Bijlage 2c - Toelichting
Tekst van het document
1.000 m 2 detailhandel; 650 m 2 dienstverlening;
650 m 2 kantoor.
Echter is er voor deze functies alleen sprake van een verschuiving/verplaatsing van bestaande functies in planologisch opzicht. Er worden dus geen extra vierkante meters toegevoegd voor deze functies. Daarom zorgen ze in planologisch opzicht ook niet voor extra verkeer. Daarbij komt dat er slechts sprake is van lokale bezoekers. Enerzijds gaan deze al veelal te voet of met de fiets naar het centrum van Haaren, en anderzijds is sprake van een gedeelde verkeersgeneratie met de andere functies in dit centrum. Zorgvuldigheidshalve is er toch een inschatting gemaakt van de verkeersgeneratie van deze functies. Hierbij is worst-case uitgegaan van 1.000 m 2 detailhandel en 500 m 2 kantoor. De kencijfers van deze functies zijn
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
28
namelijk het hoogst. Voor de detailhandel zijn de kencijfers van een ‘binnenstad of hoofdwinkel(stads)centrum 30.000-50.000 inwoners’ aangehouden met ligging ‘matig stedelijk’ en ‘centrum’. Voor het kantoor is een ‘kantoor zonder baliefunctie’ aangehouden. Uitgegaan is van de gemiddelde kencijfers. De verkeersgeneratie is hieronder weergegeven. Detailhandel: 1.000 m2 * 27 mvt/etmaal/100 m2 bvo = 270 mvt/etmaal
Kantoor: 500 m2 * 5,2 mvt/etmaal/100 m2 bvo = 26 mvt/etmaal Woningen: 35 app * 5,1 mvt/etmaal/100 m2 bvo = 178,5 mvt/etmaal
Totaal: 474,5 mvt/etmaal Ontsluiting De ontsluiting van de appartementen vindt plaats via de parkeergarage. Deze sluit aan op de Nemelaerstraat (tussen Driehoeven en Amerlaan). Het voordeel van een ontsluiting aan deze zijde is dat het maaiveld hier lager ligt en de hellingshoek van de inrit relatief flauw kan zijn wat het zicht van uitrijdend verk eer op de stoep en op de Nemelaerstraat bevorderd. De parkeerplaats aan de westzijde van de beoogde nieuwbouw sluit aan op de Driehoeven. Voor het laden en lossen kan een speciale inpandige voorziening getroffen worden tussen de appartementen en de commerciële ruimten. Er zijn studies verricht naar de ontsluiting van deze voorziening, waarbij een ontsluiting op de Driehoeven het meest efficiënt is. Vrachtwagens rijden dan achterwaarts deze voorziening in. Aandachtspunt hierbij is dat het in- en uitrijden van en naar het laad- en losdock veel tijd kost en oponthoud kan veroorzaken op de doorgaande route Driehoeven. Bij de inrichting van de parkeerstrook langs de Driehoeven zal aandacht uitgaan naar het aspect veiligheid. Overigens is het nog niet zeker of deze voorziening gerealiseerd zal gaan worden. Dat is afhankelijk van de uiteindelijke invulling van de commerciële ruimten. Voor voetgangers wordt er een stoep gecreëerd tussen het nieuwe parkeerterrein en het nieuwe gebouw.
Er komt en langzaam-verkeerverbinding tussen de Amerlaan en Driehoeven via het parkeerterrein aan de Driehoeven. Afwikkeling en veiligheid De wetgeving gaat uit van een zodanige inrichting en beeld van de weg en omgeving dat de maximumsnelheid redelijkerwijze voortvloeit uit die inrichting. Binnen een 30-km/h-zone wordt door het ASVV 2008 een indicatie aangegeven dat een intensiteit van 5.000 á 6.000 mvt/etmaal acceptabel is. Er kan dus niet gesproken worden van een echt intensiteit criterium. Van belang zijn meer de stedenbouwkundige opzet, de uitstraling en vormgeving van het gebied en de wegen. Voor de Driehoeven, Haarendijk en Kerkstraat geldt dat deze wegen binnen de 30-km/h-zone min of meer een doorgaande functie met bijbehorende uitstraling hebben met de, door de door het ASVV gegeven, indicatie van 5.000 á 6.000 mvt/etmaal. Dit geldt zeker voor de Kerkstraat en de Haarendijk. De weg Driehoeven vormt de schakel tussen deze wegen (en de Nemelaerstraat en Langeweg). Uit de tellingen die de gemeente in de periode 16 juni 2022 t/m 4 juli 2022 heeft uitgevoerd (zie bijlage voor telgegevens) volgt het volgende beeld:
Etmaalintensiteit werkdag Haarendijk (tussen Driehoeven en De Ruijbosch): 2.410 motorvoertuigen (mvt);
Etmaalintensiteit werkdag Kerkstraat (tussen Driehoeven en Haarensteijnstraat): 3.337 mvt;
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
29
Vanaf het plangebied zal 40% in oostelijke richting rijden en 60% in westelijke richting. Het totale verkeer in oostelijke richting zal bij de splitsing bij de straten Eind en Roonsestraat weer opsplitsen in respectievelijk 30% en 10%. De 60% van het westelijke verkeer splitst bij de Langeweg/Kerkstraat weer op. Hier betreft het 10% van het totale verkeer over de Langeweg en 50% van het totale verkeer over de Kerkstraat. De totale verwachtte toekomstige intensiteiten op de betreffende wegvakken als gevolg van toename van verkeer door de ontwikkeling op de locatie Driehoeven 25 zijn passend bij het weg type. Het is dan ook de verwachting dat de wegen de toename aan verkeer kunnen verwerken. Naar aanleiding van de zienswijzen is voor de volledigheid besloten om nieuwe verkeerstellingen te laten verrichten voor een actueel en volledig beeld van de verkeersintensiteiten op het omliggend wegennet. Deze tellingen zijn verricht in de periode van 22 mei 2024 tot en met 6 juni 2024. De verkeersintensiteiten geven geen wezenlijke verschillen ten opzichte van de eerdere telling uit 2022. De resultaten uit de verkeerstellingen zijn opgenomen in de bijlage. Parkeren (auto) Uitgangspunt van het parkeerbeleid is dat de parkeerdruk op de omgeving (het openbaar gebied) als gevolg van een ontwikkeling niet mag toenemen.
De nieuwe ontwikkeling mag dus geen parkeerproblemen in de buurt veroorzaken. Gekeken dient te worden naar de bestaande en de toekomstige parkeersituatie. Vanuit de gemeente Oisterwijk is aangegeven dat het beleidskader om de parkeernormen te bepalen het beleidsdocument ‘Beleidsregels Parkeernormen gemeente Oisterwijk 2024’ is. In bijlage 5 is een parkeerbalans opgenomen waarbij – op basis van het beoogd richtprogramma met daarbinnen de maximale planologische invulling en met in achtneming van de parkeernormen uit de ‘Beleidsregels Parkeernormen gemeente Oisterwijk 2024’ van de gemeente Oisterwijk – rekening houdend met aanwezigheidspercentages en dubbelgebruik een parkeeropgave is bepaald. Hieronder zijn de belangrijkste uitgangspunten en conclusies nader toegelicht. De beoogde invulling van het plan betreft 1.500 m² aan detailhandel, kantoren en dienstverlening. Ook wo rden er 35 appartementen gerealiseerd op de Driehoeven 25. Op basis van deze parkeernormen zijn er bij de beoogde planopzet in totaal afgerond 119 parkeerplaatsen benodigd zoals ook weergegeven in tabel. Op basis van de parkeernormen voor dubbelgebruik (zaterdagmiddag) betreft de daadwerkelijke parkeerbehoefte 95 parkeerplaatsen.
functie
parkeernorm
koop appartement midden bewoners koop appartement midden bezoekers huur appartement goedkoop bewoners huur appartement goedkoop bezoekers
1,5 0,3 1,2 0,3
dorpscentrum
4,0
aantal 21 woningen 21 woningen 14 woningen 14 woningen 1500 m² BVO
TOTAAL
parkeerbehoefte 31,5 6,3 16,8 4,2 60 118,8
Tabel 2 Berekening parkeerbehoefte
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
30
functie
middag
woningen bewoners woningen bezoekers detailhandel
50% 20% 60%
TOTAAL
24,2 2,1 36,0 62
koopavond 80% 70% 75%
38,6 7,4 45,0
zaterdagmiddag 60% 60% 100%
29,0 6,3 60,0
91
95
Tabel 3 Berekening parkeerbehoefte op basis van dubbelgebruik (zaterdagmiddag)
Een optie is om een (half)verdiepte parkeerkelder, met daarin circa 51 parkeerplekken, aan te leggen (zie afbeelding 4.1). Een deel van de kelder ligt daarbij half verdiept onder het oostelijke bouwdeel (zijde Nemelaerstraat) en een ander deel ligt geheel verdiept onder het westelijke bouwdeel (Driehoeven-parkeerplaats). Het (half)ondergronds parkeren biedt op deze manier ook de mogelijkheid voor het realiseren van voldoende groen in de openbare ruimte bovengronds omdat er dan bovengronds minder parkeerplaatsen aangelegd hoeven te worden. Op deze wijze kan (verblijfs)kwaliteit toegevoegd worden aan het centrum. Bovengronds wordt aan de westzijde van de beoogde nieuwbouw een parkeerterrein ingericht. Dit parkeerterrein is voor gemotoriseerd verkeer uitsluitend vanuit de Driehoeven bereikbaar. Voor langzaam verkeer is een doorsteek naar de achterliggende woonbuurt mogelijk. De inrichting van dit terrein is nog niet uitgewerkt, maar studies laten zien dat hier ruimte is voor circa 50-55 parkeerplaatsen. Eveneens is het mogelijk om op straat, langs de Driehoeven parkeervoorzieningen aan te leggen (in totaal circa 25). Dit totaalaantal is voldoende om in de parkeerbehoefte te voorzien.
Figuur 4.1: studie halfverdiepte parkeerkelder (Bron: Marquart Archtiecten)
De definitieve parkeeroplossing zal in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning nader worden uitgewerkt. In de planregels is bepaald dat bij aanvraag omgevingsvergunning voldaan moet worden aan gestelde normen uit de ‘Beleidsregels Parkeernormen gemeente Oisterwijk 2024’’ van de gemeente Oisterwijk of de rechtsopvolger daarvan.
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
31
Fietsparkeren In het plan is voldoende ruimte voor fietsenstallingen voor de woningen voorzien. Deze komen in individuele bergingen in de nieuwbouw. De fietsenstallingen voor bezoekers aan de commerciële ruimtes zijn voorzien in de openbare ruimte bijvoorbeeld aan de zijde van het parkeerterrein. Hier is voldoende ruimte beschikbaar. 4.1.3
Conclusie
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.2
Geluid
4.2.1
Toetsingskader
Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg.
De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel 4.1: Breedte geluidszones langs wegen
Stedelijk gebied
Buiten stedelijk gebied
Aantal rijstroken
Zone breedte
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer
600 meter
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld.
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
32
Tabel 4.2 Maximale ontheffingswaarden Situatie
Maximale ontheffingswaarde
Artikel
Stedelijk gebied
Nieuwe woningen
63 dB
Artikel 83, lid 2 Wgh
Vervangende nieuwbouw
68 dB
Artikel 83, lid 5 Wgh
Buiten stedelijk gebied
Nieuwe woningen
53 dB
Artikel 83, lid 1 Wgh
Agrarische bedrijfsbebouwing
58 dB
Artikel 83, lid 4 Wgh
Vervangende nieuwbouw
58 dB
Artikel 83, lid 7 Wgh
Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van
63 dB
Artikel 83, lid 6 Wgh
een autoweg of autosnelweg
*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.
4.2.2
Onderzoek
Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de gevelbelasting vanwege wegverkeerslawaai. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Hieronder volgen de belangrijkste conclusies en aanbevelingen. De wegen in de omgeving van het plangebied hebben allen een maximumsnelheid van 30 km/uur. Voorliggend plangebied ligt dus volledig binnen een langzaam verkeerszone (30 km/uur) waardoor geen nadelige gevolgen verwacht worden voor wat betreft de geluidbelasting op de nieuwe woningen binnen het voorliggend bestemmingsplan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn omliggende wegen wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. Hieronder volgt per wegvak een beschouwing van de resultaten: Driehoeven
In een aantal waarneempunten zijn gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de ‘voorkeursgrenswaarde’; De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 58 dB, zonder aftrek artikel 110g. Zou die aftrek wel worden gehanteerd, dan is de geluidbelasting 53 dB waarmee deze boven de voorkeursgrenswaarde zou liggen wanneer getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder.
De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarden ten aanzien van deze
weg worden aangevraagd. Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel. Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnen niveau van 33 dB te garanderen.
Langeweg
De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 47 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 42 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Kerkstraat
De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 44 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 39 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt.
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
33
Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Amerlaan
De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 49 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 44 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Nemelaerstraat
De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 53 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 48 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Haarendijk
De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 53 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 48 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
4.2.3
Conclusie
Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Vanuit oogpunt van goed woon- en leefklimaat is geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnen niveau van 33 dB te garanderen. Hiermee wordt bij de planuitwerking zo mogelijk rekening gehouden.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Toetsingskader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM 10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:
het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m 3).
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
34
4.3.2 NIBM
Onderzoek
In het kader van dit bestemmingsplan een luchtkwaliteitsonderzoek in de vorm van een ‘NIBM’ toets uitgevoerd. Hiermee is bepaald in hoeverre de ontwikkeling zal bijdragen aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Als basis voor de berekening zijn de volgende uitgangspunten genomen: maximaal 475 motorvoertuigen per etmaal (gebaseerd op paragraaf 4.1 Verkeer en parkeren). Aandeel vrachtverkeer van 1%. Met deze uitgangspunten is de NIBM-toets uitgevoerd, waarbij ‘worst-case’ is uitgegaan van realisatie/oplevering in 2026, zie onderstaande tabel.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2026
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
475
Aandeel vrachtverkeer
1,0%
NO2 in μg/m
3
0,25
PM10 in μg/m
3
0,07
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Tabel 4.3 NIBM-toets
De berekening laat zien dat het extra verkeer ten gevolge van het plan maximaal 0,53 μg/m³ bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2, Voor de concentratie PM10 zal het verkeer maximaal 0,14 μg/m³ bijdragen. Dit betekent dat het plan aan de concentraties voor NO2, (stikstofdioxide) en PM10 (fijnstof) in niet betekende bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Goed woon- en leefklimaat Wel moet worden aangetoond of er sprake is van een goed leef- en verblijfsklimaat ter plaatse van de ontwikkeling. Hiervoor moeten de achtergrondwaarden m.b.t. de luchtkwaliteit bekend zijn. Deze waarden kunnen achterhaald worden middels de NSL-monitoringstool. De achtergrondwaarden van de dichtstbijzijnde meetpunten zijn in tabel 4.4 weergegeven.
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
35
NO2 μg/m3
Id
PM10
PM10 over-
PM2.5
μg/m3
schrijdingsdagen
μg/m3
Jaar
701437
17.4
16.2
6.0
9.1
2020
683467
17.4
16.2
6.0
9.1
2020
686226
17.4
16.2
6.0
9.1
2020
692964
17.4
16.2
6.0
9.1
2020
702751
17,4
16,2
6,0
9,1
2020
Tabel 4.4: NSL Monitoringstool, rekenpunten met bijbehorende concentraties
4.3.3
Conclusie
Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de achtergrondwaarden aan stikstof en fijnstof ruim onder de norm liggen. Er is dan ook sprake van een goed leef- en verblijfsklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. Hiernaast draagt het project niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
4.4.1
Toetsingskader
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijk gebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiege-
3
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
36
bieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Gebied met functiemenging Aanvullend onderscheidt de VNG-publicatie 'functiemengingsgebieden'. Binnen een gebied met functiemenging kan de kan Staat van Bedrijfsactiviteiten voor functiemenging worden toegepast. Hierbij is het beter mogelijk om menging van functies toe te staan. Bij functiemengingsgebieden kan gedacht worden aan: stadscentra, dorpskernen en winkelcentra;
horecaconcentratiegebieden; zones met functiemenging langs toegangswegen;
(delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid.
Hier zijn de richtafstanden niet van toepassing, maar wordt gewerkt met de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën, die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn:
categorie A: activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd;
categorie B: activiteiten die in een gebied met functiemenging kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en an-
dere gevoelige functies dienen plaats te vinden; categorie C: de activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij door de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.
Voor het toestaan van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: 1. Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid. 2. Productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dag periode plaats. 3. De activiteiten (inclusief opslag) vinden hoofdzakelijk inpandig plaats. 4. Activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur. De Omgevingswet komt eraan en de VNG wil zich hier samen met gemeenten en anderen op voorbereiden door in haar publicaties de werkwijze en de geest van de Omgevingswet waar mogelijk te integreren. Derhalve is er in 2019 een nieuwe publicatie opgesteld door de VNG, de VNG-uitgave “Milieuzonering nieuwe stijl”. Hiermee wil de VNG gemeenten stimuleren tot en ondersteunen bij het op een alternatieve manier reguleren van bedrijven in het bestemmingsplan, vooruitlopend op de Omgevingswet. Deze nieuwe VNG-publicatie is dan ook een alternatief naast de bestaande VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In deze nieuwe publicatie is aangegeven dat het uitgangspunt is dat zich in gemengd gebied met wonen alleen bedrijven zullen vestigen, die naar aard en invloed op de omgeving geschikt zijn voor ligging in een gebied met functiemenging inclusief wonen. Dat zijn over het algemeen kleinschalige, vaak ambachtelijke bedrijven, die hoofdzakelijk in de dagperiode in werking zijn.
De productiewerkzaamheden geschieden hoofdzakelijk inpandig en er is in beperkte mate sprake van verkeersaantrekkende werking. Vrachtverkeer van en naar het bedrijf vindt vooral plaats in de dagperiode. Naast bovengenoemde randvoorwaarden zijn bij de keuze van de activiteiten in de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ de volgende criteria gehanteerd: Voor categorie A gaat het om activiteiten in milieucategorie 1.
Voor categorie B betreft het activiteiten: - in categorie 1 voor het aspect gevaar;
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
37
-
in maximaal categorie 2 voor de aspecten stof en geur;
-
in maximaal categorie 3.1 voor het aspect geluid; met een index voor verkeer van maximaal 1G (goederen) en 2P (personen).
Voor categorie C gaat het om activiteiten zoals bij categorie B, maar met een index voor verkeer van maximaal 2G (goederen) en 3P (personen).
4.4.2
Onderzoek
Het plangebied en de omgeving kunnen worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. Met name aan de noordzijde is er sprake van een sterke functiemenging gezien de aanwezigheid van woningen, winkels en kleine kantoren en bedrijven. Het plangebied zelf wordt ingericht met een functiemenging van wonen en commerciele voorzieningen in een lagere categorie en maakt daarmee ook deel uit van het gemengde gebied. Gekeken is zowel naar het effect van omliggende functies van en op de toe te voegen milieugevoelige bestemming (woningen/appartementen) als naar het effect van de toevoeging van milieubelastende activiteiten/functies in het plangebied zelf op omliggende gevoelige functies.
Effect van omgeving op de gevoelige bestemming (wonen/appartementen) binnen plangebied In de directe omgeving, met name aan de noordzijde, is sprake van een sterke functiemenging gezien de aanwezigheid van woningen, winkels en kleine kantoren en bedrijven. De gronden ten noorden van het plangebied aan de weg Driehoeven kennen een gemengde bestemming waar de volgende niet-woonfuncties zijn toegestaan:
detailhandel; dienstverlening;
kantoren.
Al deze functies betreffen functies in milieucategorie 1 met een bijbehorende richtafstand van 10 meter in een rustig woongebied en 0 meter in een gemengd gebiedstype. Ook betreffen het functies die – behalve een supermarkt – volgens de benadering van ‘functiemenging’ behoren tot categorie A, die dusdanig weinig milieubelastend zijn voor hun omgeving, dat deze direct grenzend aan woningen kunnen worden uitgevoerd. Ten westen van het plangebied bevindt zich een nutsvoorziening. Het gaat om een transformatorhuis. Voor dergelijke gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), geldt een categorie B of C conform de methodiek van ‘functiemenging’ en een milieucategorie 2, met een bijbehorende maximale richtafstand van 30 meter conform de methodiek van ‘functiescheiding’. Door de ligging in ‘gemengd gebied’ kan de richtafstand met één traptrede worden verlaagd naar 10 meter. De gasdrukregel- en meetruimte is gelegen op een afstand van circa 35 meter tot het bouwvlak waarbinnen de woningen kunnen worden opgericht, waardoor de richtafstand ruimschoots wordt behaald. De gronden binnen het plangebied waar milieugevoelige bestemmingen zijn toegestaan (de woningen/appartementen) is niet gelegen binnen de richtafstanden van omliggende bestemmingen.
Het toevoegen van woningen op de locatie Driehoeven 25 werkt niet extra belemmerend voor de bedrijfsuitoefening van de nietwoonfuncties in de omgeving. Andersom kan worden gesteld dat in de nieuwe woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vanwege de bedrijvigheid in de omgeving.
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
38
Figuur 4.2: omliggende bestemmingen (oranje/bruin = gemengd, geel = wonen, paars = bedrijf-nutsvoorziening), bron: Ruimtijkeplannen.nl
Effect van de met dit plan mogelijk gemaakte functies op de gevoelige bestemmingen (wonen) in de omgeving De in dit plan mogelijk gemaakte bedrijfsmatige voorzieningen (kantoor, dienstverlening en detailhandel met uitzondering van fullservice- en andere grote supermarkten) zijn dermate weinig milieubelastend dat sprake is van uitsluitend functies en activiteiten in de categorie 1 (met een richtafstand van 0 meter in gemengde gebieden en 10 meter in rustige woongebieden volgens het principe van functiescheiding), volgens principe van functiescheiding) en van categorie A volgens het principe van functiescheiding4. De eveneens mogelijk gemaakte bijbehorende parkeervoorzieningen vallen in categorie 2 (met een richtafstand van 10 meter in gemengde gebieden en 30 meter in rustige woongebieden volgens het principe van functiescheiding) en in categorie C volgens het principe van functiemenging. De woningen aan de noordzijde (Driehoeven), oostzijde (hoek Haarendijk-Nemelaerstraat) en de woningen aan de Amerlaan (nrs. 1 t/m 17 even en 2 t/m 4 even) direct ten zuiden van het plangebied liggen allen tegen het dorpscentrum aan en maken daarmee deel uit van het gemengde gebied. De afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde woningen aan de noordzijde (dit zijn de appartementen boven de Jumbo) bedraagt ca. 25 meter.
Tussen deze woningen en het plangebied ligt een vrij drukke weg (Driehoeven) en een parkeerterrein, welke beide voor de nodige geluidbelasting zorgen. Daarbij wordt voldaan aan de richtafstanden voor zowel gemengd gebied als voor een rustige woonwijk. De woning Amerlaan 2 ligt op een korte afstand tot het plangebied (ca 5 meter). De afstand tussen het plangebied en de woningen aan de Amerlaan (nrs. 1 t/m 17) varieert van circa 10 tot 20 meter. Tussen deze woningen en het plangebied ligt een weg met langsparkeervakken en deels ook een groenstrook met speelvoorziening. Er wordt voldaan aan de richtafstanden voor gemengd gebied. Aan de zijde van de woning Amerlaan 2 ligt in de huidige en toekomstige situatie een parkeerterrein en tussen dit parkeerterrein en de hoofdmassa van de woning ligt een inrit. Voor deze woning wordt enkel voldaan aan de richtafstand binnen gemengd gebied, maar er vindt in planologische zin geen extra belasting plaats. Daarbij is sprake van een bouwkundig afgescheiden situatie en vindt de ontsluiting van het parkeerterrein plaats op de Driehoeven waarmee de Amerlaan gevrijwaard blijft van in- en uitrijdend verkeer.
4
Een supermarkt als vorm van detailhandel behoort tot categorie B volgens het principe van functiemenging en tot categorie 1 volgens het principe van functiescheiding. Een fullservice of andere grote supermarkt is in onderhavig bestemmingsplan uitgesloten. Een kleinschalige supermarkt (kleiner dan 600 m2 wvo) die meestal een duidelijk afgebakend verzorgingsgebied heeft, is qua milieueffecten gelijk te stellen aan detailhandel in algemene zin.
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
39
De afstand tussen het plangebied en de woningen aan de oostzijde hiervan (Haarendijk en Nemelaerstraat) bedraagt circa 12 tot 15 meter. Tussen deze woningen en het plangebied liggen wegen. Er wordt voldaan aan de richtafstanden voor een gemengd gebied. Functiemenging binnen het plangebied zelf Het plan maakt wonen naast en boven winkels en andere centrumfuncties in de vorm van kantoor en dienstverlening mogelijk. Binnen het plangebied zelf wordt daarmee uitgegaan van het principe van functiemenging. Omdat het functies in categorie A betreft kunnen deze direct grenzend aan woningen worden uitgevoerd. Daarnaast en zorgvuldigheidshalve is er in het plan sterk ingezet op een bouwkundige scheiding tussen de woningen en de niet-woningen. 4.4.3 Conclusie Vanuit het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ zijn geen belemmeringen aanwezig. Er is sprake van het toevoegen van functiemenging, waarbij de toegelaten bedrijfsmatige functies naast woonfuncties mogen bestaan.
4.5
Externe veiligheid
4.5.1
Toetsingskader
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden.
Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een orientatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
40
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.5.2 Onderzoek Het plangebied is gelegen in de kern Haaren. Het plangebied wordt geheel omsloten door stedelijk gebied. De ligging van het plangebied ten opzichte van risicovolle inrichtingen en leidingen wordt weergegeven op onderstaande uitsnede uit de Risicokaart.
Figuur 4.4: uitsnede Risicokaart
Kabels, leidingen, transportroutes Het plangebied wordt niet overlapt door de effectgebieden van kabels, leidingen en/of transportroutes. Deze bevinden zich op minimaal ca. 400 meter afstand van het plangebied. Ten aanzien van deze punten zijn geen belemmeringen aanwezig. Inrichtingen In het kader van het bestemmingsplan ‘Copal-terreinen’ is een externe veiligheidstoets uitgevoerd, aangezien het plangebied zich bevond binnen het effectgebied van een mogelijk ongeval met LPG van het LPG tankstation dat is gelegen aan de Haarendijk (ten oosten van het plangebied). De afgifte van LPG is echter in 2008 gestaakt en de milieuvergunning hiervoor is ingetrokken. Thans bevinden zich in een straal van een kilometer rondom het plangebied geen risicovolle inrichtingen. 4.5.3
Conclusie
Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
41
4.6
Ecologie en stikstof
4.6.1
Toetsingskader
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeel d. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, k an het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
42
Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);
andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.6.2
Onderzoek
Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door BRO welke is opgenomen in de bijlage. De belangrijkste conclusies worden vermeld in deze paragraaf. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:
Een AERIUS-berekening dient de toename van stikstof-depositie op Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden te berekenen;
Met betrekking tot de renovatie zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van nestlocaties van huismus en gierzwaluw en verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de qui ckscan
niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;
In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Het vervolgonderzoek op het gebied van de huismus, gierzwaluw en eventuele vleermuissoorten is uitgevoerd tussen april 2023 en september 2023. Hieruit is naar voren gekomen dat binnen en in de omgeving van het plangebied geen rust- en verblijfsplaatsen, noch nestlocaties van de huismus, gierzwaluw of vleermuissoorten zijn waargenomen. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot deze soorten is daarmee uitgesloten. Stikstof
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
43
Sinds november 2022 is de bouwvrijstelling niet meer van toepassing. Zodoende is voor onderhavige ontwikkeling zowel een berekening voor de aanleg- als voor de bouwfase uitgevoerd. Er is derhalve een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd welke is opgenomen in de bijlage. Uitgevoerde berekeningen voor de bouw- en gebruiksfase geven geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. 4.6.3
Conclusie
Het aspect ‘ecologie en stikstof’ vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.7
Bodem
4.7.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.7.2
Onderzoek
Voor dit bestemmingsplan is geen bodemonderzoek uitgevoerd. Voor het bestemmingsplan Copal-terreinen is wel een bodemonderzoek uitgevoerd in 2004. Hieruit volgde een gedeeltelijke bodemsanering. Op 22 juli 2005 is door de heer J.C.H. Copal een melding ingevolge artikel 28 lid 1 W et bodembescherming ingediend bij Gedeputeerde Staten. Inmiddels is het goedgekeurde saneringsplan uitgevoerd en goedgekeurd blijkens de beschikking van de provincie Noord-Brabant in 2013 (saneringsverklaring). De grond is daarmee geschikt voor het beoogde gebruik. Evaluatieverslag sanering aan de Driehoeven 25 te Haaren Voor het evaluatieverslag wordt verwezen naar de bijlagen. Het evaluatieverslag (d.d. 27 februari 2013) is opgesteld met als doel de uitgevoerde werkzaamheden en de ontgraven en afgevoerde hoeveelheden ter kennisname te stellen aan het bevoegd gezag. De sanering is uitgevoerd overeenkomstig BRL SIKB 7000 en met milieukundige begeleiding overeenkomstig BRL SIKB 6000. De milieukundige begeleiding betreft de processturing en de verificatie van de sanering. Er heeft sanering per deellocatie plaatsgevonden. Grondbalans In het evaluatieverslag is een overzicht van de afgevoerde grond per deellocatie weergegeven. Het betreft niet toepasbare en ernstig met zware metalen, minerale olie en/of asbestverontreinigde grond.
In totaal is 209,9 ton zware metalen verontreinigde grond, 9,76 ton asbesthoudende grond en 3407,84 ton minerale olieverontreinigde grond afgevoerd. Ten behoeve van de aanvulling van de ontgravingen is gecertificeerde grond aangevoerd van elders. In totaal betrof dit 3.760 m3. Onderstaande tabel 4.5 betreft een totaaloverzicht van het grondverzet. Verschillen in hoeveelheden zijn toe te schrijven aan inschattingen, ‘vaste’ of ‘losse’ grond en verschil in hoogte voormalig maaiveld en nieuw maaiveld.
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
44
Tabel 4.5 Overzicht grondverzet
Beschikkingen provincie Voor het tweetal beschikkingen wordt verwezen naar de bijlagen. De provincie Noord-Brabant heeft naar aanleiding van een BUS-evaluatieverslag en het saneringsverslag per beschikking besloten in te stemmen met de uitgevoerde sanering. Restverontreiniging (Langeweg 3 te Haaren, gelegen buiten het onderhavige plangebied) Bij de sanering op Driehoeven 25 is, uitgezonderd een geringe ernstige restverontreiniging bij Langeweg 3, alle ernstig verontreinigde grond verwijderd. Plaatselijk is daar in de ondergrond op circa 1,8-2,3 m-mv een ernstige restverontreiniging van minerale olie achtergebleven met een omvang van circa 3,5 m³. De locatie Langeweg 3 ligt echter buiten het plangebied en daarmee kan gesteld worden dat de grond op de locatie Driehoeven 25 geschikt is voor het beoogd gebruik. 4.7.3
Conclusie
Vanuit het aspect ‘bodemkwaliteit’ zijn geen belemmeringen voor het bestemmingsplan aanwezig.
4.8
Water
4.8.1
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzi cht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Waterschap de Dommel Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de 'water-transitie': op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Waterschap De Dommel hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt.
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
45
Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan.
Wat schoon is moet schoon blijven.
We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouw -transitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: Van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken,
de hoge zandruggen en bebouwd gebied. Van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meer-
dere opgaven in een gebied. Van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
Keur Waterschap De Dommel In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewater-systeem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.
Gemeente De gemeenteraad van de gemeente Oisterwijk heeft op 21 april 2022 de Verordening afvoer hemelwater en grondwater 2022 vastgesteld. Vanuit deze verordening gelden eisen bij omgevingsvergunningplichtige bouwactiviteiten en/of bij het aanbrengen van water afvoerende verharding. De eigenaar van een perceel heeft de verplichting al het hemelwater dat op betreffend perceel valt op eigen terrein te verwerken. De eigenaar heeft daarbij vrije keuze in de toe te passen voorziening(en) waarbij het volgende geldt: 1. De voorziening moet 0,06 (60 mm per m2) x oppervlak (m2) x gevoeligheidsfactor (volgens Keur waterschap) in 1 uur kunnen verwerken of tijdelijk kunnen bergen. 2. De snelheid van verwerking van het geborgen hemelwater dient dusdanig te zijn, dat de berging na 48 uren weer leeg is. Bij aanvraag wijziging bestemmingsplan / omgevingsplan of omgevingsvergunning dient dit beschreven en berekend te worden.
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
46
Overtollig hemelwater (groter dan de te bergen hoeveelheid zoals opgenomen in de verordening) mag enkel via een overstortconstructie zichtbaar geloosd worden naar een gemeentelijke voorziening, niet zijnde drukriolering. Tevens dienen de benodigde voorziening(en) uiterlijk gelijk aan het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verharding gerealiseerd te zijn. 4.8.2
Onderzoek
Driehoeven 25 Kenmerken van het watersysteem Er is in het kader van het bestemmingsplan ‘Copal-terreinen’ reeds een bodemkundige/hydrologische verkenning uitgevoerd. Daarnaast is mede op basis van de resultaten van de bodemkundige/hydrol ogische verkenning en de uitgangspunten die voortvloeien uit het proces van de Watertoets en het stedenbouwkundig plan, een principeplan water opgesteld. Het doel van het principeplan is om te komen tot een bodemkundig/ hydrologisch advies en een aantal bodemkundige en hydrologische bouwstenen voor de verdere uitwerking van voorliggend plangebied. De uitkomsten van de verkenning hebben geleid tot een waterparagraaf die is opgenomen in het bestemmingsplan ‘Copalterreinen’. Deze waterparagraaf vormt de basis voor de omgang met water in dit bestemmingsplan voor de locatie Driehoeven 25. Water in relatie tot de gewenste ontwikkeling De locaties zijn op basis van de bodemkundige/hydrologische verkenning voldoende ontwaterd voor secundaire wegen en woningen. Ophoging of drainage is dan ook niet noodzakelijk. Wateroverlast treedt in de huidige situatie niet op in het plangebied. De bestemmingswijziging mag niet leiden tot het optreden van wateroverlast in of buiten het plangebied.
Dit betekent dat afstromend hemelwater in het plangebied, daar waar praktisch inpasbaar, moet worden vastgehouden en gecontroleerd dient te worden afgevoerd naar het afwateringssysteem van de gemeente Oisterwijk. Wateroverlast ter plaatse van de woningen in het plangebied wordt voorkomen door het minimaal bouwpeil 0,2 m hoger te leggen dan het minimaal weg-peil. In overleg met waterschap en gemeente is overeengekomen om het hemelwater van alle deellocaties van de ‘Copal-terreinen’, waaronder de locatie Driehoeven 25 gescheiden aan de perceelsgrens aan het bestaande gescheiden rioolstelsel aan te bieden. Hemelwater van verhard oppervlak in het plangebied wordt apart ingezameld. Conform de waterparagraaf in het principeplan water, opgesteld door Arcadis, zal het hemelw ater worden vastgehouden in een retentievoorziening ter grootte van 217 m³. Uitgangspunt hierbij is een toename van verhard oppervlak van 4.430 m² bij een neerslaggebeurtenis van eens per 10 jaar (T=10). De toegepaste norm destijds was 0,049 per m². Hierbij was de locatie Driehoeven 25 grotendeels als ‘verhard’ meegenomen, wat ook blijkt uit luchtfoto’s uit die periode. De ontwikkeling die zal plaatsvinden op de Driehoeven 25 zal dus niet leiden tot het toevoegen van extra verharding ten opzichte van de situatie anno 2008.
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
47
Figuur 4.5: Luchtfoto plangebied en omgeving anno ca. 2008 (Bron: gemeente Oisterwijk)
Met de gemeente is in het kader van het bestemmingsplan ‘Copal-terreinen’ overeenstemming bereikt om de bergingseis van 217 m³ over te nemen. Door initiatiefnemer is daarom een bijdrage geleverd aan de bekostiging van een centrale door de gemeente aangelegde bergingsvoorziening waarnaartoe ook het water van onder andere de plannen ‘Haerens Hof’ en ook Driehoeven 25 geborgen zou worden. De berging is te combineren met een reeds uitgevoerde berging voor afkoppelplannen van het centrumgebied Haaren. Deze berging is gerealiseerd in het gebied ten oosten van de Lambertuskerk aan de Mgr. Bekkersplein. Inmiddels geldt op basis van het gemeentelijk beleid dat niet de toename van verhard oppervlak bepalend is voor het berekenen van de bergingsopgave, maar dat al het hemelwater dat op betreffend perceel (nieuw verhard oppervlak binnen het perceel) valt op eigen terrein te verwerken. In de nieuwe situatie zal het totale verharde oppervlak – afhankelijk van hoe groen het parkeerterrein en de zone langs de Driehoeven/Nemelaerstraat ingericht worden – circa 4.850 m² bedragen. De bergings- en verwerkingsopgave voor de huidige ontwikkeling bedraagt volgens de Verordening afvoer hemelwater en grondwater 2022 daarmee 4.850 x 0.06 = 291 m³.
De berekende hoeveelheid te bergen hemelwater voor de locatie Driehoeven 25 zou op basis van de toenmalige normen (0,049), met als uitgangspunt berging op eigen terrein, uitkomen op ca. 238 m³. Aangezien voor de afwikkeling van hemelwater op de locatie al afspraken zijn gemaakt en de gerealiseerde hemelwatervoorziening mede gedimensioneerd is op water dat ook van de Driehoevenlocatie afkomstig is of zou zijn, wordt uitsluitend voor het surplus aan bergingsopgave een beroep gedaan op het principe van berging van hemelwater op eigen terrein. Dit surplus bedraagt 291 m ³ op basis van de huidige eisen minus de veronderstelde berekende berging die reeds voorzien was, te weten 238 m ³, bedraagt 53 m³. Uitgangspunt is dat deze aanvullende waterberging op eigen terrein plaatsvindt. De Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand bedraagt ter plaatse c.a. 6,60 NAP, maaiveldhoogte c.a. 7,60 NAP. Met deze uitgangspunten is een voorziening met voldoende inhoud op eigen terrein technisch inpasbaar onder de parkeerplaats
Bestemmingsplan Driehoeven 4, 25 en 62 en Haarendijk 8
48
en / of groen dak. Afhankelijk van de waterdoorlaatbaarheid voldoet ook naar verwachting ook de infiltratiesnelheid. (binnen 48 uren). Als dit technisch toch niet mogelijk blijkt te zijn, is (deels) ontheffing hiervan volgens artikel 6 van de Verordening mogelijk met kosten volgens artikel 7. Bij de civieltechnische uitwerking zal dit nader worden geconcretiseerd. Vuilwaterafvoer Het huishoudelijke afvalwater wordt binnen het plangebied ingezameld en vervolgens afgevoerd naar de vuilwaterriolering van Haaren. Hiermee wordt in het plangebied invulling gegeven aan het principe schone en vuile waterstromen optimaal te scheiden. Waterkwaliteit Het watersysteem van het plangebied vraagt om een zorgvuldige omgang. De toekomstige bewoners zullen worden geïnformeerd over het aanwezige watersysteem en de randvoorwaarden die het systeem met zich brengt. De kwaliteit van het grondwater wordt gewaarborgd door in het plangebied geen uitloogbare materialen, of (chemische) onkruidbestrijdingsmiddelen te gebruiken en geen auto’s te wassen. Aangezien het gebied nabij een grondwaterwingebied ligt, is het bewaken van de grondwaterkwaliteit belangrijk. Het plangebied ligt in de boringsvrije zone van het waterwingebied Haaren. Indien noodzakelijk zal ontheffing aangevraagd dienen te worden roeren van de gronden dieper dan 10 meter.
In dit plan wordt de bodem niet tot deze diepte geroerd, waardoor een ontheffing niet noodzakelijk is. De maximale verstoringsdiepte ten behoeve van de aan te leggen parkeergarage bedraagt namelijk maximaal 4 meter. Driehoeven 4 Onderhavig plan regelt voor deze locatie slechts de bestendiging van de bouwregels en een aanpassing van de gebruiksregels waarmee de functies dienstverlening en detailhandel niet meer zijn toegestaan. Bij een eventuele ontwikkeling op de locatie Driehoeven 4 zal er nog een aparte omgevingsvergunning aangevraagd worden en hierbij zal moeten worden voldaan aan de kaders vanuit het gemeentelijke beleid. Haarendijk 8 In paragraaf 4.3 van de ruimtelijke onderbouwing is een waterparagraaf opgesteld voor de ontwikkeling op de Haarendijk 8. Aangezien er al reeds een waterparagraaf is opgesteld gebeurt dit in het kader van dit bestemmingsplan niet nogmaals. Driehoeven 62 In paragraaf 4.2 van de ruimtelijke onderbouwing is een waterparagraaf opgesteld voor de ontwikkeling op de Driehoeven 62. Aangezien er al reeds een waterparagraaf is opgesteld gebeurt dit in het kader van dit bestemmingsplan niet nogmaals. 4.8.3 Conclusie Het aspect ‘water’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.9
Archeologie
4.9.1
Toetsingskader
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt.