1. Toelichting - Buitengebied, herziening Varsenerweg 7, Ommen (12-5-21)
Tekst van het document
Ten aanzien van de situering van de bouwkavel wordt daarbij de volgende gebiedsdifferentiatie gehanteerd: In de volgende gebieden is compensatie op de slooplocatie zelf in principe niet wenselijk, tenzij in een ruimtelijke onderbouwing wordt onderbouwd dat in de specifieke situatie geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de betreffende gebieden: • • • •
Landbouwontwikkelingsgebieden; Zone rivieroevers met natuurwaarden; Beschermde dorpsgezichten; Buurtschappen Stegeren, Varsen, Arriën en Junne.
Voor de zone ‘rivieroevers met natuurwaarden’ geldt het volgende: Deze zone is afkomstig uit het bestemmingsplan Buitengebied. In deze zone moet ruimte gereserveerd blijven voor de opvang van hoog water van Vecht en Regge. Woningbouw is niet gewenst. Uitzonderingen zijn slechts mogelijk indien dit vanuit waterhuishoudkundige overwegingen geen bezwaar oplevert. Voor de buurtschappen Stegeren, Varsen, Arriën en Junne geldt het volgende: De begrenzing van deze deelgebieden is afkomstig uit het Welstandsplan. Deze buurtschappen in het Essenkampenlandschap bestaan uit veelal (voormalige) agrarische bebouwing. Er moet zorgvuldig worden BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld omgegaan met de nog overgebleven karakteristieken. Ook door bedrijfsmatige activiteiten en de geringe afstanden tussen de verschillende erven kan nieuwbouw van woningen niet wenselijk zijn. Om deze reden is compensatie op de slooplocatie zelf in principe niet wenselijk, tenzij aangetoond wordt dat nieuwbouw ter plaatse de ruimtelijke kwaliteit van de buurtschap als geheel versterkt en geen afbreuk doet aan de nabijgelegen erven. Maatwerk op basis van vastgestelde integrale plannen, zoals bijvoorbeeld landgoedversterkingsplannen is mogelijk. In de overige gebieden wordt de compensatiekavel in principe ter plekke (op de slooplocatie) toegekend, op voorwaarde dat dient geïnvesteerd te worden in ruimtelijke kwaliteit. Dit onder andere door het landschappelijk inpassen van de projectlocatie. 4.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan de beleidsnotitie rood voor rood gemeente Ommen Het plan voldoet niet volledig aan de kaders van de Rood voor Rood regeling. In dit geval gaat het echter om een vorm van maatwerk, waar de gemeente Ommen een positief besluit op heeft genomen. Allereerst eist de Rood voor Rood regeling dat alle voormalige bedrijfsbebouwing gesloopt wordt. In dit geval blijven enkele gebouwen (circa 350 m2) behouden. Het gaat om karakteristieke gebouwen (o.a.
bakhuis, hooiberg en kapschuur) waarvan het behoud bijdraagt aan de uitstraling van het erf en de buurtschap Varsen. Om deze reden, en om het feit dat er geen sprake is van extra verstening (de compensatiewoning is onderdeel van een bestaand bouwvolume) is medewerking aan de extra vierkante meters bijgebouwen acceptabel. Tevens geldt voor de kern Varsen en voor de zone ‘rivieroevers met natuurwaarden’ in feite het ‘nee-tenzij’ principe. In dit geval draagt de ontwikkeling echter juist bij aan de kwaliteit van Varsen. Er is geen sprake van extra bebouwing, maar enkel een extra woning in bestaande bebouwing. In samenhang met de sloop en landschappelijke inpassing is er daarmee sprake van een verbetering die juist een impuls betekend voor de karakteristieken van Varsen. Ten aanzien van de zone ‘rivieroevers met natuurwaarde’ geldt dat ruimte gereserveerd moet worden voor de opvang van hoog water vanuit de Vecht en Regge. In dit geval is er sprake van een functiewijziging op een bestaand erf. Het plangebied wordt niet gebruikt als opvanggebied voor water en, gezien de woonfunctie van het erf kan ook niet worden verwacht dat dit in de toekomst anders zal zijn. Het Concluderend wordt gesteld dat het initiatief in lijn is met het gemeentelijke Rood voor Rood beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het besluit Milieueffectrapportage.
5.1
Geluid
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
5.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte afhankelijk is van het aantal rijstroken en van de ligging van het plangebied (binnenstedelijk gebied of buitenstedelijk gebied). De dubbele woning ligt in buitenstedelijk gebied binnen de geluidszone van de Varsenerweg, de Larinkmars en de Ziel. De Ziel betreft een zandweg. De Varsenerweg en de Larinkmars betreffen beide smalle, rustige wegen die uitsluitend door het bestemmingsverkeer worden gebruikt. Redelijkerwijs kan niet worden verwacht dat als gevolg van deze wegen de voorkeurswaarde niet gehaald wordt. Een akoestisch onderzoek kan daarom achterwege blijven. De N340 (Varsenerdijk) en de N48 (Deventerweg) liggen op respectievelijk 300 en 600 meter, waarmee de woning buiten de geluidszone van deze wegen ligt. 5.1.2.2 Rail- en industrielawaai Er zijn in de nabijheid van het plangebied geen spoorlijnen of gezoneerde bedrijventerreinen aanwezig. De aspecten ‘railverkeerslawaai’ en ‘industrielawaai’ zijn dan ook niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijvigheid op het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.1.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2
Situatie plangebied
Om aan te kunnen aantonen dat de grond geschikt is voor de functie ‘wonen met tuin’ is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en 5707 (bodem en asbest in de grond) vereist. In dit geval is door Ortageo een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is als bijlage 2 opgenomen. Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt het volgende: Chemisch: •
• •
• •
De sporen baksteenhoudende bovengrond is licht verontreinigd met koper. In de overige visueel schone bovengrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. De aangetoonde gehalten aan PFAS overschrijden de vigerende tijdelijke landelijke achtergrondwaarden niet; In de bovengrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen; Volgende de indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit is het grondmonster met baksteenbijmenging geclassificeerd als ‘wonen’. De overige grondmonsters zijn geclassificeerd als ‘altijd toepasbaar’; Het grondwater bevat (zeer) licht verhoogde concentraties aan nikkel, zink en naftaleen; Er zijn geen chemische verontreinigingen aangetoond in gehalten/concentraties boven de tussenwaarde. Het uitvoeren van een nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Asbest: •
•
In de toplaag van de bodem bij de daklijnen is asbest aangetoond in de fractie kleiner dan 20 mm. Het is gerelateerd aan (met name) vezelbundels en stukjes asbestcement. Ter plaatse van de ligboxenstal overschrijdt het gewogen gehalte aan asbest in de toplaag en in de bovengrond de interventiewaarde voor asbest (100 milligram per kilogram droge stof) ruimschoots. Hoewel het gewogen gehalte als indicatief dient te worden beschouwd, is de overschrijding dermate dat met voldoende zekerheid is vastgesteld dat sprake is van een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest’ die gerelateerd is aan erosie van het dak’. De ‘sterke’ verontreiniging is verticaal afgeperkt op 0,5 m-mv (meter/maaiveld) (gehalte ruimschoots onder de interventiewaarde). Ook in de horizontale richting is de verontreiniging afgeperkt tot aan gehalten ruimschoots onder de interventiewaarde. De afperking heeft niet plaatsgevonden aan de westzijde van de daklijn. Aangezien de verontreiniging is gerelateerd aan erosie van het dak en de betonverharding van oudsher aanwezig is, kan er vanuit worden gegaan dat de verontreiniging niet onder het beton aanwezig is. In totaal is circa 100 m2 * 0,51 = 50 m3 grond verontreinigd met asbest in gewogen gehalten boven de interventiewaarde.
Aanbevelingen Omdat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en vanwege de voorgenomen herontwikkeling mogelijk handelingen worden verricht in de verontreinigde bodem, wordt aanbevolen een BUS-melding in te dienen bij de provincie/Omgevingsdienst. Binnen een periode van vijf weken dient het bevoegd gezag te beoordelen of de melding in overeenstemming is met het Besluit en de Regeling Uniforme Saneringen. Indien dat het geval is kan na verstrijken van deze periode worden gestart met de sanering. Het bevoegd gezag meldt schriftelijk of men akkoord is met de BUS-melding.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld Totdat de sanering wordt uitgevoerd mogen geen grondroerende werkzaamheden uitgevoerd worden ter plaatse van de ernstige bodemverontreiniging. Om deze gebruiksbeperking op te heffen kan via de BUSprocedure de met asbest verontreinigde grond worden ontgraven en worden afgevoerd naar een erkende verwerker. Sanerende werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door een BRL SIKB 7000 erkende aannemer en milieukundig worden begeleid door een BRL SIKB 6000-erkend adviesbureau. De provincie ziet toe op handhaving van de werkzaamheden. 5.2.3
Conclusie
De kwaliteit van de bodem vormt, na sanering van de asbestverontreiniging, geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld 5.3.1.3 Interne werking Zoals in paragraaf 5.3.1.1 aangegeven, is de ontwikkeling aan te merken als NIBM. Ook is aangegeven dat woningen geen gevoelige bestemmingen zijn. Wel dient er in het plangebied sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het plangebied ligt in de nabijheid van enkele veehouderijen. Van belang is om vast te stellen of de fijnstofbijdrage van nabijgelegen bedrijven leidt tot een aanvaardbare situatie in het plangebied. In de nabijheid van het plangebied liggen drie agrarische bedrijven. Het betreffen de volgende bedrijven, met bijbehorende afstand en soorten dieren: • • •
Larinkmars 3: 73 meter afstand: Varsenerweg 5a: 54 meter afstand Varsenerweg 12: 315 meter afstand
melkvee en jongvee; pluimvee, schapen, paarden; vleestierkalveren, grootouderdieren vleeskuikens.
In dit geval is door Craeft advies een beoordeling naar het woon- en leefklimaat uitgevoerd. Ten aanzien van luchtkwaliteit (fijnstof) is een ISL3a berekening uitgevoerd of basis van fijnstofnormeringen zoals vastgelegd voor dieren met de betreffende RAV-code. Het volledige rapport (beoordeling woon- en leefklimaat) is als bijlage 3 opgenomen bij deze toelichting. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten t.a.v. fijnstof ingegaan. Bij de berekening is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van de bedrijven. De berekeningen zijn opgesplitst in drie scenario’s, te weten: 1. 2. 3.
Dominant bedrijf Varsenerweg 5a – huidig gebruik / vergund recht Wm Dominant bedrijf Varsenerweg 5a – Wnb vergunning, maximaal planologische mogelijkheden Bedrijf Varsenerweg 5a en Varsenerweg 12a – maximaal planologische mogelijkheden.
In deze scenario’s is sprake is van de volgende overschrijdingsdagen: • • •
Ad. 1: 7,51 Ad. 2: 8,91 Ad. 3: 8,91
Uit de berekeningen blijkt dat het bedrijf aan de Varsenerweg 12a geen verhogende invloed heeft in vergelijk tussen de opties 2 en 3. Voor fijnstof (PM10) is in de Europese richtlijn luchtkwaliteit (2008/50/EG) als grenswaarde onder andere een dagnorm vastgelegd van 50 μg/m3 die niet meer dan 35 keer per jaar mag worden overschreden. Met 7,51 tot maximaal 8,91 overschrijdingsdagen valt deze waarde dus ruim binnen de in de richtlijn bepaalde norm en omtrent fijnstof kan dan ook een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Ook kan worden vastgesteld dat uitbreiding van het bedrijf aan de Varsenerweg 5a nog goed mogelijk is, zelfs bovenop/aanvullend aan de reeds berekende en eventueel nog te realiseren extra stal. 5.3.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Tevens kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in relatie tot fijnstof worden gegarandeerd. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
De regelgeving omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie plangebied
5.4.2.1 Algemeen Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
In de nabijheid van het plangebied liggen verscheidene gasleidingen. Volgens het Besluit externe veiligheid buisleidingen worden gemeenten verplicht om bij nemen van een ruimtelijk besluit rekening te houden met het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object bij een buisleiding wordt toegelaten, wordt een waarde in acht genomen van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten. Er ligt geen PR 10-6 contour langs de gasleidingen. Het realiseren van een tweede woning leidt wel tot een toename van het aantal personen binnen het invloedsgebied van de hoge druk aardgasleidingen. Gezien het om één extra woning gaat blijft dit beperkt tot 2,4 personen. In een gebied van 1 kilometer ten noorden en zuiden van de leiding ter hoogte van de ontwikkeling liggen in het invloedsgebied (dit is het gebied waarbinnen het aantal personen moet worden bepaald) 21 woningen. Dit komt neer op afgerond 50 personen. De toename van 1 woning leidt dus niet tot een groter toename dan 10% van de aanwezige personendichtheid in de bestaande situatie. Ook zal de oriënterende waarde of 10% van deze waarde niet worden overschreden gezien de lage personendichtheid in het invloedsgebied.
Dit zal ook niet veranderen door de toevoeging van 1 woning. Gezien bovenstaande kan dan worden volstaan met een beperkte verantwoording. Officieel is dan een berekening van het groepsrisico noodzakelijk, maar uit ervaring is gebleken dan een dergelijke toename op een lage personendichtheid in het invloedsgebied niets bijdraagt aan de hoogte van het groepsrisico. Laat staan dat dit leidt tot een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico. Hierdoor is een berekening met het rekenprogramma Carola niet aan de orde. Wel blijft advies van de veiligheidsregio noodzakelijk. Zij adviseren over zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid bij een eventueel incident met een hoge druk aardgasleiding.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld In dit geval heeft de Omgevingsdienst IJsselland een advies uitgebracht ten aanzien van de ontwikkeling. Hierna wordt dit advies samengevat weergegeven. Advies veiligheidsregio (19 oktober 2020) Op 19 oktober 2020 heeft de Veiligheidsregio hun advies uitgebracht over het realiseren van een tweede woning op een voorheen bestaand agrarisch bedrijf waarbij de bestemming wordt gewijzigd van agrarisch naar wonen. Zij adviseren over de zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid het volgende: • •
5.4.3
de aanwezigen (bedrijven, bewoners en omwonenden) door risicocommunicatie op de hoogte te brengen van de handelingsperspectieven bij een incident bij een hogedruk aardgasbuisleiding. Bij een incident met gevaarlijke stoffen zijn de hulpdiensten niet meteen ter plaatse. De aanwezigen zijn in de tijd dat de hulpdiensten nog niet aanwezig zijn aangewezen op zelfredzaamheid. Conclusie
Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ als volgt omschreven: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.’
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen , zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in het buitengebied, waar geen sprake is van sterke menging van functies. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Beoordeling
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich enkele milieubelastende functies. Het betreffen de volgende agrarische bedrijven, met bijbehorende afstanden tot het plangebied: • • •
Larinkmars 3: 73 meter afstand: Varsenerweg 5a: 54 meter afstand Varsenerweg 12: 315 meter afstand
melkvee en jongvee; pluimvee, schapen, paarden; vleestierkalveren, grootouderdieren vleeskuikens.
Opgemerkt dient te worden dat de grootste richtafstand bij veehouderijen veelal geldt voor het aspect geur. Bij veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend zijn. Hier wordt in de paragraaf geur (5.6) nader op ingegaan. Wanneer het aspect ‘geur’ buiten beschouwing gelaten wordt, geldt een grootste afstand van 30 meter voor het aspect ‘geluid’. Deze afstand wordt in alle gevallen gehaald. De agrarische bedrijven worden dan ook niet in hun werkzaamheden beperkt en ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2
Situatie plangebied
Het plangebied is gelegen in het buitengebied. Zoals in de vorige paragraaf reeds aangegeven, liggen er in de nabijheid drie veehouderijen. Op basis van het bestemmingsplan is op alle locaties een intensieve veehouderij mogelijk. Het gaat in dit geval om het realiseren van een compensatiewoning in het kader van Rood voor Rood. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (artikel 14.2 lid 2) worden compensatiewoningen in het kader van Rood voor Rood en voormalige agrarische bedrijfswoningen (in combinatie met het buiten werking stellen van een agrarisch bedrijf) gelijk gesteld aan bedrijfswoningen. In deze gevallen dient rekening te worden gehouden met een minimale (vaste) afstandsnorm van 50 meter, ook voor intensieve veehouderijen. Hier wordt in alle gevallen aan voldaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is er echter wel een geuronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek maakt onderdeel uit van het in bijlage 3 opgenomen rapport beoordeling ‘woon en leefklimaat’. Hierna wordt op de belangrijkste conclusies ten aanzien van geur ingegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld Voor de locatie Larinkmars 3 geldt dat er enkel dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden. Voor dit adres kan dan ook worden volstaan met de afstandseis. Deze afstand ligt op 73 m van het te beschermen (in casu het te bestemmen object) en daarmee voldoet deze aan de eis van 50 m. Voor de andere twee locaties geldt dat deze wel dieren met een geuremissiefactor houden. Op basis van V-Stacks berekeningen moeten deze de geurnorm niet overschrijden. De gemeente Ommen heeft geen eigen geurbeleid vastgesteld voor het betreffende gebied. Het betreft hier een locatie in het buitengebied, gelegen buiten de bebouwde kom, met een geurnorm van 14,0 ouE / m3. Aan deze norm is getoetst. Varsenerweg 5a + 12: huidige vergunde situatie De huidige vergunde situatie laat een maximale geurbelasting op de gevel van het te beschermen object Varsenerweg 7/7a zien van maximaal 2,8 ouE / m3. Er is er geen belemmering, omdat de maximale geurbelasting onder de norm van 14,0 blijft. Varsenerweg 5a + 12 inclusief extra stal conform NB-vergunning nr. 5a De huidige vergunde situatie laat een maximale geurbelasting op de gevel van het te beschermen object Varsenerweg 7/7a zien van maximaal 5,0 ouE / m3. Ook na uitbreiding van de pluimveehouderij Varsenerweg 5a is er geen belemmering, nu de maximale geurbelasting onder de norm van 14,0 blijft.
Achtergrondbelasting Naast de specifieke depositie en belasting van de verschillende bedrijven dient ook naar de achtergrondbelasting te worden gekeken. Binnen een straal van 1 a 1,5 km zijn geen andere intensieve veehouderijen gelegen of dusdanig klein van omvang dat deze niet mee worden gewogen. Een achtergrondbelastingberekening hoeft dan ook redelijkerwijs niet uitgevoerd te worden. Omgekeerde werking De omgekeerde werking is feitelijk niet aan de orde. De gezamenlijke geurbelasting ligt niet boven de wettelijke normen. De planologische mogelijkheden van voornoemde bedrijven zijn niet uitputtend te noemen. Het bouwvlak van het bedrijf Varsenerweg 12a zit nagenoeg vol. Over het bedrijf Varsenerweg 5a zijn diverse genuanceerde overwegingen te maken. De huidige tweede bedrijfswoning, gelegen het meest dichtbij het te beschermen object, wordt bewoond door een familielid die geen binding heeft met het bedrijf. Met het oog op kapitaalvernietiging is niet te verwachten dat daar een stal wordt gebouwd. De verleende Nbvergunning, op basis waarvan het bedrijf mogelijkerwijs uit zou willen breiden, is een zogenaamde beleidskader-vergunning. De interne saldering op basis van niet gerealiseerde capaciteit kan complex liggen.
Het lijkt daarom opportuun deze vergunning wel mee te wegen, zoals reeds in voorgaande paragraaf en berekeningen al is gedaan, maar het is het niet noodzakelijk noch redelijk deze vergunning op de rand van het wat langgerekte bouwvlak te positioneren. Om te onderzoeken of en in hoeverre sprake is van een belemmering van de bedrijven zijn berekeningen uitgevoerd op de rand van het bouwvlak van Varsenerweg 12. Voor Varsenerweg 5a wordt uitgegaan van het hoekpunt van de bestaande stal, hetgeen redelijkerwijs het dichtstbijzijnde punt zal blijven. Voor de locatie Varsenerweg 5a betekent dit dat er een denkbeeldige belemmering bestaat als de volledige geuremissie, door middel van een luchtuitlaat, berekend naar een niet vergunde situatie, exact op de hoek van het huidige erf wordt uitgestoten. Dit voldoet niet aan de vereisten die gesteld mogen worden aan een redelijke belemmering. Gelet op het verschil met de wel enigszins realistische vergroting met de NB-vergunde situatie, is het verdedigbaar bij deze belasting aan te sluiten voor het bepalen van de maximaal planologische mogelijkheden. Hoewel op juridische gronden gepersisteerd kan worden in deze stelling kan ook nog het volgende worden bepaald. Het gaat in casu om het bepalen van een goede ruimtelijke ordening, waarbij de te toetsen maatstaf wordt bepaald door een onevenredige belemmering van concrete uitbreidingsplannen.
Nu de milieuvergunning in 2014 is ingetrokken voor de beoogde intrekking is er feitelijk geen grond om deze ontwikkeling mee te wegen. De aanwezigheid van een Nb-vergunning van zeven jaar oud is in dat licht bezien onvoldoende concreet. Hoewel het realiseren van die vergunning in een voorkomend geval volstrekt niet belemmerd wordt, kan de stelling dat deze vergunning op iedere willekeurige plek op het bouwvlak geplaatst moet kunnen worden niet gevolgd worden. Dit te meer omdat bij een Nb-vergunning een specifiek project
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld wordt vergund en niet een zekere emissie, zoals onder meer blijkt uit een recente uitspraak van de ABRvS d.d. 1 juli 2020, 201605016/2/R2. Zowel feitelijk als juridisch bestaat er geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van het bedrijf aan de Varsenerweg 5a te Ommen. Een ontwikkeling strak op het dichtstbijzijnde gelegen hoekpunt kan in theorie belemmerd worden, maar deze toets laat zich niet lezen als een onevenredige belemmering van concrete plannen. Geconcludeerd kan worden dat er op basis van de feitelijke situatie, de maximaal planologische mogelijkheden, in voor- of achtergrondbelasting geen belemmering bestaat op het gebied van geurbelasting. 5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.
5.7
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.7.1
Gebiedsbescherming
Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (Natura 2000) worden aangemerkt als speciale beschermingszones (SBZ’s). 5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van de Natura 2000 en het NNN weergegeven.
Afbeelding 5.2
Ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000 en het NNN (Bron: provincie Overijssel)
Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Vecht- en Beneden-Reggegebied” ligt op een afstand van circa 3 kilometer van het plangebied. Van directe negatieve BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld effecten is dan ook geenszins sprake. In dit geval is door Craeft een stikstofberekening uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is als bijlage 4 opgenomen. Op grond van de berekeningen blijkt dat zowel in de aanlegfase als gebruikfase geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden Regge (en/of andere gebieden). Er is dan ook per definitie geen sprake van significant negatieve effecten en een nadere (passende) beoordeling op grond van artikel 2.7:1 jo. 2.8:1 Wnb is dan ook niet aan de orde. Het bevoegd gezag kan daarom medewerking verlenen aan het vaststellen van het bestemmingsplan. 5.7.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN weergegeven. Het plangebied ligt op circa 140 m afstand van het NNN. De gewenste ontwikkeling vindt echter niet binnen het NNN plaats.
Omdat het NNN geen schaduwwerking kent zoals bijvoorbeeld wel geldt voor Natura 2000gebieden leidt het project niet tot aantasting van de wezenlijke waarden van het NNN. Het NNN vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend bestemmingsplan. 5.7.2
Soortenbescherming
Natuurbank Overijssel heeft een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze toelichting. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemeneen weinig kritische beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren niet aangetast.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten. 5.7.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied Het plangebied is getoetst aan de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart. Een uitsnede van de kaart is opgenomen in afbeelding 5.3.
Afbeelding 5.3
Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart (Bron: Gemeente Ommen)
De locatie heeft een hoge archeologische verwachting. Op grond van bijbehorende regels (opgenomen in de erfgoednota ‘toekomst voor erfgoed Ommen’) is archeologisch onderzoek nodig bij bodemverstoringen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,5 m. Deze oppervlakte wordt niet gehaald. In dit geval bestaan de bodemingrepen uitsluitend uit de sloop van een stal en het aanbrengen van landschapsmaatregelen. De oppervlakte van de ingrepen is kleiner dan 2.500 m2. Bovendien zijn de gronden ter plaatse van de te slopen stal naar verwachting reeds volledig verstoord door eerdere bodemingrepen ten tijde van de bouw. Bovendien zijn de gronden grotendeels al verstoord door de aanwezigheid van bebouwing. Geconcludeerd wordt dat archeologisch onderzoek niet benodigd is. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart Overijssel (Regio en deelgebied Vechtstreek), in het plangebied zelf en in de nabije omgeving geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. Wel wordt gesteld dat door de ontwikkeling (zie ook de planbeschrijving) de cultuurhistorische waarde en karakteristieken van het buurtschap Varsen fors wordt verbeterd. Het plangebied vormt het centrale punt van het buurtschap. Door de sloop van ontsierende bebouwing en het beter tot zijn recht laten komen en opknappen van karakteristiek bebouwing, in combinatie met een landschappelijke inpassing, wordt de cultuurhistorische waarde fors versterkt. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 5.8.3
Conclusie
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.9
Besluit milieueffectrapportage
5.9.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2
Situatie plangebied
Dit bestemmingsplan voorziet in de omzetting van een agrarische bestemming naar een woonbestemming, waarbij planologisch één woning toegevoegd wordt. Het plan voldoet aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage.
Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling voorziet in de planologische wijziging van de agrarische bestemming naar een woonbestemming in het kader van een Rood voor Rood regeling. Na sloop van een ligboxenstal van 870 m2 wordt binnen de bestaande woning een tweede wooneenheid gerealiseerd. Het gaat om een ontwikkeling die met uitzondering van sloop en landschapsmaatregelen niet gepaard gaat met fysieke ingrepen en geen groter beslag legt op de ruimte. Er is daarnaast geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen en andere milieugevoelige functies. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r..
Uit hoofdstuk 5 blijkt daarnaast dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.9.3
Conclusie
Voorliggend bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Er zijn daarnaast geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van het bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Waterschappen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Drents Overijsselse Delta, Vallei en Veluwe, Vechtstromen, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. In de Waterbeheerplannen is aangegeven hoe de waterschappen zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In de plannen zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema’s waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: • • •
voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsproces
Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Op basis van deze toets blijkt de ‘normale procedure’ van toepassing is. Dit komt vanwege de ligging van het plangebied in buitendijks gebied. Het waterschap heeft op d.d. 1 februari 2021 een inhoudelijke reactie gegeven. Hierin werd aangegeven dat het plan een beperkte invloed heeft op de waterhuishouding, vanwege de sloop van bebouwing. Echter heeft het toevoegen van beplanting enigszins effect op de waterhuishouding. Daarom is gevraagd om in de toelichting aandacht te geven aan de ligging van het plan in buitendijks gebied en het overstromingsrisico. Hierna wordt nader ingegaan op de invloedszone van de Vecht en het overstromingsrisico. 6.2.3
Invloedszone van de Vecht
Op basis van de watertoets blijkt dat het plangebied binnen de invloedszone van de Vecht ligt (uiterwaarden Vecht Overijssel). Hier zijn de “Beleidsregels voor de Overijsselse Vecht” (2013, destijds waterschap GrootSalland) van toepassing. Op basis van deze beleidsregels zijn artikel 6 (Niet-riviergebonden activiteiten stroomvoerend regime) en 7 (Algemene voorwaarden) van toepassing. Deze artikelen bevatten het afwegingskader voor de toelaatbaarheid vanuit rivierkundig opzicht bezien. In voorliggend geval is sprake van niet-riviergebonden activiteiten. Hierna wordt op beide artikelen ingegaan. Artikel 6: Niet-riviergebonden activiteiten stroomvoerend regime Voor niet-riviergebonden activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is, wordt geen toestemming gegeven, tenzij, onverminderd het bepaalde in artikel 7., tweede lid, sprake is van: a)
een groot openbaar belang en de activiteit niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd; b) een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven en de activiteit redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd; c) verbouw van bestaande bebouwing of vervangende nieuwbouw, waarbij de totale bebouwde oppervlakte vermindert of gelijk blijft. d) een activiteit die per saldo meer ruimte voor de rivier oplevert op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie. Artikel 7: Algemene voorwaarden 1.
2.
3.
De toestemming, bedoeld in artikel 18.3., wordt alleen gegeven indien: a. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft; b. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit; en c. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het geven van toestemming, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6, aanhef en de onderdelen a, b en c, met dien verstande dat de resterende waterstandeffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor het geven van de toestemming, bedoeld in artikel 6., aanhef en onderdeel d, met dien verstande dat de gevraagde rivier verruimende BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Buitengebied, herziening Varsenerweg 7 Vastgesteld maatregelen genomen worden, waarbij de financieringen en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn. Toetsing initiatief aan “Beleidsregels voor de Overijsselse Vecht” In voorliggend geval is sprake van verbouw van bestaande bebouwing (betreffende de woning), waarbij de totale oppervlakte aan bebouwd oppervlakte verminderd. Er wordt immers een meervoud gesloopt, waarmee er per saldo meer ruimte voor de rivier wordt gerealiseerd (artikel 6 lid c en d). Het vorenstaande maakt dat de voorgenomen activiteiten in overeenstemming zijn met de “Beleidsregels voor de Overijsselse Vecht”. 6.2.4
Overstromingsrisico
6.2.4.1 Algemeen Bij nieuwe ontwikkelingen is het gewenst dat tijdig wordt nagedacht over voorzieningen dan wel maatregelen die kunnen worden getroffen, waarbij eventuele risico’s en nadelige effecten van een overstroming kunnen worden beperkt. Het betreft ook een stuk bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico’s met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. 6.2.4.2 Beleid Artikel 2.14.4 (Overstroombaar gebied) van de Omgevingsverordening Overijssel schrijft voor dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in overstroombaar gebied een overstromingsrisicoparagraaf moet worden opgenomen in de toelichting bij bestemmingsplannen. Onder overstroombaar gebied wordt verstaan, gebieden die normaal gesproken niet onder water staan, maar kunnen overstomen (tijdelijk onder water staan) als gevolg van een extreme gebeurtenis. Het gaat zowel om buitendijkse gebieden die bij hoogwater overstromen (bijvoorbeeld uiterwaarden) als om de beschermde gebieden achter de dijk (binnendijkse gebieden) die alleen bij een calamiteit onder water komen te staan. 6.2.4.3 Situatie plangebied Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van de gemeente Ommen. Op basis van de Omgevingsverordening Overijssel, blijkt dat het gehele plangebied zich bevindt in een overstroombaar gebied. In afbeelding 6.1 is dit weergegeven.