Bijlage 2 met bijlage 2b - BP Schoolstraat te Moergestel
Tekst van het document
Ten aanzien van de producent van geïsoleerde pijpsteunen geldt dat ook voor dit type bedrijf is niet expliciet een milieucategorie opgenomen in de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Aannemelijk is echter dat het gaat om een bedrijf van milieucategorie 3.1, aangezien op grond van bestemmingsplannen ‘Kom Moergestel’ (vastgesteld 16 juli 2014) en ‘Kom Moergestel (vastgesteld 10 april 2018) blijkt dat op de locatie waar dit bedrijf is gevestigd een bedrijf van maximaal milieucategorie 3.1 is toegestaan. In de toelichting van bestemmingsplan ‘Kom Moergestel’ (vastgesteld 16 juli 2014) is bovendien opgenomen dat de in dat plan opgenomen milieucategorie geen verruiming met zich meebrengt ten opzichte van het (destijds) vorige juridisch-planologische regime. Voor bedrijven van milieucategorie 3.1 geldt, zoals reeds eerder aangegeven een maximale richtafstand van 30 meter. De feitelijke afstand tussen het plangebied en de bestemming die het bedrijf in kwestie toelaat is groter, namelijk 180 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de aan te houden richtafstand. 4.4.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering.
4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder veehouderij (Rgv). De hierin opgenomen geurnormen hebben betrekking op de toevoeging van veehouderijen in de buurt van geurgevoelige objecten. Bij nieuwe planologische projecten anders dan veehouderijen dient in het kader van de Wet ruimtelijke ordening te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van
Hoofdstuk 4
27
deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. Daarbij moeten twee zaken worden aangetoond: Er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de toegevoegde geurgevoelige objecten; en veehouderijen worden niet onevenredig in hun belangen wordt geschaad. Bij een en ander moet worden uitgegaan van de cumulatie van geurhinder van alle veehouderijen in de omgeving. Daarnaast is het niet automatisch zo dat wanneer geurnormen overschreden worden, er geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat – en vice versa. Een gemeente zal per geval moeten beoordelen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld.
Gemeenten hebben de mogelijkheid om middels een eigen geurverordening af te wijken van de in de Wgv gestelde normen. De gemeente Oisterwijk heeft echter geen eigen geurverordening. Daarom dient te worden uitgegaan van de normen als opgenomen in de Wgv. 4.5.2 Onderzoek Onderzocht is of er redelijkerwijs sprake kan zijn van te ervaren geurhinder van één of meerdere veehouderijen op de woningen waarin in het bestemmingsplan wordt voorzien. Dat kan onder andere worden achterhaald aan de hand van de verbeeldingen van de voor het buitengebied van Moergestel vigerende bestemmingsplannen, luchtfoto’s en de kaarten ‘Veehouderijen in NoordBrabant’7 en ‘Achtergrondbelasting geur’8 van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Uit voorgenoemde bronnen blijkt dat de dichtstbijzijnde (intensieve) veehouderijen zich op een afstand van circa 300 en 330 meter van het plangebied bevinden. Het betreft hier melkrundveehouderijen. Op een afstand van ongeveer 360 meter van het plangebied bevindt zich tevens een paardenhouderij. Voor runderen en paarden zijn geen geuremissiefactoren opgenomen. Hiervoor gelden vaste minimumafstanden. Deze normen en geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De vaste minimumafstanden voor runderen en paarden zijn opgenomen in artikel 4, eerste lid, onderdelen a en b, Wgv.
In onderdeel a is bepaald dat deze minimumafstand 100 meter bedraagt indien het geurgevoelige object, in dit geval de beoogde woning, binnen de bebouwde kom is gelegen. Aan deze minimumafstand wordt ruimschoots voldaan.
7 8
Zie https://atlas.odzob.nl/portal/apps/webappviewer/index.html?id=db4986b27d914413b2d0e52d3678c70d. Zie https://atlas.odzob.nl/portal/apps/webappviewer/index.html?id=504c14413ebc4c3e89640fd2be05d167.
Hoofdstuk 4
28
Uit de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ blijkt dat de kwaliteit van de leefomgeving voor wat betreft geurbelasting ter plaatse van het plangebied op dit moment ‘goed’ is (zie onderstaande figuur). Om die reden is er geen reden om aan te nemen dat de aanwezigheid van (intensieve) veehouderijen in de omgeving van het plangebied belemmeringen oplevert ten aanzien van het aspect geur.
Figuur 8: Uitsnede kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ (ligging plangebied indicatief weergegeven middels zwarte stip. Bron: Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, juni 2023).
In aanvulling op het voorgaande dient te worden aangetoond dat veehouderijen niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. In onderhavig geval worden de veehouderijen in de omgeving van het plangebied niet onevenredig in hun belangen geschaad, omdat tussen deze veehouderijen en het plangebied al andere geurgevoelige objecten aanwezig zijn. Deze reeds aanwezige geurgevoelige objecten zijn daarom in dit geval maatgevend. 4.5.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect geur agrarisch.
4.6 Kabels en leidingen Aan de hand van de Netkaart9 van het RIVM kan achterhaald worden of het plangebied zich bevindt in een magneetveldzone10 van hoogspanningslijnen. Een uitsnede van het voor het plangebied relevante deel van deze kaart is weergegeven in navolgende figuur.
9 10
Zie https://geodata.rivm.nl/netkaart.html. Een magneetveldzone is het gebied waar het magneetveld van een hoogspanningslijn waar het magneetveld over een jaar gemiddeld sterker is dan 0,4 microtesla.
Hoofdstuk 4
29
Figuur 9: Uitsnede Netkaart (ligging plangebied aangeduid met zwarte ster; bron: RIVM).
Uit de Netkaart kan worden opgemaakt dat er geen planologisch gezien relevante hoogspanningslijnen door het plangebied lopen. In de omgeving van het plangebied bevinden zich echter wel twee relevante hoogspanningslijnen. Ten eerste loopt ten zuiden van het plangebied, op een afstand van ongeveer 820 meter, een 380 kV-hoogspanningslijn. Op basis van de Netkaart kan met betrekking tot deze lijn uitgegaan worden van een magneetveldzone van 100 meter aan weerszijden van de hoogspanningslijn. Het plangebied ligt ruimschoots buiten de magneetveldzone van betreffende hoogspanningslijn. Ten tweede loopt ten noorden van het plangebied, op een afstand van circa 1400 meter, een 150 kV-hoogspanningslijn. Op grond van de Netkaart wordt ten aanzien hiervan uitgegaan van een indicatieve magneetveldzone van 80 meter aan weerszijden van de hoogspanningslijn. Het plangebied ligt hier ruim buiten. Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect kabels en leidingen. In paragraaf 4.7 (externe veiligheid) van deze toelichting zal aandacht geschonken worden aan de eventuele aanwezigheid van relevante gas- en/of olieleidingen.
4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.
Hoofdstuk 4
30
In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag.
Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.7.2 Onderzoek BRO heeft voor het onderdeel externe veiligheid een quickscan uitgevoerd. Dat is noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening, aangezien woningen vallen onder de categorie van kwetsbare objecten in de zin van het Besluit externe veiligheid (Bevi). De resultaten daarvan worden omschreven in deze paragraaf. De locatie van risicovolle inrichtingen en transportroutes kan worden achterhaald middels de zogenoemde ‘Risicokaart’11. Een uitsnede van de ‘Risicokaart’ voor het plangebied en omgeving is weergegeven in navolgende figuur. De met betrekking tot het plangebied relevante risicovolle inrichtingen en transportroutes worden in het vervolg van deze paragraaf besproken.
11
Zie https://www.risicokaart.nl/.
Hoofdstuk 4
31
Figuur 10: Uitsnede ‘Risicokaart’ (ligging plangebied aangeduid met blauwe ster; bron: risicokaart.nl).
Risicovolle inrichtingen Ten noordoosten van het plangebied, op een afstand van circa 80 meter van het plangebied, bevindt zich een lpg-tankstation. Uit de in dit kader verleende milieuvergunning volgt dat de vergunde jaardoorzet van lpg kleiner is dan 500 m 3. Gelet op hetgeen in de Regeling externe veiligheid inrichting bepaald is over de PR 10-6-contouren voor lpg-tankstations met een lpg-jaardoorzet van minder dan 500 m3 dient rekening te worden gehouden met PR 10-6-contour van maximaal 25 meter. Het plangebied ligt buiten deze contour. Aangezien het plan binnen het invloedsgebied van dit tankstation is gelegen, is de hoogte van het groepsrisico een aandachtspunt. De personendichtheid binnen het invloedsgebied van zowel vulpunt als reservoir bedraagt circa 24 personen/ha in de dagperiode en circa 20 personen/ha in de nachtperiode. Als gevolg van het planvoornemen zullen 1,2 personen in de dagperiode en 2,4 personen in de nachtperiode meer aanwezig zijn binnen het invloedsgebied. Dit leidt niet tot een significante toename van de personendichtheid, waardoor de hoogte van het groepsrisico eveneens niet significant zal toenemen. Wel dienen de risico’s als gevolg van inrichtingen meegenomen te worden in een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico. Verwezen wordt naar paragraaf 4.7.3.
Transport gevaarlijke stoffen over de weg Ten zuiden van het plangebied, op een afstand van ongeveer 190 meter, bevindt zich de Rijksweg A58 (wegvak B6). Deze weg heeft een PR 10-6 risicocontour van 16 meter en een plasbrandaandachtsgebied (PAG). Echter op grond van de ruimtelijke scheiding vormen deze aspecten geen belemmering voor het plan. Aangezien het plan binnen 200 meter van deze rijksweg is gelegen, vormt de hoogte van het groepsrisico een aandachtspunt. Omdat het planvoornemen de realisatie van slechts één woning betreft, zal de personendichtheid binnen het invloedsgebied van de A58 niet toenemen, waardoor ook de hoogte van het groepsrisico niet zal toenemen. Uit de telgegevens van Rijkswaterstaat (juni 2019) blijkt dat over dit wegvak gevaarlijke stoffen worden vervoerd van de categorieën LF1, LF2, LT1, LT2, GF2, GF3, GT3 en GT4. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen (LT1 en LT2), brandbare gassen (GF2 en GF3) en toxische gassen (GT4). De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke
Hoofdstuk 4
32
stoffen over deze weg (BLEVE en toxisch scenario) dienen beperkt verantwoord te worden. Deze verantwoording is opgenomen in paragraaf 4.7.3. Transport gevaarlijke stoffen door buisleidingen Ten zuiden en westen van het plangebied bevindt zich tevens een PRB-leiding (Leidingtracé Noord (Rotterdam – Soerendonk)) van Petrochemical Pipeline Services B.V. Uit de ‘Kwantitatieve risicoberekening PRB-leiding’ (d.d. 8 september 2011; zie bijlage 8 bij de toelichting van bestemmingsplan ‘Kom Moergestel’ (vastgesteld op 10 april 2018)) blijkt dat de PR 10-6-contour en het invloedsgebied van deze leiding respectievelijk 13 en 29 meter bedragen. Zuidelijk van het plangebied bevindt zich verder een drietal buisleidingen waardoorheen aardgas wordt getransporteerd (buisleidingen A-525, A-526 en A-527) kleinste afstand tot een gasleiding circa 1700 meter bedraagt. Voor buisleiding A-525 geldt een 1%-legaliteitsafstand van 430 meter. Voor zowel buisleiding A-526 als buisleiding A-527 is dit 490 meter. Het projectgebied ligt hiermee ruim buiten het invloedsgebied van deze buisleidingen. Tot slot bevindt zich ten zuidwesten van het plangebied een buisleiding waardoorheen aardgas wordt getransporteerd (buisleiding Z-522-01). Deze bevindt zich op een afstand van circa 1650 meter van het plangebied. Voor de buisleiding in kwestie geldt een 1%-legaliteitsafstand van tussen de 140 en 150 meter.
Het plangebied ligt hiermee ruim buiten het invloedsgebied van deze buisleiding. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen vormt geen belemmering voor de planvorming. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. 4.7.3 Verantwoording groepsrisico Kragten heeft naar aanleiding van de resultaten uit de quickscan externe veiligheid een verantwoording van het groepsrisico opgesteld in verband met de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van een nabijgelegen lpg-tankstation en de Rijksweg A58. Voor deze verantwoording wordt verwezen naar de bijlagen. De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant heeft opgemerkt (na beoordeling van de concept versie van dit bestemmingsplan met bijlagen), dat in de uitwerking van de verantwoordingsplicht (hoofdstuk 3 van bijlage 6) is uitgegaan van hittewerende bekleding van LPG-tankwagens. Dit is niet juist, gezien de uitspraak van de Raad van State op 12 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:11), dat vergunningvoorschriften over hittewerende bekleding op tankwagens niet zijn toegestaan. De afstanden in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), die zijn gebaseerd op deze hittewerende bekleding, zijn hierdoor niet meer van toepassing. Het RIVM heeft deze afstanden herberekend.
Uit deze herberekening blijkt dat de plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) bij een doorzet van maximaal 500 m3 per jaar maximaal 40 meter is, als geen rekening gehouden wordt met een hitte werende coating of een verbeterde losslang. Het opnieuw berekende aandachtsgebied is groter dan het invloedsgebied uit het Revi. Het plangebied ligt op meer dan 40 meter van het tankstation, en valt buiten de plaatsgebonden risicocontour. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van het LPG-tankstation. Deze opmerking leidt verder niet tot een inhoudelijke wijziging van de verantwoording groepsrisico en de conclusie hierover (bijlage 6). Deze bijlage is dan ook niet gewijzigd. Ook de brandweer/Veiligheidsregio heeft gereageerd. Wat betreft bereikbaarheid en bestrijdbaarheid worden de volgende aanvullingen gegeven:
Hoofdstuk 4
33
de planlocatie is vanuit meerdere windrichtingen te bereiken; de opkomsttijd vanuit de brandweerkazerne in Moergestel bedraagt 7.30 minuten (binnen de zorgnorm); de planlocatie ligt binnen het bereik van het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem (WASpaal 762); in de nabijheid van de locatie zijn vijf brandkranen aanwezig; de afstand van het middelpunt van de LPG-tank tot de gevel van de geplande woning is 85 meter. Met deze aanvullingen komt de brandweer tot de conclusie, dat de zeer beperkte verhoging van het groepsrisico door de voorgenomen bouw van 1 woning te verantwoorden is. 4.7.4 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect externe veiligheid.
4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
Hoofdstuk 4
34
2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime.
Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek BRO heeft verschillende soorten onderzoek uitgevoerd met betrekking tot het aspect flora en fauna.
Voor het subaspect wettelijke gebiedsbescherming heeft dit onderzoek plaatsgevonden in de vorm van bureauonderzoek en een stikstofdepositieberekening voor de aanleg- en gebruiksfase met de aeriuscalculator. Ten aanzien van het subaspect planologische gebiedsbescherming
Hoofdstuk 4
35
kon worden volstaan met bureauonderzoek. Met betrekking tot soortenbescherming is een quickscan (inclusief locatiebezoek) uitgevoerd. Wettelijke gebiedsbescherming Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’, bevindt zich op circa 1,8 kilometer ten noorden van het plangebied. In onderstaande figuur is de ligging van het deel van het plangebied waar de woning gerealiseerd zal worden ten opzichte van betreffend Natura 2000-gebied aangegeven.
Figuur 12: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’.
Indien er sprake zou zijn van een effect op Natura 2000-gebied ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen’, dan betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Een significante toename van stikstofdepositie in dit gebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen kan daarentegen niet reeds vóór het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening met AERIUS worden uitgesloten. BRO heeft een stikstofdepositieberekening voor de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd. Voor de berekening en bijbehorende toelichting wordt verwezen naar de bijlagen. Zowel de aanleg als het gebruik van de woning leiden niet tot een depositie van 0,01 mol N/ha/jaar of meer. Het is aannemelijk dat significante effecten als gevolg van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied zijn uit te sluiten. Planologische gebiedsbescherming Op grond van artikel 1.12, tweede lid, Wnb wijzen gedeputeerde staten van de provincie gebieden in hun provincie aan die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De gedeputeerde
Hoofdstuk 4
36
staten van de provincie Noord-Brabant hebben in dat kader het Natuurnetwerk Brabant (NNB) aangewezen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In deze verordening is in artikel 3.16 tevens geregeld dat er een externe werking uitgaat van het NNB. Dat betekent dat regelingen met betrekking tot NNB-gebieden niet alleen in acht moeten worden genomen bij ontwikkelingen in de NNB-gebieden maar mogelijk ook bij ontwikkelingen buiten deze gebieden. Dat laatste is het geval wanneer er sprake is van een aantasting van ecologische waarden en kenmerken van NNB-gebied. De ligging van het NNB is aangeduid op de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’, behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Een uitsnede van deze kaart is opgenomen in figuur 12.
Figuur 12: Ligging van het plangebied ten opzichte van gebieden die deel uitmaken van het NNB/NNN (aangegeven in groen; ligging plangebied aangeduid me rode marker; bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Het plangebied is niet gelegen binnen een onderdeel van het NNB. Het dichtstbijzijnde NNB-gebied ligt op circa 230 meter van het plangebied. Gelet op deze afstand, gecombineerd me de aard en de beperkte omvang van de voorgenomen ontwikkelingen, is niet aannemelijk dat de ontwikkelingen zullen zorgen voor negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van dit NNB-gebied. Ook de externe werking van het NNB vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen. Soortenbescherming BRO heeft een quickscan flora en fauna uitgevoerd, bestaande uit een bureauonderzoek en een verkennend veldbezoek. Het veldonderzoek is uitgevoerd door een ecoloog van BRO die het plangebied op 25 augustus 2021 bezocht heeft. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiële
Hoofdstuk 4
37
aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en nest-/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, soortgerichte literatuur, NDFFgegevens en op basis van expert judgement nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten er voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Voor het in dit kader opgestelde onderzoeksrapport wordt verwezen naar de bijlagen. Aan de hand van het verkennende onderzoek is uiteindelijk beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk (kunnen) voorkomen binnen het plangebied. Tevens is een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden. De uitkomsten daarvan zijn reeds beschreven in de vorige twee subparagrafen. In het vervolg van deze subparagraaf zullen de uitkomsten van de toetsing aan wetgeving ten aanzien van soortenbescherming worden samengevat. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. Vogels Op het terrein is geschikte bebouwing aanwezig voor huismussen. Er is ruimte aanwezig onder de dakpannen en langs de dakranden waardoor er geschikte openingen aanwezig zijn voor huismussen om in te vliegen. Gezien de aanwezigheid van de overkapping aan beide kanten van het gebouw is er onvoldoende ruimte voor gierzwaluwen om in te vliegen.
Voor een soort als kerkuil is er geen geschikte invliegopening aanwezig. In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied bevinden zich tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als buizerd, sperwer en ransuil. Wel kunnen hier mogelijk algemene soorten als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning, grasmus, tjiftjaf en houtduif tot broeden komen. Bij sloop van het gebouw bestaat de kans dat er één of meerdere nesten van de huismus verloren gaan. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of zich onder de daken van de gebouwen nesten van de huismus bevinden. Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, tweekleurige vleermuis en meervleermuis. Het te slopen gebouw bevat geschikte rust- en verblijfplaatsen voor een vleermuizensoort in de vorm van dakranden en andere openingen naar ruimtes onder het dak of in de spouw. Er is geen sprake van potentieel (essentieel) foerageergebied en/of vliegroutes, gezien het ontbreken van aspecten als grote hoeveelheden opgaand groen, oppervlaktewater en lijnvormige landschapselementen.
Bij de sloop bestaat de kans dat er één of meerdere verblijfplaatsen van een vleermuissoort verloren gaan. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd. Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of zich in de te slopen bebouwing verblijfplaatsen van een vleermuissoort bevinden. Op basis van het vervolgonderzoek wordt bepaald of er bij uitvoering van de sloop sprake is van overtreding, en of het treffen van maatregelen en een ontheffingsprocedure aan de orde is alvorens er mag worden gesloopt.
Hoofdstuk 4
38
Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt matig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als egel en huisspitsmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde soorten bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, boommarter, eekhoorn, das en bever voor. Gezien de ligging van het plangebied en de beperkte omvang van de voorgenomen ontwikkelingen betreft het hier geen essentieel habitat voor de betreffende kleine marterachtigen. Daarnaast wordt voor de kleine marterachtigen bij voorbaat geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht, aangezien het plangebied kleiner dan 1 hectare betreft en bij de werkzaamheden geen leefgebied in potentie doorsneden wordt. Er zijn geen holen of nesten in de grond of in de bomen aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuil- of nestplaats voor een steenmarter of boommarter. Binnen het plangebied zijn tevens geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen.
De aanwezigheid van das, bever en andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten. Overige dier- en plantensoorten Negatieve effecten op en overtredingen ten aanzien van overige soorten, namelijk reptielen, vissen, ongewervelde soorten en vaatplanten kunnen op voorhand worden uitgesloten. Sporenonderzoek huismus en vleermuizen Naar aanleiding van de resultaten uit de quickscan flora en fauna, specifiek ten aanzien van de huismus en vleermuizen, is door Miecon op 23 september 2021 (rapport d.d. 28 september 2021) ecologisch vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van een sporenonderzoek. Het volledige onderzoek is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. De belangrijkste aspecten uit dit onderzoek zijn beschreven in de navolgende alinea’s. In het kader van het sporenonderzoek zijn de te slopen delen zijn nauwkeurig onderzocht op aanwezigheid van kieren, gaten en andere potentiele wegkruipmogelijkheden voor beschermde soorten. Als een opening werd gevonden, dan werd deze van dichtbij visueel onderzocht met behulp van een felle zaklamp. Indien dit geen uitsluitsel geeft, is een endoscoop ingezet. Hiermee kan tot een meter diep in de wand worden gekeken.
Indien vleermuiskeutels zouden worden gevonden, dan zouden deze worden veiliggesteld voor latere DNA-analyse. In het onderzoek zijn de zich thans binnen het plangebied bevindende carport en twee bijgebouwen (waarvan één schuur) betrokken. Aangezien de bestaande woning behouden blijft, is deze niet in het onderzoek betrokken. De carport biedt plaats aan meerdere auto’s. Het betreft een grote overkapping die aan de onderzijde glad is afgewerkt. Aan twee zijden sluit de carport aan op bebouwing. De muren zijn wit afgewerkt waardoor het in principe eenvoudig is om sporen aan te treffen. De wanden en de boeiboorden zijn geïnspecteerd op aanwezigheid van sporen die wijzen op gebruik door beschermde soorten. Nergens zijn geschikte openingen aangetroffen die geschikt zijn als toegang tot vaste rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen of vogels.
Hoofdstuk 4
39
Eén van de bijgebouwen is opgetrokken uit steen en heeft een dak met dakpannen. Er zijn geen sporen van nesten onder de pannen aangetroffen in gebruik door broedvogels, zoals de huismus. De muren van de bijgebouwen zijn voorzien van een spouwruimte maar deze is geïsoleerd met een schuimmateriaal. Het dak is geïnspecteerd vanaf het platte dak van de carport. Op meerdere plekken zijn enkele pannen gelicht om zodoende een goed beeld te krijgen van de spouwmuur. De overstek en gevels van betreffend bijgebouw zijn voorzien van lampen, waarvan een aantal fel. Ook aan de woning zijn felle lampen bevestigd. Dit heeft een sterk verstorende werking op vleermuizen. Dit is een mogelijke verklaring voor het ontbreken van sporen van vleermuizen. De schuur die achter het bijgebouw ligt is voorzien van metalen dakplaten met aan de onderzijde isolatieplaten. Tussen de platen en het isolatiemateriaal ontstaan zeer hoge temperaturen waar vleermuizen en andere dieren niet tegen bestand zijn. Er is verder in de schuur geen sprake van geschikte plekken om weg te kruipen. Bovendien kent de schuur een relatief hoge verstoringsgraad waardoor de geschiktheid nog lager is. Op geen enkele locatie zijn sporen aangetroffen die wijzen op gebruik door vleermuizen. Er zijn geen potentiele verblijfplaatsen aangetroffen. Er zijn wel aanwijzingen gevonden van verstorende factoren in het plangebied.
Het onderzoeksgebied is niet in gebruik als vaste rust- of verblijfplaats van vleermuizen, broedvogels of andere beschermde soorten planten of dieren. Op dit moment is het plangebied niet geschikt voor vleermuizen. Ook voor broedvogels zijn de mogelijkheden zeer beperkt. Door eenvoudige in grepen zijn de mogelijkheden voor broedvogels en vleermuizen sterk te vergroten. Voor deze aanbevelingen wordt verwezen naar het rapport betreffende het sporenonderzoek. 4.8.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect ecologie. Verwezen wordt naar hoofdstuk 5 van de quickscan flora en fauna voor nadere adviezen en aanbevelingen
4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk.
Hoofdstuk 4
40
4.9.2 Onderzoek Aangezien de voorgenomen ontwikkeling het realiseren van 1 woning betreft op gronden met een woonbestemming (‘Wonen – Bungalows en villa’s’), is er geen sprake van een planologische functiewijziging. Vanwege het feit dat er al een woonbestemming geldt kan bij voorbaat aangenomen worden dat de bodemkwaliteit binnen het plangebied voldoende is voor het toevoegen van een woning. 4.9.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect bodem.
4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Dat wordt gedaan middels een watertoets. De resultaten uit de watertoets landen vervolgens in een waterparagraaf. Verschillende overheden hebben beleidskaders opgesteld aan de hand waarvan ze streven naar een duurzaam watersysteem. Dat gebeurt op Europees, rijks- provinciaal, gemeentelijk en waterschapsniveau. De beleidskaders op waterschaps-, provinciaal en gemeentelijke niveau worden hieronder geschetst. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water van relevantie.
Zal worden vervangen door de Interim Omgevingsverordening in verband met de Omgevingswet. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. Waterschap De Dommel heeft tevens een waterbeheerplan voor de periode 2022-2027 vastgesteld met de titel ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 dient de waterhuishouding in het beheersgebied van het waterschap toekomstbestendig te zijn. Om sturing te geven aan de watertransitie worden drie principes gehanteerd, te weten: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt;
Hoofdstuk 4
41
Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; Wat schoon is moet schoon blijven.
Bij planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze meestal het beheer over het lokale (opper)vlaktewater hebben om deze doelstellingen te halen. De drie Brabantse waterschappen De Dommel, Aa en Maas en Brabantse Delta hebben hiervoor een gezamenlijke Keur opgesteld. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Afhankelijk van de werkzaamheden in het oppervlaktewater kan een vergunning benodigd zijn. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver)bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Voor de kleine planontwikkeling (<500 m2 buiten hydrologische gevoelig gebied) is de gemeente Oisterwijk bevoegd/toetsend gezag. De gemeenteraad van de gemeente Oisterwijk heeft op 21 april 2022 de Verordening afvoer hemelwater en grondwater 2022 vastgesteld.
Vanuit deze verordening gelden eisen bij omgevingsvergunningplichtige bouwactiviteiten en/of bij het aanbrengen van waterafvoerende verharding. De eigenaar van een perceel heeft de verplichting al het hemelwater dat op betreffend perceel valt op eigen terrein te verwerken. De eigenaar heeft daarbij vrije keuze in de toe te passen voorziening(en) waarbij het volgende geldt: 1. De voorziening moet 0,06 (60 mm per m 2) x oppervlak (m2) x gevoeligheidsfactor (volgens Keur waterschap) in 1 uur kunnen verwerken of tijdelijk kunnen bergen. 2. De snelheid van verwerking van het geborgen hemelwater dient dusdanig te zijn, dat de berging na 48 uren weer leeg is. Bij aanvraag wijziging bestemmingsplan / omgevingsplan of omgevingsvergunning dient dit beschreven en berekend te worden. Overtollig hemelwater (groter dan de te bergen hoeveelheid zoals opgenomen in de verordening) mag enkel via een overstortconstructie zichtbaar geloosd worden naar een gemeentelijke voorziening, niet zijnde drukriolering. Tevens dienen de benodigde voorziening(en) uiterlijk gelijk aan het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verharding gerealiseerd te zijn. 4.10.2 Onderzoek Aeres Milieu heeft ten aanzien van onderhavig plan een waterparagraaf opgesteld (d.d. 16 september 2021). Deze waterparagraaf is opgenomen in de bijlagen behorende bij dit bestemmingsplan.
In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies vermeld). Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen, wordt gestreefd naar een minimale drooglegging van 0,7 meter voor bebouwing en 0,5 meter ter plaatse van de tuinen. Van de onderzoekslocatie is diverse informatie geraadpleegd bij o.a. het Dinoloket, bodematlas Noord-Brabant, bodemdata Nederland en het eigen archief van Aeres Milieu.
Hoofdstuk 4
42
Op basis van (model)gegevens uit het Dinoloket kan een verwachte bodemopbouw worden vastgesteld voor de onderzoekslocatie. Hieruit blijkt dat er een antropogene ophooglaag aanwezig is van circa 1 meter, waarna de bodem overgaat in een zandige formatie. Op circa 3,0 m-mv. ligt de Formatie van Boxtel met Laagpakket van Liempde. Dit is een lemig laagpakket en heeft een negatieve impact op de verticale doorlatendheid van de bodem. De bodem gaat over in een zandige formatie en vanaf circa 16,5 m-mv. ligt de zeer goed doorlatende Formatie van Sterksel. De bestaande woning heeft, voor zover bekend, geen last van grondwateroverlast. Ook uit het Gemeentelijk Rioleringsplan van de gemeente Oisterwijk blijkt dat binnen de omgeving van het plangebied geen overschrijdende grondwaterstanden (<0,7 m-mv.) voorkomen. Op basis van grondwatermeetreeksen in Moergestel wordt de gemiddelde grondwaterstand ingeschat op circa 9,8 m +NAP en de gemiddelde hoogste grondwaterstand op circa 10,2 m +NAP. Hierdoor zal een minimale bouwhoogte van circa 10,9 m +NAP geadviseerd worden. Binnen het plangebied wordt derhalve reeds voldaan aan voldoende drooglegging. Geadviseerd wordt om het vloerpeil van de woning circa 20 centimeter boven maaiveld aan te leggen om eventuele instroom bij hevige buien te vermijden. Binnen of vlakbij het onderzoeksgebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend.
De onderzoekslocatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. Door het planvoornemen (bouw woning) is geen toekomstige (grond)waterverontreiniging te verwachten. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is een kleine vijver aanwezig in eigen beheer. Deze zal in de toekomstige situatie blijven bestaan. Binnen en nabij de onderzoekslocatie is geen primair of secundair oppervlaktewater aanwezig. Hierdoor zal het planvoornemen geen invloed hebben op het oppervlaktewatersysteem in de omgeving. Door bij de bouw met niet-uitloogbare en duurzame materialen te werken, zal het planvoornemen geen negatieve gevolgen hebben voor de kwaliteit van de ontvangende bodem of (grond)water. Afvalwater Bij de bouw van de nieuwe woning dient een gescheiden rioolstelsel aangelegd te worden. Hiervoor zal het afvalwater separaat verzameld worden en aangesloten worden op het gemeentelijk rioolstelsel, zodat er vanuit het plangebied alleen vuilwater wordt geloosd op het rioolstelsel. Het hemelwater dient op eigen perceel verwerkt te worden. Voor de nieuwe aansluiting op het gemeentelijke rioolstelsel dient te zijner tijd bij de gemeente Oisterwijk een aanvraag te worden ingediend. Door de bouw van een nieuwe woning zal de druk op het rioolstelsel niet significant toenemen waardoor geen aanpassingen aan het bestaand gemeentelijk stelsel benodigd zijn.
Volgens de Bodematlas van Noord-Brabant ligt het plangebied in een infiltratiegebied. Dit wordt gebaseerd op de verwachte bodem en grondwaterstanden. Echter lokaal kan de doorlatendheid sterk verschillen en wordt een infiltratieonderzoek geadviseerd bij de aanleg van een absolute infiltratievoorziening. Naar verwachting is ter plaatse een matige doorlatendheid aanwezig waarbij het (hemel)water hoofdzakelijk in horizontale richting zal infiltreren.
Hoofdstuk 4
43
Het afkoppelen en infiltreren van neerslag levert een positieve hydrologische bijdrage, mits de juiste milieuhygiënische maatregelen worden getroffen (zie ook hoofdstuk 3 van het rapport betreffende de waterparagraaf). Bij nieuwe ontwikkelingen dient hemelwater, afkomstig van ‘schoon’ afvoerend oppervlak, waar mogelijk, ter plaatse verwerkt te worden. Momenteel is het plangebied deels bebouwd en verhard en oostelijk onverhard met een kleine vijver. Door het planvoornemen wijzigt de verharde situatie ter plaatse. Om de negatieve gevolgen van het verhard oppervlak tegen te gaan, dient hiervoor gecompenseerd te worden. De gemeente Oisterwijk hanteert het volgende: ‘In tegenstelling tot de hydraulische beleidsregel van de waterschappen bij een nieuwe situatie wordt het hemelwater afgekoppeld voor het totale verharde oppervlak. Dus ook de reeds bestaande verharding wordt meegenomen in de berekening’ (V-GRP 2015-2019, gemeente Oisterwijk). Voor de bestaande bebouwing dient op eigen terrein afgekoppeld te worden bij aanpassingen aan het gemengde rioolstelsel of bij herinrichting van de bestaande situatie. Vooralsnog gaat dit ter plaatse nog niet plaatsvinden. Voor de nieuwe situatie dient al het verhard oppervlak afgekoppeld en op eigen terrein verwerkt te worden. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de huidige en de toekomstige verhardingen binnen het plangebied.
Na het uitvoeren van het planvoornemen zal het totaal verhard oppervlak (inclusief de reeds bestaande verharding) op basis van het ontwerp circa 969 m 2 bedragen. Dit is een afname tegenover de bestaande situatie. Ingevolge het beleid van de gemeente dient voor de inbreiding het gehele verhard oppervlak hiervan op eigen perceel verwerkt te worden. Hiervoor is een voorziening benodigd voor een bui van 60 mm, wat de benodigde compensatie oplevert van (969*0,06=) 58,14 m3 . In het planvoornemen is circa 165 m 2 aan oppervlaktewater op het nieuwe kavel gepland. Dit oppervlaktewater kan worden gebruikt om hemelwater in te bergen en verwerken. Afhankelijk de van de bergingshoogte dienen al dan niet nog aanvullende maatregelen te worden getroffen. Door de lagere ligging van de tuin vormen boven normatieve neerslagbuien op het perceel geen wateroverlast. Andere verwerkingsmogelijkheid is de aanleg van een voorziening in de voortuin zodat dan een bovengrondse noodoverlaat naar het gemeentelijk stelsel aangelegd kan worden. De hemelwatervoorziening zal in een later stadium verder worden uitgewerkt. 4.10.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect water. Door de aanleg van een gescheiden stelsel, de beschikbare ruimte voor de hemelwatercompensatie op het perceel
Hoofdstuk 4
44
en rekening te houden met de in de waterparagraaf genoemde aandachtspunten wordt hydrologisch gezien positief ontwikkeld en is geen wateroverlast te verwachten door de voorgenomen planontwikkeling
4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.11.2 Onderzoek Het plangebied heeft op grond van het de vigerende bestemmingsplannen ‘Kom Moergestel’ (vastgesteld op 16 juli 2014) en ‘Kom Moergestel’ (vastgesteld op 10 april 2018) geen archeologische dubbelbestemming.
Uit de ‘archeologische beleidskaart’ van de gemeente Oisterwijk (zie figuur 13) volgt dat voor het plangebied het beleid conform ‘Waarde – archeologie 5’ (middelhoge archeologische verwachting) van toepassing is. In gebieden waarvoor dit beleid geldt dient archeologisch onderzoek te worden verricht voor bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 en dieper dan 50 centimeter12. De beoogde woning heeft een oppervlakte die kleiner is dan 2.500 m2. Daarom is het niet noodzakelijk om archeologisch onderzoek uit te voeren. In het ‘Beleidsplan Archeologie’ van de gemeente Oisterwijk (actualisatie september 2018) heeft de gemeente voorbeeldregels opgenomen voor de bestemmingsplannen op te nemen archeologische dubbelbestemmingen. Ook voor het beleid conform ‘Waarde – archeologie 5’ zijn voorbeeldregels opgenomen. De archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie 5’ is in onderhavig bestemmingsplan opgenomen voor het gehele plangebied.
12
Zie document ‘Ondergrenzen gemeente Oisterwijk, op te leggen per vergunningtype’, te raadplegen via https://repository.officiele-overheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2018-69855/1/bijlage/exb-2018-69855.pdf.
Hoofdstuk 4
45
Figuur 13: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Oisterwijk (ligging plangebied aangeduid met rode ster; bron: Gemeente Oisterwijk).
4.11.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect archeologie.
4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Hoofdstuk 4
46
4.12.2 Onderzoek Aan de hand van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan en de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart’ (CHW) van de provincie Noord-Brabant13 is bepaald of in en rondom het plangebied relevante cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Een uitsnede van de CHW is weergegeven in navolgende figuur.
Figuur 14: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (indicatie ligging plangebied weergegeven middels blauwe ovaal; bron: Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant).
Binnen het plangebied bevinden zich blijkens hierboven genoemde geraadpleegde bronnen geen objecten van cultuurhistorische waarde. Ten noorden van het plangebied bevindt zich echter wel een molen. De beoogde woning komt op circa 30 meter van het middelpunt van deze molen te liggen. Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Kom Moergestel’ (vastgesteld op 10 april 2018) geldt vanwege de aanwezigheid van de molen ter plaatse van het plangebied de bestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’. Voor deze bestemming zijn de volgende bestemmingsplanregels uit betreffend bestemmingsplan relevant: Artikel 27 Waarde - Cultuurhistorie 27.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Cultuurhistorie aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming van de molen als werktuig en als beeldbepalend cultuurhistorisch waardevol element.
13
Zie https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html
Hoofdstuk 4
47
27.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. binnen een afstand van 100 meter tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een bouwhoogte van meer dan 0 meter; b. binnen een afstand van 100 meter tot 200 meter tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een bouwhoogte van meer dan 5 meter; c. binnen een afstand van 200 meter tot 300 meter tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een bouwhoogte van meer dan 7 meter; d. binnen een afstand van 300 meter tot 400 meter tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een bouwhoogte van meer dan 9 meter; e. binnen een afstand van 400 meter tot 500 meter tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een bouwhoogte van meer dan 11 meter; f. indien op grond van de regels voor de andere, op deze gronden voorkomende bestemmingen een lagere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge dit lid onder a t/m e, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van de andere bestemmingen; g. indien op grond van de regels voor de andere, op deze gronden voorkomende bestemmingen een hogere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge dit lid onder a t/m e, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van de bestaande bouwwerken.
27.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 27.2 a t/m e indien: a. de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing en de windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt vanwege de nieuw op te richten bebouwing; b. toepassing van de in lid 27.2 onder a t/m e bedoelde maten de belangen in verband met de nieuw op te richten bebouwing onevenredig zouden schaden. In onderhavig geval wordt er binnen een afstand van 100 meter tot het middelpunt van de molen bebouwing opgericht met een bouwhoogte van meer dan 0 meter. Dit is niet rechtstreeks toegestaan, gelet op lid 27.2, onderdeel a, van bestemmingsplan ‘Kom Moergestel’ (vastgesteld op 10 april 2018). Er heeft afstemming plaatsgevonden tussen de initiatiefnemer en de molenaar van de molen in kwestie. De molenaar heeft op zijn beurt contact gehad met Vereniging De Hollandsche Molen. De molenaar en Vereniging De Hollandsche Molen zijn met een gezamenlijke reactie gekomen waarin ze hebben aangegeven dat de nieuwbouw vergeleken met de huidige te slopen bebouwing zorgt voor extra windbelemmering en turbulentie. Ze geven echter aan zich niet te verzetten tegen de voorgenomen ontwikkelingen, mits er compensatie plaatsvindt voor het toenemen van de lengte van de kap van de bebouwing ten opzichte van de huidige situatie.
Ook noemen ze een aantal andere voorwaarden. Deze voorwaarden zijn verwerkt in de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ (artikel 5 van de regels). Zo is juridisch geborgd, dat er geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de belangen van de molen als werktuig en als beeldbepalend element.
Hoofdstuk 4
48
Op de ‘vertaling’ van de voorwaarden in het ontwerpbestemmingsplan hebben de molenaar en de Vereniging De Hollandse Maten zienswijzen ingediend. Naar aanleiding van deze zienswijzen zijn in overleg met de molenaar en de Vereniging De Hollandse Maten nog enkele aanpassingen gedaan in de regels en zijn de regels aangevuld ter bescherming van de molen (zie ook paragraaf 6.2.3). 4.12.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect cultuurhistorie.
4.13 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen 4.13.1 Toetsingskader Er is geen specifieke wet- en regelgeving voor het meenemen van het aspect volksgezondheid in bestemmingsplannen of andere ruimtelijke besluiten. In zijn algemeenheid geldt wel dat een ruimtelijk besluit in lijn dient te zijn met het principe van een goede ruimtelijke ordening. Om de toetsing van gezondheid een volwaardige plaats te geven binnen de ruimtelijke ordeningspraktijk wordt de ‘Hand-reiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ gehanteerd. In deze handreiking is een stappenplan op-genomen dat dient te worden doorlopen om te bepalen of beoordeling of advisering vanuit de GGD ten aanzien van specifieke ruimtelijke ontwikkelingen aan de orde is. Dit stappenplan kan zowel door-lopen bij vestiging van een veehouderij in de buurt van gevoelige functies als voor de toevoeging van gevoelige functies in de omgeving van één of meerdere veehouderijen. Alvorens het stappenplan wordt doorlopen wordt eerst nader ingegaan op het deelaspect endotoxines. Dit is noodzakelijk om het stappenplan te kunnen doorlopen. 4.13.2 Onderzoek Stappenplan Het stappenplan uit de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ is doorlopen. Dit stappenplan is hieronder nader uitgewerkt: Stap 1 (endotoxine): Er is geen sprake van vestiging van een varkenshouderij of pluimveehouderij.
Aangezien de meest nabijgelegen veehouderij met varkens of pluimvee (ter plaatse van Hild 16A te Moergestel) zich bevindt op circa 850 meter van het plangebied, is voldoende aannemelijk dat wordt voldaan aan de endotoxineafstand. Stap 2 (emissies): De ontwikkeling leidt daarnaast niet tot een toename van emissies voor geur, fijnstof of ammoniak anders dan fijnstof geproduceerd door verkeer van en naar de beoogde woning. Stap 3a (geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader): Zoals verwoord in paragraaf 4.5 volgt uit de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ dat de kwaliteit van de leefomgeving voor wat betreft geurbelasting ter plaatse van het plangebied op dit moment ‘goed’ is. Dit komt overeen met een achtergrondbelasting van tussen de 3 ouE/m3 en 7 ouE/m3.
Hoofdstuk 4
49
Stap 3b (geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde: In het buitengebied bedraagt de gezondheidskundige advieswaarde voor achtergrondwaarde 10 ouE/m3. Zoals verwoord in paragraaf 4.5 volgt uit de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ dat de achtergrondwaarde in dit geval tussen de 3 ouE/m3 en 7 ouE/m3 ligt. Dit is lager dan de gezondheidskundige advieswaarde voor de achtergrondbelasting. Stap 4a (Binnen één veehouderij (1 adres of 1 ondernemer) worden bedrijfsmatig meerdere diersoorten gehouden): Er is geen sprake van realisatie een veehouderij waarbinnen meerdere diersoorten bedrijfsmatig gehouden worden. Stap 4b (De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt in de nieuwe situatie minder dan 100 meter): Er is geen sprake van een afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf die kleiner is dan 100 meter. Stap 5a (geitenhouderij): Geitenhouderijen liggen op meer dan 2 kilometer afstand. Stap 5b (pluimveebedrijven): Pluimbedrijven liggen buiten 1 kilometer afstand.
In dit kader wordt volledigheidshalve opgemerkt dat de genoemde afstand van 1 kilometer komt voort uit conclusies uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO), waaruit bleek dat in de jaren 2009-2013 er sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) werd dat verband niet meer gevonden. Om die reden wordt door de GGD geen advies meer gegeven met betrekking tot het criterium ‘wonen binnen een straal van 1 kilometer van een veehouderij’. Stap 5c (overige veehouderijen): Overige veehouderijen liggen niet binnen 250 meter afstand. Stap 6 (Er is sprake van mestbe- of ververwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit): Er is geen sprake van een mestbewerkings- of mestverwerkingsbedrijf (al dan niet als nevenactiviteit). Stap 7 (Bij omwonenden is sprake van ongerustheid over de volksgezondheid): Vanuit de omgeving is verder niet naar voren gekomen dat er sprake is van ongerustheid over de volksgezondheid. 4.13.3 Conclusie Uit het stappenplan volgt geen advies tot inwinnen van GGD-advies. Er is geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect veehouderij en gezondheid.