Site GGA Loonse en Drunense Duinen
Tekst van het document
Water Voor water wordt ingezet op het vasthouden van water. Hiervoor wordt een drievoudige strategie gevolgd: vasthouden, bergen en afvoeren. Hiermee worden slimme combinaties gezocht met bijvoorbeeld groenvoorzieningen, zichtbare goten, half verharde parkeerplaatsen, groene daken, etc. Regenwater dat hierin niet wordt opgeslagen wordt apart opgeborgen in de bergingsvijvers. Landbouw Gemeente Tilburg wil de extensieve landbouw stimuleren. Boeren kunnen hiermee o.a. een rol spelen bij de aanleg van landschapselementen, inrichting en onderhoud van
gronden voor natuur met landbouwkundige waarden. Bijvoorbeeld: bloemenranden, ommetjes en collectief weidevogelbeheer. De landbouw zit daarmee niet op slot; het is een onmisbare drager voor het behoud van een vitaal buitengebied. Ruimte voor bedrijfsontwikkeling blijft mogelijk, wanneer voldaan wordt aan provinciale regels. Recreatie De strategie rondom recreatie is erop gericht de stad en het buitengebied goed te verbinden met de (recreatieve) groen- en natuurgebieden in de omgeving. Agrarische bedrijven leveren een bijdrage aan een aantrekkelijk en afwisselend landschap waar het goed toeven, wandelen en fietsen is met bijvoorbeeld ommetjes over boerenland, boerderijterrassen en kamperen bij de boer. Het masterplan Pauwels zegt hierover: een parkachtige laag over geheel Pauwels met bijvoorbeeld een versterking van bestaande - en nieuwe bestemmingen in Pauwels. De omgevingsvisie uit 2015 wordt op basis van de nieuwe inzichten, oa uit het vastgestelde Koersdocument Oostflank, Landschap Pauwels en visie Water en Klimaatlandschap, geactualiseerd. Omgevingsvisie gemeente Oisterwijk (bron: omgevingsvisie Oisterwijk) Natuur Gemeente Oisterwijk streeft naar minimaal een basiskwaliteit natuur binnen haar grondgebied. Hierbij zal de gemeente de beheerder/eigenaar van natuurgebieden helpen om de natuurwaarden te behouden en versterken en inwoners betrekken bij natuurontwikkeling.
De gemeente heeft het voornemen om bestrijdingsmiddelen tegen plagen zo veel mogelijk te vermijden. Verder zet de gemeente in op bodemverbetering (met name op agrarische percelen) voor betere biodiversiteit en geeft ze ruimte aan groene lanen en ecologische verbindingszones. Water De gemeente Oisterwijk wil een aantal zaken zo snel mogelijk op orde krijgen: (eigen) regenwater opvangen en infiltreren, ruimte om water in- en rondom beken, sloten en greppels te bergen en infiltreren, de beekdalen reserveren voor waterberging en extensieve functies, samen optrekken met het waterschap om de resterende ecologische verbindingszones in samenhang met de maatregelen voor beekherstel te
realiseren. Daarnaast wil de gemeente werken aan bodemverbetering (met name op agrarische percelen) voor een betere sponswerking. Landbouw Voor de landbouw heeft de gemeente een aantal ambities: 1. Boomteelt-ontwikkelingsgebied realiseren langs N65; 2. In de schil rond N2000 terugdringen van veehouderij 3. Streven naar openheid en mogelijkheden voor tijdelijke waterberging in beekdalen door landbouw die landschappelijke- en natuurwaarden versterkt 4. Ondersteunen van agrariërs die zelf willen stoppen, etc. De agrarische sector en gemeente blijven in gesprek. Recreatie Recreatieve bezoekersstromen zijn van belang voor gemeente Oisterwijk. Hierbij vindt de gemeente het belangrijk dat kwetsbare gebieden hiervan ontzien worden. Daarvoor wordt samengewerkt met de TBO’s en het buitengebiedmanagement. Nieuwe initiatieven worden enkel toegestaan a.d.h.v. de recreatiezonering en wanneer deze van toegevoegde waarde zijn op het huidige aanbod. Daarnaast wil de gemeente de toegankelijkheid en bereikbaarheid in het buitengebied versterken door verbetering van routestructuren (o.a. fiets- en wandelnetwerken). De omgevingsvisie uit 2016 wordt op basis van de nieuwe inzichten, oa uit de vastgestelde Koersdocument Oostflank (2024) en Visie Buitengebied (2022), geactualiseerd. Structuurvisie gemeente Waalwijk De gemeente Waalwijk beschikt op dit moment nog niet over een omgevingsvisie.
Na de zomer van 2025 gaat de concept-omgevingsvisie ter inzage. Naar verwachting wordt de omgevingsvisie eind 2025 aangeboden aan de raad van de gemeente Waalwijk ter vaststelling. Daarom geldt op dit moment nog de Structuurvisie gemeente Waalwijk (2015). Natuur De ondergrond in Waalwijk is te typeren als een uniek landschap met grote potentiële waarden voor natuur. Dit komt omdat de gemeente ligt op de overgang van rivierkleigronden in het noorden en zandgronden in het zuiden, de zogenaamde ‘Naad 29
4.7 Stikstof van Brabant’. Het natuurgebied Loonse en Drunense Duinen dat ten zuidoosten grenst aan de gemeente is vooral waardevol vanwege de stuifzanden en heeft grotendeels een Europese status als Natura 2000-gebied en een nationale status als Natuur Netwerk Nederland (NNN). Water Voor de ondergrond staat het behouden en versterken van de veiligheid van het bodem- en watersysteem voorop. Daarnaast kiezen we ervoor de unieke waarden die Waalwijk heeft op het gebied van natuur en landschap te behouden en te versterken. Bij behoud is het zaak bedreigingen te voorkomen door bescherming van waarden en het reserveren van ruimte. Voor versterking kiest de gemeente ervoor deze alleen bij belangrijke projecten actief (mee) te ontwikkelen en in andere gevallen kansen vanuit de samenleving te benutten. Landbouw De belangrijkste werkfunctie in het agrarische buitengebied is de landbouw. Voor de ontwikkeling van de landbouw is het van belang dat zorgvuldige keuzes gemaakt worden om enerzijds de landbouwbedrijven een toekomst te geven en anderzijds de leefbaarheid en waarden van de ondergrond voldoende behouden blijven. In de meeste landbouwgebieden bieden wij daarom ontwikkelingsmogelijkheden voor een zorgvuldige, verbrede landbouw. Zorgvuldige landbouw wil zeggen een sector die op een gezonde manier verbonden is met de sociale en fysieke leefomgeving.
Verbrede landbouw zijn activiteiten bij een agrarisch bedrijf die voortvloeien uit de agrarische bedrijfsvoering en die ten dienste staan van het agrarische bedrijf, bijvoorbeeld verkoop streekproducten, Bed&Breakfast, agrarisch natuurbeheer en kleinschalige recreatie. In de toekomstig te realiseren Natte Natuurparel zien wij mogelijkheden voor extensief landbouwkundig gebruik in combinatie en/of nabijheid van natuur. Recreatie Recreatie en toerisme: fietsroute Halvezolenpad, agrarische en natuurgebieden voor extensieve recreatie o.a. voor fietser en wandelaar. Rondom natuur en water kleinschalige, intensieve recreatie, o.a. voor kampeerder. 30
In de Loonse en Drunense Duinen is op meerdere plekken stikstofgevoelige natuur; een teveel aan stikstof tast de natuur en de soorten die daarin leven, aan. De provincie heeft met het ‘consortium Stikstof’ (TAUW, Pouderoyen Tonnaer, WUR en WING), in het kader van de Brabantse GGA, een doorrekening van analyses en scenario’s gemaakt m.b.t. het agrarisch gebruik, ruimtelijke verdeling en andere mogelijke gebiedsgerichte maatregelen op stikstofdepositie. Stap 1 betrof een analyse op de huidige situatie, de ontwikkelingen van afgelopen jaren en de verwachte autonome ontwikkelingen omtrent stikstof is uiteengezet. Stap 2 betreft het doorrekenen van een pakket aan initiatieven en maatregelen. Hiervoor heeft het ‘consortium’ samen met de ‘werkgroep stikstof LDD’ een maatregelenpakket opgesteld dat tot meer inzicht heeft geleid in wat elk initiatief en maatregel (potentieel) kan bijdragen op het gebied van stikstof. Met de werkgroep en het consortium is bepaald welke berekeningen en analyses zinvol uitgevoerd kunnen worden. Een belangrijk aandachtspunt hierbij was dat correcte, beschikbare én volledige gegevens aanwezig is als input voor de berekeningen, om betrouwbare en relevante uitkomsten te krijgen. Uiteindelijk heeft het consortium twee maatregelen doorgerekend en voor zes onderwerpen zijn ‘informatiebladen’ opgeleverd.
De doorgerekende maatregelen zijn specifiek voor dit gebied. De informatiebladen gelden voor geheel Noord-Brabant, met daarbij wel specifieke informatie inzichten en betekenis voor LDD. Zowel uitkomsten en maatregelen uit de BOS 2.0 (die de grootste reductie zal moeten gaan opleveren) als het specifieke LLD pakket, die zich dus aanvullend op BOS 2.0 richten op de Loonse en Drunense Duinen, moeten samen leiden tot een reductie van de stikstof op dit GGA gebied. Daarbij is het goed om te beseffen dat dit pakket van maatregelen (benoemd in vervolg
van deze paragraaf)) de opmaat is in de grotere transitie; de maatregelen moeten gezien worden als een concreet en stevig begin om de problemen met stikstof aan te pakken waarbij zij onderdeel vormen van een integraal pakket. De transitie loopt echter gewoon door. Het specifieke LDD-pakket (in deze fase van de visievorming) die zijn doorgerekend en beschouwd betreffen (zie externe bijlage I voor uitwerking): 1. het afwaarderen/sluiten van de weg de Oude Bossche Baan; 2. het verplaatsen van 7 impactevolle transportbedrijven nabij het Natura 2000-gebied. De informatiebladen die zijn opgeleverd voor de volgende thema’s/onderwerpen betreffen (zie externe bijlage I voor uitwerking): 1. Informatieblad – Deelname Brabantse veehouderijen aan landelijke regelingen LBV-plus en LBV; 2. Informatieblad – Verminderen aanwending mest op agr. percelen nabij Natura 2000-gebieden; 3. Informatieblad – Extensivering melkveehouderij (graslandnormen); 4. Informatieblad – Effecten van landschapselementen op stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden; 5. Informatieblad – Verduurzamen woningen; 6. Informatieblad – Voer- en managementmaatregelen in de landbouwsector Noord-Brabant.
In diverse habidattypen wordt de kritische depositiewaarde overschreden. De kaart op de volgende pagina laat deze overschrijding van de kritische depositiewaarde op habitattypen zien voor het jaar 2022. BOS 2.0 Vanuit de analyse in stap 1 blijkt dat het merendeel van de stikstof komt uit de zogenaamde ‘stikstofdeken’ vanuit Brabant, de rest van Nederland én Europa. Op de Loonse en Drunense Duinen was dit in 2021 een gemiddelde depositie van 1.495 mol/ha/jaar. Op basis van scenario KEV 2021 zou dit in 2030 afgenomen moeten zijn met 18%. Hiervoor heeft Provincie Noord-Brabant de Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof (BOS) 2.0 opgesteld. Hiervoor wordt verwezen naar de rapportage BOS 2.0 en de doorrekening hiervan door het consortium. Maatregel 1: het afwaarderen (luwe inrichting) van de Oude Bossche Baan Met het doorvoeren van deze maatregel is de gemiddelde berekende depositie reductie op de overbelaste hexagonen 0,085 mol/ha/jaar en de maximale berekende depositie op een overbelaste hexagoon bedraagt 5,66 mol/ha/jaar. Bij deze berekeningen is niet meegenomen dat het verkeer, met het afwaarderen van de weg, deels zal verplaatsen in plaats van helemaal verdwijnen. De (voorlopige) conclusie is om deze maatregel als zinvol te beschouwen en is reeds opgenomen in het ALG-maatregelenpakket. De maatregel draagt ook bij aan andere doelen zoals recreatieve zonering.
Het startpunt/doelstelling De doelstelling voor de natuur in het Natura2000 gebied met betrekking tot stikstof staat omschreven in de Natuurdoelanalyse (knelpunt 3.5.2.4) en komt vanuit de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (2021) (momenteel Omgevingswet). De wet streeft naar een gezondere natuur door de stikstofdepositie in gevoelige habitats te verminderen. De wet vereist dat in 2025 minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde N2000 gebieden een gezond stikstofniveau heeft waarbij de kritische depositiewaarde niet overschreden wordt; in 2030 moet dit minimaal de helft zijn en in 2035 minimaal 74%. 31
Maatregel 2: het verplaatsen van transportbedrijven nabij het Natura 2000-gebied Deze maatregel leidt tot een gemiddelde berekende depositie reductie op overbelaste hexagonen van 0,15 mol/ha/jaar en de maximale berekende depositie reductie op een overbelaste hexagoon bedraagt 6,26 mol/ha/jaar. Hierbij zijn enkel de transportbewegingen in de berekeningen meegenomen. Echter, in het oostelijke deel van het LDD-gebied zijn een tweetal van deze bedrijven als zogenaamde ‘piekbelasters’ (niet agrarisch) aan te merken. Een plan van aanpak om met name de twee piekbelasters verder te analyseren – voor zover nog nodig – is gewenst om tot een substantiële reductie van stikstof te komen. De (voorlopige) conclusie is dat, als het gaat om vermindering van transportbewegingen bij het merdendeel van de bedrijven, geen substatiële meerwaarde te boeken is in relatie tot de kosten en tijd die dit zal vragen. Inzet op de piekbelasters daarentegen is echter zeker zinvol en als noodzakelijk aan te merken. De gebiedspartners verzoeken de provincie om de aanpak van deze twee bedrijven met prioriteit op te pakken. Dit vraagt een separate aanpak die op onderdelen al loopt. De maatregel draagt ook bij aan andere doelen zoals leefbaarheid in de kernen.
Informatieblad – Deelname Brabantse veehouderijen aan LBV-plus en LBV Momenteel is het nog onbekend welke bedrijven definitief meedoen aan de landelijke regelingen LBV-plus en LBV. Er is een globale inschatting beschikbaar van de indicatieve afname in gemiddelde depositie (in mol/ha/jaar) bij 100%, 50% en 25% deelname van veehouderijlocaties in Noord-Brabant die, op basis van vergunde stalemissies en ligging, voldoen aan de voorwaarden voor depositievracht en type veehouderij uit de LBV+-regeling — met inachtneming van een bijgestelde emissie (35% naar beneden) en een correctie voor latente ruimte, gebaseerd op gemiddelden voor Noord-Brabant. (bron: brabants overzicht stikstofdata) * Dit is het totale aantal potentiële LVB-plus en LBV locaties in heel Noord Brabant. 32
De (voorlopige) conclusie is dat met name de gemeenten een rol kunnen en moeten vervullen in het maximaal motiveren van potentiële LBV-plus en LBV locaties. Voorts is het zinvol om m.b.t. het ‘stallenbesluit’ te gaan inventariseren en monitoren (bijv. middels project ‘meten is weten’) of agrarische bedrijven (die niet met de LBV-plus of LBV regeling meedoen) op koers liggen om de doelen van 2030 te behalen. Bedrijven die hiervoor nog niet op koers liggen, kunnen dan tijdig ondersteund/gestuurd worden. Hiervoor kan eventueel de koppeling worden gemaakt met ‘maatwerkaanpak grote belasters’van de provincie. Informatieblad – Verminderen aanwending mest agrarische percelen nabij N2000 Het verminderen van de aanwending van mest op agrarische percelen nabij N2000-gebieden leidt tot een reductie in stikstofdepositie. In onderstaand overzicht geeft de (indicatieve) depositie aan in mol/ha/jr ten gevolge van aanwending van dierlijke mest, uitgaande van de prognose emissie aanwending van dierlijke mest in 2030 en bij grondgebruik agrarische percelen in 2021 (RVO, Basisregistratie gewaspercelen).
Deze maatregel lijkt in de basis een effectieve maatregel te zijn. Echter, dit hangt tegelijkertijd sterk af van een aantal factoren: 1. Het gebied of de scope, waarbinnen gezocht wordt (bijv. 250 meter of een ruimere 1.000 meter ten opzichte van N2000) naar maatregelen, is bijvoorbeeld zeer bepalend voor de effectiviteit maar ook voor de financiële haalbaarheid. 2. Ook de proportionaliteit moet afgewogen worden. Het aantal molen stikstof vermindering tegen de financiële gevolgen. 3. Onderscheid tussen vaste/stal- en niet vaste mest. Vaste- en stalmest heeft een lagere stikstofdepositie en is goed voor bodemleven, biodiversiteit, etc. 4. Met de aanscherping van de bemestingsnormen en de vervallen derogatie zal de depositie al verlagen. Daarnaast zullen er met het voltooien van het NNB en GBDA ook landbouwgronden verdwijnen, en daarmee ook de be-
mesting op de betreffende percelen. Dit kan als apart scenario in het vervolg worden doorgerekend. Een nadere analyse en uitwerking is derhalve nadrukkelijk éérst gewenst om te kunnen bepalen hoe en op welke manier, zowel vanuit de natuur - als landbouwsector, tot gewogen en gedragen maatregelen kan worden gekomen. Daarbij is een integrale benadering nodig zoals dat binnen het GGA-proces altijd uitgangspunt is, zie ook hoofdstuk 8. Deze maatregel houdt ook verband met het Programma Overgangsgebieden dat in ontwikkeling is. Informatieblad – Extensivering melkveehouderij (graslandnormen) Als gevolg van extensivering van melkveehouderijen is een indicatieve en gemiddelde depositie afname per Natura 2000-gebied in mol/ha/jaar bij verschillende graslandnormen te bereiken, uitgaande van een krimp van de veebezetting om aan de normen te voldoen (afname t.o.v. depositie uit stal- en opslagemissies Brabantse rundveebedrijven, peiljaar 2021). Bedrijven kunnen echter ook extra grond aankopen, zonder een krimp van de veebezetting, om te extensiveren. Dit is in deze berekening niet meegenomen.
Met betrekking tot deze beschouwing is nog geen concrete maatregel geformuleerd, omdat het nog onvoldoende duidelijk is of er voldoende instrumentarium beschikbaar is om hier effectief op in te kunnen spelen. Daarnaast wordt de discussie over extensiveren ook landelijk gevoerd en is er overlap met de BOS 2.0. Wel is duidelijk dat, gezien de doorrekening, er een substantiële winst te halen is en daarom opgenomen is in deze visie. Informatieblad – Effecten Groen blauwe dooradering op stikstofdepositie in N2000 Het toevoegen van (groene en blauwe) landschapselementen hebben een overtuigend effect op het invangen van fijnstof. Het aanbrengen van landschapselementen rondom bedrijven kan het depositiepatroon van ammoniak beïnvloeden en leveren een reductie van ca. 3% tot 8%. De te behalen effecten zijn sterk afhankelijk van de 33
4.8 lokale omstandigheden zoals soort vegetatie en structuur. Het grootste effect wordt bereikt door interral verruwen van het tussengebied en het aanbrengen van landschapselementen binnen 50m rondom bedrijven. Groenblauwe dooradering (GBDA) is in de diverse deelgebieden meegenomen in de ALG-Fiches en planuitwerking. Het onderzoek laat het belang hiervan zien en geeft uitgangspunten voor de toepassing en uitwerking hiervan omdat het, naast andere doelen zoals het vergroten van de biodiversiteit, ook bijdraagt aan de stikstofreductie. Informatieblad – Verduurzamen woningen Het verduurzamen van woningen, in casu het gasloos maken van woningen, leidt tot een permanente vermindering van NOx uitstoot. De impact en effect van deze maatregel op natuurgebieden is echter zeer afhankelijk van de ligging van de woonwijk ten opzichte van het natuurgebied. De (voorlopige) conclusie is dat het effect klein is om deze maatregelen binnen de GGA op te pakken. Verduurzaming van de woningen is een landelijke ontwikkeling en heeft, vanuit stikstof gezien, voor de natuurdoelen weinig tot geen prioriteit in dit gebied.
Informatieblad – Voer- en managementmaatregelen in de landbouwsector In de Omgevingsverordening van Noord-Brabant is opgenomen dat er door het houden van minder dieren of andere maatregelen, zoals voer- en managementmaatregelen, voldaan mag worden aan de ammoniakemissie-eisen per veehouderij. Dat betekent dat als bestaande of nieuwe stallen minder goed presteren, aanvullende maatregelen op een veehouderij met verouderde stallen nodig zijn. Als die maatregelen inderdaad genomen worden, is de emissiereductie op basis van de ammoniakeisen uit de Omgevingsverordening geborgd.
34
De werkgroep Stikstof ziet vooralsnog weinig soelaas (kosteneffcetieve winst te behalen) op inzet ‘Voer- en managementmaatregelen in de landbouwsector’. Deze maatregelen zijn wel relatief eenvoudig te realiseren, omdat agrarische ondernemers ermee aan de slag willen, daarom als meekoppelkans benutten in contact met ondernemers.. Resumé Voorgaande analyses en beschouwing leidt tot de navolgende samenvatting en het besef dat met deze inzet vanuit stikstof ook invulling aan de doelen wordt gegegeven. De grooste winst voor het gebied zit in de aanpak van het stikstofdeken (o.a. BOS 2.0). Echter worden hiermee de doelstelling voor de overbelasting van stikstofdepositie op de gevoelige habitattypen niet gehaald. De gebiedsspecifieke maategelen dragen zeker bij aan verminderinge van stikstofdepositie maar de doelstellingen zullen hiermee niet worden gehaald. Uiteraard is dit afhankelijk van de uitwerking van de diverse maatregelen. Een vijftal maatregelen als start in het besef dat dit een begin is van de transitie. 1. Aanpak en uitwerking plan Oude Bossche baan (vervat in de ALG uitvraag); 2. Aanpak tweetal ‘piekbelasters’; 3. Intensief inzetten op LBV én monitoren ‘blijvers’; 4. Verminderen aanwending mest op agrarische percelen nabij Natura 2000-gebieden als mogelijke (effectieve) maatregel kan aan de orde zijn, maar dat vraagt nog wel om een nadere afweging en uitwerking; 5.
Toepassen en uitwerking landschapselementen en groen-blauwe dooradering (GBDA) (vervat in de ALG uitvraag).
Grond
Analyse grondeigendommen Voor veel van de opgaven voor het N2000-gebied, zoals de landbouwtransitie, woningbouwopgave en natuurherstel, speelt grond een belangrijke rol. Hierdoor neemt de gronddruk op het gebied toe. De optelsom van de opgaven maakt duidelijk dat multifunctioneel gebruik en keuzes nodig zijn. De grondeigenaren hebben de sleutel in handen om dit tot een succes te maken. Hiervoor is een grondstrategie voor het gebied, en per deelgebied, noodzakelijk. Hiervoor zijn drie elementen van belang: de doelstellingen voor een grondstrategie voortkomend uit de visie voor de Loonse en Drunense Duinen, het instrumentarium dat de partijen bereid zijn te gebruiken als het gaat om grond en informatie over de grondposities in het gebied. Hiervoor is een inventarisatie en analyse opgesteld naar de huidige grondposities.
Hiervoor is kadasterinformatie gebruikt van de: • TBO’s: Brabants Landschap, Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer • Rijksoverheid: Defensie, Infrastructuur en Waterstaat, Justitie en Veiligheid, Rijksvastgoedbedrijf • Provincie Noord-Brabant • Gemeenten: Loon op Zand, Waalwijk, Tilburg, Oisterwijk, Vught en Heusden • Waterschappen: De Dommel, Aa en Maas en Brabantse Delta Daarnaast is op de kaarten meegenomen: de begrenzing van het Natuur Netwerk Brabant met de Ecologische verbindingszones (EVZ), de ontwikkeling van natuur met de nog in te richten en te verwerven gronden vanuit het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) en informatie over pachtgronden vanuit de gemeenten.
Kaart: grondeigendom (zie bijlage 4 voor de gedetailleerde weergave per deelgebied)
De kaarten met huidige grondeigendommen zijn weergegeven in bijlage 4. Daarbij zijn ook adviezen voor grondstrategie (voor het totaal en op deelgebiedniveau) toegevoegd. 35
De grondstrategie in bewerking Op bestuurlijk niveau is er op dit moment een werkgroep actief die een grondstrategie aan het bouwen is. Brabants landschap (BL), Brabants Particuliere Grondbezit (BPG), ZLTO, de Duinboeren en Natuurmonumenten (NM) zitten aan tafel om vorm te geven aan de grondstrategie. Met de constatering dat grond een belangrijke sleutel is voor het gebied is gekeken naar de analyse en opgave m.b.t. grond. Daarnaast is ook samen nagedacht over een oplossingsrichtingen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan bodem en water sturend voor teelten, de gronden van stoppers beschikbaar maken voor blijvende melkveehouders in extensieve vorm, en ontwikkelruimte bieden voor de boomteelt. Ook wordt gekeken naar het mogelijk instrumentarium en middelen voor deze richtingen zoals: Kavelruil, Ruimtelijke Ordening (Omgevingsplan), verduurzamen van de pachtgronden, de rol van de banken, Voorkeursrecht bij gemeenten, of instrumenten zoals voorheen de ‘Wilg’. Daarnaast is het van belang om te werken aan een goede agrarische structuur. Een voorbeeld van een hulpmiddel hierbij is de LIA van ZLTO vooor de Langstraat. Dit krijgt een bestuurlijk- en ambtelijk vervolg met als doel een regulier grondoverleg met grondspecialisten, - bezitters en -partners. Momenteel (september ‘25) wordt hiervoor een ambtelijke werkgroep samengesteld.
4.9 Aanpak recreatie
Afbeelding: wat is nodig om tot een grondstrategie te komen?
Om tot een gerichte aanpak vanuit het thema recreatie te komen, heeft een aantal werksessies plaatsgevonden in de vorm van een zogenaamd ‘gedachte-experiment’. Hiervoor is een mogelijke visie vertaald naar een toekomstscenario, gericht op een afwaartse beweging van de recreatiedruk op het Natura2000-gebied en ruimte creëren voor recreatieontwikkeling op enige afstand van het Natura2000-gebied. Dit gedachte-experiment is bedoeld geweest om te achterhalen wat er mogelijk is om de streefbeelden op het gebied van recreatie te realiseren en wat de eerste stappen daarin zouden zijn.
Een van de acties vanuit de werkgroep recreatie bestaat uit het uitvoeren van een verkenning door Gemeente Heusden en Natuurmomumenten als voorbeeld voor het beleid voor andere gemeenten voor het bevriezen van ontwikkelruimte voor recreatieontwikkelingen tegen Natura2000 om zo de gewenste afwaartse beweging tot stand te brengen.
Vanuit dit gedachte-experiment zijn 3 kaarten tot stand gekomen, welke in bijlage VII zijn terug te vinden. Daarbij is ook een leeswijzer bij deze kaarten toegevoegd. • Kaart A) De huidige situatie met recreatievoorzieningen is in beeld gebracht met input vanuit de gebiedspartners in de recreatiewerkgroep. • Kaart B) Het toekomstscenario met daarop: waar willen we naartoe?; Dit toekomstbeeld is een vertaling van de tekst bij het uitgangspunt en streefbeeld voor het thema recreatie, zoals omschreven in het volgende hoofdstuk. Het is een dynamische kaart als het gaat om de actualisatie van de recreatiezonering. Het laat het gewenste beeld zien als het gaat om de afwaartse beweging in de schil met locaties voor startpunten, parkeerplaatsen, recreatieontwikkelingsgebieden, ommetjes e.d.. De exacte invulling hiervan kan nog variëren. • Kaart C) Vanuit het toekomstscenario is de kaart met actiepunten ontwikkeld: hoe komen we daar? Op deze kaart staan onder andere de actiepunten om de afwaartse beweging in gang te zetten zoals de ontwikkeling van nieuw beleid m.b.t. recreatievoorzieningen, de ontwikkeling van het landschap in de schil, de actualisatie van de recreatiezonering, de keuktafelgesprekken met recreatieondernemers en ontwikkeling van transitiepaden.
4.10 Natura2000 beheerplan Loonse en Drunense Duinen Het Natura2000 beheerplan Loonse en Drunense Duinen is een plan voor het beheren van het gebied. In de eerste beheerplanperiode is de prioriteit het tegengaan van verslechtering voor aangewezen soorten- en habitattypen, waarvoor de gunstige staat van instandhouding nog niet is bereikt. Het beheerplan wordt doorgaans elke zes jaar vernieuwd, welke éénmalig ongewijzigd kan worden verlengd. Deze verlenging heeft voor de Loonse en Drunense Duinen plaatsgevonden in januari 2025.
Het gedachte-experiment en de kaarten hebben geleid tot een reeks van acties en opgaves waaruit een ‘top 8’ van concrete acties en initiatieven zijn gerold, die bijdragen aan de eerder genoemde doelen en opgaves. Met deze acties zijn we er echter nog niet. 36
37
4.11 Erfgoed en cultuurhistorie
4.12 Overige visies
4.13 Huiskamer- en keukentafelgesprekken
Erfgoed is een interessante inspiratiebron voor actuele vraagstukken en initiatieven. Het begrijpen van het functioneren van het historische landschap en bijhorende gewoonten en tradities kan benut worden om de verschillende ideeën en oplossingen binnen de GGA verder te ontwikkelen en betekenis te geven.
Naast eerder in dit hoofdstuk genoemde bouwstenen zijn er vanuit de gebiedspartners visies en plannen opgesteld. Ook dit is belangrijke input voor deze visie. Het gaat hierbij om de volgende visies: • Masterplan Landschapspark Pauwels • Koersdocument Oostflank • Versailles van het Noorden • Stichting Duinboeren en Maatschappij • Zo mooi kan Brabant zijn; Toekomstperspectief voor de overgangszones N2000, vogelvluchtperspectief door de natuurorganisaties is Brabant. • Masterplan/uitvoeringsagenda Van Gogh Nationaal Park • Regionale Energie- en Klimaatstrategie (REKS) in de regio Hart van Brabant • Regionale Energie Strategie (RES) regio Noordoost Brabant
Vanaf november 2024 t/m februari 2025 zijn in de deelgebieden Loons Hoekje, Margriet en Cromvoirt & Helvoirt met veel agrarische ondernemers huiskameren keukentafelgesprekken gevoerd. Bedoeld om kennis en inzichten vanuit de agrarische sector uit die gebieden op te halen en te horen: Wat zijn hun zorgen, hoe kijken zij tegen het agrarische toekomstperspectief aan voor het gebied en voor hun onderneming, hoe willen zij betrokken zijn en blijven in het gebiedsproces, welke initiatieven en maatregelen zien zij voor hun en/of voor anderen?
Daarnaast wordt er gewerkt aan: • Howabo • GGA Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek • GGA Kampina en Oisterwijkse Vennen
Een overall beeld van de uitkomsten zijn samen te vatten als: • (Door)Bouwen aan het vertrouwen tussen de verschillende partijen. • Afspraken maken voor de lange termijn (20-40 jaar) is noodzakelijk om de gewenste en noodzakelijke investeringen te kunnen blijven doen (generatieplannen). • Afspraken en regels naleven door alle partijen. • Duidelijke informatie en communicatie omtrent plannen en vergunningen. • Aandacht hebben voor wat er allemaal in de agrarische sector in het gebied is gebeurd. • Gebruikers van het gebied intensiever betrekken bij het gebiedsproces en maak gebruik van de gebiedskennis van de agrariërs in het gebied bij het opstellen van de plannen. • Continu in gesprek blijven en wisselwerking met andere stakeholders in het gebied het liefst met een vaste persoon/organisatie voor contact. • Landbouwsector als volwaardige gesprekspartner beschouwen, waarbij begrip en waardering belangrijke kernwaarden zijn.
Erfgoed speelt ook een belangrijk rol in de ‘beleving’ van de omgeving: de verschillende kastelen, historische landschappen of oude kernen zijn voor bezoekers vaak een streling voor het oog. Zo draagt erfgoed ook bij aan de regionale identiteit van de Loonse en Drunense Duinen. Binnen het focusgebied liggen diverse cultuurhistorisch waardevolle gebieden en historische complexen en monumenten. Dit gaat van oude akkercomplexen, broekbossen, een gefixeerde stuifduin tot een laan op een landgoed. Het is van groot belang dat in de uitwerking van projecten het erfgoed wordt behouden en zelfs wordt versterkt, zodat het kan doorgegeven worden aan de volgende generatie. Het zijn uiteindelijk plekken die ons verbinden en ons Brabander laten voelen. Echter deze erfgoedparels worden ook bedreigd door de gevolgen van het veranderende klimaat. Om dit in stand te houden, te beschermen en te versterken zijn maatregelen nodig. Een sterk fluctuerende grondwaterstand is ook funest voor historische groen en monumenten. Het GGA proces kan bijdragen aan het oplossen van deze problematiek. De cultuurhistorische waardevolle gebieden en complexe cultuurhistorische provinciale belangen zijn opgenomen in het kaartenboek (kaart: Cultuur en Landschap).
38
Lopende gebiedsvisie in/rondom GGA Loonse en Drunense Duinen
In de kaart op de volgende pagina zijn de highlights van de uitkomsten en bevindingen kort weergegeven voor de drie deelgebieden. Een uitgebreid overzicht van de uitkomsten zijn in de bijlagen opgenomen. Per deelgebied is er een rapportage opgesteld waarin uitgebreide informatie van de gesprekken is te lezen. Uit deze uitkomsten is ook een aantal concrete acties en initiatieven gefilterd en zijn opgenomen in de projecten- en initiatieven lijst. In het overzicht op de volgende pagina zijn deze in het groen aangegeven.
De huiskamerbijeenkomsten en keukentafelgesprekken zijn voor de drie genoemde deelgebieden gehouden. In de andere gebieden (Pauwels, Leemkuilen en Hengstven), liepen en lopen al gesprekken en daarom is er voor gekozen om die gesprekken en bijeenkomsten hun eigen voortgang en dynamiek te laten volgen.
39
Highlights uitkomsten gesprekken agrarische ondernemers
Deelgebied Margriet: • •
Relatief veel jonge ondernemers Groei recreatie stoppen (maar groot deel is er wel afhankelijk van) • Behouden wat er is, er is al veel weg en ‘kapot’ • Kavelruil toepassen • Aandacht voor grond: areaal moet niet afnemen, langjarige pacht, redelijke prijs, minder bemoeienis, kavelruil Initiatieven: • Inzet van vertrouwenspersoon gevraagd, doorzetting 1 op 1 • Inzet adviseur gewasbeschermingsmiddelen Deelgebied Loonshoekje: • • • • •
Diversiteit aan ondernemingen behouden Biedt ruimte aan biologische bedrijven/ondernemers Zuinig op de nog bestaande agrarische ondernemers Niet meer boomteelt Groei recreatie stoppen (‘meeliften’ met Efteling en duinen, geen nieuwe ontwikkelingen) • Huidige bewoners meer ruimte bieden om te bouwen • Landbouw + natuur + recreatie: meer samenwerken, integreren en het creëren van proeftuinen • Landbouw in de knel door ruimtelijke verdichting • Angst voor beperkingen gewasbeschermingsmiddelen • Missen van centrale figuur (vertrouwenspersoon) • Verdroging (waterschap heeft watersysteem niet in de vingers) • Angst voor beregeningsverbod Initiatieven: • Inzet van vertrouwenspersoon gevraagd, doorzetting 1 op 1 • Inzet adviseur gewasbeschermingsmiddelen • Geef agrariërs een stem: blijf ze betrekken, één op één gesprekken etc. 40
5. Doelen vertaald naar uitgangspunten, toekomstperspectieven & streefbeelden Vanuit de hiervoor benoemde doelen (zie hoofdstuk 3) is een vertaalslag gemaakt naar streefbeelden. Deze zijn per hoofdthema verdeeld: natuur, water, landbouw en recreatie. Naast deze thema’s spelen er binnen de GGA nog meer factoren mee, zoals: wonen, energie, klimaat, mobiliteit, etc. Hoewel dit belangrijke thema’s zijn die nauw verbonden zijn met het landelijk gebied, is ervoor gekozen om deze niet te behandelen binnen deze GGA en enkel als raakvlakken te beschouwen. Er zijn voor deze aanverwante thema’s aparte ‘tafels’ waarop deze besproken worden. Wel is het van belang om te realiseren dat deze factoren zowel merkbaar als onmerkbaar een rol spelen binnen de GGA Loonse en Drunense Duinen. In het navolgende overzicht is voor alle thema’s (natuur, water, landbouw en recreatie) een hoofduitgangspunt geformuleerd. Vervolgens zijn voor elke thema streefbeelden opgesteld die aan de doelen en de uitgangspunten invulling geven. Deze streefbeelden zijn door de gebiedspartners opgesteld aan de hand van de eerder genoemde doelen en dienen allen te gaan bijdragen aan de doelstellingen. De bijdrage per deelgebied kan variëren, maar de totale optelsom moet de doelen voor de Loonse en Drunense Duinen gaan bewerkstelligen.
Deelgebied Cromvoirt & Helvoirt: • •
Binnen nu en 5 jaar nog veel ‘stoppers’, dus wees zuinig op wat er nog is Veel kansen en inzet op toevoegen landschapselementen (= groenblauwe dooradering) • Alternatieve route voor de EVZ voor Zandleij bespreekbaar maken • Vrijheid houden voor duurzaam ondernemen (verantwoordelijkheid en vertrouwen bieden) • Voorkeursrecht op zon- en wind locaties eraf Initiatieven: • B&O natuurbeheer is bespreekbaar met geschikt verdienmodel, hiervoor kan een plan worden opgesteld • Gezamenlijk plan boeren en WS m.b.t. waterkwaliteit en -kwantiteit • Behoefte aan opstellen ‘generatieplan’ (>20 jaar)
Bij de streefbeelden is op pagina 42 en 43 een integrale kaart toegevoegd die bij het lezen van de streefbeelden gebruikt kan worden voor inzicht in de locaties van de diverse onderdelen.
Toekomstperspectieven en streefbeelden
Qua scope voor de uitgangspunten en streefbeeld geldt voor ieder thema (met verschil in doelen) een andere tijdlijn, zoals uit de doelen in hoofdstuk 3 is opgenomen. Zo gelden voor de realisatie van doelen bijvoorbeeld 2030 of 2035 maar voor de integrale visie is 2040-2050 als stip op de horizon gezet.
41
WATER
Uitgangspunten en streefbeelden
NATUUR
42
LANDBOUW
RECREATIE
UITGANGSPUNT
UITGANGSPUNT
UITGANGSPUNT
UITGANGSPUNT
Ontwikkelingen dragen bij aan een herstel van het natuurlijk ecologisch- en hydrologisch systeem (zowel bodem en water, als soorten/biodiversiteit), waarbij landschapselementen buiten de Natura 2000 (groenblauwe dooradering) bijdragen aan ecologische verbindingen.
Water en bodem zijn sturend voor ruimtelijk gebruik en ontwikkelingen. Er is een natuurlijk en schoon grond- en oppervlaktewatersysteem dat bestand is tegen klimaatsverandering/extremen en gericht is op zoveel mogelijk infiltratie en water vasthouden.
Bijdragen aan een toekomstbestendige landbouw met een volhoudbaar verdienmodel met behoud van het agrarische cultuurlandschap waarbij teelten/landgebruik is afgestemd op het natuurlijk systeem van bodem en water.
Recreatiedruk, natuurbeleving, wonen, werken en agrarische bedrijvigheid is in balans in/rondom het Natura2000-gebied door een duurzame bereikbaarheid en een aantrekkelijke recreatieve schil. Waardevolle afwisselingen en kwaliteiten van het landschap zijn zichtbaar en beleefbaar en worden behouden door een prettige manier van samenwerken.
TOEKOMSTPERSPECTIEF/STREEFBEELD
TOEKOMSTPERSPECTIEF/STREEFBEELD
•1
1•
Het natuurlijk functioneren van het watersysteem is (waar mogelijk) hersteld waardoor het beter extremen kan opvangen. Het watersysteem is klimaatbestendig.
2•
We kunnen water beter vasthouden; de bodem is als een spons waarin organisch stofgehalte op orde is bij terreindepressies, brede sloten, wadi’s etc.
3•
Natuur, stad en landbouw zijn beter bestand tegen droogte. Schade door extreme neerslag is grotendeels verleden tijd, omdat water voldoende ruimte heeft in de beekdalen en op de flanken. Ook kan de grond op hoge delen water beter water vasthouden. Er is een betere balans tussen te veel en te weinig water.
•2
•3
De inrichting en het gebruik van de toekomstbestendige schil rond de Loonse en Drunense Duinen levert een belangrijke bijdrage aan het herstel van het Natura 2000-gebied, o.a. door verwerving en inrichting nog te realiseren natuurnetwerk. De schil, waarin functies zoals natuur, wonen, recreëren en landbouw in balans zijn, vermindert de druk op het Natura 2000-gebied. Er zijn o.a. initiatieven op het vlak van mobiliteit om alternatieven (bijv. de fiets) te stimuleren. Ook zijn er initiatieven om verblijfs- en dagrecreatie in de schil te stimuleren en aantrekkelijker te maken (volgens het streefbeeld bij ‘Recreatie‘), zodanig dat recreatieve druk in het Natura 2000-gebied afneemt. Door landschapselementen buiten de Natura2000 (groenblauwe dooradering) en gerealiseerde EVZ’s is de natuur goed verbonden met elkaar, passend in de karakteristieken van het afwisselend landschap.
•4
De natuur en de biodiversiteit zijn verbeterd. Het Natura 2000-gebied en de schil eromheen zijn aantrekkelijker.
•
Knelpunten/drukfactoren hebben we bij de bron aangepakt; stikstofdepositie is gedaald, minder gewasbeschermingsmiddelen waaien over, voedselrijk en voedselhoudend grondwater stroomt minder het gebied in, invasieve exoten zijn bestreden, de natuur heeft minder te lijden van honden en paarden. Deze vormen geen negatieve factor meer voor het behalen van de geformuleerde natuurdoelen.
5
4•
We gaan bewuster om met drink- en grondwater. Hierdoor hoeven we minder water uit de grond te halen.
• 5
Schoon (regen) water gaat de grond in waar het valt (infiltratie). Hierdoor zijn grondwaterstromen hersteld en zijn grondwaterstanden hoger (waar mogelijk). Maatwerk is hierbij belangrijk.
• 6
Door meer kennis gaan we anders om met grond. Het landgebruik is aangepast aan het watersysteem. Landbouw, natuur, woningen en bedrijven hebben de juiste plek gevonden en teelten zijn passend bij de locatie.
7•
Water gaat de grond in waar het valt; in stedelijke gebieden is het hemelwater afgekoppeld. Riooloverstorten zorgen niet meer voor vervuiling van grond- en oppervlaktewater.
•8
De Kader Richtlijn Water doelen zijn gehaald in 2027: het oppervlaktewater en grondwater heeft een goede ecologische waarde en de kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater is voldoende. Schoon water, blijft schoon!
TOEKOMSTPERSPECTIEF/STREEFBEELD •1
Boerenbedrijven kunnen door goede afspraken blijven ondernemen in de schil (met mogelijkheid tot activiteiten in natuurgebieden en/of buiten de schil) met een volhoudbaar verdienmodel, eventueel met verbrede (agrarische) activiteiten en/of maatschappelijke diensten en meerwaarde.
TOEKOMSTPERSPECTIEF/STREEFBEELD •1
Recreatie als drukfactor op het Natura 2000-gebied is afgenomen doordat bezoekers meer naar de schil zijn verleid.
•2
Met de verbreding en het breed houden van de toekomstige landbouw zijn nadrukkelijk verschillende transitiepaden gevolgd, wat heeft geresulteerd in een meerjarig perspectief voor de landbouw.
•2
•3
De landbouw die in de toekomst bedreven wordt, zorgt ervoor dat een groot deel van het landelijk gebied agrarisch blijft en dat er landschapselementen (groenblauwe dooradering) in het gebied zijn (denk aan ‘Versailles van het Noorden’).
Er is een afwaartse beweging ingezet vanaf Natura 2000-gebied met betrekking tot intensieve recreatie naar de schil. Recreatieondernemers hebben meegedacht over het creëren van meer balans rondom het N2000-gebied. De mogelijkheid om te blijven ondernemen op hun huidige plek blijft bestaan.
•3
•4
Het buitengebied is aantrekkelijker om in te verblijven en het landschap is versterkt. Dit komt door afwisseling van functies.
Recreatievoorzieningen zoals Natuurpoorten, parkeerplaatsen en routes komen in minder kwetsbare delen op afstand van Natura 2000-gebied te liggen. Hierdoor is er minder overlast in het Natura 2000-gebied.
•4
Bezoekers komen meer met het openbaar vervoer, te voet of met de fiets.
•5
Bedrijfsvoering van de landbouw is duurzamer (bijvoorbeeld door extra koolstofvastlegging of teeltkeuze die is afgestemd op het waterpeil) en agrariërs hebben geïnvesteerd in extra biodiversiteit. Dat zorgt voor een hogere kwaliteit en een gebied dat tegen een stootje kan.
•5
Het gebied rondom de Natura 2000 (de schil) is aantrekkelijker groenblauw dooraderd voor de recreant. Zij blijven daarom meer en langer in de schil.
•6
We gaan bewuster om met water door ontwikkelingen en initiatieven en werken daarmee aan het herstel van een natuurlijk watersysteem.
•7
Er is ingezet op een duidelijke extensivering op vele vlakken; minder mest, gewasbeschermingsmiddelen, beregening en watergebruik in de schil van het Natura 2000-gebied
•8
We hebben voor veel agrarische ondernemers een oplossing gevonden. Zij hebben op de juiste plek hun onderneming voortgezet. Grond is hierbij de belangrijkste sleutel.
•9
De agrarische bedrijven zijn in staat gesteld om te voldoen aan maatschappelijke wensen die op hen af komen
• 10
Grond is beter en voor langere tijd tegen een reële pachtprijs beschikbaar voor de landbouw, ook om te voldoen aan de maatschappelijke wens om te extensiveren
•6 De recreatieondernemer voelt de verantwoordelijkheid om bij te dragen aan het realiseren van het toekomstperspectief natuur en water. Bijvoorbeeld door het realiseren van landschapselementen. Zij gaan ook bewuster om met (hemel) water.
43
44
Integrale kaart ter ondersteuning bij de uitgangspunten en streefbeelden. De streefbeeldenkaart heeft een sterk indicatief karakter en vraagt in de verdere uitwerking op deelgebiedniveau nadere en specifieke uitwerking inclusief effecten en consequenties. Met een integrale bril kijkend naar deze streefbeelden leidt dit tot keuzes op schuurpunten die nog niet gemaakt zijn.
45
6. Totaalvisie & aanpak Loonse en Drunense Duinen 6.1 Totaalvisie Een robuuste natuurkern met een landschappelijk aantrekkelijke schil, waarin agrarische en recreatieve ondernemers met respect voor natuur en milieu kunnen blijven ondernemen. Doorgaan en waardering uitspreken op de al goede maatregelen is daarbij een essentieel startpunt. Tegelijkertijd is het duidelijk dat het tijd is voor een transitie met uitvoeringskracht in het landelijk gebied. De natuur-, water-, landbouw- en recreatieopgaven zijn nauw met elkaar verweven en hebben een link met andere opgaven zoals wonen, energie, klimaat, duurzaamheid en mobiliteit. Omdat de natuur onder druk staat is het belangrijk dat er zo snel mogelijk actie ondernomen wordt en duidelijkheid wordt geboden. Daarom is een slagvaardige, snelle, weloverwogen en pragmatische aanpak nodig voor deze transitie die gericht is op concrete initiatieven. De transitie daarintegen is een langdurig proces. De doelen, perspectieven en streefbeelden vormen een richtinggevende visie voor een vitaal, veerkrachtig gebied. De transitie bestaat onder andere uit de watertransitie, waarbij water en bodem (waterkwantiteit en -kwaliteit) een sturende rol krijgen, alsmede de landbouwtransitie (in de vorm van transitiepaden zoals extensivering en innovatie), nieuwe verdienmodellen en verbreding van deze sector.
Daarbij ligt er ook een forse stikstofreductie-opgave. Dit maakt deze transitie een alles overstijgende uitdaging en opgave voor het gehele Loonse en Drunense Duinen gebied. De balans vinden tussen te veel en te weinig water is voor het natuurherstel, maar ook voor de landbouwsector, een cruciale opgave. Water en bodem als sturend principe geldt overigens voor alle thema’s in deze visie. Daarnaast dient door de transitie de natuurwaarde in het Natura2000-gebied en de schil toe te nemen. Een afwaartse beweging van de nu nog toenemende recreatiedruk in het Natura2000-gebied is voor natuurherstel evenzeer cruciaal. Als we op een integrale manier naar de doelen uit hoofdstuk 5 kijken, is de essentie per thema op de volgende manier te omschrijven: •
46
Natuur: Initiatieven inzetten die gaan bijdragen aan het herstel van het ecologische- en hydrologische natuurlijk systeem (zowel bodem en water, als soorten/biodiversiteit), met zo min mogelijk invloed van drukfactoren (essentie is natuurherstel);
•
•
•
Water: Water- en bodem sturend laten zijn voor het ruimtelijk gebruik en de beoogde ontwikkelingen. Ook is er een natuurlijk en schoon grond- en oppervlaktewatersysteem nodig dat bestand is tegen klimaatsverandering en gericht is op zoveel mogelijk infiltratie en water vasthouden (essentie is waterbalans); Landbouw: Inzetten op een toekomstbestendige landbouw met een volhoudbaar verdienmodel met behoud van het agrarische cultuurlandschap waarbij teelten/ landgebruik is afgestemd op het natuurlijk systeem van bodem en water (essentie is perspectief voor agragrische sector); Recreatie: Inzetten op een toekomstbestendige recreatiesector door het in balans brengen van recreatie en de natuur door een duurzame bereikbaarheid en een aantrekkelijke recreatieve schil. Hierbij worden de waardevolle afwisselingen en kwaliteiten van het landschap behouden en versterkt en het gebruik zichtbaar en beleefbaar zijn (essentie is perspectief voor recreatieve sector).
6.2 Focus op thema’s en deelgebieden voor meer uitvoeringskracht
Natuur - natuurherstel
Voor natuur is de visie de primair opgave dat ontwikkelingen bijdragen aan herstel van het natuurlijk ecologisch- en hydrologisch systeem. Natuurherstel is vanuit alle gebieden een opgave. Het afmaken van het natuurnetwerk bij de Brand (deelgebied Leemkuilen), Hengstven (deelgebied Hengstven) en Helvoirts Broek (deelgebied Croimvoirt/Helvoirt) is essentieel. In alle deelgebieden spelen maatregelen die worden genoemd in de NDA en/of de LESA.
wordt evenzeer gekeken naar reductie van stikstof op mobiliteit, toevoegen van groen blauwe dooradering en aanpak piekbelasters. Zo wordt er vanuit recreatie gekeken naar verminderen van autoverkeer direct tegen de Natura2000 aan, door autoluwe wegen te creëren. Recent is ook een verkenning in gang gezet om parkeren (op termijn) verder afgelegen van Natura2000 te laten plaatsvinden.
Daarnaast is er winst te behalen in ‘Loons Hoekje’ door voor een nu nog ‘verrommeld’ gebiedje een landschappelijke herinrichting door te voeren, waarbij groenblauwe dooradering substantieel versterkt kan worden. Ook in de deelgebieden ‘Cromvoirt/ Helvoirt’ en ‘Leemkuilen’ liggen diverse (water)lopen die een natuurlijkere herinrichting vragen (Ruys Bossche-, Raamse- en Kolvensche Lopen). Dat geldt ook zeker voor de Zandleij maar daarnaast ook voor de Broekleij (deelgebieden: ‘Pauwels en ‘Cromvoirt/Helvoirt’).
Daarnaast is vanuit ‘BOS 2.0, sector overstijgend en maatwerk’ voor twee piekbelasters een ‘plan the campagne’ gevolgd. Vanuit de landbouwsector wordt de focus gelegd op LBV én en het monitoren van ‘blijvers’. Daarnaast zal nadrukkelijk de integrale afweging nog nader uitgewerkt dient te worden als het gaat om stikstofmaatregelen zoals het verminderen aanwending mest op agrarische percelen nabij Natura 2000-gebieden.
Stikstof
De balans tussen te veel en te weinig water, zoals hierboven beschreven, is gevat in het handelingsperspectief watertransitie en wordt als sturend beschouwd in alle gebieden. Daarnaast bieden diverse (eco)hydrologische studies, samengevat in de LESA, inzicht in de knoppen om aan te draaien binnen het watersysteem. Vanuit de balans gedachte, met het watersysteem als sturend principe, gaat naast natuur ook de aandacht uit naar de effecten op o.a. landbouw en stedelijk gebied.
Stikstof is één van de essentiële thema’s om doelen te bereiken. Naast de BOS 2.0 analyse en de daaruit voortvloeiende maatregelen zijn voor dit gebied aanvullende maatregelen als start van de transitie beoogd. Deze aanvullende maatregelen richten zich niet alleen op de landbouwsector maar er
Water - waterbalans
Het gebied Loonse en Drunense Duinen is erg groot en omvangrijk. Het is belangrijk en nodig om de genoemde doelen en de toekomstperspectieven en streefbeelden – die in het vorige hoofdstuk uitvoerig zijn beschouwd – voor het gehele gebied te gaan bereiken. Het bereiken daarvan kent vooral zijn kracht als er meer en specifiek gerichte initiatieven liggen en deze gaan plaatsvinden op deelgebiedniveau. Zo kan er effectiever, sneller en concreter naar de overall opgaves voor het gehele gebied worden toegewerkt. Dat blijkt onder meer uit de vele exercities en werksessies die per deelgebied hebben plaatsgevonden; pas dan komen initiatieven op tafel om voor de Loonse en Drunense Duinen als totaal gebied de benodigde transitie te bewerkstelligen. Die transitie grijpt in essentie in op vier hoofdthema’s: natuur, water, landbouw en recreatie, en kennen raakvlakken met de thema’s: wonen, mobiliteit, klimaat, duurzaamheid en energie. 47
7. Uitvoeringskracht en prioritering Landbouw - perspectief voor de agrarische sector
De agrarische sector maakt ook in het gebied van GGA Loonse en Drunense Duinen een transitie door. Hierbij ligt de uitdaging om deze transistie te combineren met de lokale opgaves rondom bodem, water, natuur en stedelijke ontwikkelingen. De focus en grootste opgaves vanuit de agrarische en boomteeltsector liggen voornamelijk in de deelgebieden ‘Leemkuilen’ en ‘Pauwels’ maar daarnaast ook in de ‘Margriet’. Vooral de boomteeltsector in de ‘Leemkuilen’ en ‘Pauwels’ heeft een prominente rol en vraagt om verdere verduurzaming en bevat tevens de uitdaging om samen de benodigde landschappelijke versterkingen te bewerkstelligen. Het geschetste perspectief in het ‘Versailles van het Noorden’ vormt daarbij een stevig fundament. Voor ‘Pauwels’ ligt de primaire uitdaging om de landelijke transitie te rijmen met de meer stedelijke opgaves en ambities. Huiskamer- en keukentafelgesprekken met zowel agrarische- als recreatieve ondernemers zijn middelen om bij te dragen aan de invulling van de visie. Doorzetting van deze gesprekken is daarbij essentieel waarbij waardering voor de al goede maatregelen een voornaam vertrekpunt is.
Recreatie - perspectief voor de recreatieve sector
Naast de agrarische sector speelt ook de recreatieve sector een belangrijke rol binnen de natuuropgave. De toenemende recreatiedruk speelt overal in de Loonse en Drunense Duinen, maar op enkele locaties is er sprake van een grotere en dominantere recreatiedruk en ligt er een grote urgentie om sneller toe te werken naar realisatie van de streefbeelden voor recreatie. Daar waar de recreatiedruk hoog is, ligt spreiding naar gebieden waar de recreatiedruk minder groot is in de rede. In deelgebieden ‘Loons Hoekje’, ‘Pauwels’ en ‘Hengstven’ liggen wat dat betreft de grootste uitdagingen. De andere deelgebieden kunnen in dit kader zeker ook een bijdrage leveren door deze druk mede op te vangen. Daarbij behoren initiatieven om vooral de dagrecreanten slimmer en op meer afstand van het Natura2000-gebied Loonse en Drunense Duinen op te vangen, in combinatie met goede alternatieven (zoals OV en fiets). Daarbij gaat het niet om dat ‘iets niet meer mag’, maar dat ‘het anders en slimmer kan en moet’. Het verkennen van ‘bevriezing’ van recreatieuitbreiding is momenteel een lopende activiteit. 48
Deze visie met uitvoeringskracht mondt uit in een (gros)lijst met initiatieven en maatregelen. Een lijst die vanuit verschillende invalshoeken tot stand is gekomen en is samengesteld. Een reeks van initiatieven en maatregelen die vanuit de opgestelde doelen en streefbeelden ‘bottum up’ tot stand zijn gekomen, geldend voor zowel het gehele LDD gebied, als pér deelgebied. Daarnaast zijn vanuit de LESA, vanuit de NDA’s, vanuit recreatie en vanuit stikstof maatregelen ontwikkeld en tot stand gekomen. Deze initiatieven en maatregelen hebben we nu in één totaal overzicht (groslijst) overzichtelijk bij elkaar gebracht (= separaat document). Deze lijst is overigens input geweest voor een pakket van maatregelen in het kader van ALG uitvraag (mei 2025). Vanuit deze lijst wordt nu een prioritering gehanteerd vanuit de volgende criteria: 1) Het te bereiken doelbereik m.b.t. natuur, water, landbouw en recreatie: in welke mate dragen de initiatieven bij aan één of meer streefbeelden binnen het betreffende thema; 2) De mate van draagvlak; 3) Tijd en hoe snel is de maatregel uit te voeren; 4) Financiën en kosten(effectiviteit); welk initiatief/maatregel is reeds al gedekt of kan gedekt worden uit bestaande gelabelde geldstromen.
Dit zijn overigens dezelfde criteria als die per initiatief al zijn bepaald tijdens het opstellen van de maatregelentabellen, wat het praktisch en overzichtelijk maakt om deze te gebruiken voor de prioritering. In de prioritering wordt voor elke criteria een score toegekend (zie bijlage 5). Daarnaast zijn verschillende categorieën onderscheiden gebaseerd op de verschillende soorten initiatieven en bronnen waaruit deze zijn voortgekomen. In totaal worden de volgende categorieën onderscheiden: • Impactvolle initiatieven/maatregelen (met een hoog – hoogste doelbereik); • Initiatieven/maatregelen (bottum-up uit het (deel)gebied) (die reeds eerder in de bronzen versie stonden opgenomen, maar geactualiseerd en bijgesteld);
• • • • •
NDA-maatregelen (binnen / buiten Natura2000); Maatregelen vanuit onderzoek LESA (hydrologische analyses); Maatregelen vanuit stikstofanalyse (volgens dus nog); Initiatieven/maatregelen vanuit het zgn. ‘recreatie experiment’; Onderzoeken
Hoofdlijn bij wegen en prioriteren van initiatieven en maatregelen Bij het afwegen en prioriteren is de hoofdlijn dat er in beginsel in alle deelgebieden en uit alle categorieën initiatieven en maatregelen worden ingezet, waarbij wel het (wettelijk) doelbereik (zwaar) mee wordt gewogen. Ingeschat wordt dat de initiatieven met het ‘hoogste doelbereik’ en vanuit de LESA/NDA al voor een substantieel deel bereikt kunnen worden m.b.v. de Rijksmiddelen. De factor tijd is belangrijk bij de keuze om in te zetten op alle deelgebieden. Wellicht kan niet in alle deelgebieden direct worden begonnen en komt het ook neer op fasering; in welke deelgebieden liggen substantieel grotere opgaves dan in andere deelgebieden. Hierna volgt een verdere schematisch uitleg en toelichting op het prioriteringsvoorstel.
Figuur: uitsnede van de initiatieven - maatregelenlijst (de gehele lijst is als separaat document bijgevoegd)
49
Met dit overzicht en de inzichten m.b.t. doelbereik, maar ook met inzicht m.b.t. draagvlak, tijd en kosten zijn de volgende opties denkbaar gebleken. Dit is bedoeld om maatregelen te gaan wegen, om te prioriteren en om zo snel tot uitvoering te komen en de transitie daadwerkelijk in gang te zetten en voort te zetten: A) Impactvolle Initiatieven - maatregelen en veelal met het ‘hoogste doelbereik’ (maar veelal ook complex en of wisselend draagvlak en overeenstemming); B) Initiatieven die op meer thema’s tegelijk bijdragen (recreatie, water, natuur, landbouw) maar niet altijd met het hoogste doelbereik, maar wel met doorgaans meer draagvlak; C) Initiatieven met ‘breed draagvlak, snelle uitvoering’ (minder complex); D) Initiatieven vanuit NDA / LESA; doelbereik primair op water en natuur, minder op recreatie E) Onderzoeken (doelbereik nog onbekend) ‘Pakketten’ waarmee aan de slag kan worden gegaan, vooral op korte termijn: • Pakket-optie 1: Alleen inzetten o.b.v. ‘optie a’ (impactvol en hoog doelbereik, maar meest complex m.b.t. tijd, geld, draagvlak); • Pakket-optie 2: Inzetten op de eerste 3 á 4 maatregelen uit alle categorieën a t/m d/e (een mix dus); • Pakket-optie 3: Inzetten op enkel NDA’s en LESA-initiatieven, categorie ‘d’; • Optie 4: n.n.t.b. Voor de besluitvorming worden de projecten en de prioritering voorgelegd in de stuurgroep van de GGA.
8. Vervolg van GGA Loonse en Drunense Duinen 8.1
Van visie naar uitvoeringskracht
Voorliggende visie bestaat zoals eerder aangegeven uit twee onderdelen; onderdeel één waarin door en met de gebiedspartners voor vier hoofdthema’s doelen, uitgangspunten en streefbeelden zijn opgesteld. Om deze doelen en streefbeelden te behalen is inzicht nodig in diverse onderdelen, die zijn gevat in bouwstenen. Deze bouwstenen geven op basis van uitgevoerde analyses, onder meer op het gebied van hydrologie, recreatie, stikstof en grondanalyses, de noodzakelijke inzichten bij het bewerkstelligen van de doelen en streefbeelden. Daarmee wordt vervolgens input geleverd aan onderdeel 2, namelijk het komen tot uitvoeringskracht. Met het instemmen van deze visie, de (lokale) doelen en streefbeelden (deel 1) is het gebiedsproces natuurlijk niet klaar, sterker nog, dan begint het concretiseren en invulling geven aan deze visie pas echt. En daarmee dus de echte uitvoeringskracht! Daarbij is het nodig om in de deelgebieden in een integrale gebiedsontwikkeling(en) naar concrete uitvoeringsmaatregelen toe te gaan werken. Zo is er een groslijst met een grote mate van verscheidenheid aan maatregelen opgesteld.
Catergorieën m.b.t. initiatieven/projecten 1. 2. 3. 4. 5. 6.
50
Initiatieven - maatregelen (bottum-up uit het (deel)gebied) Impactvolle initiatieven - maatregelen (met hoog doelbereik) NDA-maatregelen (binnen / buiten Natura2000) Maatregelen vanuit onderzoek LESA (hydrologische analyses) Maatregelen vanuit stikstofanalyse Onderzoeken
Toebedeling scores
Binnen onderdeel 2 worden nu stappen gezet om tot uitvoering van deze maatregelen te komen. Daarbij spelen integraliteit en prioritering een voorname rol. Een eerste invulling en slag is gemaakt in het kader van de Aanpak Landelijk Gebied waarin een eerste selectie is gemaakt uit de groslijst.
Tijd: 0 – 3 maanden = 4 3 – 6 maanden = 3 +- 1 jaar =2 > Jaar =1
Kosten: € 0 – €100 K =4 € 100 – € 500 K = 3 € 500 K – € 1 mln. = 2 € 1 mln. of meer = 1
Draagvlak: Zwak Matig Voldoende Uitstekend
=1 =2 =3 =4
8.2
Het proces van visiefase (deel 1) naar uitvoeringsfase (deel 2)
Om te komen tot een uitvoeringsfase van deel 2 wordt als eerste (tussen)stap de zgn. leidende principes uitgewerkt. De principes zijn praktische handvaten voor een integrale ontwikkeling. Deze principes geven richting aan ontwikkelingen en worden gebruikt als uitgangspunten bij de deelgebied uitwerkingen en projecten. Daarmee geven ze richting op de schuurpunten en hoe we hier in de praktijk mee omgaan. Deze principes vormen de verbinding van visie fase naar de uitvoeringsfase. De verbinding tussen en de vertaling van de visiefase naar de uitvoeringsfase is cruciaal. Daarin wordt een beroep op alle gebiedspartners gedaan om integrale afwegingen te maken die kenmerkend zijn en horen bij een transitie van het landelijk gebied. Met de figuur op de volgende pagina is dit gevisualiseerd. De voornaamste procesmatige elementen zijn: • Onderschrijven van de gebiedsurgenties en hier langjarig in een integrale gebiedsontwikkeling oplossingsgericht aan gaan werken. • Lopende plannen en projecten scherp in beeld houden en krijgen, en afstemming met onder meer omliggende GGA gebieden, maar ook met bestaande opgaves en plannen zoals Howabo, Landschapspark Pauwels, Koersdocument Oostflank Brabants Versaille en de zgn. Versnellingsdossiers; • Daar waar mogelijk en zinvol een duidelijk startpunt vaststellen.