CConstaterende datOmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Beerzerweg 26, motivering

Gemeenteraad 4 juni 2026, gemeente OmmenBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Beerzerweg19.557 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Door het omzetten van de agrarische functie naar een woonfunctie worden de karakteristieke gebouwen onderhouden en blijven deze behouden. De karakteristieke kenmerken van het beschermde dorpsgezicht worden zo versterkt en blijven behouden voor bewoners en toeristen. wordt er een woning toegevoegd aan de woningvoorraad. Ook worden er geen grote ingrepen op het erf gedaan, waardoor het karakteristieke perceel behouden blijft. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met het Gemeentelijk Omgevingsplan Ommen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

22

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld 5.3.3

Landschapsontwikkelingsplan (LOP)

5.3.3.1 Algemeen Het Landschapsontwikkelingsplan van de gemeente Ommen stamt uit 2011. De doelstelling van het LOP is om aan te geven hoe het landschap kan worden ontwikkeld, gebruikmakend van kwaliteiten en potenties. In het LOP wordt informatie gegeven omtrent het landschapsbeeld en cultuurhistorie van het landschap. Daarnaast worden kansen benoemd voor ontwikkeling van het landschap. In het Inspiratieboek behorend bij het LOP wordt aangegeven hoe de kenmerken behouden en versterkt kunnen worden door inpassing van bebouwing. Het doel is het inspireren van iedereen die bezig is met ruimtelijke plannen in het buitengebied van Ommen. Het inspiratieboek biedt ideeën ter verbetering van de kwaliteit van het buitengebied en vormt een kader waaraan de gemeente erfinrichtingsplannen toetst. 5.3.3.2 Plangebied Het plangebied ligt in het essenlandschap. Dit landschapstype ligt in de gemeente Ommen met name in en rond de kleine buurtschappen rond de Regge en de Vecht. Het essenlandschap betreft een aaneenschakeling van kleinere en grotere open ruimten, begrensd door bebouwing, kronkelende wegen rond essen, bomenrijen, singels, houtwallen en bos. Ze liggen vaak op de overgang van open uiterwaardengebied naar besloten bosgebied. In het LOP zijn de volgende kansen aangegeven: -

Versterken identiteit en ruimtelijke structuur van es- en kampenlandschap. Benutten van cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten ter versterking van recreatie en toerisme. Versterken biodiversiteit door herstel en uitbreiden beplantingsstructuren (houtwallen), akkerranden en in stand houden van rust en verblijfplaatsen voor zoogdieren en vogels (boerderijen en schuren).

5.3.3.3 Toetsing aan het LOP Voor het initiatief is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld. Hierbij is ook rekening gehouden met de het LOP. Met het plan wordt daarmee bijgedragen aan de doelstellingen van het LOP. Dit komt onder andere tot uiting door het versterken van de identiteit en ruimtelijke structuur door landschappelijke inpassing en het versterken van de landschappelijke en karakteristieke kwaliteiten. Het initiatief is daarmee in overeenstemming met het LOP. 5.3.4

Welstandsnota

5.3.4.1 Algemeen De welstandsnota biedt een beoordelingskader en is aanvullend op de bouwregel. In deze nota is gekozen voor verschillende niveaus van welstand. Deze niveaus verschillen per gebied. Binnen de gemeente zijn er drie niveaus van welstand van toepassing: Niveau 0 (laag), niveau 1 (midden) en niveau 2 (hoog). 5.3.4.2 Plangebied De locatie ligt in het beschermd dorpsgezicht. Voor dit gebied ‘agrarische bebouwing op de esflank’ gelden de volgende uitgangspunten: -

Beschermd dorpsgezicht met zeer gave originele agrarische bebouwing in authentieke setting. Beerze bestaat uit vrijliggende boerenerven en een enkele burgerwoning rondom de bochtige Beerzerweg. Sterk landelijk karakter. Traditionele boerderijen met veel oorspronkelijke kenmerken liggen enigszins geclusterd en divers georiënteerd langs de weg.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld De ambitie is hier om: -

Versterken van de structuur, schaal en maat. Hierbij de individuele kwaliteit afstemmen op de structuur van de esflank. Extra aandacht voor zorgvuldige detaillering en materiaal. Extra aandacht voor afleesbaarheid van het voor- en achterhuis bij verbouw tot woning.

5.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota In dit geval worden er geen nieuwe gebouwen gerealiseerd. De bestaande karakteristieke gebouwen zullen opgeknapt worden en de boerderij zal als woning gebruikt gaan worden. Hierdoor zal de verwaarsloosde uitstraling verminderd worden. Het erf zal landschappelijk worden ingepast in het landelijke karakter. Daarnaast zal een schuur, die geen karakteristieke waarde heeft, worden gesloopt. Hierdoor zal het erf nog beter passen in het beschermde dorpsgezicht. Het opknappen van de karakteristieke gebouwen zal in overleg met het Oversticht en de gemeente gebeuren. 5.3.5

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld

HOOFDSTUK 6 6.1

OMGEVINGSVEILIGHEID

Algemeen

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. 6.2

Situatie in en bij het plangebied

De risico's ten aanzien van externe veiligheid zijn in te zien in onderstaande afbeelding. Het plangebied is aangegeven met de rode omlijning.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld

Afbeelding 6.1 Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas leefomgeving) Binnen het plangebied zijn geen buisleidingen of andere risicobronnen aanwezig. Ook ligt het plangebied niet binnen aandachtsgebieden of veiligheidszones. 6.3

Conclusie

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld

HOOFDSTUK 7

BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

7.1

Vigerend beleid

7.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 7.1.2

Rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 7.1.3

Provinciaal beleid Overijssel

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 7.1.4

Beleid Waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Vechtstromen is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan het gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.

7.2

Wateraspecten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.

7.3

Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied

Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale wateradvies. De uitkomst van het wateradvies is opgenomen in Bijlage 2. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de 'Korte procedure' van toepassing is. Dit houdt in dat het voornemen een geringe invloed heeft op de waterhuishouding.

Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. Er vindt een afname plaats van het verharde oppervlak doordat er een schuur wordt gesloopt. Het plangebied bevindt zich tevens niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Hemelwater kan ter plaatse infiltreren in het plangebied, dit geldt ook voor hemelwater wat op het bebouwd oppervlak valt. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Op 1 november 2024 heeft waterschap Vechtstromen het verzoek om een wateradvies ontvangen. De ruimtelijk relevante wateraspecten van dit plan zijn gering en tijdelijk van aard. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen dit plan.

7.4

Conclusie

Met voorliggend wijzigingsbesluit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld

HOOFDSTUK 8

BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU

Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • •

geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen.

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘duurzaamheid’ behandeld.

8.1

Geluid door activiteiten

8.1.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat).

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 8.1.2

Situatie plangebied

Met het voornemen wordt een nieuwe woning mogelijk gemaakt in de boerderij. Daarnaast krijgt de bestaande (agrarische) woning een woonfunctie. Hiermee is sprake een het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: • • •

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

In dit geval ligt de boerderij binnen het geluidsaandachtsgebied van de Beerzerweg. Ook ligt het binnen het geluidsaandachtsgebied van omliggende wegen Beerzerpoort, Beerzeresweg, Boonakkerweg en Schapenweg. Het dichtstbijzijnde spoorlijn ligt op circa 800 meter afstand, waarmee het plangebied buiten het geluidsaandachtsgebied van de spoorlijn ligt. Er is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Uit dit onderzoek volgt dat geluid als gevolg van de gemeentelijke wegen hoogstens 48 Lden bedraagt. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 Lden uit het Bkl. Dit betekent dat er in voorliggend geval sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning.

Industrielawaai Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een gezoneerd industrieterrein. Het aspect 'industrielawaai' is dan ook niet aan de orde.

Solitaire bedrijvigheid In de nabijheid van het plangebied is er geen sprake van solitaire bedrijvigheid die van invloed zijn op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. In de omgeving liggen enkel woonpercelen. Andersom kan worden geconcludeerd dat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd als gevolg van het toestaan van de beoogde activiteiten. Het woonplan ligt ruim buiten de richtafstand geluid van bedrijven. 8.1.3

Conclusie

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect geluid.

8.2

Bodemkwaliteit

8.2.1

Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: • • •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld 8.2.2

Situatie plangebied

Om te beoordelen of de bodem geschikt is voor het gewenste gebruik (woonfunctie), is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 4 van deze motivering. Hieronder wordt kort ingegaan op de resultaten. Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Gehele locatie In de bovengrondmengmonsters en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen boven de interventiewaarde. In het grondwatermonster is een lichte verhoging zink aangetroffen. Voormalige dieseltank In het bovengrondmengmonster BM4 zijn geen verhogingen aangetroffen. grondwatermonster Pb1wm1 zijn geen olie gerelateerde verhogingen aangetroffen.

In

het

Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond. Druppelzones Ter plaatse van de druppelzones zijn twee inspectiesleuven gegraven. In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond.

Conclusie Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 8.2.3

Conclusie

Uit het onderzoek blijkt dat de bodem geschikt is voor de woonfunctie. Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.3

Luchtkwaliteit

8.3.1

Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: • • • 8.3.2

bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Situatie plangebied

Het voornemen is om in de boerderij een woning te ontwikkelen. Hierbij wordt het gehele voormalige agrarische erf omgezet naar een woonfunctie. De boerderij werd als vakantiewoning gebruikt, maar staat al enige tijd leeg. Ook is er geen sprake van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Externe werking In de vorige paragraaf zijn voorbeelden gegeven van projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De omvang van dit plan is veel kleiner dan deze voorbeelden. Het plan is met één woning beperkt van omvang. De bijdrage fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofoxiden (NOx) van verkeersbewegingen van en naar de woning is als niet in Betekende mate te beschouwen. De voormalige agrarische functie komt te vervallen, waardoor het plan een positieve bijdrage levert aan de luchtkwaliteit. Interne werking Van belang is ook te beoordelen of het woon- en leefklimaat geschikt is voor de nieuwe woonfunctie. In de omgeving van het plan bevinden zich geen industriële bedrijven met relevante bijdrage van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofoxiden (NOx). In de omgeving liggen wel enkele rundveebedrijven met een beperkte emissie van fijnstof: • • •

Een vleeskalverenbedrijf op het adres Marsdijk 9 Beerze op 460 meter van het plan, met een fijnstofemissie (PM10) van 18.678 gram/jaar; Een melkrundveebedrijf aan de Marsdijk 2 op 670 meter van het plan met een fijnstofemissie (PM10) van 15.600 gram/jaar en en melkrundveebedrijf aan de Marsdijk 4 op 630 meter een fijnstofemissie (PM 10) van 26.222 gram/jaar.

Met een toets aan de vuistregel van de handreiking veehouderij en fijnstof is te zien dat de bijdrage fijnstof van deze bedrijven op de planlocatie ruim onder de drempelwaarde NIBM (< 3% grenswaarde BKL) liggen. Achtergrondwaarden Op de grootschalige Concentratie en depositiekaart Nederland (GCN) is te zien dat in het km2-vak van de planlocatie de achtergrondwaarden voor fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) ruim voldoen aan de concentratiegrenswaarden van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL art. 2.4 en 2.5). Ook aan de lagere (niet-wettelijke) advieswaarden van de WHO wordt voldaan, uitgezonderd een beperkte overschrijding van de WHO-advieswaarde voor fijnstoffractie PM2,5. Zie ook onderstaande tabel. Achtergrondwaarde GCN µg/m3 prognose jaar 2030 NO2 PM10 PM2,5

5,6 12,2 5,8

Grenswaarde BKL Jaargemiddelde µg/m3 40 40 25

WHO - Advieswaarde µg/m3 10 15 5

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld 8.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.4

Bedrijven en milieuzonering

8.4.1

Algemeen

Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Voor de toetsing aan milieuzonering onder de Omgevingswet is in oktober 2024 een nieuwe VNG-Handreiking “activiteiten en milieuzonering” gepubliceerd. In deze handreiking wordt niet meer gesproken over richtafstanden maar zones waar op de grens een bepaalde geluidnorm of geurnorm van toepassing is. Er wordt daarbij alleen nog getoetst aan geur en geluid. Bij inpassing of wijziging van bedrijfsbestemming wordt getoetst of deze op de zonegrens kan voldoen aan de geluidnorm en geurnorm. De andere milieu aspecten stof en gevaar worden in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving voldoende geregeld en worden daardoor niet meer opgenomen in de nieuwe handreiking. Bij beoordeling van de ligging van nieuwe woonplannen of andere milieugevoelige functies ten opzichte van buiten het plan gelegen bedrijfsactiviteiten en bedrijfsbestemmingen kan wel nog worden getoetst aan de richtafstanden van de VNG-handreiking 2009. In bijlage 1 van de VNG -handreiking 2009 wordt een basislijst gegeven met verschillende bedrijfsactiviteiten, installaties en opslag van stoffen, ingedeeld in een milieucategorie en worden voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar richtafstanden gegeven tot woningen of andere gevoelige bestemmingen. Wanneer er wettelijke grenswaarden en afstanden gelden zijn die leidend boven de VNG-richtafstanden. 8.4.2

Situatie plangebied

Het plan ligt ten opzichte van bedrijven ruim buiten de VNG-richtafstanden voor geluid, stof en gevaar. Voor geur van veehouderijen geldt, in plaats van een toetsing aan de VNG-richtafstand voor geur, de wettelijke aan te houden afstand van het BKL. Voor geurgevoelige objecten in het buitenbied is deze afstand 50 meter. Aan deze vaste afstand wordt voldaan. De dichtstbij gelegen veehouderij ligt op 460 meter van de woning. Los van de afstand toets, blijft het wel nog van belang om te beoordelen of voor het plan voor geur een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. Zie hierna toegelicht in de volgende paragraaf. 8.4.3

Conclusie

Aan VNG-richtafstanden voor geluid, stof en gevaar wordt voldaan. Aan de wettelijke afstand van 50 meter van het BKL voor geur van veehouderijen tot (ruimte voor ruimte) woningen op de locatie van een beëindigde veehouderij wordt eveneens voldaan. Wel is van belang nog te beoordelen of voor de nieuwe woonfunctie voor geur sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit wordt in de volgende paragraaf gedaan.

8.5

Geur

8.5.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 8.5.2

Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Situatie plangebied

De nieuwe woning in de boerderij is een nieuw geurgevoelig gebouw. De bestaande woning die ook een woonfunctie krijgt, is al geurgevoelig ten opzichte van omliggende geurbelastende activiteiten. Vaste afstand In de directe omgeving (circa 400 meter rondom) zijn geen veehouderijen aanwezig. Voor grondgebonden veehouderijen geldt in het buitengebied een vaste afstand van 50 meter (artikel 5.112, Bkl). De agrarische bedrijven liggen dus op voldoende afstand. Woon- en leefklimaat Behalve de toets aan de afstand, is het van belang ook te beoordelen of voor de nieuwe woonfunctie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het dichtstbijzijnde intensieve veehouderij is de Marsdijk 9. De Marsdijk 9 is planologisch gezien een intensieve veehouderij, echter lijkt het feitelijk te gaan om een grondgebonden veehouderij. Deze ligt op 463 meter afstand van de boerderij. Het betreffende vleeskalverenbedrijf heeft vergunning voor het houden van 849 vleeskalveren, waarvan 527 dieren in overige huisvesting en 322 dieren in een stal met mechanische ventilatie en chemische luchtwasser. Met een totale geuremissie van 26.799 ouE/s en een afstand 463 meter is een voorgrondbelasting op de planlocatie globaal in te schatten tussen de 2 en 3 ou E/m3.

Hiermee wordt ruim voldaan aan de geurnorm van 14.0 ouE/m3 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving voor geurgevoelige objecten buiten bebouwde kom in een aangewezen concentratiegebied Meststoffenwet. Voor de beoordeling van woon- en leefklimaat kan gebruik worden gemaakt van de kwalificaties voor geur uit de GGD-richtlijn 2002 die zijn overgenomen in de bijlagen 6 en 7 van de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij. Zie onderstaande tabellen:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld

Bij een toets aan deze tabellen is te zien dat bij een voorgrondbelasting tussen de 2 en 3 ouE/m3 in een concentratiegebied een percentage van 6 tot 8 % geurhinder is te verwachten, waarbij sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Rondom het plangebied liggen meerdere woonpercelen, deze gelden als maatgevend voor omliggende agrarische bedrijven. De agrarische bedrijven worden niet belemmerd door dit plan. Er wordt geconcludeerd dat in het plangebied geen sprake is van geurhinder. Er zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 8.5.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.6

Trillingshinder

8.6.1

Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. 8.6.2

Situatie plangebied

Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een spoorlijn. De spoorlijn ligt op circa 800 meter van het plangebied. Van enige hinder als gevolg van trillingen is dan ook geen sprake. 8.6.3

Conclusie

Het aspect 'trillingen' vormt geen belemmering voor dit plan.

8.7

Gezondheid

8.7.1

Algemeen

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 8.7.2

Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen

Op agrarische grond waarop gewassen mogen worden geteeld, kunnen gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Deze zorgen ervoor dat planten, groente of fruit beschermd worden tegen schimmels, insecten en andere plagen. Verspreiding van deze gewasbeschermingsmiddelen (door de wind) kan tot gezondheidsproblemen leiden. Er zijn geen regels in de wet die bepalen dat een bepaalde afstand tot agrarische grond moet worden aangehouden. In de rechtspraak wordt als vuistregel een afstand van 50 meter tussen de agrarische grond en gevoelige functies, zoals woningen, aangehouden. Dit wordt een spuitzone genoemd. De 50 meter vuistregel uit jurisprudentie is een indicatieve afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Bij het bepalen of een spuitzone van toepassing is, geldt de maximale planologische invulling. Bij de beoordeling van de vraag of (al dan niet) een spuitzone moet worden aangehouden, moet niet worden gekeken naar het feitelijke gebruik maar naar hetgeen planologisch maximaal is toegestaan. Bij de ontwikkeling van een nieuwe gevoelige functie nabij agrarische percelen, is het dus allereerst van belang om te weten wat de maximale gebruiksmogelijkheden van dat agrarische perceel op basis van het omgevingsplan zijn.

Laat dat omgevingsplan de teelt van gewassen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (onbeperkt) toe? In de meeste gevallen is dit zo tenzij het telen van gewassen via bijvoorbeeld een aanduiding expliciet is uitgesloten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld 8.7.3

Situatie plangebied

Wat betreft de voorgenomen ontwikkeling wordt vermeld dat deze bijdraagt aan het welzijn en de gezondheid van de bewoners van het plangebied. Er wordt een schuur gesloopt en het perceel wordt kwalitatief verbeterd. Groenvoorzieningen en buitenruimtes stimuleren lichamelijke activiteit, sociale interactie en algemeen welzijn, wat ook bekend staat als positieve gezondheid. De agrarische bedrijfsactiviteiten op de locatie zijn al enige tijd gestaakt, waardoor de luchtkwaliteit ter plaatse verbeterd. Door het voornemen zijn agrarische activiteiten ook niet meer mogelijk. De bewoners en omwonenden zullen in de toekomst geen hinder ondervinden van bedrijfsmatige activiteiten op deze plek. De woonfunctie heeft geen negatieve impact op de omgeving. Op basis hiervan wordt benadrukt dat de beoogde ontwikkeling een positief effect zal hebben op de gezondheid van zowel de bewoners als de omwonenden. Wat betreft de gezondheid van de (toekomstige) bewoners kan het volgende worden gemeld. Rondom het plangebied zijn agrarische gronden aanwezig. Hier is fruitteelt, boomteelt en bollenteelt niet toegestaan conform de huidige agrarische functie van die gronden. Dit houdt in dat de gewasbeschermingsmiddelen voor fruitteelt niet in de nabijheid van het plangebied gebruikt worden. Fruitteelt wordt verticaal bespoten, wat leidt tot een grotere kans op verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen.

Voor akkerbouwgewassen wordt met name neerwaarts gespoten, wat de kans op drift aanzienlijk verminderd. Bij het verbouwen van gras is sprake van weinig driftrisico, omdat laag bij de grond wordt gespoten. Dit geldt ook voor maïs, omdat alleen bestrijdingsmiddelen kunnen worden gebruikt in de periode (circa 8 weken) tussen zaaien en volledige grondbedekking. Hierbij is dus ook weinig driftrisico. Verder wordt opgemerkt dat ook niet-chemische bestrijdingsmiddelen beschikbaar zijn en dat ook kan worden gewerkt met mechanische onkruidbestrijding. Een deel van de agrarische gronden nabij het plangebied zijn onderdeel van de KGO investering, zie tevens het ruimtelijk kwaliteitsplan. Deze gronden zullen gebruikt gaan worden voor extensieve teelt, waarbij geen spuitgewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden. Tot slot kan worden opgemerkt dat de nieuwe woning in de voormalige boerderij al gebruikt werd als recreatiewoning. Bij het bespuiten van de gewassen dient de gebruiker van de gronden reeds rekening te houden met bescherming van de betreffende (recreatie)woning. Ook zijn er reeds andere burgerwoningen in de rondom de agrarische gronden aanwezig. De agrariër is daarmee al beperkt in het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De nieuwe woonfunctie beperkt de agrariër daarmee niet meer dan in de huidige situatie.

Twee uitspraken van de raad van State bevestigen dit Hierin is het volgende gesteld: ECLI:NL:RVS:2023:4331. De Afdeling is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat op beide tuinpercelen kan worden gegarandeerd. De Afdeling wijst daarbij op de omstandigheid dat [appellante] bij het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen al rekening moet houden met het woon- en leefklimaat op het direct aan de kas grenzende perceel aan de [locatie 2] en de omstandigheid dat deze woonbestemming in dezelfde zuidelijke richting ligt als de twee bij de plattelandswoning behorende percelen en deze twee percelen verder van de kas gelegen zijn dan het direct aan de kas grenzende perceel aan de [locatie 2]. De Afdeling betrekt daarbij voorts dat een plattelandswoning een lager beschermingsniveau geniet dan een perceel met de bestemming "Wonen". ECLI:NL:RVS:2023:3128. Op dit moment staat er in het plangebied al een burgerwoning. De rest van het plangebied wordt gebruikt als tuin en dat gebruik is planologisch ook toegestaan.

Dit betekent dat [appellante] in de huidige situatie al wordt beperkt in haar bedrijfsvoering, in die zin dat, als zij gewasbeschermingsmiddelen gebruikt binnen 50 m van het plangebied, zij kan worden geconfronteerd met klachten van de bewoners van de huidige woning. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen heeft het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan niet in de weg gestaan. Met die bevoegdheid is de komst van een extra woning in beginsel aanvaardbaar geacht. Door het wijzigingsplan komt er een woning bij maar wordt het gebied met een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie niet uitgebreid. In zoverre zijn de omstandigheden in deze zaak al anders dan die in de door [appellante] genoemde uitspraak van 25 januari 2023. De extra woning zal niet leiden tot een verdere beperking van de bedrijfsvoering van [appellante]. Daarbij komt dat [appellante] geen inzicht heeft gegeven waar, wanneer en in welke mate zij gewassen teelt. Zij beschikt over veel gronden waar gewassen kunnen worden geteeld zonder dat zij daar wordt gehinderd in haar bedrijfsvoering. Daarom ziet de Afdeling niet in dat het wijzigingsplan een reële beperking voor de bedrijfsvoering van [appellante] met zich brengt. Er kan hiermee worden aangenomen dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld 8.7.4

Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

8.8

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

8.8.1

Algemeen

Een duurzame ruimtelijke ontwikkeling voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder dat daarmee de behoeften van toekomstige generaties in gevaar worden gebracht. Dit betekent dat de ontwikkeling plaatsvindt binnen de grenzen van het ecosysteem en dat er aandacht is voor de verdeling van welvaart en de veerkracht van het sociaal-maatschappelijke systeem. Concreet gaat het onder andere om het op efficiënte en verantwoorde wijze gebruiken van ruimte, water, energie en grondstoffen binnen een planontwikkeling, op basis van een lange termijn visie waarbij rekenschap is gegeven aan de behoeften van toekomstige gebruikers en de effecten van de planontwikkeling op de fysieke leefomgeving. 8.8.2

Situatie plangebied

Ten aanzien van duurzaamheid wordt gesteld dat er sprake is van karakteristieke gebouwen die gerenoveerd worden. Bij het verbouwen van de boerderij en opknappen van de schuren zal zoveel mogelijk energieneutraal verbouwd worden. Echter ligt de nadruk op het behoud van de karakteristieke elementen. De verbouwing zal in afstemming met de gemeente en het Oversticht gebeuren. Door het slopen van de schuur neemt de verharding binnen het plangebied af. Hierdoor is er meer ruimte voor groen in het plangebied en is er meer ruimte voor waterberging. Er worden bomen geplant die zorgen voor schaduwwerking. Bovendien wordt binnen voorgenomen ontwikkeling (de mogelijkheid tot) agrarische bedrijvigheid gestaakt, waardoor (de kans op) bijbehorende negatieve milieueffecten ook wordt ingeperkt. Op basis van het bovenstaande wordt opgemerkt dat het plangebied in de beoogde situatie een meer klimaatadaptieve en duurzame invulling krijgt. 8.8.3

Conclusie

Vanuit de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptatie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld

HOOFDSTUK 9

BESCHERMING VAN DE NATUUR

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen het voornemen rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

9.1

Gebiedsbescherming

9.1.1

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

9.1.2

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 9.1.3

Situatie plangebied

Natura 2000-gebieden Het plangebied grenst aan het Natura 2000-gebied ‘Vecht- en Beneden-Reggegebied’. Dit gebied ligt ten zuidwesten van het plangebied. Ten behoeve van het voornemen is, in het kader van de stikstofdepositie, een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze bestaat uit een berekening voor de aanlegfase (realisatie voornemen) en een berekening voor de gebruiksfase (gebruik voornemen). Het rapport is opgenomen in Bijlage 5. Uit de berekeningen blijkt: -

Dat met betrekking tot de aanlegfase sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Echter blijkt dat als gevolg van de aanwezige NOx emissie veroorzakende activiteit reeds sprake is van stikstofdepositie (agrarische activiteiten). Deze depositie vervalt permanent als gevolg van het voornemen. Wanneer de (tijdelijke) depositie als gevolg van de aanlegfase tegenover de depositie als gevolg van de aanwezige activiteit wordt gezet (intern salderen) is per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr., waardoor als gevolg van de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld

-

aanlegfase geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Dat met betrekking tot de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Echter blijkt dat als gevolg van de aanwezige NOx emissie veroorzakende activiteit reeds sprake is van stikstofdepositie. Deze depositie vervalt permanent als gevolg van het voornemen. Wanneer de (tijdelijke) depositie als gevolg van de gebruiksfase tegenover de depositie als gevolg van de aanwezige activiteit wordt gezet (intern salderen) is per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr., waardoor als gevolg van de gebruiksfase geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

NNN-gebieden Het plangebied naast het NNN. Het Natura 2000-gebied ‘Vecht- en Beneden-Reggegebied’ is eveneens een NNN-gebied. Vanwege de kleine schaal van het project en de functie (wonen) is een negatief effect op beschermde gebieden op voorhand uit te sluiten. Daarbij komt dat er geen nieuwe gebouwen gerealiseerd worden. Enkel de bestaande gebouwen worden gebruikt en opgeknapt. Daarom kan worden gesteld dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN als gevolg van de voorliggende ontwikkeling.

9.2

Soortenbescherming

9.2.1

Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 9.2.2

Situatie plangebied

Binnen het plangebied wordt een schuur gesloopt. Ook worden er ruimtelijke ingrepen gedaan die van invloed kunnen zijn op beschermde soorten. Er is daarom een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze is als bijlage 6 bijgevoegd. Uit deze quickscan blijkt dat in het plangebied mogelijk algemene, kleine zoogdieren voorkomen waarvoor een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ingrepen. In de boerderij kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen, vogels zonder vaste nestplaats en vaste nestplaatsen van huismus aanwezig zijn. Een negatief effect op deze soorten is niet aan de orde omdat geen fysieke ingrepen aan de boerderij worden gepleegd. Broedsels van vogels zonder vaste nestplaats kunnen verder in de opgaande begroeiing voorkomen. Van de overige soortgroepen is de aanwezigheid van beschermde soorten uit te sluiten of het plan heeft geen negatieve effecten op deze soorten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld Bij renovatie- en rooiwerkzaamheden tijdens het broedseizoen kan sterfte en verstoring van broedsels optreden. Daarom dienen deze ingrepen buiten het broedseizoen plaats te vinden tenzij een inspectie uitwijst dat geen broedsels aanwezig zijn. In de periode van 1 september tot 1 maart is de kans op broedgevallen gering.

9.3

Conclusie

Het voornemen ligt niet binnen beschermde gebieden. Het plan is gering en de functie wonen heeft geen negatief effect op beschermde gebieden. Wanneer de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, houdt het voornemen voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld

HOOFDSTUK 10

10.1

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

10.2

Archeologie

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. 10.2.1 Situatie plangebied Het plangebied kent op basis van het bestemmingsplan “Kleine Kernen” een dubbelbestemming voor archeologie namelijk 'Waarde - Archeologische verwachting'. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is dan noodzakelijk bij het bodemingrepen groter dan 2.500 m2. In voorliggend geval is daar geen sprake van. Geconcludeerd wordt dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek dus niet noodzakelijk is.

10.3

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •

ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

10.3.1 Situatie plangebied Rondom het plangebied liggen woonpercelen die zijn aangeduid als rijksmonumenten. Daarnaast heeft het buurschap Beerze een beschermd dorpsgezicht. Het kenmerkend karakter van een esgehucht is goed zichtbaar in de boerderijen en het patroon van wegen en paden. Kenmerkend is de sterke structurele en visuele relatie tussen nederzetting en het landschap. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Beerze, Beerzerweg 26 Vastgesteld Het plangebied zelf is niet aangemerkt als monument. Het plangebied heeft in het bestemmingsplan ‘Kleine Kernen’ de bestemmingen ‘beschermd dorpsgezicht’ en de boerderij heeft daarbij nog de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’. De boerderij wordt gezien als karakteristiek gebouw met cultuurhistorische waarden. Er is door het Oversticht een quickscan monumentale waarden gedaan. Deze is als bijlage 7 bijgevoegd. Aan de hand van deze quickscan is het plan nader uitgewerkt. Zo worden de karakteristieke kenmerken van het dorpsgezicht behouden. Het plan zal dan ook bijdragen aan de cultuurhistorische kwaliteiten van het gebied. De karakteristieke gebouwen zullen met dit plan hun cultuurhistorische waarde behouden. Door het nieuwe gebruik (wonen) blijven de gebouwen onderhouden en daarmee behouden. Het opknappen van de gebouwen zal worden gedaan in samenspraak met de gemeente en het Oversticht. De aanduiding met betrekking tot de cultuurhistorische waarden zal met dit plan behouden blijven.

10.4

Bescherming van het cultuurhistorisch landschap

Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen. 10.4.1 Situatie plangebied Het plangebied ligt in een afwisselend landschapsbeeld gevormd door kleine en grote ruimten, begrensd door bomenrijen, bebouwing, singels, houtwallen en bos. Er zijn kleine buurtschappen aanwezig, die een sterke verbondenheid hebben met het landschap zijn kenmerkend voor historie van de gebieden. De bebouwing is geclusterd in een buurtschap. Oude erven en het landschap zijn sterk met elkaar verweven. In het ruimtelijk kwaliteitsplan (bijlage 1) is uiteen gezet hoe het cultuurhistorische landschap wordt behouden met de erfinrichting. De opzet van het bestaande erf en bebouwing zal worden versterkt middels enkele toevoegingen aan de erfinrichting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16910738/1