Bijlage 1c Toelichting Servennenstraat 11 en Molenakkerstraat 12
Tekst van het document
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. Molenak kerstraat 12 In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is opgenomen hoe wordt omgegaan met woningen in het kader van NIBM. Vanuit deze regeling is, in bijlage 3a, voor woningbouwlocaties opgenomen dat deze als NIBM worden beschouwd als sprake is van niet meer dan 1.500 nieuwe woningen wanneer er één ontsluitingsweg aanwezig is en niet meer dan 3.000 nieuwe 45
woningen wanneer er twee ontsluitingswegen aanwezig zijn. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een nieuwe woning. Het betreft slechts de omschakeling van de huidige bedrijfswoning naar een burgerwoning. Hiermee is sprake van een NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen, maar van een afname. De om te schakelen bedrijfswoning blijft in gebruik als woning, waardoor de verkeersbewegingen ten behoeve van deze woning gelijk blijven. Alle bedrijfsgerealateerde verkeersbewegingen komen te vervallen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.
Wanneer sprake is van nieuwe gevoelige objecten of van een gebruikswijziging van een gevoelig object dan dient te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een agrarische bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning, waarmee sprake is van een gebruikswijziging van een gevoelig object. Daarbij dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij is de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden leidend. Vanuit landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor fijnstof wanneer de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden niet meer bedraagt dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³). De provincie Noord-Brabant hanteert echter een strengere norm. Binnen de provincie Noord-Brabant geldt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden niet meer dan 31,2 µg/m³ bedraagt. Volgens gegevens uit de Altas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin de gegevens uit de Monitoringstool van het NSL zijn verwerkt, bedraagt de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden, zoals weergegeven in de volgende figuren, ter plaatse van de Molenakkerstraat 12 ongeveer 18 (fijnstof) en 15 µg/m³ (stikstofoxiden).
De achtergrondconcentratie fijnstof en stikstofoxiden bedraagt daarmee ter plaatse aanzienlijk minder dan 31,2 µg/m³, waarmee sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit.
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.
46
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM. Servennenstraat 11 Voor de akkerbouwactiviteiten geldt dat deze, vanuit de ministeriële regeling Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) NIBM, per definitie als NIBM worden beschouwd. Deze tak van het bedrijf is daarmee als NIBM aan te merken en zal daarmee niet leiden tot een onevenredig grote bijdrage aan de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden. Zowel de statische opslag als de agrarisch technische bedrijfsactiviteiten als nevenactiviteit betreffen geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De uitstoot zal door deze activiteiten dan ook niet in onevenredige mate toenemen, waarmee ook deze activiteiten gezien worden als een NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen activiteiten geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Naast de ter plaatse uitgevoerde activiteiten dient ook de eventuele uitstoot van het verkeer van en naar de locatie te worden beschouwd. De verkeersbewegingen zijn nader uitgewerkt in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2).
Om te bepalen of deze verkeersbewegingen leiden tot een in betekenende mate toenemende uitstoot van fijnstof en stikstofoxide, is met de NIBM-rekentool van InfoMil een berekening gemaakt. De grens voor een project dat als NIBM kan worden aangemerkt is 1,2 µg/m³. Zoals te zien in de volgende figuur wordt de grens van 1,2 µg/m³ bij het totale aantal verkeersbewegingen per dag (15 verkeersbewegingen ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten en 10 ten behoeven van het wonen, al niet niet overschreden en dan is worst-case er geen referentie meegenomen. Er is derhalve sprake van een NIBM-project.
47
Resultaten berekening NIBM-tool. Bron: InfoMil. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. De uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden zal met de voorgenomen ontwikkeling eerder afnemen door de beëindiging van de intensieve veehouderij. Daarmee zal het woon- en leefklimaat in de omgeving alleen maar verbeteren als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige bijdrage aan de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden dient, wanneer nieuwe gevoelige objecten worden opgericht te worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object opgericht. Echter kan, gezien een uitspraak van de Raad van State (uitspraak 201704769/1/R1, datum 6 juni 2018), een historisch gegroeide situatie in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening, waardoor de bedrijfswoning alsnog moet worden getoetst als zijnde een nieuw gevoelig object. Daarbij dient eveneens sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij is de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden leidend.
Vanuit landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor fijnstof wanneer de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden niet meer bedraagt dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³). De provincie Noord-Brabant hanteert echter een strengere norm. Binnen de provincie Noord-Brabant geldt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden niet meer dan 31,2 µg/m³ bedraagt. Volgens gegevens uit de Altas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin de gegevens uit de Monitoringstool van het NSL zijn verwerkt, bedraagt de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden, zoals weergegeven in de volgende figuren, ter plaatse van de Servennenstraat 11 ongeveer 16 (fijnstof) en 12 µg/m³ (stikstofoxiden). De achtergrondconcentratie fijnstof en stikstofoxiden bedraagt daarmee ter plaatse aanzienlijk minder dan 31,2 µg/m³, waarmee sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit.
48
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.
49
4.1.4 Volksgezondheid Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld. Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht. 4.1.4.1 Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 Middels de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid" wordt een aanpak aangedragen hoe zorgvuldig en praktisch om te gaan met het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen of het toepassen van de omgekeerde werking.
De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de volksgezondheid beoordeelt, of dat een advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) noodzakelijk wordt geacht. Het onderhavige initiatief voldoet aan de wettelijke en gemeentelijke bepalingen die worden genoemd in de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening, de Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen en de bepalingen uit de provinciale ruimtelijke verordening op het gebied van geur en fijnstof. Daarnaast worden er geen geiten of meerdere diersoorten gecombineerd gehouden, is er geen sprake van mestbewerking als nevenactiviteit en is geen sprake van ongerustheid bij omwonenden met betrekking tot de volksgezondheid. Met de beëindiging van de intensieve veehouderijen (varkenshouderijen) komt de uitstoot van eventuele ziektekiemen en/of zoönosen in zijn geheel te vervallen. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling een positief effect hebben op de volksgezondheid in de omgeving en zal een eventuele ongerustheid bij omwonenden eveneens alleen maar afnemen. Hiermee wordt een nader advies van de GGD niet noodzakelijk geacht. Gezien het voorgaande zijn met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen ten aanzien van de handreiking veehouderijen en volksgezondheid 2.0.
4.1.4.2 Volksgezondheid ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Vanuit het toetsingskader kan worden gesteld dat wanneer een gevoelig object buiten de richtafstanden voor varkensen pluimveehouderijen is gelegen er geen sprake zal zijn van een onevenredig verhoogd risico voor de volksgezondheid. Voor varkenshouderijen ligt de richtafstand op 200 meter. Voor pluimveehouderijen bedraagt deze 500 meter. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van varkens en/of pluimvee. Er worden bij de voorgenomen ontwikkeling juist twee varkenshouderijen beëindigd. Dit zal een positief effect hebben op de volksgezondheid in de omgeving. Wel wordt ter plaatse nog mest opgeslagen. Binnen 200 meter van de mestopslag zijn echter geen gevoelige objecten gelegen. Tevens is sprake van een bestaande voorziening en zullen geen nieuwe voorzieningen voor de opslag van mest worden opgericht. Daarmee zal de met opslag van mest geen sprake zijn van een verhoogd risico ten aanzien van de volksgezondheid. Bij voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.
Op de locatie aan de Molenakkerstraat is echter sprake van de omschakeling van een (voormalige) bedrijfswoning naar een burgerwoning. Op de locatie aan de Servennenstraat blijft sprake van het gebruik als agrarische bedrijfswoning. Echter kan, gezien een uitspraak van de Raad van State (uitspraak 50
201704769/1/R1, datum 6 juni 2018), een historisch gegroeide situatie in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening, waardoor de bedrijfswoning alsnog moet worden getoetst als zijnde een nieuw gevoelig object. Op beide locaties dient derhalve een afweging te worden gemaakt alsof er sprake is van nieuwe gevoelige objecten. Binnen 500 meter van de beide locaties zijn geen pluimveehouderijen gelegen. Ten aanzien van de locatie aan de Servennenstraat 11 is de dichtstbijzijnde varkenshouderij, zijnde het bedrijf aan de Molenakkerstraat 15, gelegen op een afstand van ongeveer 450 meter (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). Daarmee zijn binnen 200 meter van de locatie aan de Servennenstraat 11 geen varkenshouderijen gelegen. Voor wat betreft de locatie aan de Molenakkerstraat 12 is de dichtstbijzijnde varkenshouderij, eveneens het bedrijf aan de Molenakkerstraat 15, gelegen op een afstand van ongeveer 117 meter (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). Binnen 200 meter van de locatie aan de Molenakkerstraat 12 is daarmee wel een varkenshouderij gelegen. De om te schakelen woning betreft echter een woning die behoort tot een varkenshouderij. Met de beëindiging van de varkenshouderij op de eigen locatie ontstaat een verbeterde situatie ten aanzien van de volksgezondheid op de locatie aan de Molenakkerstraat 12.
Daarnaast is de huidige bewoner van de woning op de hoogte van de aanwezigheid van een varkenshouderij in de omgeving. Ook eventueel toekomstige bewoners zullen hierover nadrukkelijk worden geïnformeerd zodat zij een weloverwogen beslissing kunnen nemen of zij op de locatie willen wonen of niet. Het eventuele risico voor de volksgezondheid wordt daarmee acceptabel geacht. Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen. 4.1.4.3 Volksgezondheid ten aanzien van geitenhouderijen Volgens het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) en de aanvullende studies daarop (VGO 2) blijkt dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven mogelijk een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de gevallen van longontsteking. Tot die tijd dienen de effecten en risico's op het gebied van volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht wanneer er binnen 2 kilometer van een geitenhouderij een ontwikkeling plaatsvindt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van geiten. Bij voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.
Op de locatie aan de Molenakkerstraat is echter sprake van de omschakeling van een (voormalige) bedrijfswoning naar een burgerwoning. Op de locatie aan de Servennenstraat blijft sprake van het gebruik als agrarische bedrijfswoning. Echter kan, gezien een uitspraak van de Raad van State (uitspraak 201704769/1/R1, datum 6 juni 2018), een historisch gegroeide situatie in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening, waardoor de bedrijfswoning alsnog moet worden getoetst als zijnde een nieuw gevoelig object. Op beide locaties dient derhalve een afweging te worden gemaakt alsof er sprake is van nieuwe gevoelige objecten. Binnen 2 kilometer van de locatie zijn echter geen geitenhouderijen gelegen. Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van geitenhouderijen.
4.1.5 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc 51
Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Molenak kerstraat 12 Het plan aan de Molenakkerstraat 12 voorziet in de (planologische) functiewijziging van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Om deze reden is er ook geen sprake van de toevoeging van een nieuwe woning of geluidsgevoelige functie. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een bedrijfswoning naar een (burger)woning. In feite is en nadere toetsing aan de Wgh daarmee niet noodzakelijk.
Echter kan, gezien een uitspraak van de Raad van State (uitspraak 201704769/1/R1, datum 6 juni 2018), een historisch gegroeide situatie in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening, waardoor de voormalige bedrijfswoning alsnog moet worden getoetst als zijnde een nieuw gevoelig object. Daarmee dient derhalve alsnog een afweging te worden gemaakt alsof er sprake is van nieuwe gevoelige objecten, waarbij het van belang is om een afweging te maken van het woon- en leefklimaat in de om te schakelen woning. De Molenakkerstraat betreft een 60 km/uur-weg die met name gebruikt wordt door bestemmingsverkeer voor aanliggende functies. De Molenakkerstraat heeft daardoor een lage verkeersintensiteit. Daarnaast ligt de woning op ruime afstand van de Molenakkerstraat (ongeveer 22 meter). Daarmee is het niet aannemelijk dat de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh ter plaatse zal worden overschreden. In de nabije omgeving van de locatie zijn immers meerdere woningen gelegen, ook op kortere afstand tot de Molenakkerstraat, die eveneens aan de voorkeursgrenswaarde voldoen. Het plangebied is daarnaast niet gelegen binnen een geluidszone van industrie en spoorwegen. Ter plaatse is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid. Servennenstraat 11 Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming.
In feite is en nadere toetsing aan de Wgh daarmee niet noodzakelijk. Echter kan, gezien een uitspraak van de Raad van State (uitspraak 201704769/1/R1, datum 6 juni 2018), een historisch gegroeide situatie in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening, waardoor de bedrijfswoning alsnog moet worden getoetst als zijnde een nieuw gevoelig object. Daarmee dient derhalve alsnog een afweging te worden gemaakt alsof er sprake is van nieuwe gevoelige objecten, waarbij het van belang is om een afweging te maken van het woon- en leefklimaat in de bestaande bedrijfswoning. De Molenakkerstraat en de Servennenstraat betreffen 60 km/uur-wegen die met name gebruikt worden door bestemmingsverkeer voor aanliggende functies. De beide wegen hebben daardoor een lage verkeersintensiteit. Daarnaast ligt de woning op ruime afstand van de Molenakkerstraat (ongeveer 82 meter) en op ruime afstand van de Servennenstraat (ongeveer 17 meter). Daarmee is het niet aannemelijk dat de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh ter plaatse zal worden overschreden. In de nabije omgeving van de locatie zijn immers meerdere woningen gelegen, ook op kortere afstand tot de Molenakkerstraat en/of Servennenstraat, die eveneens aan de voorkeursgrenswaarde voldoen. Het plangebied is daarnaast niet gelegen binnen een geluidszone van industrie en spoorwegen.
Ter plaatse is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid. Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen 52
van een inrichting meegenomen. Een akoestisch onderzoek opgesteld door Geurts Technisch Adviseurs d.d. 29 juli 2014 met projectnummer 8.5073 voor de Servennenstraat 11 omschreef de geluidssituatie die vergund was en daarmee toegestaan binnen het geldende bestemmingsplan. Het geluid was voornamelijk afkomstig vanuit het verkeer en de ventilatoren gerelateerd aan de varkenshouderij. De verkeersbewegingen die in de beoogde situatie zullen plaatsvinden zijn minder frequent dan in de vergunning toegestaan binnen het vigerende bestemmingsplan. Het totale aantal vervoersbewegingen voor de bedrijfsvoering gaat van 90 naar 92 voor het totaal per week, waar de aantallen vrachtwagens dalen van 76 naar 68. Daar waar het in de voorheen toegestane situatie een regelmatig patroon aan vervoersbewegingen betrof waarbij regelmatig ook 's nachts vervoersbewegingen plaatsvonden, zal dat beeld niet verslechteren in de beoogde situatie. Waar in de situatie zoals op de omgevingsvergunning van 2015 nog sprake was van geluid afkomstig van ventilatoren en de luchtwassers, zullen deze niet aanwezig zijn in de beoogde situatie. Het mengen van voer vond ook plaats in 2015 in de mengvoerkeuken.
Het mengen vindt evenals in de voorheen toegestane situatie inpandig plaats en wordt er ook in verband met de mogelijke geurhinder extra aandacht besteed aan het zoveel mogelijk dicht (en daarmee geluidsarm) houden van het gebouw. Net als bij het bereiden van brijvoer in de situatie die voorheen vergund was vindt dit plaats in een ruimte waar deuren en ramen zoveel mogelijk dicht blijven. De loods is afgesloten met automatische, op afstand bedienbare deuren om emissies te voorkomen. Op de loader is een afstandsbediening voor het openen en sluiten van de deuren. Deze deuren zullen gesloten blijven, tenzij er producten zijn die van binnen naar buiten of andersom moeten worden gebracht. Dat betekent dat de geluidssituatie niet zal verslechteren ten opzichte van de voorheen toegestane situatie. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de geluidsbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving.
4.1.6 Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. 4.1.6.1 Plaatsgebonden risico In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen en buisleidingen weergegeven zijn.
53
Uitsnede Risicokaart. Bron: Risicokaart.nl. De beide locaties zijn heden opgenomen op de risicokaart als een risicovolle inrichting door de aanwezigheid van een propaantank. Voor propaantanks is het invloedsgebied gelijk gesteld aan de plaatsgebonden risicocontour (10-6 contour). Op de locatie aan de Molenakkerstraat 12 is een propaantank aanwezig van 1.000 liter (ongeveer 1 m³). Voor propaantanks met een inhoud van minder dan 5 m³ geldt een risicocontour van 10 meter (bij maximaal 5 bevoorradingen per jaar). Wanneer de tank behoort bij een gevoelig object dan mag voor het plaatsgebonden risico de helft van deze contour worden aangehouden tot dat gevoelig object. Tot overige (beperkt) kwetsbare objecten dient de volledige contour als afstand aangehouden te worden. De propaantank ligt in de huidige situatie voor de stallen (op een afstand van ongeveer 17 meter van de bestaande stallen). Binnen de risicocontour van de huidige tank (10 meter) zijn geen geen andere bouwwerken en/of bouwvlakken van andere bedrijven of woningen en daarmee geen (beperkt) kwetsbare objecten gelegen. De initiatiefnemer is voornemens de huidige propaantank te verplaatsen om deze dichter bij de eigen woning te plaatsen.
Bij het verplaatsen van de huidige tank zal de minimale (gehalveerde) afstand tot de eigen woning worden aangehouden (minimaal 5 meter) en zal ten aanzien van andere bouwwerken op het erf en de bouwvlakken van andere bedrijven en woningen in de omgeving een afstand van meer dan 10 meter worden aangehouden. Hiermee zal geen sprake van een mogelijk verhoogd risico aan de omgeving. Op de locatie aan de Servennenstraat 11 is eveneens een propaantank aanwezig. Deze heeft een inhoud van 9.000 liter (ongeveer 9 m³). Voor deze tank geldt daarmee eveneens een minimale afstand van 10 meter. De aanwezige tank zal op de huidige positie worden behouden bij de voorgenomen ontwikkeling. Momenteel is de betreffende tank gelegen op een afstand van ongeveer 19 meter van de eigen (bedrijfs)woning. Daarnaast zijn binnen 10 meter van de tank geen andere bouwwerken en/of bouwvlakken van andere bedrijven of woningen en daarmee geen (beperkt) kwetsbare objecten gelegen. Hiermee zal geen sprake van een mogelijk verhoogd risico aan de omgeving. In de omgeving zijn enkele bedrijven gelegen die aangemerkt zijn als risicovolle inrichting. Het betreft bij deze bedrijven allen aanwezige propaantanks. Voor propaantanks geldt een maximale risicocontour van 25 meter (als zij een grotere inhoud dan 5 m³ hebben).
De betreffende bedrijven zijn, gemeten van bouwvlak tot bouwvlak, op een (aanzienlijk) grotere afstand dan 25 meter van de beide locaties gelegen. 54
Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van risicovolle inrichtingen. 4.1.6.2 Transportroutes (spoor-, vaar- en autowegen en buisleidingen) Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. Het externe veiligheidsbeleid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het beleid voor externe veiligheid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. Nabij de locaties zijn verschillende leidingen voor het transport van aardgas gelegen. Het plangebied van de Molenakkerstraat 12 bevindt zich op een afstand van 29 meter van een hogedruk aardgastransportleiding. Voor het plangebied aan de Servennenstraat geldt dat de aardgastransportleiding het plangebied doorsnijdt. In beide gevallen betreft het de A-527 van de Gasunie.
De plaatsgebonden risicocontour van leidingen voor het transport van aardgas is afhankelijk van de dikte van de leiding en de druk in de leiding. Zoals te zien in de volgende figuur is de woning aan de Servennenstraat 11 slechts voor een zeer klein deel binnen de plaatsgebonden risicocontouren van de leidingen gelegen. Wel is deze woning, gezien de korte afstand tot deze leidingen, mogelijk binnen het invloedsgebied van de leidingen gelegen. De woning aan de Molenakkerstraat 12 is, zoals te zien in de volgende figuur, geheel binnen de plaatsgebonden risicocontouren (en eveneens binnen het invloedsgebied) van de leidingen gelegen.
Uitsnede Risicokaart met risicocontouren nabijgelegen aardgasleidingen. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM. Omdat de woningen mogelijk binnen het invloedsgebied en (deels) binnen de risicocontouren van het plaatsgebonden risico van de leidingen zijn gelegen dient een nadere afweging van het groepsrisico te worden gemaakt. Voor een goede afweging van het groepsrisico dient eerst bekeken te worden of sprake is van een 55
kwetsbaar object of van een beperkt kwetsbaar object. Of een woning kan worden aangemerkt als een kwetsbaar object is mede afhankelijk van het aantal woningen in een gebied van 1 hectare. Op beide locaties zijn binnen een gebied van 1 hectare geen andere woningen aanwezig. Daarnaast is sprake van reeds bestaande woningen. Aan de woningen en het gebruik daarvan zal niets wijzigen. Er is daarmee sprake van een reeds bestaande situatie, waarmee geen sprake zal zijn van verhoogde risico's. Op basis van het voorgaande kunnen de woningen worden aangemerkt als "beperkt kwetsbare objecten". Verder dient te worden gekeken naar de personendichtheid. Wanneer deze toeneemt dient een nadere berekening van het groepsrisico te worden gemaakt. De personendichtheid zal met de voorgenomen ontwikkeling echter niet toenemen. Aan het feitelijk gebruik van de woningen zal niets wijzigen en er zullen geen nieuwe woningen bij worden gebouwd. Een berekening van het groepsrisico zal daarom dan ook niet leiden tot informatie die zal leiden tot het nemen van een ander besluit. Gezien sprake is van beperkt kwetsbare objecten en gezien de personendichtheid niet zal toenemen zal geen sprake zijn van een toename van het groepsrisico met meer dan 10% van de oriëntatiewaarde ten opzichte van de bestaande situatie kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
Dit is nader omschreven in de paragraaf "Groepsrisico" (paragraaf 4.1.6.3). 4.1.6.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De locatie is, zoals beschreven in de voorgaande paragrafen, gelegen binnen het invloedsgebied van risicovolle transportroutes, zijnde verschillende gasleidingen. Voor de betreffende leidingen is een fakkelbrand het maatgevende scenario. Omdat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een toename van het groepsrisico met meer dan 10% van de oriëntatiewaarde ten opzichte van de bestaande situatie kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hierbij dient in te worden gegaan op de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid van de personen in het plangebied. Scenario('s): Het relevante scenario voor het plangebied in relatie tot het transport van gevaarlijke stoffen is het ontstaan van een fakkelbrand. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. Mogelijk heden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit: Bij het scenario fakkelbrand zal de brandweer proberen de brand gecontroleerd te blussen en het lek te dichten. Gezien de afstand tot de leiding is het risico dat een fakkelbrand zal leiden tot letsel op de locatie zeer beperkt.
De kans op letsel wordt verkleind als de brandweer tijdig aanwezig kan zijn. De locatie is zeer goed ontsloten, waardoor hulpdiensten tijdig aanwezig kunnen zijn. De locatie is daarnaast ver genoeg van de leiding gelegen, waarmee de locatie in geval van nood tijdig kan worden geëvacueerd. Mogelijk heden tot beperking van het groepsrisico: De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen is in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid: Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. 56
De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: goed te alarmeren is; goed te schuilen is; goed te ontvluchten is. Alarmering: In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden: Wanneer bij een calamiteit het schuilen de beste optie is om deze te overleven dan dient men te kunnen schuilen in afgesloten bebouwing om de kans op letsel te verkleinen. Schuilen in afgesloten bebouwing is goed mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie.
Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. De bebouwing ter plaatse is goed geïsoleerd en biedt daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden: Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie: Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is daarnaast advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Zij geven aan dat volstaan kan worden met het Standaard Advies van de veiligheidsregio. Dit advies is als bijlage 10 bij deze toelichting opgenomen.
4.1.7 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is op zowel de locatie Molenakkerstraat 12 als ook Servennenstraat 11 geen sprake van een inrichting waarin gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven. De bouw van de sleufsilo's aan de Servennenstraat 11 heeft geen 57
effect op de bodem. De perssappen zullen separaat opgevangen worden. Hiermee kan worden aangenomen dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging.
4.1.8 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening te worden gehouden met een spuitzone waarbinnen gevoelige objecten alleen onder voorwaarden kunnen worden toegestaan. Onderhavig plan gaat niet gepaard met het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Aan de Molenakkerstraat 12 wordt een bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning en aan de Servennenstraat 11 wordt het gebruik van de bedrijfswoning ongewijzigd voortgezet. Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige objecten is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat op dit moment nog geen toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter).
In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige objecten. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling en het hiermee mogelijk samenhangende risico is onbekend. Wel dient een afweging te worden gemaakt of bij een perceel waarop (mogelijk) bomenteelt plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang: de aard van het bestrijdingsmiddel (biologische of juist giftige middelen); de toedieningswijze (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten). Een voorbeeld hiervan is dat de rechter van oordeel was dat een spuitzone van 30 meter voor een bloembollenkwekerij onvoldoende was onderbouwd, omdat uit onderzoek was gebleken dat door de manier van spuiten van bloembollen (in neerwaartse richting) het aanhouden van een spuitzone niet noodzakelijk was vanuit het oogpunt van volksgezondheid; de frequentie van het spuiten; de weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting); de inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht op grond van een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelige object.
In dat geval blijkt wegens de reductie van drift (afhankelijk van de dikte, hoogte en type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter). Over de richtafstand wordt echter opgemerkt dat die afstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de directe omgeving van de projectlocatie komen geen boomgaarden voor. De richtafstand van 50 meter is 20 jaar oud. 20 jaar geleden waren er minder drift reducerende maatregelen dan nu. Zo moet conform het activiteitenbesluit sinds 1 januari 2018 gebruik worden gemaakt van driftarme spuitdoppen met een driftreductie van minimaal 75%, om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 75-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze spuitdoppen worden ook getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s.
Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. Bij het 58
ontstaan van de richtafstand van 50 meter was bovenstaande niet van toepassing. Binnen een straal van 50 meter van het plangebied aan de Molenakkerstraat 12 zijn diverse akkerbouwpercelen gelegen. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Binnen een afstand van 50 meter van het plangebied is één percelen van derden gelegen, die in gebruik is van een akkerbouwer. Bij akkerbouw worden gewasbeschermingsmiddelen uitsluitend toegepast door middel van een neerwaartse bespuiting op basis van lage druk. Dit is ook een verplichting vanuit de voorschriften van het Activiteitenbesluit. De gewassen worden enkel bespoten bij lage windsnelheden. Bij spuitzonering gaat het voornamelijk om verwaaiing van bestrijdingsmiddelen. Op deze wijze is de verwaaiing naar percelen van derden derhalve verwaarloosbaar. Daarnaast is in het landschappelijk inpassingsplan over het grootste deel van de grens van het plangebied met het betreffende perceel een wintergroene haag aanwezig, welke de drift aanzienlijk reduceert. De realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing is middels een voorwaardelijke verplichting verzekerd. Binnen een straal van 50 meter van het plangebied aan de Servennestraat 11 zijn eveneens diverse percelen gelegen waar mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gespoten. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter.
Binnen een afstand van 50 meter van het plangebied zijn twee percelen van derden gelegen. De ene, aan de overzijde van de Servennenstraat, betreft een perceel van een plantenkweker. Hier wordt al jarenlang laag plantmateriaal gekweekt. Net al bij akkerbouw worden de gewasbeschermingsmiddelen uitsluitend toegepast door middel van een een neerwaartse bespuiting op basis van lage druk. Dit is ook een verplichting vanuit de voorschriften van het Activiteitenbesluit. De gewassen worden enkel bespoten bij lage windsnelheden. Bij spuitzonering gaat het voornamelijk om verwaaiing van bestrijdingsmiddelen. Op deze wijze is de verwaaiing naar percelen van derden derhalve verwaarloosbaar. Het andere perceel, tevens aan de overzijde van de Servennenstraat, is in gebruik van een melkveehouderij en hier vindt beweiding van het melkvee plaats. Op dit perceel worden geen gewasbeschermingsmiddelen gespoten. Er zijn geen concrete plannen om één van de bovengenoemde percelen in te zetten voor boomteelt of fruitteelt. Door de situering van percelen van derden aan de overzijde van de weg welke voorzien is van grasbermen is en blijft sprake van een behoorlijke afstand tot de woning aan de Servennenstraat 11. Tussen het plangebied en de betreffende percelen is voorzien in een landschappelijke inpassing, welke de drift reduceert.
De realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing is middels een voorwaardelijke verplichting verzekerd. Gezien bovenstaande uiteenzetting, kan een acceptabel woon- en leefklimaat, ook binnen 50 meter van agrarische percelen van derden worden gegarandeerd. Het betreft tevens enkel een voortgezet gebruik en er worden geen nieuwe gevoelige objecten toegevoegd. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen. 4.1.9 Hoogspanningsverbindingen De stroom door de draden van een hoogspanningslijn veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder meer af van de hoeveelheid stroom die door de draden gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen. Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningslijn verschillen. De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningslijn, des te zwakker is het magneetveld. Nabij de locatie zijn geen hoogspanningsverbindingen gelegen. Hiermee zal ter plaatse geen sprake zijn van onevenredige risico's en/of belemmeringen ten aanzien van hoogspanningsverbindingen.
4.1.10 Voortoets m.e.r.-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. 59
In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. Molenak kerstraat 12 De voorgenomen ontwikkeling voorziet in omschakeling van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning.
Vanuit het Besluit milieueffectrapportage is woningbouw alleen m.e.r.-beoordelingsplichtig indien sprake is van een stedelijke ontwikkeling en wanneer nieuwe woningen worden opgericht. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Tevens worden geen nieuwe woningen opgericht, waarmee de drempelwaarden uit de C-lijst en/of D-lijst uit het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Servennenstraat 11 De voorgenomen ontwikkeling voorziet in omschakeling van het type agrarische bedrijfsvoering. Voor elk van de afzonderlijke aspecten dient de initiatiefnemer van het project informatie op te nemen op basis waarvan het bevoegd gezag kan bepalen of al dan niet de m.e.r. procedure moet worden doorlopen. In het Besluit milieueffectrapportage (hierna Besluit m.e.r.) is in onderdeel C van de bijlage onder categorie 18.4 opgenomen wanneer er sprake is van het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie bestemd voor de verbranding of de chemische behandeling van niet-gevaarlijke afvalstoffen, voor gevallen de activiteit betrekking heeft op een installatie met een capaciteit van 100 ton per dag of meer.
Het voornemen ziet toe op het mengen van plantaardige productieresiduen (en kaaswei), geen afval. Het voornemen ziet ook toe op handelingen met mest (afvalstof). Voor de akkerbouwtak en het verwerken van de plantaardige bijproducten (en kaaswei) is geen sprake van verbranding en/of chemische behandeling van niet gevaarlijke afvalstoffen. Toetsing aan dit onderdeel is niet nodig. Verder is in onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. onder categorie 18.1 opgenomen dat, in de aangegeven situaties, een milieueffectrapport moet worden opgesteld wanneer de voorgenomen activiteit leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit geldt voor het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D 18.7 voor gevallen de activiteit betrekking heeft op een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer. Voor de overige activiteit op -en overslag mest is wordt er minder dan 50 ton per dag mest aan -of afgevoerd in de beoogde situatie. Daarmee is een aanmeldnotitie m.e.r. niet noodzakelijk. Echter worden de handelingen met mest gezien als handelingen met een afvalstof. Een vormvrije m.e.r. is noodzakelijk. Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: 60
de omvang van het project de cumulatie met andere projecten
gebruik van natuurlijke hulpbronnen
de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder,
het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering, risico's voor de menselijke gezondheid.
Aangegeven in o.a. de niet-technische samenvatting Er zijn in de omgeving geen projecten die tot een cumulatie van effecten kunnen leiden die meer zijn dan de voorheen toegestane situatie binnen het huidige bestemmingsplan De omschrijving van het gebruik van water en het benodigde dieselverbruik is opgenomen in het hoofdstuk water en de toelichting van de AERIUS-berekening Dit is toegelicht in het hoofdstuk afval Dit is toegelicht in de niet-technische samenvatting alsmede in alle onderdelen van deze vormvrije m.e.r. waar hinder van het initiatief een rol speelt (denk aan geur, geluid) Er is geen sprake van een risicovolle inrichting. Eveneens komt dit onderwerp aan bod bij het hoofdstuk “externe veiligheid” Deze zijn niet aanwezig binnen het project. De verwerking van de bijproducten en de mest omvat geen risico's voor wat betreft de menselijke gezondheid.
Plaats van de projecten Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: het bestaande grondgebruik,
Het bestaande grondgebruik veranderd niet ten opzichte van de hiervoor toegestane mogelijkheden. relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het Het waterverbruik is beperkt en zal niet regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van leiden tot een verslechtering van de het gebied, natuurlijke hulpbronnen ten opzichte van de hiervoor toegestane mogelijkheden. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in Er is geen sprake van wetlands, het bijzonder aandacht voor de volgende typen kustgebieden, reservaten en natuurparken in gebieden: de omgeving. Er is geen sprake van een * wetlands gebied met een hoge bevolkingsdichtheid. * kustgebieden Daarnaast is er geen sprake van * berg- en bosgebieden landschappen van historisch, cultureel of * reservaten en natuurparken archeologisch belang.
Gebieden die in de * gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of nagekomen door die wetgeving worden beschermd; * gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid speciale beschermingszones door de * landschappen van historisch, cultureel of archeologisch lidstaten aangewezen volgens Richtlijn belang 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn * gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn) zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; beschermd volgens de onderbouwing van het speciale beschermingszones door de lidstaten onderdeel natuur en tezamen ook door de aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG (= relatieve afstand tot deze natuurgebieden. Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn)
61
Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden), de aard van het effect, het grensoverschrijdend karakter van het effect, de intensiteit en de complexiteit van het effect, de waarschijnlijkheid van het effect, de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect, de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten, de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.
Met betrekking tot mogelijke effecten moet worden gesteld dat het initiatief niet leidt tot significante (negatieve) effecten op de omgeving ten opzichte van de voorheen toegestane situatie. Daarnaast zijn de mogelijke effecten getoetst binnen deze vormvrije m.e.r. en kan worden geconcludeerd dat significante negatieve effecten op de omgeving niet aanwezig zullen zijn.
De volledige vormvrije m.e.r. beoordelingsnotitie is als bijlage 5 te raadplegen. Op grond van deze notitie blijkt dat er geen milieueffectrapportage opgesteld hoeft te worden. Dit is ook bevestigd door de OMWB, middels een besluit op de m.e.r. beoordelingsnotitie (bijlage 6).
4.2
Ecologie
4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht.
Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen is gelegen op een afstand van circa 3,2 kilometer van de locatie. Dit is alsmede ook het dichtstbijzijnde vogelrichtlijn gebied. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat de voorgenomen ontwikkelingen van invloed zijn op het betreffende gebied.
62
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden en de betrokken locaties Bron: Aerius.nl Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een tweetal intensieve veehouderijbedrijven gestaakt. Daarbij zal de huidige bedrijfswoning aan de Molenakkerstraat 12 worden omgeschakeld naar een burgerwoning en aan de Servennenstraat 11 is sprake van het omschakelen van het intensieve veehouderijbedrijf ter plaatse naar een akkerbouwbedrijf. Daarnaast zullen als nevenactiviteit bij de gewenste bedrijfsvoering statische opslag en agrarisch technische werkzaamheden plaatsvinden. De agrarisch technische werkzaamheden bestaan, net als in de huidige situatie, uit het opwaarderen van restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie naar hoogwaardig duurzame veevoederstromen en het transporteren van mest ten behoeve van andere agrarische bedrijven. De beëindiging van de intensieve veehouderij zal leiden tot een aanzienlijke afname van de uitstoot van ammoniak. Dit is verankerd in de saneringsregeling varkenshouderijbedrijven (Srv). De ammoniakuitstoot moet met minimaal 85% gereduceerd worden. Daarmee zal de depositie van stikstof op de betreffende 63
gebieden als gevolg van ammoniak eveneens aanzienlijk afnemen. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee leiden tot een afname van de depositie van stikstof op de betreffende gebieden, waarmee voor de betreffende gebieden sprake zal zijn van een verbeterde situatie. Om inzichtelijk te maken dat de voorgenomen ontwikkeling geen significante effecten op de betreffende gebieden tot gevolg zal hebben zijn met behulp van het rekenprogramma Aerius Calculator berekeningen gemaakt, waarin het verschil van de depositie van de gewenste situatie is berekend ten opzichte van de huidige situatie. Uit deze berekeningen, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 8 van deze toelichting, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een projecteffect van meer dan 0,00 mol per hectare per jaar op de betreffende gebieden (er is immers sprake van een afname van de depositie). Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot significante effecten op de betreffende gebieden. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden.
Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkelingen aan de Molenakkerstraat 12 en de Servennenstraat 11 is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde.
De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort).