1. Varsenerweg 5a Ommen, Motivering
Tekst van het document
Daarnaast zijn er steeds meer ouderen, het aandeel ouderen stijgt tot bijna een kwart van de inwoners. De veranderingen van de huishoudenssamenstellingen heeft invloed op de woonwensen en -behoeften. Op basis van de huishoudensontwikkeling en woonwensen uit het landelijke WoON-onderzoek 2019 ziet Ommen dat het grootste deel van de woningvraag zich nog steeds voornamelijk richt op ruime, grondgebonden woningen, met name tweeonder-één kapwoning en vrijstaande woningen. Ambities De gemeente Ommen zet zich in voor fijne woningen voor inwoners van de gemeente Ommen. Aantrekkelijke woningen zorgen voor nieuwe inwoners. Dit zorgt ervoor dat er voldoende klanten en werknemers zijn voor lokale bedrijven. Om voldoende ruimte te bieden aan lokale woningzoekende baseert gemeente Ommen zich op de huishoudensprognose. Daaruit leiden ze af dat er in ieder geval 375 woningen moeten worden toegevoegd aan de huidige woningvoorraad. Hierboven wil de gemeente bijdragen aan de regionale woningbouwambitie in WestOverijssel. Binnen deze kaders is de ambitie van de gemeente om 650 woningen toe te voegen. Voor het buitengebied wordt door de gemeente Ommen ruimte gegeven om woningbouw op de plek waar agrarische bebouwing vrijkomt te realiseren. De Rood voor Rood-regeling maakt het mogelijk om woningbouw te plegen op plekken waar al bebouwing staat.
In totaal is er in het buitengebied ruimte voor maximaal 75 woningen. Toetsing van het initiatief aan het Woonprogramma Het initiatief voorziet in het toevoegen van drie woningbouwkavels in het buitengebied. Doordat de gemeente ruimte maakt voor 75 extra woningen in het buitengebied, sluit dit plan aan bij het woonprogramma van de gemeente Ommen. Ook laat het Woonprogramma zien dat er vooral belangstelling is naar vrijstaande woningen en twee-onderéén kapwoning, dit plan betreft het ontwikkelen van drie vrijstaande woningen en sluit hiermee ook aan bij het programma.
3.3.5 Conclusie gemeentelijk beleid Het plan is niet in strijd met het gemeentelijke beleid van de gemeente Ommen.
29
3.4 Conclusie De gewenste ontwikkeling, zoals beschreven in deze toelichting, past in het beleid op zowel landelijk-, provinciaal-, regionaal als gemeentelijk niveau.
30
4 Onderzoek en uitvoerbaarheidsaspecten 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld. De volgende aspecten komen aan bod: besluit milieueffectrapportage, duurzaamheid en klimaat, bodem, geluid door activiteiten, luchtkwaliteit, geur, milieuzonering, externe veiligheid, wateraspecten, archeologie en cultuurhistorie, flora en fauna, verkeer, parkeren en in- en uitritten, brandveiligheid, verlichting, gezondheid en relatie met andere toestemmingsvereisten.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie Beleidskader In de Erfgoedwet stellen Rijk en provincie dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Toetsing van het initiatief aan het aspect archeologie De gemeente Ommen heeft een verwachtingskaart opgesteld met daarin drie verwachtingen: een hoge, gematigde en lage verwachting. Uit het kaartbeeld, zie figuur 4.1, blijkt dat een deel van het plangebied een beschermd Rijksmonument (nummer 45807) betreft. Het betreft een terrein met sporen van bewoning en/of begraving uit de late Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd en vroege Middeleeuwen. Ter hoogte van de locatie van de beoogde compensatiekavels is sprake van een ‘hoge archeologische verwachtingswaarde’. Op grond van bijbehorende regels (opgenomen in de erfgoednota ‘toekomst voor erfgoed Ommen’) is archeologisch onderzoek nodig bij bodemverstoringen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,5 m. De locatie van de woningbouwkavels betreft geroerde grond.
De zuidelijke woning wordt gerealiseerd op de locatie van de bestaande schuur. De noordelijke kavels liggen op het terrein van de in 2017 gesaneerde varkenshouderij. Daarmee is er geen risico op het verstoren van archeologische waarden. Conclusie Binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Varsenerweg 6, Stouwdijk ong. & Bergweg 16’ is op een deel van de beoogde locatie compensatiekavels de archeologische verwachtingswaarde ‘Waarde -archeologische verwachting 1’ aangegeven. Deze waarde betekent dat een omgevingsvergunning niet noodzakelijk is, indien: • op basis van een aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer aanwezig) zijn; • het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut; • het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 2.500 m2 en minder diep roert dan 50 cm.
31
De ontwikkelingen in het plangebied (waar de grond verstoord wordt door bouw van 3 woningen) zijn kleiner dan 2.500 m². Bovendien wordt gebouwd op voorheen geroerde grond. Er wordt namelijk teruggebouwd op de locatie van een van de bestaande bedrijfsgebouwen en de locatie van een in 2017 gesaneerd agrarisch bedrijf (varkens en melkvee). Het archeologische monument wordt ontzien. Hierdoor vormt het aspect archeologie geen belemmering voor het plan.
Figuur 4.1 Uitsnede archeologische verwachtingskaart Ommen (Bron: Gemeente Ommen)
4.2.2 Cultuurhistorie en monumentenzorg Beleidskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Toets van het initiatief aan het aspect cultuurhistorie en monumentenzorg Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart Overijssel (Regio en deelgebied Vechtstreek), in het plangebied zelf en in de nabije omgeving geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. Conclusie Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.
4.3 Ecologie Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer de natuurbescherming en het beheer van ecosystemen (artikel 2.1, lid 3, onder h en o) en natuurgebieden (artikel 2.1, lid 3, onder h en q). De bescherming van habitats (en soorten) is geregeld in afdeling 3.7 en afdeling 4.4 (programma's natuur) Bkl.
32
Conform het overgangsrecht van de Omgevingswet (Ow) blijven de regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum (artikel 22.20, Ow). Na deze datum moet stikstof worden gemonitord als omgevingswaarde. Sinds 1 januari 2017 is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld in de Wet natuurbescherming. Op het gebied van gebiedsbescherming regelt de wet de bescherming van zes verschillende soorten natuurgebieden: het natuurnetwerk Nederland, bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, nationale parken, bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden. Bij activiteiten of ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelen voor een van deze gebieden moet een vergunning worden aangevraagd. Toetsing van het initiatief aan het aspect natuur De soortenbescherming kan met behulp van de volgende tools worden getoetst: • • •
Quickscan ecologie; Aanvullend onderzoek specifieke soorten; Werkprotocol/ontheffing/activiteitenplan.
De gebiedsbescherming wordt getoetst aan de hand van de volgende punten: • • • •
Ligging projectlocatie ten opzichte van beschermde gebieden; Eventuele effecten op Natura 2000; Eventuele effecten op NNN, GNN, GO; Beschermde houtopstanden.
Het plangebied is op 1 februari 2024 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. De QuickScan is als bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet op gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, is een stikstofberekening uitgevoerd voor de ontwikkel- en gebruiksfase.
De resultaten van de AERIUS-berekening in de ontwikkel- en gebruiksfase is als bijlage 3a en 3b toegevoegd. Hieruit blijkt dat als gevolg van de ontwikkelfase er geen toename plaatsvindt van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Als gevolg van de
33
gebruiksfase vindt er wel een toename van de depositie plaats in Natura 2000-gebied, namelijk op het Vecht- en Beneden- Reggegebied. Om te berekenen of er ook sprake is van een hogere stikstofdepositie t.o.v. de vergunde situatie moet de referentiesituatie worden vastgesteld. In bijlage 3c is de verschilberekening toegevoegd, waaruit blijkt dat het beoogde gebruik ten opzichte van de referentiesituatie niet zorgt voor een hogere stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het levert een stikstofreductie op. Soortenbescherming Door het verwijderen van de bomen en het slopen van de paardenstal tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet nest beschadigd of vernield met als gevolg dat vogels gedood, eieren beschadigd of vernield worden en nestplaatsen verloren gaan. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels niet af. Door het verwijderen van spullen/materialen in de buitenruimte wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren niet af.
Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Door het verwijderen van spullen/materialen in de buitenruimte wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rustplaats beschadigd en/of vernield. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten neemt de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied van amfibieën niet af. Conclusie Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af. Het plan is op basis van het aspect natuurbescherming uitvoerbaar.
4.4 Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: ▪ ▪ ▪
Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerksvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4)
34
▪
Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5).
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Toetsing van het initiatief aan het aspect bodem Dit plan betreft het planologisch mogelijk maken van het toevoegen van drie woningen met bijgebouw aan het plangebied, waardoor in totaal vijf woningen in plangebied zijn toegestaan. In februari 2024 is er door Kruse een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. Het doel van dit onderzoek is het verkrijgen van een beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. Vooronderzoek Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft Kruse een vooronderzoek gedaan op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er een asbestverdachte druppelzone en een voormalige bovengrondse dieseltanklocatie aanwezig zijn. Deze worden beschouwd als verdachte deellocaties. De bovengrond van de onderzoekslocatie wordt, vanwege de ligging op een voormalig agrarisch erf, als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van asbest.
Verder wordt de onderzoekslocatie als onverdacht voor chemische componenten uit het NEN5740-standaardpakket beschouwd. Resultaten veldwerk In totaal zijn er 20 inspectiegaten gegraven en 4 boringen verricht. Er zijn 3 boringen gestaakt op puin/beton op dieptes tussen 0.4 en 0.8 m-mv. Er zijn in totaal 5 monsterpunten verdiept. Er zijn 2 diepe boringen afgewerkt met een peilbuis (PB 1 en PB B1). Onder de klinkerverharding bestaat de bodem tot maximaal 0.30 m-mv uit matig grof, zwak siltig zand. Daaronder en ter plekke van het onverharde deel (weiland) van de onderzoekslocatie bestaat de bodem globaal uit uiterst tot matig fijn, zwak tot matig siltig, zwak humeus zand. In de boven en ondergrond zijn oeren roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen aangetroffen (puin). Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld en in de bodem. Het freatische grondwater in de peilbuizen is aangetroffen op gemiddeld 0.90 m-mv. Resultaten analyses Gehele terrein (6000 m2) -
de bovengrond (BG I) is zeer licht verontreinigd met PAK; de bovengrond (BG II) is zeer licht verontreinigd met PAK; de bovengrond (BG II) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG I) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG II) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 1) is zeer licht verontreinigd met barium; het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 1 is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek;
35
-
de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 2 en MM FF - 3 zijn niet asbesthoudend.
Deellocatie A: asbestverdachte druppelzone (circa 25 m2) -
mengmonster MM FF - A is niet asbesthoudend.
Deellocatie B: voormalige bovengrondse dieseltanklocatie (circa 15 m2) -
de bovengrond (B - BG) is niet verontreinigd met minerale olie; het grondwater (PB B1) is niet verontreinigd met minerale olie of vluchtige aromaten of naftaleen.
Ter plekke van het gehele terrein zijn in de bovengrond (BG I, BG II) en in het grondwater (PB 1) enkele zeer licht verhoogde concentraties aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Ter plekke van het gehele terrein zijn in de boven- en ondergrond (BG III, OG I en OG II) geen verontreinigingen aangetoond. Ter plekke van de voormalige bovengrondse dieseltanklocatie (deellocatie B) zijn in de bovengrond (B - BG) en in het grondwater (PB B1) geen verontreinigingen aangetoond. In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 1 is asbest aangetoond. Het gewogen asbestgehalte ligt ruim onder de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 2 en MM FF - 3 (gehele terrein) en in het mengmonster van de fijne fractie MM FF - A (asbestverdachte druppelzone, deellocatie A) is geen asbest aangetoond. Conclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen het toedelen van de functie wonen aan het gebied. Dit komt doordat de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
4.5 Geluid In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
36
Tabel 4.1 Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw
In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •
activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).
4.5.1 Wegverkeerslawaai De compensatiewoningen liggen in buitenstedelijk gebied binnen de geluidszone van de Varsenerweg, de Larinkmars en de Ziel. De Ziel betreft een zandweg en fietspad. De Varsenerweg en de Larinkmars betreffen beide smalle, rustige wegen die uitsluitend door het bestemmingsverkeer worden gebruikt. Redelijkerwijs kan worden verwacht dat als gevolg van deze wegen de voorkeurswaarde gehaald wordt. De atlas van de leefomgeving geeft een maximum waarde van 48dB aan binnen de cirkel beoogde locaties compensatiekavels. Een akoestisch onderzoek is daarom niet nodig.
37
Figuur 4.2 Uitsnede Geluid in Nederland ter hoogte van plangebied (rood omkaderd) (Bron: Atlas van de Leefomgeving)
4.5.2 Spoorweglawaai Het plangebied ligt op 1,5 km afstand de spoorlijn Zwolle-Ommen. Het plan ligt buiten het geluidsaandachtsgebied van spoorwegen, het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is niet nodig.
4.5.3 Industrielawaai In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften opgenomen die bescherming bieden tegen geluidhinder aan gevoelige objecten, zoals een woning. In de nabijheid van het plangebied ligt een melkveebedrijf op meer dan 50 meter van de nieuwe woningen. Voor de bestaande bedrijfswoningen wijzigt de status van geluidgevoelige bestemming (ten opzichte van naastgelegen bedrijven) niet en de geluidbelasting hoeft in de procedure niet te worden beoordeeld. In figuur 4.2 is de beoogde locatie weergegeven voor de 3 compensatiekavels met een blauwe cirkel. Deze drie kavels liggen op meer dan 50 meter van de melkveehouderij aan de Larinkmars 3, terwijl de richtafstand voor geluid 30 meter is. Hieraan wordt voldaan. De aanduiding ‘schapenhouderij’ op de bestaande woning geeft de mogelijkheid om maximaal 150 schapen te houden bij de woning. Het houden van schapen valt onder het fokken en houden van overige graasdieren. Hiervoor geldt een richtafstand voor geluid van 30 meter. De omliggende woningen liggen op ruim voldoende afstand en ondervinden geen hinder van de schapen.
4.6 Water Rijksbeleid – Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma (NWP) 2022 -2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld en brengt het Nationaal Water Plan en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren in het kader van de Omgevingswet samen in één programma. De Rijksoverheid beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en vaarwegen. Aspecten als klimaatverandering, bodemdaling, milieu- verontreiniging en ruimtedruk
38
zorgen ervoor dat Nederland momenteel te maken heeft met grote wateropgaven, die in de toekomst steeds groter en complexer worden. In het Nationaal Waterprogramma 2022 – 2027 staan de volgende drie ambities centraal: • • •
Een veilige en klimaatbestendige delta; Een concurrerende, duurzame en circulaire delta; Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.
Deze drie hoofdambities worden uitgewerkt per thema: • • • • • • •
Klimaatadaptatie; Waterveiligheid; Zoetwaterverdeling en droogte; Waterkwaliteit; Grondwater; Scheepvaart; Water en leefomgeving.
In deel A van het NWP zijn de belangrijkste beleidsdoelen en keuzes per thema geformuleerd. Vervolgens is in deel B het beheer en uitvoering door Rijkswaterstaat per thema beschreven. Tot slot komen in deel C het beleid en beheer en uitvoering samen in specifieke gebiedsgerichte uitwerkingen voor verschillende onderdelen van het hoofdwatersysteem. Provinciaal beleid - Regionaal Waterprogramma Overijssel 2022-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2022 – 2027 Provincie Overijssel is op 15 december 2021 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 zijn de op- gaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Overijssel. De provincies heeft vier ambities: 1. Watersysteem met een goede ecologische en chemische kwaliteit: Een schoon en gezond watersysteem zijn belangrijk om een toekomstbestendig beheer te krijgen; 2. Rekening houden met gevolgen klimaatverandering: de provincie zet zich scherp in op samenwerking met partners om klimaatbestendig en waterrobuust te worden; 3. Versterking ruimtelijke kwaliteit: De investeringen in vormgeving en landschaps- inpassingen worden op prijs gesteld. De provincie wil de beleefbaarheid van het watersysteem verhogen; 4.
Kosten waterbeheer: De financiering van het waterbeheer voor de oppervlaktewateren, de aanleg en het onderhoud van keringen en de waterhuishouding in algemene zin liggen primair bij de waterschappen. De nadruk wordt verder gelegd op specifieke gebieden die meer aandacht nodig hebben bij een ruimtelijk project: • •
Drinkwateronttrekking: de provincie wil aan de voorkant van de ruimtelijke ontwikkelingen staan, zodat drinkwateronttrekking niet als een belemmering worden ervaren. De bescherming van grondwater voor menselijke consumptie is ook een prioriteit; Waterwingebieden: Bij de winputten, is alle andere activiteiten dan ten behoeve van de openbare drinkwatervoorzieningen niet toegestaan;
39
• • • •
Grondwaterbeschermingsgebieden (met stedelijke functies): (risico)afweging en maatwerk in de ruimtelijke ontwikkelingen zijn voor deze gebieden kaderstellend; Intrekgebieden (met stedelijke functies): In deze gebieden, is het mogelijk om andere functies toe te staan, mits een duurzame functieverweving mogelijk is bijvoorbeeld extensieve recreatie. Daarnaast hecht de provincie veel belang aan (risico) afwegingen in stedelijke gebieden;’ Innamezone waterwinning: het water in deze gebieden moeten voldoen aan de eisen van oppervlaktewater; Boringsvrije zone drinkwatervoorziening/ industrie/ Sallands Diep: In de boringsvrije zones is het beleid gericht op het behoud van de beschermende bodemlagen. Doorboren van deze bodemlagen is niet toegestaan.
In het plan zijn deze programma's verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Overijssel. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de drinkwatervoorziening en grondwaterbeschermingsgebieden. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken. Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij deze gebieden zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid – Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) Op 14 december 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Drents Overijsselse Delta vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma's: •
• • •
Voldoende water: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid : goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte; Schoon water: In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol, alsmede de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). Waterveiligheid: Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. Duurzame toekomst: Het waterschap hecht veel aan energietransitie: energieneutraal zijn tegen 2025, circulaire economie en bescherming van de biodiversiteit zijn voorbeelden van beleidstukken voor de komende jaren.
Deze vier thema's zijn uitgewerkt in verschillende deelgebieden, waarmee de doelstellingen vertaald zijn in concrete opgaven en maatregelen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Beleid De Overijsselse Vecht – Beleidsregels voor de Overijsselse Vecht Op basis van de watertoets blijkt dat het plangebied binnen de invloedszone van de Vecht ligt (uiterwaarden Vecht Overijssel). Hier zijn de “Beleidsregels voor de Overijsselse Vecht” (2013, destijds waterschap GrootSalland) van toepassing.
40
Op basis van deze beleidsregels zijn artikel 6 (Niet-riviergebonden activiteiten stroomvoerend regime) en 7 (Algemene voorwaarden) van toepassing. Deze artikelen bevatten het afwegingskader voor de toelaatbaarheid vanuit rivierkundig opzicht bezien. In voorliggend geval is sprake van niet-riviergebonden activiteiten. Hierna wordt op beide artikelen ingegaan. Artikel 6: Niet-riviergebonden activiteiten stroomvoerend regime Voor niet-riviergebonden activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is, wordt geen toestemming gegeven, tenzij, onverminderd het bepaalde in artikel 7., tweede lid, sprake is van: a) een groot openbaar belang en de activiteit niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd; b) een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven en de activiteit redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd; c) verbouw van bestaande bebouwing of vervangende nieuwbouw, waarbij de totale bebouwde oppervlakte vermindert of gelijk blijft. d) een activiteit die per saldo meer ruimte voor de rivier oplevert op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie. Artikel 7: Algemene voorwaarden 1. De toestemming, bedoeld in artikel 18.3., wordt alleen gegeven indien: a.
er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft; b. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit; en c. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het geven van toestemming, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6, aanhef en de onderdelen a, b en c, met dien verstande dat de resterende waterstandeffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn. 3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het geven van de toestemming, bedoeld in artikel 6., aanhef en onderdeel d, met dien verstande dat de gevraagde rivier verruimende maatregelen genomen worden, waarbij de financieringen en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn. Toetsing initiatief aan “Beleidsregels voor de Overijsselse Vecht” In voorliggend geval is sprake van het slopen van de landschapsontsierende bebouwing en de realisatie van 3 nieuwe woningen, waarbij de totale oppervlakte aan bebouwd oppervlakte verminderd.
Er wordt immers in totaal 6.000 m² (2.700 m² bebouwing en 3.300 m² verharding) verwijderd en ongeveer 600 m² gerealiseerd voor de drie nieuwe woningen, waarmee er per saldo meer ruimte voor de rivier wordt gerealiseerd (artikel 6 lid c en d). Het vorenstaande maakt dat de voorgenomen activiteiten in overeenstemming zijn met de “Beleidsregels voor de Overijsselse Vecht”.
4.6.1 De watertoets Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig
41
informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuiskundige aspecten. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. Toetsing van het initiatief aan het aspect Water Ten behoeve van dit plan is de digitale watertoets ingevuld, zie bijlage 5. Daarnaast is een waternotitie toegevoegd in bijlage 5a. Hieruit volgt dat de normale procedure gevolgd kan worden. Dit betekent dat het waterschap Drents Overijsselse Delta akkoord gaat met het plan, mits voldaan wordt aan de uitgangspunten uit de standaard waterparagraaf met bijbehorend aanvullend advies voor overstroombaar gebied. Navolgende paragraaf voorziet hierin.
4.6.2 De waterparagraaf – normale procedure Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het plan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 cm. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseert het waterschap om een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, moet aandacht besteed worden aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater. Voorkeursbeleid hemelwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s hebben daarbij de voorkeur. In dit plan wordt het verharde flink verminderd, waardoor er meer regenwater wordt geïnfiltreerd op het plangebied.
Dit zal niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Compensatie bij verharding Om wateroverlast te voorkomen wordt geadviseerd om voor het aanwezig verhard oppervlak een berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater te realiseren. Compensatie moet de volgende trap volgen: vasthouden-bergen-afvoeren. Voor kleine plannen geldt als regel dat 8% van het totaal toegevoegde verharde oppervlakte wordt ingezet voor berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater waarin maximaal 30 cm peilstijging is toegestaan. In dit plan wordt ongeveer 600 m² aan verhard oppervlakte toegevoegd voor de woningen, in totaal neemt het oppervlakte wel flink af. Voor het verharde oppervlakte van de woningen moet een compensatie van: 600 m² * 0.08 m = 48 m³ aanwezig zijn voor waterberging. Op het plangebied wordt voldoende waterbergingsruimte gecreëerd in de vorm van een wadi. De wadi komt ten oosten van de nieuwe woningen en is opgenomen in het inrichtingsplan in bijlage 1. De GHG in dit gebied is 113 cm beneden maaiveld, op basis van het BRO model grondwaterspiegeldiepte (via PDOK viewer).
42
Het gebruik van uitlogende materialen Het waterschap is verantwoordelijk voor een goede waterkwaliteit van het regionale watersysteem. Om verontreiniging van het watersysteem te voorkomen worden materialen die uitlogen en het oppervlaktewatersysteem kunnen verontreinigen niet gebruikt. Wetgeving lozen in oppervlaktewater Voor lozingen op het oppervlaktewater geldt een vergunning- of meldingsplicht in het kader van de Waterschapsverordening. Voor de afvoer hemelwater geldt: • • •
Schoon hemelwater mag (na de voorkeursreeks) worden afgevoerd naar oppervlaktewater (dakoppervlakken). Voor overige afvoer en verwerking van hemelwater (vanaf verharding) is het gewenst om dit via een bodempassage te lozen op het oppervlaktewater. In alle situaties geldt een voorkeur voor bovengronds afvoeren i.p.v. via de riolering.
De ideale situatie bij hemelwater volgt deze reeks: 1) benutten van hemelwater; 2) infiltreren van hemelwater; 3) vasthouden en vertraagd afvoeren van hemelwater. Het waterschap adviseert om in het ontwerp geen uitlogende bouwmaterialen te gebruiken en duurzaam gebruik te maken van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afstromende hemelwater te garanderen. Bestaande waterhuishouding Als gevolg van klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. De dijkringgebieden zijn vastgelegd in de nieuwe waterkaart. Voor dergelijke gebieden is het risico inzichtelijk gemaakt voor overstroming bij een doorbraak van de dijk. De gevolgen van een overstroming zijn bepaald door inzicht te geven in de maximale waterdiepte tijdens een overstroming en de snelheid waarmee een gebied overstroomt. Overstromingsrisico paragraaf In de omgevingsverordening (2.14.3) heeft de provincie Overijssel aangegeven dat voor gebieden met het risico op overstroming een onderbouwing moet worden opgenomen in de vorm van een overstromingsrisicoparagraaf. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen minder snel en ondiep onderlopende gebieden en snel diep onderlopende gebieden.
Plannen die betrekking hebben op gebieden die gelegen zijn binnen deze dijkring kunnen alleen voorzien in het realiseren van grootschalige ontwikkelingen als er in het bestemmingsplan zodanige voorwaarden worden gesteld dat de veiligheid ook op de lange termijn voldoende is gewaarborgd. De overstromingsrisicoparagraaf moet inzicht bieden in: • •
de risico's bij een overstroming; de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om deze risico's te voorkomen dan wel te beperken.
43
Conclusies Op basis van de analyse concluderen we dat er een waterschapsbelang aan de orde is bij de beoogde ontwikkeling: 1. De locatie van de beoogde woningbouwkavels ligt binnen het aangeduide stroomgebied van de Vecht (figuur 6). 2. De locatie van de beoogde woningbouwkavels overstroomt in de praktijk boven een peil van 5,3 meter + NAP (hoogwater 2024, leidde tot een maximaal peil van 4,7 meter + NAP ter hoogte van de Larinkmars). 3. Er daardoor in de situatie tot minimaal eens per 300 jaar geen bergingscapciteit in het stroomgebied verloren gaat met de ontwikkeling van de woningbouwkavels. 4. Er een forse afname is van het verharde oppervlak (van 6.000 m² naar ongeveer 600 m²) 5. Er compensatie in de vorm van regenwateropvang en infiltratie plaatsvindt voor het aan te brengen verharde oppervlak van minimaal 48 m³. Riolering Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te beschermen door onder andere een doelmatige werking van de rioolwaterzuivering na te streven en de vuillast vanuit riolering naar oppervlaktewater te beperken. Hiervoor is een goede afstemming over aanvoer naar de rioolwaterzuivering en een juiste werking van de riolering noodzakelijk. Daarom is er aandacht voor de volgende onderwerpen Beleid en regelgeving •
Bij de afvoer van overtollig hemelwater is het landelijk beleid dat bij nieuwe ontwikkelingen het afstromend hemelwater niet naar de rioolwaterzuivering gaat, maar ter plaatse in het milieu komt. Dat kan door infiltratie in de bodem of door berging in het oppervlaktewater.
Voorkeursvolgorde afvoer hemelwater bij nieuwe ontwikkelingen: Wij adviseren om, daar waar mogelijk, het hemelwater bovengronds af te voeren en te infiltreren in de bodem. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie met bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Het is noodzakelijk dat de ontwikkelaar de keuze van waterafvoer aan ons voorlegt. Lozing afvalwater: Voor de lozing van afvalwater (al het water waarvan de initiatiefnemer zich ontdoet) op oppervlaktewater vanuit een woning of een inrichting gelden de diverse wetten, besluiten en regels waaronder: o Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater gelden lozingsvoorschriften in paragraaf 6.2.4 en 7.2.5 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Daarnaast is afdeling 4.4 ‘Lozen van huishoudelijk afvalwater’ van de Waterschapsverordening van toepassing. Er kunnen ook aanvullende regels in het omgevingsplan van de gemeente staan. De voorkeursroute voor lozing is via het vuilwaterriool naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie. In de Waterschapverordening zijn afstandsbepalingen opgenomen waarbij verplicht in het vuilwaterriool moet worden geloosd. o Uitgangspunt is dat u het huishoudelijk afvalwater op een gemeentelijk rioolstelsel loost.
Indien dit niet mogelijk is, is het nodig om een zuiveringsvoorziening te treffen, die een gelijkwaardig milieubeschermingsniveau biedt.
44
o De regels voor het lozingen van (bedrijfs)afvalwater vindt u terug in de Waterschapsverordening en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Gemeentelijk rioleringsbeleid: De gemeente heeft een zorgplicht voor doelmatige verwerking en afvoer van hemelwater, afvalwater en grondwater. Afvalwater en hemelwater biedt u op de perceelgrens gescheiden aan. Eventueel geldt er een bergingseis (zie wateroverlast). Bekijk voor alle voorwaarden en eisen altijd het omgevingsplan van de gemeente. Rioolcapaciteit De capaciteit van het huidige rioolstelsel kan een aandachtspunt vormen. Bij uitbreiding van het rioolstelsel wordt er rekening gehouden met de capaciteit van het bestaande stelsel en de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Deze informatie is te vinden in het omgevingsplan. Bij een verandering of aanleg van het rioolsysteem is het nodig om het waterschap in de initiatief fase te betrekken. Toetsing van het initiatief aan riolering De nieuwe woningen worden op het gemeentelijke persriool aangesloten. Dit wordt uitgevoerd binnen de kaders van de gemeentelijke regelgeving op dit vlak. In bijlage 5a is een waternotitie opgenomen die verder ingaat op het aspect water en de overstromingsrisico op het plangebied.
4.7 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ Toetsing van het initiatief aan het aspect bedrijven en milieuzonering Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Oftewel blijft het goede woon- en leefklimaat van de omwonenden behouden en worden bestaande functie niet gehinderd. De functie wonen op zich is geen milieubelastende functie en wordt daarom niet getoetst. De aanduiding ‘schapenhouderij’ op de bestaande woning geeft de mogelijkheid om maximaal 150 schapen te houden bij de woning. Het houden van schapen valt
45
onder het fokken en houden van overige graasdieren. Hiervoor geldt de grootste richtafstand voor geur van 50 meter. De omliggende woningen liggen hiermee op ruim voldoende afstand. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. De functie in het plangebied wordt aangemerkt als milieugevoelige functie. In de omgeving van de planlocatie bevindt zich enkel een melkveebedrijf binnen een agrarische bouwvlak aan de Larinkmars 3 op zo’n 57 meter van de beoogde locatie compensatiewoningen. Voor deze melkveehouderij geldt een richtafstand van 50 meter in het buitengebied. Conclusie Het plan wordt niet belemmerd door functies uit de omgeving, evenmin vormt het plan een belemmering voor bestaande functies.
4.8 Geur In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: ▪ ▪ ▪ ▪
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteit leefomgeving (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Toetsing van het initiatief aan het aspect Geur Dit plan betreft het planologisch toevoegen van drie woningen met bijgebouw in het plangebied. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.
46
In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich een melkveehouderij op 57 meter afstand van de dichtstbijzijnde nieuwe woning. In dit plan houden wij ons aan de wettelijke richtafstand van 50 meter buiten de bebouwde kom. De aanduiding ‘schapenhouderij’ op de bestaande woning geeft de mogelijkheid om maximaal 150 schapen te houden bij de woning. Het houden van schapen valt onder het fokken en houden van overige graasdieren. Hiervoor geldt een richtafstand voor geur van 50 meter. De omliggende woningen liggen op ruim voldoende afstand en ondervinden geen hier belemmering van. Conclusie Nader onderzoek voor het aspect geur is niet noodzakelijk voor het toevoegen van drie nieuwe woningbouwkavels.
4.9 Spuitzone Wettelijk kader Op agrarische grond waarop gewassen mogen worden geteeld, kunnen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Deze zorgen ervoor dat planten, groente of fruit beschermd worden tegen schimmels, insecten en andere plagen. Door de wind kunnen deze middelen in de omgeving worden verspreid. Deze drift van gewasbeschermingsmiddelen kan tot gezondheidsproblemen leiden. Op 22 november 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan waarbij een afstand van 50 meter wordt aangehouden tussen agrarische activiteit waarbij bestrijdingsmiddelen worden ingezet (fruitteelt) en een nieuwe milieugevoelige functie, de zogenaamde spuitzone. Tevens is aangegeven dat nabij een sloot op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer al driftreducerende technieken en een teeltvrije zone moeten worden gebruikt. Situatie plangebied De omliggende gronden van het plangebied hebben de bestemming ‘agrarische doeleinden’. Deze gronden zijn bestemd voor grondgebonden veehouderij en akker- en vollegrondstuinbouw. De omliggende agrarische grond is grotendeels eigendom van de initiatiefnemer, met uitzondering van het perceel ten noorden van de Varsenerweg. In het Omgevingsplan zullen wij aanvullende regels laten opnemen dat er op de gronden van de initiatiefnemer geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden toegepast.
Met de eigenaar van het agrarische perceel ten noorden van de Varsenerweg wordt afgesproken dat binnen de 50 meter van de nieuwe woningen geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Conclusie Door de gemaakte afspraken over het niet toepassen van gewasbeschermingsmiddelen binnen de 50 meter van de nieuwe woonfuncties, is er sprake van een effectieve toedeling van functies aan locaties.
4.10 Luchtkwaliteit Als een omgevingsplan betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen niet overschreden worden (artikel 8.17 Bkl). De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. In de gemeente Ommen liggen geen aandachtsgebieden.
47
Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m3 of minder. Daarbij is in artikel 5.54 Bkl een koppeling gelegd met een aantal standaardactiviteiten die niet in betekenende mate bijdragen. Enkele voorbeelden zijn: • • •
Woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; Woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; Kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Concreet is een beoordeling alleen relevant voor milieubelastende activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Toetsing van het initiatief aan het aspect luchtkwaliteit De activiteiten in het plan behoort tot een categorie van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen (standaardactiviteiten zijn genoemd in artikel 5.54 Bkl) of leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m3 of minder. Is dit het geval, is er geen belemmering voor het toelaten van de activiteit.
Figuur 4.3 NIMB-tool voor planlocatie (Bron: iplo.nl) Conclusie Voor het plangebied geldt de toevoeging van drie extra vrijstaande koopwoningen, dit leidt tot een verkeersgeneratie per woning van 8,6, uitgaande van het buitengebied. Het totaal extra verkeersbewegingen is 25,8. Geconcludeerd kan worden dat met het plan de luchtkwaliteit niet ‘in betekenende mate’ zal verslechteren. Om die reden hoeft niet verder op het aspect luchtkwaliteit te worden ingegaan.
4.11 Externe veiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties
48
in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen. Deze aandachtsgebieden maken zichtbaar waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.).
Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het betreffende aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties is voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: ▪ ▪ ▪
Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);
49
▪
Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).
Toetsing van het initiatief aan het aspect veiligheid In de nabijheid van het plangebied liggen enkele risicobronnen, zie figuur 4.4. Er bestaat een middelgrote kans op overstroming (eens in de 100 jaar), waarbij de overstroming max 1,5 meter bedraagt. Bewoners kunnen zich in veiligheid brengen op de eerste verdieping of op de Varsener Es aan de overzijde van de Varsenerweg. Het betreft een ondergrondse hoogspanningsverbinding 110 kV (toetsingsafstand 5 meter) en meerdere aardgastransportleidingen. Door het risico van de buisleidingen is hier nader onderzoek naar gedaan.
Figuur 4.4 Uitsnede risicokaart plangebied (bron: Atlas van de Leefomgeving) Resultaten onderzoek In maart 2024 heeft Aviv een onderzoek gedaan naar de externe veiligheid van de buisleidingen op het plangebied. De locatie ligt binnen het brandaandachtsgebied van 10 omliggende hogedruk aardgasbuisleidingen. Vanwege de ligging van de risicobronnen in de nabijheid van het terrein is EV-onderzoek nodig. In de rapportage in bijlage 6 wordt daarvan verslag gedaan. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
50
Aandachtsgebied Het onderwerp Omgevingsveiligheid is nog niet in het omgevingsplan van de gemeente verwerkt. Het plangebied ligt binnen de 100%-letaliteitscontour van enkele buisleidingen. Het plangebied ligt binnen het brandaandachtsgebied van alle omliggende buisleidingen. Omdat het gaat om drie kwetsbare gebouwen is het aanwijzen van een brandvoorschriftengebied niet noodzakelijk. Omdat het plangebied minimaal 37 m van de buisleidingen ligt, ligt het buiten het belemmeringengebied. De nieuwe bewoners worden op de hoogte gesteld van de eventuele risico’s. Conclusie Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor de ontwikkelingen in dit plan.
4.12 Verkeer en parkeren Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het Bkl stellen geen regels op dit gebied. De omgevingsvisies van provincie Overijssel en gemeente gaan wel op deze aspecten in. Het Parapluplan Parkeren (2018) biedt daarvoor de kaders. Deze kaders zijn gebaseerd op de Beleidsregel Parkeren, die op haar beurt is afgeleid van de parkeercijfers van het CROW. De CROW-richtlijnen zijn erg belangrijk bij de beoordeling van verkeer en parkeren. Toetsing van het initiatief aan het aspect Verkeer De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Varsenerweg en de Larinkmars. De inritten van de nieuwe woningen als de bestaande woning aan de Varsenerweg liggen aan de Varsenerweg. De inrit van de bestaande woning aan de Larinkmars ligt aan deze weg. De bereikbaarheid van het plangebied is goed. De wegen waar de woningen aan liggen, liggen aan een goed doorlopende weg. De bestaande woningen hebben een eigen inrit. De drie nieuwe woningen hebben in totaal twee opritten. In het inrichtingsplan (bijlage 1) is een logische indeling gemaakt voor de inritten. De Varsenerweg mondt uit in de Varsenerdijk en de N340.
In de beoordeling van het plan op het omgevingsaspect verkeer zijn de ontsluitingsstructuur, verkeersgeneratie, bereikbaarheid en verkeersveiligheid relevant. Daarbij worden alle relevante vervoerwijzen bezien (gemotoriseerd verkeer, langzaam verkeer, openbaar vervoer). Dit plan leidt tot meer motorvoertuigbewegingen (mvt). Een verkeerstoename mag niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid. In dit geval is er geen sprake van een verkeerstoename en leidt het niet tot knelpunten. Toets aan het aspect Parkeren Het bevoegd gezag kan pas een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteit bouwen in het geval van nieuwbouw, uitbreiding of functiewijziging van gebouwen en/of voorzieningen, wanneer op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid, indien voldaan wordt aan de parkeernormen. In deze beleidsregel is opgenomen dat voor de categorie dure vrijstaande woningen een norm van 2,0 parkeerplaatsen per woning geldt. Dit is inclusief bezoekersparkeren. Per woning worden er minimaal twee parkeerplaatsen gerealiseerd op eigen terrein. Hiermee worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd op het plangebied.