CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota van antwoord NRD De Baars

RAAD 11 december 2025, gemeente OisterwijkBij agendapunt: Wensen en bedenkingen NRD Energiehub De Baars - aangenomen43.310 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Nederland kent geen aparte norm voor LFG. Volgens onderzoeken van het RIVM, Bureau LBP/Sight en Peutz 6 maakt LFG integraal deel uit van het totale geluidspectrum dat wordt genormeerd via de L den-norm. De norm van 47 dB Lden biedt voldoende bescherming tegen hinder, inclusief het laagfrequente deel van het geluid. In bijvoorbeeld Denemarken geldt een norm van 20 dB(A) binnenshuis. Toetsing aan deze norm in Nederlandse projecten heeft uitgewezen dat de Lden-norm van 47 dB afdoende bescherming biedt tegen LFG. 6

https://www.platformparticipatie.nl/windturbinesleefomgeving/ontwerpbesluit-windturbines-leefomgeving/documenten-ontwerpbesluitwindturbinesleefomgeving/HandlerDownloadFiles.ashx?idnv=2706521

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

18

Het RIVM concludeert dat geen aparte beoordeling nodig is boven op de bestaande normering. Wel is vanwege maatschappelijke zorgen een landelijk aanvullend onderzoeksprogramma gestart, dat momenteel loopt. We houden dit landelijke onderzoeksprogramma en andere onderzoeken naar laagfrequent geluid en infrasoon geluid nauwlettend in de gaten en gaan daarnaast in het OER een kwalitatieve analyse uitvoeren. Een kwantitatieve analyse is op dit moment niet mogelijk, omdat het windturbinetype nog niet bekend is. Hoeveel laagfrequent en infrasoon geluid een windturbine produceert, verschilt per type. Gezondheidseffecten Wetenschappelijke publicaties tonen geen bewijs voor directe gezondheidseffecten als gevolg van LFG van windturbines, mits voldaan wordt aan de geldende norm. De gemeenten baseren zich op deze inzichten en toetsen het project aan de wettelijke kaders en de eerder gemelde aanvullende normen. Voordat het definitieve turbinetype wordt bepaald, wordt een geluidsberekening uitgevoerd om te controleren of de turbine inderdaad aan de norm voldoet.

2.4.3

Cumulatieve geluidsbelasting

Meerdere indieners hebben vragen gesteld over cumulatieve geluidsbelasting. De cumulatieve geluidsbelasting door het windpark staat in de NRD en wordt onderzocht en beoordeeld in het OER. Daarbij wordt gekeken naar zowel de absolute als de relatieve toename van het geluidsniveau in de omgeving, dus inclusief bestaand geluid van bijvoorbeeld verkeer of andere windturbines. Specifiek wordt onderzocht of en in hoeverre de komst van windturbines leidt tot (meer) ernstig gehinderden.

2.4.4

Piekbelasting

Sommige indieners vragen zich af of turbines op bepaalde momenten veel meer geluid kunnen produceren dan gemiddeld en of dit voldoende wordt afgedekt door de huidige normen. Windturbines veroorzaken geen piekgeluiden zoals bijvoorbeeld het geval is bij snelwegen (spitsuren) of vliegtuigen. Afhankelijk van het type turbine wordt vanaf een windsnelheid van circa 10 m/s het maximale vermogen bereikt, waarbij ook het maximale geluidsniveau wordt geproduceerd. Bij hogere windsnelheden blijft het vermogen gelijk en daarmee het geluidsniveau gelijk. In de praktijk ligt het maximale geluidsniveau (L max) 2 tot 4 decibel boven de jaargemiddelde geluidsbelasting in de nachtperiode. De reacties over het maximale geluidsniveau nemen we over. Binnen het OER worden daarom ook berekeningen uitgevoerd voor L max. Op deze manier geven we inzicht in de maximale geluidsniveaus die kunnen optreden specifiek voor de locaties. Zo kunnen deze waarden worden meegenomen in de beoordeling van het project en de locatiekeuze.

2.4.5

Monitoring geluidsnormen

In de reacties is gevraagd hoe wordt gecontroleerd of windturbines zich houden aan de geluidsnormen. De geluidsnormen voor windturbines zijn gebaseerd op een jaargemiddelde (L den). Monitoring en toetsing vinden plaats op basis van verplichte windturbinedata, zoals productiegegevens en windsnelheden, die door het bevoegd gezag kunnen worden opgevraagd en geanalyseerd.

2.4.6

Trillingen door windturbines

Meerdere indieners hebben vragen gesteld over mogelijke trillingen in de bodem en de effecten daarvan op woningen of het welzijn. Windturbines veroorzaken geen trillingen op afstand. Trillingen die in de bodem ontstaan, zijn slechts meetbaar binnen enkele meters van de turbine. Op grotere afstanden, zoals bij woningen op honderden meters afstand, zijn

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

19

effecten uitgesloten. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat heeft in een Kamerstuk 7 benadrukt dat de bewering dat overdracht via de bodem plaatsvindt ongegrond is, wat wordt bevestigd door nauwkeurige metingen van trillingsniveaus rondom windturbines.

2.4.7

Bisfenol A (BPA) en PFAS in windturbines

In een aantal reacties zijn vragen gesteld over de mogelijke effecten van chemische stoffen zoals bisfenol A (BPA) en PFAS, en hoe hiermee wordt omgegaan bij de locatiekeuze en vergunningverlening. We lichten hieronder toe wat we al weten en hoe we hier in het vervolgproces mee omgaan. BPA is een chemische stof die gebruikt wordt voor de productie van kunststoffen zoals polycarbonaat en epoxyharsen. Dit komt in diverse producten voor, zoals voedselverpakkingen, flessen, elektronica en windturbinebladen. Windturbinebladen bestaan doorgaans uit glasvezel, epoxyhars en soms koolstofvezels. BPA wordt gebruikt als grondstof bij de productie van epoxyhars, maar wordt tijdens het chemische proces vrijwel volledig omgezet. In het eindproduct blijft een zeer kleine hoeveelheid BPA achter, in de orde van 0,001 tot 0,01%8. BPA en PFAS zijn geen locatieonderscheidende factoren en worden daarom niet meegenomen in het Omgevingseffectrapport (OER). Dit geldt namelijk voor elke windturbine. Stoffen zoals BPA en PFAS worden wel meegenomen in een latere fase van het project, namelijk bij het vergunningstraject. Daarin kan gekeken worden naar materiaalgebruik, emissies en milieutechnische aspecten van de uitvoering.

Gelet op de beschikbare wetenschappelijke inzichten, de beperkte emissies en het ontbreken van concrete aanwijzingen voor het gebruik van PFAS, vormen BPA en PFAS geen belemmering voor de locatiekeuze. In het vergunningstraject zal hier nader aandacht aan worden besteed.

2.4.8

(Gezondheids-)effecten van slagschaduw en normering

Verschillende indieners maken zich zorgen over de mogelijke effecten van slagschaduw op het dagelijks leven en de gezondheid. Slagschaduw ontstaat wanneer de draaiende rotorbladen van een windturbine het zonlicht tijdelijk blokkeren en zo bewegende schaduwen veroorzaken op bijvoorbeeld gevels of ramen van woningen. De mate van hinder wordt onderzocht in het OER Om hinder te beperken, wordt gebruikgemaakt van een stilstandvoorziening. Dit is een voorziening die de windturbine uitschakelt als er te veel slagschaduw optreedt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw. Hiermee wordt voldaan aan de landelijke norm van maximaal 6 uur slagschaduw per jaar per woning, met een maximum van 20 minuten per dag. Wat betreft mogelijke gezondheidseffecten: de hinderbeleving van slagschaduw hangt samen met de snelheid waarmee de schaduw zich herhaalt. Hoge windturbines met grote rotorbladen draaien relatief langzaam. Bekend is dat hinder pas optreedt bij hogere frequenties. In combinatie met de beperkte blootstellingsduur zal daarom geen sprake zijn van gezondheidsrisico’s. Sommige indieners uiten zorgen over slagschaduw op grote afstand, bijvoorbeeld op meerdere kilometers van een windturbine. Onderzoek en praktijkervaring laten zien dat slagschaduw op dergelijke afstanden zo diffuus is dat deze niet meer als hinderlijk wordt ervaren.

Om die reden worden alleen woningen binnen een afstand van 12 keer 7

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33612-22.html

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

20

de rotordiameter van een windturbine meegenomen in de beoordeling. Buiten deze zone is slagschaduw verwaarloosbaar. Cumulatie Bij de beoordeling van slagschaduw wordt, indien van toepassing, ook gekeken naar cumulatie met andere windparken in de omgeving. Dit betekent dat we nagaan of meerdere windturbines gezamenlijk tot een verhoogde hinder kunnen leiden op een bepaalde locatie. Als sprake is van overlap in slagschaduw van verschillende windturbines of -parken, wordt dit meegenomen in de analyse. Cumulatie met andere vormen van hinder, zoals geluid of visuele impact, wordt in deze beoordeling niet meegenomen. Dat komt omdat deze vormen van hinder elk hun eigen beoordelingskader en normstelling hebben. Ze worden afzonderlijk beoordeeld op basis van de geldende wet- en regelgeving. Een gecombineerde beoordeling is juridisch en technisch niet mogelijk binnen het huidige toetsingskader. Gevoeligheid bij specifieke groepen Uit meerdere reacties blijkt dat zorgen bestaan over mogelijke extra hinder van slagschaduw bij specifieke groepen, zoals kinderen en mensen met psychische problemen. Dit signaal is relevant en juist het OER geeft inzicht in mogelijke hinder door slagschaduw. . Hierbij wordt in beginsel uitgegaan van algemeen geldende normen die zijn gebaseerd op wetenschappelijke inzichten over gezondheid en hinder.

Deze normen bieden bescherming aan inwoners, inclusief kwetsbare groepen. Winstderving door slagschaduw Slagschaduw kan leiden tot tijdelijke stilstand van windturbines, bijvoorbeeld om hinder voor schaduwgevoelige gebouwen te beperken tot maximaal 6 uur per jaar. Dit betekent dat een turbine gedurende bepaalde momenten automatisch wordt uitgeschakeld, wat invloed heeft op de energieopbrengst. In het OER wordt gekeken naar het aantal gevoelige objecten binnen de slagschaduwcontouren, en naar het percentage stilstand dat nodig is om aan de norm van maximaal 6 uur per jaar te voldoen. Dit percentage wordt vervolgens afgezet tegen het opwekpotentieel van het betreffende onderzoeksgebied. Zo ontstaat een beeld van de mate waarin slagschaduw invloed heeft op de economische haalbaarheid van het project. Een gebied kan bij vergelijkbare milieueffecten geschikter worden geacht voor windenergie als de energieopbrengst relatief hoog blijft, ondanks eventuele stilstand. Deze afweging maakt onderdeel uit van de bredere beoordeling van de milieueffecten en de ruimtelijke geschiktheid van het gebied. Slagschaduwkalender Meerdere indieners vragen om een slagschaduwkalender. Slagschaduw wordt in de NRD als criterium meegenomen, maar het detailniveau van bijvoorbeeld een slagschaduwkalender is op dit moment nog te hoog.

Daarvoor moeten de exacte windturbineposities en het windturbinetype bekend zijn. Op het moment dat dit wel bekend is, kan dit worden verzorgd.

2.5 Normstelling en effecten van overige aspecten 2.5.1

(Externe) veiligheidseffecten en normering

Uit de ingediende reacties bleek dat er vragen zijn over de effecten op (externe) veiligheid door het plaatsen van windturbines. Bij de beoordeling van een windpark wordt ook gekeken naar externe veiligheid. Dat zijn mogelijke risico’s voor de omgeving, zoals bladbreuk, ijsafworp, en de ligging ten opzichte van kwetsbare objecten, buisleidingen en hoogspanningsinfrastructuur. De beoordeling vindt plaats met de Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW), waarin rekenregels en adviesafstanden staan voor verschillende risicocategorieën.

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

21

Hoewel sommige verwijzingen in de HRW zijn verouderd door de Omgevingswet, blijft de inhoud van de handreiking actueel. Deze wordt nog steeds breed toegepast bij de beoordeling van windenergieprojecten. De wettelijke normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Bij het opstellen van de beoordelingscriteria in de NRD is rekening gehouden met deze normen en met de uitgangspunten uit het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving. Zo kunnen we waarborgen dat we de meest actuele normen en uitgangspunten toepassen. In het OER worden de alternatieven beoordeeld op hun ligging ten opzichte van kwetsbare en risicovolle objecten. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de plaatsgebonden risico-contour (PR-contour), de werpafstand bij bladbreuk en de adviesafstanden rond buisleidingen en hoogspanningsinfrastructuur. Ook wordt aandacht besteed aan risico’s door ijsafworp en ijsafval, afhankelijk van het soort turbine en lokale omstandigheden. Met deze kaders en methoden wordt beoordeeld of het windpark voldoet aan de geldende veiligheidsnormen. Indien nodig kunnen aanvullende maatregelen worden getroffen of kan nadere afstemming plaatsvinden met betrokken beheerders.

2.5.2

Lichthinder door het windpark

In de reacties is aandacht gevraagd voor mogelijke lichthinder door het windpark, bijvoorbeeld door luchtvaartverlichting of lichtschittering van de rotorbladen. Bij de beoordeling van het windpark wordt rekening gehouden met de geldende wettelijke normen voor lichthinder. Sinds de uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2021:1395) moeten de landelijke normen voor windturbines voor onder andere lichtschittering met een actuele en lokaal onderbouwde motivering worden toegepast bij projecten van drie of meer turbines. Het bevoegd gezag kan daarom eigen normen hanteren, mits deze goed gemotiveerd zijn en passen bij de lokale situatie. Om hinder door verlichting te beperken, kunnen aanvullende maatregelen worden toegepast. Een voorbeeld hiervan is het gebruik van een transpondersysteem waarmee vliegtuigen en andere luchtvaartuigen worden gedetecteerd. Hierdoor hoeft de verlichting op windturbines niet permanent te branden, maar alleen wanneer dat noodzakelijk is. Dit beperkt de lichthinder voor de omgeving. Bij de beoordelingscriteria voor externe veiligheid is rekening gehouden met normgrenzen uit het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving. Lichthinder valt hier onder, bijvoorbeeld voor luchtvaartverlichting. Verder nemen we een kwalitatieve beschrijving over obstakelverlichting op.

Hierin behandelen we wat het is, waarvoor het dient, welke soorten er zijn en hoe dit zich in het landschap verhoudt.

2.5.3

Negatieve gevolgen van het windpark voor recreatie en toerisme

In de reacties is bezorgdheid geuit over mogelijke gevolgen van het windpark voor recreatie en toerisme in de omgeving. Safaripark Beekse Bergen is een belangrijke recreatieve bestemming nabij het onderzoeksgebied. In het OER wordt onderzocht in hoeverre de ontwikkeling van het windpark invloed heeft op recreatieve functies in de omgeving. Daarbij wordt gekeken naar aspecten als feitelijke nabijheid, beleving, rust en uitzicht. Ook wordt beoordeeld hoe de ruimtelijke varianten scoren op nabijheid tot recreatieve voorzieningen. Economische effecten op individuele voorzieningen vallen buiten de scope van het OER. Wel wordt de ruimtelijke relatie tussen het windpark en bestaande recreatieve functies in kaart gebracht, zodat duidelijk wordt of en hoe deze functies geraakt kunnen worden.

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

22

Naast mogelijke effecten wordt ook gekeken naar koppelkansen: mogelijkheden om recreatie te versterken of uit te breiden in combinatie met duurzame energie. Denk bijvoorbeeld aan educatieve voorzieningen, landschappelijke inpassing of recreatieve routes rondom het windpark.

2.5.4

Cultuurhistorische impact

In de reacties is een paar keer de vraag teruggekomen of in het OER naar de cultuurhistorische impact en de gevolgen voor cultuurhistorische waarden in de omgeving wordt gekeken. De cultuurhistorische impact maakt onderdeel uit van het onderzoek. In het OER wordt specifiek gekeken naar de ligging van de alternatieven ten opzichte van cultuurhistorische gebieden en objecten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant en cultuurhistorische kaarten van de gemeenten. Deze kaarten bevatten informatie over waardevolle gebieden, zoals industriële complexen, kloosters, landgoederen en militaire structuren die belangrijk zijn voor de Brabantse geschiedenis. De analyse richt zich op de ruimtelijke relatie tussen de geplande windturbines en deze cultuurhistorische elementen. Daarmee wordt beoordeeld in hoeverre de alternatieven invloed kunnen hebben op het behoud en de beleving van cultuurhistorische waarden. Naast fysieke effecten wordt ook gekeken naar de impact op de beleving van deze waarden, omdat dit, net als bij cultureel erfgoed, indirecte economische gevolgen kan hebben, bijvoorbeeld voor toerisme en recreatie.

2.6 Natuur 2.6.1 Stikstofeffecten In de reacties is door meerdere indieners gevraagd of de stikstofeffecten van het windpark voldoende worden onderzocht. We nemen dit aspect mee in het OER en lichten hieronder toe hoe we dat gaan doen. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen in het algemeen wordt nadrukkelijk gekeken naar mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden, waaronder ook stikstofneerslag. Dat is wettelijk verplicht en vindt plaats op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, die zijn vertaald naar nationale regelgeving. Het doel is het beschermen en in stand houden van ecologisch waardevolle gebieden. In de NRD staat dat onderscheid wordt gemaakt tussen tijdelijke en permanente effecten op Natura 2000gebieden. Bij tijdelijke effecten, zoals tijdens de aanlegfase, wordt specifiek gekeken naar stikstofneerslag. Bij permanente effecten wordt beoordeeld in hoeverre soorten en habitattypen worden beïnvloed die ten grondslag liggen aan de aanwijzing van het betreffende Natura 2000-gebied. Voor windturbineprojecten speelt stikstof vooral een rol tijdens de aanlegfase, omdat dan tijdelijke emissies kunnen optreden door bouwverkeer en werkzaamheden. Voor dit project is benoemd dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen in ieder geval relevant is vanwege de ligging ten opzichte van het plangebied.

De stikstofgevoeligheid van dit gebied maakt het noodzakelijk om zorgvuldig te beoordelen of significante effecten kunnen optreden. Deze beoordeling vindt plaats in het OER, waarin ook wordt gekeken mogelijke maatregelen om de gevolgen van stikstofuitstoot te verminderen. In de NRD wordt ook gekeken of duurzame energieopwekking kan worden gecombineerd met natuurontwikkeling. Dat biedt juist kansen voor de stikstofproblematiek. Zo kunnen opbrengsten uit de energietransitie bijvoorbeeld worden gebruikt om de natuur en biodiversiteit te versterken. Dat kan de negatieve effecten, zoals stikstofuitstoot, deels opvangen. Dit wordt meegenomen in de totale afweging.

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

23

2.6.2

Natura 2000-gebied en Natuurnetwerk Brabant

In de reacties is gevraagd of het windpark Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Brabant (NNB) aantast. Deze effecten worden in het OER zorgvuldig onderzocht. Hieronder lichten we toe hoe dit gebeurt en welke stappen in het OER worden gezet om mogelijke effecten in beeld te brengen. Bij de beoordeling van het windpark wordt gekeken naar mogelijke effecten op beschermde natuurgebieden, waaronder Natura 2000-gebieden en het NNB. De beoordeling vindt plaats op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, die zijn vertaald naar nationale regelgeving. Het doel is om ecologisch waardevolle gebieden te beschermen en in stand te houden. Bij Natura 2000-gebieden mag een project niet worden gerealiseerd zonder vergunning van Gedeputeerde Staten, als het afzonderlijk of in combinatie met andere plannen significante effecten kan hebben. Dit gaat zowel om verstoring door werkzaamheden als om effecten als stikstofneerslag tijdens de aanleg. Zie ook beantwoording bij vraag 2.6.1 voor een nadere toelichting op stikstofeffecten. In de NRD staat dat de beoordeling van effecten op Natura 2000-gebieden en het NNB plaatsvindt in het OER. Omdat er nog geen concrete windturbineposities zijn voor een vergunningaanvraag, wordt op dit moment geen passende beoordeling (om te bepalen of een vergunning wél of níet wordt afgegeven) uitgevoerd.

Wel wordt beoordeeld of een voortoets genoeg is of dat een passende beoordeling nodig is in een latere fase van besluitvorming. Een voortoets is een onderzoek (met behulp van een AERIUS-berekening) waarmee bepaald wordt of een project of plan significant negatieve gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Zo ja, dan is een passende beoordeling en eventueel een vergunning nodig. Voor het Brabants natuurnetwerk geldt dat effecten kunnen optreden op natuurbeheertypen uit het provinciale natuurbeheerplan. De beoordeling richt zich op de mate waarin de wezenlijke kenmerken en waarden van deze typen worden aangetast. In het OER wordt dit beoordeeld ten opzichte van de situatie zonder windturbines (referentiesituatie). Indien nodig kunnen mitigerende maatregelen worden getroffen, zoals het vervangen of herstellen van beheertypen. Op basis van de huidige fase van onderzoeksopzet en de beschikbare ecologische kaders worden effecten op Natura 2000-gebieden en het Brabants natuurnetwerk zorgvuldig in beeld gebracht. De uitkomsten van deze beoordeling vormen een belangrijk onderdeel van de verdere besluitvorming en vergunningverlening.

2.6.3

Effecten van windturbines op paarden en vee in omliggende weilanden

In de reacties is bezorgdheid geuit over mogelijke effecten van windturbines op dieren in de directe omgeving, zoals paarden en vee in agrarisch gebied. Op dit moment is geen wetenschappelijk bewijs beschikbaar dat aantoont dat windturbines schadelijk zijn voor het welzijn of de gezondheid van paarden of vee. De Raad van State heeft op 4 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1228) geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat geluid van windturbines leidt tot stress of andere negatieve effecten bij dieren, zoals paarden. Dit oordeel is gebaseerd op een deskundigenbericht . Omdat er geen aanwijzingen zijn dat windturbines negatieve effecten hebben op deze diergroepen, wordt dit aspect niet meegenomen in het OER. Het is geen onderscheidend criterium voor de locatiekeuze. Hoe om wordt gegaan met de effecten op andere dieren, staat in paragraaf 2.6.6.

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

24

2.6.4

Verstoring van vleermuizen

Veel indieners hebben vragen gesteld over mogelijke negatieve effecten van windturbines op vleermuizen. In het OER wordt dit thema op hoofdlijnen onderzocht. Daarbij wordt gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen in het gebied en de mogelijke effecten van het windpark. Op basis van deze analyse wordt beoordeeld of aanvullende maatregelen nodig zijn. Voorbeelden daarvan zijn detectiesystemen in combinatie met stilstandregelingen, waarbij turbines tijdelijk worden stilgezet als de kans op botsingen verhoogd is, bijvoorbeeld bij bepaalde weersomstandigheden of tijdens de migratieperiodes. In een later stadium, bij de vergunningaanvraag, volgt een gedetailleerd ecologisch onderzoek. Daarna wordt definitief bepaald welke maatregelen noodzakelijk zijn om verstoring van vleermuizen te voorkomen of te beperken.

2.6.5

Effecten op vogels

Indieners maken zich ook zorgen over de eventuele negatieve effecten op vogels. Hierbij worden onder andere ooievaars, ijsvogels en buizerds genoemd. In de NRD staat dat het effect op beschermde soorten, waaronder vogels, wordt onderzocht in het OER. Dit gebeurt in deze fase met een bureau- en veldonderzoek waarbij onder meer wordt gekeken naar de aanwezigheid van soorten die in de omgeving voorkomen in relatie tot het geplande windpark. Risico’s voor vogels kunnen bestaan uit botsingen met draaiende rotorbladen, verstoring van leefgebieden of barrièrewerking in migratieroutes. Om deze effecten te beperken, kunnen aanvullende maatregelen worden toegepast. In de NRD is benoemd dat techniek beschikbaar is om vogels te detecteren, in combinatie met een stilstandregeling. Dit houdt in dat turbines tijdelijk stilgezet kunnen worden bij een grotere kans op botsingen, bijvoorbeeld tijdens de trek of bij specifieke weersomstandigheden. In een later stadium, bij de vergunningaanvraag, wordt een gedetailleerd ecologisch onderzoek uitgevoerd. Daarna wordt definitief bepaald welke maatregelen noodzakelijk zijn om verstoring van vogels te voorkomen of te beperken.

2.6.6

Effecten op andere dieren

In de reacties is gevraagd of voldoende rekening wordt gehouden met de effecten van het windpark op dieren in de omgeving, zoals insecten en de dieren in Safaripark de Beekse Bergen. De effecten op dieren worden in het vervolgonderzoek zorgvuldig meegenomen. Hierboven staat dat het effect op beschermde soorten in het OER wordt onderzocht. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen tijdelijke effecten tijdens de aanleg en permanente effecten na realisatie. Tijdens de aanleg kunnen verstoringen optreden door geluid, trillingen, lichthinder en optische prikkels. Om deze effecten te beperken, worden maatregelen getroffen, zoals het vermijden van bouwactiviteiten in gevoelige perioden, bijvoorbeeld tijdens het broedseizoen of wanneer bepaalde soorten jongen hebben. Voor verschillende diersoorten is in wetenschappelijke studies aangetoond dat gewenningsreacties optreden bij frequent en voorspelbaar geluid, zoals dat van windturbines. Dit geldt bijvoorbeeld voor grondgebonden zoogdieren, waaronder ook de dieren van Safaripark Beekse Bergen. Aangenomen wordt dat ook deze dieren zullen wennen aan het continue, voorspelbare karakter van het turbinegeluid en de minimale trillingen. Het is niet aannemelijk dat het geluid van windturbines leidt tot stress of aantasting van het dierenwelzijn.

Dit is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 4 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1228).

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

25

Over insecten is bekend dat een klein deel in aanvaring kan komen met de bladen van windturbines. De meeste lokale insecten vliegen echter niet op turbinehoogte. Trekkende insecten kunnen deze hoogte wel bereiken, maar vliegen ook op andere hoogtes, vaak zelfs boven 2000 meter. Er zijn geen betrouwbare gegevens beschikbaar over het aantal insecten dat daadwerkelijk geraakt wordt of de omvang van de populaties. Insecten worden niet meegenomen in het OER, omdat dit geen onderscheidend criterium is voor de locatiekeuze en omdat geen significante negatieve effecten op insectenpopulaties worden verwacht. In het OER worden de effecten op beschermde soorten en hun leefgebied per alternatief beoordeeld. Daarnaast wordt gekeken naar de impact op de Ecologische Verbindingszones (EVZ) en op beschermde gebieden binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Hierbij wordt ook gekeken naar kansen voor nieuwe biotopen en soorten. Deze kansen worden in het OER uitgewerkt onder het verbredingsthema biodiversiteit (NRD 3.5.2).

2.6.7

Volledige natuurtoets

Verschillende indieners hebben verzocht om in dit stadium al een volledige natuurtoets uit te voeren voor meer zekerheid over de effecten op beschermde natuurwaarden. In deze fase is een volledige natuurtoets volgens het Bal (Besluit activiteiten leefomgeving) en Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving) nog niet aan de orde. Dat lichten we hierna toe. In het OER wordt op een voor deze fase passend detailniveau onderzocht wat de ligging van de mogelijke windturbines is ten opzichte van Natura 2000-gebieden en welke effecten op beschermde soorten te verwachten zijn. Dit gebeurt op hoofdlijnen en op basis van beschikbare gegevens uit nationale databanken over flora en fauna. Ook betrekken we natuurorganisaties bij de eerste ecologische beoordeling in het OER. Hun kennis en ervaring helpen om de effecten zorgvuldig in beeld te brengen. In een latere fase, bij de uitwerking van een concreet initiatief, zullen de effecten op beschermde natuurwaarden nader worden onderzocht en beoordeeld, volgens de eisen uit het Bal en Bkl. Dit betreft onder meer de mogelijke gevolgen voor beschermde soorten, leefgebieden en Natura 2000-gebieden. Ook zal bij een concreet initiatief in een latere fase expliciet aandacht worden besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten.

Dit houdt in dat de milieueffecten van het initiatief samen met andere bestaande of voorgenomen ontwikkelingen in de omgeving worden beoordeeld, voor zover deze gezamenlijk invloed kunnen hebben op flora en fauna.

2.7 Technische en ruimtelijke kenmerken van het plan 2.7.1 Alternatieven en varianten in het OER In de reacties zijn veel alternatieven en varianten aangedragen. Wij waarderen deze betrokkenheid en het meedenken, omdat dit helpt om het onderzoek zo volledig mogelijk te maken. Het is niet haalbaar en niet nodig om alle voorgestelde varianten in het OER te onderzoeken. In deze paragraaf lichten we toe welke alternatieven en varianten in het onderzoek worden opgenomen en waarom bepaalde voorstellen niet worden meegenomen. Alternatieve locaties In diverse reacties wordt gevraagd waarom geen alternatieve locaties voor dit windpark zijn onderzocht binnen de regio Hart van Brabant en rondom De Baars. Daarbij zijn ook alternatieve locaties aangedragen, bijvoorbeeld dichterbij knooppunt De Baars. In de Regionale Energie- en Klimaatstrategie (REKS) hebben de negen gemeenten, de waterschappen en de provincie 8 zoekgebieden in de regio aangewezen als mogelijke locatie voor de grootschalige opwek van duurzame energie met wind en zon. Het gebied rond De Baars is er daar één van, naast gebieden bij Waalwijk, Heusden en

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

26

Tilburg-Noord. Regionaal zijn er dus meerdere zoekgebieden, die gezamenlijk bij kunnen dragen aan te totale energieopgave van de regio. Voor De Baars specifiek is allereerst een belemmeringenanalyse uitgevoerd om te bepalen waar in het gebied windturbines technisch en planologisch mogelijk zijn. Daarbij is rekening gehouden met belemmeringen, zoals defensie en luchtvaart, afstanden tot woningen, natuurgebieden en infrastructuur. Op basis daarvan is een zoekgebied afgebakend waarin de realisatie van windturbines technisch als haalbaar wordt beschouwd. Binnen dit zoekgebied zijn vervolgens ruimtelijke alternatieven ontwikkeld. Deze alternatieven zijn opgesteld om de uitersten te verkennen en inzicht te bieden in de mogelijke milieueffecten van verschillende opstellingen van windturbines binnen het gebied. De milieu-informatie die uit de onderzoeken voorkomt, vormt een belangrijke basis voor de verdere besluitvorming over de windopgave in het gebied. Extra varianten In de reacties zijn extra varianten aangedragen. Al deze varianten hebben we met zorg bekeken en besproken. Een afwegingskader om een variant als 'extra' variant op te nemen was de mate waarin de ingediende variant het speelveld van het onderzoek oprekt of niet.

Zo is er een aantal varianten die we wel meenemen ('Wind met Wijsheid' is hiervan een voorbeeld) en die binnen het huidige speelveld vallen zodat ze niet als extra variant worden benoemd. Er zijn drie varianten die we als extra meenemen. Dit zijn het integrale alternatief “RRL variant” en voor de wateropgave een “agrarische variant”, die door agrariërs in het gebied samen met de ZLTO wordt uitgewerkt, en een aanvulling van het waterschap De Dommel op de watervarianten. Deze extra varianten worden kort uiteengezet in de bijlage achteraan dit document. Windloze alternatieven In het OER wordt een referentiesituatie gehanteerd waarin geen windturbines worden gerealiseerd. Deze referentiesituatie geeft de autonome ontwikkelingen in het gebied weer: de verwachte situatie zonder uitvoering van het windenergieproject. De referentiesituatie dient als uitgangspunt voor de vergelijking met de windturbinealternatieven die onderzocht worden. Een afzonderlijk ‘windloos alternatief’ is niet nodig, omdat de referentiesituatie dient als vergelijkingsbasis zonder windenergie. Alternatieve vormen energieopwekking Het windpark wordt ontwikkeld als onderdeel van de landelijke en Europese klimaatopgave. Nederland heeft zich gecommitteerd aan het terugdringen van de CO₂-uitstoot met 55% in 2030.

In het Klimaatakkoord is opgenomen dat daarvoor op land ten minste 35 terawattuur (TWh) aan hernieuwbare energie moet worden opgewekt. De invulling hiervan is techniekneutraal, maar in de praktijk zijn sommige technieken effectiever en beter haalbaar dan andere. Windenergie is in Nederland één van de meest kosteneffectieve manieren om duurzame elektriciteit op te wekken. De kosten per opgewekte kilowattuur behoren tot de laagste van alle duurzame opwekkingsvormen. Zonne-energie vult windenergie aan, maar heeft op dit moment een hogere kostprijs per kWh, vraagt meer ruimte en vergt grotere investeringen. Bovendien heeft het energiesysteem een gebalanceerde mix van zon en wind nodigom netcongestie te voorkomen en maatschappelijke kosten te beperken. Wat een goede verhouding is, verschilt per regio en wordt lokaal bepaald. In de Baars is zonne-energie relatief voldoende gerealiseerd of zijn vergunningen daarvoor verleend. Daarom is in dit project voor windenergie gekozen als passende invulling van de opgave. Kernenergie wordt soms genoemd als alternatief, maar speelt geen rol in het halen van de doelen voor 2030. Het bouwen van een nieuwe kerncentrale kost veel tijd: zelfs in het meest optimistische scenario is een centrale pas na 2040 operationeel.

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

27

Batterijen (energieopslagsystemen) zijn geen bron van energieopwekking, maar een middel om energie tijdelijk op te slaan. Ze kunnen waardevol zijn voor een gebalanceerd energiesysteem, maar vervangen geen opwekcapaciteit. Ook innovatieve technieken als getijdenenergie en blue energy zijn in Nederland nog niet grootschalig succesvol toegepast en vormen op dit moment geen reëel alternatief.

2.7.2

Gevolgen van turbinehoogte

In de reacties is veel gevraagd naar de hoogte van de windturbines en waarom voor deze hoogte gekozen is. Ook worden vragen gesteld over de gevolgen van hoge windturbines in dit project. Dit is in de reacties gekoppeld aan mogelijke gevolgen voor geluid, visuele aanwezigheid en slagschaduw. Allereerst is het in dit kader belangrijk om te vermelden dat de hoogte van de turbines nog niet vaststaat. In deze fase gaan we uit van minimaal 150 en maximaal 255 meter tiphoogte. Dat betekent dat de ashoogte van de turbines in het onderzoek varieert tussen 100 tot 170 meter en de rotordiameter tussen 100 en 170 meter. De afgelopen jaren zijn windturbines in het algemeen hoger geworden en dat heeft een duidelijke reden: grotere turbines zijn aanzienlijk efficiënter. Hoog in de lucht waait het vaker en harder, waardoor grotere bladen meer wind vangen en dus meer duurzame elektriciteit opwekken. Als de bladen twee keer zo groot zijn, kan de opbrengst ruim vier keer zo hoog zijn. Door deze hogere opbrengst zijn er minder turbines nodig om dezelfde hoeveelheid energie op te wekken. Daardoor wordt de ruimte efficiënter gebruikt en kan er minder hinder zijn. Bovendien is de kostprijs per opgewekte kilowattuur bij grotere turbines substantieel lager, waardoor windenergie betaalbaar blijft en de energietransitie haalbaar blijft.

Hoogte en geluid (inclusief laagfrequent geluid) Hogere windturbines produceren niet per se meer geluid. Op grotere hoogte waait het harder en grotere turbines draaien langzamer, wat juist kan leiden tot minder geluid. Tegelijkertijd verschilt de geluidsproductie per turbinetype. Daarom wordt bij concrete projecten, zodra het definitieve type is gekozen, een nieuwe berekening uitgevoerd om zeker te weten dat aan de wettelijke normen wordt voldaan. Landschappelijke impact De hoogte van windturbines heeft invloed op de landschappelijke beleving. Dit aspect wordt meegenomen in het OER, waarin de visuele effecten en inpassing worden onderzocht. Landschappelijke inpassing wordt verder toegelicht in paragraaf 2.7.4.

2.7.3

Aanvliegroutes en laagvliegroutes en -gebieden

In verschillende reacties is gevraagd of het plan rekening houdt met onder andere laagvliegroutes en -gebieden. Bij het ontwikkelen van windenergieprojecten wordt zorgvuldig gekeken naar de aanwezigheid van luchtvaart gerelateerde beperkingen, zoals aanvliegroutes van traumahelikopters, militaire corridors, radarzones en beperkingengebieden rondom vliegvelden. Deze aspecten kunnen invloed hebben op de plaatsing en hoogte van windturbines. In de NRD is aangegeven dat deze aspecten worden meegenomen in het OER. In paragraaf 3.2 van de NRD is beschreven welke milieuthema’s in het OER worden onderzocht, waaronder luchtvaartveiligheid. Daarnaast zijn in figuur 8 van de NRD (pagina 22) de relevante belemmeringen visueel weergegeven, zoals de aanvliegroute van de traumahelikopter, de defensie-corridor voor het laagvliegen van helikopters en de radar-toetsingszone en beperkingenzone van vliegbasis Gilze-Rijen.

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

28

Bij het bepalen van het zoekgebied is rekening gehouden met deze zones. Zo nodig wordt bij het onderzoek naar (nieuwe) varianten afgestemd met de bevoegde instanties, zoals Defensie en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), om te waarborgen dat de veiligheid en functionaliteit van het luchtruim niet in het geding komen. In het kader van het REKS zijn er gesprekken met Defensie om mogelijke positie voor windturbines te toetsen aan het defensiegebruik in de diverse belemmeringenzones. De eerste resultaten van dit overleg zijn gebruikt voor het zoekgebied en de opstellingsvarianten.

2.7.4

Landschappelijke inpassing windturbines

Veel indieners hebben vragen gesteld over de impact van windturbines op het landschap en de ruimtelijke kwaliteit. Windturbines zijn door hun hoogte en schaal duidelijk zichtbaar. Hoe zichtbaarheid dat is, hangt af van factoren als afstand, landschapstype, bebouwing en begroeiing. Binnen het OER wordt onderzocht hoe de turbines zich verhouden tot het bestaande landschap. De inpassing van de windturbines wordt beoordeeld met verschillende ruimtelijke en visuele aspecten. Daarbij wordt gekeken naar de aansluiting op grootschalige landschappelijke structuren, zoals de A58 en A65, het Wilhelminakanaal en de hoogspanningsleiding. De effecten op landschappelijke waarden worden beoordeeld per landschapstype. Hierbij wordt gekeken naar kenmerken als openheid, mate van stedelijkheid en bestaande kwaliteiten. De beoordeling sluit zoveel mogelijk aan het beleid van de provincie en gemeenten. De resultaten van deze analyse worden gebruikt om de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing van het project te onderbouwen. Toevoegen visualisaties NRD In meerdere reacties is gevraagd om visualisaties die inzicht geven in de landschappelijke impact van de windturbines. Mede daarom worden binnen het OER zichtlijnanalyses en visualisaties uitgevoerd. De visualisaties worden opgesteld vanuit herkenbare locaties, zoals recreatieroutes, snelwegen en dorpsranden.

In de visualisaties voegen we herkenningspunten toe, zoals een kerk of andere prominente bebouwing. Dat maakt zichtbaar hoe de turbines er uitzien in het landschap en hoe omwonenden en bezoekers dit kunnen ervaren. De visualisaties helpen bij de beoordeling van de landschappelijke effecten en worden meegenomen in het verdere proces.

2.7.5

Visie op sanering van het windpark in het OER

In verschillende reacties is gevraagd om nu al meer duidelijkheid te geven over de sanering en recycling van windturbines na afloop van hun levensduur. Een gedetailleerde uitwerking van saneringsmaatregelen en recyclingprocessen valt niet binnen het detailniveau van het OER). Dit wordt in een later stadium, bij de vergunningverlening, verder uitgewerkt en vastgelegd. Wanneer de levensduur van een windturbine is verstreken (doorgaans na 25 tot 30 jaar) zijn de eigenaren wettelijk verplicht om de installatie te ontmantelen en het terrein in oorspronkelijke staat terug te brengen. Deze verplichting staat doorgaans in de vergunningseisen. Zo wordt voorkomen dat windturbines na hun gebruiksperiode blijven staan in het landschap.

2.7.6

Aansluiting van de windturbines

In de reacties is aandacht gevraagd voor de (on)mogelijkheden om de windturbines goed te kunnen aansluiten op het elektriciteitsnet. Dit is een begrijpelijke zorg, gezien de huidige uitdagingen rond netcongestie in Nederland. In deze paragraaf leggen we uit hoe hiermee wordt omgegaan en welke stappen in een later stadium worden gezet voor een betrouwbare netontsluiting.

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

29

De aansluiting van windturbines op het elektriciteitsnet is een belangrijk aandachtspunt bij de ontwikkeling van windenergieprojecten. Hiervoor is de initiatiefnemer primair verantwoordelijk, in samenwerking met de netbeheerder. Netcongestie, oftewel overbelasting van het elektriciteitsnet, is een groeiend knelpunt in Nederland. en in egio Hart van Brabant krijgt dit onderwerp veel aandacht. De plannen voor duurzame opwek, zoals wind- en zonneparken, hebben grote gevolgen voor de benodigde netinfrastructuur. Snellere aanleg van nieuwe netten en verzwaring van bestaande netten is noodzakelijk om de energietransitie mogelijk te maken. Netbeheerder Enexis is nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van de REKS 1.0. De strategie om te werken met energiehubs is mede bedacht om efficiënt aan te kunnen sluiten op het energienetwerk. Binnen de REKS wordt onderzocht of duurzame energieprojecten voorrang kunnen krijgen bij netaansluiting. Daarbij wordt nauw samengewerkt met de provincie Noord-Brabant en de netbeheerders Enexis en TenneT. Ook voor dit project zal in een later stadium worden bekeken wat de mogelijkheden zijn voor aansluiting op het net en hoe eventuele netcongestie kan worden meegenomen in de verdere uitwerking van de energiehub.

Bij de uitwerking van de energiehubs is de inzet van slimme oplossingen om het net efficiënter te benutten (door energie op te slaan, om te zetten of direct te gebruiken) een belangrijk aandachtspunt.

2.8 Participatie, communicatie en inspraak Uit de reacties komen vragen en meningen naar voren over de wijze waarop de participatie en inspraak zijn vormgegeven, en hoe dit voor het vervolg wordt georganiseerd. Participatie is belangrijk voor het opstellen van een gebiedsvisie waar meerdere opgaven samenkomen en waar een energiehub is voorzien. De NRD is een eerste stap in het opstellen van de gebiedsvisie De Baars. Na de NRD start het onderzoekstraject (2026) en het opstellen van de Omgevingseffectrapportage (OER) voor de gebiedsvisie. Vanaf 2027 wordt gestart met een wijziging van het omgevingsplan (of Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA)) en een omgevingsvergunning. Op al deze documenten is formeel inspraak mogelijk. Naast de officiële momenten vinden gesprekken en bijeenkomsten plaats waar suggesties, ideeën en meningen worden opgehaald. Het participatieproces is begin 2025 gestart, voorafgaand aan de eerste stap in het proces, het opstellen van de NRD. Hierdoor wordt inbreng vanuit de omgeving al in een vroeg stadium, vanaf de onderzoeksopzet, meegenomen. In januari vond 2025 een bijeenkomst plaats voor gemeenteraadsleden en leden van het Algemeen Bestuur van waterschap De Dommel. In februari 2025 was een soortgelijke bijeenkomst in Tilburg voor bewoners en andere belanghebbenden uit de omgeving.

Er is informatie gegeven over de opgave (de projectdoelen) voor duurzame energie, de aanpak van wateroverlast in het gebied, uitleg over het proces en hoe inwoners betrokken kunnen worden bij de plannen. In de periode maart – april 2025 vond een online enquête plaats over de plannen in het gebied en de vraag waar mogelijke opbrengsten van duurzame energie naar toe zouden kunnen. In juni 2025 vonden twee informatiebijeenkomsten plaats in Tilburg en Goirle waar de inhoud van de concept-NRD – 3 varianten voor windenergie en 3 varianten voor de wateropgave – centraal stond. Tijdens de bijeenkomsten waren twee notulisten aanwezig, zodat bezoekers van de informatiebijeenkomsten desgewenst geholpen konden worden met het indienen van een reactie op de concept-NRD. De vier gemeenten en waterschap De Dommel hebben ervoor gekozen om de concept-NRD zes weken formeel ter inzage te leggen. Dat is niet wettelijk verplicht, maar de gemeenten en het waterschap vinden het van belang om al in deze fase de vragen en meningen van inwoners mee te nemen in de planvorming. Deze Nota van Antwoord geeft antwoord op de reacties die zijn binnengekomen en geeft aan op welke punten de concept-NRD wordt aangepast.

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

30

In de periode hierna zijn de volgende participatiemomenten voorzien: • Informatiebijeenkomsten voor bewoners (2026, Gebiedsvisie en OER) (2027 Omgevingsplan) • Keukentafelgesprekken (continu) • ‘Energiesafari’s’: bezoeken aan bestaande windturbines (elders in Nederland), rondleidingen in het gebied De Baars (vanaf 2026) • Themabijeenkomsten (vanaf 2026 – onderwerpen waar veel vragen over zijn, zoals gezondheid, natuur, techniek) Informatie over de plannen voor energiehub De Baars staat op de websites van de vier gemeenten. Nieuwsberichten worden ook gedeeld via huis-aan-huisbladen in de gemeenten. Vanaf juli 2025 is gestart met een digitale nieuwsbrief De Baars. Zowel tijdens informatiebijeenkomsten als via de website konden geïnteresseerden zich hiervoor aanmelden. Naast de hierboven genoemde themabijeenkomsten en tekstuele uitleg worden ook infographics en video’s ontwikkeld om veel gestelde vragen te beantwoorden en de opgave van de gebiedsontwikkeling toe te lichten. Deze middelen worden gedeeld via de websites, sociale media en de digitale nieuwsbrief. Ook zijn ze te zien tijdens informatiebijeenkomsten. Via een centraal mailadres (energiehub_de_Baars@tilburg.nl) kunnen mensen vragen stellen of reacties geven.

2.8.1

Draagvlak voor dit project in de omgeving

Een aantal indieners heeft in reacties vragen gesteld over het draagvlak voor dit project. In algemene zin bestaat er breed draagvlak voor de opwek van duurzame energie. Tegelijkertijd blijkt dat dit draagvlak afneemt wanneer er plannen zijn om projecten in de directe leefomgeving te realiseren. Dit constateren wij ook in een deel van het zoekgebied De Baars. De vier gemeenten en het waterschap hechten waarde aan de mening en betrokkenheid van de omgeving. De participatie- en communicatiemomenten zullen gaandeweg het project ook uitgebreider en intensiever worden, zoals hierboven al is omschreven. Naast reacties op de NRD kunnen op een later tijdstip ook reacties naar voren worden gebracht over het OER , de Gebiedsvisie en het Omgevingsplan. Door al deze contactmomenten en gesprekken ontstaat een beeld over het draagvlak van elk van de varianten. en.

2.9 Handhaving en planschade In de reacties zijn vragen gesteld over hoe handhaving en planschade worden geregeld. Dit zijn begrijpelijke vragen, omdat deze onderwerpen direct raken aan de uitvoering en gevolgen van het project. Het is echter belangrijk om te benadrukken dat het OER zich richt op de planologische afweging en milieueffecten. Gedetailleerde afspraken over handhaving en de afhandeling van planschade worden pas in een later stadium, tijdens het vergunningstraject, vastgelegd.

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

31

2.9.1

Geluid en monitoring bij bestaande windparken

Veel indieners vragen hoe geluidsnormen bij windparken worden nageleefd. Geluidsnormen zijn wettelijk vastgelegd en moeten worden gehandhaafd. Dit is ook bij bestaande windparken het geval; geluidsnormen worden nageleefd en worden gehandhaafd. In een latere fase, bij de vergunningverlening, worden duidelijke voorschriften opgenomen om naleving te borgen. Hieronder lichten we toe hoe dit in de praktijk werkt. Geluidsnormen zijn bindend en vormen een belangrijk onderdeel van de vergunning voor een windpark. Windturbines mogen alleen worden geëxploiteerd binnen de kaders van deze normen. Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving, en beschikt over instrumenten om in te grijpen wanneer normen worden overschreden. Indien er vermoedens zijn van overschrijding van de normen, kunnen omwonenden of andere belanghebbenden een handhavingsverzoek indienen bij het bevoegd gezag. Er zijn slechts enkele concrete gevallen bekend waarin een handhavingsverzoek is ingediend vanwege windturbinegeluid. Dit leidt tot een onderzoek, waarbij onder andere wordt gekeken naar de feitelijke geluidsproductie. Als blijkt dat de vergunde normen worden overschreden, kan het bevoegd gezag handhavend optreden, bijvoorbeeld door het opleggen van maatregelen of het (tijdelijk) stilleggen van turbines.

2.9.2

Nadeelcompensatie voor financiële en/of psychische schade door het plan

In de reacties is bezorgdheid geuit over mogelijke waardedaling van woningen en andere vormen van schade als gevolg van het windpark. Naar aanleiding van deze signalen is besloten om de financiële gevolgen van het project mee te nemen in het OER, zodat hier in de afweging aandacht aan wordt besteed. Op dit moment is niet te zeggen of en in welke mate waardedaling van woningen zal optreden. Dit hangt af van verschillende factoren, zoals de uiteindelijke locatie en uitvoering van het windpark. Eventuele waardedaling kan onderdeel zijn van een verzoek om nadeelcompensatie, mits aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Wanneer iemand door een rechtmatig besluit van de overheid schade lijdt die boven het normale maatschappelijke of bedrijfsrisico uitgaat, kan een verzoek om nadeelcompensatie worden ingediend. Deze regeling vervangt de vroegere planschade en is vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nadeelcompensatie is bedoeld voor situaties waarin schade onevenredig zwaar uitvalt. Om te bepalen of sprake is van compensabele schade, wordt een vergelijking gemaakt tussen de feitelijke situatie vóór en na het schadeveroorzakende besluit. Alleen schade die niet op een andere manier verzekerd is en die het wettelijk vastgestelde normaal maatschappelijk risico (doorgaans 4%) overstijgt, komt in aanmerking voor vergoeding.

Iedere belanghebbende die meent in aanmerking te komen voor nadeelcompensatie, kan een aanvraag indienen. De beoordeling vindt plaats volgens de regels van de Awb. Daarbij wordt ook gekeken of de schade redelijkerwijs voorzienbaar was en of deze op een andere manier had kunnen worden voorkomen of beperkt. Meer informatie over de regeling en de procedure is te vinden bijvoorbeeld op het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) te vinden . 9

9

https://iplo.nl/thema/ruimtelijke-ontwikkelingen/bijzondere-onderwerpen/nadeelcompensatie/

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

32

2.9.3

Gevolg waardevermindering woningen voor de inkomsten van gemeenten

Enkele indieners gaven aan inzicht te willen hebben in wat het windpark betekent voor de inkomsten van de gemeenten. Hierbij duiden zij op de eventuele waardedaling van woningen en daarmee de daling van de WOZinkomsten. In het kader van dit project wordt niet onderzocht wat een eventuele waardevermindering van woningen zou betekenen voor de gemeentelijke inkomsten. De focus van de onderzoeksopzet ligt op ruimtelijke, milieukundige en maatschappelijke effecten van het project, zoals opgenomen in het OER. De mogelijke impact op WOZ-waarden en daarmee samenhangende belastinginkomsten valt buiten de scope van het beoordelingskader.

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

33

3

Thematische beantwoording: watervarianten

In dit hoofdstuk worden de reacties op het gebied van water per onderwerp en op hoofdlijnen behandeld.

3.1

Agrarische (water)variant

Vanuit de agrarische sector is nadrukkelijk gevraagd om een variant waarin de landbouwbelangen duidelijker herkenbaar zijn. Hierbij wordt in de reacties aangegeven dat water en landbouw sterk verweven zijn en er wordt aandacht gevraagd voor deze verwevenheid in de verdere uitwerking = Om hieraan tegemoet te komen nemen we daarom de door de agrarische sector ontwikkelde variant mee in de verdere procedure. Zie voor een korte toelichting van deze variant de bijlage achter in dit document: extra variant 2.

3.2

Betrokkenheid van agrariërs bij het proces

In enkele reacties wordt aangegeven dat agrariërs zich tot nu toe onvoldoende betrokken voelen bij het proces. Vanuit hun aanwezigheid en activiteit binnen het gebied, werd de behoefte uitgesproken aan een eigen plek voor de agrariërs in het gesprek. In het vervolgproces organiseren we daarom, in afstemming met de doelgroep en met ruimte voor hun specifieke kennis, zorgen en belangen, een aantal specifieke activiteiten zoals een bezoek aan een voorbeeldproject en themabijeenkomsten

3.3

Transitiepaden in de landbouw

In enkele reacties wordt benadrukt dat het genoemde transitiepad van de landbouw niet eenduidig is: er zijn verschillende transitiepaden in beeld, zoals ook door het Planbureau voor de Leefomgeving en de provincie worden gehanteerd. De zorg is dat deze veelvormigheid onvoldoende aandacht krijgt in de planvorming. Om ervoor te zorgen dat de verschillende transitiepaden ook in het vervolg voldoende aandacht krijgen t zullen we ijn in de gebiedsvisie en bij het opstellen van de referentiesituatie en de varianten expliciet meenemen wat de mogelijke consequenties zijn voor de verschillende agrarische transitiepaden.

3.4

Beneden- en bovenstroomse maatregelen

Er is aandacht gevraagd voor maatregelen die beneden- en bovenstrooms effect hebben. Inwoners en betrokkenen geven terecht aan dat water niet stopt bij de grenzen van het plangebied. Tegelijkertijd is het belangrijk om de scope van dit proces helder te houden. Daarom concentreren wij ons op maatregelen die relevant en uitvoerbaar zijn binnen het plangebied van De Baars. Daarmee blijft de focus behouden, maar we nemen de bredere context nadrukkelijk mee in de overwegingen.

3.5

Referentiesituatie/ nulmeting

In enkele reacties wordt benadrukt hoe belangrijk het is om een goed beeld te hebben van de uitgangssituatie van het watersysteem, zodat duidelijk wordt wat de effecten van maatregelen zijn. Dit punt sluit volledig aan bij de aanpak: de referentiesituatie (nulmeting) is een vast onderdeel van het planproces. Hiermee maken we inzichtelijk wat er verandert per variant, en hoe die effecten zich verhouden tot de oorspronkelijke situatie (het huidige watersysteem).

3.6

Watersysteem aan noord- en zuidkant van de A58

Meerdere reacties geven aan dat het niet logisch is dat er alleen maar watervarianten zijn opgenomen waarbij er in het watersysteem een strikte scheiding is tussen de noord- en zuidkant van de A58. Meestal vanuit het argument dat zo’n scheiding geen recht doet aan de loop van het natuurlijke beekdal. Men verzoekt een watervariant op te nemen waarbij die strikte scheiding er niet is. Dit is een terechte opmerking. Voor het verkennen van de ‘hoeken van het speelveld’ is zo’n variant aan beide zijden van de A58, met een andere oplossing voor het watersysteem dan de huidige varianten uit de concept-NRD, gewenst. We voegen daarom een variant toe, waarbij de Leij zowel

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

34

aan de noord- als zuidkant van de A58 loopt en verdeling van het water stuurbaar is. Zonder extra sifon onder het Wilhelminakanaal. Zie bijlage 1 voor de verdere beschrijving, extra variant 3.

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

35

4

Begrippenlijst Ashoogte De hoogte van de rotor-as, waaraan de rotorbladen van de windturbine zijn bevestigd, ten opzichte van het maaiveld. Autonome ontwikkeling Ontwikkelingen, die optreden zonder dat één van de alternatieven wordt uitgevoerd. Bevoegd gezag De overheidsinstantie die bevoegd is het Mer-plichtige besluit te nemen en die de Mer- procedure organiseert. Commissie voor de Mer Commissie van onafhankelijke deskundigen die het bevoegd gezag adviseert over de gewenste inhoud van het milieueffectrapport en in een latere fase over de kwaliteit van het milieueffectrapport. Contour Een lijn getrokken door een aantal punten van gelijke (geluid- of slagschaduw)belasting. Door contouren te berekenen, is het mogelijk het gebied vast te stellen dat een bepaalde (geluidof slagschaduw)belasting ondervindt. Cumulatieve gevolgen Verschillende vormen van milieubelasting, waarbij de gevolgen van elke vorm afzonderlijk niet ernstig behoeven te zijn, maar van de verschillende vormen samen wel. GWh Gigawattuur is een eenheid van energie. 1 GWh staat gelijk aan 1.000 MWh. Lden Jaargemiddelde maat voor geluidsbelasting over een etmaal. Geluid in de avond (+5 dB) en nacht (+10 dB) telt zwaarder mee vanwege de grotere hinder. De afkorting staat voor Level day, evening, night.

Maaiveldniveau Het niveau van het grondoppervlak dat als referentiepunt wordt gebruikt voor het meten van hoogtes en dieptes. In Nederland wordt dit vaak uitgedrukt ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP). Mitigatie Het verminderen van nadelige effecten (op het milieu) door het treffen van bepaalde maatregelen. MW Megawatt = 1.000 kilowatt (kW) = 1.000.000 Watt (W). De Watt is een eenheid van vermogen (de hoeveelheid energie die per tijdseenheid geproduceerd wordt). MWh Megawattuur is een eenheid van energie. Een apparaat dat 1 uur lang een vermogen levert van 1MW produceert 1 MWh. Een gemiddeld Nederlands huishouden verbruikt in een jaar ca. 3,3 MWh. NRD Notitie Reikwijdte en detailniveau. De NRD beschrijft welke omgevingseffecten en varianten in het Omgevingseffectrapport (OER) worden onderzocht en tot welk detailniveau. OER Omgevingseffectrapport. Een openbaar document waarin van een voorgenomen activiteit van redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven of varianten de te verwachten gevolgen voor het milieu in hun onderlinge samenhang op systematische en zo objectief mogelijke wijze worden beschreven.

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

36

Referentiesituatie De referentiesituatie wordt gevormd door de huidige situatie plus de autonome ontwikkeling. Rotordiameter De diameter van de denkbeeldige cirkel die door de rotorbladen (wieken) van de windturbine worden bestreken. Tiphoogte De hoogte van de tip van een rotorblad van een windturbine wanneer dit rechtstandig omhoog wijst. Gelijk aan de ashoogte + de halve rotordiameter. TWh Terawattuur is een eenheid van energie. 1 TWh staat gelijk aan 1.000.000 MWh.

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

37

5

Reacties

In dit hoofdstuk worden alle afzonderlijke reacties beantwoord. Wanneer wordt verwezen naar een genummerd thema, betreft dit een thema zoals opgenomen in hoofdstuk 2 en 3 van deze notitie.

21 oktober 2025

kenmerk: nva-2.0-20251021

38

Nummer 1.1

Reactie Indiener maakt zich zorgen over de geplande afstand van de windturbines tot de rand van Goirle.

Beantwoording We verwijzen naar paragraaf 2.3.1 van hoofdstuk 2.

1.2

Indiener wijst op de uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2021:1395), waardoor landelijke normen niet toepasbaar zijn op windparken van drie of meer turbines. Het bevoegd gezag moet daardoor zelf normen opstellen. Indiener verzoekt om afstandsnormen (250 t/m 2500 meter) mee te nemen in het gezondheidsonderzoek van windturbines, inclusief berekeningen van hinder, slaapverstoring, geluidsbelasting, gevoelige bestemmingen en risico’s voor kwetsbare groepen. De bandbreedte van de beoogde windturbines zou te groot zijn om enkel met een geluidscontour of hinderzone te rekenen.

We verwijzen naar paragraaf 2.4.1, 2.3.2 en 2.3.1 van hoofdstuk 2.

1.3

Indiener verzoekt om de Lden-norm niet te gebruiken in het onderzoek, omdat deze ongeschikt zou zijn voor het beoordelen van windturbinegeluid. De piekbelasting en nachtelijke verstoring zouden worden onderschat, niet representatief zijn voor de aard van windturbinegeluid, en niet handhaafbaar zijn. Indiener verzoekt voor het hanteren van een afstandsnorm van 10 keer de tiphoogte als tijdelijke norm en verzoekt om de resultaten hiervan op te nemen in de planMER. Indiener verzoekt om, als toch wordt gekozen voor de Lden-norm, een 24uurs Lden te onderzoeken die gemeten wordt, zowel binnenshuis als buitenshuis. Indiener verzoekt om per zoekgebied de huidige geluidsbelasting te tonen ten opzichte van de geldende geluidsnormen, op basis van daadwerkelijke metingen. Indiener wijst op bestaande geluidsoverlast aan de rand van Goirle, waar bij 11 woningen van het Besouw-project de voorkeurswaarde al zou zijn overschreden. Extra geluidsbelasting zou onacceptabel zijn vanwege druk op de leefbaarheid in het gebied.

We verwijzen naar paragraaf 2.3.1 en 2.4.1 van hoofdstuk 2

Indiener verzoekt om laagfrequent geluid (20 Hz binnenshuis) per locatiealternatief inzichtelijk te maken. Volgens indiener zou dit type geluid kunnen leiden tot slaapverstoring en indirecte gezondheidseffecten, en zouden breedbandnormen zoals Lden en Lnight onvoldoende zijn om de specifieke kenmerken en impact van laagfrequent geluid vast te leggen. Indiener verzoekt om de gezondheidseffecten van trillingen veroorzaakt door laagfrequent geluid van windturbines te onderzoeken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16146490/2