CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing t.b.v. afwijken

RAAD 27 juni 2024, gemeente OisterwijkBij agendapunt: Ontwerpverklaring van geen bedenkingen Vossenhoorn 9, Moergestel - AANVAARD19.279 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

47

meter van de woning geen dieren zonder geuremissiefactor gehouden. Er wordt voldaan aan de wettelijke richtafstanden. 4. Meerdere diersoorten: Er is geen veehouderij aanwezig binnen het plangebied, er worden dus ook geen meerdere diersoorten gehouden. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij is op een afstand van meer dan 100 meter aan de Vossenhoorn 13. 5. Afstand veehouderijen: Binnen 2 kilometer van de planlocatie zijn geen geitenhouderijen gelegen (5a). Binnen een afstand van 1 kilometer is één pluimveebedrijf gelegen (5b). Daarnaast dient er advies opgevraagd te worden als overige veehouderijen binnen een afstand van 250 meter van de bebouwde kom zijn gelegen (5c). Het plangebied is niet aan te merken als een bebouwde kom. 6. Mestbe- of verwerking: Er is geen sprake van mestbe- of verwerking als (neven)activiteit. 7. Ongerustheid omwonenden: Bij omwonenden is er geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. De beoogde ontwikkeling leidt tot een gebruikswijziging van de woning aan de Vossenhoorn 9. Voor de veehouderij aan de Vossenhoorn 13 wordt niet volledig voldaan aan de richtafstand. Daarnaast is deze pluimveehouderij gelegen binnen 1 kilometer van de planlocatie.

Eerder deze paragraaf beschreven dat de jaargemiddelde concentratie binnen de planlocatie voor fijnstof PM10 16-18 μg/m3 (bij een grenswaarde van 40 μg/m3) en voor PM2,5 7-8,μg/m3 (bij een grenswaarde van 25 μg/m3) bedraagt. Met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit wordt dus ruimschoots voldaan aan de geldende grenswaarden voor voorgenoemde concentraties. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen gevoelig object opgericht voor permanent verblijf. Het permanente verblijf bestaat namelijk al. Enkel het gebruik zal wijzigen. De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op het herbestemmen van een agrarische bestemming naar een woonbestemming waarbij een nevenactiviteit in de vorm van opslag wordt gerealiseerd. Op basis van de ontwikkeling en voorgaande wordt het niet noodzakelijk geacht om een GGD-advies op te vragen voor de beoogde ontwikkeling. Het aspect “gezondheid en luchtkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling 4.9 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.

Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s binnen het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

48

afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. (Beperkt) kwetsbare objecten. Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Risicovolle activiteiten.

In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

49

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheids-verhogende maatregelen genomen zijn. Uit de risicokaart Brabant (fig. 4.13) en het geldende bestemmingsplan blijkt dat in de omgeving (straal van ca. 500 meter) van het plangebied risicovolle activiteiten voorkomen.

Fig. 4.13 Uitsnede risicokaart – ongevallen gevaarlijke stoffen;

(bron: atlasleefomgeving.nl)

Gezien bovenstaande afbeelding is door de aanwezigheid van propaantanks, op een afstand van ca. 180 meter, het Bevi van toepassing. De Bevb en Bevt kunnen derhalve buiten beschouwing blijven.

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

50

4.9.1 Groepsrisico In de omgevingsvergunning ‘Vossenhoorn 13 Moergestel’ van 27-03-2018 wordt het volgende aangegeven omtrent het groepsrisico rondom de aanwezigheid van de propaantanks: ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Externe veiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het besluit legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het besluit heeft betrekking op het gebruik, de opslag en de productieve gevaarlijke stoffen van inrichtingen. Verder heeft het besluit betrekking op het transport van gevaarlijke stoffen en het gebruik van luchthavens. De gemeente Oisterwijk heeft in het kader van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ een advies laten uitbrengen omtrent de externe veiligheid door de RMD, ‘Gemeente Oisterwijk, Advies Externe veiligheid ten behoeve van bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Uit dit onderzoek is voor onderhavige locatie de volgende conclusie opgenomen. “Binnen dit pluimveehouderijbedrijf zijn 2 propaantanks van 18 m³ aanwezig.

Betreffende inrichting valt eveneens onder de werkingssfeer van het Bevi en alhoewel er geen QRA is uitgevoerd is toch een inschatting gemaakt van de risico’s. Ten aanzien van deze propaantanks kan ook een PR10-6 contour van 35 m worden aangehouden en een invloedsgebied van 285 meter. Ten aanzien van het groepsrisico wordt geschat dat dit nihil is, gezien er enkel wat agrarische bebouwing binnen het invloedsgebied is gelegen.” (tekst afkomstig uit het rapport van RMD WestBrabant 'Gemeente Oisterwijk, Advies externe veiligheid ten behoeve van bestemmingsplan ‘Buitengebied', 2011, van Venrooij, p.7) Bij onderhavige locatie, zie Afbeelding 7, zijn twee bovengrondse propaantank van 18 m³ aanwezig. Gezien het feit dat het hier gaat om een propaantank met een inhoud van meer dan 13 m³ valt deze inrichting onder de werkingssfeer van het Bevi. In het Bevi zijn voor propaantanks geen generieke risicocontouren opgenomen. Formeel dient het plaatsgebonden risico en het groepsrisico dan ook met een QRA inzichtelijk te worden gemaakt. Daar het in deze situatie gaat om een agrarisch bedrijf dat in het buitengebied is gelegen en er geen QRA voor handen is, is ervoor gekozen om de PR10-6 -contour te bepalen aan de hand van de Leidraad risico-inventarisatie gevaarlijke stoffen en de afstandentabel die het RIVM hanteert voor propaantanks met een inhoud van 20 m³.

De bepalende factor bij het bepalen van de risico’s is niet de aanwezigheid van de stationaire propaantank, maar de aanwezigheid van de tankwagen. Wanneer we hiervoor uitgaan van een tankwagen met een inhoud tussen de 50 – 60m3 (en een vulfrequentie van < 5 keer per jaar) vinden we zowel in de Leidraad als in de RIVM-tabel een PR10-6 contour van 35 meter. Voor de propaantank zelf wordt een PR10-6 contour van 30 meter gevonden. Er is vanuit gegaan dat deze PR-contouren binnen de inrichtingsgrenzen blijven en dus geen belemmeringen voor de omgeving opleveren.’

Het plangebied ligt ruim buiten de PR-contouren van de Propaantanks. Daarnaast wordt met dit plan geen nieuw kwetsbaar object gerealiseerd. Hierdoor is geen toename van het groepsrisico of plaatsgebonden risico te verwachten, omdat zowel op basis van het vigerende bestemmingsplan als op basis van dit plan de woning bestemd is voor bewoning door het huishouden van een persoon. 4.9.2 Standaardadvies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio heeft een standaardadvies opgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen in het invloedsgebied van een Bevi inrichting en/of de infrastructuur. Gezien deze afstand kan gebruik worden gemaakt van de standaardverantwoording van de gemeente Oisterwijk met het actuele standaardadvies van de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant (zie bijlage 2). Het aspect “externe veiligheid” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

51

4.10 Technische infrastructuur In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig. Daarnaast blijft de bestaande bebouwing aan de Vossenhoorn 9 behouden. Er is geen sprake van sloop en/of nieuwbouw. De bestemmingswijziging heeft geen gevolgen voor de eventueel aanwezige technische infrastructuur. Het aspect “Technische infrastructuur” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling 4.11 Vormvrije M.E.R.-beoordeling Het voornemen dient te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. waaruit blijkt of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER) en de bijbehorende procedure (m.e.r.) is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten waarbij het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. In juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De vraag of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden staat centraal bij het beoordelen of een m.e.r.

moet worden uitgevoerd. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de C- en D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de C- en D-drempel betreft. Gekeken naar categorie 11.2, onderdeel D kan gezegd worden dat het initiatief zoals wordt bedoeld in het onderhavige planvoornemen niet in aanmerking komt voor als stedelijk ontwikkelingsproject aangezien deze geen betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied van 2000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het initiatief komt dan ook niet voor op de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Het aspect “vormvrije M.E.R.-beoordeling” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

52

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

Dit hoofdstuk beschrijft de haalbaarheid van dit project. Het plan waarvoor de planologische procedure wordt doorlopen, moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar te zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de te doorlopen procedures weergegeven. 5.1 Economische uitvoerbaarheid Het plan betreft een particulier initiatief, waarvan alle kosten en risico’s voor rekening van de initiatiefnemer komen. De initiatiefnemer, die eigenaar van de betreffende woning en de gronden is, fungeert als financiële drager. Eventuele planschade komt eveneens voor rekening van de initiatiefnemer. Voor het overige zijn er geen gemeentelijke financiën met het plan gemoeid. Overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 6 van de Wet ruimtelijke ordening is voor voorliggende ontwikkeling geen exploitatieplan noodzakelijk. Het kostenverhaal vindt immers plaats via leges. 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2.1 Omgevingsdialoog Bij de maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het erom dat er maatschappelijk draagvlak is voor een voornemen. Voor het in procedure brengen van het plan is een omgevingsdialoog opgezet waarvoor alle mogelijke belanghebbenden (buurtbewoners) zijn geïnformeerd. Tijdens deze omgevingsdialoog is het planvoornemen uitgelegd en er was de gelegenheid om vragen te stellen.

Voor deze omgevingsdialoog zijn de bewoners van de volgende adressen betrokken: - Vossenhoorn 5 - Vossenhoorn 13 - Reedijk 1 - Reedijk 3 Op 11 en 12 augustus is er met alle 4 adressen telefonisch contact opgenomen. In dit telefoongesprek is kort uitgelegd wat het initiatief inhoud en waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd bij de gemeente. Daarbij is gevraagd of een uitgebreidere, doch beknopte uitleg van het plan per e-mail gestuurd mag worden en of zij daar een reactie op willen geven. Vanuit de bewoners aan de Vossenhoorn 5, Reedijk 1 en Reedijk 3 wordt bij voorbaat al aangegeven dat zij geen bezwaar hebben met de plannen. De bewoners van Vossenhoorn 13 geven tijdens het telefoongesprek aan dat zij met hun adviseur zullen kijken naar de plannen en of dit nog gevolgen heeft voor hun bedrijf. In de email is kort beschreven wat het initiatief inhoud, vergelijkbaar met de inhoud van het principeverzoek (zie bijlage 3). Door Vossenhoorn 5, Reedijk 1 en Reedijk 3 is binnen enkele dagen positief op deze email gereageerd. Aan de bewoners van Vossenhoorn 13 is 14 augustus gevraagd of de email is ontvangen. Dit is direct bevestigd. 19 en 25 augustus is hen nogmaals gevraagd of eventueel al met hun adviseur hebben kunnen spreken en of zij eventueel nog samen aan tafel willen zitten hiervoor.

Hier is 13 oktober op gereageerd door middel van een email met een aantal vragen om meer duidelijkheid te krijgen m.b.t. de aanvraag, die op dat moment al is ingediend bij de gemeente. Deze vragen zijn beantwoord. Daarbij is ook aangegeven dat de toegestuurde informatie zeker niet een complete onderbouwing inhoud. Tegelijker tijd is gevraagd om eventueel telefonisch contact te hebben, mochten er nog dingen onduidelijk blijven. Hierop wordt geantwoord dat zij de onderbouwing niet volgen en tegen sommige aspecten anders aankijken. In antwoord daarop is aangegeven dat het aan de gemeente is om de complete onderbouwing te beoordelen, en dat wij deze beoordeling graag Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

53

afwachten. Op 20 oktober in de avond is door de bewoners van Vossenhoorn 13 gevraagd om 21 oktober om 9.00 uur aan te sluiten bij een gesprek met de adviseur. Dit was door de korte termijn helaas niet mogelijk. Geconcludeerd kan worden dat de reacties van de omwonenden overwegend positief is. De bewoners van Vossenhoorn 13 en hun adviseur hebben in zoverre nog niet aangegeven hoe zij hier in staan. Dit is ook logisch aangezien zij een beter beeld willen vormen op basis van de volledige ruimtelijke onderbouwing. De opmerkingen van de adviseur zijn meegenomen en eventueel verder uitgewerkt in een aangepaste versie van de ruimtelijke onderbouwing. Uit latere gesprekken (juni 2023) met ouders van de aanvrager, is door de bewoners van Vossenhoorn 13 verzocht om de ruimtelijke onderbouwing. Deze zal worden verstrekt bij het ter inzage gaan van de ontwerpvergunning, omdat in een eerder stadium onderzoeken en onderbouwingen nog niet compleet zijn en dus geen volwaardig stuk gedeeld kan worden. In bijlage 3 is de uitgewerkte omgevingsdialoog te vinden. 5.2.2 Vooroverlegreactie Vanuit de provincie is een vooroverlegreactie ontvangen. In overleg met Gemeente Oisterwijk is waar nodig de ruimtelijke onderbouwing aangevuld, dan wel aangepast. Hierin zijn de volgende onderwerpen aangekaart: - Gevolgde procedure: in paragraaf 1.4 is verduidelijkt op welke basis de procedure is gekozen.

- Borging van afspraken: afspraken worden geborgd in de omgevingsvergunning en op termijn verwerkt in het omgevingsplan. - Landschappelijk inpassingsplan: in paragraaf 3.3.3 is ingegaan op de vraag of knotwilgen onderdeel uitmaken van gebiedseigen beplanting. - Geurbelasting: paragraaf 4.7.3 is hierop verduidelijkt. - Mantelzorgfunctie: informatie is voor kennis aangenomen. 5.2.3 vervolg procedure De ontwerp-vergunning wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. Daarnaast zullen de eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp hierin worden verwoord. Na vaststelling wordt de definitieve vergunning voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt de vergunning in werking.

Hoofdstuk 6

bijlagen

Bijlage 1: Inpassingsplan Bijlage 2: Standaardadvies Veiligheidsregio Bijlage 3: Omgevingsdialoog Bijlage 4: principebesluit gemeente Oisterwijk d.d. 25 augustus 2022 Bijlage 5: Onderzoek bodem Bijlage 5a: aanvullende memo Bodem Bijlage 6: AERIUS berekening gebruiksfase Bijlage 7: Geur achtergrond resultaten en invoer Bijlage 8: Geurberekening voorgrond (26-02-2024) Bijlage 8a: Geurberekening voorgrond Vossenhoorn 13

Ruimtelijke onderbouwing – Vossenhoorn 9 te Moergestel

54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14171733/3