CConstaterende datOldenzaal
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Transcriptverslag van de Gemeente Oldenzaal Gemeenteraad 2025.07.07

Gemeenteraad 22 september 2025, gemeente OldenzaalBij agendapunt: Vaststellen notulen van de vergadering van 7 juli 202560.654 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

En dat accorderen is gebeurd in een forum – op mijn verzoek aangevraagd – waar de stemming was, dat het … Het is wel een mooi getal, maar er werd ook letterlijk gezegd, het is maar een getal en niet zeker. Dus op het moment dat we het gaan uitwerken, moeten we kijken waar Oldenzaal werkelijk behoefte aan heeft. Is dat aan een 35.000 inwoners of is dat aan een 65.000 inwoners? De toekomst zal het leren. De voorzitter: Ik denk dat het voor het verslag goed is om op te merken dat u niet euro's bedoelde, maar inwoners bedoelde. U zei het euro's, maar u bedoelde … De heer Van der Waal: Ik heb het over mensen inderdaad, niet over euro’s. Excuseer. De voorzitter: Precies. Dat past ook bij uw betoog. Ik zie de heer Bouwman nog een tweede keer. Gaat uw gang. De heer Bouwman: Ik ga het kort houden. Ik ben het helemaal met u eens. Dus die mag ook genoteerd worden.

De voorzitter: Dan is dat het geval. Dank u wel, mijnheer Van der Waal. d. CDA De voorzitter: En dan ga ik door naar het CDA. Mijnheer Maartens. De heer Maartens: Dank u wel, voorzitter. Laat ik beginnen met de uitspraak dat het CDA Hart voor Oldenzaal blij is dat in de kadernota ruimte ontstaat om een aantal zware ingrepen van maatschappelijke organisaties te faseren en in vier jaren af te bouwen. Dat geeft deze organisaties de tijd en de mogelijkheid om zich in stappen voor te bereiden op de uiteindelijke afbouw. Fijn dat het Rijk ons gedeeltelijk tegemoet is gekomen door extra financiële middelen. Wat ons betreft is dat niet genoeg. We roepen het college dan ook met klem op de lobby van de VNG voor structureel extra middelen te blijven steunen. Zelf zullen we dat ook onder de aandacht brengen van het landelijke CDA. En wij roepen bij deze collega's van andere partijen met landelijke verbindingen om hetzelfde te doen. Goed trouwens om in de begroting te laten zien dat er toch in het laatste jaar weer een tekort ontstaat. Het sociaal domein is nog steeds de grootste kostenpost in onze begroting en vraagt alleen daarom al aandacht. Ik val in herhaling als ik zeg dat we echt werk moeten gaan maken van het masterplan sociaal domein om geïndiceerde zorg zo veel mogelijk te reduceren door tijdige actie.

Dat betekent dat het de hoogste tijd is om de centrale toegang goed en adequaat te regelen, waarin integraal werken en het uitgangspunt ‘één plan, één regisseur’ eindelijk gerealiseerd wordt. De vraag is dan ook: Hoe is de planning voor de realisatie van de Ganzenmarkt 11, wanneer is de opening? En om dat integraal werken te bereiken, moeten we naast de realisatie van dat sociaal-maatschappelijk hart van Oldenzaal aan de Ganzenmarkt 11 ook toewerken naar één robuuste organisatie voor sociaal werk in Oldenzaal. We roepen het college op te blijven werken aan die realisatie. Gelukkig wordt in Oldenzaal serieus werk gemaakt van preventief armoedebeleid. De inzet op het voorkomen van schulden bij jongeren begint zijn vruchten af te werpen. Het aantal deelnemers groeit snel. Vroegsignalering werkt. Steeds meer inwoners komen tijdig in beeld, zodat we kunnen helpen zonder maatwerkvoorzieningen in te hoeven zetten. Preventie doet wat het moet doen: voorkomen dat problemen verergeren en uitmonden in langdurige, kostbare trajecten en verdient dus een stevige basis. Dat kost geld. Het armoedebeleid is op papier prima uitgewerkt, maar er zijn geen financiën aan gekoppeld. Daarom ontbreek de slagkracht om echt het verschil te maken. Gevolg daarvan is, dat we mogelijk jongeren met schulden niet meer allemaal kunnen helpen.

Dat de stichting Leergeld nee moet verkopen, omdat alles wat noodzakelijk is duurder wordt. En de doelgroep groeit, omdat de gemeentelijke cofinanciering van het jeugdeducatiefonds voor het basisonderwijs onder druk komt te staan. Het begint nu financieel te wringen, juist omdat het preventieve beleid werkt. Daarom dienen wij een motie in met het volgende dictum: “In 2026, 2027 en 2028 jaarlijks een bedrag van 100.000 euro in de begroting op te nemen om preventief armoedebeleid – en dan doel ik dus op de dingen die ik net genoemd heb – te intensiveren en dit te dekken uit de algemene reserve; in het eerste kwartaal van 2027 en 2028 de raad te informeren over waar het geld aan besteed is en wat dat oplevert; en doordat preventie werkt deze kosten vanaf 2029 te dekken uit de reguliere budgetten omdat we dan minder maatwerkvoorzieningen nodig hebben. Wonen. We hebben het vaak over wonen. De voorzitter: Voordat u verdergaat op uw volgende thema, zie ik een aantal interrupties. Allereerst de heer Bouwman. De heer Bouwman: Dank u wel. De motie. Ik snap de bedoeling van het CDA, maar ik meen mij te herinneren dat we ook nog een armoedefonds ooit in het leven hebben geroepen. En ik zou toch graag van het college straks willen weten, hoe het met dat armoedefonds staat, voordat we deze in stemming brengen. Ik snap wel

dat dit aan de voorkant bedoeld is om preventief armoede te voorkomen, maar ik zou toch graag even wat meer informatie willen hebben over hoe het nu staat met het armoedefonds. De heer Maartens: Dat beschouw ik als een vraag aan het college. De voorzitter: Precies. Dat mag u. Dan kom ik bij de heer Van der Waal. De heer Van der Waal: Dank u, voorzitter. Ik vind het een heel sympathieke motie. En u weet, hier in de raad is het sympathiek. Maar dan zijn er toch wel ernstige vragen. Want u wilt het armoedebeleid intensiveren. Hebt u daar een plan voor of ideeën welke kant het op moet gaan? Ik ben absoluut voor het bestrijden van armoede, maar het geld dat daarvoor moet worden uitgegeven, moet wel efficiënt worden uitgegeven. Vandaar dat ik vraag: Is daar een plan voor? De voorzitter: Mijnheer Maartens. De heer Maartens: Volgens mij heb ik het woord intensiveren niet gebruikt. Ik heb alleen gezegd, we armoedebeleid hebben waar we geen budget aan gekoppeld hebben. En ik denk dat we dat alsnog moeten doen. De voorzitter: Ik zie nog een microfoon aanstaan bij de heer Van de Waal. Ik weet niet of hij nog behoefte heeft aan … De heer Van der Waal: Voorzitter, … De voorzitter: Gaat uw gang. De heer Van der Waal: Ik heb gelezen, misschien niet voldoende goed geluisterd, dat … Hier staat ‘armoedebeleid te intensiveren en dit te dekken uit de algemene reserve’.

Dus toch blijf ik de vraag stellen: Is intensiveren bedoeld? Of in ieder geval er gaat 100.000 euro naar het potje. Dat moet dan op een efficiënte manier worden uitgegeven. Hoe ziet u dat voor zich? De voorzitter: Mijnheer Maartens. De heer Maartens: De heer Van der Waal bedoelt u het woord intensiveren bij ‘roept het college op’. Als we aandacht willen besteden aan alle bijvoorbeeld jongeren, dan zullen wij extra geld nodig hebben. Dat bedoel ik. Als we alle jongeren willen, dat bedoel ik met intensiveren in dit geval. De voorzitter: Dank u wel. Dan zie ik volgens mij de heer Mekelenkamp. Mijnheer Mekelenkamp. De heer Mekelenkamp: Voorzitter, twee aan elkaar gekoppelde vragen eigenlijk. Sympathieke motie. Dit keer bedoel ik sympathiek als zijnde echt werkelijk sympathiek. De heer Maartens heeft het over preventief armoedebeleid. Dan neem ik aan, dat hij een beeld heeft van wat gaat dit opleveren, opbrengen, wat zijn de resultaten? Misschien dat de portefeuillehouder daar zo wat dieper op in kan gaan. En de laatste. De vraag is … “Doordat preventie werkt” bij het laatste punt van zijn oproep. Is dat een ‘doordat’ of moet het een ‘indien’ zijn? De voorzitter: Mijnheer Maartens.

De heer Maartens: Dat moet zeker geen ‘indien’ zijn. Preventie werkt. Ben ik ook van overtuigd. Ik niet alleen. Gelukkig zijn ook wetenschappers daarvan overtuigd. En moet ik even kijken, wat was de eerste vraag? De voorzitter: Mijnheer Mekelenkamp. De heer Mekelenkamp: Dat ging over de resultaten, maar ik denk dat de portefeuillehouder daar zo meteen … De heer Maartens: De resultaten wilde ik ook wel iets over zeggen. Het allermoeilijkste om nu resultaten te geven, is als je zegt we willen preventie, we hebben er geen geld voor over en vervolgens moet je toch een resultaat halen. Als je preventie wilt, moet je geld erin steken en dan moet je het vertrouwen hebben, dat preventie daadwerkelijk kan werken. En het mooiste is, dat we nu bewijzen hebben, zeker als het gaat om die schulden bij jongeren, dat preventie gewoon werkt. De voorzitter: Ik zie dat de heer Maartens u ruimte geeft door een stilte te laten vallen. Mijnheer Mekelenkamp. De heer Mekelenkamp: Voorzitter, als deze vorm van preventie werkt, dan zouden we als raad gek zijn, mochten we deze motie niet willen gaan steunen. De voorzitter: Mijnheer Maartens. De heer Maartens: Dank u wel. Wonen. We hebben het in deze raad vaak over wonen. De ambitie om tot 2030 jaarlijks honderd woningen te bouwen is natuurlijk prachtig.

Duidelijk is ook dat het lang niet genoeg is, om op lange termijn echte groei van het aantal inwoners te realiseren. Vraag: Kan het college vertellen, wat we daar nog extra voor moeten doen en op welke termijn dat gerealiseerd kan worden? Wij denken ook trouwens dat er nog laaghangend fruit is. Hebben al eerder vragen gesteld over het opsplitsen van bestaande woningen in twee of meer zelfstandige woonunits. Dat kan zowel voor jongeren als voor ouderen interessant zijn. We hebben de indruk dat er tot nu toe niet echt aan gewerkt is. Vraag: Kan het college aangeven wat er nu aan gebeurt? En, misschien nog wat belangrijker, wanneer we hier echt mee aan de slag gaan? Het tweede laaghangend fruit. Er wonen best veel ouderen in grotere woningen die ook prima geschikt zouden zijn voor jonge gezinnen. Er zijn in het land projecten waar ouderen actief benaderd worden over hun woonsituatie. Dat betekent niet dat we de ouderen hun huis uit moeten praten, maar we kunnen wel in gesprek gaan. Dat kan helpen de doorstroming te bevorderen. Vraag: Hoe denkt het college over een dergelijk project en ziet het college nog meer laaghangend fruit? Ik wil hier nog iets zeggen over jong en oud. Het kwam net aan de orde bij de WG. De Walgaarden, een bekende plek in deze stad, we hebben het daar al vaker over gehad, we hebben het ook al vaker benoemd, daar wonen alleen maar ouderen.

Het zou zo mooi zijn, als we juist op dat soort plekken kunnen realiseren dat daar wat menging in komt, zodat jong en oud ook nog iets voor elkaar kunnen betekenen. De voorzitter: Voordat u doorgaat naar het volgende onderwerp kom ik bij de heer Bouwman voor een interruptie. Mijnheer Bouwman. De heer Bouwman: Dank u wel. U heeft het over een project. Maar ik ben dan toch even benieuwd, wat is dat voor project? Wat verstaan we onder dat project? Kunt u dat verduidelijken? De voorzitter: Mijnheer Maartens.

De heer Maartens: Ik heb het over een project? Ik heb alleen iets gezegd over het opsplitsen van woningen. En over een project? Ja, een project om met ouderen in gesprek te gaan. Daar gaat het om. Als je niet in gesprek gaat, kom je nergens. Als je in gesprek gaat, kun je resultaat bereiken. De voorzitter: Mijnheer Bouwman. De heer Bouwman: Dank u wel. U vraagt wat het college van een dergelijk project vindt. Maar is het alleen met ouderen in gesprek gaan? Want ik kan ook met ouderen in gesprek gaan. “Goh, woont u hier nog prettig?” Maar zit er ook een doel achter vanuit de gemeente? Want dat is wel heel belangrijk om te weten, wat u dan daarmee bedoelt. De voorzitter: Mijnheer Maartens. De heer Maartens: Met ouderen in gesprek gaan over woon jij nog op de goede plek? Is dit iets waar jij oud wilt worden, oud kunt worden? En daarmee niet, dat zei ik net heel bewust, niet mensen uit huis jagen, maar wel met hun in gesprek gaan om te kijken, is er niet iets mogelijk, waardoor wij jouw grote huis beschikbaar krijgen en die doorstroming op de markt in gang krijgen. De voorzitter: Ik zie nog een interruptie van de heer Van der Waal. Mijnheer Van der Waal. De heer Van der Waal: Voorzitter, ik vind het een heel sympathieke oproep. Ik woon zelf in een asociaal groot rijtjeswoninkje.

Ik voel me daar gelukkig en ik ga er niet uit, omdat ik dan een ongelooflijke dief van mijn eigen portemonnee ben. En ik spreek niet alleen voor mezelf, maar ook voor de andere mensen van vergelijkbare leeftijd. Ik ga er pas uit op een moment dat ik werkelijk de trap niet meer op kan. Wat ziet u als oplossing voor het financiële probleem bij het verkassen van een bestaande woning naar een nieuwe woning, die ongetwijfeld veel duurder is? De voorzitter: Mijnheer Maartens. De heer Maartens: Ik kan mijzelf als voorbeeld gebruiken. Wij hadden een kolossaal groot huis op een kolossaal grote kavel. We hebben er bewust voor gekozen toen wij wat ouder werden van, willen wij dit nog en hoelang willen wij dat nog? Wij kiezen ervoor om ons huis te verkopen en een ander huis te kopen. Daar wordt niemand slechter van, daar wordt niemand beter van. Maar wij zijn blij met die plek en degene die nu in ons oude huis woont, is heel blij met die plek. Dat is precies wat ik bedoel. En als u dus een eigen woning hebt, zou ik zeggen, mag ik mij niet mee bemoeien, maar zou ik zeggen: verkoop hem en kijk eens of je ergens een leuk appartement kunt kopen, waar veel minder gedoe mee is. De voorzitter: Ik ga naar de heer Winkelhuis, want die wil op hetzelfde onderwerp ook nog een interruptie plaatsen. Mijnheer Winkelhuis. Mag ik nog één keer een oproep doen? Alstublieft, de telefoons echt op stil.

Geldt voor alle kanten van de tafel. Mijnheer Winkelhuis. De heer Winkelhuis: Voorzitter, dank u wel. Ik ben ook een van die oude mensen inmiddels en ik zou heel graag een keer met de heer Maartens in gesprek gaan. Maar mijn vraag zou dan zijn: Maar mijnheer Maartens, heeft u dan voor mij een alternatief bij mij op de Essen waar ik nu woon? Want dat is natuurlijk voor heel veel oudere mensen zoals ik de volgende vraag. Dan wil ik het nog niet eens over de financiën hebben. Want volgens mij kom je daar ook wel uit. Maar het gaat erom van, je wilt graag een geschikte woning weer terug op de plek waar je ongeveer een heel deel in ieder geval van je leven gewoond hebt.

De voorzitter: Mijnheer Maartens. De heer Maartens: U raakt de spijker op zijn kop in dit geval. Want dat is, denk ik, het grootste probleem op onze woningmarkt. En dat is tegelijkertijd ook een oproep naar het college: Als wij gaan bouwen, laten we alsjeblieft goed kijken naar dit soort dingen en laten wij als raad daar ook maar kaders aan meegeven. De voorzitter: Mijnheer Winkelhuis. De heer Winkelhuis: Op zich wel sympathiek, zo’n project, maar je kunt nu wel met mij gaan praten, maar als ik geen alternatief heb – en dat is er dus op dit moment veel te weinig –, dan weet ik niet of zo'n gesprek wel zinvol is. Maar goed, we gaan het er straks nog over hebben. De heer Maartens: Dat laat ik in het midden. Voor u misschien niet, voor anderen misschien wel. De voorzitter: Ik zie nog één interruptie voordat u verdergaat. U heeft een populair onderwerp te pakken. Mijnheer Bouwman. De heer Bouwman: Dank u wel. Dat is exact, denk ik, het hele probleem waarom de woningmarkt op slot zit op het moment. Er wordt hier ook wel eens in de raad het adagium gebezigd van, bouwen, bouwen, bouwen. Maar bent u het met mij eens, dat we slimmer moeten bouwen? Dat we bouwen moeten naar behoefte en niet zozeer naar kwantiteit? De voorzitter: Mijnheer Maartens. En dan mag u daarna verdergaan met uw betoog. De heer Maartens: Daar heb ik nooit anders over gedacht, eerlijk gezegd.

Ik denk dat je altijd moet bouwen wat de markt nodig heeft. En ik beweer al heel lang – niet in deze kring, maar in andere kringen – bouw vooral op dit moment voor ouderen, zodat jongeren meer kansen krijgen in een andere huisvesting. Maar ik weet dat het op sommige plekken ook vloeken in de kerk is. Dus ik ben wat voorzichtig. Dan ga ik verder, voorzitter. Binnenstad. Ontwikkelingen zijn wat ons betreft positief. Atmosfeer, uitstraling, bezoekersaantallen. Stadsnoabers en Oldenzaal Promotie doen goed werk. Wel een vraag. Er zouden meer blauwe parkeerplaatsen komen om kort parkeren te faciliteren. Ik weet dat veel mensen daar gebruik van maken. Wanneer wordt dat gerealiseerd? We snappen de noodkreet van Oldenzaal Promotie, dat het niet mogelijk is om met de huidige bezuiniging de huidige werkzaamheden te kunnen voortzetten. Daarom dienen wij samen met VVD en WG een motie in, om ook in deze situatie een afbouw toe te passen. Wat ons betreft moet er dan ook duidelijkheid komen over welke taken Oldenzaal Promotie daarvoor uitvoert. We hebben schriftelijke vragen gesteld over speelplekken in de stad. We hebben nog geen antwoord, maar we bedoelen wel echt speelplekken in de stad. Dat bevordert voor kinderen en dus ook voor ouders, leefbaarheid en levendigheid in de stad. Vraag: Wanneer krijgen we een antwoord en wanneer gaan we hiermee aan de slag? Sport.

Het is goed dat ook de extra kosten voor sport gefaseerd ingevoerd worden. Zorgen zijn er zeker nog bij de buitensportverenigingen. Dan gaat het vooral om de onzekerheid over de harmonisatie en het onderzoek dat daarvoor moet plaatsvinden. Ook hier weer een vraag. Kunnen we de onrust wegnemen? En op welke termijn is dat onderzoek klaar? En een tweede. De verenigingen hebben met hun leden de afspraak dat ze de contributie met maximaal 2 procent per jaar verhogen. Het zou mooi zijn, als we een vaste indexatie kunnen invoeren voor sportverenigingen. Vraag: Is het college bereid de mogelijkheden voor een vaste indexatie te onderzoeken? De voorzitter: Interruptie van de heer Van der Waal. Mijnheer Van der Waal.

De heer Van der Waal: Voorzitter, ik begrijp dat verenigingen hun contributie niet met hele grote percentages willen verhogen, omdat het leven al duur genoeg is. Maar een vaste verhoging van slechts 2 procent per jaar, waar de inflatie 3 procent is, lijkt me wat aan de lage kant. Dus ik ben bang dat de verenigingen zich hier zelf op slot gezet hebben. Daarbij hoor ik dat de verenigingen, althans dat zeiden ze zo, dat ze dat percentage in de statuten hebben opgenomen. Kan me dat haast niet voorstellen. Maar dit percentage is een mooie belofte aan de leden, maar lijkt me veel te laag. De voorzitter: Mijnheer Maartens. De heer Maartens: Dat kunt u vinden. Het is een vraag van mij aan het college of het college bereid is te onderzoeken of ze dat wil doen voor een bepaald percentage. En als het college zegt, 2 procent vind ik niet goed, maar anderhalf wel of 3 wel, dan hoor ik dat wel. Dus ik kan u daar geen antwoord op geven. De voorzitter: Gaat u verder. De heer Maartens: Dan nog heel even. Oldenzaal heeft een heel goed functionerende jeugdraad. Ik herinner mij, dat wij als CDA daarbij aan de wieg stonden. Daarmee bereiken we jeugd van 12 tot 18 jaar. En we bereiken nog niet de kinderen in de basisschoolleeftijd. Wij hadden een motie voorbereid om een kinderburgemeester in deze stad aan te stellen.

We hebben dat vorige week besproken met de jeugdraad en dat overleg heeft ons doen besluiten die motie niet in te dienen en het initiatief op dit moment bij de jeugdraad te laten. Nog een laatste opmerking over nieuw beleid. Wij kunnen ons verder vinden in de voorstellen van het college. Wij zijn blij met de structurele bijdrage voor BoesCool55+ van 20.000 euro. Dat is een perfecte aanvulling op de activiteiten van BoesCoolFit en BoesCoolTuur. De organisatie heeft ons overtuigd van hun bereik en de resultaten als het gaat om BoesCool55+. Tot zover. De voorzitter: Dank u wel. Ik kijk nog even rond. Levert niets op. Dus dat betekent dat we ‘dank u wel’ kunnen zeggen … e.

GroenLinks De voorzitter: … en doorgaan naar GroenLinks en dat is de heer Snijders. Mijnheer Snijders, aan u het spreekgestoelte. Rustig aan, zou ik zeggen. Als u klaar bent, dan krijgt u het woord. Op de knop drukken. U bent, geloof ik, nog niet ingelogd. Nu nog eens proberen. Kijk, daar staat het goed. Harry Snijders. Daar bent u. Gaat u verder. De heer Snijders: Voorzitter, mijn bijdrage aan deze kadernota gaat over preventie en de mogelijkheid van bijsturen, oftewel KPI’s. We beloven in te zetten op preventie. Denk aan het masterplan sociaal domein, een integraal beleidskader sociaal domein, het raadsprogramma en ook de kadernota. Maar de feitelijke uitgaven sinds 2020 laten eerder een tegenovergesteld beeld zien. We doen dus niet wat we beloven. Voor ons is preventie van groot belang, omdat het persoonlijke ellende voorkomt en daarnaast kosten kan besparen. Preventie is in veel gevallen simpelweg een goedkope manier om geluk te organiseren. Als we de speerpunten uit de kadernota – ik ga nu naar de kadernota – ‘groen’ goed aanpakken, winnen we misschien opnieuw een prijs en worden we uitgeroepen tot de groenste stad van Nederland. Ik weet niet of dat het geval gaat zijn, maar u krijgt alvast … De voorzitter: O, u heeft al een prijs. Volgens mij is het de bedoeling om hem uit te pakken. Dat zal ik bij dezen doen.

De heer Snijders: Dan heeft u hem in ieder geval binnen. De voorzitter: En volgens mij de mensen thuis … Dank u wel. Gaat u verder met uw betoog, want het gaat wel van de tijd af. De heer Snijders: Daar was ik bang voor. Ik moet op zich tijd genoeg hebben. Even kijken. Ik wil me vooral richten op het derde speerpunt, ‘Meer samenwerken aan meedoen voor iedereen’. Daaronder valt de inzet op preventie. En preventie was in 2021 ook het uitgangspunt van het masterplan sociaal domein, zoals ik net zei. In dat plan staat helder omschreven dat we willen voorkomen dat mensen afhankelijk worden van zorg of worden doorgeleid naar zwaardere zorg. Je zou dan ook verwachten dat preventie een serieuze plek krijgt in de financiële keuzes van deze kadernota. Het tegendeel lijkt eerder waar: in plaats van te investeren in preventie … We doen wel wat investeringen, maar er wordt ook flink bezuinigd en dit hebben we aangetoond met cijfers die het college zelf afgelopen maandag heeft aangeleverd. De voorzitter: Voordat u verdergaat, ik zie een interruptie van de heer Van der Waal. Mijnheer Van der Waal. De heer Van der Waal: Voorzitter, u was een beetje afgeleid door het ontvangen van een onverwachte prijs die u vervolgens keurig hebt opgeborgen.

Ik wil de spreker vragen: Waarom geeft u de gemeente, via de burgemeester, een prijs als groenste gemeente, terwijl u voortdurend formuleert, dat Oldenzaal nog niet groen genoeg is? In sommige gevallen hebt u gelijk. In sommige gevallen vind ik het wat te ver gaan. Maar u geeft de prijs nu al uit. Wat is daar de reden van? Wat is de aanleiding daartoe? De voorzitter: Mijnheer Snijders. De heer Snijders: Gewoon omdat wij een sympathieke partij zijn en misschien volgend jaar bij de kadernota niet meer bestaan. De voorzitter: Mijnheer Snijders. De heer Snijders: Studio15 is een preventief project voor jongeren tussen de twaalf en de dertig jaar gericht op talentontwikkeling via kunst en cultuur. Het draait al succesvol in Hengelo, Enschede en Almelo. Daar moet je eens gaan kijken. Is hartstikke mooi. Oldenzaal is in 2022 gestart met een pilot. Die pilot is in 2024 geëvalueerd en de conclusie was, dat Studio15 een succes is. Om in Oldenzaal door te kunnen gaan met Studio15 is 98.000 euro nodig en in de kadernota staat maar 40.000 opgenomen. Het lijkt dat het niet een inhoudelijke, maar een boekhoudkundige afweging is geweest. Op basis van een vraag van het politiek forum, afgelopen maandag, het is financieel kloppend, maar inhoudelijk onjuist. Wat ons betreft is dat de omgekeerde wereld.

In zowel de raadsinfobrief voor het opstarten van de pilot als in de evaluatie staat dat het college vasthoudt aan het idee, dat Impuls en Kaliber cofinanciering moeten regelen. Deze organisaties hebben herhaaldelijk aangegeven dat dit voor preventief werk, zoals Studio15, niet realistisch is. Deze signalen hebben wij als GroenLinks gemist. Daarom onze vraag aan de wethouder: Wanneer en hoe is dit signaal van Kaliber en Impuls doorgeleid naar de raad? GroenLinks wil dat Studio15 wordt voortgezet en daarvoor dienen wij een amendement in samen met de PvdA en verhogen de structurele subsidie van 40.000 naar 98.000 euro. In de uit te werken begroting mag dit verschil wat ons betreft drukken op het eindresultaat. Wij geloven dat deze investering op termijn ook besparing op zorg zal opleveren, waarmee het verschil mogelijk wordt opgevangen. Tijd genoeg. Dan kan ik ook nog zeggen: Als het college liever dekking zoekt in een reserve of een bezuiniging elders, behalve op preventie, zijn we daar ook voor in. En als dit allemaal niet mogelijk blijkt, dan vinden we zelfs een verhoging van ozb acceptabel om Studio15 voort te zetten. Als je gelooft in preventie, moet je lef hebben. Je zou ook

kunnen stellen dat Kaliber en Impuls het maar gewoon voor die 40.000 moeten doen. Maar dat is de omgekeerde wereld en dan neem je partners gewoon niet serieus. Bijvoorbeeld een jeugdwerker dansles laten geven, lijkt ons gedoemd te mislukken. Ik mis hier een stukje. Ik hoorde van de WG dat zij in gaan zetten op jeugdzorg. Dat vinden ze belangrijk, dus ik verwacht hun steun eigenlijk. Dan even terug op de rekenkamerrapport uit 2021. De voorzitter: Voordat u verdergaat, zie ik nog de heer Van der Waal. Dat heeft waarschijnlijk betrekking op het stuk wat u net behandeld heeft. Mijnheer Van der Waal. De heer Van der Waal: Exact, voorzitter. Ik dacht dat er nog een alinea ging komen, dus ik aarzelde in te drukken of nog niet in te drukken. Ik ben heel blij dat u zich sterk maakt voor Studio15. Ik ben er absoluut voor. Alleen u en eerder het CDA benadrukken dat deze preventie loont. Ik ben er ook van overtuigd, maar het is een geloven dat. Een heel sterk geloven dat. Kunt u op basis van cijfers of andere studies aantonen dat het inderdaad rendabel is in financiële zin? Of is het inderdaad nog steeds een geloof wat u hebt? De voorzitter: Mijnheer Snijders. De heer Snijders: Dat keihard met cijfers onderbouwen lukt niet bij preventie, maar dat is bij heel veel zaken het geval.

Als je bijvoorbeeld een verbouwing doet van het stadhuis, omdat je denkt dat je daarbij een betere werkgever bent, kun je dat ook niet met cijfers aantonen. Wat je wel kunt aantonen, is wat de kosten zijn geweest tijdens de pilot en wat een verwachting is van de kosten voor het doorzetten. En als je dan kijkt wat de kosten per persoon zijn, dan zei hij, als je kijkt in het algemeen naar dit soort preventieve maatregelen, binnen de marges. Dus mag je er redelijk op rekenen dat het goed komt. Maar dat geldt voor eigenlijk alles wat de gemeente doet. Het kan geen kwaad om de Rekenkamer af en toe te vragen om dingen voor het licht te houden. Maar dat is niet alleen voor Studio15. Dat zou je ook moeten doen voor Twents Zilver, dat zou je voor de verenigingen moeten doen, dat zou je voor de voetbalvereniging moeten doen en dat geldt eigenlijk voor alle subsidies. Bijvoorbeeld wat je aan Oldenzaal Promotie wilt geven. Dat moet je af en toe allemaal gewoon tegen het licht aanhouden, of dat terecht is. De voorzitter: Mijnheer Van der Waal. De heer Van der Waal: Voorzitter, ik ben inderdaad sterk voor het regelmatig evalueren, maar dan ook door een onafhankelijke partij van de efficiency van maatregelen. Want er wordt soms getwijfeld aan de efficiency van preventiemaatregelen. En op een moment dat ze niet efficiënt genoeg zijn of efficiënter kunnen, moeten we dat zeker doen.

Ik zal u steunen in het voortzetten van Studio15 op onze eigen manier uiteraard. Maar dat gaan we dan in de pauze verder bespreken. De voorzitter: Mijnheer Snijders. De heer Snijders: Lijkt me een heel goed plan. En misschien kunnen we als uitzondering op de leeftijdsgrens samen een keer een hiphopdingetje maken bij Studio15. Als het nog bestaat natuurlijk. De voorzitter: Deze hebben we trouwens genoteerd. De heer Snijders: Ik wilde dus even terugkomen op … De voorzitter: Deze toezegging hebben we genoteerd.

De heer Snijders: Mooi. U mag mee met de trompet. Ik wil nog graag even terugkomen op het rekenkamerrapport uit 2021 over het gebruik van prestatie-indicatoren in onder andere Oldenzaal. In de kernconclusie van het rapport staat: “De raden van de gemeenten zijn met de inzet van de huidige prestatieindicatoren nog onvoldoende in staat om een kaderstellende en controlerende rol te vervullen.” Daarvan hebben wij in op 28 juni 2021 een motie ingediend over het gefaseerd invoeren van meer prestatieindicatoren. Buiten de wettelijk verplichte, want die staan er wel in. De motie werd unaniem aangenomen. Helaas is de uitvoering daarvan gestrand met slechts extra prestatie-indicatoren bij één onderdeel. Wij horen graag van de wethouder hoe zij anno 2025 aankijkt tegen dit rapport van de Rekenkamer. Is de wethouder bereid om de motie alsnog verder uit te voeren? Krijgen wij in de op te stellen begroting meer prestatieindicatoren en duidelijke resultaatafspraken, of blijft het, zoals we helaas gewend zijn, bij een begroting waarin onze controlerende taak ernstig wordt bemoeilijkt door het ontbreken van meetbare doelen? De voorzitter: Ik zie een interruptie van de heer Mekelenkamp en aan mijn rechterzijde ook. Ik begin eerst bij de heer Mekelenkamp. De heer Mekelenkamp: Voorzitter, ik was benieuwd.

De heer Snijders geeft aan dat hij preventie heel belangrijk vindt, maar dat daar meetbaarheid niet nodig is. Tegelijkertijd verwacht hij wel van de portefeuillehouder dat zij een volledig meetbare KPI-gedreven begroting opstelt. Is dat niet meten met twee maten? De voorzitter: Mijnheer Snijders. Als de heer Van der Waal, als u uw knopje uit en dat geldt ook voor de heer Bouwman. Ik heb u allebei gezien. Dan kan de heer Snijders zijn antwoord geven op de heer Mekelenkamp. De heer Snijders: Het lijkt meten met twee maten, maar u maakt een kleine detailopmerking. Ik verwacht niet dat in de begroting KPI’s op elk detail staan. Ik verwacht dat er meer KPI’s in staan. En voor sommige dingen is dat heel moeilijk. De KPI’s is geen doel op zich, het doel is de controleerbaarheid. En je hebt eigenlijk alleen maar een mogelijkheid om te controleren als je van tevoren afspreekt wat het resultaat moet zijn. Als u een huis gaat bouwen en u zegt: “Zet daar een huis neer” en u komt er en het blijkt een tiny house te zijn en u had een grote villa verwacht, dan heeft u een verkeerde afspraak gemaakt. De voorzitter: Mijnheer Mekelenkamp. De heer Mekelenkamp: Voorzitter, ik hoor de heer Snijders zeggen dat hij graag wil controleren, daar KPI’s voor wil gebruiken. Ik neem de opmerking van de heer Van der Waal net ook mee.

Wij willen graag gaan controleren in hoeverre wij preventie die we inzetten of die werkt. Dan zou toch het logisch lijken, dat ook hierbij gewoon KPI’s eerst nodig zijn voordat wij hier geld gaan investeren? De voorzitter: Mijnheer Snijders. De heer Snijders: Laten we dat in de begroting dan opnemen. De voorzitter: Dan ga ik nu naar de heer Van der Waal. De heer Van der Waal: Dank u wel, voorzitter. U vraagt aan het college wat zij gaan doen of hoe zij denken over de prestatie-indicatoren. U geeft tegelijkertijd aan, de motie is unaniem door deze raad aangenomen. En u ziet dat dat niet is uitgevoerd. Is het niet beter dat u deze vraag aan de raad stelt, die in feite in de kou gezet is door het niet voldoen aan deze unaniem aangenomen motie?

De voorzitter: Mijnheer Snijders. De heer Snijders: Dat is natuurlijk een uitstekende vraag. Ik heb er zelfs over nagedacht om de motie gewoon opnieuw in te dienen. Misschien dat de meeste mensen hem vergeten waren en dan weer voor of tegen hadden gestemd, om te kijken gewoon hoe de sfeer in de raad is. Maar ik heb ook gemerkt in het presidium, waarbij ik aanbied om te helpen bij het opstellen van KPI’s, dat het enthousiasme van de leden van het presidium niet zo heel hoog is. Vind ik vreemd. Je neemt een motie aan en vervolgens zeg je: “Laat maar zitten.” Maar ik zou de vraag hier ook wel aan de … Ik neem hem in het volgende presidium mee. De voorzitter: Dan zie ik de heer … Niet. Oké, dan gaat u verder met uw betoog. Volgens mij zijn we dan met dit … Mijnheer Snijders. Volgens mij bent u bij het laatste deel van uw betoog. De heer Snijders: Ruim de tijd. Terug naar de preventie. Ik heb hier de focus gelegd op Studio15, maar er is natuurlijk veel meer aan preventie te doen en andere partijen dienen daar ook heel veel moties voor in. En die gaan we natuurlijk steunen als er goede argumentatie onder zit. Als we echt willen dat iedereen meedoet, als we echt gaan voor meer geluk, laten we dan doen wat we beloofd hebben in onze plannen. Niet alleen in woorden, maar vooral in daden. Laten we ook helder omschrijven wat die daden zijn.

Doen we dat niet, dan kunnen we veel besparen door al die plannen gewoon achterwege te laten. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Ik zie nog één interruptie van de heer Visscher. Mijnheer Visscher. De heer Visscher: Dank u wel, voorzitter. Ik heb toch nog één vraag aan de heer Snijders. Dat gaat over het stukje cofinanciering van Impuls en Kaliber. Ik begrijp uit uw tekst, dat de organisaties hebben aangegeven dat dat niet realistisch is. Vraag 1: Bent u het daarmee eens? Vraag 2: Waarom is dat niet realistisch? De voorzitter: Mijnheer Snijders. De heer Snijders: Ik ben, net zo goed als ik bij heel veel dingen die worden opgegeven, niet op de stoel ga zitten van Kaliber en Impuls. Ik ben ook geen expert op dat gebied. Ik heb alleen gevraagd van, hoe zit dat eigenlijk? Hoe is dat traject verlopen? Wat is in de pilot gezegd? Wat is bij de evaluatie gezegd? En toen heeft Impuls mij dus gezegd dat ze telkens hebben aangegeven, dat voor dit soort preventie cofinanciering moeilijk is. En ik kan mij voorstellen dat, als je een voetbalvereniging hebt, dan kun je een bord aan de muur hangen van Jumbo Kuipers of van een andere partij, dat maakt niet uit, en die geven daar een beetje geld voor. Bij Studio15, ik verwacht niet dat Jumbo Kuipers daar een bordje neer gaat zetten ‘Haal de boodschappen bij ons’ en dan vervolgens 40.000 euro lapt. De voorzitter: Mijnheer Visscher.

De heer Visscher: Waarom niet? De voorzitter: Mijnheer Snijders. En dan hoop ik dat we tot een afronding kunnen komen. De heer Snijders: Misschien moet ik die vraag gewoon aan Impuls en Kaliber stellen. Maar als een organisatie … In eerste instantie neem ik ze serieus. Dat is net zo … Kijk ik even naar het stadhuis. Daar komt een bepaalde begroting uit wat we nodig hebben. Ik ben niet naar de architect gegaan en gezegd, teken eens even uit. Ik ga meedenken en dan zeg ik, daar wat weg, daar wat weg, daar wat weg. Ik ben op dat gebied geen specialist, dus ik ga uit van het vertrouwen in een partner. Ik kan niet alles controleren en ik controleer ook niet alles.

De voorzitter: Ik zie nog één keer de heer Visscher en ik heb ook de heer Van der Waal genoteerd staan. Mijnheer Visscher, tot slot. De heer Visscher: Het grappige is dat de verenigingen in Oldenzaal, dat zijn allemaal amateurs, die lukt het wel om extra inkomsten te genereren. Maar met een huis – ik heb laatst de jaarrekening van zowel Impuls als Kaliber bekeken – een ongeveer een gemeentehuis vol met personeel zit, die dat op professionele manier kunnen invullen. Dus ik vind het eigenlijk wel teleurstellend dat u daar zo makkelijk overheen stapt. De voorzitter: Ik weet niet of de heer Snijders daar nog op wil reageren? De heer Snijders: Ja. Dan is Impuls geen faire partner als ik vragen stel, want dan geven ze gewoon geen eerlijk antwoord. Dan hebben we een veel groter probleem. Dan zou ik de hele subsidie stoppen. De voorzitter: Dan ga ik naar de heer Van der Waal. Mijnheer Van der Waal. De heer Van der Waal: Voorzitter, dank u wel. De 98.000 euro is bedoeld om Studio15 open te houden in de uiterst beperkte uren die het nu open is. Dat is twee dagdelen per dag. Op het moment dat daar cofinanciering bij komt, dan stel ik voor om dat te investeren om de openingstijden wat te vergroten, om daarmee het bereik voor de jeugd groter te maken en de efficiency van Studio15 ook te verbeteren. Hoe denkt u daarover? De voorzitter: Mijnheer Snijders.

De heer Snijders: Dat vind ik een heel goed plan en ik denk dat wij samen dat hiphopnummer op cofinanciering moeten storten. Dat wordt een hit. Dan krijgen we het geld gewoon binnen. f.

VVD De voorzitter: Dan ga ik nu naar de VVD. Ik kom bij de heer Mekelenkamp. Mijnheer Mekelenkamp. En ook voor u geldt tien minuten. De heer Mekelenkamp: Voorzitter, het voelt bijzonder om hier vanmiddag te mogen staan. Mijn eerste kadernota als fractievoorzitter van de Oldenzaalse VVD, een rol die ik vervul met een gevoel van trots en verantwoordelijkheid. Niet alleen als politicus, maar vooral als Oldenzaler in hart en nieren. Oldenzaal is de plek waar ik alles geleerd heb en voornamelijk wat samenwerken echt betekent. Verantwoordelijkheid nemen, ruimte krijgen om jezelf te ontwikkelen en iets willen doen voor de gemeenschap. En deze overtuiging heeft ervoor gezorgd dat ik de politiek in wilde. Diezelfde overtuiging breng ik vanmiddag mee, want Oldenzaal verdient het dat wij ons niet verschuilen achter onderzoeken en processen, maar daadwerkelijk te durven kiezen en tot actie overgaan. Soms moeten we lef hebben om een keuze te maken die achteraf verkeerd uitpakt, want vaak is dit nog altijd beter dan geen keuze maken. En waarom is dat? We staan momenteel voor grote uitdagingen, zowel maatschappelijk als financieel. Een ding weten we zeker: we kunnen niet alles tegelijk doen. Daarom pleiten wij als Oldenzaalse VVD: laten we nu de keuzes maken die ervoor zorgen dat Oldenzaal ook over twintig jaar de stad is waar mensen graag wonen, werken en samenleven.

Wat ons betreft is een van de belangrijkste keuzes die we dan moeten maken de groei naar veertigduizend inwoners. Voor het aantrekkelijk houden van Oldenzaal en het behoud van onze voorzieningen is dit essentieel. Recent bij de politieke ochtend over de omgevingsvisie hebben wij als raad een goed beeld gekregen welke dilemma’s er dan gaan spelen. Bijvoorbeeld waar willen we wonen? Waar willen we werken?

En als we dan toch over een dossier hebben waarop we keuzes moeten gaan maken, dan is het wel het dossier wonen. We horen het overal. Jongeren kunnen geen woning vinden, de doorstroming stokt en we hebben veel onbenut potentieel in de stad. Met andere woorden: tijd voor actie en dus voor keuzes. Wat ons betreft de grootste doorn daarbij in het oog: leegstand. Als ik cijfers van de CBS erbij pak, neemt het aantal woningen dat in Oldenzaal in het vorig jaar ook al leegstond ieder jaar toe. We gaan langzamerhand richting de 50 procent. Ook is er een stijging te zien van het aantal leegstaande woningen ten opzichte van het totaal, terwijl we telkens meer huizen bijbouwen. Kortom, ondanks dat wij als raad en als gemeente ieder jaar alles op alles zetten om meer huizen te bouwen om de woningnood te kunnen verzachten, lijken wij ieder jaar meer leegstaande woningen te hebben. De voorzitter: Een ogenblikje, want ik zie een interruptie van de heer Bouwman. Mijnheer Bouwman. De heer Bouwman: Dank u wel. De afgelopen weken heb ik de VVD een aantal keren horen zeggen: “tijd voor acties” en “tijd voor een goed gesprek”. Maar u zit al zeven jaar in de coalitie. Wij vragen ons echt oprecht af waarom u iedere keer oproept tot actie en het vragen om bepaalde keuzes, terwijl u al zeven jaar aan de knoppen zit. Landelijk zit de VVD al veertien jaar aan de knoppen.

Wij hebben als raad meer dan genoeg uitgangspunten meegegeven aan het college als het gaat over wonen. We hebben een unaniem aangenomen initiatiefvoorstel voor flexwoningen aangenomen. Is tot nu toe niks meer gedaan. En ik had eigenlijk gehoopt, als coalitiepartij die zo voor is voor het bouwen voor verschillende doelgroepen, dat u zich ook wat harder had gemaakt voor het feit, dat als er een initiatiefvoorstel voor flexwoningen voor onze jeugd wordt aangenomen en dat wordt uiteindelijk onder bijzondere omstandigheden afgeschoten, omdat we dan moeten gaan bouwen voor eenpersoons-, tweepersoonshuishouden, wat de doelstelling wat u zegt voor te staan helemaal onderuithaalt, had ik toch wel graag van u verwacht, dat u daar wat kritisch op bent in plaats van altijd maar roepen om actie. De voorzitter: Mijnheer Mekelenkamp. De heer Mekelenkamp: Voorzitter, ik heb geen vraag gehoord. Zelf zie ik het ook, als ik bijvoorbeeld naar het stadhuis of de grote markt loop, huurwoningen van de WBO aan de Deken Scholtenstraat. Ik heb vanmiddag nog eens weer bekeken. Nummer 31 en nummer 37, waar in sommige gevallen al bijna een jaar geen enkel teken van leven, of het nu bewoning of verbouwing te zien was. In de huidige tijd waar mensen zitten te smachten naar een eigen woning is dit toch van de zotte.

Kan de portefeuillehouder dit toezeggen dat hij dit onderwerp gaat meenemen in de gesprekken met de WBO? De voorzitter: Ik zie nog een interruptie van overkant. Mijnheer Yildirim. De heer Yildirim: Dank u wel, voorzitter. Wij waren op zich benieuwd naar waar die 50 procent op is gebaseerd. We zagen afgelopen week in de krant dat het volgens het CBS om 340 woningen ging en in het politiek forum kregen we het antwoord van het ambtelijk apparaat dat het om 17 woningen ging. Dus ik weet niet of u daar een verklaring voor heeft of misschien straks de portefeuillehouder? En aan u de vraag expliciet: Waar is die 50 procent op gebaseerd? De voorzitter: Mijnheer Mekelenkamp. De heer Mekelenkamp: Voorzitter, ik baseer mij daar op het CBS. Het CBS kun je gewoon gegevens opvragen over hoeveel woningen er leeg staan in Nederland, hoeveel woningen ook het vorig jaar leegstaan. En dan zien we dat in Oldenzaal 50 procent van de woningen die dit jaar leegstaan of leeg gemeld zijn, die stonden vorig

jaar ook al leeg. In Oldenzaal zijn momenteel bijna 2 procent van de huishoudens, van alle huizen die we hebben, die staat leeg. En dan wil ik gerust wel even een lijstje op gaan noemen met allemaal huizen die leegstaan, maar dat lijkt me vanwege mijn spreektijd ook niet heel erg handig. Ik hoop dat dit de vraag van de heer Yildirim beantwoordt. De voorzitter: Mijnheer Yildirim. De heer Yildirim: Dank u wel, voorzitter. We hadden net even gekeken namelijk. Een jaar eerder staat 380 en nu staat er 340. Dus vandaar dat het niet helemaal matcht met het beeld wat u schetst. De voorzitter: Mijnheer Mekelenkamp. De heer Mekelenkamp: Dan ga ik verder naar de koopwoningen of wil … De voorzitter: Nee, als u dan … Dan ga ik naar de heer Snijders. Mijnheer Snijders. De heer Snijders: Dat gaat nog even over de woningen. Ik heb misschien niet helemaal goed opgelet, maar ik heb niet gehoord wat de reden is waarom woningen leegstaan. Als u het probleem niet weet, kunt u het ook niet oplossen. De voorzitter: Mijnheer Mekelenkamp. De heer Mekelenkamp: Voorzitter, als ik geweten had waarom woningen leeg hadden gestaan, dan had ik er ook wat aan gedaan. De voorzitter: Goed? Ik kijk nog even naar de heer Snijders. De heer Snijders: Ik vind het toch wel een beetje simpel. U pakt wat cijfers en zegt, er staan woningen leeg, dus gaan we er maar wat aan doen.

Maar dan had ik toch eigenlijk verwacht, dat u iets meer zou kijken van wat de reden is waarom woningen leegstaan. Want het kan best wel zijn dat het gewoon even duurt voor een woning weer bezet wordt, ook al zet je er heel veel druk op. Dus dan heb je altijd een zekere leegstand überhaupt om van een markt te kunnen spreken. De voorzitter: Mijnheer Mekelenkamp. De heer Mekelenkamp: Voorzitter, maar de heer Snijders kan mij niet wijsmaken, dat een huis meer dan een jaar leeg kan staan alleen omdat er niet genoeg druk op wordt gezet. Lijkt mij. De voorzitter: Dat roept nog een reactie op van de heer Snijders. Mijnheer Snijders. Als de heer Bouwman nog even zijn knopje uit, want ik heb u gezien. De heer Snijders: Ja, dat kan ik u niet wijsmaken. Maar u kunt mij niet wijsmaken, dat een woningbouwvereniging een woning gewoon twee jaar leeg laat staan, omdat ze dat leuk vinden. De voorzitter: Mijnheer Mekelenkamp. De heer Mekelenkamp: Voorzitter, dan ga ik graag, want de heer Snijders wil graag een hiphopnummer opnemen met de heer Van der Waal, dan maak ik graag een ritje met in mijn geval de fiets – of in het geval

van de heer Snijders misschien zijn motor – door Oldenzaal en dan gaan we even kijken op welke plekken allemaal leegstaande huizen leegstaan. De voorzitter: Dan ga ik naar de heer Bouwman. Mijnheer Bouwman. De heer Bouwman: Dank u wel. Misschien heb ik het even gemist. Maar heeft u dan contact gehad met de WBO om te vragen waarom die woningen zo lang leegstaan? Dan had u wellicht een reden kunnen horen waar we wat aan kunnen doen. De voorzitter: Mijnheer Mekelenkamp. De heer Mekelenkamp: Het simpele antwoord is nee. Die vraag heb ik zojuist aan de portefeuillehouder gesteld, zoals ook in mijn bijdrage te lezen valt. En dan de koopwoningen. We zien dat vastgoedeigenaren hun investeringen willen verkopen. Uiteraard is dit hun goed recht, maar toch zien we dat er steeds een groter aantal van deze woningen leeg staat. Mogelijk omdat men hoopt op een stijging van woningwaarde als gevolg van kracht op de woningmarkt. Eigenlijk een soort van self-fulfilling prophecy. Daarom roepen wij het college op om een leegstandsverordening op te zetten die deze perverse prikkels wegneemt. Woningen zijn er om in te wonen, niet om leeg te laten staan.

Daarom roepen wij het college op om een leegstandsverordening op te stellen naar model VNG; bij verdere invulling van de verordening actief kaders op te halen bij de raad; en uiterlijk eind 2025 de Oldenzaalse leegstandsverordening gereed te hebben, zodat de raad deze kan vaststellen. De voorzitter: Momentje. Ik zie nog een interruptie van de heer Bouwman. Mijnheer Bouwman. De heer Bouwman: Dank u wel. Ik begrijp de bedoeling van de leegstandsverordening. Dat begrijp ik heel goed en daar kan ik wel in meegaan. Alleen ik zou dan toch erop willen benadrukken, dat we eerst duidelijkheid hebben waarom die woningen leegstaan, voordat we een verordening op gaan stellen. Want je kunt het college wel een opdracht geven om een verordening. Maar volgens mij moet je eerst de probleemstelling duidelijk hebben, voordat je met een oplossingsrichting kan gaan werken. Dus ik zou toch willen oproepen, wellicht kunt u dat in de pauze nog in de motie opnemen, dan steunen we hem helemaal. De voorzitter: Mijnheer Mekelenkamp. De heer Mekelenkamp: Voorzitter, ik zie het ook misschien als een en-en.

Een leegstandsverordening kunnen we in eerste instantie zouden we op kunnen stellen om alleen te zeggen, weet je wat het is, alle woningen die leegstaan moeten gemeld worden, zodat we … Die hebben de plicht om gemeld te worden, zodat we een beeld kunnen krijgen wat er aan de hand is, waarom deze woning leegstaat en wat de reden is eigenlijk en hoe lang men verwacht dat die leeg gaat staan. Dat zal wel de eerste stap van een leegstandsverordening zijn. Uiteindelijk kan er in de leegstandsvordering, zeker de model VNG, zoals ik hem in de motie heb opgenomen, kun je ook kijken naar belasting op leegstand. Dat soort dingen allemaal. Maar daarvoor is het nu nog te vroeg. Daarvoor gaan wij als fractie niet op de stoel van de gehele raad zitten, om al te zeggen, we moeten een leegstandsbelasting, we moeten van allerlei maatregelen toe gaan voegen. Laten we eerst eens even die verordening op gaan stellen, kijken wat de redenen zijn en dan ook meteen daaraan als een vervolgstap al zeggen, wij willen dus dat die huizen bewoond gaan worden en niet meer leeg blijven staan. De voorzitter: Gaat u verder.

De heer Mekelenkamp: Als deze verordening ingevoerd wordt, dan heeft het ook gevolgen voor de handhavingscapaciteit. Deze was op 7 april een van de grootste bezwaren die geuit werd tegen het opstellen van de huisvestingsverordening, een verordening die inmiddels in Losser werkt en ons ook kan helpen om meer Oldenzalers aan een passende woning te helpen, mogelijk door starters een eerlijke kans te geven op een nieuwbouwwoning via een vergunningsstelsel. En als het grootste bezwaar de handhaafbaarheid weggenomen wordt, waarom kiezen we er dan als Oldenzaal voor niet ook deze verordening op te stellen. Als laatste binnen het aspect wonen gaat het om het onbenutte potentieel. Op verschillende plekken in onze stad liggen nieuwbouwkavels onaangeroerd, zoals het Pakhuis en plekken waar reeds plannen waren, bijvoorbeeld de Molkenboerstraat. Maar het meest pijnlijke is een stuk grond op Stakenbeek Fase I. Als ingeschrevene voor een nieuwbouwkavel heb ik dit potentieel private paradijs nog nooit voorbij zien komen. In hoeverre kunnen wij als gemeente hier iets mee? Bijvoorbeeld door een soort van nieuwbouwbank op te stellen waar deze kavels in opgenomen staan. Mochten hier middelen voor nodig zijn, dan verneem ik dat graag van de portefeuillehouder. En tot slot binnen het onbenut potentieel: de Nieuwe Post.

Inmiddels is het bestemmingsplan onherroepelijk vastgesteld en weten we dat het omgevingsplan eraan komt. Welke mogelijkheden zijn er om dit te gaan versnellen? En dan van een huis in de stad naar het huis van de stad. Een gevoelig dossier, zeker in het jaar voor de verkiezingen en gecombineerd met bezuinigingen. Daar kunnen gemeenten in de regio zeker over meepraten. De besluitvorming vindt weliswaar pas plaats in september, maar laat ik nu alvast duidelijk zijn: wij als Oldenzaalse VVD zijn niet tegen de verbouwing van het stadhuis. Wel volgen we de kritische uitgaven die hier gepland staat, kunnen we bijvoorbeeld 80 procent van de duurzaamheidsdoelstellingen halen tegen 20 procent van de investeringen? Tegelijkertijd moeten we ons realiseren dat we als gemeente ook werkgever zijn. Wat ons betreft de belangrijkste reden om de verbouwing wel door te laten gaan. Want laten we eerlijk zijn. Het werkklimaat in het stadhuis is erg achterhaald. Vele Oldenzalers zullen, zodra ze weten hoe de vlag hier in het huis erbij hangt, dit met mij eens zijn. Daarom moeten wij als gemeente beter communiceren over de verbouwing, waardoor de keuze die wij maken goed uit te leggen is.

We hebben alle vertrouwen erin, dat de opmerking vanuit de recente politiek forum de berichtgeving – zowel online als offline – en de geluiden uit de samenleving de portefeuillehouder doen inzien, dat er op dit dossier bijna niet te veel communicatie kan zijn. Wanneer kunnen wij hier de eerste vruchten van aanschouwen? De voorzitter: Ik zie een interruptie van de heer Bouwman. Mijnheer Bouwman. De heer Bouwman: Dank u wel. U benoemt het feit dat dit stadhuis verouderd is en dat ambtenaren daardoor … Stadhuis achterhaald geeft u aan, werkklimaat in het stadhuis achterhaald. Daar kan ik tot een groot gedeelte in meegaan. Alleen het wordt nu net gedaan alsof de dienstverlening van onze gemeente richting onze inwoners onder druk staat door een gebouw. Dienstverlening zit in onze ogen altijd nog in de mensen, de manier hoe men ontvangen wordt, de manier hoe men geholpen wordt, doorlooptijden van aanvragen. Dat is voor ons dienstverlening. We spreken heel veel Oldenzalers en wij krijgen vaak te horen, wat ons betreft is het helemaal geen probleem in het stadhuis, want ik hoef er alleen maar te zijn voor een paspoort en als ik een afspraak heb met een ambtenaar word ik vriendelijk ontvangen, lopen we door naar de spreekkamers.

Dus ik vraag me eigenlijk af, wat rechtvaardigt het om zo'n grootschalige verbouwing aan te gaan om de dienstverlening te verbeteren, wat op dit moment op basis van het huidige gebouw niet zou kunnen voor onze inwoners? De voorzitter: Mijnheer Mekelenkamp.

De heer Mekelenkamp: Voorzitter, dat kan de portefeuillehouder het best verantwoorden. Maar in ieder geval, wat ik in ieder geval wil zeggen, dat mij wel lijkt dat op het moment dat de heer Bouwman hier komt en een gesprek heeft met een ambtenaar, dat daar een ambtenaar zit die jaren ervaring heeft bij de gemeente, die weet hoe hij de processen zo snel mogelijk kan laten verlopen. En daarvoor is echt ervaring nodig en daarvoor is het ook belangrijk dat wij onze mensen blijven behouden. De voorzitter: Mijnheer Bouwman. De heer Bouwman: Dank u wel. Dan ga ik toch even voor eigen ervaring praten. Want ik werk al negen jaar ook voor gemeenten. Voor verschillende gemeenten heb ik in ieder geval de afgelopen negen jaar gewerkt. En ik werk soms op een gemeentehuis dat gloednieuw is met mooie materialen en ik werk ook wel eens op gemeentehuizen wat oud is. Oude gangen, oude bureaustoelen, oude bureaus, oude voorzieningen. En ik moet zeggen en dat is niet omdat het mij nu goed uitkomt, maar dat ik in oude gebouwen net zo prettig werk als in nieuwe gebouwen. Het is persoonlijk voor elke ambtenaar verschillend of men goed kan werken. Voor mij werkt het heel goed als ik goed kan opschieten met mijn collega's, als de lijntjes kort zijn, als ik goed mijn werkzaamheden kan uitvoeren en wat mij betreft heeft dat niks te maken met optimale voorzieningen, of je … Het is duidelijk, denk ik.

De voorzitter: Mijnheer Mekelenkamp. De heer Mekelenkamp: Voorzitter, let’s agree to disagree. De afgelopen jaren hebben we stevig geïnvesteerd in onze buitensportaccommodaties. Vele zijn inmiddels state of the art. Tegelijkertijd moeten we eerlijk zijn. Onder andere de buitensportverenigingen zijn vervolgens geraakt door de eerder geplande lastenverhogingen. Daarom is het goed om te zien dat het college nu een voorstel doet om deze bezuinigingen te faseren. Tijdens het bezoek van diverse buitensportverenigingen werden de gevolgen van de bezuinigingen duidelijk uitgesproken. Vele hebben al contributieverhoging moeten doorvoeren, maar men wil naast faseren vooral maar één ding: duidelijkheid. Zeker gezien de huidige onzekerheid in combinatie met harmonisatieonderzoek van de buitensport komend jaar, zorgen voor de extra dimensie in onzekerheid. Voorzitter, als we het dan toch hebben over harmonisatie, dan wil ik toch het p-woord noemen: privatisering. In onze ogen zijn verenigingen pas echt in control als ze echt zelf eigenaar zijn van de accommodatie. We hebben dit besproken met de vertegenwoordigers van de voetbalverenigingen en zij stonden hier bijzonder positief tegenover. Wat is er nu mooier dan luisteren naar de wens van onze inwoners. De verenigingen zijn hiermee in control en kunnen zelf keuzes maken om sporten voor alle Oldenzalers betaalbaar te houden.

Daarom dienen wij onze motie ‘Privatisering’ in. De voorzitter: Ik zie een interruptie van de heer Van der Waal. Ik wijs u ook nog even op de klok, 2 uur … Of 2 minuten 46. Mijnheer Van der Waal. De heer Van der Waal: Voorzitter, het klinkt prachtig, privatisering. Het zou daarmee misschien goedkoper kunnen. Misschien dat de voetbalverenigingen eigenaar worden van ook het onderhoud. Maar realiseert de heer Mekelenkamp zich dat daarmee de taak van de gemeente ook veel intensiever wordt, waardoor er ook mankracht beschikbaar moet zijn waar de voetbalvereniging al moeite genoeg heeft om aan vrijwilligers te komen? De taak van de vereniging wordt ontzettend veel zwaarder en ik vraag me af of voor de voetbalverenigingen de privatisering een oplossing gaat zijn. Hoe is zijn mening daarover? De voorzitter: Mijnheer Mekelenkamp.

De heer Mekelenkamp: Voorzitter, ten eerste, ik ga ervan uit op het moment dat wij de vraag stellen hoe verenigingen tegenover privatisering staan, dat zij dit zeker in het achterhoofd houden. Dat ten eerste. En ten tweede, in deze motie dragen wij op om alleen het onderzoek naar harmonisatie te bespoedigen en de privatisering hier actief bij te overwegen. Wij zeggen nog niet, wij moeten privatiseren, wij zullen coûte que coûte moeten gaan privatiseren. Het enige is, wij vinden het belangrijk om als gedachtegang mee te nemen. Hoe het uiteindelijk ingeregeld gaat worden en op welke manier vormgegeven gaat worden, daar doen wij nog geen uitspraak over, want dan zouden wij op de stoel van het college gaan zitten. Ik zal verder gaan gezien de 2 uur en 46 minuten die ik nog heb. De voorzitter: Nee, ik was even spraakverwarring. Maar 2 minuten en 46 seconden. U heeft me goed gehoord. Doe uw best, want ik houd u er wel aan. De heer Mekelenkamp: Ik had gehoopt dat ik de eerste keer wat meer respijt zou krijgen. Tot slot, als we harmonisatie echt willen laten werken en verenigingen in staat willen stellen zonder excessieve contributieverhogingen verder te gaan, dan moeten we ook kiezen voor samenwerking. De samenwerking tussen zvv De Esch en vv Oldenzaal laat zien, dat dit tot lagere kosten en een beter bestaan voor beide verenigingen kan leiden.

Daarom dienen wij samen met de fracties van de PvdA en WG de motie in. En dan het belangrijkste waarvoor wij hier momenteel zitten: de financiën. Als we de kadernota bekijken, zien we dat er wordt voorgesteld om bijna 3,5 miljoen uit de algemene reserve in te zetten. Een forse, maar logische keuze. We kiezen er namelijk voor om te investeren in onze stad, zodat we klaar zijn voor de uitdaging van de toekomst, klimaatadaptatie, een toekomstbestendig sociaal domein en betere scholen en sporthallen. Mede door de graafmachinetactiek vanuit Den Haag kunnen we het de komende twee jaar iets rustiger aan doen. Daarbij is het positief dat een aantal bezuinigingen gefaseerd worden doorgevoerd. Zoals eerder is aangehaald, is dit voor onze verenigingen echt van belang. Zij krijgen hiermee twee dingen. Het signaal om aan de slag te gaan, maar ook de lucht om dit geleidelijk te doen. En er is mij de afgelopen jaren één ding duidelijk geworden. We zullen als gemeente onafhankelijker moeten worden van Den Haag. Door keuzes te maken – hoe pijnlijk ze soms ook zijn – en slim te investeren, kunnen we dit bereiken. Daarom vinden wij het jammer dat op het gebied van de ozb geen ruimte is gevonden. We begrijpen de financiële overwegingen van het college op lange termijn.

Bovendien zou het erg populistisch zijn om te pleiten voor een ozb-verlaging en deze volgend jaar weer terug te moeten draaien, omdat we dan mogelijk aanvullend moeten gaan bezuinigen. Door deze keuze nu te maken, hopen wij dat de ozb in de toekomst niet meer de sluitpost is. De voorzitter: Dank u wel. Ik zie een interruptie van de heer Bouwman. Mijnheer Bouwman. De heer Bouwman: Dank u wel. U heeft het over ozb-verlaging, maar volgens mij hebben de afgelopen jaren nog nooit gesproken over ozb-verlaging. Dat zou een redelijk unicum zijn hier in huis. We hebben de afgelopen jaren telkenmale de ozb geïndexeerd, dus telkenmale verhoogd. U doet alsof dat heel normaal is. Maar wij vragen ons af, is het altijd maar gerechtvaardigd om altijd maar de lokale lasten bij de inwoner neer te leggen? Ik vraag het u als liberale partij. De voorzitter: Mijnheer Mekelenkamp. De heer Mekelenkamp: Voorzitter, daar kan de heer Bouwman ons helemaal vinden. Weet je wat het is, als ik naar mijn eigen aanslag kijkt van het GBT, dan zie ik ook dat die de afgelopen jaren met, moet ik het goed zeggen, meer dan 33 procent gestegen is over de afgelopen vijf jaar. Dat is een aanzienlijk bedrag. En ik woon niet in een kapitale villa, ik woon gewoon in een hele normale, ruime tussenwoning, zoals de heer Van der Waal hem zou omschrijven. Dus dat is het niet. En ozb zou inderdaad niet de sluitpost moeten zijn.

Dus

daarom onze oproep, ons hele verhaal, we moeten keuzes maken, we moeten dingen gaan doen. We moeten dingen wel gaan doen en dingen niet gaan doen, om ervoor te zorgen dat wij de lasten zo eerlijk mogelijk kunnen verdelen. De voorzitter: Mijnheer Bouwman. De heer Bouwman: Dank u wel. Er wordt altijd gesteld van, we hebben als gemeente taken te volbrengen. Maar volgens mij hebben er in het land heel veel gemeenteraden een motie aangenomen ‘Geen knaken, geen taken’. Maar we blijven vasthouden dat we alles maar moeten uitvoeren. Maar wanneer gaan we volgens u het signaal een keer naar Den Haag afgeven van, u wilt als Den Haag zijnde dat we deze taken moeten uitvoeren, maar dat gaan we op dit moment niet doen, want we hebben de knaken er niet voor en we zijn niet bereid om altijd maar de lasten bij de inwoner neer te leggen om onze taken maar te kunnen blijven uitvoeren. Wanneer gaat de VVD, denkt u, dat signaal een keer afgeven? De voorzitter: Mijnheer Mekelenkamp. De heer Mekelenkamp: Voorzitter, ten eerste, bij mijn weten hebben wij die motie als gemeenteraad van Oldenzaal ook gewoon aangenomen. En ten tweede hebben wij daar ook als partij onze actieve betrokkenheid bij gehad. We hebben onderdeel uitgemaakt van de landelijke groep die daar mee bezig is geweest.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15914519/3