CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1c Toelichting Servennenstraat 11 en Molenakkerstraat 12

RAAD 27 juni 2024, gemeente OisterwijkBij agendapunt: Bestemmingsplan Servennenstraat 11 en Molenakkerstraat 12, Moergestel - AANVAARD35.976 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Daarnaast is de statische opslag van kampeervoertuigen sterk gebonden aan de recreatieve sector, en daarmee aan het buitengebied. De voorgenomen ontwikkeling komt met de statische opslag, zoals in het voorgaande omschreven, tegemoet aan een maatschappelijke vraag naar opslagruimte. Daarnaast wordt met de voorgenomen ontwikkeling een nieuwe invulling gegeven aan (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing. Hiermee wordt leegstand en verpaupering van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen voorkomen. Ook daarmee wordt invulling gegeven aan een maatschappelijk vraagstuk waar veel gemeenten en provincies in Nederland mee 27

te kampen hebben. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 1, sub a, onder 3: Bij de voorgenomen ontwikkeling zal, zoals nader is omschreven en verder is uitgewerkt in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), sprake zijn van een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en onderbouwd. Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied en de omgeving. Daarnaast zal ter plaatse het bebouwde oppervlak door sloop van bebouwing afnemen en zal het maximale ruimtebeslag door verkleining van het bouwvlak afnemen. Daarmee is sprake van ontstening van het landschap wat bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit. Met de voorgenomen landschappelijke inpassing en de ontstening van het landschap wordt de ruimtelijke kwaliteit in het gebied versterkt. Verder wordt er aan een deel van de aanwezige bebouwing een nieuwe invulling gegeven. Daarmee wordt leegstand van bebouwing in het buitengebied voorkomen. Hiermee wordt voorkomen dat de bebouwing verpaupert. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad.

3.73, lid 1, sub b: Bij de voorgenomen ontwikkeling zal sprake zijn van een niet-agrarische nevenactiviteit bij de agrarische bedrijfsvoering. Er zal geen sprake zijn van splitsing in meerdere functies en/of bouwpercelen. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 1, sub c: Bij de voorgenomen ontwikkeling worden de voormalige varkensstallen gesloopt. Er wordt ter plaatse, ten behoeve van de gewenste bedrijfsvoering, wel voorzien in nieuwe bedrijfsbebouwing, maar deze is in oppervlakte kleiner dan de te slopen stallen. Er is daarmee sprake van de sloop van overtollige bebouwing. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 1, sub d, onder 1: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van de vestiging van of de omschakeling naar een kantoorfunctie met een baliefunctie. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 1, sub d, onder 2: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van activiteiten ten behoeve van een lawaaisport. Er vinden ter plaatse geen bedrijfsactiviteiten gericht op sport plaats. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 1, sub d, onder 3: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van de bewerking van mest. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad.

3.73, lid 2, sub a: Zoals nader omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen en/of 28

bezoekers. Er is daarmee geen sprake van een onevenredige verkeersaantrekkende en/of publieksaantrekkende werking. Verder is de locatie gelegen in een gebied waarin verschillende gemengde functies naast elkaar voorkomen. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee goed binnen het gebied waarin de locatie is gelegen. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 2, sub b: De gewenste (neven)activiteiten worden in de regels behorende bij dit plan nader afgekaderd. Het voorliggende plan maakt daarmee niet meer mogelijk dan de activiteiten die worden aangevraagd. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 2, sub c: De voorgenomen activiteiten zullen geheel in bebouwing plaatsvinden. Er zal geen sprake zijn van buitenopslag. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 2, sub d: Bij de gewenste ontwikkeling wordt voorzien in een omvang die ook op termijn voldoende ruimte biedt. Indien de aangevraagde omvang niet langer toereikend blijkt te zijn en de maximaal toegestane omvang niet voldoende blijkt dan zal in plaats van een verdere uitbreiding worden gekeken naar een alternatieve locatie. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad.

3.73, lid 3, sub a: Er is sprake van kleinschalige bedrijvigheid wanneer de bedrijvigheid een relatief kleine weergave betreft van de bedrijvigheid van het gebied en wanneer het oppervlaktebeslag een relatief kleine weergave betreft van het totale gebied. De activiteit wordt uitgevoerd als nevenactiviteit bij een agrarisch grondgebonden teeltbedrijf. De werkzaamheden worden uitsluitend door de initiatiefnemer uitgevoerd. Daarmee is geen sprake van een grote arbeidsbehoefte. Ook de oppervlakte van de bebouwing waarin de activiteit plaatsvindt is (zeer) beperkt en slechts een klein deel van de totale bedrijfsbebouwing. Verder dient te worden bekeken of het doelmatig is om het bedrijf op een bedrijventerrein te vestigen. De gewenste activiteit beslaat uit statische opslag als neventak bij een agrarisch bedrijf in uitvoering. De statische opslag bestaat voor een deel uit stalling van kampeervoertuigen en is daarmee sterk gerelateerd aan de recreatieve sector. De recreatieve sector is doorgaans grotendeels aan het buitengebied gebonden. Daarnaast vindt de activiteit plaats bij een agrarisch bedrijf. Het agrarisch bedrijf is aan het buitengebied gebonden en past niet op een bedrijventerrein. Het is daarmee niet doelmatig om het gewenste bedrijf van de initiatiefnemer op een bedrijventerrein te vestigen. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad.

3.73, lid 3, sub b: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een voorziening voor detailhandel. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 3, sub c: Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 29

Aan de voorwaarden voor vestiging van een niet-agrarische functie in het landelijk gebied zoals zijn opgenomen in artikel 3.73 van de Interim Omgevingsverordening wordt daarmee voldaan. Voor wat betreft de gewenste agrarisch technische nevenactiviteit, zijnde het opwaarderen van restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie naar hoogwaardig duurzame veevoederstromen en het transporteren van mest, dient te worden aangesloten bij de regels voor de vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf/agrarisch-verwant bedrijf in het landelijk gebied. Hiervoor zijn in artikel 3.61 specifieke regels opgenomen. Wanneer daaraan wordt voldaan dan kunnen de activiteiten ook als neventak worden uitgevoerd. De regels uit artikel 3.61 zijn als volgt: "Artikel 3.61 Vestiging agrarisch-technisch hulpbedrijf/agrarisch-verwant bedrijf in Gemengd landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch-verwant bedrijf als: a. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving; b. de ontwikkeling niet leidt tot splitsing (IOV) van het bouwperceel; c. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. mestbewerking is uitgesloten." Ad.

3.61, lid 1, sub a: De gemeente Oisterwijk heeft bij het opstellen van de gemeentelijke visie en het bestemmingsplan voor het buitengebied voor verschillende gebieden onderzocht welke functies in de gebieden passend en wenselijk zijn. De locatie is gelegen in een overwegend agrarisch gebied, waarbinnen de agrarische bedrijvigheid in principe voorrang heeft op niet-agrarische ontwikkelingen. Niet-agrarische ontwikkelingen (al dan niet als nevenactiviteit) zijn onder voorwaarden mogelijk, mits het agrarisch karakter van het gebied zoveel mogelijk wordt behouden en wanneer agrarische bedrijven in de omgeving niet worden beperkt. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de agrarische hoofdfunctie worden behouden. Het intensieve veehouderijbedrijf zal worden omgeschakeld naar een grondgebonden bedrijf. De agrarisch verwante activiteiten zullen ondergeschikt aan de agrarische hoofdactiviteit worden uitgevoerd. Het agrarisch bedrijf blijft daarmee in gebruik. Tevens is de agrarisch verwante nevenactiviteit gerelateerd aan de agrarische sector, waarmee deze eveneens een sterk agrarisch karakter heeft. Dit sluit aan bij de doelstellingen van het agrarisch gebied waarin de locatie is gelegen. Het agrarisch karakter van het gebied blijft daarmee in stand.

Daarnaast zal de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1), niet leiden tot een beperking van de mogelijkheden van omliggende functies en bestemmingen, waarmee geen sprake is van een beperking van andere agrarische bedrijven in het gebied. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Verkeer en parkeren" (paragraaf 4.4), geen sprake van aanpassingen aan of van een aantasting van de infrastructuur ter plaatse. Tevens zal parkeren geheel op eigen terrein plaatsvinden. Het aantal verkeersbewegingen zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen. Daarmee zal er geen sprake zijn van nadelige gevolgen op de mobiliteit in het gebied. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 3.61, lid 1, sub b: De activiteit wordt als nevenfunctie bij het agrarisch bedrijf uitgevoerd. Er zal daarbij geen sprake zijn van de splitsing van het bouwvlak. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.61, lid 1, sub c: 30

Bij de voorgenomen ontwikkeling worden de voormalige varkensstallen gesloopt. Er wordt ter plaatse, ten behoeve van de gewenste bedrijfsvoering, wel voorzien in nieuwe bedrijfsbebouwing, maar deze is in oppervlakte kleiner dan de te slopen stallen. Er is daarmee sprake van de sloop van overtollige bebouwing. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.61, lid 1, sub d: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van de bewerking van mest. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Aan de voorwaarden voor het vestigen van een agrarisch verwante of agrarisch technische functie, zoals zijn opgenomen in artikel 3.61 van de omgevingsverordening, wordt daarmee voldaan. Gezien het voorgaande wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de regels uit de omgevingsverordening voor het uitvoeren van de gewenste bedrijfsvoering en nevenactiviteiten. Naast specifieke regels voor het uitvoeren van activiteiten in het landelijk gebied gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied, vanuit artikel 3.5 van de omgevingsverordening, algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit.

Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen: "Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2 a. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rek ening gehouden met: zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie." Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen. Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b.

bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. d. de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag, zoals door meervoudig ruimtegebruik of door verticale bouw, zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling. Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een 31

bestaand bouwperceel." Ad. 3.6, lid 1, sub a: Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van nieuwvestiging, want het geldende bestemmingsplan laat reeds bebouwing of een bedrijfsfunctie toe, maar van omschakeling. Vanuit het tweede lid wordt gesteld dat onder bestaand ruimtebeslag wordt verstaan "het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel". De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op een reeds bestaand bouwperceel. Het bouwperceel zal met de voorgenomen ontwikkeling worden verkleind. Daarmee vindt de voorgenomen ontwikkeling plaats binnen het bestaand ruimtebeslag. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 3.6, lid 1, sub b: Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3). Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 3.6, lid 1, sub c: Alle aanwezige bebouwing is geconcentreerd binnen het bouwperceel. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bebouwing buiten het bouwperceel. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 3.6, lid 1, sub d: De beoogde activiteiten op de locatie zijn complementair aan elkaar, maar bieden geen mogelijkheden voor meervoudige ruimtegebruik of verticaal bouwen. Wel is in de planvorming bekeken hoe het erf zo compact mogelijk ingericht kon worden. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad.

3.6, lid 2: De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op een reeds bestaand bouwperceel. Het bouwperceel zal met de voorgenomen ontwikkeling worden verkleind. Daarmee vindt de voorgenomen ontwikkeling plaats binnen het bestaand ruimtebeslag. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Er is, zoals blijkt uit het voorgaande, met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik. Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen: "Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het 32

verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid." Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan. Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikk eling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap k an deel uitmaken van de meerwaardecreatie." Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een intensieve veehouderij worden beëindigd en worden omgeschakeld naar een akkerbouwbedrijf met een tweetal nevenactiviteiten.

Een intensieve veehouderij heeft een aanzienlijk grotere uitstoot van geur, fijnstof, stikstofoxiden, broeikasgassen en ammoniak dan de beoogde bedrijfsvoering. Bij de voorgenomen omschakeling zal de uitstoot van het bedrijf dan ook aanzienlijk afnemen. Dit heeft een aanzienlijke meerwaarde op het gebied van milieu en natuur. Het woonen leefklimaat in de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee worden verbeterd. Daarnaast zal met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing (zie hiervoor de tekening met landschappelijke inpassing zoals is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting). Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 3.9 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie. Tevens zal met de voorgenomen ontwikkeling een groot deel van de aanwezige bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Dit betreffen alle varkensstallen. Sloop van bebouwing is in artikel 3.9 van de verordening eveneens opgenomen als mogelijkheid voor kwaliteitsverbetering van het landschap en is derhalve ook aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie.

Zoals reeds aangegeven bevat artikel 3.9 aanvullende regels voor wat betreft de kwaliteitsverbetering van het landschap (meerwaardecreatie). Het gestelde in artikel 3.9 luidt daarbij als volgt: "Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. 33

Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterk ing van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken." De gemeente Oisterwijk heeft met de provincie afspraken gemaakt voor een invulling van de gestelde kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze zijn opgenomen en vastgelegd in de 'Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant'.

De ontwikkeling aan de Servennenstraat 11 valt volgens de werkafspraken onder een categorie 2 ontwikkeling (omschakeling ene agrarische bedrijfsvorm naar een andere), waarbij de ontwikkelingen slechts een beperkte invloed hebben op het landschap. Voor dit type ontwikkelingen is een goede landschappelijke inpassing vereist. Met het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) wordt hier invulling aan gegeven. De ontwikkeling aan de Molenakkerstraat 12 valt volgens de werkafspraken onder een categorie 1 ontwikkeling (omschakeling van een agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming met sloop overtollige bebouwing en behoud van maximaal 200 m² aan bijgebouwen). Echter wordt voor deze ontwikkeling eveneens voorzien in een goede, bij het gebied passende, landschappelijke inpassing, waarmee een extra investering wordt geleverd aan de omgevingskwaliteit. Daarnaast wordt op beide locaties bebouwing gesloopt en wordt verharding verwijderd. In zijn totaliteit zal het bebouwd en verhard oppervlak op beide locaties afnemen. Daarmee wordt voorzien in een aanvullende meerwaardecreatie. Beide bouwvlakken zullen worden verkleind om de afname van het bebouwde en verharde oppervlak te borgen.

Hiermee wordt met de voorgenomen ontwikkeling in voldoende mate voldaan aan de zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit, zoals geldt vanuit artikel 3.9 van de verordening. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie. Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen het beleid zoals is opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Oisterwijk De gemeente Oisterwijk heeft op 22 december 2016 de Omgevingsvisie Oisterwijk vastgesteld. Eén van de daarin opgenomen deelgebieden is het deelgebied Molenakkers. Het grondgebied van de gemeente is opgedeeld in verschillende typen gebieden waarbij per (deel)gebied 34

eigen beleidsuitgangspunten gelden. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Molenakkers', dat deel uitmaakt van het buitengebied.

Uitsnede kaart Molenakkers Bron: Omgevingsvisie-oisterwijk.nl. In het buitengebied komt het accent functioneel steeds meer te liggen op een gevarieerde plattelandseconomie. De landbouw is daarbij een belangrijke economische drager. Voor vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen (VAB) ziet de gemeente een brede ontwikkeling. Essentieel is de bijdrage die nieuwe functies leveren aan een hoge kwaliteit van het landelijk gebied. Naarmate de economische waarde van een herontwikkelingslocatie in het landelijk gebied hoger is kan de maatschappelijke bijdrage die op deze locatie wordt geleverd aan de omgevingskwaliteit ook hoger zijn. Verder zijn de landschappelijke kenmerken van belang en wordt ingezet op een verbetering van de (volks)gezondheid. Bij de ontwikkeling aan de Servennenstraat 11 vindt er geen herbestemming plaats. De agrarische bestemming blijft behouden en het behoud van deze locatie past binnen landbouw als belangrijke economische drager. Bij de ontwikkeling aan de Molenakkerstraat 12 wordt de bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Dit is een laag-dynamische passende ontwikkelingsrichting op deze locatie, waarbij met de sloop van de varkensstallen een ruime tegenprestatie geboden wordt. Op beide locaties vindt sloop van de (voormalige) varkensstallen plaats. Op de locatie aan de Molenakkerstaat 12 zal daarbij geen nieuwe bebouwing worden opgericht.

Alleen de huidige bedrijfswoning en het daarbij behorende en te behouden bijgebouw zullen behouden blijven. De overige bebouwing ter plaatse zal worden gesloopt en de overige verharding zal worden verwijderd. Op de locatie aan de Servennenstraat 11 zal eveneens worden gesloopt, alleen hier vindt ook nieuwbouw plaats. De totale oppervlakte aan bebouwing en verharding zal echter afnemen. Op beide locaties zal het bouwvlak (en/of bestemmingsvlak) worden verkleind. Daarmee wordt de afname van het bebouwde en verharde oppervlak ook geborgd. De afname van het bebouwde en verharde oppervlak draagt bij aan (het behoud van) de openheid van het landschap. Daarnaast zal op beide locaties, zoals nader is omschreven in de paragraaf 35

"Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede, bij het gebied en landschap passende landschappelijke inpassing. Daarbij wordt rekening gehouden met de kenmerken en kernkwaliteiten van het landschap en wordt daarop zoveel mogelijk aangesloten. Met de landschappelijke inpassing wordt de relatie met het landschap versterkt en wordt voorzien in een passende overgang tussen het bebouwde erf en het open landschap. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen onevenredige impact hebben op het landschap, maar zal daar eerder een bijdrage aan leveren. Dit past binnen de doelstellingen ten aanzien van het landschap die in de visie zijn opgenomen. Daarnaast wordt op beide locaties een intensieve veehouderij beëindigd. Met de beëindiging van de intensieve veehouderijen op de beide locaties komt de uitstoot van geur, fijnstof, ammoniak en mogelijke ziektekiemen en/of zoönosen vrijwel geheel te vervallen. Daarmee zal het woon- en leefklimaat in de omgeving aanzienlijk verbeteren. Dit draagt bij aan de verbetering van de volksgezondheid in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee een positief effect hebben op het woon- en leefklimaat en de volksgezondheid in de omgeving. Dit sluit aan bij de doelstellingen van de gemeente zoals zijn opgenomen in de visie met betrekking tot gezondheid en een gezonde leefomgeving.

Ten aanzien van nevenfuncties wordt in de visie gesteld dat deze in beginsel mogelijk zijn, mits passend in de omgeving en zij niet leiden tot onevenredige milieuhinder en/of een beperking van de (ontwikkelings)mogelijkheden van omliggende functies. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot onevenredige milieuhinder. De milieuhinder zal door de beëindiging van de intensieve veehouderijen juist afnemen. Daarnaast zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een beperking van de (ontwikkelings)mogelijkheden van omliggende functies en bedrijven. Zoals reeds omschreven in het voorgaande zijn de activiteiten passend in de omgeving, waarmee de nevenfuncties mogelijk kunnen worden gemaakt. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van gemeente Oisterwijk.

3.3.2 Visie Buitengebied gemeente Oisterwijk Op 29 september 2022 heeft de gemeente Oisterwijk de visie Buitengebied gemeente Oisterwijk vastgesteld. In deze nieuwe visie voor het buitengebied is de ontwikkelingsrichting opgenomen die de gemeente heeft voor het buitengebied. Daarbij is onderscheid gemaakt in verschillende thema's waarbij voor elk van de thema's een algemene ontwikkelingsrichting is opgenomen. De locatie is vanuit de visie gelegen in een gebied dat nader is aangemerkt als 'Esdorpenlandschap' met de nadere aanduiding 'primair agrarisch gebied'. Binnen het betreffende gebied heeft de agrarische sector voorrang en wordt de verdere ontwikkeling van deze sector gestimuleerd. Overige ontwikkelingen zijn mogelijk, mits zij het agrarisch karakter van het gebied niet aantasten en de mogelijkheden van agrarische bedrijven in het gebied niet beperken. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden twee intensieve veehouderijbedrijven beëindigd. Het bedrijf aan de Servennenstraat blijft echter als agrarisch bedrijf bestaan en wordt uitsluitend omgeschakeld naar een grondgebonden agrarisch bedrijf. De gewenste ontwikkeling van het bedrijf aan de Servennenstraat past daarmee goed binnen de doelstellingen van het gebied waarin de locatie is gelegen.

Er worden bij dit bedrijf echter wel nevenactiviteiten uitgevoerd, maar deze zijn ondergeschikt aan de agrarische hoofdactiviteit en hebben deels binding met de agrarische sector, waarmee het agrarisch karakter van het bedrijf niet verloren gaat of wordt beperkt. Het bedrijf aan de Molenakkerstaat wordt geheel beëindigd. De bedrijfswoning wordt daarbij omgeschakeld naar een burgerwoning. Er is daarmee geen sprake van een agrarische ontwikkeling in het gebied, maar deze ontwikkeling is een laag-dynamische passende ontwikkelingsrichting op deze locatie, waarbij met de sloop van de (voormalige) varkensstallen een ruime tegenprestatie geboden wordt. In zijn geheel gezien zal het agrarisch karakter van het gebied met de voorgenomen ontwikkeling in overwegende mate worden behouden. Dit past binnen de doelstellingen van de gemeente voor dit gebied zoals zijn opgenomen in de visie. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot beperkingen van de mogelijkheden van omliggende functies en bedrijven, waarmee geen sprake is van een beperking van de mogelijkheden van de agrarische bedrijven in het 36

gebied. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee passend in het Esdorpenlandschap en het primair agrarisch gebied. Daarnaast stuurt de gemeente op een duurzame landbouw, waarbij kringlooplandbouw en innovatie worden gestimuleerd. De initiatiefnemer zal, waar mogelijk, investeren in een duurzame vorm van landbouw, waarbij wordt gestreefd naar een optimaal bedrijfsresultaat in combinatie met een maatschappelijk gedragen bedrijfsvoering. Dit past binnen de doelstellingen van de gemeente ten aanzien van de landbouw. Verder wil de gemeente de depositie van stikstof op de Natura 2000 gebieden in de gemeente verminderen. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden intensieve veehouderijen beëindigd. Er komt geen nieuwe intensieve veehouderij terug en er is niet langer sprake van het houden van dieren. Daarmee zal de emissie van ammoniak met de voorgenomen ontwikkeling aanzienlijk afnemen. Daarmee zal eveneens de depositie van stikstof op de betreffende gebieden afnemen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de doelstellingen die de gemeente heeft voor de Natura 2000 gebieden. Binnen de gemeente heeft de afgelopen jaren een politieke discussie plaatsgevonden over het verminderen van het aantal gehouden dieren binnen de gemeente. Enerzijds omdat er overlast werd ervaren en anderzijds omdat er toenemende zorgen zijn over de volksgezondheid in relatie tot veehouderijbedrijven.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de veestapel (aanzienlijk) afnemen, waarmee sprake zal zijn van minder overlast aan de omgeving. Tevens zal geen sprake meer zijn van toenemende zorgen met betrekking tot volksgezondheid in relatie tot veehouderijen, omdat er met de voorgenomen omschakeling van de beide bedrijven geen sprake meer zal zijn van veehouderijbedrijven. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de verbetering van het woon- en leefklimaat, het verminderen van de overlast en het vermindering van de mogelijke risico's voor de volksgezondheid. Dit past binnen de gewenste doelstellingen van de gemeente. Ten slotte heeft de gemeente in de visie opgenomen dat zij agrariërs zullen ondersteunen die het bedrijf willen beëindigen ten behoeve van landelijke doelstellingen of ten gunste van een gezond woon- en leefklimaat. De initiatiefnemer neemt deel aan de saneringsregeling varkenshouderijbedrijven (Srv). Deze regeling is door de Rijksoverheid in het leve geroepen om de milieubelasting van varkenshouderijen op de omgeving terug te dringen. Met deelname aan de Srv is sprake van de beëindiging van de bedrijven ten behoeve van een landelijke doelstelling. Tevens zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een aanzienlijke afname van de emissies vanuit de beide locaties, waarmee sprake zal zijn van een aanzienlijke verbetering van het woon- en leefklimaat.

De voorgenomen ontwikkeling past daarmee goed binnen de ambitie die de gemeente heeft gesteld voor het bijdragen aan de landelijke doelstellingen en het verbeteren van het woonen leefklimaat. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in de Visie Buitengebied gemeente Oisterwijk van de gemeente Oisterwijk.

37

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijke- en milieuaspecten

Milieu

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol spelen bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.

4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De richtafstanden van de VNG handreiking gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'.

In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Dit is een gebied waar meerdere functies (bijvoorbeeld wonen en bedrijvigheid) naast elkaar voorkomen. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden. Het gebied waarin de locatie is gelegen betreft geen gebied dat is aan te merken als het gebiedstype 'gemengd gebied'. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is derhalve uitgegaan van de standaard richtafstanden voor het gebiedstype 'rustige woonwijk' uit de VNG handreiking.

4.1.1.1 Molenakkerstraat 12 Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de intensieve veehouderij aan de Molenakkerstraat 12 in zijn geheel beëindigd. Daarbij zal de huidige bedrijfswoning worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Alle aanwezige bedrijfsbebouwing zal worden gesloopt. Burgerwoningen met bijbehorende bijgebouwen leiden niet tot een milieuhinder aan de omgeving. Er is daarmee geen sprake van onevenredige milieuhinder aan de omgeving. De beëindiging van het intensieve veehouderijbedrijf zal juist leiden tot een aanzienlijke vermindering van de milieuhinder aan de omgeving, waarmee het woon- en leefklimaat in de omgeving aanzienlijk wordt verbeterd. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden 38

van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. De omschakeling van de bedrijfswoning naar een burgerwoning kan worden gezien als een nieuw gevoelig object. Om te bepalen of de woning mogelijk beperkingen oplevert voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven dient eerst goed bekeken te worden welke mogelijk hinder veroorzakende inrichtingen er in de omgeving gelegen zijn. In de nabije omgeving zijn de volgende inrichtingen gelegen: Molenakkerstraat 15: Intensieve veehouderij, zijnde varkenshouderij. Servennenstraat 6: Agrarisch technisch hulpbedrijf, zijnde een mestbewerkingsbedrijf. Servennenstraat 11: Agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij dat wordt omgeschakeld naar een agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij. Molenak kerstraat 15: Het bedrijf aan de Molenakkerstraat 15 betreft een intensief veehouderijbedrijf waar varkens worden gehouden. Voor een dergelijke inrichting gelden (als grootste richtafstanden) de volgende afstanden vanuit de VNG handreiking: Geur: 200 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 50 meter. Gevaar: 0 meter. De huidige locatie aan de Molenakkerstraat 12 is, gemeten van bouwvlak tot bouwvlak, gelegen op een afstand van ongeveer 117 meter van het betreffende bedrijf aan de Molenakkerstraat 15.

De om te schakelen woning lijkt daarmee voor het aspect geur niet op voldoende afstand van het betreffende bedrijf gelegen. Omdat de woning aan de Molenakkerstraat 12 een voormalige bedrijfswoning bij een veehouderijbedrijf betreft geniet deze woning eenzelfde bescherming als een bedrijfswoning bij een veehouderij en mag deze afstand verkleind worden tot 50 meter. Aan deze afstandseis wordt voldaan, waarmee de mogelijkheden van dit bedrijf niet worden beperkt en verzekerd is dat er ter plaatse van de Molenakkerstraat 12 sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Servennenstraat 6: Het bedrijf aan de Servennenstraat 6 betreft een agrarisch technisch hulpbedrijf, waar mest verwerkt wordt. Voor een dergelijke inrichting gelden (als grootste richtafstanden) de volgende afstanden vanuit de VNG handreiking: Geur: 500 meter. Stof: 10 meter. Geluid: 100 meter. Gevaar: 0 meter. De huidige locatie aan de Molenakkerstraat 12 is, gemeten van bouwvlak tot bouwvlak, gelegen op een afstand van ongeveer 240 meter van het betreffende bedrijf aan de Servennenstraat 6. De om te schakelen woning lijkt daarmee voor het aspect geur niet op voldoende afstand van het betreffende bedrijf gelegen.

Bij de vergunningverlening voor de mestverwerkingsinstallatie aan de Servennenstraat 6 is er een geuronderzoek uitgevoerd door M&A Milieuadviesbureau, waar de woning aan de Molenakkerstraat als geurgevoelig object in is meegenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat de woning aan de Molenakkerstraat 12 niet de meest beperkende woning is voor de ontwikkelingsmogelijkheden van dit bedrijf, maar dat betreft de woning aan de Molenakkerstraat 10. Verder wijst dit rapport uit dat de geurbelasting ter plaatse van de woning aan de Molenakkerstraat 12 een acceptabel niveau heeft, waarmee een acceptabel woon- en leefklimaat is verzekerd. Servennenstraat 11: Het bedrijf aan de Servennenstraat 11 is in eigendom van de initiatiefnemer en maakt deel uit van het voorliggende plan. Het huidige intensieve veehouderijbedrijf zal daarbij worden omgeschakeld naar een grondgebonden agrarisch landbouwbedrijf, niet zijnde een veehouderij. Hiervoor zijn in de VNG handreiking 39

de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 10 meter. Stof: 10 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 10 meter. Verder zullen op het bedrijf aan de Servennenstraat nevenactiviteiten worden uitgevoerd in de vorm van agrarisch-technische bedrijsactiviteiten en statische opslag. Daarnaast wordt mest opgeslagen. Voor deze nevenactiviteiten is de grootste richtafstand 100 meter (voor geur ten behoeve van de mestopslag). De locatie is, gemeten van huidig bouwvlak tot huidig bouwvlak, gelegen op een afstand van ongeveer 310 meter van het bedrijf aan de Servennenstraat 11, waarmee ruimschoots aan de richtafstanden wordt voldaan en geen sprake zal zijn van een beperking van de mogelijkheden van het betreffende bedrijf en verzekerd is dat er ter plaatse van de Molenakkerstraat 12 sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de bedrijfswoning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Dit is nader uitgewerkt in de paragrafen "Geur", "Luchtkwaliteit" en "Geluid" (paragraaf 4.1.2, 4.1.3 en 4.1.5). Uit de toetsing op deze aspecten, zoals in de betreffende paragrafen is uitgewerkt, kan ter plaatse van de om te schakelen woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden geborgd.

4.1.1.2 Servennenstraat 11 Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van omschakeling van de ter plaatse gevestigde intensieve veehouderij naar een akkerbouwbedrijf. Daarbij worden eveneens een agrarisch technisch hulpbedrijf en statische opslag als nevenactiviteit uitgevoerd. Concreet is daarmee sprake van drie verschillende activiteiten: Akkerbouw; Agrarisch technische bedrijfsactiviteiten; Statische opslag Voor akkerbouw zijn in de VNG-handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 10 meter. Stof: 10 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 10 meter. Voor agrarisch technische bedrijfsactiviteiten (>500 m²) zijn in de VNG-handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 30 meter. Stof: 10 meter. Geluid: 50 meter. Gevaar: 10 meter. Voor statische opslag zijn geen richtafstanden opgenomen. Derhalve dient te worden aangesloten bij de meest vergelijkbare activiteit in de lijst. Dit betreft de verhuur van opslagruimte voor transport (SBI 52109). Voor een dergelijke inrichting zijn in de VNG-handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 0 meter. Stof: 0 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 10 meter. Bij de agrarisch verwante nevenactiviteit vindt opslag en transport van mest plaats. De mest wordt beperkt opgeslagen in de huidige aanwezige mestsilo. Voor de opslag van mest zijn in VNG-handreiking eveneens 40

richtafstanden opgenomen. Het betreft een mestsilo met een oppervlakte van ongeveer 450 m². Daarmee zijn de richtafstanden voor mestopslag met een oppervlakte van 350 m² tot 750 m² van toepassing. Deze zijn als volgt: Geur: 100 meter. Stof: 0 meter. Geluid: 0 meter. Gevaar: 0 meter. In de huidige situatie is sprake van een intensieve veehouderij, waar varkens worden gehouden. Voor de huidige activiteiten zijn in de handreiking van de VNG de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 200 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 50 meter. Gevaar: 0 meter. Met name op geur zijn de richtafstanden van de gewenste activiteiten aanzienlijk kleiner dan in de huidige situatie. De milieubelasting van de gewenste situatie zal daarmee dan ook (aanzienlijk) lager zijn dan die van de huidige situatie. Echter is voor de gewenste activiteiten elk afzonderlijk een afweging gemaakt op het gebied van milieuzonering om de mogelijke hinder goed in beeld te brengen. Het dichtstbijzijnde gevoelige object, betreffende de burgerwoning aan de Molenakkerstraat 10, is gelegen op een afstand van ongeveer 74 meter, gemeten van bouwvlak tot bouwvlak. Hiermee wordt aan de richtafstanden voldaan, behalve aan die voor geur met betrekking tot de mestopslag. De mestopslag vindt echter uitsluitend plaats in de bestaande mestopslag. Er zal niet worden voorzien in een nieuwe voorziening voor de opslag van mest.

De afstand van de bestaande mestopslag tot aan het bouwvlak van de woning aan de Molenakkerstraat 10 bedraagt ongeveer 230 meter. Daarmee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstand voldaan en zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder op de betreffende woning. Om te verzekeren dat de mestopslag niet verplaatst wordt naar een locatie waar niet aan de richtafstanden voldaan wordt, is er op verbeelding een aanduiding voor de mestopslag opgenomen. Gezien het voorgaande zal geen sprake zijn van onevenredige hinder als gevolg van de beoogde bedrijfsactiviteiten aan omliggende gevoelige objecten. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Op de locatie aan de Servennenstraat 11 worden geen nieuwe gevoelige objecten opgericht. Echter kan, gezien een uitspraak van de Raad van State (uitspraak 201704769/1/R1, datum 6 juni 2018), een historisch gegroeide situatie in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening, waardoor de bedrijfswoning alsnog moet worden getoetst als zijnde een nieuw gevoelig object.

In de directe omgeving van de locatie zijn de volgende inrichtingen gelegen: Molenakkerstraat 6: Akkerbouwbedrijf met een agrarische neventak, waarbij eveneens enkele schapen en paarden worden gehouden. Servennenstraat 6: Agrarisch technisch hulpbedrijf, zijnde een mestbewerkingsbedrijf. Donkhorst 8: Agrarisch bedrijf, melkrundveehouderij. Molenak kerstraat 6: Aan de Molenakkerstraat is een akkerbouwbedrijf met opslag en stalling van agrarische producten, goederen, werktuigen en materialen anders dan ten behoeve van het eigen bedrijf als nevenactiviteit. Tevens worden ter plaatse enkele schapen en paarden gehouden. In feite is er sprake van de volgende activiteiten: Akkerbouw. Stallen van agrarische producten, goederen, werktuigen en materialen (algemene dienstverlening ten 41

behoeve van de landbouw met een kleinere oppervlakte dan 500 m²). Houden van schapen. Houden van paarden. Voor akkerbouw zijn in de VNG-handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 10 meter. Stof: 10 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 10 meter. Voor algemene dienstverlening ten behoeve van de landbouw met een kleinere oppervlakte dan 500 m² zijn in de VNG-handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 30 meter. Stof: 10 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 10 meter. Voor het houden van schapen en/of paarden zijn in de VNG-handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 50 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Het bedrijf aan de Molenakkerstraat 6 is, gemeten van bouwvlak tot bouwvlak, gelegen op een afstand van ongeveer 118 meter van de locatie. Daarmee wordt (ruimschoots) aan de richtafstanden voldaan en zal geen sprake zijn van een mogelijke belemmering van het betreffende bedrijf. Tevens is verzekerd dat er ter plaatse van de Servennenstraat 11 sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Servennenstraat 6: Het bedrijf aan de Servennenstraat 6 betreft een agrarisch technisch hulpbedrijf, waar mest verwerkt wordt. Voor een dergelijke inrichting gelden (als grootste richtafstanden) de volgende afstanden vanuit de VNG handreiking: Geur: 500 meter. Stof: 10 meter. Geluid: 100 meter. Gevaar: 0 meter.

De huidige locatie aan de Servennenstraat 11 is, gemeten van bouwvlak tot bouwvlak, gelegen op een afstand van ongeveer 210 meter van het betreffende bedrijf aan de Servennenstraat 6. De locatie lijkt daarmee voor het aspect geur niet op voldoende afstand van het betreffende bedrijf gelegen. Bij de vergunningverlening voor de mestverwerkingsinstallatie aan de Servennenstraat 6 is er een geuronderzoek uitgevoerd door M&A Milieuadviesbureau, waar verschillende woningen als geurgevoelig object in zijn meegenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat de woning aan de Molenakkerstraat 10, welke dichterbij de installatie is gelegen dan de locatie van de initiatiefnemer, de meest beperkende woning is voor de ontwikkelingsmogelijkheden van dit bedrijf. De locatie aan de Servennenstraat 11 betreft daarnaast een woning behorende bij een voormalige veehouderij, waarvoor dezelfde bescherming geldt als een bedrijfswoning bij een veehouderij. Daarbij mag de richtafstand verkleind worden tot 50 meter. Aan deze afstandseis wordt voldaan, waarmee de mogelijkheden van dit bedrijf niet worden beperkt en verzekerd is dat er ter plaatse van de Servennenstraat 11 sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Donkhorst 8: Aan de Donkhorst 8 is een veehouderij, zijnde een melkrundveehouderij gelegen. Voor een 42

melkrundveehouderij zijn in de VNG-handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Het bedrijf aan de Donkhorst 8 is, gemeten van bouwvlak tot bouwvlak, gelegen op een afstand van ongeveer 220 meter van de locatie. Hiermee wordt (ruimschoots) aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal geen sprake zijn van een mogelijke belemmering van het betreffende bedrijf en verzekerd is dat er ter plaatse van de Servennenstraat 11 sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de om te schakelen woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Dit is nader uitgewerkt in de paragrafen "Geur", "Luchtkwaliteit" en "Geluid" (paragraaf 4.1.2, 4.1.3 en 4.1.5) en tevens is daar ook in deze paragraaf al op ingegaan. Uit de toetsing op deze aspecten, zoals in de betreffende paragrafen is uitgewerkt, kan ter plaatse van de om te schakelen woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden geborgd. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de omliggende functies en bedrijven in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom.

Molenak kerstraat 12 Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het beëindigen van een veehouderij waarbij de agrarische bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Een burgerwoning veroorzaakt geen geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. Ter plaatse wordt de veehouderij beëindigd. Met de voorgenomen wijziging wordt de vestiging van een nieuwe veehouderij uitgesloten. Hiermee zal de geurhinder in de omgeving afnemen. Dit zal leiden tot een verbeterde situatie op het gebied van geur in de omgeving. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan de omgeving dient, wanneer sprake is van nieuwe gevoelige objecten of wanneer sprake is van de gebruikswijziging van een gevoelig object, te worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de wijziging van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Daarbij is sprake van een gebruikswijziging van een gevoelig object. Ook dit wordt gezien als een gevoelig object. Hiermee dient te worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Om vast te stellen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de om te schakelen woning is de achtergrondbelasting in beeld gebracht. Als bijlage 4 van deze toelichting is het 43

geuronderzoek opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat er ter plaatse van de Molenakkerstraat 12 sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur. Servennenstraat 11 Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van omschakeling van een intensieve veehouderij naar een akkerbouwbedrijf. Tevens zullen als nevenactiviteiten statische opslag en agrarisch technische werkzaamheden worden uitgevoerd. De agrarisch technische werkzaamheden bestaan, net als in de huidige situatie, uit het opwaarderen van bijproducten uit de voedingsmiddelenindustrie naar hoogwaardig duurzame veevoederstromen en het transporteren van mest. Van deze activiteiten zullen alleen de agrarisch technische hulpbedrijfsactviteiten mogelijk kunnen leiden tot geuroverlast aan de omgeving. In de beoogde situatie kunnen er geuremissies plaatsvinden. De mogelijke geuremissies worden hieronder verder toegelicht: Handelingen met mest Het overpompen van mest, de op en overslag, kan leiden tot geuremissie. Hier is sprake van verdringingslucht. Ten behoeve van het transport van mest is de verwachting dat er maximaal twee transporten (vier bewegingen) per dag plaatsvinden met mest. Dit is gelijk met de aan- en afvoer van mest welke plaatsvond in de voorheen toegestane situatie (14 transporten per week, 28 bewegingen).

In de voorheen vigerende en nu beoogde situatie zijn er vrachtwagens met mesttransport welke een capaciteit van hebben 30 m3. In de voorheen vigerende situatie betekende dit dat er maximaal per dag sprake was van een verdringingsluchtemissie van 60 m3 per dag. Het overpompen vond overdag plaats, dus deze verdringingslucht werd overdag geëmitteerd binnen een tijdsbestek van circa 8 uur. 60 m3 per dag verdringingslucht betekent een gemiddelde verdringingslucht-emissie van 2*30/8= 7,5 m3 per uur. In de beoogde situatie zullen maximaal hetzelfde aantal vervoersbewegingen plaatsvinden per dag. Echter moet wél aangetekend worden dat de beoogde aanvraag niet toeziet op twee volle vrachtwagens mest per dag, omdat de gevraagde verwerking van mest onder de drempelwaarde van 50 ton per dag dient te blijven. Hierdoor zal er dus ((50-60)/60)*100% = 16,67 procent minder verdringingluchtemissie plaatsvinden dan wat voorheen mogelijk was binnen het bestemmingsplan. Dit leidt tot een gemiddelde verdringingsluchtemissie in de beoogde situatie van 6,24 m3 per uur. Daarmee kan worden gesteld dat de geurhinder niet toeneemt. Opslag van droge bijproducten De droge bijproducten die opgeslagen zijn worden afgedekt om ongedierte te weren en het nat worden te voorkomen. Daarmee wordt ook de geuremissie voorkomen. De droge bijproducten worden met een shovel geladen voor afvoer.

Na het laden wordt de opslag weer afgedekt. De vrachtwagens voor het lossen van deze droge bijproducten zijn afgedekt om emissies te voorkomen en inregenen te voorkomen. De opslag van de droge bijproducten in sleufsilo's zal in totaal 3800 m3 zijn in de beoogde situatie. 200 m3 zal worden opgeslagen in kisten in de loods. Opslag van natte bijproducten Om de geuremissie van de natte bijproducten tegen te gaan zijn de voersilo's voor de natte bijproducten aan elkaar gekoppeld. Dit betekent dat de verdringingslucht uit de te vullen silo naar een andere silo gaat. Het legen van de silo's is ook een continu proces. De te legen silo trekt de lucht uit de te vullen silo naar zich toe zodat er geen verdringingslucht vrijkomt. De te legen silo gaat naar de loods waar de producten gemengd worden. De loods wordt zoveel mogelijk afgesloten om geuremissie te voorkomen. In totaal zullen er in de beoogde situatie (voor de droge én natte bijproducten samen) 21 vrachtwagens per week verwacht worden (42 verkeersbewegingen). In de voorheen toegestane situatie kwamen er al 18 vrachtwagens (36 verkeersbewegingen) per week voor het leveren van reststromen, duurzame veevoederstromen op de locatie. Dit leidt dus ten opzichte van het voorheen toegestane tot een verschil van 3 transporten per week met voer.

Ook bij vrachtwagens voor het leveren van voer in de beoogde situatie kan sprake zijn van verdringingslucht. Bij een worst-case benadering zouden de vrachtwagens tot maximaal 21*30=630m3 verdringingslucht per week kunnen leiden. Deze emissies zullen worst-case enkel binnen 8 uren overdag plaatsvinden. Dit leidt tot een gemiddelde verdringingsluchtemissie van 630/7/8=11,25 m3 per uur, waar dit voorheen worst-case 18*30/7/8=9,64 m3 had kunnen zijn. De opslag 44

van (natte) bijproducten in silo's zal in de beoogde situatie in totaal 16*50=800 m3 zijn. Mixen en mengen van voer De droge bijproducten kunnen bijgemengd worden bij de natte bijproducten. Dit gebeurd in een afgesloten loods. Net als bij het bereiden van brijvoer in de situatie die voorheen vergund was vindt dit plaats in een ruimte waar deuren en ramen zoveel mogelijk dicht blijven. De loods is afgesloten met automatische, op afstand bedienbare deuren om emissies te voorkomen. Op de loader is een afstandsbediening voor het openen en sluiten van de deuren. Deze deuren zullen gesloten blijven, tenzij er producten zijn die van binnen naar buiten of andersom moeten worden gebracht. Daarmee worden de geuremissies tot een minimum beperkt. De geuremissie zal met de voorgenomen omschakeling aanzienlijk afnemen, wat zal leiden tot een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving. Naast het feit dat met een ruimtelijke ontwikkeling geen sprake mag zijn van het veroorzaken van geurhinder aan de omgeving dient, wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe geurgevoelige objecten te worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt niet voorzien in een geurgevoelig object.

Echter kan, gezien een uitspraak van de Raad van State (uitspraak 201704769/1/R1, datum 6 juni 2018), een historisch gegroeide situatie in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening, waardoor de bedrijfswoning alsnog moet worden getoetst als zijnde een nieuw gevoelig object. Om vast te stellen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de om te schakelen woning is de achtergrondbelasting in beeld gebracht. Als bijlage 4 van deze toelichting is het geuronderzoek opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat er ter plaatse van de Servennenstraat 11 sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur.

4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14170303/1