aan bij Opgave 3 van ‘Het Roer Ommen: hergebruik van grondstoffen’. De gemeente werkt hierbij aan de volgende doelen: 1. De infrastructuur is duurzaam. 2. De gemeente voert werkzaamheden op een duurzame manier uit. 4.12.2
Toetsing Op basis van het beleid en de uitgangspunten van gemeente Ommen en Waterschap Vechtstromen is voor het besluitgebied een weging van het waterbelang11 opgesteld. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten. Hierbij kan worden gedacht aan: waterveiligheid, wateroverlast, riolering, watervoorziening, waterberging, volksgezondheid, bodemdaling, grondwateroverlast, oppervlaktewater- en grondwaterkwaliteit, natte natuur en beheer en onderhoud. De conclusies en aanbeveling worden hieronder nader besproken: − Het plan betreft de realisatie van 34 nieuwbouwwoningen; − Er dient een gescheiden stelsel aangelegd te worden; − Afvalwater dient afgevoerd te worden via een VWA-stelsel. Het ontwerp voor het vuilwaterstelsel dient gebaseerd te worden op de te verwachten lozingshoeveelheid; − Hemelwater dient oppervlakkig af te wateren richting de wadi’s en retentievijver; − De bergingsopgave die door waterschap Vechtstromen wordt gehanteerd is vertaald naar het plangebied. De bergingsopgave bedraagt 91 mm berging; − De bergingsopgave van 91 mm dient 55 mm fysisch geborgen te worden in een systeem. De overige 36 mm dient geborgen te worden op maaiveld (openbaar terrein) maar mag geen schade en/of overlast veroorzaken aan gebouwen. − Op de uit te geven kavels wordt een bergingsopgave verlangd van 10 mm; − Onbekend is hoe het bestaande rioolstelsel functioneert.
Daarnaast is onbekend of het bestaande rioolstelsel de toename van het afvalwater aan kan. Aanbevolen
11
Gemeente Ommen (2024). Afweging waterbelangen Beerzerveld, Ommen. 29 april 2024. 57
−
−
−
−
− −
wordt dan ook om het bestaande stelsel van Beerzerveld in het waterhuishoudingsplan nader te onderzoeken; De overstortput langs de van Alewijkstraat dient onderzocht te worden. Het dichtzetten en/of verplaatsen van de overstort kan gevolgen hebben voor de verdere werking van het rioolstelsel in Beerzerveld. Het geheel uitzoeken van het functioneren van het bestaande rioolstelsel wordt dan ook sterk aanbevolen. Er zijn nog geen infiltratieproeven uitgevoerd, geadviseerd wordt om deze uit te voeren op die locaties waar geïnfiltreerd zal worden in de bodem. Dit ten gevolge van de aangetroffen veenlagen in de ondergrond. In het waterhuishoudingsplan dient het volgende onderzocht te worden: • De hydraulische werking van het bestaande rioolstelsel in Beerzerveld; • De kwantitatieve gevolgen van de verbreding van de retentievijver op de watergang van het waterschap; • De gevolgen van het dempen van de greppel; • De vertraagde afvoer vanuit de retentievijver naar de watergang van het Waterschap aan de westzijde van het plan; Ter plaatse waar infiltratievoorzieningen worden gecreëerd wordt aanbevolen om de ondoorlatende lagen te verwijderen. Dit geldt ook ter plaatse van de locaties waar de ondoorlatende lagen worden geconstateerd. Aanbevolen wordt ter plaatse van de te dempen greppel maatregelen te nemen.
In het waterhuishoudingsplan dient onderzocht te worden welke maatregelen hiervoor genomen dienen te worden. Aanbevolen wordt om een kavelpaspoort te creëren waarin voorafgaand aan de verkoop vastgelegd wordt op welke wijze hemelwater wordt aangeboden vanaf particulierterrein naar openbaar gebied.
De maatregelen worden verder onderzocht en uitgevoerd in de vergunningsfase. In de regels van het omgevingsplan zal worden gewaarborgd dat wordt voorzien in voldoende waterberging. 4.12.3
Conclusie Indien rekening wordt gehouden met de bovenstaande waterberingsopgave en deze wordt gewaarborgd binnen de regels, vormt het aspect klimaat geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
4.13
Klimaatadaptatie
4.13.1
Algemeen Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma’s: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS). Rijksbeleid - Nationaal Deltaprogramma In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen,
58
Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de Deltacommissaris. Het programma is opgebouwd rond drie thema’s: − Deltaprogramma Waterveiligheid; − Deltaprogramma Zoetwater; − Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie. De aanpak van deze drie thema’s wordt in het Deltaprogramma ook uitgewerkt voor verschillende regio’s. Deltabeslissing en Deltaplan Alle drie de programma’s bevatten een Deltabeslissing en een Deltaplan: − In de Deltabeslissingen staan nationale kaders die voor heel Nederland gelden. In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie staat het nationale beleid voor de inrichting van waterrobuuste en klimaatbestendige gebieden. − In de Deltaplannen staan concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid en de planning van deze maatregelen. In het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie staan concrete acties en doelen die ervoor gaan zorgen dat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. − Het Deltaprogramma controleert en evalueert elk jaar hoe de deltabeslissingen, voorkeursstrategieën en deltaplannen tot dan toe zijn uitgewerkt en uitgevoerd. Ook het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie wordt elk jaar gemonitord. In deze jaarlijkse monitor kunnen voorstellen staan om beleid aan te passen, bijvoorbeeld op basis van nieuwe ontwikkelingen of belemmeringen.
Zo is de maatlat klimaatadaptief bouwen opgesteld op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris, die hieronder ander zal worden toegelicht. Kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ Op 23 maart 2023 is kamerbrief ‘Landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ aangeboden aan de Tweede Kamer. De Landelijke Maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving maakt duidelijk hoe klimaatadaptief bouwen en inrichten eruitziet en biedt daarmee houvast voor overheden en partijen uit de bouw zoals projectontwikkelaars. De landelijke maatlat is de basis voor klimaatadaptief bouwen waaraan voldaan moet worden om toekomstbestendig te ontwikkelen. De maatlat definieert voor nieuwbouw voor de thema’s wateroverlast, droogte, hitte, biodiversiteit, bodemdaling en gevolgbeperking overstromingen wat er onder klimaatadaptief bouwen en inrichten wordt verstaan: − biodiversiteit: Groenblauwe structuren en de gebiedseigen biodiversiteit worden versterkt op alle schaalniveaus; − droogte: Droogte leidt niet tot structurele schade aan bebouwing, funderingen, wegen, groen, water en vitale of kwetsbare functies; − bodemdaling: Bodemdaling van gebouwd gebied en de gevolgen ervan blijven nu en in de toekomst beheersbaar en betaalbaar; − hitte: Tijdens hitte biedt de gebouwde omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving;
59
− overstroming: De gebouwde omgeving is via gevolgbeperking voorbereid op overstromingen in buitendijks gebied, vanuit het regionale watersysteem en door dijkdoorbraken; − wateroverlast: Hevige neerslag leidt niet tot waterschade aan gebouwen, bovenen ondergrondse infrastructuur en voorzieningen. Kwetsbare en vitale functies en voorzieningen blijven beschikbaar. De doelen, prestatie-eisen en richtlijnen vanuit de maatlat zorgen voor een landelijk uniform referentiekader waarmee projecten klimaatbestendig en groen kunnen worden uitgevoerd. Door geen maatregelen voor te schrijven, kunnen overheden samen met bouwende partijen zelf een goede afweging maken over de te nemen maatregelen in een gebied of project. De maatlat werd aangekondigd in de kamerbrief ‘water en bodem sturend’ van 25 november 2022. In de kamerbrief ‘water en bodem sturend’ wordt ook een richtinggevend kader voor locatiekeuze genoemd. Dat kader hoort bij de maatlat en een concept ervan, het concept ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving, is beschikbaar sinds 30 mei 2023. De maatlat en het ruimtelijk afwegingskader zijn allebei opgesteld ten behoeve van de uitvoering van ‘water en bodem sturend’. De Landelijke Maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving is momenteel nog niet wettelijk verplicht.
Voor nu geeft de maatlat duidelijkheid over wat er van nieuwbouw verwacht wordt op het gebied van klimaatadaptief bouwen en inrichten. De overheid vraagt alle partijen om de maatlat al zo veel mogelijk toe te passen bij bouwplannen. Rijksbeleid – Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is de overkoepelende Nederlandse strategie op het gebied van klimaatadaptatie. Deze strategie uit 2016 beschrijft de belangrijkste klimaatrisico’s voor Nederland en zet de koers uit om deze risico’s aan te pakken. Het programmateam NAS heeft deze koers vertaald naar plannen en acties in het uitvoeringsprogramma 2018-2019. Dit programma richt zich op sectoren, ketens, thema’s en klimaatrisico’s die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie voorkomen en vult een aantal thema’s hieruit aan. Provinciaal beleid – Omgevingsvisie- en verordening Overijsel De klimaatverandering zorgt voor natter, droger, warmer en extremer weer. Dit heeft vele gevolgen voor onze samenleving. Ten aanzien van klimaat zit de provincie Overijssel de volgende opgaven en kansen: − Overijssel met zijn rivierdelta en hoge gronden staat voor een grote opgave voor voldoende waterveiligheid, bescherming tegen wateroverlast en, in tijden van droogte, een goede zoetwatervoorziening (kwantitatief en kwalitatief).
In het landelijke Deltaprogramma zijn voorkeursstrategieën opgenomen die zorgen voor bescherming tegen overstromingen en voor voldoende zoetwater, nu en in de toekomst. Voor een goede ruimtelijke vertaling van de wateropgaven en ‘verbinding’ met andere regionale opgaven, ruimtelijke kwaliteit en het creëren van maatschappelijke meerwaarde is stevige provinciale regie nodig. − Stedelijke herstructurering en transformatie bieden kansen om in de stad ruimte te maken voor wateropvang en groen, en zo wateroverlast, hittestress en de
60
gevolgen van overstromingen te beperken. Dat geeft tegelijk kansen om de kwaliteit en veiligheid van de woonomgeving te verbeteren In artikel 4.13 van de Omgevingsverordening Overijssel is het volgende artikel opgenomen: Artikel 4.13 Klimaatrobuust water- en bodemsysteem 1. In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. 2. In de onderbouwing bedoeld in lid 1 wordt bij een ontwikkeling in het landelijk gebied in ieder geval duidelijk gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is. Gemeentelijk beleid - Duurzaamheidsprogramma Ommen 2022 - 2030 In dit duurzaamheidprogramma is de aanpak van de energietransitie, klimaatadaptatie en circulariteit integraal gebundeld. Op deze wijze probeert de gemeente een integraal beeld van de klimaat- en duurzaamheidsopgave te geven. In deze paragraaf wordt ingegaan op het onderdeel klimaatadaptatie. Duurzaamheid en circulariteit worden behandeld in paragraaf 4.14. De gemeente Ommen heeft het nationale beleid vertaald in 4 ambities: 1. In 2050 is gemeente Ommen klimaat robuust. Dat betekent dat de inrichting binnen de gemeente grenzen van Ommen in staat is om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. 2.
Samen met inwoners en stakeholders zijn de grootste knelpunten die volgen uit de stresstesten in 2030 opgelost. 3. Klimaatmaatregelen maken integraal onderdeel uit van alle ruimtelijke ingrepen. 4. Gemeente, waterschap en gebiedspartners werken integraal samen aan de opgave. Biodiversiteit De gemeente Ommen is een groene gemeente met een goed en gezond leefklimaat en een hoge belevingswaarde. Dit wil de gemeente ook in de toekomst behouden. Het behouden en versterken van biodiversiteit is een belangrijke voorwaarde voor dit streven. Onder biodiversiteit wordt de variatie aan planten en dieren en ecosystemen die deel uitmaken van een groter geheel verstaan. Samen met inwoners, ondernemers en partners zorgen we voor meer biodiversiteit en versterking van de natuur. De gemeente gaat een omschakeling inzetten door te stimuleren, faciliteren en zelf het goede voorbeeld te geven. 4.13.2
Toetsing De inrichting van de openbare ruimte heeft een zo groen mogelijk karakter, waarbij één zijde van de straat als groenvoorziening is ingericht. Mogelijk dat de berm ook als wadi kan worden gebruikt. De groene berm heeft een breedte van minimaal 2 meter. Daarnaast zijn de groenvoorzieningen zo ingericht dat deze naast de groenfunctie ook mogelijkheden bieden om te spelen en te ontmoeten.
61
Het besluitgebied ligt op de hoge zandgronden zonder wateraanvoer. Dit is weergegeven op de onderstaande kaart.
Klimaat kaart op basis van water- en bodemsysteem, besluitgebied weergegeven met rode ster (bron: Fundament voor de nieuwe Omgevingsvisie)
Binnen dit gebied ligt de focus op de sponswerking van de bodem vergroten en het zoveel mogelijk infiltreren van hemelwater. De wandelpaden binnen het gebied worden ingericht met halfverharding voor een betere infiltratie en de aanwezige waterstructuur wordt verder uitgebreid. Zo wordt de retentievijver binnen het besluitgebied verbreed en worden er wadi’s aangelegd. De bergingsopgave bedraagt 91 mm berging waarvan 55 mm fysisch geborgen dient te worden in een systeem. De overige 36 mm dient geborgen te worden op maaiveld (openbaar terrein), maar mag geen schade en/of overlast veroorzaken aan gebouwen. Op de uit te geven kavels wordt een bergingsopgave verlangd van 10 mm. De maatregelen voor de waterbergingsopgave worden verder onderzocht en uitgevoerd in de vergunningsfase. In de regels van het omgevingsplan zal worden gewaarborgd dat wordt voorzien in voldoende waterberging. 4.13.3
Conclusie Indien rekening wordt gehouden met de bovenstaande waterberingsopgave en deze wordt gewaarborgd binnen de regels, vormt het aspect klimaat geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
62
4.14
Duurzaamheid
4.14.1
Algemeen In maart 2022 heeft de gemeente het Duurzaamheidsprogramma Ommen 2022 2030 vastgesteld. In dit duurzaamheidprogramma is de aanpak van de energietransitie, klimaatadaptatie en circulariteit integraal gebundeld. Op deze wijze probeert de gemeente een integraal beeld van de klimaat- en duurzaamheidsopgave te geven. In deze paragraaf wordt ingegaan op de onderdelen duurzaamheid en circulariteit. Ambities energietransitie In 2050 is gemeente Ommen energieneutraal. Dat betekent dat binnen de gemeente grenzen van Ommen evenveel duurzame energie wordt opgewekt dan er wordt verbruikt: 1. een belangrijke pijler in deze ambitie is om 36% fossiele energie te besparen; 2. samen werken inwoners, verenigingen van plaatselijke belangen, lokale energie coöperaties, ondernemers en gemeente aan deze ambitie; 3. stakeholders als bijvoorbeeld woningbouwcorporatie, waterschap en netbeheerder werken hand in hand met de gemeente aan deze opgave. Ambitie circulariteit 1. in samenwerking met onze lokale ondernemers, maatschappelijke organisatie en inwoners willen we een circulair programma ontwikkelen dat past bij de schaal, het beleid en de mogelijkheden van de gemeente en betrokkenen; 2. Ommen wil in de landelijke kopgroep blijven van gemeenten ten aanzien van hergebruik en recycling van huishoudelijke afvalstoffen; 3. via onze inkoop en aanbesteding sturen we op circulariteit.
Daarnaast heeft de provincie Overijssel naar aanleiding van de woondealafspraken een actieprogramma toekomstbestendig bouwen opgesteld. In het actieprogramma zijn de ambities op het gebied van toekomstbestendig bouwen concreter gemaakt. Dit gebeurt aan de hand van zes thema’s: circulair (waaronder biobased), klimaatadaptief, natuurinclusief, energie- en waterbewust bouwen en collectiviteit.
4.14.2
Toetsing De woningen worden gasloos ontwikkeld en zullen voldoen aan de nieuwste BENGnormen. Daarnaast geldt in aansluiting op het actieprogramma toekomstbestendig bouwen de ambitie voor: − Een milieuprestatie gebouw (mpg) van €0,5/ m2/ jr; − Materiaalgebonden CO2 uitstoot van maximaal 200 kg/ m2 BVO; − Losmaakbaarheidsindex score: 55%(De mate waarin deze verbindingen verbroken kunnen worden, zodat een object de functie kan behouden en hoogwaardig hergebruik realiseerbaar is, bepaalt de mate (graad) van losmaakbaarheid)Van iedere nieuwbouw wordt een materialenpaspoort opgesteld, waar mogelijk gekoppeld aan het BIM model; − Minimaal 20% biobased of hergebruikte materialen toegepast in kg gewicht, waarvan zoveel mogelijk lokaal geteelde materialen; − In de openbare ruimte inzetten op hergebruikte en/of biobased materialen bijvoorbeeld in straatmeubilair, straatnaamborden en speelmeubilair. 63
4.15
Natuur
4.15.1
Algemeen Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van floraen fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: 1 er soorten aanwezig zijn; 2 welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen.
Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling. Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden.
In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan 64
zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden. 4.15.2
Toetsing Voor deze ontwikkeling zal een schapenweide en een braakliggend grasland omgevormd tot woningbouwlocatie. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In deze QuickScan12 is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het besluitgebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het besluitgebied. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Vecht- en Beneden- Reggegebied en Engbertsdijksvenen liggen in de buurt van het besluitgebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura2000-gebieden is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het besluitgebied niet uit te sluiten. Daarom is een onderzoek stikstofdepositie 13 uitgevoerd waarin de mogelijke effecten van de ontwikkeling op stikstofdepositie in Natura 2000 gebieden zijn onderzocht. Uit het onderzoek is gebleken dat er een afname is van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden in zowel de aanleg- of gebruiksfase. Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten.
Er is geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd. In dit onderzoek is als worst-case scenario rekening gehouden met de realisatie van 40 woningen, waaronder 15 vrijstaande woningen. Zo blijft er spelingsruimte om het stedenbouwkundig programma iets aan te passen, zonder dat de onderzoeken opnieuw moeten worden uitgevoerd. In de motivering wordt echter het feitelijke woningbouwprogramma van maximaal 34 woningen gehanteerd, zoals vastgelegd in de regels. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het besluitgebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming
12
SAB (2023). QuickScan Natuur Ommen, Beerzerveld. Projectnummer: 230302.01, 20 november 2023.
13
SAB (2023). Onderzoek stikstofdepostie Ommen, Beerzerveld. Projectnummer: 230302.01, 3 december 2024.
65
In en rondom het onderzoeksgebied kunnen Rode lijstsoorten en soorten uit bijlage IX van het Bal voorkomen. Door te werken buiten de broedperiode, zal voldoende rekening worden gehouden met de specifieke zorgplicht. In en nabij het besluitgebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Omgevingswet, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het besluitgebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Op het moment is het niet waarschijnlijk dat de rugstreeppad in het besluitgebied voorkomt omdat zanderig terrein ontbreekt.
Als het besluitgebied in een later stadium echter uit braakliggend terrein zal bestaan, is het niet onmogelijk dat de soort zich in het besluitgebied zal vestigen. Aangeraden wordt om het terrein zo kort mogelijk braak te laten liggen. Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen. Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Omgevingswet van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Vervolgstappen − houd rekening met de specifieke zorgplicht; − houd rekening met broedende vogels; − zorg tijdens de bouwfase dat het besluitgebied niet geschikt wordt voor de rugstreeppad. Onderzoek aanwezigheid steenuil Op het ontwerp TAM-omgevingsplan is een zienswijze ingediend dat nabij het plangebied een steenuil aanwezig is. In een onderzoek naar de aanwezigheid van de steenuil is geconcludeerd dat de steenuil aan de Nijboerstraat 14 aanwezig is 14. Er heeft geen volledig steenuilenonderzoek plaatsgevonden omdat de onderzoeksperiode conform het onderzoeksprotocol opgesteld door het Netwerk Groene bureaus al verlopen was. Geconcludeerd wordt dat het leefgebied van de steenuil de met de geplande werkzaamheden waarschijnlijk verloren gaat. In dat geval is sprake van een schadelijke handeling die leidt tot een vergunningsplicht.
Voor de werkzaamheden is een
14
SAB (2025). Onderzoek aanwezigheid steenuil. Projectnummer: 230302.02, 19 mei 2025.
66
omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig in combinatie met het treffen van mitigerende maatregelen. Bij het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit dient een projectplan te worden opgesteld. In dit plan wordt onder andere de verspreiding van de betreffende beschermde soort in het besluitgebied verwoord alsmede het (wettelijk) belang van de ingreep onderbouwd. Daarnaast dient een uitgebreide alternatievenafweging plaats te vinden over waarom de verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen niet is te voorkomen. Een omgevingsvergunning wordt enkel verleend als voldoende mitigerende maatregelen worden getroffen om zoveel mogelijk schade aan steenuil te voorkomen. In het onderzoek worden verschillende mogelijke maatregelen benoemd. Daarnaast dient te allen tijde rekening gehouden te worden met alle broedende vogels en de zorgplicht. Vervolg Het benodigde projectplan zal worden opgesteld en de vergunning flora- en fauna-activiteit wordt aangevraagd. Verder zullen de benodigde mitigerende maatregelen worden uitgevoerd. Verder wordt rekening gehouden met de specifieke zorgplicht, broedende vogels en dat het besluitgebied niet geschikt in de bouwfase niet geschikt wordt voor de rugstreeppad 4.15.3
Conclusie Naar verwachting kan de omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit worden verleend na het opstellen van een mitigatieplan. Hiermee vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
4.16
Archeologie
4.16.1
Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is het (zoveel mogelijk) behouden van archeologische resten in de bodem (in situ). In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met archeologische monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd.
4.16.2
Toetsing Op grond van het tijdelijke omgevingsplan is aan de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting’ toegevoegd. De voor 'Waarde - Archeologische verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het
67
herstel van de verwachte archeologische waarden. Gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemmingen zijn op deze gronden slechts toelaatbaar, indien daarvoor omgevingsvergunning door burgemeester en wethouders is verleend, tenzij op basis van een aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer aanwezig zijn, het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut of het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 2.500 m2 en minder diep steekt dan 50 cm. De onderhavige ontwikkeling betreft een nieuw te bouwen oppervlak groter dan 2.500 m2, het uitvoeren van archeologisch onderzoek is derhalve noodzakelijk. In 2004 is op de locatie een inventariseren archeologisch veldonderzoek15 uitgevoerd. Bij dit onderzoek is binnen het plangebied Beerzerveld weinig variatie in het bodemprofiel waargenomen. De bodem bleek op alle boorlocaties tot op de keileem of de C-horizont sterk verstoord. De middelhoge IKAW - waardering komt voort uit de aanwezigheid van een zandkop in dit gebied. Deze zandkop, welke zich in het noorden van het plangebied zou bevinden, is niet in de boringen of aan het oppervlak waargenomen.
Wel is er in het meest oostelijk deel van het plan een duidelijk zichtbare zandkop aanwezig. De bodem is echter tot een minimale diepte van 70 cm verstoord/vermengd. Er zijn geen archeologische indicatoren waargenomen en er zijn uit het gebied geen archeologische vondsten van grote ouderdom bekend. Ook tijdens de veldkartering zijn geen vondsten gedaan, ondanks de gunstige waarnemingsomstandigheden. Het bouwland was geploegd en het regende de hele dag. Eventuele vondsten zouden aan het oppervlak goed zichtbaar zijn geweest. Omdat in het hele gebied een sterk verstoord bodemprofiel tot op de C-horizont is waargenomen en er geen vondsten zijn gedaan, is geconcludeerd dat de kans op onverstoorde archeologische sporen in dit gebied zeer klein is. Archeologisch vervolgonderzoek voor het plangebied Beerzerveld wordt niet noodzakelijk geacht. Het onderzoek voldoet niet aan de huidige standaarden. Aangezien de bodem verstoord is, zal een aangepast onderzoek de conclusies niet veranderen. Daarom is het onderzoek nog steeds toepasbaar voor het toetsen van de haalbaarheid van dit wijzigingsbesluit. 4.16.3
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
15
De Steekproef (2004). Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek, Beerzerveld. Projectnummer: 10009412, 26 juni 2004. 68
4.17
Cultuurhistorie en landschap
4.17.1
Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
4.17.2
Toetsing In het besluitgebied bevinden zich geen monumentale en/of karakteristieke gebouwen. Deze bevinden zich tevens niet in de directe omgeving van het besluitgebied. Het plangebied ligt in het jonge heide- en broekontginningslandschap. De dragende structuren binnen dit landschap worden gevormd door landschappelijke raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die rechtlijnige ontginningsstructuren versterken. Het projectgebied is al eerder als woningbouwlocatie aangemerkt en hiertoe bouwrijp gemaakt. De oorspronkelijke landschappelijke kenmerken zijn hierdoor niet meer aanwezig. Met het stedenbouwkundigplan is daarom aansluiting gezocht bij de omliggende woonwijken. De bestaande waterstructuur blijft in de toekomstige situatie behouden.
4.17.3
Conclusie Het aspect cultuurhistorie en landschap vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
4.18
Mobiliteit en parkeren
4.18.1
Mobiliteit In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). In de Omgevingsvisie van de gemeente Ommen is een onderdeel over bereikbaarheid opgenomen waarin de visie van Ommen op verkeer en vervoer is beschreven. Het beschikken over een goede bereikbaarheid is cruciaal voor Ommen als woon- en
69
verblijfsgemeente en het vestgingsklimaat van de gemeente. Het vraagt om een goede en veilige infrastructuur op verschillende schaalniveaus voor zowel auto, fiets als openbaar vervoer. Binnen het aspect bereikbaarheid worden 6 thema’s behandeld: − goed bereikbaar over de weg: De afstanden binnen de gemeente, tussen de kernen en naar omliggende gemeenten in de regio maakt dat de inwoners van de gemeente Ommen vaak gebruik maken van de auto. De verbetering en opwaardering van verscheidene N-wegen binnen de gemeente zal leiden tot veiligere aansluitingen en betere bereikbaarheid in Noord-Zuid richting en de richting van Zwolle. Daarnaast zijn er vele wegen die de kernen onderling verbinden en de gemeente spant zich in om deze veilig te houden; − voor kortere afstanden pakken we de fiets: Binnen Ommen wordt de fietsstructuur tussen de kernen versterkt. Dit gebeurt gefaseerd en planmatig en waar mogelijk door de aanleg van vrijstaande verbindingen, verbindingen die het mogelijk maken ons op de fiets snel en veilig te kunnen verplaatsen. − ontwikkelen dynamische stationslocatie tot een OV-HUB: De groei van het spoor vraagt om ontwikkeling van het station Ommen tot een openbaar vervoer HUB (OV-HUB) met nieuwe aanvullende voorzieningen als deelmobiliteit, pakketservices en een goede aansluiting op andere vervoersmodaliteiten.
De bereikbaarheid van het station met auto en fiets wordt in samenhang daarmee geoptimaliseerd. − naar een betere structuur voor regionale verkeersstromen rondom Ommen: De gemeente gaat aan de slag met een complex van onderling met elkaar samenhangende ingrepen in de infrastructuur voor auto, fiets en parkeren op meerdere schaalniveaus en locaties in onze gemeente. − veranderingen in de mobiliteitsvraag: Er wordt ingespeeld op de veranderende mobiliteitsvraag door het aanpassen van de infrastructuur met laadvoorzieningen, een netwerk van goede fietsverbindingen tussen de woonwijken en bedrijventerreinen in te richten, parkeren op centrale locaties in plaats van voor de woningen en nieuwe combinaties tussen OV, fiets en auto − veilig op pad: Dit doet de gemeente vanuit drie lijnen: 1 het goed en veilig inrichten van wegen, fiets- en wandelpaden: Voor de wegen werkte de gemeente vanuit een duidelijke categorisering ernaartoe dat de inrichting van de weg in overeenstemming is met de functie van die weg; 2 handhaving: inwoners en plaatselijke belangen vragen vaak om een betere handhaving van de verkeersregels; 3 voorlichting en educatie: bij het verbeteren van de verkeersveiligheid is de aandacht steeds meer komen te liggen op voorlichting, educatie en gedragsbeïnvloeding.
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Aan de hand van CROW (versie 381) is de verkeersgeneratie bepaald. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een dag naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. 4.18.2
Parkeren Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving dient aangetoond te worden dat voorzien wordt in de aanleg en instandhouding van voldoende
70
parkeergelegenheid. Hiertoe heeft de gemeente de Parkeernormennota Ommen opgesteld, welke is vastgesteld in juni 2018. Hieruit blijkt dat de gemeente Ommen de minimale parkeernormen uit de CROW-publicatie 381 hanteert voor het berekenen van de parkeerbehoefte. De stedelijkheidsgraad van een gebied is van invloed op het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerswijzen en daarmee ook van invloed op de behoefte aan parkeerplaatsen. De mate van stedelijkheid is gebaseerd op de omgevingadressendichtheid (oad) van het CBS. De oad wordt uitgedrukt in het aantal adressen per vierkante kilometer. Volgens de oad wordt de totale gemeente Ommen gemiddeld getypeerd als weinig stedelijk gebied (500-1000 adressen per km²). Daarnaast is het besluitgebied gelegen in ‘buitengebied’ vanwege haar locatie in de kern Beerzerveld. 4.18.3
Toetsing De verkeersgeneratie voor woningen wordt bepaald per woning per etmaal. De onderstaande tabel geeft het (gemiddeld) aantal verkeersbewegingen weer per type woning: Woning typologieën Huur, huis, sociale huur (10) Koop, huis, tussen/hoek of huur, huis, vrije sector (14) Koop, huis twee-onder-een-kap (6) Koop, huis, vrijstaand (4)
Verkeersbewegingen 5,6 7,4 7,8 8,2
Dit leidt tot de volgende verkeersgeneratie: 10 x sociale huur (5,6) 14 x koop, tussen/hoek (7,4) 6 x koop, twee-onder-een-kap (7,8) 4 x koop, vrijstaand (8,2)
= 56 verkeersbewegingen = 103,6 verkeersbewegingen = 46,8 verkeersbewegingen = 32,8 verkeersbewegingen
Totaal 240 verkeersbewegingen per etmaal. Het verkeer wordt ontsloten via de Van Alewijkstraat. Deze weg kent een verkeersintensiteit van 1232 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Volgens de CROW richtlijnen conform ASVV2004 kan een erftoegangsweg met 30 km/uurzone tussen de 5.000 en de 6.000 verkeersbewegingen per etmaal opvangen. De verkeersgeneratie kan dus worden opgevangen op de bestaande infrastructuur. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Het benodigde aantal parkeerplekken wordt tevens bepaald per woning per etmaal. De onderstaande tabel geeft de parkeerbehoefte weer per type woning: Woning typologieën Huur, huis, sociale huur (10) Koop, huis, tussen/hoek of huur, huis, vrije sector (14) Koop, huis twee-onder-een-kap (6) Koop, huis, vrijstaand (4)
71
Parkeerbehoefte 1,2 1,6 1,8 2,0
Dit leidt tot de volgende parkeerbehoefte: 10 x sociale huur (1,2) 14 x koop, tussen/hoek of huurhuis, vrije sector (1,6) 6 x koop, twee-onder-een-kap (1,8) 4 x koop, vrijstaand (1,9)
= 12 parkeerplaatsen = 22,4 parkeerplaatsen = 10,8 parkeerplaatsen = 7,6 parkeerplaatsen
De totale parkeerbehoefte is hiermee 53 parkeerplaatsen. Het merendeel van de parkeerplaatsen zal worden gerealiseerd binnen het openbaar gebied van het besluitgebied in de vorm van parkeerkoffers of langsparkeren, in totaal 42 parkeerplaatsen. Daarnaast wordt de parkeerbehoefte van de twee-onder-een-kap woningen en de vrijstaande woningen grotendeels gerealiseerd op eigen terrein. De vrijstaande woningen en twee van de twee-onder-een-kap woningen worden voorzien van een dubbelle lange oprit met garage. De overige twee-onder-een-kap woningen worden voorzien van een lange oprit met garage, welke conform het parkeerbeleid meetellen voor 1,3 parkeerplaatsen per woning. Voor deze vier woningen zijn nog parkeerplaatsen beschikbaar in het openbaar gebied. Ook is er voor elke vrijstaande of twee-onder-eenkap woning 0,3 parkeerplaats gereserveerd voor bezoekers in de openbare ruimte. Hiermee is voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd binnen het besluitgebied. 4.18.4
Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
4.19
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.19.1
Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen.
Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een
72
detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 4.19.2
Toetsing Voorliggend project voorziet in de realisatie van maximaal 34 woningen en betreft daarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Derhalve is de ontwikkeling getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking16. In de toetsing is aangetoond dat sprake is van zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte. De ontwikkeling voorziet in een behoefte die niet binnen stedelijk gebied kan worden voorzien. De buiten stedelijk gebied gelegen ontwikkeling is daarmee gerechtvaardigd. Daarmee wordt geconcludeerd dat het project de toetsing aan de Ladder positief heeft doorlopen.
4.19.3
Conclusie De nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen initiatief buiten bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. De ontwikkeling voorziet in een behoefte die niet binnen stedelijk gebied kan worden voorzien, waardoor de buiten stedelijk gebied gelegen ontwikkeling gerechtvaardigd is. De voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is niet in strijd met het Besluit kwaliteit leefomgeving.
4.20
Omgevingskwaliteit
4.20.1
Algemeen De welstandsnota van Ommen anticipeert op veranderende regelgeving, dereguleert door het aanwijzen van welstandsvrije gebieden en draagt bij aan de instandhouding en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Ommen. Met de welstandsnota kan de gemeente sturen op kwaliteit, daar waar het er toe doet en loslaten daar waar dat kan. Zo is in de nieuwe nota gekozen voor verschillende niveaus van welstand. Op basis van een waardering van de bebouwing in haar omgeving, met de daarbij behorende ambitiebepaling, zijn alle gebieden ingedeeld naar drie niveaus van welstand: − geen specifiek kwaliteitsbeleid ook wel welstandsvrij genoemd (niveau 0) − basisniveau (niveau 1) − hoog niveau (niveau 2)
16
SAB (2024). Toets Ladder voor duurzame verstedelijking Beerzerveld, Ommen. Projectnummer: 230302.01. 31 januari 2024. 73
Per gebied is het beleid samengevat op basis van de waardering en ambitiebepaling van dat gebied. Bovendien zijn aan de gebieden, indien van toepassing, welstandscriteria gekoppeld. 4.20.2
Toetsing In de Welstandsnota Ommen worden de verschillende kernen binnen de gemeente gewaardeerd. De onderstaande kaart geeft de waardering van de kern Beerzerveld weer.
Waardering van de kernen Beerzerveld en Kloosterdijk (bron: Welstandnota Ommen)
Beerzerveld lintbebouwing: − aan westzijde kanaal kerk (nH), vrijstaande woningen en enkele bedrijven, divers in architectuur, schaal en maat; − woningbouw overheerst; − de nokrichting is overwegend loodrecht op de weg; − de bebouwing is gericht op het kanaal; − de bebouwing vormt een wand zonder een duidelijke rooilijn. Overige bebouwing Beerzerveld: − woonwijk met blokvorming wegenpatroon rondom centraal gelegen school; − bouwperiode 1950 tot heden; laatste uitbreiding nog in ontwikkeling; − rijtjeswoningen, dubbele woningen en vrijstaande woningen, in grootte en rijkdom van detaillering toenemend naarmate recenter gebouwd. Dit heeft geleid tot de toekenning van de volgende welstandsniveaus, af te lezen op de onderstaande afbeelding.
74
Welstandambities van de kernen Beerzerveld en Kloosterdijk (bron: Welstandnota Ommen)
Beerzerveld Lintbebouwing (niveau 1): − behoud en versterking van de (cultuur)historische structuur en bebouwingskarakteristieken; − behoud en versterking van de verscheidenheid in architectuur in relatie tot de functies; − extra aandacht voor reclame, winkelpuien, zorgvuldige detaillering en materiaalkeuze; − behoud en versterking van de openbare ruimte. De overige bebouwing in Beerzerveld kent welstandsniveau 0, hier is het de ambitie om de basiskwaliteit te handhaven. Het grootste deel van het besluitgebied valt binnen deze categorie. De bebouwing die rechtstreeks aan de Van Alewijkstraat zal worden gerealiseerd valt onder niveau 1. Binnen het stedenbouwkundig ontwerp is hierop ingespeeld door het merendeel van de vrijstaande woningen en twee-onder-één kappers binnen deze strook te plaatsen, zodat deze in lijn is met de al aanwezige lintbebouwing in het dorp. Daarnaast worden de woningen hier in dezelfde voorgevelrooilijn geplaatst als de reeds aanwezige woningen. Daarnaast geeft dit de mogelijkheid om een grotere verscheidenheid in architectuur te realiseren. Het project is derhalve in lijn met de welstandambities van niveau 1. 4.20.3
Conclusie Het aspect welstand vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
75
5 5.1
Juridische toelichting Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het voorliggend TAMOmgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. Anderzijds geeft het Tam-Omgevingsplan ook aan op welke gronden bepaalde gebruiken en bouwwerken zijn verboden. De grondgebruiker (zoals eigenaar, huurder) mogen de activiteiten die zijn aangewezen uitoefenen. Bij een gebruiksverbod mag een bepaalde activiteit niet worden uitgeoefend dan wel bepaalde bouwwerken niet worden opgericht.
5.2
Opzet van de regels
5.2.1
Algemeen Deze wijziging van het omgevingsplan betreft een TAM-Omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplan wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-Omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit TAM-Omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het TAM-Omgevingsplan bestaat uit een motivering, planregels en bijbehorende verbeelding.
Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-Omgevingsplan bestaat uit de planregels en de verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Op de verbeelding zijn de bestemmingen genoemd. Aan deze bestemmingen zijn in de planregels specifieke bouwregels en bouwverboden verbonden. De motivering heeft geen bindende werking, maar is wel een belangrijk onderdeel van het Tam-Omgevingsplan. Hierin staat wat de redenen zijn voor het opstellen van het Tam-Omgevingsplan en de beleidsuitgangspunten voor deze locatie. Daarnaast zijn de onderzoeken en
76
onderzoeksresultaten opgenomen op basis waarvan is vastgesteld welke bestemmingen binnen het besluitgebied kunnen en mogen plaatsvinden. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden gelezen en toegepast. De regels zijn opgedeeld in 7 hoofdstukken. 1 Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten) 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving (beperkingengebied) 3 Gebruiksactiviteiten 4 Ondergeschikte gebruiksactiviteiten (beroepen aan huis, kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis) 5 Bouwactiviteiten 6 Overige activiteiten (parkeren, laden en lossen) 7 Overgangs- en slotregels 5.2.2
Preambule De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe dit TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels.
5.2.3
Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat inleidende regels. Deze regels gelden voor de locatie waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in de bij het TAM-omgevingsplan behorende GML-bestand. De regels in dit hoofdstuk bevatten: − Begripsbepalingen (artikel 1); − Toepassingsbereik (artikel 2); − Meet- en rekenbepalingen (artikel 3); − Algemeen gebruiks- en bouwverbod (artikel 4). De begripsbepalingen zijn opgenomen om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Deze regels gelden voor alle bestemmingen. In artikel 2 is het toepassingsbereik opgenomen. In het toepassingsbereik is aangegeven welke besluiten niet van toepassing zijn op dit deel van het omgevingsplan en op welke locatie de regels van dit deel van het omgevingsplan wel van toepassing zijn. De meet- en rekenbepalingen bevatten regels over de wijze waarop afstanden, oppervlaktes en hoogtes gemeten moet worden. Deze regels gelden in aanvulling op artikel 22.24 van het omgevingsplan. 77
Tot slot is in artikel 4 een algemeen gebruiks- en bouwverbod opgenomen. Dit zorgt ervoor dat niet genoemde gebruiks- en bouwactiviteiten en gebruiks- en bouwactiviteiten die in strijd zijn het TAM-omgevingsplan niet zijn toegestaan (bestaande bouwwerken hiervan uitgezonderd). 5.2.4
Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving: beperkingengebied Hoofdstuk 2 van de regels geeft het beperkingengebied aan. Daarmee wordt aangegeven dat het met dit Tam-Omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt om af te wijken van het tijdelijke deel van het plan van de gemeente Ommen met betrekking tot de bestemming op deze locatie.
5.2.5
Gebruiksactiviteiten Hoofdstuk 3 noemt de gebruiksactiviteiten. Dit zijn activiteiten die op de gronden binnen het besluitgebied zijn verboden of toegestaan. Zo is het gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats verboden met uitzondering van het gebruik voor het normale op de activiteit gerichte gebruik en onderhoud (artikel 6). Dit hoofdstuk noemt specifieke gebruiksactiviteiten die zijn toegestaan: ‘activiteiten binnen groen’ (artikel 7), ‘activiteiten binnen verkeer’ (artikel 8) en ‘wonen’ (artikel 9).
5.2.6
Ondergeschikte gebruiksactiviteiten Hoofdstuk 4 geeft aan welke ondergeschikte activiteiten bij de gebruiksactiviteit ‘wonen’ zijn toegestaan. Een beroep aan huis is onder voorwaarden bij recht toegestaan als dat is aan te merken als een ondergeschikte activiteit (artikel 10). Voor kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis moet een vergunning worden aangevraagd. Daarvoor zijn beoordelingsregels opgenomen (artikel 11.4).
5.2.7
Bouwactiviteiten Hoofdstuk 5 benoemt de bouwactiviteiten. Het gaat om algemene regels en bouwactiviteiten waarvoor specifieke regels gelden. In de specifieke regels (artikelen 13 tot en met 20) is aangegeven wat voor gebouwen en bouwwerken (zoals erkers) mogen worden gerealiseerd en of daarvoor een vergunningplicht geldt. Voor zover voor een bouwactiviteit een vergunningsplicht geldt, zijn de beoordelingsregels voor het verlenen van een vergunningplicht benoemd. Bij elke bouwactiviteit is opgenomen welke afwijkingsmogelijkheden er zijn.
5.2.8
Overige activiteiten Dit hoofdstuk is relevant in het geval het beoogde gebruik van een bouwwerk leidt tot een parkeerbehoefte (artikel 22) en/of een ruimte voor het laden en lossen (artikel 23).
5.2.9
Overgangs- en slotbepalingen Artikel 24 regelt het overgangsrecht van gebruiken die bestaan op het moment van inwerkingtreding van dit TAM-Omgevingsplan
78
5.3
Verantwoording van de regels. Een TAM-Omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke gebruiks- en/of bouwactiviteiten waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf is een toelichting gegeven op de specifieke gebruiks- en bouwactiviteiten die mogelijk worden gemaakt.
5.3.1
Gebruiksactiviteiten Ter plaatse van de voor ‘Verkeer - activiteiten binnen verkeer - toegestaan’ aangewezen gronden zijn wegen en wandel- en fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water- en waterhuishoudkundige voorzieningen en openbare nutsvoorzieningen toegestaan. De gebruiksactiviteit ‘groen - activiteiten binnen groen’ is toegestaan binnen het volledige besluitgebied. Hier zijn de activiteiten toegestaan: groenvoorzieningen, water- en waterhuishoudkundige voorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, fiets- en voetpaden en sport- en speelvoorzieningen. Op de locatie 'Sport- of speeltoestel bouwen - verbod’ is de realisatie van sport- of speeltoestellen verboden. Dit is opgenomen omdat ter plaatse van deze gronden een langdurig verblijf niet mogelijk is, vanwege het mogelijke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op naastgelegen agrarische gronden. De voor ‘Wonen - wonen - toegestaan’ aangewezen gronden op de verbeelding zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep en/of –bedrijf met de daarbij behorende groen- en speelvoorzieningen, tuin, erven en paden, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en watervoorzieningen. In artikel 9.2 is specifiek geregeld dat ter plaatse van de aanduiding siertuin de gronden alleen kunnen worden gebruikt als siertuin.
Dit is opgenomen omdat ter plaatse van deze gronden een langdurig verblijf niet mogelijk is, vanwege het mogelijke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op naastgelegen agrarische gronden. In het besluitgebied mogen daarnaast in totaal maximaal 34 woningen worden gebruikt voor het wonen.
5.3.2
Bouwactiviteiten In hoofdstuk 5 ‘bouwactiviteiten’ zijn de bouwregels die ter plaatse van het besluit gebied gelden opgenomen. In de algemene regels (artikel 12) is het toepassingsbereik en een anti-dubbeltelregeling opgenomen. Daarnaast is geregeld dat een omgevingsvergunning voor een bouwwerk alleen wordt verleend als wordt voldaan aan het beeldkwaliteitsplan. Dit beeldkwaliteitsplan is opgenomen in bijlage 2 behorende bij de planregels. Deze algemene regels gelden voor het gehele plangebied. In aanvulling op artikel 22.29 is het met een omgevingsvergunning mogelijk om gebouwen voor openbare nutsvoorzieningen en verkeer en verblijf te realiseren met een maximale inhoud en bouwhoogte van 30 m3 respectievelijk 3 m. 79
In artikel 14 zijn regels opgenomen voor het bouwen van hoofdgebouwen, met betrekking tot de maximum goot- en bouwhoogte, de diepte en de bouwwijze. De regels gelden op de gronden die zijn aangewezen als ‘hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht’. Voor de gronden die zijn aangewezen als ‘hofwoning bouwen - vergunningplicht’ zijn regels opgenomen voor het bouwen van hofwoningen. Naast een maximum goot- en bouwhoogte en diepte, is hier specifiek geregeld dat hofwoningen aaneengebouwd moeten worden gebouwd. Op de gronden ‘Wonen’ en ‘Hofwoning - bouwen’ mogen hoofdgebouwen, bijgebouwen en bijbehorende bouwwerken uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. De daaraan verbonden maximum bouw- en goothoogte en andere bouwregels zijn opgenomen in de planregels. In artikel 16 en 17 zijn in aanvulling op artikel 22.27, 22.36 en 22.29 regels opgenomen voor de bouw van bijbehorende bouwwerken. Van de mogelijkheden in artikel 17 kan alleen gebruik worden gemaakt middels een omgevingsvergunning. Artikel 18 geeft specifieke regels voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk bij een hofwoning (ter plaatse van gronden die zijn aangewezen als Bijbehorend bouwwerk bij hofwoning bouwen - vergunningplicht). Naast een maximum goothoogte, bouwhoogte en oppervlakte is hier geregeld dat geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan.