1. Woningbouw Beerzerveld_Motivering
Tekst van het document
De gemeente werkt langs meerdere lijnen aan het behalen van deze doelen, zoals die internationaal zijn vastgelegd in het Klimaatakkoord van Parijs en nationaal in de Klimaatwet en de Klimaatafspraken. Ommen werkt toe naar een energieneutraal Ommen en een klimaat robuuste inrichting van de gemeente in 2050. De aanpak van de energietransitie, klimaatadaptatie en circulariteit is gebundeld in een duurzaamheidsprogramma. Toetsing Met het onderhavige plan worden 34 grondgebonden woningen gerealiseerd waarmee wordt voorzien in de woonvraag van zowel jongeren, starters, jonge gezinnen en ouderen in Beerzerveld. Hiermee wordt de leefbaarheid binnen de kern verbeterd. De woningen worden duurzaam gebouwd en het woningbouwprogramma speelt in op de behoeftes van de gemeente met sociale huur, middeldure huur en koop en vrije sector woningen die geschikt zijn voor starters, senioren en jonge gezinnen, zodat iedereen mee kan doen. De inrichting van de openbare ruimte heeft een zo groen mogelijk karakter, met ruimte voor water, mogelijkheid tot spelen en wandelpaden voorzien van halfverharding voor een klimaatadaptieve en recreatieve inrichting van het gebied. Het plan is derhalve lijn met de ambities van de Omgevingsvisie Ommen. 3.4.2
Woonvisie 2020-2025 De gemeente Ommen heeft een nieuwe, actuele en moderne woonvisie opgesteld. Hierin wordt de visie op het wonen in Ommen in 2025 verwoord. De woonvisie vormt de basis voor strategische afwegingen, die de gemeente maakt op het gebied van wonen. De vraag hoe de woonaantrekkelijkheid van de gemeente Ommen kan worden versterkt staat hierbij voorop. Daarnaast hebben enkele belangrijke thema’s die spelen in Ommen een plek gekregen. De focus ligt op de bestaande voorraad, inclusief de opgaven die daarmee samenhangen. Nieuwbouw is daaraan complementair. Nieuwbouw blijft nodig om in de behoefte te voorzien en in te kunnen spelen op de verwachte huishoudengroei. Voorts
31
wordt omschreven welke inzet de gemeente pleegt voor groepen die zonder steun moeite hebben om een passende woning te vinden en hoe ingespeeld wordt op de veranderingen in het kader van het scheiden van wonen en zorg. De gemeente zet in op versterking van de vitaliteit van het platteland en het waarborgen van de vitaliteit in de kernen. De gemeente doet dat door het karakter van de kernen te behouden. De gemeente zorgt samen met haar partners voor (het behoud van) fysieke en sociale voorzieningen in de buurt conform het uitvoeringsprogramma woonservicezones. Woningbouw in de kleine kernen en bij vrijkomende agrarische bebouwing faciliteert de gemeente bij concrete behoefte van onderop, van de inwoners zelf. Daarnaast is het van belang dat met deze woningbouw een bijdrage geleverd wordt aan de vitaliteit/leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit. Toetsing Het onderhavig plan voorziet in de concrete behoefte van de inwoners van de kern Beerzerveld. Het woningbouwprogramma sluit aan op de verwachte aandachtsgroepen als starters en senioren, die moeite hebben om een passende woning te vinden binnen de kern. Met het groene karakter van de openbare ruimte en de kleinschalige recreatieve voorzieningen in de vorm van speeltoestellen en wandelpaden wordt bijgedragen aan de ruimtelijk kwaliteit en leefbaarheid van de kern.
32
4
Gevolgen voor de fysieke leefomgeving
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1
Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.
Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
4.1.2
Toetsing In de uitgevoerde m.e.r.-beoordeling3 is beoordeeld of als gevolg van de woningbouwontwikkeling nadelige effecten op het milieu zijn te verwachten. De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies, zoals deze in de m.e.r.-beoordeling aan bod zijn gekomen. Aspect Archeologie
3
Beoordeling milieueffecten Op grond van het archeologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat er een zeer kleine kans is dat archeogische waarden aanwezig zijn. Er kan daarom worden uitgesloten dat sprake zal zijn van een significant nadelig milieueffect.
SAB (2024). M.e.r.-beoordeling Woningbouw Beerzerveld, Ommen. 230302.01. 19 mei 2025. 33
Natuur (gebiedsbescherming)
Natuur (soortenbescherming)
Verkeer
Geluid
Luchtkwaliteit
Water
Ontplofbare oorlogsresten
Op grond van het stikstofonderzoek kunnen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden door stikstof worden uitgesloten. Uit verricht natuuronderzoek volgt dat mogelijk Rode lijstsoorten, soorten uit bijlage IX van het Bal aanwezig zijn, dat er vogels in het besluitgebied kunnen broeden en dat er waarschijnlijk leefgebied van de steenuil verloren gaat. Om rekening te houden met de specifieke zorgplicht en overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten en voor de steenuil een projectplan op te stellen en een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aan te vragen. Met inachtneming hiervan zal hoogstens een beperkt effect optreden, maar zeker geen significant nadelig effect. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking met aansluitingen op de omliggende wegen zonder te verwachten afwikkelingsproblemen. Gezien voorgaande worden wat betreft verkeer geen negatieve milieueffecten verwacht. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal er sprake zijn van een extra verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee zou sprake kunnen zijn van een toename van geluidshinder op bestaande omringende woningen. De verwachting is dat deze hindertoename niet merkbaar zal zijn voor het menselijke oor.
Gezien voorgaande worden voor wat betreft geluid geen significant negatieve (milieu)effecten verwacht. Er zijn geen aanzienlijk effecten te verwachten. Gezien de bestaande achtergrondconcentraties en de planbijdrage is geen sprake van een wezenlijke verslechtering. Door de significante toename in verharding binnen het besluitgebied en de gedempte watergang kunnen negatieve milieueffecten ontstaan met betrekking tot de watercyclus en eventuele verhoogde risico’s van overstromingen. In de regels van het omgevingsplan zal worden gewaarborgd dat wordt voorzien in voldoende waterberging. Nadelige milieueffecten zijn derhalve uitgesloten. Er bestaat een verdenking van de aanwezigheid van munitie binnen het projectgebied. Indien onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten wordt uitgevoerd en de daarin aangeraden maatregelen 34
worden gevolgd bestaat er geen risico op het ontploffen van oorlogsresten. Hiermee kunnen significant negatieve milieueffecten worden uitgesloten. De uitkomst van de in voorgaande hoofdstukken uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Enkel voor wat betreft natuur (soortenbescherming) zijn er mogelijk negatieve milieueffecten. Er kan echter worden uitgesloten dat sprake zal zijn van een aanzienlijk nadelig milieueffect. De conclusie is dan ook dat aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten. Het volgen van een mer-procedure is daarom niet nodig. 4.1.3
Conclusie Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
4.2.2
Toetsing Vanwege de realisatie van bodemgevoelige objecten in de vorm van woningen is er een verkennend bodemonderzoek4 conform de NEN 5740 uitgevoerd. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van 1,6 ha. Het terrein is onbebouwd en in gebruik
4
De Klinker (2023). Verkennend bodemonderzoek, van Alewijkstraat, Beerzerveld. Projectnummer: K2320204, 27 november 2023. 35
als schapenweide. Naast woning nummer 14 is een fietspad aangelegd. Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: de bodem is opgebouwd uit zand met in de ondergrond leem en veenlagen; − tijdens de veldwerkzaamheden zijn geen zintuiglijke afwijkingen in de bodem waargenomen; − in de bovengrond zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen; − in de ondergrond is in de veenlaag een licht verhoogd gehalte nikkel aangetoond; − in de overige ondergrondmonsters zijn geen van de onderzochte componenten aangetoond boven de achtergrondwaarde; − in de grond is geen PFAS aangetoond; − het grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel en naftaleen; − de hypothese dient verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden. Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik. Ten behoeve van de verwerking van vrijkomende grond op een locatie buiten de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk). De conclusies hebben uitsluitend betrekking op de geselecteerde deellocaties en de geanalyseerde componenten. Gezien het verkennende karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. 4.2.3
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
4.3
Geluid
4.3.1
Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen
36
altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Geluidbronsoorten
Standaardwaarde in Lden (dB)
Rijks- en provinciale wegen Gemeente- en waterschapswegen Hoofd- en lokale spoorwegen Industrieterreinen
50
Grenswaarde in Lden (dB) Nieuwe Aanleg of geluidgevoelige aanpassing bron gebouwen 60 65
53
70
70
55
65
70
50 40 Lnight
55 45 Lnight
60 50 Lnight
Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn. Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen. Geluid door activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden.
Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: 1 activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen; 2 geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Dit wijzigingsbesluit maakt de realisatie van geluidgevoelige gebouwen mogelijk, op korte afstand van een locatie met activiteiten die geluid(hinder) veroorzaken. Hierbij geldt dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het permanente omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66).
37
Voorafgaand de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd gewerkt met de VNGpublicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009'. Hierin is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat een inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt. In de Omgevingswet wordt niet langer gewerkt met de term inrichting en wordt gesproken over milieubelastende activiteiten. Omdat in voorliggende situatie het gemeentebrede omgevingsplan nog niet gereed is en daarmee de bestemmingsplannen nog onderdeel uitmaken van omgevingsplan, is het kader van de VNG-publicatie nog wel relevant. Onder de Omgevingswet worden echter alleen nog de aspecten geluid en geur meegenomen in de afweging evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.3.2
Toetsing Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen In het kader van de wijziging van het omgevingsplan is onderzoek noodzakelijk naar de geluidbelasting vanwege weg- en railverkeer. Derhalve is een akoestisch onderzoek geluid wegverkeer5 uitgevoerd. In dit onderzoek is als worst-case scenario rekening gehouden met de realisatie van 40 woningen, waaronder 15 vrijstaande woningen. Zo blijft er spelingsruimte om het stedenbouwkundig programma iets aan te passen, zonder dat de onderzoeken opnieuw moeten worden uitgevoerd. In de motivering wordt echter het feitelijke woningbouwprogramma van maximaal 34 woningen gehanteerd, wat ook in de regels is vastgelegd. De onderstaande afbeelding laat de vertaling zien naar het akoestisch rekenmodel dat is gebruikt voor het onderzoek.
Akoestisch rekenmodel Beerzerveld (bron: SAB)
Op basis van dit onderzoek, waarbij is getoetst op de maximaal planologische mogelijkheden, kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
5
SAB (2024). Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer, Ommen, Beerzerveld. Projectnummer: 230302.01, 8 januari 2024. 38
Gemeente- en waterschapswegen Als gevolg van de omliggende gemeente- en waterschapswegen wordt de standaardwaarde van 53 Lden overschreden voor bouwvlak 1, welke aan de Van Alewijkstraat ligt. Volgens het meest recente ontwerp zou er op 6 woningen een overschrijding zijn. Uit onderzoek is gebleken dat de Van Alewijkstraat weg akoestisch maatgevend is, dus deze is nader onderzocht. De grenswaarde wordt geheel niet overschreden. Van Alewijkstraat De hoogste geluidbelastingen zijn hoger dan de standaardwaarde, maar lager dan de grenswaarde. De hoogste geluidbelasting bedraagt 59 Lden en is waarneembaar voor de (beoogde) woningen direct grenzend aan de Van Alewijkstraat. Er zijn echter ook geluidbelastingen waarneembaar die die standaardwaarde van 53 Lden niet overschrijden en waar het dus mogelijk is om een geluidluwe gevel te realiseren. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar stuiten grotendeels op bezwaren van landschappelijke, civieltechnische, stedenbouwkundige en financiële aard. Wel kan de komgrens verlegd worden naar aanleiding van de nieuwe woningen om zo de maximale snelheid op het nabije wegdeel tot 30 km/uur te verlagen. Als deze maatregel wordt toegepast bestaan er geen overschrijdingen van de standaardwaarde meer, de hoogste gezamenlijke waarde van de wegen is dan 53 Lden. Er hoeven dan geen hogere waarden in het omgevingsplan toegestaan te worden.
Gecumuleerd en gezamenlijk geluid Voor onderhavige ontwikkellocatie is verdere cumulatie niet relevant, er liggen enkel gemeentewegen nabij de ontwikkellocatie die akoestisch relevant zijn. Als de snelheidsverlagende maatregel niet wordt toegepast dient bij de aanvraag van een ‘Omgevingsvergunning bouwen’ in ieder geval door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek te worden aangetoond dat de binnenwaarde uit het Bouwbesluit 2012 wordt gehaald voor de nieuwe woningen die direct langs de Van Alewijkstraat liggen. Hier moet dan ook een hogere standaardwaarde van 59 dB in het omgevingsplan worden toegestaan. Geluid door activiteiten De ontwikkellocatie ligt aan de noordrand van de bebouwde kom van Beerzerveld. In de directe omgeving van de ontwikkellocatie is zowel juridisch-planologisch als feitelijk gezien sprake van voornamelijk woonbebouwing. Alleen ten oosten van de ontwikkellocatie liggen twee maatschappelijke bestemmingen, een horeca- en een sportbestemming. De omgeving is dan ook een gebied waar functiemenging vrijwel afwezig is, het gebied kan dan ook getypeerd worden als ‘woongebied’. Hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling omvat de realisatie van 34 grondgebonden nieuwbouwwoningen. De beoogde ontwikkeling wordt conform de Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet niet gezien als een hinderveroorzakende activiteit.
Wel kunnen de warmtepompen waarmee de woningen worden voorzien eventueel geluidshinder veroorzaken. Het eventuele geluid van warmtepompen zal in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag beoordeeld worden.
39
Hinder van bestaande activiteiten op de ontwikkeling Woningen betreffen geluidsgevoelige op basis van het Bkl (artikelen 3.21 & 5.91). Daarom wordt getoetst op geluidshinder door milieubelastende activiteiten op de ontwikkeling. De aanwezige bedrijvigheid met de bijhorende richtafstand voor geluid op basis van de oude VNG publicatie is in de navolgende tabel opgenomen, ook is de werkelijke afstand van de bedrijvigheid tot de nieuwbouwwoningen weergegeven.
40
Bedrijfssoort
Adres
Omschrijving VNG
Richtafstand (m)
Gemeten afstand (m)
Cultuurcentrum
Van Alewijkstraat 36
Buurt- en clubhuizen
Geluid: 30 m
± 80 m
Hotel Café Restaurant Beerzerveld
Van Alewijkstraat 32
Geluid: 10 m
± 100 m
Gymzaal
Van Alewijkstraat 30
Hotels en pensions met keuken, conferentieoorden en congrescentra Sporthallen
Geluid: 50 m
± 135 m
Apotheekhoudende Huisartsenpraktijk Beerzerveld Basisschool PCBS De Hoekstee
Van Alewijkstraat 17
Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen) Fokken en houden van overige graasdieren: paardenfokkerijen Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)
Geluid: 10 m
± 150 m
Geluid: 30 m
± 200 m
Geluid: 30 m
± 370 m
Geluid: 30 m
± 420 m
Geluid: 30 m
± 460 m
Maatschap J. Wolters en L.G. WoltersRibberink Handelstal Meijer (paardenstal)
Akkerbouw
Oordstraat 2B
Van Alewijkstraat 40
1e Polderweg 8
Westerweg 56
Daarnaast worden er in de omgeving van het besluitgebied enkele aan huis verbonden beroepen uitgeoefend met een richtafstand van hoogstens 10 meter. Geen van de nieuwbouwwoningen valt binnen deze richtafstand. De gebruiksruimte van de overige bedrijven wordt niet beperkt door de voorgenomen ontwikkeling, nader onderzoek is niet noodzakelijk. 4.3.3
Conclusie De bebouwde komgrens bij het plangebied wordt aangepast. Wanneer de bebouwde kom grens niet voor vaststelling van het wijzigingsbesluit wordt aangepast, moet in het
41
omgevingsplan een hogere standaardwaarde worden opgenomen. Daarnaast moet in dat geval worden opgenomen dat bij de nieuwe woningen moet worden voldaan aan de binnenwaarde uit het bouwbesluit 2012. Rekening houdende met het bovenstaand, vormt het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
4.4
Trillingen
4.4.1
Algemeen Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving. Trillingshinder door een spoorlijn Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.
Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Dat binnen een zone van 100 meter tot het spoor rekening gehouden moet worden met trillingen betekent niet dat er binnen deze zone altijd maatregelen nodig zijn. Trillingshinder door milieubelastende activiteiten In de bruidsschat – die onderdeel is van het tijdelijke omgevingsplan - zijn regels opgenomen voor milieubelastende activiteiten met een trillingsemissie. De regels bieden trillinggevoelige gebouwen bescherming tegen trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt door een activiteit op een locatie. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen (artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat).
4.4.2
Toetsing De ontwikkelingslocatie ligt op ca. 275 m van de spoorlijn Mariënberg - Almelo en valt daarmee ruimte buiten de 100 m waarbinnen trillingshinder door spoor getoetst dient te worden. De nieuwbouwlocatie zal geen trillingshinder ondervinden van de spoorlijn. Daarnaast bevinden zich in de directe omgeving van de ontwikkelingslocatie geen milieubelastende activiteiten met een trillingsemissie.
42
4.4.3
Conclusie Het aspect trilling vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Algemeen Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Ook voor activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied is het toetsen aan de omgevingswaarden van belang. Deze activiteiten kunnen immers zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt, maar hier mogelijkerwijs wel invloed op kan hebben.
Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Ook in dat geval wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de beoogde activiteit(en) niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden: 1. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal); 2. bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter in lengte toeneemt; 3. bij de aanleg van een auto(snel)weg.
4.5.2
Toetsing De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen
43
met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen plan zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Met behulp van de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de volgende tabel zijn voor de jaren 2022 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven. Stoffen NO2 concentratie PM10 concentratie PM2,5 concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
2022 12,4 µg/m3 15,9 µg/m3 8,4 µg/m3
2030 9,4 µg/m3 12,2 µg/m3 5,9 µg/m3
Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit het Bkl. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. 4.5.3
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
4.6
Geur
4.6.1
Algemeen Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: 1 bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; 2 bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven). Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.
44
Berekenen van de geursituatie of geurbelasting bij veehouderijen Om de geursituatie van een veehouderij of de geurbelasting op gevoelige objecten of bebouwingscontour te achterhalen wordt gebruik gemaakt van rekenmethodes waar de voorgrondbelasting of achtergrondbelasting berekend wordt. De voorgrondbelasting is de geurbelasting veroorzaakt door de veehouderij die voor een geurgevoelig object dominant is. Het rekenmodel V-Stacks vergunning berekent de geurbelasting van een individuele veehouderij op omliggende woningen. De uitkomsten gebruikt het bevoegd gezag om te toetsen of een veehouderij voldoet aan de maximaal toegestane geurbelasting en wat de geurbelasting is een geurgevoelig object nabij de veehouderij. De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting van alle veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. Het rekenmodel V-Stacks gebied kunnen gemeenten gebruiken om de achtergrondbelasting van geur te berekenen. Het is een hulpmiddel bij het ontwikkelen van een gebiedsvisie, het maken en vaststellen van een geurverordening en te bepalen wat het woon- en leefklimaat is van nieuwe ontwikkelingen. 4.6.2
Toetsing In de omgeving van het besluitgebied zijn veehouderijen gelegen. Daarom dient in het kader van de Omgevingswet en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties onderzocht te worden of veehouderijen door het plan niet in hun rechten worden geschaad en of er ter plaatse van de nieuw te realiseren geurgevoelige objecten sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Derhalve is een op de locatie een QuickScan geur6 uitgevoerd waar wordt geïnventariseerd welke veehouderijen in de omgeving van het besluitgebied liggen, en waar mogelijke belemmeringen liggen. Uit de quick scan komt naar voren dat er geen veehouderijen zijn gelegen binnen 100 meter van het besluitgebied. Er worden zodoende geen veehouderijen belemmerd in hun mogelijkheden met het oog op vaste afstanden. Binnen 500 meter zijn eveneens geen veehouderijen gevestigd, zodoende hoeven er geen voorgrondgeurberekeningen gemaakt te worden. Er zijn echter wel diverse veehouderijen met dieren waarvoor een geuremissie is vastgesteld gevestigd binnen 2.000 meter van het besluitgebied. Door middel van een achtergrondgeurberekening7 is vastgesteld wat de geurbelasting is op het besluitgebied om te kunnen beoordelen of de geur door de aanwezige activiteiten op de beoogde geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.
Uit de achtergrondbelastingberekening komt naar voren dat er sprake is van een geurbelasting van rond de 2 ouE/m3. Het plangebied is gelegen in een concentratiegebied en daarbij is volgens de Wgv sprake van een zeer goed woon- en leefklimaat bij een geurbelasting van onder de 3 ouE/m3. Volgens de GES-score is er sprake van een redelijke milieugezondheidskwaliteit.
6
SAB (2023). Quick scan geurhinder omgevingsplan Beerzerveld. Projectnummer: 230302, 22 november 2023.
7
SAB (2023). Agrarisch geuronderzoek omgevingsplan Beerzerveld. Projectnummer: 230302.01, 10 januari 2024. 45
Aangezien er geen veehouderijen met dieren in een straat van 500 meter om het plangebied aanwezig zijn, worden er geen problemen met de luchtkwaliteit verwacht. Een specifiek luchtkwaliteitsonderzoek met betrekking tot de landbouw is daarom niet nodig. 4.6.3
Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
4.7
Spuitzonering
4.7.1
Algemeen Bij ontwikkelingen in de buurt van de teelt van gewassen (akkerbouw, fruitteelt) moet rekening worden gehouden met 'spuitzones'. Dit is een zone, gebaseerd op jurisprudentie van de Raad van State, die moet worden aangehouden tussen gevoelige functies (zoals wonen) en de gronden waarop gewassen worden gehouden waarbij gewasbeschermingsmiddelen (mogen) worden gebruikt. De zone is bedoeld om voor omliggende functies een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Regelgeving Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen (zoals fruitbomen) in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen woningen. Over het algemeen wordt een afstand van 50 meter aanvaardbaar geacht. Echter, deze afstand is niet in regelgeving vastgelegd. Het blootstellingsrisico is afhankelijk van meerdere factoren zoals gebruikte middelen, gebruikte spuittechniek, windsnelheid en windrichting. Daardoor kan er geen globale (of specifieke) richtlijn worden gegeven die wetenschappelijk kan worden onderbouwd. Voor elk geval moet een locatiespecifieke afweging plaatsvinden. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu.
De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers en werknemers. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren.
4.7.2
Toetsing Ten noorden en westen van het plangebied zijn binnen 50 m agrarische gronden aanwezig. Hier zijn boomkwekerijen en fruitboomgaarden toegestaan, waarvoor gewasbeschermingsmiddel worden gebruikt. Daarom is een onderzoek8 uitgevoerd naar het
8
Adromi B.V. (2024). Onderzoek blootstellingsrisico gewasbeschermingsmiddelen. Kenmerk: R202455/2401b. 4 september 2024. 46
blootstellingsrisico van de gewasbeschermingsmiddelen op de locatie. Het onderzoek is uitgevoerd om enerzijds na te gaan of de nieuwe woningen zouden kunnen leiden tot beperkingen bij de exploitatie van de omliggende agrarische gronden en anderzijds om na te gaan of in en om de betrokken woningen rekening moet worden gehouden met een relevant gezondheidsrisico v.w.b. blootstelling aan drift. Gelet op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak kan op basis van locatiespecifiek onderzoek een kortere onderlinge afstand dan 50 meter worden toegelaten om een planologisch aanvaardbare situatie te bereiken. In de onderhavige situatie wordt vanuit het voorzorgbeginsel geadviseerd om een aanvullende veiligheidsafstand aan te houden. Op deze wijze kan het gezondheidsrisico samenhangend met blootstelling aan drift uit voorzorg worden verkleind zonder dat rekening behoeft te worden gehouden met mogelijk toekomstige beperkingen ten aanzien van de inzet van gewasbescherming bij de exploitatie van agrarische gronden.
Aan te houden veiligheidsafstanden uit memo bootstellingsrisico gewasbeschermingsmiddelen
De veiligheidsafstanden die worden aanbevolen in het onderzoek (zoals aangegeven in bovenstaand afbeelding) zijn in de regels van het plan geborgd: − De woonbestemming (waarbinnen woningen en tuinen mogelijk zijn) ligt aan de westzijde op minimaal 15,75 afstand van de gronden waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt en aan de noordzijde op minimaal 14, 5 m afstand; − Voor de langzaamverkeersverbindingen geldt dat deze op minimaal 3 m van gronden waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt moeten liggen. Het besluitgebied zelf ligt op meer dan 3 m afstand, waardoor dit gewaarborgd is. − Speelvoorzieningen zijn binnen een afstand van 12,5 m van de gronden waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt niet toegestaan.
47
− Ter plaatse van de tuinen aan de noordzijde van het besluitgebied is de aanduiding siertuin opgenomen en hier is uitsluitend het gebruik voor siertuin, oprit en parkeren toegestaan en aanleg en onderhoud. 4.7.3
Conclusie Rekening houdend met voorgaande vormt het aspect spuitzones geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
4.8
Kabels en leidingen
4.8.1
Algemeen Bij vaststelling van een wijzigingsbesluit moet rekening worden gehouden met de bescherming van ruimtelijk relevante kabels en leidingen.
4.8.2
Toetsing In het besluitgebied zijn geen ondergrondse hoge druk aardgasleidingen en hoogspanningslijnen aanwezig.
4.8.3
Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
4.9
Omgevingsveiligheid
4.9.1
Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl).
Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
48
In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen.
Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. 4.9.2
Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in risicovolle activiteiten die van invloed kunnen zijn op het aspect omgevingsveiligheid. Wel worden er met dit plan nieuwe kwetsbare gebouwen toegevoegd en dient gekeken te worden of dit eventueel van invloed is op nabijgelegen risicovolle activiteiten. Daarom is een Quick scan Omgevingsveiligheid9 opgesteld die in gaat op het aspect omgevingsveiligheid met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling. In dit onderzoek wordt derhalve stilgestaan bij alle risicobronnen in een straal van 1,5 km vanaf de ontwikkellocatie. In dit onderzoek is als worst-case scenario rekening gehouden met de realisatie van 40 woningen, waaronder 15 vrijstaande woningen. Zo blijft er spelingsruimte om het stedenbouwkundig programma iets aan te passen, zonder dat de onderzoeken opnieuw moeten worden uitgevoerd. In de motivering wordt echter het feitelijke woningbouwprogramma van maximaal 34 woningen gehanteerd, zoals ook vastgelegd in de aregels. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de digitale risicokaart. De globale ligging van de ontwikkellocatie is rood aangeduid, de 1,5 kilometer grens is in zwart aangeduid.
9
SAB (2024). QuickScan Omgevingsveiligheid Beerzerveld, gemeente Ommen. Projectnummer: 230302.01, 24 januari 2024. 49
[5,6] [4]
[8] [7]
[3] [1]
[2]
planlocatie
Uitsnede digitale risicokaart met ontwikkellocatie (rode cirkel). Bron: Signaleringskaart EV, 4-12024
[1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8]
Risicovolle activiteit, fam. Lubbinge Transportroute weg, wegvak O40 Risicovolle activiteit, Freke autobedrijf V.O.F. Buisleiding, N-527-40 Risicovolle activiteit, fam. Sutmuller Risicovolle activiteit, fam. Brands Basisnetroute spoor, 460.1 10 Basisnetroute spoor, 370.1 3
Uit de inventarisatie van nabije risicobronnen blijkt het volgende: − De ontwikkellocatie bevindt zich niet binnen een PR 10 -6-contour of aandachtsgebied van de nabije risicovolle activiteiten, buisleidingen en spoortraject; − De ontwikkellocatie bevindt zich in het gifwolkaandachtsgebied van wegvak O40 (N36 Twentseweg). Hierbinnen moet conform Besluit kwaliteit leefomgeving artikel 5.15 rekening worden gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. In de QuickScan worden de calamiteitenscenario’s beschreven die voor de ontwikkellocatie relevant zijn. Vervolgens worden verschillende maatregelen, de zelfredzaamheid van de bewoners en de beheersbaarheid / bestrijdbaarheid van de calamiteit in detail besproken.
10
De op de signaleringskaart gegeven aandachtsgebieden zijn indicatief. In verband met de over dit traject vervoerde stoffen geldt in werkelijkheid alleen het brandaandachtsgebied. 50
Er wordt geconcludeerd dat er vanuit omgevingsveiligheidsoogpunt geen bezwaar bestaat tegen de gewenste ontwikkeling, indien de juiste maatregelen worden genomen voor het omgaan met een gifwolk. 4.9.3
Conclusie PM advies veiligheidsregio
4.10
Ontplofbare Oorlogsresten
4.10.1
Algemeen Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben er oorlogshandelingen plaatsgevonden in en rondom Ommen. Gezien het voorgaande is de kans aanwezig dat er zich binnen het plangebied nog niet-gesprongen explosieven bevinden. Bij de aanlegwerkzaamheden c.q. grondroerende activiteiten is er een risico dat op resten van explosieven wordt gestuit. Dit aspect verdient om die reden nadere aandacht.
4.10.2
Toetsing In het kader van de omgevingsvergunning zal een vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten worden verricht. Indien hieruit volgt dat detectieonderzoek nodig is, dan zal dit voorafgaand aan het uitvoeren van bodemingrepen worden uitgevoerd.
4.10.3
Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
4.11
Gezondheid
4.11.1
Algemeen De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. Gemeenten kunnen hun gezondheidsambities vastleggen in de omgevingsvisie, een programma en/of omgevingsplan. Gezondheid in de omgevingsvisie Uit de landelijke gezondheidsmonitor blijkt dat inwoners in de regio IJsselland waar Ommen deel van uitmaakt de gezondheid als zeer goed ervaren en verder stijgt. Dit wil de gemeente graag zo houden en blijven stimuleren. In de omgevingsvisie is het belang dat gezondheid dan ook expliciet wordt vastgelegd door de G van gezond toe te voegen aan de missie van Ommen. Ommen zet samen met GGD IJsselland al langere tijd in op een gezonde leefomgeving. Een aanpak waarin positieve gezondheid centraal staat. Het markeert de omslag van denken in termen van ‘ziekte, zorg en afhankelijkheid’ naar ‘gezondheid, gedrag, preventie en eigen kracht’. Deze omslag werkt door in de wijze waarop de gemeente de samenleving en leefstijl inricht en inwoners, bezoekers en bedrijven uitnodigt tot gezond gedrag. De omslag in het denken
51
verandert de rol van inwoners, zorgverleners, verzekeraars en de overheid en heeft gevolgen voor de wijze waarop de lokale gezondheidszorg binnen Ommen wordt georganiseerd. Het biedt ook kansen voor de manier waarop de gemeente de publieke gezondheidszorg borgt en organiseert. Ommen richt zich, samen met de partners in Vitaal Vechtdal, op het vertalen van hun ambities naar handelingsperspectieven voor vier gezondheidsvraagstukken: 1. het verbeteren van de gezondheid in de fysieke- en sociale leefomgeving; 2. het verminderen van gezondheidsachterstanden; 3. het verlagen van de druk op het dagelijks leven bij jeugd en jongvolwassenen; 4. het bijdragen aan het vitaal ouder worden. Daarnaast zet de gemeente zich in op het bevorderen van sport en bewegen voor een gezonde leefstijl en gezonde inwoners in een gezonde leefomgeving. De ambities voor sport en bewegen heeft de gemeente samen met hun sportverenigingen, scholen, fysiotherapeuten, welzijnsorganisaties, plaatselijke belangen en huisartsen gezamenlijk vastgelegd in het sport- en preventieakkoord “Samen Fitter Verder”. Samen Fitter Verder Met dit sport- en preventieakkoord maken meerder partijen binnen de gemeente Ommen afspraken om samen uitvoering te geven aan de actiepunten om de gestelde ambities op het gebied sport en bewegen te realiseren. De ambities zijn uitgewerkt in 5 thema’s: 1.
Ommen gaat voor gezonde inwoners in een gezonde omgeving; 2. in Ommen kan iedereen meedoen met sport en bewegen; 3. de sport- en beweeginfrastructuur in Ommen is toekomstbestendig ingericht; 4. kinderen in de gemeente Ommen zijn fit, vaardig en sociaal; 5. sport- en beweegaanbieders in Ommen zijn vitaal en toekomstgericht. Per thema worden de ambities en actiepunten gepresenteerd. 4.11.2
Toetsing In voorgaande paragrafen met betrekking tot de aspecten luchtkwaliteit, geur, spuitzonering, trillingen en geluid is geconcludeerd dat in het plangebied sprake is van een gezonde leefomgeving: − Wat betreft geluid zijn er met de geplande aanpassing van de bebouwde komgrens geen overschrijdingen van de standaardwaarde; − Het besluitgebied ligt buiten de richtafstanden van omliggende bedrijven met betrekking tot geluid. In het besluitgebied is hierdoor geen geluidhinder van bedrijven te verwachten; − In het besluitgebied is geen trillinghinder van de nabijgelegen spoorlijn te verwachten; − In het besluitgebied wordt ruim voldaan aan grenswaarden voor concentraties verontreinigende stoffen in de lucht, waardoor sprake is van een goede luchtkwaliteit; − Uit de achtergrondberekening geurhinder volgt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat en een redelijke milieugezondheidskwaliteit; − In het voorliggende project is in een zone van 50 m rondom de toekomstige woonbestemmingen het gebruik van chemische gewasbestrijdingsmiddelen niet
52
toegestaan. Op deze wijze is een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het besluitgebied gegarandeerd. Verder is in het stedenbouwkundig plan ruimte gereserveerd voor groenstructuren en een voet- fietspad over de zuidelijke watergang. Dit zorgt ervoor dat de toekomstig inwoners kunnen verblijven in een groene omgeving en dat fietsen en wandelen naar bestemmingen in het dorp gestimuleerd wordt. Tot slot zal in het besluitgebied een speelvoorziening worden gerealiseerd, wat bijdraagt aan de mogelijkheden om buiten te spelen en bewegen. 4.11.3
Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
4.12
Water
4.12.1
Algemeen In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Dit is vastgelegd in het procesinstrument ‘de Watertoets’. Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.
In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂ arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1. Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om
53
de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen. 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1. Klimaatadaptatie; 2. Waterveiligheid; 3. Zoetwater; 4.
Grondwater; 5. Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden.
Provinciaal beleid - Regionaal Waterprogramma Overijssel 2022-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2022-2027 Provincie Overijssel is op 15 december 2021 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 zijn de
54
opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Overijssel. De provincie heeft vier ambities: 1. Watersysteem met een goede ecologische en chemische kwaliteit: Een schoon en gezond watersysteem zijn belangrijk om een toekomstbestendig beheer te krijgen; 2. Rekening houden met gevolgen klimaatverandering: de provincie zet zich scherp in op samenwerking met partners om klimaatbestendig en waterrobuust te worden; 3. Versterking ruimtelijke kwaliteit: De investeringen in vormgeving en landschapsinpassingen worden op prijs gesteld. De provincie wil de beleefbaarheid van het watersysteem verhogen; 4. Kosten waterbeheer : De financiering van het waterbeheer voor de oppervlaktewateren, de aanleg en het onderhoud van keringen en de waterhuishouding in algemene zin liggen primair bij de waterschappen. De nadruk wordt verder gelegd op specifieke gebieden die meer aandacht nodig hebben bij een ruimtelijk project: 1. Drinkwateronttrekking: de provincie wil aan de voorkant van de ruimtelijke ontwikkelingen staan, zodat drinkwateronttrekking niet als een belemmering worden ervaren. De bescherming van grondwater voor menselijke consumptie is ook een prioriteit; 2.
Waterwingebieden: Bij de winputten, is alle andere activiteiten dan ten behoeve van de openbare drinkwatervoorzieningen niet toegestaan; 3. Grondwaterbeschermingsgebieden (met stedelijke functies): (risico)afweging en maatwerk in de ruimtelijke ontwikkelingen zijn voor deze gebieden kaderstellend; 4. Intrekgebieden (met stedelijke functies): In deze gebieden, is het mogelijk om andere functies toe te staan, mits een duurzame functieverweving mogelijk is bijvoorbeeld extensieve recreatie. Daarnaast hecht de provincie veel belang aan (risico) afwegingen in stedelijke gebieden; 5. Innamezone waterwinning: het water in deze gebieden moeten voldoen aan de eisen van oppervlaktewater; 6. Boringsvrije zone drinkwatervoorziening/ industrie/ Sallands Diep: In de boringsvrije zones is het beleid gericht op het behoud van de beschermende bodemlagen. Doorboren van deze bodemlagen is niet toegestaan. In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Overijssel. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de drinkwatervoorziening en grondwaterbeschermingsgebieden. Voor bestemmingsplannen c.q.
wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken. Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij deze gebieden zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma Vechtstromen 2022-2027 Op 15 december 2021 is het waterbeheerprogramma van waterschap Vechtstromen vastgesteld. Het Waterschap Vechtstromen laat in het waterbeheerprogramma zien
55
welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke (bestuurlijke) accenten het waterschap in de samenwerking met de partners willen leggen. Van daar uit wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2022-2027 beschreven inclusief de primaire doelen van het waterschap: − Klimaatrobuust: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen − Waterkwaliteit op orde: Water moet, zowel ecologisch als chemisch, van goede kwaliteit zijn. Schoon water is de basis voor een veilige leefomgeving en drager van natuur- en landschapskwaliteit. − Duurzaamheid: Aandacht voor duurzaamheid is vanzelfsprekend voor een aantrekkelijke leefomgeving. Binnen het thema duurzaamheid staan drie onderwerpen de komende jaren hoog op onze beleidsagenda: a vergroening: aandacht voor biodiversiteit en ecologie; b CO2-neutraliteit: het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen; c omslag naar circulair werken: om kostbare grondstoffen te sparen en afval te voorkomen. − Beleven van water: Het waterschap stelt zich open om de verschillende watergangen niet alleen maar functioneel te zien, maar ook om ervan te kunnen genieten. Door dat aanbod aan een groter publiek toegankelijker te maken, groeit ook het besef dat een gezond watersysteem van cruciaal belang is.
− Duurzaam financieel beleid: dit onderdeel bevat meerdere ramingen inzake onder andere exploitatiekosten of belastingopbrengsten, zodat het waterschap om een duurzame manier omgaat met inkomsten en uitgaven. Tot slot wordt de geplande koers vertaald in concrete tactische doelstellingen per beleidsonderdeel. Gemeentelijke beleid - Programma water en riolering 2023 - 2027 In het Programma Water en Riolering verteld gemeente hoe zij hun water- en rioleringssysteem geschikt gaan maken voor de klimaatveranderingen die op ons afkomen. Ook leggen zij uit hoe zij het systeem beheren en onderhouden. In het Programma Water en Riolering staan drie thema’s centraal. Ze gaan over het functioneren van het systeem, maar ook over het duurzaam en toekomstbestendig maken. De thema’s zijn gebaseerd op onze omgevingsvisie ‘Ommen, jouw toekomst’ en de ‘Sustainable Development Goals’ van de Verenigde Naties. Bewustwording & leefbaarheid In Nederland moeten we ons water- en rioleringssysteem zo gaan inrichten dat dit bestand is tegen de veranderingen van het klimaat. Bij hevige neerslag mag geen overlast ontstaan, en ook in perioden van langdurige droogte en hitte moet onze woon- en werkomgeving nog leefbaar zijn. Dit moeten we ons als maatschappij bewust zijn, en we moeten ook hier naar handelen. Aan deze opgaven heeft de gemeente Ommen 3 doelen gekoppeld: 1.