Bijlage 1c Toelichting Servennenstraat 11 en Molenakkerstraat 12
Tekst van het document
Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in 64
Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.
Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Molenak kerstraat 12 Ter plaatse van de Molenakkerstraat 12 worden alle bedrijfsgebouwen gesloopt. Mogelijk dat deze gebouwen deel uitmaken van het leefgebied van beschermde soorten. Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een ecologisch onderzoek uitgevoerd.
Hieruit blijkt dat het niet aannemelijk is dat met de voorgenomen ontwikkeling mogelijk voorkomende beschermde soorten zullen worden geschaad. Wel dienen de werkzaamheden buiten de piekperiode van het broedseizoen (globaal tussen 15 maart en 1 juli) te worden uitgevoerd om mogelijke verstoring van actieve nesten te voorkomen. Voor het gehele onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 7 van deze toelichting. Servennenstraat 11 Ook aan de Servennenstraat 11 worden bedrijfsgebouwen gesloopt. Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het niet aannemelijk is dat met de voorgenomen ontwikkeling mogelijk voorkomende beschermde soorten zullen worden geschaad. Wel dienen de werkzaamheden buiten de piekperiode van het broedseizoen (globaal tussen 15 maart en 1 juli) te worden uitgevoerd om mogelijke verstoring van actieve nesten te voorkomen. Voor het gehele onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 7 van deze toelichting. Op basis hiervan kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna.
65
4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Zoals te zien in de volgende figuur zijn de locaties aan de Molenakkerstraat 12 en de Servennestraat 11 niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN-gebied is gelegen op een afstand van meer dan 550 meter.
Uitsnede kaart NNN/NNB. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locaties niet in het NNN zijn gelegen zullen de voorgenomen ontwikkelingen geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.
4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. 66
Bij de voorgenomen ontwikkelingen aan de Molenakkerstraat 12 en de Servennenstraat 11 is geen sprake van een toename van de uitstoot van ammoniak. De veehouderijactiviteiten worden door de sanering van de varkenshouderijbedrijven op deze locaties immers beëindigd. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van Wav-gebieden in de omgeving.
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Oisterwijk middels haar archeologische beleidskaart voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
Uitsnede archeologische beleidskaart Bron: Gemeente Oisterwijk. De gemeente heeft de archeologische (verwachtings)waarden vastgelegd in dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan. Molenak kerstraat 12 De locatie is voor het overgrote deel niet voorzien van een dubbelbestemming ter bescherming van de archeologische waarden. Enkel aan de zuidoostzijde van het bouwvlak is ca. 2.730 m² voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' en een smalle strook, ca. 470 m² voorzien van de 67
dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Aan de zuidwest zijde van het bouwvlak is een zeer klein deel (ca. 40 m²) voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Bron: Gemeente Oisterwijk. 197 m² aan bedrijfsgebouwen zijn gebouwd op gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Indien er grondbewerkingen worden uitgevoerd op een grotere diepte dan 50 cm, waaronder ook het verwijderen van funderingen wordt gerekend, en de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt dient er archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Op basis van een historische toets blijkt dat de locatie deels ligt in een gebied dat is aangemerkt als 'Archeologisch monument' met hoge waarde, zijnde een terrein met sporen van bewoning uit de Vroegeen Late Middeleeuwen. Dit betreft een restant van een vindplaats die als gevolg van ontgronding is aangetast. Daarbij zijn onder andere waterputten aangetroffen. Verder noordelijk, direct langs de stal bevindt zich een vindplaats waar meerdere aardewerkscherven uit de vroege en late middeleeuwen zijn aangetroffen. Vanuit het beleidsplan Archeologie van de gemeente geldt dat voor het slopen van gebouwen, waarbij de grond dieper dan 30 centimeter wordt geroerd en waarbij meer dan 100 m² aan bebouwing wordt gesloopt, een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk nodig is. In het beleidsplan is tevens opgenomen dat aan een dergelijke vergunning de voorwaarde kan worden verbonden de graaf- en sloopwerkzaamheden te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
Bij de bouw van de huidige varkensstal is de bouwput destijds tenminste 50 centimeter breder en 10 centimeter dieper dan de onderzijde van de huidige fundering uitgegraven. Tevens is destijds de ondergrond geëgaliseerd. Het is daarmee aannemelijk dat eventuele resten in de bodem tot op 10 centimeter dieper dan de huidige fundering reeds zijn verstoord en niet langer aanwezig zijn. In de diepere grondlagen zijn de mogelijk aanwezige archeologische waarden nog intact. Omdat met de gewenste ontwikkeling de bodem niet dieper geroerd zal worden dan de onderzijde van de huidige fundering is het niet aannemelijk dat mogelijk voorkomende resten zullen worden geschaad. Omdat de bodem, zoals reeds in het voorgaande omschreven, al is geroerd en er niet dieper gegraven zal worden dan de onderzijde van de huidige fundering is het niet aannemelijk dat mogelijk voorkomende resten zullen worden geschaad. Om hier echter zeker van te kunnen zijn zullen de graaf- en sloopwerkzaamheden worden begeleid door een archeologisch deskundige. Daarmee wordt in voldoende mate geborgd dat eventuele voorkomende resten op tijd worden waargenomen en er bij eventuele vondsten 68
op passende wijze zal worden gehandeld. Binnen het overige deel van het plangebied is geen dubbelbestemming ten aanzien van archeologie opgenomen. Met de sloop van bedrijfsbebouwing zullen geen mogelijk voorkomende archeologische resten worden geschaad. Servennenstraat 11 De locatie aan de Servennenstraat 11 kent geen dubbelbestemming voor archeologie. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad.
4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende figuur zijn de locaties gelegen in een gebied met enkele cultuurhistorisch waardevolle elementen.
U itsnede cultuurhistorische waardenkaart. Bron: Provincie Noord-Brabant. Molenak kerstraat 12 De Molenakkerstraat is aangemerkt als historisch geografische zichtlijn in het landschap met redelijk hoge waarde. Het is van belang dat deze zichtlijn niet wordt geschaad. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen wijzigingen plaats in de structuur van het landschap en/of de omliggende wegen. Er is daarmee geen aantasting van de structuur van de betreffende zichtlijnen. Daarnaast zal met de voorgenomen ontwikkeling het bebouwingsoppervlak afnemen, waarmee de openheid wordt bevorderd. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige aantasting van de historisch 69
geografische lijnen in het landschap. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen. Servennenstraat 11 In de directe omgeving van de locatie Servennenstraat 11 zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Hierdoor kunnen met de voorgenomen ontwikkeling de cultuurhistorisch waardevolle elementen niet onevenredig aangetast worden.
4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur zijn de locaties aan de Molenakkerstraat 12 en de Servennenstraat 11 niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.
Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locaties niet in een aardkundig waardevol gebied zijn gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.
4.4
Verkeer en parkeren
4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting van het gebied vindt plaats via de Molenakkerstraat, de Broekzijde en de Vinkenberg naar de rijksweg A58. Molenak kerstraat 12 De locatie aan de Molenakkerstraat is voorzien van twee inritten, één voor het bedrijfsmatige verkeer en één voor het aan wonen gerelateerde verkeer, welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het 70
inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Het terrein biedt in de huidige situatie voldoende ruimte voor personenauto's en vrachtwagens om te keren en te parkeren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor er geen achteruit rijdende voertuigen de openbare weg op hoeven te rijden. Na de beëindiging van het bedrijf en de omschakeling naar een burgerwoning hoeven geen vrachtwagens meer op het terrein te komen. De bedrijfsmatige inrit aan de noorzijde zal in deze vorm komen te vervallen en wordt gewijzigd in een onverharde inrit voor toegang tot het resterende landbouwperceel. Na omschakeling zal er ruim voldoende gelegenheid voor personenauto's aanwezig zijn om op het terrein te keren. Ook in de gewenste situatie zal daarmee geen sprake zijn van voertuigen die op de openbare weg moeten keren of achteruit de openbare weg op moeten rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren.
Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden. Vanuit de parkeernormen en het parkeerbeleid van de gemeente dient per vrijstaande woning in het buitengebied voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn voor 2,4 auto's. De inrit van het woonhuis is van voldoende breedte en lengte dat hier ruim voldoende parkeergelegenheid voorhanden is.In de gewenste situatie zal daarmee eveneens ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig zijn om volledig op eigen terrein te kunnen parkeren. Er zal daarmee geen sprake zijn van een toenemende parkeerdruk op de omgeving en de openbare ruimte. Servennenstraat 11 De locatie aan de Servennenstraat 11 is voorzien van een viertal inritten welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur.
Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. De huidige agrarische bedrijfswoning blijft als agrarische bedrijfswoning in gebruik. De bedrijfswoning is een vrijstaande woning in het overig gebied, waarbij een norm geldt van 2,4 parkeerplaatsen per woning. Bij de huidige bedrijfswoning is meer dan voldoende ruimte beschikbaar voor 3 parkeerplaatsen, waarmee aan de parkeerbehoefte voor de woning wordt voldaan. Deze parkeernorm zal niet wijzigen. De beschikbare ruimte bij de bedrijfswoning zal eveneens niet wijzigen, waarmee in de gewenste situatie eveneens voldoende parkeergelegenheid aanwezig is ten behoeve van de bedrijfswoning. Voor agrarische bedrijven zijn geen specifieke parkeernormen opgenomen. Formeel gezien dient voor een agrarisch bedrijf te worden aangesloten bij de normen voor arbeidsextensieve en bezoekersextensieve bedrijven in het overig gebied.
Hiervoor geldt een norm van 1,1 parkeerplaats per 100 m² bruto-bedrijfsvloeroppervlakte. De bruto-bedrijfsvloeroppervlakte bedraagt ongeveer 4.200 m². Dit houdt in dat voor de gewenste bedrijfsvoering minimaal 46,2, afgerond 47 parkeerplaatsen nodig zijn. Aan de voorzijde van het bedrijf zijn reeds 7 parkeerplaatsen aanwezig. Daarmee moet er nog worden voorzien in voldoende ruimte voor 40 parkeervoorzieningen. Aan de lange zijde van de nieuw te bouwen loods is, zoals globaal aangegeven in de volgende figuur, ruimte voor auto's om te parkeren op de erfverharding. De strook erfverharding waarop geparkeerd kan 71
worden biedt ruim voldoende ruimte voor 40 auto's. Daarmee is op eigen terrein ruimte voor voldoende parkeergelegenheid om aan de gestelde norm te kunnen voldoen. In de praktijk zal de parkeerbehoefte, gezien de lage bezoekers- en arbeidsintensiteit, aanzienlijk lager liggen.
Uitsnede tekening landschappelijke inpassing met daarop globaal ruimte om te parkeren aangegeven. Bron: Van Dooren Landschap; bewerkt. Hiermee wordt voldaan aan de eis om op eigen terrein te voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
4.4.2
Verkeersbewegingen
Molenak kerstraat 12 Bij de voorgenomen ontwikkeling aan de Molenakkerstraat 12 is sprake van beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij de huidige bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. In de huidige situatie vinden reeds verkeersbewegingen ten behoeve van de huidige bedrijfswoning plaats. Deze bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Daarbij blijft de huidige woning in gebruik als een woning. Het aantal verkeersbewegingen van de om te schakelen bedrijfswoning zal daarmee niet wijzigen. De verkeersbewegingen van het huidige intensieve veehouderijbedrijf, waaronder veel verkeer met vrachtverkeer, zal in zijn geheel komen te vervallen. In de huidige situatie is sprake van gemiddeld de volgende verkeersbewegingen van en naar de locatie: Leveren van dieren: 1 vrachtwagens per week, leidt tot 2 verkeersbewegingen per week met 72
vrachtverkeer. Afvoeren van dieren: 2 vrachtwagens per week, leidt tot 4 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Leveren van voer: 10 vrachtwagens per week, leidt tot 20 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Aanvoeren van mest: 4 vrachtwagens per week, leidt tot 8 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Afvoeren van mest: 8 vrachtwagens per week, leidt tot 16 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Controle/bezoek dierenarts: 4 bestelauto's of personenauto's per week, leidt tot 8 verkeersbewegingen per week met personenvervoer. Levering van overige diensten en goederen: 3 bestelauto's en/of personenauto's per week, leidt tot 6 verkeersbewegingen per week met personenvervoer.. 5 personenauto's per dag ten behoeve van de bedrijfswoning, leidend tot gemiddeld 10 verkeersbewegingen per dag met personenvervoer. Totaal: gemiddeld 64 verkeersbewegingen per week, waarvan 50 met vrachtverkeer ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering en 70 verkeersbewegingen ten behoeve van de bedrijfswoning. Deze verkeersbewegingen komen behoudens de 10 verkeersbewegingen per dag voor de woning, in zijn geheel te vervallen, waarmee het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie aanzienlijk zal afnemen.
Servennenstraat 11 Bij de voorgenomen ontwikkeling aan de Servennenstraat 11 is sprake van het omschakelen van het intensieve veehouderijbedrijf ter plaatse naar een akkerbouwbedrijf. Daarnaast zullen als nevenactiviteit bij de gewenste bedrijfsvoering statische opslag en agrarisch technische werkzaamheden plaatsvinden. De agrarisch technische werkzaamheden bestaan, net als in de huidige situatie, uit het opwaarderen van restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie naar hoogwaardig duurzame veevoederstromen en het transporteren van mest ten behoeve van andere agrarische bedrijven. Ten aanzien van de bedrijfswoning zal geen sprake zijn van een toename of wijziging van het aantal verkeersbewegingen. Het huidige gebruik is het gebruik als bedrijfswoning en dit zal na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer nog steeds het geval zijn. Het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van de bedrijfswoning zal daarom bij de gewenste omschakeling niet veranderen. In de huidige situatie is sprake van een volwaardig intensief veehouderijbedrijf, zijnde een varkenshouderij. Ten behoeve van het bedrijf vinden in de huidige situatie gemiddeld de volgende verkeersbewegingen plaats: Leveren van dieren: 2 vrachtwagens per week, leidt tot 4 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Afvoeren van dieren: 4 vrachtwagens per week, leidt tot 8 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer.
Leveren van voer: 14 vrachtwagens per week, leidt tot 28 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Aanvoeren van mest: 5 vrachtwagens per week, leidt tot 10 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Afvoeren van mest: 9 vrachtwagens per week, leidt tot 18 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Controle/bezoek dierenarts: 4 bestelauto's of personenauto's per week, leidt tot 8 verkeersbewegingen per week met personenvervoer. Levering van overige diensten en goederen: 3 bestelauto's en/of personenauto's per week, leidt tot 6 verkeersbewegingen per week met personenvervoer. Leveren van resstromen: 2 vrachtwagens per week, leidt tot 4 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Afvoeren van duurzame veevoederstromen: 2 vrachtwagens per week, leidt tot 4 verkeersbewegingen 73
per week met vrachtverkeer. 5 personenauto's per dag ten behoeve van de bedrijfswoning, leidend tot gemiddeld 10 verkeersbewegingen per dag met personenvervoer. Totaal: gemiddeld 90 verkeersbewegingen per week, waarvan 76 met vrachtverkeer ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering en 70 verkeersbewegingen per week ten behoeve van de bedrijfswoning. Ten behoeve van de gewenste activiteiten zijn gemiddeld de volgende verkeersbewegingen te verwachten: 4 tractoren met kar per week ten behoeve van de akkerbouw, leidend tot 8 verkeersbewegingen per week met tractoren; 1 vrachtwagen per dag ten behoeve van de aan- of afvoer van mest, leidend tot gemiddeld 2 verkeersbewegingen per dag. 2 vrachtwagen per week ten behoeve van de akkerbouwactiviteiten, leidend tot gemiddeld 4 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer; 21 vrachtwagens per week met vrachtverkeer ten hoeve van de opwaardering van restromen voor duurzame veevoeders, leidend tot gemiddeld 42 verkeersbeweging per week met vrachtverkeer; 12 personenauto's per week ten behoeve van de statische opslag, leidend tot gemiddeld 24 verkeersbewegingen per week met personenvervoer; 5 personenauto's per dag ten behoeve van de bedrijfswoning, leidend tot gemiddeld 10 verkeersbewegingen per dag met personenvervoer.
Totaal: gemiddeld 92 verkeersbewegingen per week, waarvan 68 met vrachtverkeer en tractoren en 70 verkeersbewegingen per week ten behoeve van de bedrijfswoning. Er is sprake van een beperkte afname van het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie. Daarnaast betekent een gemiddelde van 92 verkeersbewegingen per week, uitgezonderd het aan het wonen gerelateerde verkeer, een gemiddelde van 15 verkeersbewegingen per werkdag (uitgaande van 6 werkdagen per week). Gezien de werkzaamheden in de dagperiode plaatsvinden, een periode van ongeveer 11 uur, betreft dit gemiddeld minder dan 2 verkeersbewegingen per uur. Dit is passend binnen het lokale verkeersbeeld.
4.5
Wateraspecten
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap De Dommel. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd.
Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Hiermee geven de waterschappen ook invulling aan de wens van met name de zogenaamde grensgemeentes die in het verleden te maken hadden met verschillend beleid van de waterschappen. Verder heeft het waterschap het waterschapsbeleid verwoord in de verschillende beleidsdocumenten. Deze zijn in deze paragraaf nader omschreven. 74
4.5.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; Wat schoon is moet schoon blijven. Nog meer dan voorheen is het nodig aan te passen aan de veranderende leefomgeving en op zoek te gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.
Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan worden oplossingen gevonden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe dit te gaan bereiken. Meer dan voorheen is de insteek daarbij: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners worden keuzes gemaakt over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
75
4.5.2 Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits "vasthouden-bergen-afvoeren". Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.
4.5.3 Watergangen In de directe omgeving van de planlocatie zijn, zoals te zien in de volgende figuur, enkele B-watergangen gelegen. Voor B-watergangen geldt een vergunningplicht voor werkzaamheden in of aan de watergang.
Ligging B-watergangen in het plangebied. Bron: Legger van het waterschap De Dommel. In of aan de B-watergangen zullen geen werkzaamheden plaatsvinden. De huidige watergangen zullen blijven behouden zoals in de bestaande situatie. De betreffende watergangen zullen daarmee dan ook niet worden geschaad.
4.5.4
Voorgenomen activiteit
Molenak kerstraat 12 Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het beëindigen van een agrarisch bedrijf, zijnde een 76
intensieve varkenshouderij, waarbij de huidige bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Op de locatie aan de Molenakker 12 zal het bestaande intensieve veehouderijbedrijf in zijn geheel worden beëindigd. Hierbij zal de bestaande bedrijfswoning worden omgeschakeld naar een burgerwoning. De bedrijfsbebouwing zal in zijn geheel worden gesloopt. Op de locatie aan de Molenakker 12 is daarmee sprake van een aanzienlijke afname van het verhard oppervlakte. Aanvullende compensatie wordt daarmee niet noodzakelijk geacht. De gemeente Oisterwijk heeft in de verordening afvoer hemelwater en grondwater 2022 echter opgenomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen alle verharding en bebouwing dient te worden gecompenseerd, ongeacht de huidige/voormalige situatie. Dit betekent dat voor beide locaties de gewenste situatie als "nieuwe" situatie dient te worden beschouwd en dat, ondanks de (aanzienlijke) afname van het verhard oppervlak, alsnog aanvullende compensatie nodig is.
De gemeente hanteert hierbij dezelfde normen als het waterschap, zijnde toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06. De gevoeligheidsfactor bepaalt of voor een specifieke locatie met minder compensatie volstaan kan worden. De gevoeligheidsfactor is opgenomen in de kaart Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015. Deze kaart is gebaseerd op een combinatie van locatiespecifieke bodemkundige en hydrologische omstandigheden. De kaart kent drie verschillende gevoeligheidsgebieden. Gevoeligheidsfactor 1 (vermenigvuldigt de berekende compensatie met één) geeft aan dat alleen met de volledige compensatie volstaan kan worden. Gevoeligheidsfactor ½ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een half) geeft aan dat met de helft van de berekende capaciteit volstaan kan worden. Tenslotte geeft gevoeligheidsfactor ¼ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een kwart) aan dat met ¼ van de berekende capaciteit kan worden volstaan. Zoals te zien in de volgende figuur is de gevoeligheidsfactor op beide locaties ¼.
Uitsnede kaart gevoeligheidsfactoren. Bron: Waterschap De Dommel. Op basis van het tet plaatse aanwezige verhard oppervlak (bebouwing en erfverharding) in de gewenste 77
situatie (ongeveer 875 m²) en de gevoeligheidsfactor ter plaatse (gevoeligheidsfactor ¼) kan de compensatie als volgt worden berekend: "875 x 0,25 x 0,06 = 13,125 m³". Bij de voorgenomen ontwikkeling is daarmee een compensatie van minimaal (afgerond) 13 m³ aan aanvullende waterberging nodig. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Compenserende waterberging" (paragraaf 4.5.5). De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd. Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken vertraagd afgevoerd naar omliggende sloten. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse. Servennenstraat 11 Bij de voorgenomen ontwikkeling aan de Servennenstraat 11 is sprake van het omschakelen van het intensieve veehouderijbedrijf ter plaatse naar een akkerbouwbedrijf. Daarnaast zullen als nevenactiviteit bij de gewenste bedrijfsvoering statische opslag en agrarisch technische werkzaamheden plaatsvinden.
De agrarisch technische werkzaamheden bestaan, net als in de huidige situatie, uit het opwaarderen van restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie naar hoogwaardig duurzame veevoederstromen en het transporteren van mest ten dienste van agrarische bedrijven in de omgeving. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zullen alle varkensstallen worden gesloopt en zal er een nieuwe loods van kleinere omvang worden teruggeplaatst. Hoewel er sprake is van een afnemende oppervlakte aan gebouwen blijft het verhard oppervlakte door de gewenste erfverharding ongewijzigd. De gemeente Oisterwijk heeft in de verordening afvoer hemelwater en grondwater 2022 echter opgenomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen alle verharding en bebouwing dient te worden gecompenseerd, ongeacht de huidige/voormalige situatie. Dit betekent dat voor beide locaties de gewenste situatie als "nieuwe" situatie dient te worden beschouwd en dat, ondanks de (aanzienlijke) afname van het verhard oppervlak, alsnog aanvullende compensatie nodig is. De gemeente hanteert hierbij dezelfde normen als het waterschap, zijnde toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06. De gevoeligheidsfactor bepaalt of voor een specifieke locatie met minder compensatie volstaan kan worden. De gevoeligheidsfactor is opgenomen in de kaart Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015.
Deze kaart is gebaseerd op een combinatie van locatiespecifieke bodemkundige en hydrologische omstandigheden. De kaart kent drie verschillende gevoeligheidsgebieden. Gevoeligheidsfactor 1 (vermenigvuldigt de berekende compensatie met één) geeft aan dat alleen met de volledige compensatie volstaan kan worden. Gevoeligheidsfactor ½ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een half) geeft aan dat met de helft van de berekende capaciteit volstaan kan worden. Tenslotte geeft gevoeligheidsfactor ¼ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een kwart) aan dat met ¼ van de berekende capaciteit kan worden volstaan. Zoals te zien in de volgende figuur is de gevoeligheidsfactor op beide locaties ¼.
78
Uitsnede kaart gevoeligheidsfactoren. Bron: Waterschap De Dommel. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden een aantal sleufsilo's aangelegd. Deze worden voorzien van een eigen voorziening voor het opvangen van hemelwater. Het in deze bij de sleufsilo's aan te leggen voorzieningen opgevangen hemelwater wordt gelijktijdig met de eventuele perssappen van de sleufsilo's afgevoerd en verwerkt. Hiermee wordt voorkomen dat perssappen in de bodem lekken. Omdat het hemelwater afkomstig van de sleufsilo's afzonderlijk wordt opgevangen en afgevoerd is hiervoor geen aanvullende compensatie nodig en hoeven deze niet als "nieuwe" verharding te worden beschouwd. Voor het overige is in de gewenste situatie sprake van ongeveer 10.450 m² aan verhard oppervlak (bebouwing en erfverharding). Op basis van het tet plaatse aanwezige verhard oppervlak in de gewenste situatie (ongeveer 10.450 m²) en de gevoeligheidsfactor ter plaatse (gevoeligheidsfactor ¼) kan de compensatie als volgt worden berekend: "10.450 x 0,25 x 0,06 = 156,75 m³". Bij de voorgenomen ontwikkeling is daarmee een compensatie van minimaal (afgerond) 157 m³ aan aanvullende waterberging nodig. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Compenserende waterberging" (paragraaf 4.5.5). Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel.
Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar een wadi. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak niet toenemen. Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden: zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en 79
verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast. De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd. Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen en afgevoerd naar omliggende kavelsloten. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.
4.5.5 Compenserende waterberging Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.4) is voor de voorgenomen ontwikkeling aan de Molenakkerstraat 12 minimaal 13 m³ en voor de voorgenomen ontwikkeling aan de Servennenstraat 11 minimaal 157 m³ aan compenserende waterberging nodig. Het is van belang dat effectieve berging van de bergingsvoorzieningen boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt gerealiseerd. Op beide locaties bedraagt de GHG tussen de 100 en 130 centimeter (gemiddeld 115 centimeter) onder maaiveld. Dit betekent dat de bodem in voldoende mate geschikt is voor infiltratie en dat voor de gewenste bergingsvoorzieningen geen extra rekening hoeft te worden gehouden met de stand van het grondwater. Bij de locatie aan de Molenakkerstraat 12 is reeds een zaksloot aanwezig ten westen van het plangebied, loodrecht op de Molenakkerstraat. Deze sloot is ongeveer 125 meter lang en ongeveer 3,5 meter breed en ongeveer 50 cm diep. Deze sloot biedt ruim 200 m³ aan bergingscapaciteit. Dit is ruim voldoende om de opgave van 13 m³ te kunnen bergen. In onderstaande figuur is een doorsnede van de betreffende sloot weergegeven.
Profiel zaksloot Molenakkerstraat Bron: ahn.nl Op de locatie aan de Servennenstraat is een infiltratievijver aanwezig. Deze vijver heeft een oppervlakte van ongeveer 200 m² en een effectieve diepte van ongeveer 1 meter. Hiermee biedt de aanwezige vijver ongeveer 200 m³ aan bergingscapaciteit, waarmee ter plaatse ruimschoots voldoende capaciteit aanwezig is om de gestelde opgave van 157 m³ te kunnen bergen. Het hemelwater afkomstig van het verharde oppervlak wordt reeds afgekoppeld op de infiltratievijver, waarmee deze is aangesloten op het verhard oppervlak ter plaatse. Daarnaast is de infiltratievijver voorzien van een noodoverloop naar het omliggende oppervlaktewatersysteem. 80
Op beide locaties is de grondwaterstand dusdanig laag dat het hemelwater vanuit de bergingsvoorzieningen ruim voldoende gelegenheid heeft om binnen 48 uur te infiltreren in de bodem. Gezien het voorgaande is er op de beide locaties (ruim) voldoende bergingscapaciteit, waarmee sprake is van en hydrologisch neutrale ontwikkeling.
81
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaarheid van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling van het deel van het plangebied van Servennenstraat 11 is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub c. van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een separate overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. De gemeente Oisterwijk hanteert hiervoor de Regeling plankosten exploitatieplan. Verder zal ook eventuele planschade in een separate overeenkomst worden geregeld. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het project begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan ''Buitengebied" en de correctieve herziening daarop van gemeente Oisterwijk en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze procedure is in de volgende paragrafen nader uiteengezet.
82
5.2.1 Zorgvuldige dialoog met de omgeving In het kader van een zorgvuldige dialoog met de omgeving heeft de initiatiefnemer omwonenden geïnformeerd over de plannen. Hiertoe heeft de initiatiefnemer alle adressen binnen een straal van 500 meter van de beide locaties schriftelijk geïnformeerd, met daarbij de mogelijkheid om contact op te nemen om eventuele aandachtspunten kenbaar te maken. Slechts één van de omwonenden heeft mondeling een vraag gesteld met betrekking tot de omvang van de bedrijfsbebouwing op de locatie aan de Servennenstraat. Deze heeft de initiatiefnemer naar tevredenheid beantwoord. Voor het overige zijn er geen reacties ingekomen vanuit de omgeving. Van de dialoog met de omgeving is een verslag gemaakt. Hiervoor wordt verwezen naar bijlage 9 van deze toelichting.
5.2.2 Vooroverleg In het kader van vooroverleg is het voorliggend plan aangeboden aan de verschillende vooroverlegpartners. De vooroverlegpartners zijn daarbij in de gelegenheid gesteld op het voorliggend plan te reageren. In deze paragraaf is nader opgenomen op welke wijze met de reacties is omgegaan. Vanuit het vooroverleg hebben de volgende vooroverlegpartners gereageerd: Waterschap De Dommel; De Gasunie; Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Het voorliggende plan is bij de provincie Noord-Brabant aangeboden middels het formulier inventarisatie ruimtelijke aspecten. Daaruit kwam naar voren dat het vooroverleg was afgerond en er geen nadere actie noodzakelijk was. 5.2.2.1 Vooroverlegreactie waterschap De Dommel Het waterschap heeft in het kader van vooroverleg gereageerd op het voorliggende plan. Kort samengevat heeft het waterschap de volgende reacties gegeven: 1. Het waterbeleid is onvoldoende overgenomen in de toelichting. Het waterschap verzoekt de standaard tekst die zij hebben toegezonden over te nemen in de toelichting. 2. Het waterschap geeft aan dat de in het plangebied aanwezige B-watergangen niet voldoende worden beschreven. Het waterschap verzoekt deze beter te beschrijven en een kaartje op te nemen uit de legger waarop deze zijn weergegeven. 3.
Het waterschap geeft voor de locatie Molenakkerstraat 12 aan dat compenserende waterberging in de aanwezige B-watergang niet wenselijk is en dat ter plaatse dient te worden voorzien in een nieuwe voorziening voor waterberging (een zaksloot of wadi) met een overloop naar de B-watergang. Het waterschap geeft aan dat hiervoor nog een nieuwe waterbergingsvoorziening op deze locatie moet worden aangelegd en dat daarvan een nadere uitwerking in de toelichting nodig is. 4. Het waterschap geeft voor de locatie Servennenstraat 11 aan dat compenserende waterberging in de aanwezige infiltratievijver een prima oplossing is, maar adviseert nader te specificeren in de toelichting dat het verhard oppervlak hierop is aangesloten en een noodoverloop aanwezig is naar het watersysteem. De reactie van het waterschap is als volgt behandeld: Ad. 1: De standaardtekst van het waterschap met betrekking tot beleid is in de paragraaf "Wateraspecten" (paragraaf 4.5) verwerkt. Hiertoe zijn de paragrafen 4.5.1 en 4.5.2 nieuw toegevoegd. De overige paragrafen onder paragraaf 4.5 zijn daarbij doorgenummerd. Ad. 2: In de toelichting is in de paragraaf "Wateraspecten" (paragraaf 4.5) een nadere omschrijving opgenomen van de B-watergangen in de omgeving van het plangebied. Daarbij is eveneens een kaartje opgenomen 83
met de ligging van de watergangen. Hiertoe is de paragraaf 4.5.3 nieuw toegevoegd. De overige paragrafen onder paragraaf 4.5 zijn daarbij doorgenummerd. Ad. 3: In de paragraaf "Compenserende waterberging" (paragraaf 4.5.5) is een nieuwe bergingsvoorziening nader omschreven en uitgewerkt. Ad. 4: In de paragraaf "Compenserende waterberging" (paragraaf 4.5.5) is dit nader gespecificeerd. Gezien het voorgaande is op voldoende wijze tegemoet gekomen aan de reactie van het waterschap.
5.2.2.2 Vooroverlegreactie Gasunie De Gasunie heeft in het kader van vooroverleg gereageerd op het voorliggende plan. Kort samengevat heeft de Gasunie de volgende reacties gegeven: 1. De Gasunie geeft aan dat zij op de PDF van de verbeelding de ligging van de gasleidingen en de breedte van de belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijden van de hartlijnen van de leidingen niet kunnen controleren en verzoekt de verbeelding hier nog goed op te controleren. 2. De Gasunie geeft aan dat op de locatie Molenakkerstraat 12 sprake is van de omschakeling van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Deze locatie is gelegen binnen de veiligheidszone van de gasleidingen. Ook de bedrijfswoning aan de Servennenstraat 11 is voor een deel binnen de veiligheidszone gelegen. Binnen deze zone zijn kwetsbare objecten niet toegestaan. Er dient in de toelichting een nadere afweging te worden gemaakt of sprake is van kwetsbare objecten of van beperkt kwetsbare objecten. Wanneer sprake is van kwetsbare objecten dan verzoekt de Gasunie om contact met hen op te nemen voor een nader advies. De reactie van de Gasunie is als volgt behandeld: Ad. 1: De ligging van de leidingen en de daarbij behorende belemmeringenstrook en veiligheidszones zijn op de verbeelding nogmaals nader gecontroleerd.
Tevens zijn deze op de verbeelding aangepast naar aanleiding van een wijziging in de contouren voor het plaatsgebonden risico. Ad. 2: In de paragraaf "Transportroutes (spoor-, vaar- en autowegen en buisleidingen)" (paragraaf 4.1.6.2) is een nadere afweging opgenomen om te bepalen of sprake is van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten. Gezien de ligging van de woningen, het feit dat er aan het feitelijk gebruik van de woningen niets wijzigt en de personendichtheid niet toeneemt kunnen de woningen als "beperkt kwetsbare objecten" worden beschouwd. Gezien het voorgaande is op voldoende wijze tegemoet gekomen aan de reactie van de Gasunie. 5.2.2.3 Vooroverlegreactie Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant De Gasunie heeft in het kader van vooroverleg gereageerd op het voorliggende plan. Kort samengevat heeft de Gasunie de volgende reactie gegeven: 1. De veiligheidsregio geeft aan dat voor de voorgenomen ontwikkeling in het voorliggende plan gebruik kan worden gemaakt van het Standaard Advies van de Veiligheidsregio. De reactie van de veiligheidsregio is als volgt verwerkt: Ad. 1: Het standaard advies van de veiligheidsregio is als bijlage bij het voorliggende plan opgenomen. In de paragraaf "Groepsrisico" (paragraaf 4.1.6.3) is hier een verwijzing naar opgenomen alsmede een korte omschrijving. 84
5.2.3 Zienswijzen Als onderdeel van de Uniforme Voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd. In het kader van deze procedure is eenieder tijdens de terinzagetermijn van het ontwerpbestemmingsplan in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Op 12 december 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten om het ontwerpbestemmingsplan “Servennenstraat 11 en Molenakkerstraat 12” ter inzage te leggen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van vrijdag 22 december 2023 tot en met donderdag 15 februari 2024 gedurende 8 weken terinzage gelegen. Tijdens deze periode is er één zienswijze ingediend. In de nota zienswijzen is inhoudeljk ingegaan op de inhoud van de zienswijze, de beantwoording daarvan en de wijze waarop dit heet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. De nota zienswijzen is als bijlage 11 te raadplegen.
5.2.4 Beroep Als onderdeel van de Uniforme Voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal het bestemmingsplan na vaststelling nogmaals ter inzage worden gelegd. Tijdens deze terinzagetermijn krijgt eenieder de gelegenheid beroep in te stellen bij de Raad van State. In deze paragraaf zullen eventuele ingekomen beroepen worden omschreven en indien nodig worden beantwoord. Eventuele wijzigingen in het voorliggend plan naar aanleiding van ingekomen beroepen worden daarbij eveneens in deze paragraaf beschreven.
85
Hoofdstuk 6 6.1
Wijze van bestemmen
Doel en reikwijdte
Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn: 1. goede ruimtelijke ordening; 2. uitvoerbaarheid. Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet. Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en; 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor: 1. het bebouwen van de gronden; 2.
het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.
6.2
Onderdelen van een bestemmingsplan
Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).
6.2.1 De toelichting De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). 86
Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie. Bijlagen bij de toelichting: Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.
6.2.2 De planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels: In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald; 2. Bestemmingsregels: In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden.