CConstaterende datOmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Prinses Julianastraat 8, Motivering

Gemeenteraad 12 maart 2026, gemeente OmmenBij agendapunt: Vaststellen Tijdelijke Alternatieve Maatregel-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen18.958 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp gemeente ook invulling aan de eisen die de nieuwe Omgevingswet stelt. Het thema van de omgevingsvisie is ‘Ommen Jouw Toekomst’. Er wordt gewerkt vanuit de ambitie dat Ommen zich op basis van haar kernkwaliteiten ontwikkelt tot een groene, gastvrije, geïnspireerde en gezonde woonen verblijfsgemeente. Ommen is een woon- en verblijfsgemeente met meerdere kernen die elk een uniek karakter kennen. Een van oorsprong agrarische gemeente met een groot areaal aan landbouwgrond, waar agrariërs zorgdragen voor de voedselproductie. Een gemeente met veel groen, natuur en water. Het Vechtdal en de daar aanwezige verblijfsmogelijkheden, routestructuren en voorzieningen trekken jaarlijks veel toeristen en recreanten naar de gemeente. De groene omgeving en aanwezige voorzieningen bieden voor huidige en toekomstige inwoners een aantrekkelijke en gezonden woon- en leefomgeving. Een inclusieve en armoedevrije gemeente waar iedereen mee kan doen en sociale ongelijkheid wordt aangepakt is een kenmerk. Via de weg en het spoor en (snel)fietspaden zijn inwoners snel op plekken buiten de gemeente voor werk, onderwijs of ontspanning. 5.4.1.2 Een vitale en gezonde samenleving Ommen wil als verblijfsgemeente de inwoners een gezonde en vitale samenleving bieden.

Het behouden en verbeteren van de samenhang en leefbaarheid in de kernen en wijken staat hoog op de agenda. Er wordt voorzien in de woonvraag van de eigen inwoners: jongeren, starters, jonge gezinnen, ouderen en bijzondere doelgroepen. Er wordt ingezet op een bij Ommen passende groei van maximaal 1250 woningen tot 2040. Hiermee wordt het mogelijk gemaakt dat de kernkwaliteiten, zoals de voorzieningenniveaus, op peil worden gehouden en kunnen worden versterkt. Zo wordt er ook bijgedragen aan de verstedelijkingsopgave vanuit de Regio Zwolle. Woningen worden duurzaam en levensloopbestendig gebouwd. Ommen wil een aantrekkelijke woongemeente zijn en heeft daar drie ambities voor, deze zijn gelijk aan de ambities zoals verwoord in de woonvisie: 1. Bouwen voor huishoudens die in Ommen blijven wonen en vertrokken Ommenaren die weer in Ommen willen wonen. 2. Voldoende woningen voor kwetsbare doelgroepen. 3. Zorgbehoevende ouderen kunnen zelfstandig in de kernen blijven wonen. Het doorgroeien van het woningbouwprogramma biedt Ommen de kans om ook na 2030 door te groeien. Dit is voor Ommen van groot belang om daarmee de kernkwaliteiten, de leefbaarheid en het hoogwaardige voorzieningenniveau op de langere termijn (na 2030) te kunnen behouden. Een hoger woningbouwprogramma zorgt voor aanwas van nieuwe gezinnen en starters voor met name meer jonge inwoners.

5.4.1.3 Toetsing van het initiatief aan de omgevingsvisie Voorliggend initiatief draagt bij aan het ontwikkelen van 30 appartementen en een ontmoetingsruimte op een inbreidingslocatie nabij het centrum van Ommen. Het plan draagt bij aan de ambitie om woningen te realiseren voor kwetsbare doelgroepen. De sociale woningbouw, voornamelijk voor ouderen, krijgt naast de appartementen ook een gezamenlijke ruimte. Hierin kan men elkaar ontmoeten. Dit zorgt voor meer ruimte voor kwetsbare doelgroepen. Daarnaast wordt er met de komst van dit appartementengebouw gezorgd voor woningen voor Ommenaren zelf. 5.4.2

Welstandsnota Ommen

5.4.2.1 Algemeen Om bouwplannen op welstand te mogen toetsen zijn gemeenten sinds 1 juli 2004 verplicht een welstandsnota vast te stellen. Met het opstellen van een welstandsnota worden de procedures en de toetsing transparanter gemaakt. De gemeente Ommen heeft er voor gekozen een welstandsnota op te stellen om voor specifieke gebieden in de gemeente het uiterlijk van gebouwen in de omgeving tot zijn recht te laten komen. De gemeente Ommen heeft een lange en rijke bouwtraditie. Dit uit zich in meerdere bouwstijlen uit verschillende perioden. Deze bouwstijlen komen voort uit de rijke geschiedenis van de gemeente en zijn nauw verwant met het fraaie landschap van de gemeente. Diverse bebouwingslinten en kernen met fraaie architectuur maken Ommen herkenbaar en bepalen gezamenlijk de identiteit van de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp gemeente. Aan de andere kant is er veel bebouwing in woongebieden of bedrijventerreinen waarvoor een functionele plattegrond belangrijker is geweest dan het uiterlijk ervan. Deze gebieden dragen niet of nauwelijks bij aan de specifieke identiteit van Ommen. Het nieuwe welstandbeleid speelt in op deze diversiteiten binnen de gemeente. Daarnaast heeft de gemeente de ambitie om meer ruimte te creëren voor burgers die willen bouwen in aansluiting op de toegenomen deregulering. Te veel regels kunnen soms beknellen en dragen niet per definitie bij aan goede resultaten. Dit betekent dat de gemeente wil sturen op kwaliteit, daar waar het er toe doet en wil loslaten daar waar dat kan. In deze nota is gekozen voor verschillende niveaus van welstand. Op basis van een waardering van de bebouwing in haar omgeving, met de daarbij behorende ambitiebepaling, zijn alle gebieden ingedeeld naar drie niveaus van welstand. Op deze wijze kan er extra sturing plaatsvinden waar nodig en juist minder sturing op plekken waar dat kan. Vanwege het sterke verschil in thematiek is gekozen voor een hoofdindeling tussen het buitengebied en de kernen. Kernen-Ommen Het plangebied ligt in het deel ‘Kernen-Ommen’. Dit gebied kent het welstandsniveau 1 (midden).

Onder dit niveau vallen alle gebieden die om een zorgvuldige beoordeling van de bouwkundige ingrepen vragen. Het accent ligt hier op het handhaven en respecteren van of reageren op kenmerkende karakteristieken. De beoordeling is vooral gericht op het handhaven en waar mogelijk versterken van de specifieke gebiedskwaliteiten. De ambitie is o.a.: - Historische (delen van) wegen behouden en versterken van de structuur, schaal en maat. Hierbij de individuele kwaliteit afstemmen op het lint als geheel. 5.4.2.2 Toetsing Met het voornemen is gekeken naar de huidige structuur en opbouw. Het toekomstig complex is passend gezien de bestaande patronen en structuren. Het complex is voorzien van veel geleding door middel van verschillende geveltype en balkons, variatie in kaprichtingen en bouw- en goothoogte. Hierbij hebben de belangrijkste zichtlocaties van het gebouw een representatief vormgeven en uitstraling. Het plan is in het kader van een (informeel) vooroverleg op 1 mei 2024 besproken met de gemeentelijke adviescommissie (stadsbouwmeester) en beoordeeld als passend binnen het welstandsbeleid. Geconcludeerd wordt dat het voornemen passend is en de Welstandsnota geen belemmering vormt. 5.4.3

Woonvisie Ommen 2015-2025

5.4.3.1 Algemeen De gemeente Ommen heeft een nieuwe actuele en moderne woonvisie opgesteld. Hierin wordt de visie op het wonen in Ommen in 2025 verwoord. De woonvisie vormt de basis voor strategische afwegingen, die de gemeente maakt op het gebied van wonen. De vraag hoe de woonaantrekkelijkheid van Ommen kan worden versterkt staat hierbij voorop. Daarnaast hebben enkele belangrijke thema’s die spelen in Ommen een plek gekregen. De focus ligt op de bestaande voorraad, inclusief de opgaven die daarmee samenhangen. Nieuwbouw is daaraan complementair. Nieuwbouw blijft nodig om in de behoefte te voorzien en in te kunnen spelen op de verwachte huishoudengroei. Voorts wordt omschreven welke inzet de gemeente pleegt voor groepen die zonder steun moeite hebben om een passende woning te vinden en hoe ingespeeld wordt op de veranderingen in het kader van het scheiden van wonen en zorg. 5.4.3.2 Wensbeeld 2025 Het belangrijkste onderdeel van de woonvisie is het wensbeeld van Ommen in 2025. In de woonvisie wordt uitgewerkt hoe de gemeente Ommen dit wensbeeld wil bereiken. Het wensbeeld sluit aan op de missie die is verwoord in het Ommer Motief: “Ommen ontwikkelt zich op een duurzame wijze, uitgaande van haar kernkwaliteiten, tot een groene, gastvrije en geïnspireerde verblijfsgemeente.

Een leefbare gemeente voor iedereen die er woont, werkt of recreëert.” BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp 5.4.3.3 Pijlers van het woonbeleid Het woonbeleid is uitgewerkt in drie pijlers. Per pijler worden de ambities beschreven, omschreven wat er speelt en welke maatregelen de gemeente neemt om deze ambitie te bereiken. Pijler 1: Dé plek om te wonen Ommen is dé plek om te wonen. Er is een aantrekkelijk centrum in de stad Ommen, waarbij de haven een extra impuls geeft. De kwaliteit van de omgeving is goed en het voorzieningenniveau is hoog. Hier zijn woningen gerealiseerd die in veel gevallen goed aansluiten op de wensen van senioren. De kwaliteit van de bestaande voorraad in Ommen is verbeterd, de wijken bieden onderscheidende woonmilieus. De woningen die door verhuizende senioren vrijkomen, worden door jonge inwoners uit Ommen betrokken. De kernen zijn vitaal en de kwaliteit van het buitengebied is versterkt. Door deze kwaliteitsimpuls weten vertrokken Ommenaren ons weer te vinden en blijven jonge gezinnen in de gemeente wonen. Woningbouw in de kleine kernen en bij vrijkomende agrarische bebouwing faciliteert de gemeente bij concrete behoefte van onderop, van de inwoners zelf. Daarnaast is het van belang dat met deze woningbouw een bijdrage geleverd worden aan de vitaliteit/leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit.

Om er voor te zorgen dat huishoudens in Ommen blijven wonen en vertrokken Ommenaren zich weer in Ommen willen vestigen moeten woningen beschikbaar zijn, die passen bij de wensen en financiën van deze groepen en moet de woonomgeving aantrekkelijk genoeg zijn. Voorwaarden hiervoor zijn: 1. Hoogwaardig centrum van de stad Ommen; 2. Woonmilieus met onderscheidende kwaliteiten behouden en toevoegen; 3. Vitale kernen en platteland. Pijler 2: Passende woningen voor kwetsbare doelgroepen De gemeente zorgt met de corporatie, dat er voldoende passende woningen zijn voor de kwetsbare doelgroepen. Kwetsbare doelgroepen zijn doelgroepen die niet zonder extra maatregelen aan een passende woonruimte kunnen komen. De komende tien jaar wil de gemeente de voorraad sociale huurwoningen voor huishoudens met een laag inkomen vergroten, terwijl deze daarna waarschijnlijk weer af mag nemen naar ongeveer het huidige aantal van 1.250 woningen. De gemeente vindt de betaalbaarheid voor alle inkomensgroepen belangrijk. De doelen in het kader van de ambitie om voldoende passende woningen voor de kwetsbare doelgroep zijn: 1. 2. 3. 4. 5.

Betaalbaarheid; Voorkomen dakloosheid; Duurzame, levensloopgeschikte en betaalbare woningen; Gedifferentieerde wijken; Kwantitatief aanbod.

Pijler 3: Het is goed oud worden in Ommen, ook in de kleine kernen Het is goed oud worden in Ommen, ook in de kleine kernen. Mensen kunnen zelfstandig in de kernen blijven wonen, ook bij een zorgbehoefte. Zo behouden ze hun sociale netwerk. Het voorzieningenen dienstenaanbod zijn hierop ingericht. Senioren hebben daarnaast de keuze om zich rondom het centrum van de stad Ommen te vestigen. Hier is er een aantrekkelijk woningaanbod voor senioren, met een volwaardig voorzieningen- en dienstenaanbod. De voorwaarden om bovenstaande ambitie te bereiken zijn: 1. Mensen kunnen zelfstandig in de kernen blijven wonen, ook bij een zorgbehoefte; 2. Voldoende voorzieningen om de zelfredzaamheid van kwetsbaren te waarborgen; 3. Senioren in nieuwbouw rondom het centrum én in de bestaande voorraad. 5.4.3.4 Woningmarkt van Ommen Het aantal huishoudens neemt volgens de Primosprognose 2013 nog toe tot circa 7.801 in 2035. Daarna vindt er een stabilisering plaats. Dit betekent dat het aantal woningen tot 2035 nog mag groeien. In de jaren 2014 t/m 2024 groeit het aantal huishoudens naar 7.655, dus met ruim 600, gemiddeld 60 huishoudens en dus woningen per jaar. Tussen 2025 en 2035 zal de groei geleidelijk afnemen. Deze periode wordt de toename van het aantal huishoudens en dus woningen geschat op gemiddeld 15 per jaar. Een deel van deze groei komt door terugkeerders.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp Voor het vasthouden van de eigen bevolking, is een groter aanbod betaalbare woningen nodig. Dit hoeft niet alleen gezocht te worden in nieuwbouw. Aanbod kan ook gecreëerd worden door doorstroming te bevorderen. Er zijn kansen voor de gemeente om zich te profileren als aantrekkelijke vestigingslocatie voor jongere huishoudens die weer terug willen naar Ommen en in de regio Zwolle werkzaam zijn. Zij zijn belangrijk voor de stabiliteit van de Ommer samenleving. Zij zitten in de gezinsfase en leveren vaak een bijdrage aan het sociale netwerk/verenigingsleven in de gemeente. Woningen met een gunstige prijs-kwaliteitverhouding kunnen hen verleiden terug te keren zodra zij in de gezinsfase belanden. De nabijheid van Zwolle en de hoge kwaliteit van de omgeving en van een aantal kernen, de goede voorzieningen en het redelijke prijsniveau, zijn aantrekkelijk voor deze huishoudens die bereid zijn om te reizen voor hun werk. Dit zijn merendeels huishoudens met een hoger inkomen (vanaf anderhalf keer modaal). Deze huishoudens zijn alleen bereid om te reizen, als zij een aantrekkelijke woning kunnen vinden in een onderscheidende woonomgeving. Dit vraagt om een sterk imago en het verstrekken van de woonkwaliteit, ook van het buitengebied.

5.4.3.5 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk woonbeleid Voorliggend initiatief voorziet in appartementen nabij voorzieningen in het centrum van Ommen. Hiermee worden meerdere doelgroepen bereikt, in het bijzonder senioren en starters. De appartementen dragen bij aan de woningbehoefte in de gemeente Ommen. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de ‘woonvisie Ommen 2015-2025’. 5.4.3

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid van de gemeente Ommen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp

HOOFDSTUK 6 6.1

OMGEVINGSVEILIGHEID

Algemeen

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 6.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan de hand van de externe veiligheidskaart van de Atlas van de Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rondom het plangebied. Op de kaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 6.1 is een uitsnede van de externe veiligheidskaart met daarop middels een rode ster de locatie van het plangebied weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp

Afbeelding 6.1

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat rondom het plangebied geen risico’s op het gebied van veiligheid zijn gelegen. Het dichtstbijzijnde risico bevindt zich op circa 320 meter. Het gaat hier om een zwembad aan de andere kant van de Vecht. Gelet op de afstand kan er gesteld worden dat het plangebied niet in het aandachtsgebied van de activiteit valt. Daarnaast is er geen sprake van opslag voor het bewerken en/of herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Ook is er geen sprake van het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). In de nabijheid van het plangebied is ook geen sprake van het exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Ten slotte ligt het plangebied ook niet in de nabijheid van een inrichting voor het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Er zijn geen (veiligheid) maatregelen nodig voor de realisatie van het project. 6.3

Conclusie

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp

HOOFDSTUK 7

BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

7.1

Vigerend beleid

7.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 7.1.2

Rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van het water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 7.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 7.1.4

Beleid Waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.

7.2

Wateraspecten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.

7.3

Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied

Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast. Het watertoets resultaat is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Met het voornemen is er rekening gehouden met veel groen rondom de bebouwing. Dit heeft het gevolg dat er sprake is van een forse afname van het verhard oppervlakte met circa 369 m², zoals ook te zien in abeelding 7.1. Het uitgangspunt is het hemelwater apart te scheiden en ter plaatse te infiltreren. In het huidige plan is het voornemen om in de groene binnenplaats het water te infiltreren. Hierbij wordt een overstort gerealiseerd op het naastgelegen gescheiden/gemengd stelsel. Voorgaande wordt nader besproken en uitgewerkt met de gemeente en het waterschap.

Afbeelding 7.1

Plattegrond, op basis van ontwerptekening, (on)-verhard oppervlak (Bron: Salverda Bouw BV)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp

7.4

Conclusie

Met voorliggend wijzigingsbesluit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp

HOOFDSTUK 8

BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU

Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • •

geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen.

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘duurzaamheid’ behandeld.

8.1

Geluid door activiteiten

8.1.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •

activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 8.1.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval worden er 30 appartementen gerealiseerd, dit zijn geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: • • •

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

Er is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2 voor dit onderzoek. Hieronder wordt kort ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies. Resultaten en conclusies akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai De geluidbelasting als gevolg van de gemeentelijke wegen bedraagt hoogstens 64 dB. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl. Wel wordt voldaan aan de grenswaarde van 70 dB uit het Bkl. Het gezamenlijk geluid bedraagt ten hoogste 64 dB Lden. Er is een gevelwering van minimaal 6433 = 31 dB benodigd om ter plaatse van de appartementen aan de binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning dient te worden beoordeeld of sprake is van voldoende gevelwering om ter plaatse van de appartementen een binnenniveau van 33 dB te waarborgen. In totaal wordt voor 18 appartementen niet voldaan aan de standaardwaarde, de overige appartementen voldoen wel. Ter plaatse van de appartementen is tevens sprake van één of meerdere geluidsluwe gevels, waardoor sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Met het inachtneming van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de appartementen. Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen bedrijventerrein aanwezig.

Wat betreft de invloed van de in de omgeving aanwezige individuele bedrijvigheid/voorzieningen voor de voorgenomen ontwikkeling wordt verwezen naar onderstaande alinea’s. Solitaire bedrijvigheid Indien door een ontwikkeling nieuwe gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende (milieubelastende) functies. Anderzijds mogen omliggende functies niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. In een rustige woonwijk komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca, en kleine bedrijven.

Ook lintbebouwing in het buitengebied kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangegeven deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten het betreffend perceel.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

omgevingstype

Richtafstanden tot gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

omgevingstype

Situatie plangebied Voorliggend voornemen wordt gerealiseerd binnen de bebouwde kom van Ommen nabij het centrum. In de omgeving zijn verschillende functies aanwezig. In onderstaande tabel zijn de omliggende functies inzichtelijk gemaakt. Functie

Milieucategorie

Richtafstand

Daadwerkelijke afstand

Takman IJzerwaren

2

30 meter

100 meter

Kantoor

1

10 meter

15 meter

Tankstation Shell (zonder LPG)

2

30 meter

101 meter

Alle functies liggen op meer dan voldoende afstand. Er is geen sprake van enige belemmeringen. 8.1.3

Conclusie

Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.2

Bodemkwaliteit

8.2.1

Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp • • • •

Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 8.2.2

Situatie plangebied

Op de locatie wordt de functie gewijzigd naar ‘wonen’. Dit betreft een bodemgevoelige functie. Zodoende is onderzoek naar de bodem nodig. Door Sigma b.v. is dan ook een verkennend bodemonderzoek een nader bodemonderzoek en een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Deze volledige onderzoeken zijn opgenomen als bijlage 3, 4 en 5 bij deze motivering. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusie uit de onderzoeken. Resultaten en conclusie verkennend onderzoek Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde monstermateriaal geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een vorm van bodemverontreiniging. Op basis van zintuiglijke waarnemingen is in het opgeboorde bodemmateriaal geen asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming). Bovengrondmonster MM1 bevat een verhoogd gehalte PAK’s (som 10) dat voldoet aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie. Bij berekening van de hoogst gemeten gehalten PAK’s m.b.v. de webapplicatie Concrit geldt voor het gebruik wonen met tuin dat voor benzo(a)pyreene de risico-index groter is dan 1. Op basis van de rekenkundige benadering levert het verhoogd gemeten gehalte PAK’s mogelijk een belemmering voor het gebruik als wonen met tuin.

Geadviseerd wordt om in eerste instantie het bovengrondmengmonster MM1 uit te splitsen en de afzonderlijke deelmonsters te onderzoeken op het gehalte PAK’s. Op basis van deze uitsplitsing kan worden beoordeeld of er sprake is van een puntbron of juist een diffuse verontreiniging. Wanneer na uitsplitsing in de afzonderlijke deelmonsters weer verhoogde gehalten PAK’s worden gemeten is een afperkend bodemonderzoek noodzakelijk. Voor het overige zijn in de bovengrond enkele stoffen verhoogd gemeten in gehalten die tenminste voldoen aan de maximale kwaliteit voor de bodemfunctie industrie, deze gemeten gehalten geven, naar onze mening uit milieuhygiënische overweging aanleiding tot het instellen van nader onderzoek. In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten gemeten t.o.v de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geldt, ten aanzien van de milieuhygiënisch kwaliteit van de bodem, mogelijk een belemmering voor het beoogde gebruik van de onderzoekslocatie. Echter, het is van belang te benadrukken dat het bevoegd gezag hierin de uiteindelijke beslissing neemt en hierbij beleidsmatige afwegingsruimte heeft, wat kan resulteren in een afwijkend besluit.

Resultaten en conclusie nader bodemonderzoek Het aanvullend onderzoek, de uitgevoerde uitsplitsing, heeft tot doel het verifiëren en lokaliseren van de verontreiniging en inzicht te verkrijgen in de aard en verspreiding van de aangetoonde verontreiniging met PAK’s in de bovengrond t.p.v. een deel van de onderzoekslocatie.

In de bovengrond rondom de grote zaal zijn enkele stoffen verhoogd aangetoond in gehalten die tenminste voldoen aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen. In de onderzochte ondergrondmonsters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond t.o.v. de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur. Ook geldt dat arseen niet verhoogd is aangetoond.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp In de bovengrond rondom de grote zaal zijn geen gehalten aan PFAS-verbindingen aangetoond boven de toepassingsnorm voor landbouw/natuur uit het handelingskader PFAS (bij toepassing oplandbodem, boven grondwaterniveau en buiten een grondwaterbeschermingsgebied). In het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 zijn verhoogde gehalten gemeten t.o.v. de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering. Het nader bodemonderzoek geeft geen aanleiding tot het instellen van nader onderzoek. Resultaten en conclusie aanvullend bodemonderzoek Ter plaatse van de inspectiegaten G1 t/m G5 is in de uitgegraven bovengrond (bodemlaag tussen 0.0- max. 0.5 m-mv), rondom de grote zaal, in de fractie >20 mm zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Het gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest in bovengrondmengmonster M1 (inspectiegaten G1 t/m G5) bedraagt <0.3 mg/kg d.s., het gemeten gewogen gehalte is niet verhoogd t.o.v. het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.) voor asbest. Het aanvullend bodemonderzoek geeft geen aanleiding tot het instellen van nader onderzoek. 8.2.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de bodem voldoende onderzocht is en geen belemmering vormt voor het voornemen.

8.3

Luchtkwaliteit

8.3.1

Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.

Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Aandachtsgebieden (toevoegen indien van toepassing in de gemeente) BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: • • • 8.3.2

bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Situatie plangebied

De ontwikkeling ziet toe op het realiseren van 30 appartementen, waarbij er een verkeerstoename is van 96 verkeersbewegingen. Gelet op de aard en de omvang van het project, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl) kan gesteld worden dat het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan luchtverontreiniging. 8.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.4

Geur

8.4.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 8.4.2

Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Situatie plangebied

De appartementen worden aangemerkt als geurgevoelig objecten. Binnen een afstand van 100 meter zijn geen geurbronnen aanwezig. 8.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.5

Trillingshinder

8.5.1

Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.

Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 8.5.2

Situatie plangebied

Het dichtstbijzijnde spoor ligt op circa 900 meter afstand van het plangebied. Dit is op meer dan voldoende afstand om uit te sluiten dat er geen schade als gevolg van trillinghinder ontstaat. Binnen het plangebied hoeft dan ook geen nader onderzoek plaats te vinden naar trillingshinder. 8.5.3

Conclusie

Vanuit het aspect trillingshinder is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp

8.6

Gezondheid

8.6.1

Algemeen

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 8.6.2

Situatie plangebied

Het project ziet toe op het realiseren van 30 appartementen en een ontmoetingsruimte binnen de bebouwde kom, dicht bij het centrum van Ommen. De woningen passen binnen de leefomgeving ter plaatse en voldoet aan de aspecten geluid, geur, trillingshinder, luchtkwaliteit en bodem. Het voornemen levert daarom concluderend geen (onevenredelijke) verslechtering op van de leefomgeving of omgevingskwaliteit. Er kan gesteld worden dat het voornemen bijdraagt aan het maatschappelijk doel uit artikel 1.3 Omgevingswet. 8.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp

HOOFDSTUK 9

BESCHERMING VAN DE NATUUR

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen het voornemen rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

9.1

Gebiedsbescherming

9.1.1

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

9.1.2

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 9.1.3

Situatie plangebied

Met het voornemen wordt bebouwing gesloopt en nieuwe bebouwing gerealiseerd. Het plangebied bevindt zich op circa 240 meter van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Vechten Beneden-Reggegebied’. Ten behoeve van het voornemen zijn, in het kader van de stikstofdepositie als gevolg van het project, twee AERIUS-berekeningen uitgevoerd. Deze bestaan uit een berekening voor de aanlegfase (realisatie voornemen) en een berekening voor de gebruiksfase (gebruik voornemen). Het volledige stikstofonderzoek, alsmede de bijbehorende bijlagen is toegevoegd als bijlage 6 bij deze motivering. Op basis van de resultaten en conclusies is ook een ecologische voortoets uitgevoerd welke toegevoegd is als bijlage 7 bij deze motivering. AERIUS-berekening Het onderzoek bestaat uit een berekening voor de aanlegfase (realisatie voornemen) en een berekening voor de gebruiksfase (gebruik voornemen).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp Aanlegfase Uit de Aerius berekeningen van de aanlegfase blijkt dat er rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden. Er vindt een tijdelijke depositie van 0.01 mol/ha/j plaats op nabij gelegen Natura 2000-gebied. Voor de bijbehorende salderingsberekening wordt verwezen naar de bijlage van het stikstofonderzoek. Gebruiksfase Uit de Aerius berekeningen van de nieuwe gebruiksfase blijkt dat er rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden. Er vindt een permante depositie van 0.01 mol/ha/j plaats op 1 hexagoon in het nabij gelegen Natura 2000-gebied. De nieuwe gebruiksfase veroorzaakt mogelijk sprake van een significante verslechtering. Een vergunning of een Voortoets Stikstof is noodzakelijk voor deze fase van het stikstofonderzoek. Ecologische voortoets Stikstofonderzoek De voorgenomen ontwikkeling leidt tot een tijdelijke toename van stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar gedurende maximaal één jaar op stikstofgevoelige natuur binnen het Natura 2000-gebied Vecht en Beneden-Reggegebied in de realisatiefase. Deze toename treedt op bij 3 habitattypen.

Daarnaast leidt de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een permanente toename van stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige natuur binnen het Natura 2000-gebied Vecht en Beneden-Reggegebied in de realisatiefase. Deze toename treedt op bij 2 habitattypen. Voor de gebieden waarbij sprake is van een (naderende) overschrijding van de Kritische Depositie Waarde (KDW) is onderzocht of deze zeer beperkte toename in stikstofdepositie zou kunnen leiden tot ecologisch relevante aantasting van de habitatkwaliteit of een verlies van het oppervlak van het stikstofgevoelige areaal. Op basis van een gebied specifieke beoordeling wordt geconcludeerd dat significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen – zowel voor de betrokken habitattypen als voor de kwalificerende soorten – met zekerheid kunnen worden uitgesloten. 9.2

Soortenbescherming

9.2.1

Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 9.2.2

Situatie plangebied

De huidige bebouwing wordt gesloopt. In en rondom het complex komen diverse beschermde diersoorten voor, waar rekening mee moet worden gehouden bij de uitvoering van de sloopwerkzaamheden. Er is een ontheffing Wet natuurbescherming benodigd hiervoor en deze is gekregen op basis van het Soortmanagementplan Vechtdal Wonen. De werkzaamheden worden uitgevoerd volgens het Ecologisch werkprotocol, opgenomen in bijlage 8. In het werkprotocol is beschreven welke acties en maatregelen noodzakelijk zijn om voor deze specifieke werkgebieden binnen de voorwaarden van de ontheffing te kunnen werken. Het is BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp belangrijk dat deze strikt worden opgevolgd om overtredingen te voorkomen. Indien dit leidt tot vragen of als er zich onverwachte situaties voordoen, dient zo snel mogelijk contact te worden opgenomen met de begeleidend ecologisch adviseur.

9.3

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen Ontwerp

HOOFDSTUK 10 10.1

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

10.2

Archeologie

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Er is door Laagland Archeologie een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek – verkennende fase uitgevoerd, welke is toegevoegd als bijlage 9. Uit het verkennend archeologisch onderzoek blijkt dat de bodem tot in de C-horizont is verstoord. De kans dat het gebied nog archeologische resten met een intacte archeologische context bevat wordt daarom laag geacht. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren. De gemeente heeft het plangebied vrij gegeven voor het aspect archeologie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16620511/1