Bijlage 2 met bijlage 2b - BP Schoolstraat te Moergestel
Tekst van het document
Bestemmingsplan Schoolstraat 67 te Moergestel Gemeente Oisterwijk Vastgesteld
Bestemmingsplan Schoolstraat 67 te Moergestel Gemeente Oisterwijk Vastgesteld
Rapportnummer:
P04142
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.0824.BPSchoolstraat67-VA01
Datum:
21 maart 2024
Opdrachtgever:
Particulier
Projectteam BRO:
WdR
Concept:
juli 2023, augustus 2023
Ontwerp:
december 2023
Vaststelling:
30 mei 2024
Bron foto kaft:
BRO, abstract
Beknopte inhoud:
--
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Hoofdstuk 6
58
Inhoudsopgave
pagina
1.INLEIDING 1.1Aanleiding 1.2Plangebied 1.3Vigerend bestemmingsplan 1.4Leeswijzer
4 4 4 6 7
2.Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
8 8 9
3.BELEIDSKADER 3.1Rijksbeleid
11 11
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2Provinciaal beleid
11 12 13
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3Gemeentelijk beleid
13 14 15
4.OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren
17 17
4.1.1 Toetsingskader 4.1.2 Onderzoek 4.1.3 Conclusie 4.2Geluid
17 17 18 18
4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3 Luchtkwaliteit
18 19 22 22
4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering
22 23 23 24
4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5Geur agrarisch
24 24 27 27
Inhoudsopgave
1
4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Externe veiligheid
27 28 29 29 30
4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Verantwoording groepsrisico 4.7.4 Conclusie 4.8 Ecologie
30 31 33 34 34
4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Bodem
34 35 40 40
4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Water
40 41 41 41
4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Archeologie
41 42 44 45
4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12Cultuurhistorie
45 45 46 46
4.12.1 Toetsingskader 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie 4.13 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen
46 47 49 49
4.13.1 Toetsingskader 4.13.2 Onderzoek 4.13.3 Conclusie 4.14 Spuitzones gewasbescherming 4.15 M.e.r.-plicht
49 49 50 50 51
5.Juridische planopzet 5.1Inleiding 5.2Regels
53 53 53
6.UITVOERBAARHEID
55
Inhoudsopgave
2
6.1 Economische uitvoerbaarheid
55
6.1.1 Financieel-economische haalbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
55 55
6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg 6.2.3 Vaststellingsprocedure
55 56 56
Separate bijlagen Bijlage 1: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 2: Stikstofonderzoek Bijlage 3: Quickscan Flora en fauna Bijlage 4: Sporenonderzoek Bijlage 5: Waterparagraaf Bijlage 6: Verantwoording hoogte groepsrisico Bijlage 7: Omgevingsdialoog Bijlage 8: Nota van zienswijzen (PM)
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Dit document betreft een toelichting bij een partiële herziening van het bestemmingsplan ‘Kom Moergestel’ van de gemeente Oisterwijk. Deze herziening is noodzakelijk om de realisatie van één nieuwe woning aan de Schoolstraat 67 te Moergestel mogelijk te maken. Realisatie van deze woning zal plaatsvinden aan de rechterzijde van de bestaande woning aan de Schoolstraat 67. Hiertoe zal het woonperceel behorende bij de bestaande woning in twee delen worden gesplitst. Ook zal een bestaand bijgebouw gedeeltelijk worden gesloopt. Op basis van het vigerende bestemmingsplan, ‘Kom Moergestel’ van de gemeente Oisterwijk is het niet mogelijk om de beoogde woning te realiseren, omdat in de planregels is vastgesteld dat toevoeging van nieuwe woningen binnen de geldende bestemming ‘Wonen – Bungalows en villa’s’ niet is toegestaan. Onderhavig bestemmingsplan maakt de beoogde ontwikkelingen wel mogelijk. Kenmerkend voor de te realiseren woning zal zijn dat er veel aandacht uitgaat naar duurzaamheid, zowel met betrekking tot de materiaalkeuze als ten aanzien van de energievoorziening. Hierbij is het voornemen om een schuurwoning op te richten die onder andere vanwege het gebruikte materiaal (hout) en het groene dak een natuurlijke uitstraling krijgt. Op deze manier vindt ook een goede stedenbouwkundige inpassing plaats tussen de aan weerszijden gelegen boerderijvormen.
Door initiatiefnemer van dit planvoornemen is reeds een principeverzoek ingediend bij de gemeente Oisterwijk. Daarop heeft het college van burgermeester en wethouders van betreffende gemeente op 6 juli 2021 besloten om in principe medewerking te verlenen aan de gedeeltelijke sloop van bestaande aanbouwen van de bestaande woning, splitsing van het perceel en nieuwbouw van één woning.
1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van de plaats Moergestel, onderdeel van de gemeente Oisterwijk. De ligging van het plangebied is indicatief weergegeven in figuur 1 op de volgende pagina. In de daaropvolgende figuur 2 is een luchtfoto opgenomen waarin een meer gedetailleerde indicatie van het plangebied gegeven wordt. Voor de exacte begrenzing van het plangebied is de verbeelding van het nieuwe bestemmingsplan leidend. Het perceel waarop de voornomen ontwikkelingen zullen plaatsvinden staat kadastraal bekend als gemeente Moergestel, sectie B, perceelnummer 3067. Het plangebied komt exact overeen met de begrenzing van dit kadastrale perceel. De oppervlakte van het perceel bedraagt circa 3.360 m2.
Hoofdstuk 1
4
Figuur 1: Indicatie ligging plangebied (weergegeven middels rode ovaal; bron: PDOK/OpenTopo).
Figuur 2: Luchtfoto plangebied, inclusief aanduiding kadastrale percelen. De begrenzing van het plangebied komt overeen met de grenzen van het perceel met perceelnummer 3067 (bron: PDOK Viewer).
Hoofdstuk 1
5
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied vigeert een aantal verschillende bestemmingsplannen, te weten: Bestemmingsplan ‘Kom Moergestel’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Oisterwijk op 27 juni 2013, onherroepelijk geworden 16 juli 2014; Bestemmingsplan ‘Kom Moergestel’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Oisterwijk op 10 april 2018; ‘Parapluplan Parkeren Oisterwijk’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Oisterwijk op 4 oktober 2018. De voor het plangebied geldende bestemming is geregeld in bestemmingsplan ‘Kom Moergestel’ (vastgesteld op 10 april 2018). Een uitsnede van de verbeelding van dit plan is weergegeven in onderstaande figuur.
Figuur 3: Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan ‘Kom Moergestel’ (vastgesteld op 10 april 2018), inclusief indicatieve aanduiding plangebied (rood omlijnd) en bijbehorende legenda (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Op grond van bestemmingsplan ‘Kom Moergestel’ (vastgesteld op 10 april 2018) heeft het gehele plangebied de enkelbestemming ‘Wonen – Bungalows en villa’s’. De voor deze gronden aangewezen bestemmingen zijn, gelet op lid 18.1 van dit plan, bestemd voor de volgende doeleinden: a. het wonen in een woning in een omgeving met bungalows en villa's op ruime en groen ingerichte percelen; b. het behoud en herstel van gazons en/of beplanting, voor zover de gronden zijn gelegen tussen de voorste perceelsgrens en de voorste bouwgrens;
Hoofdstuk 1
6
c.
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - 1' en 'specifieke vorm van gemengd - 2': tevens de zelfstandige uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep; d. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen parkeervoorzieningen, tuinen, toegangswegen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden op basis van lid 18.2.2 van bestemmingsplan ‘Kom Moergestel’ (vastgesteld op 10 april 2018) de volgende regels: a. het toevoegen van nieuwe woningen is niet toegestaan; b. er mogen uitsluitend vrijstaande woningen gebouwd worden; c. de maximale diepte van het hoofdgebouw van een vrijstaande woning, gemeten vanuit de voorgevel bedraagt niet meer dan 20 m; d. de afstand van een woning tot de voorste perceelsgrens bedraagt niet meer dan 5 m; e. de afstand van een woning tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 5 m; f. de afstand van een woning tot de achterste perceelsgrens bedraagt ten minste 5 m; g. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan met de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven. In bovenstaand lid 18.2.2, onderdeel a, van bestemmingsplan ‘Kom Moergestel’ (vastgesteld op 10 april 2018) is opgenomen dat het niet toegestaan is om nieuwe woningen toe te voegen binnen de geldende bestemming ‘Wonen – Bungalows en villa’s’.
Het gevolg hiervan is dat het toevoegen van de beoogde schuurwoning niet mogelijk is op grond van dit vigerende bestemmingsplan. Om deze ontwikkeling toch mogelijk te maken is onderhavig bestemmingsplan opgesteld. Op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘Kom Moergestel’ (vastgesteld op 10 april 2018) geldt voor het plangebied tevens nog de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ gronden met deze bestemming zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de molen als werktuig en als beeldbepalend cultuurhistorisch waardevol element. Op welke manier rekening gehouden wordt met deze dubbelbestemming komt aan bod in paragraaf 4.12. Tot slot geldt ingevolge bestemmingsplan ‘Kom Moergestel’ (vastgesteld op 10 april 2018) een maximale bouwhoogte van 8 meter en een maximale goothoogte van 6 meter.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. Tot slot komt in hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. De onderzoeksrapporten van de uitgevoerde onderzoeken zijn als aparte bijlagen toegevoegd.
Hoofdstuk 1
7
2.
PLANBESCHRIJVING Dit hoofdstuk bestaat uit twee elementen. Allereerst wordt er een beschrijving van de huidige stedenbouwkundige opzet van de omgeving van het plangebied gegeven. Hierin zullen de hoofdzaken van de kenmerken van de huidige stedenbouwkundige situatie de revue passeren. Daarna volgt een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling.
2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de Schoolstraat 67 te Moergestel, een locatie binnen de bebouwde kom van Moergestel. Zowel binnen het plangebied als direct aan de rechterzijde van het plangebied bevindt zich een boerderijwoning. Het betreft hier woningen uit de jaren 50 van de vorige eeuw. Hoewel er geen sprake (meer) is van bij deze woningen horende functionerende agrarische bedrijven, is de boerderijvorm van betreffende woningen nog duidelijk herkenbaar. In onderstaande figuur is een impressie gegeven van de huidige situatie ter plaatse van deze twee woningen.
Figuur 4: Impressie plangebied, gelegen ter plaatse van de witte boerderijwoning en bijbehorende bebouwing, bezien vanuit de Schoolstraat (bron: Google Street View)
Hoofdstuk 2
8
Binnen het plangebied zijn een woning met bijbehorende bebouwing aanwezig (zie witte bebouwing figuur 4). In onderstaande figuur is de bestaande situatie binnen het plangebied weergegeven.
Figuur 5: Bestaande situatie plangebied (zwart omlijnd; bron: Buro Archi Service).
Direct ten zuiden van het plangebied bevinden zich diverse woningen van verschillende typen. Deze woningen zijn overwegend opgericht in jaren 30, 40 en 50 van de vorige eeuw. Eén van de woningen vormt hierop de uitzondering. Deze is namelijk opgericht in 2008. Ook ten noorden, noordoosten en noordwesten van het plangebied bevinden zich woningen. Het grootste deel van deze woningen is afkomstig uit de periode die loopt van grofweg de jaren 70 van de vorige eeuw tot nu. Het gaat hierbij om vrijstaande woningen, rijtjeswoningen en twee-onder-een-kapwoningen. Er is geen sprake van gestapelde woningen in de omgeving van het plangebied. Ten oosten van het plangebied bevinden zich gronden met een agrarische bestemming. Het betreft hier weidegronden. Tevens bevindt zich ten noordoosten van het plangebied een volkstuin. Ten westen van het plangebied is een bedrijventerrein aanwezig. Hier bevinden zich onder andere auto(garage)bedrijven, een autoschadeherstelbedrijf en een installatiebedrijf. Tot slot is direct ten noorden van het plangebied een molen aanwezig.
2.2 Toekomstige situatie Op dit moment bevindt zich binnen het plangebied één woning met bijbehorend bijgebouw. Het voornemen bestaat om binnen het plangebied één nieuwe woning aan de rechterzijde van de bestaande woning op te richten. Specifiek gaat het bij deze nieuwe woning om een schuurwoning. Kenmerkend voor het ontwerp van de woning is de aandacht die uitgaat naar duurzaamheid, zowel met betrekking tot materiaalkeuze als ten aanzien van de energievoorziening. De woning zal namelijk volledig van hout worden gebouwd en worden voorzien van een groen dak. Aan één zijde van het dak zullen bovendien zonnepanelen worden aangebracht.
Hoofdstuk 2
9
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkelingen zal een deel van de bijbehorende bouwwerken die aanwezig zijn binnen het plangebied worden gesloopt. Hiermee wordt ruimte gecreëerd voor het oprichten van de nieuwe woning. De groene gazons en beplanting kunnen grotendeels intact blijven, waardoor het groene karakter van het plangebied behouden blijft. Aan de achterzijde van de schuurwoning zal tevens water worden aangelegd. Een en andere is weergegeven in onderstaande figuur.
Figuur 6: Beoogde situatie plangebied (bron: Buro Archi Service).
Door te kiezen voor een schuurwoning wordt aangesloten bij de huidige stedenbouwkundige structuur in de directe omgeving van de nieuwe woning. De vorm en de natuurlijke uitstraling van de woning zorgen er, in combinatie met het feit dat de woning ten opzichte van de twee naastgelegen boerderijvormen iets naar achteren wordt gesitueerd, voor dat er één logisch ensemble ontstaat. Hiermee blijven het speciale karakter en de specifieke woonkwaliteit waarvan sprake is binnen de bestemming ‘Wonen – Bungalows en villa’s’. In de toelichting van bestemmingsplan ‘Kom Moergestel’ (vastgesteld op 16 juli 2014) is opgenomen dat het behoud van het karakter van de bungalow- en villabuurt waarvan het plangebied onderdeel uitmaakt centraal staat en dat de bouwregels voor de bestemming ‘Wonen – Bungalows en villa’s’ zodanig zijn geformuleerd dat de aanwezige bebouwing blijft passen binnen deze omgeving. Eén van deze bouwregels is dat het toevoegen van nieuwe woningen niet is toegestaan. Ook deze regel is, zoals af te leiden is uit de toelichting van het plan ‘Kom Moergestel’ (vastgesteld op 16 juli 2014), in het leven geroepen om het karakter van de bungalow- en villabuurt in kwestie te behouden.
Aangezien de toe te voegen schuurwoning dit karakter niet negatief beïnvloedt en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse zelfs versterkt, wordt geen afbreuk gedaan aan het oogmerk van de regel dat het toevoegen van nieuwe woningen niet toegestaan is. Om de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk te maken is het noodzakelijk om het huidige woonperceel aan de Schoolstraat 67 in twee delen te splitsen. Hierdoor ontstaat één perceel van de bestaande woning en één perceel voor de te realiseren schuurwoning. Aangezien het huidige perceel reeds voorzien is van twee inritten, is het niet noodzakelijk om nog een extra inrit te realiseren.
Hoofdstuk 2
10
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in artikel 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3. waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;
Hoofdstuk 3
11
5. zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. beperken van klimaatverandering; 11. realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21.
ontwikkelen van een duurzame visserij. Doorwerking plangebied Onderhavig plan is niet strijdig met de nationale belangen als geformuleerd in de NOVI. Het realiseren van nieuwe woningen past tevens binnen het nationale belang van het zorg dragen voor voldoende woningen. De taak voor het vormen van beleid inzake de planologische ruimte voor het realiseren van nieuwe woningen wordt neergelegd bij de decentrale overheden. Gemeenten vormen ook beleid over aansluiting op woonbehoeften. Om die reden dient de realisatie van de nieuwe woning voornamelijk te worden getoetst aan gemeentelijk beleid. 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De Ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Het is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is bepaald in artikel 1.1.1 Bro “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”.
Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn 1. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij 1
O.a. ABRvS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRvS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRvS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
12
een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Uit jurisprudentie blijkt dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling indien een bestemmingsplan voorziet in meer dan 11 woningen die, gelet op hun onderlinge afstand, als één woning- bouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, Bro, kunnen worden aangemerkt . Het plan voorziet echter slechts in de toevoeging van 1 wooneenheid in de vorm van een schuurwoning. Om die reden kan per definitie geen sprake zijn van een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft daarom niet doorlopen te worden.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie De kwaliteit van Brabant: Visie op de Brabantse Leefomgeving vastgesteld. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de visie officieel de juridische status van omgevingsvisie krijgen. Voor het handelen van de provincie zijn kernwaarden geformuleerd. Het gaat achtereenvolgens om de volgende kernwaarden: Gaan voor meerwaardecreatie; gaan voor technische én sociale innovatie; gaan voor kwaliteit boven kwantiteit; gaan voor steeds beter; gaan voor proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel. De provincie heeft tevens een basisopgave opgenomen in haar omgevingsvisie. Centraal hierbij staat het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Hoewel er gesproken wordt over één basisopgave, is deze opgave in feite tweeledig, aangezien voor zowel het jaar 2030 als voor het jaar 2050 een basisopgave geformuleerd is. Een en ander is als volgt geformuleerd: Doel 2050: “Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.
Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal”. Doel 2030: “Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak”.
Hoofdstuk 3
13
De basisopgave ligt – zoals al in de naam besloten ligt – aan de basis van vier hoofdopgaven. De volgende hoofdopgaven worden benoemd: Werken aan de Brabantse energietransitie; werken aan een klimaatproof Brabant; werken aan de slimme netwerkstad; werken aan een concurrerende, duurzame economie. Doorwerking plangebied Beoogd wordt om een woning te realiseren die zelf energie produceert en die gebouwd is uit duurzaam materiaal (hout). Ook is het voornemen om de woning te voorzien van een groen dak en om water aan te leggen in de tuin. Hiermee wordt aangesloten bij de in de provinciale omgevingsvisie genoemde ambitie om te komen tot een klimaatproof Brabant. Ook wordt een bijdrage geleverd aan de Brabantse energietransitie. Anderzijds worden de doelstellingen uit de omgevingsvisie niet op negatieve wijze beïnvloed. Van belang is verder dat de ontwikkeling in lijn is met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling aan deze aspecten voldoet. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de ‘Omgevingsvisie Noord-Brabant’ geen belemmering vormt voor onderhavig plan. 3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld.
De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze die gevraagd wordt in de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot de Interim omgevingsverordening. Er wordt expliciet gesproken van een interimomgevingsverordening, om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de definitieve omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving, moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen en dient ter vervanging van zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. Doorwerking plangebied Het plangebied wordt in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant aangemerkt als ‘Landelijke kern’ en ‘Stedelijk gebied’. Artikel 3.42 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is om die reden van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Dat artikel luidt als volgt: Lid 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen het stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b.
het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.
Hoofdstuk 3
14
Lid 2. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Er is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling. In de planuitwerking wordt rekening gehouden met duurzaamheid en energietransitie. Daarnaast moet de ontwikkeling voorzien in een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving. De omgevingsaspecten die hierbij van belang zijn komen aan bod in hoofdstuk 4 van deze toelichting. De voorgenomen ontwikkeling van één woning past daarnaast binnen de regionale woonagenda van de regio Hart van Brabant. Deze woonagenda is vastgelegd in het ‘Perspectief op Wonen en Woningbouw 2021’. Hoewel de planvoorraad van de gemeente Oisterwijk relatief groot is, is ongeveer 60 procent van de plancapaciteit zacht (voornamelijk periode 2025-2030).
De overige circa 40 procent wordt gekwalificeerd als redelijk hard (voornamelijk tot en met 2024). Daarmee kent de gemeente Oisterwijk vergeleken met de meeste andere gemeenten binnen de regio Hart van Brabant relatief weinig (redelijk) harde plancapaciteit.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1
Omgevingsvisie Oisterwijk
Op 22 december 2016 heeft de raad van de gemeente Oisterwijk de ‘Omgevingsvisie Oisterwijk’ vast- gesteld. Tot het moment van invoering van de Omgevingswet heeft de visie de juridische status van structuurvisie in de zin van artikel 2.1 Wro. De omgevingsvisie van Oisterwijk heeft niet de vorm van document maar is daarentegen gepubliceerd in de vorm van een website 2. Hierbij is onder andere specifiek voor het gebied ‘Moergestel’ een beschrijving gegeven van de gebiedskenmerken. Tevens zijn algemene ambities geformuleerd, te weten: 1. gezonde wijken: meer accent op het oplossend vermogen van de wijk 2. goed bereikbaar met de fiets voorop: snel in en uit reizen, comfortabel en veilig binnen de kernen 3. inbreiden voor uitbreiden met oog voor kwaliteit, groen en gezonde leefomgeving. Ten aanzien van het wonen is opgenomen dat de gemeente Oisterwijk een hoog gewaardeerd woonklimaat kent, wat tot gevolg heeft dat de woningprijzen relatief hoog zijn. Binnen de gemeente is behoefte aan verschillende type woningen. Een grote (maatschappelijke) opgave die op de gemeente afkomt zijn de veranderingen in de zorgvraag in combinatie met de vergrijzing. Dit kan niet uitsluitend via nieuwbouw worden gerealiseerd, maar vraagt ook om aanpassingen en vervanging van de bestaande woningvoorraad.
2
Zie https://www.oisterwijk.nl/verhuizen-en-verbouwen/omgevingsvisie.
Hoofdstuk 3
15
Omdat de marktpartijen de woningmarkt en de behoeften van woningzoekenden beter kennen dan de gemeente, acht de gemeente hen beter in staat om een keuze maken ten aanzien van het type te bouwen woningen. Belangrijk voor de gemeente is in elk geval dat de woningen passen binnen de omgeving. Gelet op de opgaven, het beschikbare programma en de ruimtelijke opgaven in de bebouwde kom (herstructurering/transformatie) is er in de basis geen aanleiding om nieuwe uitleglocaties aan te wijzen. Het benutten van bestaande stedelijke gebied is ook in lijn met het beleid van duurzame verstedelijking. Hierbij worden geen gebieden bebouwd met woningen die nu een groene of een speelinvulling hebben. Door te kiezen voor inbreiding en niet voor uitbreiding blijft het buitengebied gespaard. Doorwerking plangebied Onderhavig plan voorziet in de bouw van 1 woning op een inbreidingslocatie. Door de toepassing van natuurlijke materialen (hout) en een groen dak wordt een positieve bijdrage geleverd aan de omgevingskwaliteit in het plangebied en de directe omgeving daarvan. Door het oprichten van de woning gaan tevens geen bestaande kwaliteiten, zoals groen of waardevolle cultuurhistorische elementen, verloren. Er is dan ook geen sprake van strijdigheid met hetgeen opgenomen is in de ‘Omgevingsvisie Oisterwijk’. 3.3.2
Integraal afwegingskader woningbouwprojecten
Op 1 oktober 2020 heeft de raad van de gemeente Oisterwijk het ‘Integraal afwegingskader woning- bouwprojecten’ vastgesteld. Het doel van het afwegingskader is om er zorg voor te dragen dat bouw- plannen voldoen aan de beleidsdoelstellingen van de gemeente en passen binnen de woningbehoefte op lange termijn. Het afwegingskader wordt gebruikt als toetsingsinstrument bij nieuwe plannen van meer dan twee woningen en om plannen te kunnen prioriteren. Middels het hanteren van het afwegingskader kan de vraag beantwoord worden of de gemeente een project als een goed project beoordeeld. Woningbouwplannen worden beoordeeld op kwaliteit en op het al dan niet voldoen van het woningbouwplan aan de bestaande behoefte aan woningen. Hierbij wordt getoetst aan de volgende criteria: Het plan past binnen het gemeentelijke woningbouwopgave of draagt bij aan de regionale woningbouwopgave; het plan voldoet aan de eisen van de ladder voor duurzame verstedelijking; stedenbouwkundige kwaliteit is voldoende; het plan past binnen provinciale verordening ruimte en de omgevingsvisie; de aanvraag voor een omgevingsvergunning vindt plaats binnen 5 jaar; het plan voldoet aan de overige gemeentelijke eisen zoals waterberging en -verwerking en de parkeernormen. Doorwerking plangebied Het ‘Integraal afwegingskader woningbouwprojecten’ wordt toegepast bij nieuwe plannen van minstens 3 woningen.
In onderhavig geval wordt voorzien in 1 nieuwe woning. Daarom dient het afwegingskader buiten toepassing te blijven.
Hoofdstuk 3
16
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald. Het plan wordt aan deze aspecten getoetst. Een en ander dient ter onderbouwing waarom er sprake is van een goede ruimtelijke ordening bij realisatie van de in het plan opgenomen planologische mogelijkheden.
4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening 3 dient te worden bepaald wat de verkeersaantrekkende werking van het plangebied is. Om te bepalen wat de effecten van het plan op de verkeersaantrekkende werking van het plangebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de CROWkengetallen (publicatie 381). Deze kengetallen geven een indicatie van de met het plan gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. Gemeenten kunnen er echter ook voor kiezen om zelf parkeernormen vaststellen. De gemeente Oisterwijk heeft dat gedaan in de ‘Nota Parkeernormen 2016’. In de CROW-parkeerkencijfers wordt uitgegaan van een minimale en een maximale waarde voor de parkeerbehoefte. De minimale kencijfers geven een indicatie van de parkeerbehoefte die een toegevoegde functie minimaal genereert. Bij het hanteren van hogere kencijfers dan de minimale kan rekening gehouden worden met niet-noodzakelijk autogebruik. Door het geven van maximale kencijfers wordt een bandbreedte gecreëerd aan de hand waarvan een meer sturend beleid kan worden gevoerd. De gemeente Oisterwijk heeft ervoor gekozen om uit te gaan van parkeernormen die de gemiddelden vormen van de minimale en de maximale waarden uit de CROW-parkeerkencijfers.
Daarmee liggen de gemeentelijke parkeernormen precies in het midden van de bandbreedte. 4.1.2 Onderzoek Verkeer De verkeersgeneratie van de te realiseren nieuwe woning in het plangebied is berekend aan de hand van de CROW-kencijfers. Bij het hanteren van deze kencijfers is het van belang om de mate van ste- delijkheid te bepalen aan de hand van de omgevingsadressendichtheid. Het CBS biedt een overzicht van de omgevingsadressendichtheid voor alle gemeenten in Nederland . In de gemeente Oisterwijk was op 1 januari 2021 sprake van een omgevingsadressendichtheid van 925 adressen per km 2. Daarmee is sprake van een gemeente die valt in de categorie ‘weinig stedelijk’. Voor de categorie woning die wordt gerealiseerd is uitgegaan van de klasse ‘koop, huis, vrijstaand’ en van de locatiecategorie ‘rest bebouwde kom’. Voor vrijstaande koopwoningen in de ‘rest bebouwde kom’ van een weinig stedelijke gemeente wordt in de CROW-publicatie een aantal verkeersbewegingen aangehouden van minimaal 7,8 mvt/etmaal/woning en maximaal 8,6 mvt/etmaal/woning. In het kader van zorgvuldigheid en een
3
Bestemmingsplannen dienen te worden vastgesteld ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening (zie artikel 3.1, eerste lid, Wro).
Hoofdstuk 4
17
goede ruimtelijke ordening wordt uitgegaan van een worstcasescenario waarin sprake is van de maximaal te ver- wachten verkeersgeneratie van 8,6 mvt/woning/etmaal. De te verwachten verkeersgeneratie voor de toe te voegen woning is daarom 8,6 mvt/etmaal. Gelet op het beperkte aantal te verwachten extra verkeersbewegingen is het aannemelijk dat de omgeving van het plangebied dit verkeer moeiteloos kan verwerken. Parkeren Het plangebied wordt in de ‘Nota Parkeernormen 2016’ van de gemeente Oisterwijk aangemerkt als ‘rest bebouwde kom’. De op te richten woning is aan te marken als behorend tot de klasse ‘koop, vrij- staand’. Daarmee ontstaat een parkeernorm van 2,3 pp/woning. Ten behoeve van de op te richten woning dienen daarom 3 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Het in de ‘Nota Parkeernormen 2016’ vastgelegde uitgangspunt is dat in beginsel op eigen terrein dient te worden voorzien in het aantal benodigde parkeerplaatsen. Bij grootschalige projecten kan dit eventueel binnen het plangebied zijn. Aangezien sprake is van een relatief klein project, is realisatie op eigen terrein echter het beleidsmatige uitgangspunt. Gelet op de hoeveelheid ruimte die op eigen terrein aanwezig is bestaan er op eigen terrein voldoende mogelijkheden om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
4.1.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect verkeer en parkeren.
4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel: Breedte geluidszones langs wegen
Stedelijk gebied
Buiten stedelijk gebied
Hoofdstuk 4
Aantal rijstroken
Zone breedte
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer
600 meter
18
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel: Maximale ontheffingswaarden Situatie
Maximale ontheffings-
Artikel
waarde Stedelijk gebied
Nieuwe woningen
63 dB
Artikel 83, lid 2 Wgh
Vervangende nieuwbouw
68 dB
Artikel 83, lid 5 Wgh
Buiten stedelijk gebied
Nieuwe woningen
53 dB
Artikel 83, lid 1 Wgh
Agrarische bedrijfsbebouwing
58 dB
Artikel 83, lid 4 Wgh
Vervangende nieuwbouw
58 dB
Artikel 83, lid 7 Wgh
Vervangende nieuwbouw* binnen de zone
63 dB
Artikel 83, lid 6 Wgh
van een autoweg of autosnelweg
*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.
4.2.2 Onderzoek Woningen zijn geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder (Wgh). Indien een ruimte- lijk plan voorziet in woningen binnen een zone van 250 meter aan weerszijden van een een- of twee- baansweg buiten stedelijk gebied, dan dient een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai te worden uitgevoerd4. Bij ligging binnen stedelijk gebied bedraagt deze geluidszone 200 meter. Gebieden binnen de bebouwde kom, met uitzondering van de gebieden binnen de bebouwde kom gelegen binnen de zone langs een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens, worden als stedelijk aangemerkt. Als buitenstedelijke gebieden worden gebieden buiten de bebouwde kom, alsmede de bovengenoemde uitgezonderde gebieden binnen de bebouwde kom aangemerkt. In onderhavig geval is sprake van ligging binnen de geluidszone van de Rijksweg A58. Ten aanzien van de Rijksweg A58 dient te worden uitgegaan van een buitenstedelijke situatie. Daarnaast is sprake van ligging binnen de geluidszone van de wegen Schoolstraat, Vinkenberg en Akkerweg. Daarom is door K+ een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is hierbij tevens de weg De Scheerman meegenomen.
In het model is een scherm opgenomen vanaf de garage van de buren richting de achtergevel van het perceel met een lengte van minimaal 12,5 meter en een hoogte van 2 meter. Het scherm dient geheel gesloten te worden uitgevoerd met een minimale massa van 10 kg/m².
4
Uitgezonderd wanneer er sprake is van een woonerf of van een weg waar een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur (zie artikel 74, tweede lid, onderdelen a en b, Wgh).
Hoofdstuk 4
19
Rijksweg A58 Uit het onderzoek volgt dat zowel de voorkeursgrenswaarde als de maximale ontheffingswaarde ten aanzien van de Rijksweg A58 worden overschreden. Overschrijding van de maximale ontheffingswaarde vindt plaats ter plaatse van de waarneempunten 2, 3 en 4 op de eerste verdieping op de oost-, zuid—en westgevel (zie bijlage 1 onderzoeksrapport). De geluidbelasting ten gevolge van de A58 is maximaal 58 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Indien de maximale ontheffingswaarde buitenstedelijk gebied wordt overschreden, is nieuwbouw in dit gebied alleen mogelijk door het toepassen van een of meer dove gevels. Een dove gevel is: a. een gevel zonder te openen delen met uitzondering van die delen van de gevel die niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte of b. een gevel waar ter hoogte van te openen delen, die direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte, specifieke bouwkundige geluidsmaatregelen zijn getroffen, zoals SilentAir voorhangschermen of afsluitbare loggia's. Bij de gemeente Oisterwijk is een verzoek ingediend voor het verlenen van een hogere waarde voor de waarneempunten waar de voorkeursgrenswaarde maar niet de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden. Als ontheffingscriterium kan worden aangedragen dat de woning wordt gerealiseerd tussen bestaande woningen. De A58 is al voorzien van 1-laags ZOAB.
Het aanbrengen van een ander stiller wegdek of het aanbrengen van een scherm om de geluidbelasting ten gevolge van de A58 terug te dringen is uit het oogpunt van financiële aard, praktische uitvoerbaarheid, esthetica, beheer en onderhoud niet wenselijk. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. De gemeente Oisterwijk heeft echter geen eigen geluidbeleid waarin extra eisen worden gesteld. De nieuwbouwwoning beschikt over een geluidluwe gevel. Ter plaatse van waarneempunt 5 (noordgevel) op 4,5 meter hoogte wordt voor alle onderzochte bronnen voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. VInkenberg De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 31 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan.
Akkerweg De geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai afkomstig van de Akkerweg is maximaal 47 dB (incl. aftrek artikel 110g). De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen
Hoofdstuk 4
20
hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. Er is met betrekking tot deze weg geen sprake van restricties vanuit de Wgh. Schoolstraat De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Schoolstraat is maximaal 57 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Oisterwijk iseen verzoek ingediend voor het verlenen van een hogere waarde voor de waarneempunten waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Als ontheffingscriterium kan worden aangedragen dat de woning wordt gerealiseerd tussen bestaande woningen. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee niet worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €60.000,- (200 m * 6m * €50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. Omdat op dit deel ook een rotonde is gelegen, is het toepassen van stil wegdek niet duurzaam, omdat dit asfalt lijdt onder het afremmende en optrekkende verkeer. Het aanbrengen van een stiller wegdek om de geluidbelasting ten gevolge van de Vinkenberg terug te dringen is uit het oogpunt van praktische uitvoerbaarheid, beheer en onderhoud niet wenselijk.
Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. De gemeente Oisterwijk heeft echter geen eigen geluidbeleid waarin extra eisen worden gesteld. De nieuwbouwwoning beschikt over een geluidluwe gevel. Ter plaatse van waarneempunt 5 (noordgevel) op 4,5 meter hoogte wordt voor alle onderzochte bronnen voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB.. De Scheerman (niet-gezoneerde weg) Er is sprake van een 30 km/uur-zone. Daarom hoeft ten aanzien van deze weg niet te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 40 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 35 dB (incl. art.
110g), waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Hiermee is ten aanzien van wegverkeerslawaai afkomstig van de Scheerman sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Hoofdstuk 4
21
4.2.3 Conclusie De nieuwe woning Nader onderzoek naar geluidwering van de gevels is noodzakelijk ten behoeve van de omgevingsvergunning voor de bouw van de beoogde woning. Er is een toetsingsregel opgenomen (artikel 3.8), waarin wordt bepaald wat de minimale gevelgeluidwering moet zijn. De gevels aan de oost-, west- en zuidzijde van de woning dienen op de verdieping te worden uitgevoerd als een dove gevel. Deze dove gevels dienen ook in stand te worden gehouden. Dit is geborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting (artikel 3.7) Tenslotte is het noodzakelijk om een geluidwerende voorziening aan te leggen langs de zuidelijke perceelsgrens vanaf de garage van de buren richting de achtergevel van het perceel met een lengte van minimaal 12,5 meter en een hoogte van 2 meter. Bij toepassing van een scherm dient deze geheel gesloten te worden uitgevoerd met een minimale massa van 10 kg/m². Hiertoe is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels (zie artikel 3.9). Op deze wijze is geborgd dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is in de nieuwe woning. De tuin In de tuin is naar verwachting ook een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het gaat om een grote tuin met een geluidsluwer deel langs de zuidelijke grens door de geluidwerende werking van de bestaande bebouwing op het buurperceel en de verplichte nieuwe geluidwerende voorziening langs de perceelsgrens.
Dit is zeker het geval als de initiatiefnemer ook een geluidwerende voorziening in de vorm van bijvoorbeeld een ‘poort’ realiseert tussen de Schoolstraat en de zijtuin.
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan (minstens) één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt op zichzelf niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging:
Hoofdstuk 4
22
het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project zorgt voor een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3).
4.3.2 Onderzoek NIBM Het voorziene project is een project als bedoeld in de lijst met categorieën van gevallen die is opgenomen in Bijlage 3a van de Regeling NIBM. Het aantal te realiseren woningen ligt met 1 woning namelijk ver beneden de grens van 1500 woningen per woningbouwlocatie die genoemd wordt in Bijlage 3a. Dat houdt in dat het project in kwestie niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Om die reden is het niet noodzakelijk om ten behoeve van vaststelling van het bestemmingsplan eerst te bepalen of voldaan wordt aan de gestelde norm voor de toename van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 van 3%. De NIBM-tool wordt dan ook buiten toepassing gelaten. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Aangetoond moet worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden met behulp van de kaart Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In figuur 7 zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde toetspunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen en sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit.
Figuur 7: Uitsnede CIMLK met achtergrondwaarden
4.3.3 Conclusie Het planvoornemen draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd met gebruikmaking van de CIMLK-kaart. Hieruit blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan.
Hoofdstuk 4
23
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Milieuzonering is het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening gehouden worden met milieuzonering om zo de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast moeten bedrijven echter ook voldoende zekerheid hebben dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’5. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek BRO heeft een quickscan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd. Hierin is geanalyseerd op redelijkerwijs sprake kan zijn van milieuhinder vanuit het plangebied op de omgeving en vanuit de omgeving op het plangebied. Hierbij is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’.
De volledige resultaten uit deze quickscan worden in gepresenteerd in deze subparagraaf. Effecten plangebied op omgeving De reden om milieuzonering toe te passen is om een voldoende grote ruimtelijke scheiding aan te hou- den tussen functies die zich niet verdragen. Aangezien er geen milieubelastende functie
5
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
24
wordt toegevoegd, is er geen extra milieubelasting op nabijgelegen milieugevoelige bestemmingen te verwachten. Effecten omgeving op plangebied In de omgeving van het plangebied liggen een aantal milieubelastende bestemmingen die in meer of mindere mate milieubelastend zijn. Het gaat hierbij om de volgende functies, waarbij de vermelde afstand is gemeten vanaf de grens van waar de nieuwe woning is toegestaan tot aan de bestemmingsgrens van de milieubelastende functie: Bedrijf
Adres
Milieucatego-
Richtaf-
Werkelijke af-
rie
stand
stand
autobedrijf
Schoolstraat 60
2
10 m
circa 55 m
autoschadeherstelbedrijf;
Schoolstraat 60A
2
10 m
circa 80 m
leverancier en producent van metalen om-
De Sonman 15
3.2
50 m
circa 180 m
De Sonman 7
2
10 m
circa 130 m
hijstechniekbedrijf
De Sonman 5
1 of 2
0 of 10 m
circa 170 m
producent van geïsoleerde pijpsteunen
De Sonman 15
3.1
30 m
circa 180 m
tankstation
Akkerweg 2
3.1
30 m
circa 80 m
twee melkveehouderijen
Vinkenberg 4 en 9
3.2
50 m
circa 300 m
paardenhouderij
Sebrechtsedijk 2
3.1
30 m
circa 500 m
mantelingssystemen accessoires ten behoeve van industrie gericht op warmte- en geluidsisolatie (op ca. 115 meter); bedrijf voor de assemblage, productie en ontwikkeling van techniek en elektronica van met name medische producten zoals al dan niet elektrisch rijdende (douche)stoelen en mobiele operatietafels
Gelet op de hoeveelheid bedrijven op korte afstand van en (vrijwel) meteen aangrenzend aan het plangebied en de ligging nabij hoofdinfrastructuur is er sprake van gemengd gebied. Aangezien aangenomen wordt dat een gemengd gebied al een hogere milieubelasting kent dan een rustig woongebied worden de richtafstanden van de VNG met één afstandsstap verlaagd. Uit onderstaande tabel volgt wat het gevolg hiervan is voor de aan te houden richtafstanden. Tabel: Richtafstanden binnen rustig woongebied en binnen gemengd gebied Milieucategorie
Richtafstand rustig woongebied (m)
Richtafstand gemengd gebied (m)
1
10
0
2
30
10
3.1
50
30
3.2
100
50
4.1
200
100
4.2
300
200
5.1
500
300
5.2
700
500
5.3
1.000
700
6
1.500
1.000
Hoofdstuk 4
25
Toets aan de bestemmingen Bedrijventerrein en Gemengd (de planologische mogelijkheden) Op het aan de andere zijde van de Schoolstraat gelegen bedrijventerrein zijn bedrijven tot en met categorie 3.2 toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter in gemengd gebied. De geprojecteerde woning ligt op circa 55 meter afstand. Er wordt dus voldaan aan de richtafstand. Aan de Akkerweg ligt de bestemming ‘gemengd’. Hier zijn, naast een verkooppunt motorbrandstoffen met lpg, dienstverlening en kantoren toegestaan. Wat betreft het verkooppunt motorbrandstoffen met lpg wordt verwezen naar het vervolg van deze paragraaf. Dienstverlening en kantoren tot categorie 1 en 2 met een aan te houden afstand van 0 en 10 meter. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Toets aan de individuele bedrijven Een autobedrijf, een autoschadeherstelbedrijf, een hijstechniek bedrijf en een bedrijf voor de assemblage, productie en ontwikkeling van techniek en elektronica van met name medische producten, zijn bedrijven van milieucategorie 26. Voor deze bedrijven is in de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ ook min of meer expliciet opgenomen dat het gaat om bedrijven van deze milieucategorie. Voor een installatiebedrijf en een hijstechniekbedrijf is echter niet opgenomen welke milieucategorie hierop van toepassing is.
Aannemelijk is echter dat de te verwachten hoeveelheid milieuhinder die vanuit deze bedrijven ontstaat vergelijkbaar is met of minder is dan bij de genoemde bedrijven uit milieucategorie 2, mede aangezien er geen sprake is van een (grootschalige) werkplaats of van productie. Om die reden wordt ook het installatiebedrijf en het hijstechniekbedrijf uitgegaan van milieucategorie 2. Voor bedrijven van milieucategorie 2 geldt in gemengd gebied een aan te houden maximale richtafstand van 10 meter. Het dichtstbijzijnde bedrijf van milieucategorie 2 bevindt zich op 55 meter. Dat betekent dat ten aanzien van deze bedrijven in alle gevallen wordt voldaan aan de aan te houden richtafstand. Een tankstation met LPG (jaardoorzet < 1000 m 3) en de paardenhouderij zijn bedrijven van milieucategorie 3.1. In gemengd gebied geldt hiervoor een aan te houden richtafstand van 30 meter. De feitelijke afstand tussen de locatie van de nieuwe woning en de bestemming die het tankstation toelaat is 80 meter. Hiermee wordt voldaan aan de aan te houden richtafstand. De nieuw geprojecteerde woning ligt buiten de in het vigerende bestemmingsplan aangeduide 'veiligheidszone - lpg'. Voor het aspect gevaar zijn de afstanden van het Besluit externe veiligheid inrichtingen van toepassing zijn. Dit aspect is getoetst in paragraaf 4.7.
De paardenhouderij ligt op een afstand van 500 meter, ver buiten de richtafstand van 30 meter. Melkveehouderijen kunnen gezien worden als bedrijven van milieucategorie 3.2. Hiervoor geldt in gemengd gebied een maximale richtafstand van 50 meter, terwijl de feitelijke afstand tussen het plangebied en de bestemmingen die de melkveehouderijen toelaten circa 300 meter bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan te aan te houden richtafstand.
6
Afhankelijk van de werkzaamheden kan een autoschadebedrijf ook behoren tot categorie 3.1. of 3.2. Daarbij geldt een aan te houden afstand van 50 meter. De werkelijke afstand is 80 meter. Dus ook in dat geval wordt voldaan aan de richtafstanden.
Hoofdstuk 4
26
Voor de leverancier en producent van metalen ommantelingssystemen accessoires ten behoeve van industrie gericht op warmte- en geluidsisolatie geldt dat niet direct uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ blijkt welke milieucategorie van toepassing is op dit bedrijf. Aannemelijk is echter dat het gaat om bedrijven van respectievelijk milieucategorie 3.1 of 3.2, aangezien op grond van bestemmingsplannen ‘Kom Moergestel’ (vastgesteld 16 juli 2014) en ‘Kom Moergestel (vastgesteld 10 april 2018) blijkt dat op de locatie waar dit bedrijf is gevestigd een bedrijf van maximaal milieucategorie 3.2 is toegestaan. In de toelichting van bestemmingsplan ‘Kom Moergestel’ (vastgesteld 16 juli 2014) is bovendien opgenomen dat de in dat plan opgenomen milieucategorie geen verruiming met zich meebrengt ten opzichte van het (destijds) vorige juridisch-planologische regime. Uitgaande van een worstcasescenario waarin een producent van metalen ommantelingssystemen accessoires ten behoeve van industrie gericht op warmte- en geluidsisolatie gezien dient te worden als bedrijf van milieucategorie 3.2 moet in gemengd gebied rekening gehouden worden met een maximale richtafstand van 50 meter. De feitelijke afstand tussen het plangebied en de bestemming die het bedrijf in kwestie toelaat is groter, namelijk 180 meter. Hiermee wordt voldaan aan de aan te houden richtafstand.