CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing t.b.v. afwijken

RAAD 27 juni 2024, gemeente OisterwijkBij agendapunt: Ontwerpverklaring van geen bedenkingen Vossenhoorn 9, Moergestel - AANVAARD19.279 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

- De functie moet zich in principe vestigen binnen bestaande bebouwing en zeker binnen bestaand

-

-

-

-

ruimtebeslag; o Alles wordt gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing. Er vindt geen sloop of nieuwbouw plaats. De functie moet passen binnen de ontwikkelingsrichting en kwaliteiten van het gebied; o De planlocatie is gelegen in het gebied gekenmerkt als de jonge heide ontgingingen en ligt op de rand van een primair agrarisch gebied. De gewenste ontwikkeling naar wonen met de nevenfunctie statische opslag past binnen de wijzigingsbevoegdheid van het huidige bestemmingsplan om een agrarische bestemming om te zetten naar wonen bij bedrijfsbeëindiging. De functie moet van meerwaarde zijn voor de omgeving; en Er moet sprake zijn een aanmerkelijke kwaliteitsverbetering in de vorm van sanering van een (intensieve) veehouderij, sloop van bebouwing, verkleining bouwvlak of vergelijkbaar; o Binnen het thema ‘Wonen en bedrijvigheid’ wordt aangegeven dat bij het toevoegen van woningen aan het buitengebied kwaliteitsverbetering leidend is. Er wordt voor een kwaliteitsverbetering gezorgd doordat het bestemmingsvlak met bouwvlak wordt verkleind tot 40% van het huidige bouwvlak waarbij maximaal 500 m2 aan voormalige agrarische bijgebouwen wordt behouden.

Er moet voldaan worden aan de Regionale werkafspraken Hart van Brabant en er moet per definitie sprake zijn van zorgvuldige landschappelijke inpassing; o De nieuwe woonfunctie mag geen afbreuk doen aan het karkater van het buitengebied en mag het de balans in het buitengebied niet verstoren. Het jonge heide ontginningsgebied wordt gekenmerkt door het wijds en open karakter, rechtlijnige en grootschalige verkaveling en alleen beplanting langs de hoofdwegen. De kavel ligt midden in een open en wijds landschap met zicht in alle richtingen en wordt aan de noordoostelijke en zuidwestelijke perceelsgrens duidelijk begrensd door sloten. De beplanting op de locatie blijft behouden en de voor de omgeving relevante landschapselementen worden tevens planologisch vastgelegd. Deze bestaande elementen dienen behouden en onderhouden te worden. En om het kenmerk van de langgerekte rechthoekige verkaveling te versterken, zullen parallel aan de waterloop knotwilgen worden aangeplant tot aan de zuidoostelijke erfgrens. Hiermee worden automatisch ook thema’s als ‘klimaat & duurzaamheid’ (toevoegen en verbeteren van groen), ‘Landschap & cultuurhistorie’ (behoud en versterken van kenmerkende verkaveling) en ‘Landbouw’ (vermindering van dieren / afname van emissies / stikstof) meegenomen in de ontwikkeling wat zorgt voor de gewenste balans.

De functie moet qua aard en omvang passen binnen het buitengebied; o Hiermee draagt een nieuwe functie bij aan de hoge kwaliteit van het buitengebied en wordt invulling gegeven aan de gebiedsgerichte benadering van de gemeente, welke nieuwe economische dragers wil toestaan in het buitengebied waar de bestaande drager (in dit geval een agrarisch bedrijf) niet meer volstaat. Door een nieuwe economische waarde te geven aan de voormalige agrarische functie zal deze indirect zorgen voor een hogere omgevingskwaliteit en wordt tegelijkertijd de omvang beperkt en vastgelegd in het toekomstige bestemmingsplan/omgevingsplan.

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

24

- Er moet sprake zijn van milieu-hygiënische inpasbaarheid: er moet sprake zijn van een aanvaardbaar -

-

-

woon- en leefklimaat en de functie mag geen beperking van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies tot gevolg hebben; en De functie mag geen onevenredig aantal verkeersbewegingen en parkeerdruk met zich meebrengen en er moet op eigen terrein voorzien worden in voldoende parkeergelegenheid; o In hoofdstuk 4 wordt aangetoond dat met deze ontwikkeling sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de nieuwe functie geen beperking van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies tot gevolg heeft. Daarnaast is ook aangetoond dat het aantal verkeersbewegingen zal afnemen en het aantal parkeerplaatsen voldoende is. Alleen ondergeschikte detailhandel is toegestaan; o Het plan bevat geen detailhandel. Een zorgvuldige omgevingsdialoog is gevoerd; o In hoofdstuk 5, paragraaf 5.2 ‘Maatschappelijke uitvoerbaarheid’ wordt ingegaan op de omgevingsdialoog die heeft plaatsgevonden. Tijdens de omgevingsdialoog is informatie gedeeld met omwonenden en is ruimte geweest voor het stellen van vragen en geven van meningen. Voor zover de beoogde functie bedrijvigheid is, wordt ten hoogste een bedrijf van milieucategorie 2 toegestaan. o Met dit initiatief zal wonen de hoofdfunctie worden met daarbij een nevenfunctie in het bestaande bedrijfspand in de vorm van statische opslag welke valt onder milieucategorie 2.

Hiermee wordt voldaan aan de visie buitengebied van de gemeente Oisterwijk en de daarbij genoemde uitgangspunten in bijlage 2 van deze visie.

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

25

Hoofdstuk 4

Omgevings- en milieuaspecten

Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit dient voorliggende toelichting een verantwoording te bevatten waaruit blijkt dat rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving op het gebied van milieu-hygiënische en planologische aspecten. In het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, waterhuishouding, archeologische en cultuurhistorische waarden, ecologische waarden, aardkundige waarden en landschappelijke waarden. Daarnaast dient, gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, de omvang van de ruimtelijke ontwikkeling te passen in de omgeving. 4.1 Parkeren en ontsluiting Met het aanpassen van de functie dient ook gekeken te worden naar de parkeerbehoefte van deze nieuwe functies. En hoe deze kan worden ingepast. Het inpassen dient te gebeuren op eigen terrein. Voor het bepalen van de parkeervraag heeft de gemeente Oisterwijk haar parkeernormen gebaseerd op de CROW-publicatie (Publicatie 317: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie).

Deze veelgebruikte systematiek berekent het aantal benodigde parkeerplaatsen door de oppervlakte van een bepaalde functie te vermenigvuldigen met een norm per 100 m2 BVO (bedrijfsvloeroppervlakte) en voor woningen geldt dat het aantal woningen van een bepaalde categorie wordt vermenigvuldigd met de norm per woning. In de “Nota Parkeernormen 2016” is bepaald dat de locatie is gelegen in de zone “buitengebied” en dat de stedelijkheidsgraad voor Oisterwijk is bepaald op “weinig stedelijk”. 4.1.1 Parkeren Om te berekenen wat de bestaande parkeercapaciteit en de nieuwe gevraagde capaciteit is, moet gekeken worden naar de aanwezige en toekomstige functies. De volgende parkeernormen dienen te worden aangehouden: Bestaande situatie (tabel 4.1): Koopwoning, vrijstaand Bedrijf (industrie, laboratorium enz.)1 totaal

buitengebied 2,4 per woning 2,4 per 100 m2 bvo

Aantal 2,4 8,4 11 parkeerplaatsen

Nieuwe situatie (tabel 4.2): Koopwoning, vrijstaand Bedrijf (loods, opslag enz.) totaal

buitengebied 2,4 per woning 1,1 per 100 m2 bvo

Aantal 2,4 3.9 7 parkeerplaatsen

Het huidige parkeren vind nu al plaats op het eigen terrein. Het aantal benodigde parkeerplaatsen neemt met meer dan een derde af, waarmee geconcludeerd kan worden dat er voldoende ruimte op het eigen terrein beschikbaar is.

1

Een viskwekerij wordt gezien als arbeidsintensief. De gecontroleerde omstandigheden moeten zorgen voor een optimale kweekomstandigheden. Hiervoor moet 24/7 iemand aanwezig zijn i.v.m. de kwetsbaarheid van de vis. Daarnaast zorgt de verkoop aan huis voor een komen een gaan van auto’s op verkoopdagen.

26 Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

Fig. 4.1 Overzicht parkeerplaatsen

4.1.2 Ontsluiting De ontsluiting van het perceel gebeurt via de bestaande inrit aan de Vossenhoorn. Als gevolg van het wijzigen van het gebruik als bedrijfswoning naar een woning zal de verkeersgeneratie niet veranderen. Ook zal de agrarische functie en het agrarisch verkeer verdwijnen waardoor de verkeersbewegingen als gevolg van deze voormalige functie al verdwijnen. Daarvoor in de plaats zal het bedrijfspand worden gebruikt voor statische opslag. De verkeersgeneratie zal hiermee wijzigen van een gemiddelde van 10 per 100 m2 bvo naar gemiddelde van 4,8 per 100 m2 bvo. De bestaande capaciteit van de Vossenhoorn is ook met de agrarische functie voldoende gebleken. Daarom kan geconcludeerd worden dat de capaciteit van de omliggende wegen voldoende is. De verkeersbewegingen als gevolg van toekomstige nevenactiviteiten zal beperkt zijn. Het aspect “parkeren en ontsluiting” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling 4.2 Waterhuishouding In deze waterparagraaf zal de waterhuishouding worden behandeld en wat de effecten zijn van de ruimtelijke ingreep die wordt gedaan. De volgende onderdelen zullen hierbij aan bod komen: - Waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Nieuwe waterhuishoudkundige situatie; 4.2.1 Beleidskader Op Europees, nationaal en stroomgebiedsniveau wordt gewerkt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW).

De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

27

duurzame manier wordt gebruikt. De richtlijn is om in 2027 het oppervlaktewater te laten voldoen aan een ecologisch en chemische goede toestand. Het Rijk heeft het 2e Nationaal Waterplan 2016-2021 opgesteld en deze beschrijft de hooflijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid welke nu van kracht is met een vooruitblik richting 2050. De provincie heeft de Europese regels en het rijksbeleid vertaald naar een regionaal beleidskader: Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021. Deze staat voor samenwerken aan een schone, gezonde en veilige leefomgeving in Brabant. De doelen van het PMWP zijn: - voldoende water voor mens, plant en dier - een schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht) - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s - verduurzaming van grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening In het kader van klimaatadaptatie zijn dit beleidsspeerpunten op alle overheidsniveaus. Om de problemen van wateroverlast en verdroging het hoofd te bieden is een ingrijpende herinrichting van het watersysteem nodig. Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied.

Met het ‘Waterbeheerprogramma 2022-2027 – water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’ start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’ naar een toekomstbestendige waterhuishouding voor de periode 2022-2027. Men streeft naar een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Men wil maximaal gebruik maken van de dempende sponswerking van bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen, zodat het grond- en oppervlaktewatersysteem grotere weersextremen kan opvangen doordat er meer water wordt vastgehouden. Om inhoudelijk sturing te geven aan de watertransitie hanteert het waterschap 3 principes:  Neerslag ter plaatse vasthouden en infiltreren.  Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan.  Wat schoon is moet schoon blijven. Men wil dit bereiken door: - De aandacht te richten van voornamelijk beekdal naar daarbij ook de flanken (gebiedsgericht). - Van sectoraal naar integraal. - Van water afvoeren naar elke druppel telt (water conserveren, minder verbruiken en slimmer sturen). Het belangrijkste instrument vanuit het Waterschap is de ‘Keur 2015’ van Waterschap de Dommel. In de ‘Verordening afvoer hemelwater en grondwater 2022’ heeft de gemeente Oisterwijk haar visie op het waterbeheer vastgelegd.

Keur 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

28

De Keur is een verordening van het waterschap vastgesteld door het algemeen bestuur en heeft betrekking op het waterkeringsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer. Veel voorkomende werkzaamheden die onder voorwaarden kunnen worden toegestaan, reguleert het waterschap zoveel mogelijk via algemene regels. Figuur 4.2 geeft een beeld van de ligging van het plangebied op de kaart ‘Beschermde gebieden keur’. Hieruit blijkt dat de locatie aan de Vossenhoorn 9 (oranje vierkant) is gelegen in het grondwaterdeelgebied ‘Centrale slenk’. Het perceel ligt in het beekdal-gebied. De beekdalen betreffen kwelgebieden in de AHS die hydrologisch gezien tot de meest waardevolle gebieden van het beheergebied van het waterschap gerekend kunnen worden. Om de natuur, kenmerkend voor deze gebieden, te beschermen wordt een zelfde beschermingsregime gehanteerd als bij de Beschermde gebieden: “De natuur in de beekdalen zijn afhankelijk van een goede grondwaterstand. Het beschermingsbeleid in deze gebieden is, net als bij de beschermde gebieden, gericht op instandhouding en waar mogelijk verbetering van de wezenlijke kernmerken en waarden van de ecologie en natuurwaarden. Gewerkt wordt aan een verbetering van de hydrologische situatie voor de natuur.”

Nabij het plangebied zijn diverse watergangen gelegen. De watergang parallel aan het perceel betreft een A-watergang. Deze blijft in de huidige staat behouden.

Fig. 4.2 uitsnede kaart ‘beschermde gebieden keur’

(bron: www.dommel.nl)

Hydrologisch neutraal ontwikkelen Als de ontwikkeling van een nieuw plan zorgt voor een nieuwe of meer bebouwing of verharding dan in de huidige situatie vormt “hydrologisch neutraal ontwikkelen” een belangrijk onderdeel. Dit betekent dat de ontwikkeling niet mag zorgen voor wateroverlast, doordat water niet goed wordt opgevangen of afgevoerd. Maar ook niet voor een tekort aan water, doordat het water juist te snel wegstroomt. Het bovenstaande resulteert in een voorkeursvolgorde voor het verwerken van neerslag: 1. Vasthouden: hergebruik of infiltreren in de bodem 2. Bergen; opslaan van water in een voorziening en langzaam afvoeren naar het oppervlaktewater 3. Afvoeren; weg laten stromen naar het oppervlaktewater Verordening afvoer hemelwater en grondwater 2022

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

29

De gemeente dient zorg te dragen voor de volksgezondheid en de taakstellingen voor grond- en oppervlaktewater. Dit vanuit de zorgplicht voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Met het vaststellen van de ‘Verordening afvoer hemelwater en grondwater 2022’ wil de gemeente Oisterwijk er voor zorgen dat ook in de toekomst wateroverlast wordt beperkt zo niet voorkomen. Dit doen zij door op 3 gebieden voorwaarden te stellen: - Bij omgevingsvergunning-plichtige bouwactiviteiten en / of bij aanbrengen van water afvoerende verharding. (hoofdstuk 3 van de verordening) - Bij afvoer van hemelwater waarbij een gemeentelijke voorziening aanwezig is. (hoofdstuk 4 van de verordening) - Bij het gebied waar de gemeentelijke riolering is uitgevoerd door middel van drukriolering. (hoofdstuk 5 van de verordening) Het plangebied valt in het gebied waar de gemeentelijke riolering is uitgevoerd door middel van drukriolering. Artikel 10 (hfst. 5) van de verordeningen geeft aan: Lid 1: Het is niet toegestaan hemelwater te lozen op het gemeentelijk vuilwater riool Lid 2: De eigenaar van een perceel heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken of te lozen in een sloot of waterberging. Voor lozing op een sloot kan een goedkeuring, melding of vergunning van het waterschap noodzakelijk zijn.

4.2.2 Bestaande en toekomstige waterhuishoudkundige situatie Het overgrote deel (ca. 0,78 ha) van het perceel wordt op dit moment gebruikt voor akkerbouw en/of grasland. Een beperkt deel is voorzien van bebouwing en erfverharding. De bedrijfswoning kent een oppervlakte van ca. 140 m2, het bedrijfspand ca. 350 m2, het vergunningsvrije bijgebouw voor mantelzorg (vergunningsvrij) ca. 100 m2 en het tuinhuis ca. 50 m2. Ongeveer 450 m2 van het perceel bestaat uit erfverharding en 200 m2 halfverharding. Overige gronden zijn ingericht als tuin zonder verdere erfverhardingen of cultuurgronden. Bodem In het Dino-loket van TNO is een grondboring op de rand van de het plangebied t.h.v. de Reedijk gevonden: BHR356895 Hieruit blijkt de bodem tot 1,90 m beneden maaiveld volledig bestaat uit zand. Zand is uitermate geschikt om hemelwater op een goede wijze te laten infiltreren. De maaiveldhoogte is volgens deze grondboringen en gelegen op 10.247 meter t.o.v NAP. Grondwater Op basis van de peilgegevens van een put in het Dino-loket ten noorden van de Oirschotseweg valt af te leiden dan de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is gelegen op circa 9,80 meter t.o.v. NAP en dus 0,45 meter onder het maaiveld van het plangebied. Oppervlaktewater In en in de nabijheid van het plangebied bevindt zich alleen aan de noordelijk perceelsgrens een sloot welke is aangeduid als een A-watergang.

En aan de zuidelijke perceelsgrens een sloot aangeduid als een B-watergang. Deze blijven in de huidige staat behouden. Afvalwater In de bestaande situatie word het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk hoge drukriool. Hemelwater De beoogde waterhuishoudkundige situatie aan de Vossenhoorn 9 wijzigt niet ten opzichte van de bestaande waterhuishoudkundige situatie. Er wordt niet gesloopt, er vindt geen ver- / nieuwbouw plaats of extra erfverharding aangebracht. Bovendien vinden er geen bodemingrepen plaats. Bij deze aanvraag Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

30

omgevingsvergunning zijn geen omgevingsvergunning-plichtige bouwactiviteiten en / of aanbrengen van water afvoerende verharding aan de orde. Hiermee is te stellen dat hoofdstuk 3 van de verordening niet van toepassing is op deze aanvraag. Ook in de beoogde situatie wordt het huishoudelijke afvalwater geloosd op het gemeentelijk drukriolering. Het hemelwater dat op de daken van de bebouwing neervalt, is in het verleden op aanwijzen van de gemeente en het waterschap afgekoppeld van het riool en wordt via leidingen afgevoerd naar het lokale slotennetwerk ten zuiden van het perceel of geïnfiltreerd in de bodem. Hiermee is te stellen dat hoofdstuk 4 van de verordening niet van toepassing is op deze aanvraag. Het hemelwater dat op het overgrote deel van de erfverhardingen neervalt, wordt via het vrije verval van de erfverharding naar de omliggende tuin / cultuurgronden afgevoerd. Tabel 4.3: bestaand verhard oppervlak Onderdeel Woning Bijgebouw t.b.v. Mantelzorg Tuinhuis bedrijfspand erfverharding halfverharding Totaal

Oppervlak in m2 140 m2 100 m2 50 m2 350 m2 450 m2 200 m2 1290 m2

Middels de bestemmingswijziging wordt voorkomen dat er nieuwe bebouwing en verharding op de locatie wordt toegevoegd en dat er ingrijpende bodemingrepen plaatsvinden. De feitelijke situatie blijft dus ongewijzigd, maar de planologische situatie ten aanzien van de waterhuishouding verbetert. Tevens vinden er geen veranderingen plaats in het bestaande slotensysteem. Hemelwater wat valt op de gehele woning, een deel van het bijgebouw t.b.v. mantelzorg (ca. 65 m2), deel van het bedrijfspand (ca. 265 m2) en een deel van de erfverharding (ca. 200 m2) worden direct afgevoerd naar de het oppervlakte water (zie fig. 4.3), zoals in het verleden is afgestemd met de gemeente en het waterschap. Bij de overige (half-)verharde oppervlakten vloeit en infiltreert het hemelwater af in de bodem van de omliggende tuin en/of cultuurgronden.

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

31

Fig. 4.3 situatieoverzicht afvoer VWA en HWA.

Uit deze waterparagraaf blijkt dat het initiatief geen nadelige gevolgen heeft voor de waterhuishouding ter plaatse. Het aspect “waterhuishouding” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.3 Geluid Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, maar ook van een wijziging van bouwmogelijkheden nabij geluidbronnen, moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, vliegtuigverkeer, industrie en spoorwegen. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: - Woningen; - Andere geluidsgevoelige gebouwen; - Geluidsgevoelige terreinen 4.3.1 Wegverkeer Omdat met de beoogde wijziging geen nieuw geluidsgevoelig object wordt toegevoegd is geen onderzoek nodig. De Wet geluidhinder kent het begrip bedrijfswoning niet. Een bedrijfswoning, is net als een gewone woning dus een geluidgevoelig object. De Vossenhoorn is een weg met weinig verkeer, waardoor geen hoge geluidsbelasting als gevolg van het wegverkeer te verwachten is. Met het wijzigen van de functie is zelfs de verwachting dat het wegverkeer niet zal toenemen, maar afnemen, zoals beschreven in paragraaf 4.1.

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

32

Echter dient er wel gekeken te worden naar de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning aan de Vossenhoorn 9. Uit de kaart ‘Geluid in Nederland’ van de Atlasleefomgeving (figuur 4.4) blijkt dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning redelijk tot goed bedraagt en de maximale ontheffingswaarde van 53 dB niet overschrijdt (resp. 51 en 50 dB). Wanneer niet aan de voorkeurswaarde (48 dB) kan worden voldaan, is het toegestaan een hogere waarde vast te stellen, binnen de bandbreedte van de voorkeurswaarde en de maximale ontheffingswaarde. Wanneer in bestaande situaties niet kan worden voldaan aan de voorkeurswaarde, kan handhaving (conservering) van het heersende geluidsniveau een uitgangspunt zijn voor ontheffing.

Fig. 4.4 uitsnede kaart m.b.t. geluid (Lcum) in Nederland

(bron: www.atlasleefomgeving.nl)

4.3.2 Spoorweglawaai Het plangebied is niet gelegen binnen een geluidzone m.b.t. spoorweglawaai als bedoeld in de Wet geluidhinder. 4.3.3 Vliegtuiglawaai Het plangebied is niet gelegen binnen een geluidzone m.b.t. vliegtuiglawaai als bedoeld in de Wet geluidhinder. 4.3.4 Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen binnen een geluidzone als bedoeld in de Wet geluidhinder m.b.t. industrielawaai. De geluidbijdrage vanuit het bedrijf aan de Vossenhoorn 13 behoeft volgens de VNGbrochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ een richtafstand van 50 meter betreffende het aspect geluid. De woonfunctie ligt op een afstand van 86 meter van de kavelgrens van Vossenhoorn 13. Andersom dient er vanuit het plangebied voor de nevenfunctie ‘statische opslag’ een richtafstand van 30 meter te worden aangehouden naar omliggende woningen. Dichtstbijzijnde woning ligt ruim buiten de contour van 30 meter. Op basis van deze richtafstanden mag worden geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect “geluid” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

33

4.4 Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Er is daarom een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid ter plaatse. Uit het onderzoek blijkt dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is. Er is derhalve geen sprake van onaanvaardbare risico’s voor de huidige en toekomstige gebruikers van de bodem. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. Een nader onderzoek naar de bodemgesteldheid is dan ook niet noodzakelijk. Het volledige bodemonderzoek vindt men terug in bijlage 5.

Aanvullend aan dit bodemonderzoek is een memo toegevoegd zie bijlage 5a Het aspect “bodem” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.5 Archeologie en cultuurhistorie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet dient onderzocht te worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden. 4.5.1 Cultuurhistorie Uit de cultuurhistoriekaart (fig. 4.5 en fig. 4.6) van de provinciale Omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie niet gelegen is in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

34

Fig. 4.5 uitsnede kaart ‘Stedelijke ontwikkeling en erfgoed’

Fig. 4.6 uitsnede kaart ‘Cultuurhistorische landschappen

(bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

(bron: structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014)

Er zijn geen voornemens tot sloop van bebouwing. De bestaande (voormalige) bedrijfsbebouwing wordt, binnen de regels die gelden binnen de bestemming “Wonen-2” voor nevenactiviteiten gebruikt (opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen enz.) en zijn daarmee niet overtollig. Hiermee is met zekerheid te stellen dat op het perceel geen sprake is van sloop van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

35

4.5.2 Archeologie Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Bij ingrepen waarbij de ondergrond ernstig wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. In figuur 4.7 is op de Archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Oisterwijk te zien dat de verwachting op de locatie Vossenhoorn 9 laag is. Om deze reden is in het ‘bestemmingsplan buitengebied’ (fig. 1.3) te zien dat geen dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ is opgenomen. Met de wijziging van de bestemming, waarbij geen nieuwe bouwwerkzaamheden en dus geen grondwerkzaamheden plaatsvinden is daarom geen onderzoek verplicht. Het aspect archeologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

Fig. 4.7 uitsnede kaart ‘Archeologische waarden- en verwachtingkaart gem. Oisterwijk’

Het aspect “Archeologie en cultuurhistorie” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.6 Ecologie De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt sindsdien de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet, en de Boswet. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. 4.6.1 Gebiedsbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om natuurgebieden, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000-gebieden en de voor verzuring gevoelige gebieden in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Kampina & Oisterwijkse Vennen is hier één van. Per Natura 2000-gebied zijn doelen opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning Natuurbeschermingswet wordt Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

36

aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Provincies hebben ervoor gekozen om deze gebieden te beschermen via het provinciale beleid. Ook de provincie Noord-Brabant heeft de gebieden in haar verordening toegewezen aan het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Zoals blijkt uit onderstaande figuur 4.8 is het rood omcirkelde plangebied in de nabijheid van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) gelegen. Het Natuurnetwerk Brabant hangt samen met het Natuurnetwerk in de andere delen van Nederland en met het Europese net van natuurgebieden, bekend onder de naam Natura 2000. Bij het opstellen van een bestemmingsplan zijn gemeenten verplicht aansluiting te zoeken bij de wezenlijke ecologische kenmerken en waarden die in het natuurbeheerplan zijn beschreven.

Fig. 4.8 overzicht natuurbeheerplan

(bron: kaartbank Provincie Noord-Brabant)

Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen geldt binnen het NNB het ‘nee, tenzij’-principe. Ook wanneer een activiteit of ontwikkeling plaatsvindt buiten het netwerk kan dit aantasting geven van de ecologische waarden binnen het NNB. Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en/ of NNB. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Kampina & Oisterwijkse Vennen) ligt op ruime afstand (circa 1.800 meter). Aan de overzijde van de weg ligt landbouwgrond welke wel is opgenomen in het natuurbeheerplan, maar nog dient te worden omgevormd naar natuur. Op ca. 400 meter ligt een kruiden- een faunarijk grasland welke is opgenomen in het Natuurbeheerplan. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Op een afstand van meer dan 1,0 kilometer kunnen de effecten van de meeste aspecten met zekerheid reeds uitgesloten worden. Enkel verzuring en vermesting reiken verder dan deze afstand en zijn het gevolg van emissies, zoals ammoniak. In onderhavige situatie is er sprake van omzetting van de agrarische bestemming naar een woonbestemming met nevenfunctie statische opslag.

Middels omzetting van de bestemming wordt voorkomen dat er in de toekomst sprake is van een toename van de milieubelasting of uitbreiding van de bedrijfsbebouwing op het gebied van ammoniakuitstoot. Een vergunning Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

37

4.6.2 Flora en Fauna Ingevolge de Wet Natuurbescherming gelden algemene verboden tot het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor deze beschermde soorten, moet ontheffing worden gevraagd. Vooral wanneer er soorten voorkomen uit de zogenaamde ‘strenge’ categorie (Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en de bedreigde soorten van de diverse Rode Lijsten), kan dit een belemmering vormen voor het plan. Dit is het geval wanneer een plan significant nadelige effecten kan hebben voor deze soorten. Ook hier geldt dat gezien het feit dat het louter een planologische functiewijziging betreft en de gewenste activiteiten binnen het plangebied (wonen) niet leiden tot een significante aantasting van de waarden binnen soortenbescherming, omdat er geen fysieke maatregelen worden getroffen op de lokatie is het uitgesloten dat het plan negatieve effecten heeft op de aanwezige flora en fauna.

Ook uit de effectenindicator soorten komt de mededeling dat er geen wettelijk beschermde soorten voor waarbij schadelijke effecten worden verwacht voorkomen in combinatie met de activiteit ‘handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening’. 4.6.3 Stikstofdepositie Nederland stoot al jaren te veel stikstof uit. Dat is slecht voor de natuur en de gezondheid van mensen. Daarom neemt de overheid maatregelen in de industrie, landbouw, verkeer en bouw. Doel hiervan is om de uitstoot van stikstof te verminderen en de natuur te verbeteren. Daarom werkt de overheid aan een plan om de waterkwaliteit te verbeteren, natuur te versterken en meer te doen tegen klimaatverandering. Onder meer door de stikstofuitstoot omlaag te brengen. Deze aanvraag omvat geen bouwactiviteiten. Er zijn geen voornemens tot sloop, verbouw dan wel nieuwbouw van bebouwing. In deze alinea wordt om die reden alleen ingegaan op de stikstofdepositie voor de gebruiksfase. De beoogde situatie heeft tot gevolg dat er personenauto’s de locatie bezoeken. In de berekeningen dienen deze vervoersbewegingen te worden opgenomen totdat ze zijn opgenomen in het ‘heersende verkeersbeeld’. Een voertuig is opgenomen in het heersende verkeersbeeld indien het deze zich door de snelheid en rij-stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer. Hierbij dient ook de verkeersintensiteit van de weg te worden betrokken.

Conform de CROW toekomstbestendig parkeren heeft een vrijstaande woning in het buitengebied een verkeersgeneratie van 8,6 vervoersbewegingen per etmaal. In de CROW toekomstbestendig parkeren is voor een arbeids- en bezoekersextensief in het buitengebied een verkeersgeneratie van 5,7 vervoersbewegingen per 100m2/werkdag opgenomen. Op de projectlocatie wordt 350m2 gebruikt voor de beoogde nevenfunctie. Per etmaal komen er dus (5,7 vervoersbewegingen x 4 =) 22,8 vervoersbewegingen per dag. In totaal komen er dus per etmaal 8,6 + 22,8 = 31,4 vervoersbewegingen pet etmaal. Geschat wordt dat 20% van de vervoersbewegingen bestaat uit zware vervoersbewegingen. In noordelijke richting is de lijnbron doorgetrokken tot de Oirschotseweg. Hier rijden 2.310 auto’s per etmaal volgens ‘Staat van Mobiliteit Brabant - Intensiteiten van het Netwerk’. In zuidelijke richting is de lijnbron doorgetrokken tot de samenvoeging van de Bekersweg en de Reedijk waar 879 vervoersbewegingen per etmaal rijden. 31,4 vervoersbewegingen per etmaal bedraagt dus minder dan 5% van de totale verkeersgeneratie op deze plekken. Er kan worden gesteld dat de vervoersbewegingen om deze reden zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Omdat de A58 in noordelijke richting het gemakkelijkst bereikbaar is, is geschat dat 70% van de vervoersbewegingen in noordelijke richting plaatsvindt.

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

38

Op de planlocatie wordt geen gebruik gemaakt van mobiele werktuigen. Er zal daarom geen sprake zijn van vrachtwagens binnen de planlocatie. Ook stationair draaiende vrachtwagens zij niet van toepassing in de beoogde gebruiksfase. Voor de inrit is een aparte lijnbron opgenomen met een filepercentage van 100%. Op de Vossenhoorn is geen sprake van congestie. Echter is worstcasescenario rekening gehouden met 15% congestie. Bron 1: Verkeersbewegingen Noordelijk Emissiepunt: Lijnbron wegverkeer (noordelijke richting) Materiaal: Lichte motorvoertuigen Aantal lichte: 6.418 lichte vervoersbewegingen (31,4 vv bew. /dag x 365 x 70% x 80%) Aantal zware: 1.604 zware vervoersbewegingen (31,4 vv bew. /dag x 365 x 70% x 20%) Bron 2: Verkeersbewegingen Zuidelijk Emissiepunt: Lijnbron wegverkeer (zuidelijke richting) Materiaal: Lichte en zware motorvoertuigen Aantal lichte: 2.751 lichte vervoersbewegingen (31,4 vv bew. /dag x 365 x 30% x 80%) Aantal zware: 688 zware vervoersbewegingen (31,4 vv bew. /dag x 365 x 30% x 20%) Bron 3: Stookinstallatie woning Emissiepunt: Stookinstallatie woning Emissie: Zie onderstaande toelichting Het gasverbruik van de bedrijfswoning is meegenomen in de AERIUS-berekening. Op grond van de emissiewaarden van AERIUS, d.d.

5 juli 2018, dient voor een oudere vrijstaande woning uit te worden gegaan van 3,59 NOx kg per jaar (https://www.aerius.nl/nl/factsheets/ruimtelijke-plannenemissiefactoren/05-07-2018). Bron 4: Verkeersbewegingen Inrit Emissiepunt: Lijnbron wegverkeer (inrit) Materiaal: Lichte en zware motorvoertuigen Aantal lichte: 9.169 lichte vervoersbewegingen (31,4 vv bew. /dag x 365 x 80%) Aantal zware: 2.292 zware vervoersbewegingen (31,4 vv bew. /dag x 365 x 20%) Uit de uitgevoerde berekening (bijlage 6) blijkt dat de beoogde gebruiksfase geen stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden veroorzaakt. In onderhavige situatie is er sprake van omzetting van de agrarische bestemming naar een woonbestemming met nevenfunctie statische opslag. Momenteel is er al reeds sprake van een jarenlange bewoning. Middels omzetting van de bestemming wordt voorkomen dat er in de toekomst sprake is van een toename van de milieubelasting of uitbreiding van de bedrijfsbebouwing. De wijziging zal zelfs een positief effect veroorzaken, met het afnemen van het aantal verkeersbewegingen. Het gebruik van een burgerwoning op een dergelijke ruime afstand (1,8 km en verder) heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden. Het aspect “Ecologie” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Bedrijven en milieuzonering Bedrijven kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe woning bij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden. Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijfsvestigingen en/of inrichtingen mogelijk kunnen worden gemaakt. Dit houdt in dat er een voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig dient te zijn tussen milieubelastende bedrijven en/of Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

39

inrichtingen en woongebieden of woningen. Bij het bepalen van deze afstand wordt in de ruimtelijke ordening gebruik gemaakt van de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 (VNG-brochure). In deze brochure worden onder meer richtafstanden aangegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt dat de in de brochure genoemde richtafstand met één stap kan worden verlaagd. In dit geval is sprake van een rustige ligging in het buitengebied met weinig verstoring. Uitgegaan kan worden van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. 4.7.1 Zonering Om te voorkomen of te beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies moet er bekeken worden wat de nieuwe gebruiksfunctie van de bestaande bedrijfsbebouwing in het plangebied tot gevolgen heeft (zie tabel 4.4). Voor de geplande nieuwe gebruiksfunctie van de bestaande bedrijfsbebouwing (opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen, werktuigen of materialen vergelijkbaar met categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten) dient rekening te worden gehouden met een richtafstand van tenminste 10 meter m.b.t. geur, indien een caravanstalling van toepassing is, en een richtafstand van tenminste 30 meter m.b.t. geluid. Met betrekking tot stofhinder is een richtafstand van 0 meter opgenomen. Tabel 4.4

Fig. 4.8 uitsnede bestemmingsplankaart ‘Buitengebied geconsolideerd’

(bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Binnen een straal van 100 meter vanaf het nieuw te vormen bestemmingsvlak ‘wonen’ bevinden zich geen woonfuncties of andere gevoelige functies (zie figuur 4.8). Dichtstbijzijnde woonfunctie is gelegen aan de Reedijk 3 op ca. 110 meter. Daarmee kan gezegd worden dat de nieuwe gebruiksfunctie van het

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

40

huidige bedrijfspand geen gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige functies. 4.7.2 Omliggende bedrijfslokaties. In de nabijheid van het de projectlocatie zijn behalve een tweetal agrarische bedrijven geen andere bedrijfsactiviteiten op kort afstand aanwezig. Onderstaande afbeelding toont de aanwezige agrarische bouwvlakken in de nabijheid van het plangebied (fig. 4.9).

Fig. 4.9 uitsnede bestemmingsplankaart ‘Buitengebied geconsolideerd’

(bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Aan de Vossenhoorn 5 is een nertsenfokkerij gelegen. Afstand van kavelgrens tot kavelgrens is ca. 125 meter. Aan de Vossenhoorn 13 is een pluimveehouderij gevestigd. Afstand van kavelgrens tot kavelgrens is ca. 80 meter. Uit ‘bijlage_1_richtafstandenlijst_tabel_1_versie_maart_2009_def’ is op te maken dat zowel een nertsenfokkerij als een pluimveehouderij met opfokkippen en mestkuikens vallen onder categorie 4.1 (zie tabel 4.5). Tabel 4.5

Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning aan de vossenhoorn 9 zal niet wijzigen. Er is momenteel al sprake van bewoning ter plaatse.

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

41

In de VNG-handreiking is voor het houden van een nertsenfokkerij en een pluimveehouderij met opfokkippen en mestkuikens een richtafstand opgenomen van 30 meter voor stof en respectievelijk 30 en 50 meter voor geluid. Beide bedrijven liggen niet binnen een straal van 50 meter van het nieuw te vormen bestemmingsvlak ‘wonen’ zoals te zien in figuur 4.8. Stof en geluid zullen dan ook geen belemmering vormen voor een goed woon- en leefklimaat voor de woning. Voor het aspect geur is de richtafstand 200 meter. Voor zowel het bedrijf aan de Vossenhoorn 5 als 13 wordt niet voldaan aan de richtafstand. Indien de afstand niet toereikend is dient middels geurberekeningen aangetoond te worden of het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is. Dit wordt gedaan in onderstaande paragraaf. 4.7.3 Geur. De geuremissie van een veehouderij op de omliggende geurgevoelige objecten moet worden beoordeeld op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze wet is op 1 januari 2007 in werking getreden. Met de Wgv geldt nu voor heel Nederland één toetsingskader voor geur, veroorzaakt door dierenverblijven van veehouderijen in het kader van vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer. In de Wgv staan standaard (landelijke) normen voor de geurbelasting, die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning).

De hoogte van de standaard (landelijke) norm hangt af van het gebied. Bij onderhavige plannen moet rekening worden gehouden met deze norm, omdat een overschrijding van deze norm inhoudt dat in beginsel geen goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. De gemeente Oisterwijk heeft geen geurverordening vastgesteld om af te wijken van deze geurnormen. In het kader van toegenomen zorg voor de gezondheid, de bandbreedte die de omgevingswet gaat bieden en harmonisatie van beleid heeft het college het voornemen om nog vóór inwerkingtreding van de voor het gehele grondgebied van de gemeente Oisterwijk een geurverordening vast te stellen. Normaal gesproken gelden maximale waarden voor geurbelasting. Maar ten opzichte van sommige geurgevoelige objecten gelden uitsluitend minimumafstanden, in plaats van maximale waarden voor geurbelasting. Dit is ook van toepassing op voormalige bedrijfswoningen die op of na 19 maart 2000 geen deel meer uitmaakt van een andere veehouderij. Deze minimumafstand staat in artikel 3 lid 2 en artikel 4 lid 2 van de ‘Wet geurhinder en veehouderij’ en in bijlage 2 van de regeling geurhinder en veehouderij. Het gaat daarbij om de afstand van het emissiepunt van een dierenverblijf tot de buitenzijde (gevel) van een geurgevoelig object.

Fig. 4.10 Uitsnede uit de kaartbank veehouderijbedrijven;

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

(bron: provincie Noord-Brabant)

42

Het plangebied aan de Vossenhoorn 9 valt onder voornoemde uitzonderingsregeling (omschakeling op of na 19 maart 2000). Zoals in figuur 4.10 is te zien, is t.p.v. Vossenhoorn 9 sprake van een voormalig veehouderijbedrijf. Bij besluit van 10 maart 2003 is de veehouderij opgeheven. Omdat de woning buiten de bebouwde kom is gelegen, geldt een vaste afstand van 50 meter tussen de gevel van de nertsenstal en pluimveestal en de gevel van de woning. Beide bedrijven liggen op een afstand van meer dan 50 meter van de nieuwe woonfunctie, respectievelijk ca. 170 en ca. 135 meter (gevel tot gevel). Hiermee wordt voldaan aan de vereiste afstand m.b.t. geurhinder. Echter toont bovenstaande niet aan dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om dit te kunnen beoordelen is in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNG-handreiking. Bovenstaand is al gebleken dat niet kan worden voldaan aan de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-handreiking. Voor de beoogde situatie zijn geurberekeningen gemaakt van zowel de voorgrondbelasting (van de Vossenhoorn 13) als de achtergrondbelasting.

Achtergrond Voor de beoogde situatie is een achtergrondberekening in het kader van geur gemaakt. De gegevens van veehouderijen van derden zijn afkomstig uit de databestanden van KRD van provincie Noord-Brabant. Via KRD zijn invoerbestanden aangemaakt van alle veehouderijen in de directe omgeving (gemeente Oisterwijk). Het rekenprogramma maakt een selectie van alle bedrijven binnen een straal van 2 kilometer om de ingevoerde geurgevoelige objecten. De gegevens zijn ingevoerd in het programma V-stacks gebied. De geurgevoelige locatie betreft de woning aan de Vossenhoorn 9. In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van deze berekening (achtergrondbelasting) weergegeven. Als separate bijlage (zie bijlage 7) zijn de invoergegevens en resultaten opgenomen. Tabel 4.6: Resultaten geur achtergrond GGLID Woning Vossenhoorn 9

Geurbelasting beoogd (achtergrond) 22,82 ouE/m3

Voorgrond Voor de voorgrondbelasting van de dichtstbijzijnde veehouderij (Vossenhoorn 13) is een geurberekening gemaakt. De invoergegevens van deze geurberekening zijn overgenomen van de verleende vergunning d.d. 06-04-2018. In de bijlage is de berekening en de toelichting op de invoergegevens behorend bij deze vergunningsaanvraag toegevoegd (zie bijlage 8). Onderstaand worden de resultaten van de berekening weergeven. Tabel 4.7: Resultaten geur voorgrond GGLID Woning Vossenhoorn 9

Geurbelasting beoogd (voorgrond) 20,0 ouE/m3

Op basis van bovenstaande gegevens kan worden bepaald of de voorgrondbelasting of de achtergrondbelasting maatgevend is voor de planlocatie. Bij het bepalen hiervan geldt als vuistregel dat de voorgrondbelasting maatgevend is indien deze tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In dit geval is de voorgrondbelasting dus de maatgevende belasting. Er is sprake van een maatgevende voorgrondbelasting van 20,0 ouE/m3 in een concentratiegebied. Om te bepalen of dit acceptabel is wordt aangesloten bij de beoordelingssystematiek van het RIVM. Het RIVM hanteert bij haar milieurapportages voor het aspect geurhinder de milieukwaliteitscriteria zoals

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

43

opgenomen in Tabel 4.8. Hieruit is op te maken dat de milieukwaliteit ter plaatse, op basis van een percentage geurgehinderden van 31%, zeer slecht is. Tabel 4.8: Relatie percentage geurgehinderden en milieukwaliteit (bron: GGD-richtlijn geurhinder, 2002)

Ter plaatse van de planlocatie is er dus sprake van een ‘’zeer slecht’’ woon en leefklimaat. De planlocatie betreft een vrijstaande woning in het buitengebied van Oisterwijk. Woningen in het buitengebied liggen doorgaans dichter bij veehouderijen waardoor een hogere geurbelasting voor dergelijke woningen aanvaardbaar kan zijn. Met de beoogde ontwikkeling wijzigt het woon- en leefklimaat niet. Het gaat om een bestaande woning in het buitengebied en in het concentratiegebied. Vanwege het feit dat er en geen gevoelige functie wordt toegevoegd en geen veranderingen plaatsvinden m.b.t. het aspect geur en de woning een voormalige veehouderij betreft, wordt een percentage geurgehinderden van 31% gezien als aanvaardbaar. Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Hiermee vormt een afwijking van het bestemmingsplan naar de functie wonen geen belemmering voor de omliggende agrarische bedrijven en worden deze niet onevenredig aangetast in de gebruiks-, en ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van de voorgenomen afwijking. 4.7.4 Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. De omliggende aangrenzende gronden van Vossenhoorn 9 zijn in gebruik als landbouwgrond. Hierbij kan mogelijk hinder optreden ten gevolge van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het is niet uitgesloten dat hier akkerbouw/open teelt plaatsvindt. Dergelijke open teelten zijn niet in de VNGbrochure vermeld. Als vuistregel wordt een afstand van 50 meter gehanteerd. De indicatieve afstand van gevoelige objecten (woningen en tuinen) tot open teelten volgt uit het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Tijdens het bespuiten van de gewassen komt als gevolg van de wind een deel van het beschermingsmiddel buiten het teeltgebied terecht (drift). De genoemde afstand van 50 meter is indicatief en zeer algemeen.

Gesteld kan worden: - Dat drift van gewasbeschermingsmiddelen door telers in de praktijk in beginsel zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het lijdt immers tot een minder efficiënte toepassing voor de teelt en tot verlies van kostbare middelen.

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

44

- Dat er vanuit wetgeving de verplichting is om gewasbeschermingsmiddelen zoveel als mogelijk -

toe te passen op dagen met een beperkte hoeveelheid wind. Dat gewasbeschermingsmiddelen een zeer strikte toelatingscriteria kennen en dienen deze ook de gezondheid van de toepasser te kunnen garanderen. In de praktijk leidt de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen derhalve nauwelijks tot hinder. Dat de technieken voor gewasbescherming steeds beter worden: enerzijds om het gewas beter te kunnen beschermen, anderzijds om de negatieve effecten op de omgeving (zoals drift) te beperken c.q. te voorkomen. In de toekomst zal het gebruik van zogenaamde best practices toenemen en daarmee de overlast afnemen.

Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze worden spuitdoppen getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. In de omgeving van het plangebied vindt nu geen kweek van siergewassen (bomen en heesters) plaats maar vindt alleen akkerbouw plaats. Uit onderzoek blijkt dat de impact van gewasbescherming op de luchtkwaliteit bij akkerbouw veel kleiner is dan bij bijvoorbeeld boomteelt, sierteelt of fruitteelt. Bovendien is er reeds sprake van een bestaande woning, welke ongewijzigd wordt behouden.

Daarnaast is het erf rondom deze woning al voorzien van een beukenhaag met een variërende hoogte, gemeten vanaf omliggende gronden, van 2,0 tot 3,0 meter en een breedte van ca. 40 cm. Wetende dat er op circa 10 meter van de beoogde woning landbouwgrond is gelegen, dat deze grond verticaal bespoten wordt en niet met windsnelheden hoger dan 5 m/s bespoten mag worden, dat er een teeltvrije zone moet worden aangehouden en dat driftarme doppen een reductie percentage van 95% kunnen behalen valt uit te concluderen dat het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is in de beoogde situatie m.b.t. spuitzones. Het aspect “Bedrijven en milieuzonering” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.8 Gezondheid en luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in hoofdstuk 5, artikel 5.16 en in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen.

Indien een plan gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit moet onderzoek worden verricht naar de gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor deze milieukwaliteitseisen. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de activiteit betrekking heeft op een of meer categorieën van gevallen als genoemd in de ‘Regeling niet in betekende mate’ bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (fijnstof) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt.

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

45

4.8.1 Fijnstof Fijnstof is een verzamelnaam voor uiteenlopende deeltjes die door de lucht zweven: roetdeeltjes, opstuivend zand, uitlaatgassen, zeezout, plantmateriaal, cementdeeltjes en bijvoorbeeld stukjes afgesleten autoband of wegdek. Fijnstof kan ook ontstaan door reacties tussen verschillende gassen in de lucht. De gemiddelde concentratie fijnstof in Nederland is hoger in het zuiden, nabij grote steden en bij drukke auto(snel)wegen. 4.8.2 Endotoxinen Het houden van landbouwhuisdieren kan gezondheidseffecten hebben op de omgeving van de veehouderij, zowel positief als negatief. Bijvoorbeeld door de uitstoot van fijnstof, en mogelijk ook via endotoxinen. Het fijnstof afkomstig uit stallen is veruit de grootste bron van fijnstof binnen een landbouwinrichting. Andere bronnen, zoals stof afkomstig van een opslag van landbouwproducten of een tractor vallen daarbij in het niet. Het primair stof uit landbouwbedrijven komt voor 95% uit stallen Op dit moment is er geen officiële norm of grenswaarde. Ook is er geen methode vastgesteld om de blootstelling te bepalen. De Gezondheidsraad adviseert voor endotoxinen een gezondheidskundige advieswaarde van 30 EU/m3 voor de algemene bevolking. Tussen de verspreiding van (fijn/grof) stof en endotoxines bestaat een relatie. In het endotoxinenrapport (fase 3a) van de Wageningen universiteit uit 2016 is deze relatie onderzocht.

De relatie tussen emissies van stof en endotoxinen wordt verder onderzocht. In 2018 is het onderzoek Risicomodellering veehouderij en gezondheid (RVG) uitgevoerd. Uit de modellering bleek, dat verschillende typen veehouderijen substantieel bijdragen aan de berekende concentraties. Er is dus niet altijd een bepaald type veehouderij dat het sterkst bijdraagt. De bijdrage van verschillende diersoorten varieert van locatie tot locatie. Het is mogelijk dat endotoxine zelf effecten veroorzaakt, maar stof van veehouderijen bevat ook andere microbiële componenten die vergelijkbare effecten kunnen veroorzaken. De beschikbare kennis en informatie is nog onvoldoende voor een algemeen beoordelingskader. 4.8.3 Plangebied Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een project niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. De Regeling en het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen, voor diverse categorieën. Hierin geldt dat woningbouwlocaties NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen).

Fig. 4.11 uitsnede kaart ‘fijnstof concentratie PM2,5’

(bron: atlasleefomgeving.nl)

Met betrekking tot de voorschriften uit paragraaf 4 van bijlage 2 wet milieubeheer voldoet de omgeving aan de gestelde voorschriften voor zwevende deeltjes (PM2,5)

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

46

Fig. 4.12 uitsnede kaart ‘fijnstof concentratie PM10’

(bron: atlasleefomgeving.nl)

Met betrekking tot de voorschriften uit paragraaf 4 van bijlage 2 wet milieubeheer voldoet de omgeving aan de gestelde voorschriften voor zwevende deeltjes (PM10) In het betreffende plangebied is sprake van een agrarische bestemming naar één reeds bestaande woning, gelegen aan een bestaande ontsluitingsweg. Daarnaast zorgt de nevenfunctie voor een afname van verkeersbewegingen. De ontwikkeling zal dan ook 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) is een handreiking geschreven voor veehouderij en gezondheid. Deze handreiking bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan is in eerste instantie bedoeld voor ontwikkelingen van veehouderijen. Voor woningbouw kan dit toetsingskader worden gehanteerd, al is dit niet gebruikelijk. Laat staan voor een gebruikswijziging bij een bestaande woning. Het opvragen van een GGD-advies is namelijk gericht op de exploitatie van een (intensieve) veehouderij en niet op het realiseren nieuwe gevoelige bestemmingen. Volledigheidshalve is onderstaand het stappenplan globaal uitgelicht; 1. Endotoxinen: De planlocatie betreft geen veehouderij en houdt bedrijfsmatig geen dieren.

Er is voor de planlocatie daarom geen richtafstand in het kader van endotoxinen. De dichtstbijzijnde veehouderij betreft de pluimveehouderij aan de Vossenhoorn 13. Dit betreft een vleeskuikenhouderij met een fijnstofemissie van 2.460kg. Conform het endotoxine toetsingskader 2.0 dient er een afstand van 165 meter te worden gehouden. De afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt van de veehouderij aan de Vossenhoorn 13 tot de woning binnen de planlocatie bedraagt circa 150 meter. Enkel de 2 meest noordelijke warmtewisselaars en de lengteventilatie van de meest noordelijke stal emitteert binnen 165 meter van de woning binnen de planlocatie. Voor de overige emissiepunten wordt voldaan aan de afstand. 2. Emissies: Er worden geen dieren gehouden op de planlocatie. De fijnstofemissie van de vervoersbewegingen in de beoogde situatie draagt in niet betekende mate bij. 3. Geur: Er worden geen dieren gehouden op de planlocatie. Uit hoofdstuk 4.7.3 blijkt dat het woonen leefklimaat aanvaardbaar is op de planlocatie voor het aspect geur. Er worden binnen 50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14171733/3