CConstaterende datOmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Toelichting Olde VennewegTolhuisweg fase 3

Gemeenteraad 18 december 2025, gemeente OmmenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Olde Venneweg/Tolhuisweg fase 3, Witharen (973791)20.998 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In die onderbouwing spelen gemeentelijke woonvisies een wezenlijke rol vanwege hun functie voor integrale afweging van woningbouwontwikkelingen. In het geval van de kern Witharen, vormt het op 7 februari 2013 vastgestelde Gemeentelijk Omgevingsplan Ommen (GOP) derhalve een gemeentelijk planinstrument welke als toetsingskader gezien kan worden. Het GOP bevat de gemeentelijke ambities en behoeftes voor het gemeentelijk woonbeleid van de gemeente Ommen. Deze ambities en behoeftes zijn ook toegelicht in de Ladder voor duurzame verstedelijking de in het geval van het planvoornemen in Witharen moet worden uitgevoerd. De sociale kwaliteit van kleinere kernen zoals Witharen zijn in het GOP onder andere gerelateerd aan de mogelijkheid waarin de eigen inwoners een geschikte woning kunnen betrekken, die past bij hun leeftijd en/of woonvoorkeur. Hierbij gaat de aandacht vooral uit naar jongeren, jonge gezinnen en ouderen om te voorkomen dat deze groepen de gemeente moeten verlaten door een gebrek aan woonaanbod. De ontwikkelingsrichting voor de kernen zijn in het GOP voornamelijk conserverend van karakter en er worden geen grootschalige ontwikkelingen voorzien. Wel stimuleert het GOP het op kleine schaal invulling bieden aan de woonbehoefte in de kleine kernen binnen de gemeente Ommen. Op lokaal schaalniveau is door Lokaal Belang Witharen de Toekomstvisie Witharen 2020-2025 samengesteld.

Deze gaat in op drie verschillende kernpunten die raakvlak hebben met de woonkwaliteit in Witharen, de drie punten zijn leefbaarheid en woningbouw, energietransitie, sportaccommodatie. Het kernpunt leefbaarheid en woningbouw heeft een direct raakvlak met het planvoornemen aan de Olde Venneweg. Het planvoornemen is de facto een gedeeltelijke invulling van een lokaal gekoesterde woonwens voor de toekomst. De Toekomstvisie Witharen 2020-2025 gaat er voorts vanuit dat nieuwe woningbouwontwikkelingen, zoals die in het planvoornemen centraal staan, de sociale structuur van Witharen verder kan versterken.

34

Conclusie Duurzaamheid, en sociale kwaliteit Het planvoornemen sluit aan op de bestaande lokale woonbehoefte en omgang, zoals die is vastgelegd in het GOP van de gemeente Ommen. Hiermee wordt ook aan de voorwaarde voldaan die in de provinciale omgevingsvisie wordt gesteld inzake duurzaamheid en sociale kwaliteit bij de realisatie van woningbouw. Wel is een belangrijke kanttekening hierbij dat de lokale behoefte, en een duurzame woonvoorraad gepaard moet gaan met een “gebiedseigen” inpassing. Dit houdt in dat richtlijnen uit de Catalogus Gebiedskenmerken en de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, aantoonbaar zoveel mogelijk zijn uitgewerkt in het planontwerp. 3.2.2

Vernieuwd provinciaal beleid Op het moment dat de Omgevingswet in werking trad (1 januari 2024), is er een nieuwe omgevingsverordening vastgesteld. Het n voorliggend project is echter nog wel getoetst aan de oude verordening, omdat het ontwerp bestemmingsplan op 6 september 2023, toen de vorige verordening nog gold, al ter inzage had gelegen. De wijze van provinciale sturing is ongewijzigd. De vernieuwde verordening komt inhoudelijk grotendeels overeen met de verordening waaraan getoetst is. De gebiedskenmerken zijn hetzelfde gebleven. Dat geldt ook voor de rol van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en de Catalogus Gebiedskenmerken. Bij het formuleren van de regels is zo veel mogelijk aangesloten bij de huidige wijze van sturen en bij de huidige bevoegdheidsverdeling tussen provincie en gemeenten. De vernieuwde omgevingsverordening betekent dus niet dat er verandering optreedt in de kaderstelling ten opzichte van de beide planlocaties in het planvoornemen. Conclusie toekomstig provinciaal beleid Het vernieuwde provinciale beleid omvat geen inhoudelijke wijzigingen die nadelig zijn voor de haalbaarheid van de ontwikkelingen ten opzichte van het vigerende provinciale beleid.

In de eerder beschreven Ladder voor duurzame verstedelijking (paragraaf 3.1.3) is reeds besproken in hoeverre de ontwikkeling aan de locatie aan de Tolhuisweg in lijn is met het zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik en de ambities uit de Omgevingsvisie Ommen.

3.2.3

Conclusie Het provinciale beleid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

3.3

Regionale beleid

3.3.1

Regionale woonagenda West-Overijssel 2021 - 2025

In maart 2021 is op basis van het provinciaal woonbeleid de ‘Regionale woonagenda West-Overijssel’ vastgesteld. Dit document richt zich vooral op de lokale woningbehoefte en de woningtekorten in de Overijsselse kernen en moet een bijdrage leveren aan de leefbaarheid en kwaliteit van de kleinere kernen en van het platteland. Er

35

wordt daarbij uitgegaan van drie specifiek beschreven woonmilieus. De volgende woonmilieus komen expliciet terug in de ‘Regionale woonagenda West-Overijssel’: − Centraal wonen; − Stedelijk wonen; − Ontspannen wonen. Het woonmilieu ‘ontspannen wonen’ heeft daarbij betrekking op het landelijk gebied en de kleine kernen zoals Witharen. Dit woonmilieu richt zich op het kenmerkende landschap dat sterk verbonden is met het dorpse leven, de natuur en landbouw. Het bouwen van nieuwe woningen is volgens dit provinciale beleid een stimulans voor de vitaliteit van dorpen, en de vestigingsmogelijkheden voor jongeren. De provincie ziet hierbij kansen om op specifieke plekken in kleinere kernen nieuw aanbod te creëren op een wijze die passend is bij de leefomgeving en als tegenhanger van het wonen in een stedelijk gebied. De gemeenten zijn binnen dit beleidskader nog wel zelf verantwoordelijk voor een actueel en onderbouwd woonbeleid en woningbouwprogramma. Hierbij is terugkerende afstemming met de provincie noodzakelijk voor de verticale doorwerking van de ‘Regionale woonagenda West-Overijssel’. Conclusie Regionale woonagenda West-Overijssel Beide planlocaties van het planvoornemen bevinden zich in het woonmilieu ‘ontspannen wonen’. Dit schaalniveau streeft kleinschaligheid na waarbij voorzien wordt in lokale woon carrières.

Het planvoornemen sluit vanuit die hoedanigheid goed aan bij de provinciale ambities op het gebied van woningbouw, zoals vastgesteld in de Regionale woonagenda West-Overijssel. 3.3.2

Conclusie Het regionale beleid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Ommen In de Omgevingsvisie Ommen wordt de koers voor de toekomst van gemeente Ommen toegelicht. De visie beschrijft welke ontwikkelingen en opgaven er spelen, en hoe de gemeente hiermee aan de slag wilt gaan. De visie is een actualisatie van het Gemeentelijk Omgevingsplan uit 2013. Het is de missie van gemeente Ommen om zich te ontwikkelen op basis van haar kernkwaliteiten tot een groene, gastvrije, geïnspireerde en gezonde woon- en verblijfsgemeente. Daarnaast heeft de gemeente de ambitie om innovatief te zijn op het gebied van recreatie en toerisme, in samenhang met het bieden van ontwikkelmogelijkheden voor Agro & Food landschap en natuurwaarden. De gemeente heeft de ambitie om de landschappelijke kwaliteiten en de verscheidenheid van de daarbinnen aanwezige kwaliteiten te behouden en waar mogelijk te beschermen. In algemene zin geeft de gemeente Ommen aan meer ontwikkelruimte te willen bieden aan haar inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties om op eigen kracht te kunnen investeren in de kwaliteit, leefbaarheid en duurzaamheid van de eigen leefomgeving. Daarbij geldt wel dat initiatiefnemers zich aan enkele spelregels moeten houden: 36

− Het tijdig informeren van belanghebbenden over voorgenomen initiatieven. − Het verkrijgen van acceptatie/draagvlak voor het initiatief bij belanghebbende partijen. − Het aantoonbaar op duurzame wijze realiseren van het voorgenomen initiatief. − Het vanuit het initiatief bijdragen aan het versterken van de omgevingskwaliteit. • Het vanuit het initiatief bijdragen aan de leefbaarheid van wijk of buurt. − Het adequaat compenseren van eventuele negatieve effecten op de omgevingskwaliteit, leefbaarheid of duurzaamheid. Toetsing In de Omgevingsvisie Ommen wordt specifiek de ambitie beschreven dat de landschappelijke kwaliteiten behouden moet blijven. Hiervoor dient het realiseren van nieuwbouwwoningen gepaard te gaan met een goede landschappelijke inpassing. Met voorliggende plan wordt voorzien in een ontwikkeling die aansluit bij de schaal van Witharen als kleine kern. In het planvoornemen wordt voorzien in grondgebonden woningen, die landschappelijk worden ingepast. Tevens vindt de woningbouw qua massa aansluiting bij de eerdere fases van de uitbreiding van het dorp. 3.4.2

Woonvisie 2020-2025 De gemeente Ommen heeft een nieuwe, actuele en moderne woonvisie opgesteld. Hierin wordt de visie op het wonen in Ommen in 2025 verwoord. De woonvisie vormt de basis voor strategische afwegingen, die de gemeente maakt op het gebied van wonen. De vraag hoe de woonaantrekkelijkheid van de gemeente Ommen kan worden versterkt staat hierbij voorop. Daarnaast hebben enkele belangrijke thema’s die spelen in Ommen een plek gekregen. De focus ligt op de bestaande voorraad, inclusief de opgaven die daarmee samenhangen. Nieuwbouw is daaraan complementair. Nieuwbouw blijft nodig om in de behoefte te voorzien en in te kunnen spelen op de verwachte huishoudengroei. Voorts wordt omschreven welke inzet de gemeente pleegt voor groepen die zonder steun moeite hebben om een passende woning te vinden en hoe ingespeeld wordt op de veranderingen in het kader van het scheiden van wonen en zorg. De gemeente zet in op versterking van de vitaliteit van het platteland en waarborg van de vitaliteit in de kernen. De gemeente doet dat door het karakter van de kernen te behouden. De gemeente zorgt samen met haar partners voor (het behoud van) fysieke en sociale voorzieningen in de buurt conform het uitvoeringsprogramma woonservicezones. Woningbouw in de kleine kernen en bij vrijkomende agrarische bebouwing faciliteert de gemeente bij concrete behoefte van onderop, van de inwoners zelf.

Daarnaast is het van belang dat met deze woningbouw een bijdrage geleverd wordt aan de vitaliteit/leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit. Toetsing Volgens verschillende prognoses zal het aantal huishoudens in de gemeente toenemen. Het vergroten van het aantal woningen in de gemeente is dus noodzakelijk. Voorliggend plan voegt elf nieuwbouwwoningen toe aan de woningvoorraad en draagt daarmee bij aan de doelstellingen uit de gemeentelijke woonvisie. Daarnaast heeft de gemeente de wens om het karakter van de kleine kernen te behouden. Bij de

37

totstandkoming van het ontwerp van voorliggend plan is rekening gehouden met dit kleinschalige karakter en is gezorgd voor een landschappelijke inpassing van de ontwikkeling. Bovendien is de concrete behoefte gekomen vanuit de bewoners zelf en is er ook al een lijst opgesteld met geïnteresseerden voor deze woningen. 3.4.3

Conclusie De voorgenomen is in lijn met het gemeentelijk beleid van Ommen.

38

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen In het Besluit m.e.r. staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D in de bijlage bij het Besluit m.e.r. (hierna: C- en D-lijst) staat of sprake is van m.e.r.-plicht of een (vormvrije) m.e.r.beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.

Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl).

Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en Ddrempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Als een activiteit onder de drempelwaarden blijft uit onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r., betekent dit echter niet dat er geen beoordeling meer nodig is. De drempelwaarden zijn namelijk indicatieve waarden (zie artikel 2, lid 5, onder b van het Besluit m.e.r.). Dit betekent concreet dat wanneer de omvang van de activiteit onder de drempelwaarden blijft, het bevoegd gezag zich ervan moet vergewissen of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag dus via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.-beoordeling nodig is. Dit ziet op de besluiten op grond waarvan de activiteit direct kan worden uitgevoerd. − In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Het bevoegd gezag mag de m.e.r.-beoordelingsprocedures ook overslaan en direct de m.e.r.-procedure volgen.

− Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is vormvrij: de wet schrijft geen procedure voor. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.-procedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden.

39

Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd3. Aspect Natuur (gebiedsbescherming)

Natuur (soortenbescherming)

Verkeer

Geluid

3

Beoordeling milieueffecten Een stikstofberekening heeft plaatsgevonden. Gezien de afstand tot het dichtst nabijgelegen Natura 2000-gebied, en de kleinschaligheid van het project, kan op voorhand worden gesteld dat een negatief effect niet wordt verwacht. De omzetting van een vergunde varkensstal naar een opslag voor onder andere caravans zal een positief effect hebben op het leefmilieu. Uit onderzoek (2022) blijkt dat de inrichting en het gevoerde beheer, het plangebied geschikt maken tot een functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Echter, het plangebied wordt door beschermde diersoorten uitsluitend benut als foerageergebied. Er nestelen geen vogels in het plangebied en amfibieën, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen bezetten er geen vaste (winter)rust- of verblijfplaats. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. In het kader van het bestemmingsplan is een geactualiseerde oplegnotitie opgesteld waaruit blijkt dat beschermde soorten én Rode lijstsoorten in het plangebied ontbreken. In ieder geval zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu uitgesloten. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking met aansluitingen op de omliggende 30 km/uur en 50 km/uur wegen. Het project heeft een beperkte schaal waardoor het huidige wegnet de nieuwe toename gemakkelijk kan opvangen.

Er wordt geen nadelig effect verwacht voor het milieu vanwege het aspect verkeer. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal er sprake zijn van een extra verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee zou sprake kunnen zijn van een toename van geluidshinder op bestaande omringende woningen. Echter kan redelijkerwijs gesteld worden dat de toename van de verkeersintensiteit ruim onder de 40% zal blijven.

SAB (2022) “Vormvrije m.e.r.-beoordeling Tolhuisweg fase 3 en Olde Venneweg 3 - Witharen”, 4 juni 2025. 40

Lucht

Archeologie

Daarmee zal geen negatief effect optreden op het milieu vanwege geluid. Uit de NIBM-toets blijkt dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit geeft een goede indicatie dat onderhavige ontwikkeling geen negatief effect zal veroorzaken op het gebied van luchtkwaliteit. Middels een archeologische dubbelbestemming zal worden gewaarborgd dat bij bodemingrepen archeologisch onderzoek moet worden verricht. Op deze manier zijn de (mogelijke) archeologische waarden in het projectgebied in voldoende mate beschermd en kan in ieder geval worden uitgesloten dat sprake zal zijn van een belangrijk nadelig milieueffect.

De uitkomst van de uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie Het aspect vormvrije m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.2

Bodem Algemeen In het kader van een planprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de gewenste ontwikkeling. Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling is voor de locatie aan de Tolhuisweg fase 3 een verkennend bodemonderzoek4 uitgevoerd. Hierbij is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse vastgelegd. De gestelde hypothese dat geen verontreiniging wordt verwacht boven de 95- percentielwaarden als opgenomen in de bodemkwaliteitskaart, of anders dan aangetoond is tijdens het onderzoek op de aangrenzende locatie in 2019 is bevestigd. In zowel de boven- als ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In het grondwater zijn de gehalten barium en nikkel licht verhoogd aangetoond. De lichte verhogingen in het grondwater hebben waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. Er is derhalve geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek. De onderzoeksresultaten vormen daarmee geen belemmeringen voor de beoogde woonbestemming. Aanbevolen wordt om grond die vrijkomt bij graafwerkzaamheden te hergebruiken binnen het

4

Grondslag bodemkwaliteitsbureau (2022) “Verkennend bodemonderzoek, Tolhuisweg fase 3 te Witharen”. Projectnummer: 30475, 16 september 2022. 41

project. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van dit rapport worden afgevoerd naar een grondbank of -depot. Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. De hypothese van een asbest-onverdachte locatie wordt gehandhaafd. Ter plaatse van het plandeel aan de Olde Venneweg 3 is een verkennend bodem- en asbestonderzoek5 uitgevoerd. Ook hier is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vastgelegd. De gestelde hypothese dat geen verontreiniging wordt verwacht boven de 95- percentielwaarden als opgenomen in de bodemkwaliteitskaart is bevestigd. Er zijn in de boven- en ondergrond geen verhoogde gehalten gemeten. In het grondwater zijn eveneens geen verhoogde gehalten gemeten. De gestelde hypothese dat de bovengrond verdacht is op het voorkomen van asbest, is formeel bevestigd. In de bovengrond ter plaatse van de druppelzone van het mogelijk asbesthoudende dak is asbest aangetoond in de fijne fractie. Er is een asbestgehalte van 2,1 mg/kg droge stof vastgesteld. De toetswaarde voor nader onderzoek wordt niet overschreden. Er is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek.

De onderzoeksresultaten vormen hiermee geen belemmeringen voor de beoogde woonbestemming. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.3

Luchtkwaliteit Algemeen De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk

5

Grondslag bodemkwaliteitsbureau (2022) “Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Olde Venneweg 3 te Witharen”. Projectnummer: 34888, 16 september 2022. 42

en diversie regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof. Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 g/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Toetsing Om aannemelijk te maken dat voorliggend plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging, is de NIBM-rekentool gebruikt. Met het opstellen van deze NIBM-tool wordt inzichtelijk gemaakt of de beoogde ontwikkeling op zichzelf NIBM te noemen is. Na invulling van de rekentool volgt dat dit het geval is, zoals in de afbeelding hieronder te zien.

Nadat het effect van het project middels de NIBM-tool is berekend, wordt het project ook getoetst aan de hand van de NSL-monitoringstool. Dit gebeurt in het kader van een goede ruimtelijke ordening, waarbij wordt gekeken naar de concentraties fijn stof (PM10 en PM2.5) en stikstofdioxide (NO2) in de nabijheid van het besluitgebied. Na raadpleging van de NSL-monitoringstool wordt geconcludeerd dat ruimschoots wordt 43

voldaan aan de grenswaarde voor luchtkwaliteit voor het zichtjaar 2030 op deze locatie. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Deze grenswaarden zijn op Europees niveau vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Tevens geven de uitkomsten uit de monitoringstool aan dat de concentraties van de luchtvervuilende stoffen op de lange termijn in het besluitgebied verder afnemen.

Uitsnede NSL monitoringstool, plangebied aangegeven met zwarte ster (bron: nsl-monitoring.nl).

Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat, zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening, luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling in het besluitgebied.

4.4

Geluid Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) regelt de mate waarin geluid bepaalde functies mag belasten. Als geluidgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting een akoestisch onderzoek te doen naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegen en spoorwegen. Wonen is een geluidgevoelige functie. De geluidbelasting op woningen mag in principe de 48 dB niet overschrijden. Wegen met een 30 km/u zone zijn formeel uitgezonderd van akoestisch onderzoek, maar vanuit een goede ruimtelijke ordening kan onderzoek wel wenselijk zijn.

44

Toetsing Ter plaatse van het plangebied is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai6 uitgevoerd. Navolgend worden de conclusies uit het onderzoek beschreven. De geluidsbelasting vanwege wegverkeer op de Olde Venneweg bedraagt maximaal 48 dB inclusief 5 dB correctie. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt 53 dB exclusief 5 dB correctie. Vanwege het wegvak van de Balkerweg met een maximale rijsnelheid van 30 km/uur bedraagt de geluidsbelasting 36 dB inclusief 5 dB correctie. Dit is lager dan de voorkeursgrenswaarde voor gezoneerde wegen. De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Balkerweg (wegvak 80 km/uur) bedraagt ten hoogste 48 dB inclusief 2 dB correctie artikel 110g Wgh op rekenpunt 002. Hiermee wordt overal voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB4 De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 54 dB exclusief correctie artikel 110g Wgh. De waarde is 1 dB hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 53 dB (exclusief de aftrek volgens artikel 110g Wgh). Wel blijft deze waarde ruim onder de wettelijk maximale waarde van 68 dB (exclusief de aftrek volgens artikel 110g Wgh) die voor een individuele weg geldt. Voor de gecumuleerde geluidsbelasting geldt geen wettelijk toetsingskader. De gemeente kan daarom overwegen dat deze cumulatieve geluidsbelasting aanvaardbaar is.

Er is geen sprake van relevante cumulatie ten gevolge van andere zoneringsplichtige geluidsbronnen. Geluidwering gevels Bij de nieuwe woning op kortste afstand van de Olde Venneweg bedraagt de gecumuleerde geluidsbelasting ten hoogste 54 dB. Hier is een geluidwering van de gevels van 21 dB benodigd om aan de eis van 33 dB voor het binnenniveau te voldoen. Met huidige bouwtechnieken bedraagt de geluidwering van de gevels zonder meer 22 dB en is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd bij een geluidsbelasting van 54 dB op de gevels. De gecumuleerde geluidsbelasting op de gevels van de overige woningen binnen het plan bedraagt ten hoogste 53 dB exclusief correctie artikel 110g Wgh. Op basis van een minimale gevelwering van 20 dB volgens het Bouwbesluit is gewaarborgd dat in de woning wordt voldaan aan de eis van 33 dB voor het binnenniveau. De positie van het rekenpunt en de hieraan gekoppelde woning is weergegeven op navolgende afbeelding.

6

Alcedo (2023) “Akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai, woningbouwlocatie aan de Balkerweg in Witharen”. Rapportnummer: 22-08950.R01.V02 15 februari 2024. 45

Overzicht rekenmodel (bron: Alcedo, akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai).

Conclusie Er zijn geen overschrijdingen op grond van de wet geluidhinder. Wel komt bij de nieuwe woning op kortste afstand van de Olde Venneweg de gecumuleerde geluidsbelasting 1 dB boven de voorkeursgrenswaarde uit. Voor de gecumuleerde geluidsbelasting geldt geen wettelijk toetsingskader. Er zal overal de binnenwaarde voldaan moeten worden. Op basis van een minimale gevelwering volgens het Bouwbesluit is gewaarborgd dat in de woning wordt voldaan aan het binnenniveau. Geluid vormt daarmee geen probleem voor de ontwikkeling.

46

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Bij het realiseren van een nieuwe functie moet vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening, gekeken worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1 Past de nieuwe functie in de omgeving? 2 Laat de omgeving de nieuwe functie toe? Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de belasting op grotere afstand van de bron afneemt. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- en/of goederenverkeer aantrekt, mede bepalend voor de mate van hinder. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ als leidraad voor milieuzonering gebruikt. Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de (richt)afstand en de milieu-categorie. Richtafstand 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2

In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de omgevings- en gebiedstypen ‘rustige woonwijk’, ‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de aanbevolen richtafstanden met één stap worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel.

47

Toetsing Derde fase dorpsuitbreiding Witharen In onderhavige situatie is sprake van het mogelijk maken van nieuwe, gevoelige functies in de zin van het aspect bedrijven en milieuzonering. De directe omgeving van het plangebied kent een gering niveau aan functiemenging en kan daarmee worden getypeerd als een ‘rustige woonwijk’. De dichtstbijzijnde bedrijvigheid (binnen een straal van 250 meter) is in de navolgende tabel opgenomen, inclusief de bijbehorende omschrijving uit de VNG-publicatie en de daaruit volgende grootste richtafstanden. Bedrijfsoort

Adres

Omschrijving VNG

Intensieve veehouderij Buurthuis Basisschool

Olde Venneweg 3 Balkerweg 56 Balkerweg 59

Fokken en houden van varkens Buurt- en clubhuizen Scholen voor basisen algemeen voortgezet onderwijs

Grootste richtafstand (m) 200 (geur) 30 (geluid 30 (geluid

Gemeten afstand (m) 220 190 155

Olde Venneweg 3 Witharen Ter plaatse van de Olde Venneweg 3 wordt voorzien in een caravanstalling en/of opslagruimte in een nieuwe loods. De grootste richtafstand voor deze functie is 30 meter. Aangezien op dit perceel momenteel reeds intensieve veehouderij mogelijk en gevestigd is, nemen de milieuveroorzakende functies in het plangebied niet toe. De momenteel aanwezige varkenshouderij aan de Olde Venneweg 3 blijft in de toekomstige situatie behouden. De bestaande bedrijfswoning binnen het plangebied blijft een milieugevoelige functie voor omliggende bedrijven. Conclusie Het aspect Bedrijven ven milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen bestemming

4.6

Geur Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastingsen afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening, een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.

48

Toetsing In het kader van de tweede fase van de dorpsuitbreiding van Witharen is een onderzoek geurhinder uitgevoerd. Aan de hand van dit onderzoek is in dezelfde rapportage een geurgebiedsvisie opgesteld. In deze visie staat dat gekozen is om de geurverordening niet te beperken tot de gronden van de tweede fase van de dorpsuitbreiding, maar van toepassing te verklaren op de gronden tot aan de Olde Venneweg. Hierdoor geldt de geurgebiedsvisie ook voor het plangebied uit voorliggend plan, fase 3. In de navolgende afbeelding is het nieuwe plangebied weergeven.

Nieuw plangebied ten behoeve van “Verordening geurhinder en veehouderij Witharen” Fase 1 van de ontwikkeling Tolhuisweg is met rood aangegeven, fases 2 en 3 zijn oranje.

Ten behoeve van deze fase is een nieuw onderzoek uitgevoerd. De bevindingen uit dit onderzoek7 worden hieronder uiteengezet: Vergunde en planologische rechten Op de plaats van de geurgevoelige objecten wordt voldaan aan de gemeentelijke norm van 4 ouE/m3 . Er wordt tevens waargenomen dat de geurbelasting hoger ligt op een bestaand geurgevoelig object aan de Tolhuisweg 30. Deze woning is dus maatgevend voor de planologische en milieurechten van de veehouderij. De beoogde woningen maken er dan geen inbreuk op. Woon- en leefklimaat Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat is de voorgrondbelasting veroorzaakt door Olde Venneweg 3 de bepalende factor. De werkelijke geurbelasting op basis van de gerealiseerde stallen is 4 ouE/m3 of minder op de plaats van de beoogde ligging van de woningen. Het leefklimaat is derhalve ‘goed’ tot ‘redelijk goed’ te kwalificeren. De geurbelasting op de plattelandswoning is buiten beschouwing gelaten: deze is niet geurgevoelig bestempeld als gevolg van de veehouderij aan de Olde Venneweg 3 (voormalige eigen inrichting) en een overschrijding van de geurnorm voor het 7

SAB (2023) “Onderzoek agrarische geur, Olde Venneweg/Tolhuisweg fase 3, Witharen”, 13 december 2023. 49

buitengebied als gevolg van omliggende veehouderijen kan op voorhand uitgesloten zijn. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.7

Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (transport gevaarlijke stoffen over bijvoorbeeld de weg en door buisleidingen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico (PR) mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico (GR) geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen.

Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Toetsing In het kader van voorliggend plan is een onderzoek externe veiligheid8 uitgevoerd. Hieruit volgt dat in de nabijheid van de plandelen drie hogedruk aardgasleidingen zijn gelegen. Navolgend worden de bevindingen uit dit onderzoek nader toegelicht. Buisleidingen Nabij de plandelen uit voorliggend plan liggen de hogedruk aardgasleidingen A-501, A502 en A-514. Leiding A-501 heeft een maximale werkdruk van 66 bar en een diameter van 36 inch. Leiding A-502 heeft een maximale werkdruk van 66 bar en een diameter van 42 inch. Leiding A-514 heeft ook een maximale werkdruk van 66 bar en een diameter van 48 inch. Het navolgende figuur is een uitsnede van de ev-signaleringskaart, waarbij de betreffende buisleidingen inzichtelijk zijn gemaakt door middel van een rode stippellijn. Het figuur geeft ook inzicht in de 100% letaliteitsafstand door middel van de 8

Oostkracht10 (2022) “Kwantitatieve Risicoanalyse Witharen fase 3”. Projectnummer: 2022014, 3 maart 2022. 50

blauwe stippellijn. Deze 100% letaliteitsafstand is voor leiding A-501 175 meter, voor leiding A-502 is dat 190 meter en voor leiding A-514 is deze afstand 205 meter. Naast de 100% letaliteitsafstand wordt de 1% letaliteitsafstand (blauwe lijn) getoond op de navolgende afbeelding. De 1% letaliteitsafstand is voor leiding A-501 430 meter, voor leiding A-502 is dat 485 meter en voor leiding A-514 is deze afstand 545 meter. De 1% letaliteitsafstand is tevens het invloedsgebied. Voor ontwikkelingen binnen het invloedsgebied dient het externe veiligheidsrisico beoordeeld te worden middels een berekening.

Buisleidingen A-501, A-502 & A-514 ten opzichte van de plandelen (bron: Oostkracht10, QRA).

Voor de berekening van het groepsrisico voor de toekomstige situatie is gebruik gemaakt van de populatie in de huidige situatie en zijn de plangebieden ‘fase 3’ en ‘Olde Venneweg 3’ ingetekend. Voor beide plangebieden is gebruik gemaakt van de eerdergenoemde kengetallen (2,4 personen per woning). Aan de Olde Venneweg 3 komt er één woning bij. Met fase 3 worden er elf nieuwe woningen gerealiseerd. Dit geeft 26,4 personen in het plangebied. Voor de dag- nachtverdeling is gebruik gemaakt van de standaardpercentages voor wonen (50% aanwezig overdag en 100% aanwezig in de nacht). Plaatsgebonden risico De nabij de plangebieden gelegen hogedruk aardgasleidingen A-501, A-502 en A-514 hebben geen plaatsgebonden risicocontour van PR10-6 per jaar ter hoogte van het plangebied. Dit betekent dat wordt voldaan aan de gestelde grenswaarde uit het Bevb voor het plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Groepsrisico De hoogte van het groepsrisico ter hoogte van het plan ligt voor alle hogedruk aardgasleidingen onder de 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Daarnaast wordt

51

het hoogste punt van het groepsrisico door de voorgenomen ontwikkeling niet beïnvloed. Op basis van de risicoberekening van de hogedrukaardgasleiding kan geconcludeerd worden dat er, wat betreft externe veiligheid, geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen plannen. In de verantwoording van het groepsrisico hoeft (conform artikel 12, lid 3 onder b Bevb) alleen aandacht besteed te worden aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van de aanwezige personen. Om het groepsrisico te bepalen is een groepsrisicoberekening, conform de voorgeschreven methodiek, uitgevoerd. Uit deze berekening blijkt dat het groepsrisico kleiner is dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde. Bovendien leidt het planvoornemen niet tot een toename van het groepsrisico. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico kan daarmee volstaan. Artikel 12, lid 2 van het Bevb geeft aan dat de regionale brandweer (Veiligheidsregio) in de gelegenheid gesteld moet worden om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van de aanwezige personen. Het advies van de Veiligheidsregio is verwerkt in onderstaande groepsrisicoverantwoording.

Mogelijkheden rampenbestrijding en zelfredzaamheid De mogelijkheden van de rampenbestrijding en zelfredzaamheid zijn afhankelijk van de maatgevende scenario’s die zich voor kunnen doen bij een incident. Voor een hogedruk aardgasleiding is het maatgevende scenario, conform het scenarioboek externe veiligheid, een fakkelbrand: Fakkelbrand: Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hoge warmtestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers vallen, schade en brand in de omgeving ontstaan. Mogelijkheden voor de rampenbestrijding Bij een fakkelbrand van een buisleiding zal voornamelijk worden ingezet op evacuatie en afscherming van de omgeving totdat de leidingexploitant het betreffende leidingdeel kan blokken of dichten. Mogelijkheden voor effectbestrijding door de brandweer zijn er, conform het advies van de veiligheidsregio, niet. De inzet van der brandweer zal vooral gericht zijn op het voorkomen van uitbreiding in de 2e ring. Bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen De Veiligheidsregio IJsselland adviseert, met betrekking tot bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen, het volgende: Het plangebied is voor de hulpdiensten en bewoners niet van twee kanten toegankelijk.

De veiligheidsregio adviseert dan ook om het geprojecteerde fietspad naar de Olde Venneweg te vervangen door een weg zodat het plangebied van twee zijden toegankelijk is voor hulpdiensten en bewoners. Het advies van de brandweer gaat niet in op bluswatervoorzieningen. De initiatiefnemer heeft aangegeven dat tussen er fase 2 (blauw in de figuur hieronder) en fase 3

52

(rood in de figuur hieronder) een brandkraan is gelegen. Deze bevindt zich op ongeveer 100 meter van de woning die het verst af ligt in het voorgenomen plangebied.

Scheiding fase 2 (blauw) en 3 (rood)

Regionaal Crisisplan De Veiligheidsregio IJsselland heeft voor rampenbestrijding het Regionaal Crisisplan 2020-2023 opgesteld. In het crisisplan is vastgelegd wie waarvoor verantwoordelijk is tijdens een crisis en hoe de informatielijnen lopen. Dit plan beschrijft de hoofdstructuur, de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van functionarissen en instanties ten tijde van een crisis. Zelfredzaamheid De zelfredzaamheid is afhankelijk van de situatie, zie ook onderstaande figuur. Kijkend naar de functie van het plangebied (wonen) en de ligging ervan tot de buisleidingen (korte afstand) is het advies om bij een fakkelbrand te vluchten en/of dekking te zoeken wanneer er op korte afstand een fakkelbrand plaatsvindt (‘uit het zicht van de brand’ en onder dekking van objecten zoals muren). Wanneer op grotere afstand een fakkelbrand plaatsvindt, dan is het advies om binnen te blijven. Deze strategie komt ook terug in het advies van de veiligheidsregio: “Een fakkelbrand is goed zichtbaar en hoorbaar. De hittestraling is duidelijk voelbaar voor de aanwezigen. De beste strategie voor zelfredzaamheid kan door de aanwezigen goed worden ingeschat: zij moeten de 1e en 2e ring ontvluchten. Aanwezigen binnen de 1e ring hebben hier nauwelijks mogelijkheden voor, vanwege de grote hittestraling.”\

53

Kijkend naar de functie van de beoogde ontwikkeling (wonen) wordt aangenomen dat de aanwezigen voldoende zelfredzaam zijn. Vanaf de locatie kan in meerdere richtingen (ook van de bron af) gevlucht worden. Belemmeringenstrook De hogedruk aardgasleidingen liggen op dusdanige afstand, dat de belemmeringenstroken geen belemmering vormen voor de voorgenomen plannen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

4.8

Water In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Dit is vastgelegd in het procesinstrument ‘de Watertoets’. Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit;

54

− realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂ arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1 Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen. 2 Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3 Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit.

In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1 Klimaatadaptatie; 2 Waterveiligheid; 3 Zoetwater; 4 Grondwater; 5 Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen.

In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).

55

In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Provinciaal beleid - Regionaal Waterprogramma Overijssel 2022-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2022 – 2027 Provincie Overijssel is op 15 december 2021 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Overijssel. De provincie heeft vier ambities: 1 Watersysteem met een goede ecologische en chemische kwaliteit: Een schoon en gezond watersysteem zijn belangrijk om een toekomstbestendig beheer te krijgen; 2 Rekening houden met gevolgen klimaatverandering: de provincie zet zich scherp in op samenwerking met partners om klimaatbestendig en waterrobuust te worden; 3 Versterking ruimtelijke kwaliteit: De investeringen in vormgeving en landschapsinpassingen worden op prijs gesteld.

De provincie wil de beleefbaarheid van het watersysteem verhogen; 4 Kosten waterbeheer : De financiering van het waterbeheer voor de oppervlaktewateren, de aanleg en het onderhoud van keringen en de waterhuishouding in algemene zin liggen primair bij de waterschappen. De nadruk wordt verder gelegd op specifieke gebieden die meer aandacht nodig hebben bij een ruimtelijk project: 1 Drinkwateronttrekking: de provincie wil aan de voorkant van de ruimtelijke ontwikkelingen staan, zodat drinkwateronttrekking niet als een belemmering worden ervaren. De bescherming van grondwater voor menselijke consumptie is ook een prioriteit; 2 Waterwingebieden: Bij de winputten, is alle andere activiteiten dan ten behoeve van de openbare drinkwatervoorzieningen niet toegestaan; 3 Grondwaterbeschermingsgebieden (met stedelijke functies): (risico)afweging en maatwerk in de ruimtelijke ontwikkelingen zijn voor deze gebieden kaderstellend; 4 Intrekgebieden (met stedelijke functies): In deze gebieden, is het mogelijk om andere functies toe te staan, mits een duurzame functieverweving mogelijk is bijvoorbeeld extensieve recreatie.

Daarnaast hecht de provincie veel belang aan (risico) afwegingen in stedelijke gebieden; 5 Innamezone waterwinning: het water in deze gebieden moeten voldoen aan de eisen van oppervlaktewater; 6 Boringsvrije zone drinkwatervoorziening/ industrie/ Sallands Diep: In de boringsvrije zones is het beleid gericht op het behoud van de beschermende bodemlagen. Doorboren van deze bodemlagen is niet toegestaan. In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Overijssel.

56

In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de drinkwatervoorziening en grondwaterbeschermingsgebieden. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken. Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij deze gebieden zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid – Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Drents Overijsselse Delta In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma’s: 1 Voldoende water: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid : goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte; 2 Schoon Water: In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol, alsmede de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3 Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem.

4 Duurzame toekomst: Het waterschap hecht veel aan energietransitie: energieneutraal zijn tegen 2025, circulaire economie en bescherming van de biodiversiteit zijn voorbeelden van beleidstukken voor de komende jaren. Deze vier thema’s zijn uitgewerkt in verschillende deelgebieden, waarmee de doelstellingen vertaald zijn in concrete opgaven en maatregelen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Toetsing Voor het project is de watertoets uitgevoerd. Navolgend worden de bevindingen uiteengezet. Bestaande waterhuishouding. Het plan ligt in het stroomgebied Stouwe. Het peilgebied heeft een maximumpeil van NAP 4,65m. Ten oosten van het plangebied ligt een watergang. In onderstaande afbeelding is de bestaande waterhuishouding in het plangebied weergegeven.

57

Bestaande waterhuishouding rond het plangebied (bron: waterschap Drents Overijsselse Delta)

De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP +5,80 m. De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit zandgronden. De maximale grondwaterstand ligt op 120 cm GHG onder het maaiveld. Bij extreme neerslag wordt geen wateroverlast in of nabij het plangebied verwacht. Toekomstige waterhuishouding Wateroverlast Bij kortstondige buien van geringe of enige intensiteit mag hemelwater dat niet lokaal kan worden verwerkt worden afgevoerd, zonder dat dit leidt tot water-op-straat of wateroverlast benedenstrooms van het plangebied. Bij extreme kortstondige buien, verblijft water voor korte tijd op het maaiveld, zonder dat dit tot overlast leidt. Voor kleine plannen geldt als regel dat 10% van het verharde oppervlak wordt ingezet voor berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater. In fase 3 van het plan wordt een verhard oppervlak van circa 1.000 m2 gerealiseerd. Dit houdt in dat een waterbergend oppervlak van circa 100 m2 moet worden aangelegd, waarin maximaal 30 cm peilstijging is toegestaan. In het plangebied is een groenstrook voorzien, waarin het water door middel van wadi’s kan infiltreren in de bodem. Geadviseerd wordt om de waterberging te ontwerpen op basis van een bij voorkeur vertraagde afvoer anders een infiltratiesituatie.

Het water dat op de verharding valt wordt geleid naar de infiltratiestrook langs de Tolhuisweg, en langs het wandelpad tussen de Tolhuisweg en de Olde Venneweg. De neerslag die op de kavelt valt infiltreert

58

in principe op eigen terrein. Zo nodig worden hiervoor infiltratiekratten toegepast. Wanneer er toch een overschot is, stroomt het water af naar de omgeving. De twee noordelijke woningen wateren af naar de bestaande sloot langs de Olde Venneweg. Neerslag die valt op het terrein van de vrijstaande woningen aan de westzijde stroomt af richting het weidegebied aan de westzijde. De twee-onder-één-kap woningen kunnen bij piekbelasting zowel afwateren naar de watergang aan de oostzijde als naar de infiltratiestrook aan de westzijde. In de onderstaande afbeelding is de afwatering in het toekomstige plangebied weergegeven.

Afwatering plangebied toekomstige situatie (bron: SAB).

Indien gekeken wordt naar alle drie de fasen van de ontwikkeling in Witharen samen, dan betreft het totale plangebied grofweg 20.000m2. Op basis van een soortgelijke woonwijk gaat het waterschap uit van een percentage van 40% verharding (8.000m2). Dit resulteert in een bergingsopgave van 640m3. In alle drie de fasen is rekening gehouden met de benodigde bergingscapaciteit voor hemelwater: − Fase 1: is inmiddels gerealiseerd. In dit gebied is geen sprake van overlast. Incidenteel blijft water staan bij een forse regenbui, maar het water stroomt snel richting de bermen. De reeds aanwezige infiltratievoorzieningen van de woningen werken zeer goed. daar is wateroverlast. Daarnaast zijn de woonpercelen ruim opgezet, waardoor er voldoende ruimte is voor infiltratie. − Fase 2: is inmiddels deel gerealiseerd, met een vergelijkbare opzet als fase 1. Ook in dit deel wordt het regenwater geïnfiltreerd in de brede bermen. Bij de woningen is voorzien in voldoende infiltratiekratten die zeer goed werken. Indien tijdens de afbouw blijkt dat wateroverlast dreigt als gevolg van de aanleg van

59

parkeerplaatsen (open verharding), dan zullen infiltratiekratten in de berm worden aangebracht. Deze infiltratiekratten zullen hetzelfde zijn als de kratten in de bermen en zullen inspecteerbaar worden uitgevoerd. − Fase 3: de inrichting van voorliggende fase is vergelijkbaar met de eerdere twee fasen. De kavels zijn ruim opgezet en er is veel ruimte voor groen in de openbare ruimte. Ook in deze fase zullen de woningen zelf hun infiltratievoorzieningen moeten verzorgen. De openbare groenstrook wordt gedeeltelijk als infiltratievoorziening gebruikt. Het water stroomt, net zoals in fase 1, snel naar een gebied met veel waterbergingscapaciteit. De bestaande sloot aan de noordzijde van het plangebied. aanwezig voorziet hierin. Hierdoor vindt er geen wateroverlast plaats. Gelet op het voorgaande, kan geconcludeerd worden dat de totale infiltratie capaciteit van het te ontwikkelen gebied ruim genoeg is om te voorzien in de waterbergingsopgave en om wateroverlast te voorkomen. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen.

Er worden zodoende geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Riolering De gemeente heeft een zorgplicht voor doelmatige verwerking en afvoer van hemelwater, afvalwater en grondwater. De capaciteit van het huidige rioolstelsel kan een aandachtspunt vormen. Bij uitbreiding van het rioolstelsel wordt rekening gehouden met de capaciteit van het bestaande stelsel en de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Aansluiting van de riolering uit het plangebied moet in een later stadium in overleg met de gemeente Ommen worden uitgedetailleerd. Drinkwatervoorziening Een deel van voorliggend plangebied is in de Provinciale Omgevingsverordening aangewezen als ‘intrekgebied’. Ook de plangebieden van de eerdere twee fasen vallen binnen het ‘intrekgebied’. Hiertoe is voor deze ruimtelijke ontwikkeling de methodiek ‘Gebiedsgerichte Grondwaterbescherming’ doorlopen.

De methodiek is door de provincie Overijssel opgesteld met als doel een duurzamere en effectievere bescherming van het grondwater mogelijk te maken. De methodiek bestaat uit acht stappen en wordt navolgend uiteengezet. Stap 1: Inventarisatie van de activiteit Realisatie van in totaal 31 woningen. Het plangebied is circa 3 hectare groot (± 10 woningen/ha) en is aangewezen als ‘intrekgebied’. Functietype: Wonen, woongebied.

60

Stap 2: Functiegroep en risico’s Categorie: niet risicovol (blijft onder de drempelwaarde van 100 woningen). Stap 3: toetsing aan ruimtelijke plannen en voorwaarden Plan voldoet aan stand-still principe Stap 4: Detaillering Activiteit is geen verboden inrichting. Stap 5: Categorie-indeling Categorie C: Ja, onder specifieke voorwaarden. Stap 6: Uitwerking Mogelijke maatregelen zijn: zonering en/of compensatie, voorziening en eisen aan materiaalgebruik. Stap 7: Beoordeling Op basis van de voorgaande zes stappen wordt de ontwikkeling beoordeelt als toelaatbaar. De ontwikkeling wordt namelijk gecategoriseerd als niet-risicovol (door het beoogde functietype en de schaalgrootte). De initiatiefnemer zorgt voor risicoreductie door maatregelen, zoals beschreven in deze paragraaf (bv watercompensatie en het materiaalgebruik). Vitens heeft bovendien naar de plannen gekeken en als suggestie meegegeven dat bij aanleg van beplanting rekening gehouden dient te worden met de grondwateronttrekking en dus soorten te kiezen die geen problemen zullen ondervinden van een lage grondwaterstand. Stap 8: Besluitvorming Activiteit is, onder voorwaarden, toegestaan. Aan de specifieke voorwaarden (risicoreductie door maatregelen) wordt voldaan. Zo wordt er voorzien in voldoende waterbergingscapaciteit en zijn er specifieke eisen gesteld aan het materiaalgebruik.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16262540/1