CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Site GGA Loonse en Drunense Duinen

RAAD 29 januari 2026, gemeente OisterwijkBij agendapunt: Overzicht ingekomen stukken - gewijzigd aangenomen20.083 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Of het nu gaat om de 0-meting voor de groenblauwe dooradering, het duidelijk in beeld brengen van de hydrologische situatie of de herkomst van stikstof of bestrijdingsmiddelen, van belang is dat bij de uitwerking van maatregelen bij voorkeur met een startpunt wordt gewerkt zodat gemonitord kan worden of doelen gehaald (kunnen) worden en/of maatregelen effectief zijn; • Een robuuste grondstrategie is een essentiële en cruciale sleutel; • We zetten in op een duurzame land- en tuinbouw, waarbij alle transitiepaden een bijdrage kunnen leveren aan het realiseren van de gebiedsdoelen; van belang is het behoud van jonge boeren, melkveesector en grasland. • Een koppeling tussen deelgebieden en overkoepelende GGA’s is essentieel om de integrale blik op de invulling van de streefbeelden en de uitwerking ervan te behouden. Mogelijke maatregelen op het gebied van hydrologie en stikstof, 51

•

•

•

vragen altijd om een integrale belangenafweging. Duidelijke stappen zijn het op basis van joint fact finding in kaart brengen van alle mogelijke effecten etc. (die relevant zijn voor een goede belangenafweging) en mitigerende maatregelen en kosten daarvan. Een afwegingskader en bijhorende instrumentenkoffer voor nadeelcompensatie zijn hiervoor cruciaal; De streefbeelden zijn indicatief gevisualiseerd voor het gehele GGA gebied Loonse en Drunense Duinen en dienen ook als zodanig te worden geïnterpreteerd. Dit is niet bedoeld om op voorhand beperkingen op gebruik van specifieke gronden te leggen zolang niet duidelijk is wat effecten en consequenties (bijv. t.a.v. grondwaarden) precies zijn. In de uitwerking van maatregelen dient eerst nadere duiding op deelgebiedniveau / op kleiner schaalniveau plaats te vinden. Zet kracht bij de aanpak om juist in deelgebieden te werken. Tijdens de plan& uitvoeringsfase komt hierop nog meer nadruk te liggen, omdat de gebieden verschillend zijn en bewoners en ondernemers zo ook meer ‘lokaal’ betrokken worden. Werken in werkgroepen: komen tot resultaten, het delen van informatie, het betrekken van de juiste inhoudelijke mensen voor onderzoek of uitvoering en het delen van casussen werkt het beste in werkgroepen. Voorbeelden van werkgroe-

•

pen zijn: recreatie, stikstof, grondstrategie, communicatie en participatie. In de plan- & uitvoeringsfase wordt met uitvoeringskracht gewerkt aan de in de groslijst opgenomen initiatieven en maatregelen welke worden ‘gescoord’ op o.a. doelbereik, draagvlak, kosten en tijd (zie hoofdstuk 7). Met deze aanpak worden de toekomstperspectieven en streefbeelden onderdeel van een projectuitwerking. Van belang hierbij is dat integraliteit op gebiedsniveau voorop staat.

In het schema is te zien dat communicatie en participatie een belangrijke plek inneemt tussen de visiefase en de plan- & uitvoeringsfase. Ondernemers (o.a. recreatief en agrarisch) alsmede bewoners zijn een belangrijke schakel om projecten met draagvlak uit te voeren. Dit begint met het tijdig informeren van deze doelgroepen over bijvoorbeeld bestuurlijke keuzes en instrumentarium. Daarnaast moeten ook initiatieven en energie uit het gebied goede benut worden. In de plan- & uitvoeringsfase is een goed monitoringspgrogramma op doelbereik ind e transitie van het landelijk gebied cruciaal. Dit monitoringsprogramma moet de gewenste en ongewenste (neven)effecten meten en bewaken. In deze 0-meting speelt de provincie een belangrijke rol.

8.3

Integraliteit bewerkstelligen

Kijkend naar de streefbeelden van de vier thema’s en kijkend naar de uitwerking van de verschillende maatregelen, komen er op diverse onderdelen echter nog schuurpunten naar voren. Belangen van de verschillende thema’s conflicteren nog op diverse punten. Of het instrumentarium (en of regelgeving) is nog niet altijd toereikend om daadwerkelijk tot de gewenste uitwerking te komen. Over deze punten zijn in het gebied nog niet overal éénduidige besluiten genomen of zijn er enkel uitgangspunten benoemd hoe we omgaan met conflicterende doelen en welke instrumentarium en strategie daar bij horen. Deze zullen in het vervolg van dit GGA verband, met name door uitwerking in deelgebieden, gebiedsgericht, integraal en met maatwerk moeten worden uitgewerkt op zowel inhoudelijke thema’s als in het lopende gebiedsproces. Juist dit proces valt onder onderdeel 2 van deze visie. Een aantal voorname inhoudelijke- en tevens integraal af te stemmen elementen daarbij is hieronder weergegeven. Hierbij is een voorstel van een eerste vervolgstap omschreven. • Stikstof: Een integrale afweging van de zogenaamde ‘stikstof-knoppen’ zoals uit het onderzoek van het consortium naar voren is gekomen. Bijvoorbeeld vanuit de ‘knop’ vermindering aanwending mest (extensivering) agrarische percelen nabij N2000.

Een nadere analyse en uitwerking is derhalve gewenst op hoe en op welke manier dit zowel vanuit de natuur -als landbouwsector tot effectieve maatregelen kan worden gekomen. Ook het nog in ontwikkeling zijnde Programma Overgangsgebieden van de provincie is van invloed hierop. De wettelijke doelen met betrekking tot de drukfactor stikstof zijn duidelijk (zie bouwsteen stikstof) en daar dienen we zowel landelijk, provinciaal (BOS 2.0.) als gebiedsgericht aan te werken. Daarbij is een integrale benadering nodig zoals dat binnen het GGA-proces altijd uitgangspunt is. Voorstel eerste vervolgstap: de nadere analyse en uitwerking om te komen tot gedragen maatregelen agenderen in de werkgroep ‘Stikstof‘ met de mogelijkheid om vanuit de provincie bij het consortium vervolgonderzoek uit te voeren. • Hydrologie: Met maatwerk op deelgebiedniveau moet gezocht worden naar hoe het streefbeeld van de thema water, het werken aan een klimaatadaptief

52

•

landschap, samen komt met het grondgebruik. Vanuit het principe water- en bodem sturend zal blijken dat de thema’s op sommige plekken beter verenigbaar zijn als op andere. Op de ene plek kan voor beide thema’s een win-win situatie worden gecreëerd, terwijl op de andere plek het wenselijk is het gebruik aan te passen aan de natuurlijke condities van het terrein. Hierbij is het van belang om op gebiedsniveau de juiste functies op de juiste plek te krijgen. Daarnaast moet er integraal worden gekeken naar de effecten van maatregelen; ook buiten het N2000-gebied. Bijvoorbeeld: de verhoging van grondwaterpeil kan voor overlast zorgen voor de landbouw en stedelijk gebied, zoals in Loons Hoekje en Margriet. Met maatwerk wordt gekeken naar de uitwerking, doelbereik, en mogelijke mitigerende- en innovatieve maatregelen. Er wordt gezocht naar een toekomstbestendige inrichting voor robuust watersysteem dat bijdraagt aan het tegengaan van wateroverlast door een teveel en een tekort aan water. In beekdalen is de verwachting dat het vaker nat is. Vanuit Water en Bodem Sturend schuurt dit met hoogwaardige teelten zoals akkerbouw en boomteelt, maar ook en met woningbouw. Op de hoge koppen schuurt het juist met teelten die niet passen bij de droge omstandigheden. De flanken zijn gronden waar vanuit Water en Bodem Sturend goede omstandigheden liggen voor landbouw (niet te droog en niet te nat).

Idealiter gebruik je deze gronden voor landbouw van hoogwaardige gewassen (akkerbouw, boomteelt). Deze gronden worden nu soms ‘bezet’ door gebruik dat ook op minder goede gronden zou kunnen plaatsvinden. Het geldt schuurpunt geldt niet alleen voor de agrarische sector. Door het terugbrengen van een natuurlijk watersysteem kan het ook zijn dat huidige natuurdoeltypes niet realistisch zijn. Voorstel eerste vervolgstap: op deelgebiedniveau inzoomen op het bodem- en watersysteem, waar zitten de win-win situaties, maar belangrijker: waar zitten de knelpunten? Het advies is om te starten met het waterschap en een vertegenwoordiging van de agrarische sector en daarna ditzelfde te doen met andere thema’s. ‘Omgevingsvisies’ schuren op onderdelen met ‘toekomstperspectief voor agrarische ondernemers’ en ‘natuur’: De meningen zijn verdeeld over de stelling dat niet in iedere (omgevings)visie is het toekomstperspectief voor agrarische on53

•

•

54

dernemers en natuur voldoende meegenomen. Bijvoorbeeld: door in de lokale gebiedsontwikkeling in(keukentafel)gesprek te gaan met agrarische ondernemers en visies vanuit de sector (zoals Versailles van het Noorden) beter te benutten worden problemen in de uitwerking en uitvoering van maatregelen voorkomen. Concreet voorbeeld: het actief meenemen van keukentafelgesprekken in de deelgebieden Pauwels en Leemkuilen. Uitgangspunten en inzichten uit de GGA-visie vormen (mogelijk) ook input voor de omgevingsvisies. Hierdoor wordt het noodzakelijke natuur- en watersysteemherstel beter mogelijk gemaakt, maar ook de uitwerking van het toekomstperspectief voor de agrarische sector. Zie hiervoor bouwsteen ‘Omgevingsvisies‘ (4.6). Voorstel eerste vervolgstap: samen met de gemeenten bepalen waar de schuurpunten zitten in de uitvoering en waar keuzes dienen te worden gemaakt. Balans recreatiedruk: De recreatiewerkgroep heeft de afgelopen periode gezamenlijk gewerkt aan een duidelijke richting voor de sector. Meer hierover staat beschreven in hoofdstuk 4 en in bijlage VII. De recreatie verspreiden over de schil leidt, naast kansen voor de agrarische sector op verbreding, mogelijk ook tot beperkingen voor de agrarische sector. Houd met de recreatieontwikkelingen in de schil voldoende rekening met de agrarische sector.

Bijvoorbeeld: grootschalige recreatie verplaatsen van de rand van N2000 naar het agrarisch gebied verhoogd de druk op de agrarische gronden omdat er meer functies samen komen in dit gebied. Dit is maatwerk, en ontwikkelingsgebieden zullen integraal met de onder andere de agrarische sector worden ontwikkeld. Ook als economisch perspectief (verbreding) voor de landbouw, met achtneming van het principe afwaartse beweging ten opzichte van N2000. Kijk naar bijvoorbeeld naar kleinschalige recreatie die kan passend is bij het agrarisch karakter van het gebied en kan als kans voor de landbouw worden benut, bijvoorbeeld in combinatie met groenblauwe dooradering. Voorstel eerste vervolgstap: de agrarische sector betrekken bij de verdere ontwikkeling als het gaat om recreatieve zonering. Een actie die wordt opgepakt in de recreatiewerkgroep. Landbouwperspectief: de druk op het landbouwperspectief zoals omschreven in het streefbeeld is groot vanuit bijvoorbeeld recreatie, water en natuur. Vanuit deze laatst genoemde thema’s dienen immers ook bijdrages te worden geleverd. Bijvoorbeeld: Vanuit de LESA zijn hydrologische knoppen in beeld gebracht. In de

•

uitwerking lijkt de focus op de maatregelen voor de agrarische sector te liggen terwijl ook vanuit de industrie en bebouwd gebied een belangrijke bijdrage te leveren is. Vanuit natuur draagt o.a. bosomvorming in de natuurgebieden bij aan hydrologisch herstel, hier gaat wel heel veel tijd overheen. Daarnaast kan een beschermde status voor hoogwaardige landbouwgronden perspectief bieden voor de agrarische sector. Hier kunnen schuurpunten zitten met de doelen vanuit natuur en water. De uitwerking van een dergelijke status verdient aandacht. Zo dient er te worden gekeken naar de locaties van deze hoogwaardige landbouwgronden ten opzichte van het handelingsperspectief van het waterschap. Dit om bijvoorbeeld te constateren dat veel hoogwaardige landbouwgronden liggen op de plekken die passen bij het toekomstbeeld in het kader van water en bodemsturend. Er liggen echter ook landbouwgebieden op locaties waar bijvoorbeeld garanties op beschikbaarheid van water op hoge delen door het huidige beleid van het waterschap niet kunnen worden gegeven. Wanneer nieuwe functies in het agrarisch gebied onontkoombaar zijn, dient er getoetst te worden op agrarische structuren, met als uitgangspunt dat de agrarische structuur integraal wordt meegewogen in de planuitwerking. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de LIA die is opgesteld door ZLTO De Langstraat.

Om te voorkomen dat onnodig landbouwgrond verloren gaat dient meervoudig ruimtegebruik het vertrekpunt te zijn. Voorstel eerste vervolgstap: een overleg met de waterschappen en de agrarische sector is nodig om te komen tot een aanpak als het gaat om keuzes en duidelijkheid. Hierbij kan worden ingezoomd op de vervolgstappen vanuit de LESA maar ook op de hoogwaardige landbouwgronden in relatie tot het watersysteem. Grondstrategie: er is een analyse van grondeigendom gemaakt en er is een begin gemaakt in een integraal grondoverleg over de te hanteren grondstrategie. Dit dient in de plan- & uitvoeringsfase nadrukkelijk een vervolg te krijgen. Een goede grondstrategie is belangrijk en dat vraagt veel (personele) capaciteit met als doel om tot een grondstrategie voor dit gebied te komen. Hierbij zijn voor het toekomstperspectief van recreatieve en agrarische ondernemers maar ook voor het behalen van de natuurdoelen langjarige afspraken essentieel. Een schuurpunt waarin grond van belang is, is het verdijwenen van veel melkveehouders in het gebied. Voor de landbouwtransitie met de natuur- en waterdoelen

is deze groep essenstieel voor het gewenste grondgebruik in de schil. De zorg is er om de groep (jonge) ondernemers in het gebied te behouden. Per deelgebied kan het juiste grondinstrument verschillend zijn. Werken op basis van vrijwilligheid heeft de voorkeur. Met draagvlak in het gebied kan overigens ook de keuze voor een verplichte landinrichting gekozen worden. Grond dient zoveel als mogelijk beschikbaar te blijven voor gebiedseigen ondernemers. Ruilgrond is belangrijk om doelen te bereiken. Dit vraagt om een slagvaardige grondstrategie. Voorstel eerste vervolgstap: starten met een werkgroep grond of opstarten grondoverleg. Hierin worden de mogelijkeden en instrumenten voor een grondstrategie voor dit gebied bepaalt. Daarnaast is het een mogelijkheid om op casussen te behandelen.

8.4

Capaciteit en organisatie

De organisatie die voortkomt uit deze aanpak ziet er dan als volgt uit: • Overkoepelend is er de stuurgroep vanuit de GGA en de ambtelijke begeleidingsgroep, zoals is gehanteerd tijdens de visiefase. Hierin kennen de partijen elkaars belangen en werken we constructief samen vanuit de OEN-regels (Open, Eerlijk en Nieuwsgierig). Deze groepen blijven ongewijzigd. Treeport Midden-Brabant krijgt daarin op deelgebiedniveau (Leemkuilen) een plek vanwege het belang vanuit de boomteelt. • De werkgroepen, zoals hierboven omschreven, zijn flexibel en kunnen indien nodig worden toegevoegd of opgeheven. Voor nu zijn ‘Communicatie & participatie’, ‘stikstof’, ‘recreatie’, ‘LESA’ en ‘grond’ als werkgroep operationeel, maar mogelijk komen daar andere werkgroepen bij of vallen op enig moment af. De werkgroepleden zijn ambtelijke vertegenwoordigers van de gebiedspartners. Dit kunnen ook specialisten vanuit de gebiedspartners zijn. • Na uitwerking van de leidende ontwikkelprincipes, zal verder gegaan worden met de uitwerking in de deelgebieden. • De ALG-projecten die de komende tijd uitgevoerd gaan worden, vragen ook om capaciteit van de gebiedspartners. Een indicatie van het aantal uren en de verdeling van werkzaamheden zijn opgenomen in de projectfiches van deze projecten. • Voor ondernemers en bewoners wordt er zoveel als mogelijk gewerkt met één loket.

Hierbij is een door het gebied gedragen vertrouwenspersoon erg belangrijk. Dit kan worden opgestart op deelgebiedniveau of voor het totale gebied. • Continuïteit m.b.t. ondersteuning in deze deelgebieden is nodig voor bijvoorbeeld uitwerking van de projecten en gesprekken met bewoners en ondernemers.

55

BRONNENLIJST • • • • • • • • • • • • • • • • •

56

Arcadis (2023) Natuurdoelanalyse 131 Loonse en Drunense Duinen en Leemkuilen Kaartenbank provincie Noord-Brabant / GOB RHDHV (2023) Bouwsteen water en bodem BPLG 1.0 Waterschap De Dommel (2023) Nota Handelingsperspectieven watertransitie Aerius Monitor (2023) Brabants overzicht stikstofdata (N.D.) Brabant InZicht (N.D.) AHN viewer (N.D.) Topotijdreis (N.D.) RHDHV (2022) Lesa Loonse en Drunense Duinen en De Brand Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit RHDHV (2025) rapport maatregelen Loonse en Drunense Duinen, de Brand en Leemkuilen Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (N.D.) Masterplan Pauwels (2019) Provincie Noord-Brabant (N.D.) ALG Mooi NL (2022) handreiking groenblauwe dooradering Visie 1.0 GGA Kampina & Oisterwijkse Vennen (2025)

• • • • • • • •

Van Gogh Brabant Nationaal Park (N.D.) Focus op natuur, landschap en erfgoed Landbouw impact- en afwegingskader ZLTO Amerstreek Gemeente Oisterwijk (2016) Omgevingsvisie van gemeente Oisterwijk Gemeente Tilburg (2015) Omgevingsvisie Tilburg 2040 Gemeente Vught (2023) Omgevingsvisie gemeente Vught Gemeente Heusden (2023) Omgevingsvisie Heusden Gemeente Loon op Zand (2024) Omgevingsvisie 2040 Gemeente Tilburg en Oisterwijk: Koersdocument Oostflank (in 2024 vastgesteld door de gemeenteraad van Tilburg en Oisterwijk).

57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://ggagroenblauw.nl/publish/pages/18008/20251015_loonse_en_drunense_duinen_visie.pdf